Op Java.
III.
Den 9en Mei ’s avonds, een halven dag vroeger dan wij verwacht hadden, voer de “Tambora”, een van de mooie booten van de Rotterdamsche Lloyd, ons van Padang naar Batavia terug. Door deze vervroegde aankomst en vertrek van de boot werd nog even het afscheidsdiner, door de familie Kamerling voor ons belegd, in de war gestuurd. Toen de gasten kwamen, moesten wij afreizen, alleen de vroegkomers konden wij nog even de hand tot afscheid reiken! De heer Kamerling, die ons, niettegenstaande ’t in de war gestuurde diner, toch zelf naar de boot bracht, had van tevoren gezorgd, dat de bagage bezorgd werd, die reeds netjes op haar plaats in onze hutten op ons wachtte.
Het waren een paar gezellige, vroolijke dagen, die wij aan boord sleten. De laatste dagen aan boord van deze Hollandsche mailbooten worden altijd als feestdagen beschouwd; het afscheidsdiner is een maaltijd met een begin, maar zonder einde; goede wijn en champagne wordt dan namens den kapitein den gasten geoffreerd; sigaren voor de heeren, zoetigheidjes voor de dames en aardige, bruikbare souvenirs vindt men naast zijn couvert of worden gedurende het diner rondgediend, en als het oogenblik van de champagne is aangebroken, dan breekt ook meteen de welbespraaktheid los en vloeien de toasten op elkeen en ieder van veler lippen. De vroolijkheid behoefde niet met geweld opgewekt te worden, ze kwam spontaan en ’t was duidelijk, dat de vele reizigers, die eenige weken gezamenlijk dit schip bevolkt hadden, het te zamen goed hebben kunnen vinden en dat zij ook met den kapitein en de officieren van het schip goede vriendschap hadden gesloten.
In Tandjong Priok aangekomen, hadden wij weder datzelfde gezeur met de toelatingsbewijzen. Niettegenstaande wij onze toelatingsbewijzen, die twee jaren geldig zijn, bij ons hadden, moesten wij toch wachten tot allen klaar waren, omdat niemand vóór dien tijd van boord mocht gaan. Op een snikheeten middag eenige uren in de haven van Tandjong Priok doelloos door te brengen, gun ik mijn vijanden zelfs niet.
Het was in Batavia zoo heet—men vertelde ons, dat in veertig jaren zoo’n hitte niet voorgekomen was—dat wij besloten zoo spoedig mogelijk onze zaken aldaar te regelen en naar Buitenzorg te vertrekken en daarmede onzen toer door Java te beginnen.
In het Hotel Bellevue te Buitenzorg vonden wij vriendelijke opname en een paar frissche kamers met een wonderschoon uitzicht op den berg Salak en op de daaronder stroomende rivier. Uren konden wij daar, op de veranda zittende, doorbrengen met te kijken naar de kleine, bruine kindertjes, die daar als jonge kikvorschen in en uit de rivier sprongen en zich daar den geheelen dag amuseerden, terwijl hunne moeders, tot aan het middel in het water staande, tallooze gekleurde sarongs en witte baaitjes in den snelvlietenden stroom waschten en ze dan op den oever te drogen legden. De berg zelf, tot aan den top begroeid met theeplantages en palmboomen, bood ons een heerlijken, rustigen aanblik. Drie dagen brachten wij in Buitenzorg door, dagen, die vol waren met afwisselende indrukken.
Natuurlijk gold ons eerste bezoek de beroemde botanische tuinen, den trots van Java. Zonder het opzettelijk te willen, maakte ik toch onwillekeurig vergelijkingen met den mededinger naar de kroon van de beste en de mooiste in de geheele wereld te zijn, den Koninklijken Botanischen tuin in Paradenya, op Ceylon. Ik ben blij, dat ik niet geroepen ben, in dezen uitspraak te moeten doen, want het zou mij heel zwaar vallen uit te maken, welke van beide den prijs verdient. Is onze Koninklijke tuin misschien smaakvoller aangelegd, die in Paradenya bezit het voordeel, dat men bij elken boom en plant naast den wetenschappelijken Latijnschen naam ook den gebruikelijken Engelschen naam vermeld vindt, benevens den naam van het land, waar die boom of plant inheemsch is.
Naast den botanischen tuin interesseerden ons het meest, de eveneens beroemde kweek- en proeftuinen en de landbouwtuin. Hiermede verbonden wij meteen een bezoek aan de landbouwschool, alwaar wij van het onderwijs niet veel konden zien, omdat de jongelieden juist in de examen-werkzaamheden zaten. Het waren in hoofdzaak jongens, geboren uit Hollandsche vaders en inlandsche moeders, die de leerlingen vormden en naar de directeur ons mededeelde, was het voornamelijk om voor deze jongens een hun passenden werkkring te vormen, dat deze school was in het leven geroepen. Ik hoop, dat er een hooger en meer algemeen belang bij de oprichting en instandhouding van deze school beoogd wordt, al is het resultaat dan ook, dat daarmede bedoelde jongelieden aan eene maatschappelijke positie geholpen worden.
Ik wil niet opnoemen wat wij in Buitenzorg op zoölogisch, botanisch, landbouwkundig, chemisch en phytopathologisch gebied meer voor bijzonderheden zagen, doch met een enkel woord wil ik toch even het zoö-phytopathologisch museum gedenken, met zijn bekwamen directeur, den heer Ouwens, aan het hoofd, den man, die zoo met liefde zijn interessanten arbeid volbrengt. Met hem als gids, brachten wij eenige onvergetelijke uren in dat museum door, uren, waarin wij omtrent de dieren in onze koloniën méér leerden, dan wij anders in maanden zouden hebben gedaan. Wat maakt het toch een oneindig verschil, als het hoofd van zulk een inrichting zijn taak met belangstelling en liefde voor de zaak vervult, of, zooals ik ze ook wel eens heb aangetroffen, zijn betrekking opvat als een baantje, dat hem tot kostwinning dient.
Eene vergadering met de daar bij ons vorig bezoek verkregen leden van de Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht, leidde tot de oprichting van eene afdeeling Buitenzorg, die met 28 leden haar werk aanvangt.
Donderdagmorgen, 16 Mei, vertrokken wij ’s morgens om 7 uur per kar naar Sindanglaja. Ik schrijf per kar, Kahar Baloon, zooals de inheemsche naam luidt, want rijtuig durf ik het niet noemen. Maar hoe ongemakkelijk onze zitplaatsen in dit nauwe, op twee hooge wielen draaiende karretje ook waren, spoedig hadden wij alle ongerieflijkheden vergeten door het prachtige gezicht, dat onophoudelijk in tal van variaties, onze aandacht boeide. Hoewel deze tocht, waarbij wij eerst door drie, later door vijf paarden naar boven geheschen werden, ruim zes uren duurde, hebben wij ons geen oogenblik over den langen duur beklaagd. Niet alleen was het uitzicht op de bergen onbeschrijfelijk mooi, maar ook de bevolking in de verschillende dorpjes, die wij doorkwamen, bood ons telkens iets nieuws en gaf stof tot vele opmerkingen.
Hoe hemelsbreed verschilt deze Soendaneesche bevolking van die welke wij zoo kort geleden in de Padangsche bovenlanden zagen. De Soendaneesche vrouwen zijn mooier dan hare Minangkabausche zusters, maar dat is ook het eenige, dat wij in haar voordeel kunnen aanvoeren. Zagen wij in de Padangsche bovenlanden overal aan den weg, op het land, in de passars het werk door vrouwen verrichten, hier over den Poentjakpas waren het bijna uitsluitend mannen, die het werk deden, terwijl de vrouwen overal in groepjes bijeenzaten te babbelen, of met een baby in de armen of aan de borst op den grond zaten en lusteloos voor zich uitstaarden. Hier was geen spoor meer aanwezig van de fiere, zelfbewuste houding der Minangkabausche vrouwen, hier zagen wij moedertjes, nauwelijks de kinderschoenen ontwassen, met een zwaarmoedig, levensmoe uiterlijk, waaruit elke grein van energie geweken was. Het verwonderde ons niet, dat ook de kleine kindertjes reeds die oude-mannen- en oude-vrouwen trek op hun gelaat vertoonden, kindertjes, die stil neerlagen als ze in het zand gelegd werden, en op wier gezichtjes, als het rijtuig eens stil hield, of als wij eens verkozen door een dorp te loopen, in plaats van te rijden, wij met geen mogelijkheid een lachje konden te voorschijn roepen. Hoe kunnen zulke energie-looze moedertjes anders dan wezenlooze kinderen het leven schenken?
In een paar dorpen, die wij doorgingen, was het passar-dag en nu zagen wij steeds van alle zijden de mannen, zwaar beladen, met groenten, vruchten en aardappelen ons langs den weg passeeren en passarwaarts gaan. Geen enkele vrouw was onder hen. Deze mannen dragen hunne zware vrachten niet, zooals de Minangkabausche vrouwen, op het hoofd, maar hangende aan een lang juk over een der beide schouders. Dit juk is meestal van bamboe gemaakt en wordt om beurten over den rechter of linker schouder geslagen.
Op deze passars zaten mannen achter hunne vruchten- of groenten-uitstallingen en mannen waren de koopers of verruilden hunne meegebrachte zaken voor andere.
Nog iets viel ons bij deze menschen op, iets dat wij op Java en Sumatra nog niet gezien hebben. Het was de onbeschaamdheid waarmede deze Soendaneesche vrouwen haar bovenlijf onbedekt vertoonden. Het miste hier geheel den indruk van naïeviteit, van niet beter weten of van algemeen gebruik, het was veeleer een onverschilligheid, een te lui zijn, om het jakje aan te trekken of doek om te slaan, die andere vrouwen gebruiken om het bovenlijf te bedekken.
Alleen op de theeplantages, die wij hier en daar passeerden, waren vrouwen aan het theeplukken,—een licht en slecht betaald werk,—en dat was het eenige dat wij op den geheelen langen rit van vrouwenwerk zagen. Deze Soendaneesche menschen verkeeren blijkbaar reeds in een verder gevorderd stadium van maatschappelijke ontwikkeling dan de Minangkabauers, hier is de landbouw, de arbeid, die oorspronkelijk vrouwenwerk was, reeds geheel in handen van mannen overgegaan. Op de landbouwschool in Buitenzorg, worden alleen jongens toegelaten, tot nu toe hebben zich ook nog slechts jongens als leerlingen opgegeven, maar als er meisjes mochten komen, die eene opleiding op die school wenschten, dan zou de directeur zich met hand en tand tegen de toelating verzetten. Voor de meisjes in deze buurten worden nu door particulieren kant- en weefscholen opgericht, werkzaamheden, die volgens onze Westersche begrippen meer geschikt zijn voor vrouwen, en als de meisjes die scholen als volleerde werksters verlaten hebben, kunnen zij met het aangeleerde nog niet het beetje rijst verdienen, dat iemand hier voor voedsel noodig heeft.
Toen wij op ’t hoogste punt van onzen weg gekomen waren, hielden wij een oogenblik halt, om langs een mooien weg met prachtig uitzicht even een bezoek te brengen aan het Telaga warna meer. Dit meertje is een kratermeer, dat door een dicht geboomte met groote verscheidenheid van kleur, omgeven is. Dit geboomte wordt in het water weerspiegeld en verwekt den indruk, alsof het water telkens van kleur wisselt. Bij fellen zonneschijn, als de zon zich achter een wolk verschuilt, of als de wind de veelkleurig getinte bladeren dooreenmengelt, verandert de kleur van het meer.
Op onzen tocht hadden wij een aardige ontmoeting. Zeer spoedig nadat wij in Buitenzorg het hotel verlaten hadden, zagen wij voor ons een zelfde soort karretje, ook met drie paarden bespannen, waarin één heer zat. Toen wij voor den eersten keer uitstapten, stapte ook hij uit, en begon met ons een gesprek over het doel van onzen tocht. Ook hij ging naar Sindanglaja en daar hij, alleen gezeten en met zeer weinig bagage over meer ruimte in zijn karretje beschikken kon dan wij, nam hij bereidwillig eenige van onze zaken over.
Het is een Spanjaard uit Spaansche ouders, in de Philippijnen geboren, die zijne opleiding tot advocaat aan de universiteit te Madrid genoot. Hij is nu in Manilla in een staatsbetrekking. Met echte Spaansche courtoisie ruimde hij alle moeilijkheden, die onze tocht medebracht voor ons uit den weg en hij bleek een cavalier te zijn, zooals wij ons niet beter konden wenschen. Hoewel de man niet ouder dan 35 à 40 jaar kon zijn, kende hij toch zoowat de heele wereld en gaf ons voor onze verdere reis tal van wetenswaardige inlichtingen. Hij kende Amerika zoo goed als mrs. Catt en over Holland sprak hij met een kennis van zaken, die menig Hollander hem benijden kan.
Hij maakt nu een toer door Sumatra en Java, met het doel het geheim te leeren kennen, waardoor Holland als koloniale mogendheid met beter resultaten werkt dan de meeste andere landen, die over koloniën te beschikken hebben. Daar hij in hetzelfde hotel ging logeeren, waren wij, de twee dagen die hij in Sindanglaja vertoefde, onophoudelijk met hem samen en hij bleek tot aan het eind de aangename causeur, de wetenschappelijk ontwikkelde wandelgenoot en de gentleman van top tot teen te zijn.
Hij schreef het succes van Nederland op Java en Sumatra, het laatste had hij reeds bezocht, alleen toe, aan onze sociale gelijkstelling van den Indo-Europeaan met den volbloed Europeaan. Hij had opgemerkt, dat de geheele geschiedenis door in alle koloniale staten, de opstanden voor zoover die niet uit godsdienstfanatismus ontstaan—altijd ontstonden en geleid werden door kleurlingen, d.w.z. door menschen, uit een mengsel van inlandsche en Europeesche ouders ontstaan. De inboorling volgt zulke leiders gaarne en gewillig. Doordat bij ons de Indo-Europeaan als Hollander beschouwd wordt, nemen wij de aanleiding tot een opstand weg, en mochten de Hollanders op dezen ingeslagen weg voortgaan, door ook de inlanders als Hollanders te gaan behandelen, door hun bij gelijke ontwikkeling aanspraak te geven op gelijke maatschappelijke positie, door hen in onze sociale kringen op te nemen en hen op voet van gelijkheid te behandelen, dan zou het kleine Nederland in staat blijven, zijne groote koloniën te behouden, want dan zou het in de bevolking zelf, een machtigen steun hebben. Dit was zijne meening. Hij was er niet voor, de koloniën op te voeden tot zelfregeering, hetgeen Amerika met de Philippijnen voor heeft, maar wel, om de koloniale bevolking op te voeden tot het peil van beschaving en ontwikkeling van den staat, die hen regeert, zoodat zij één wordt met dien staat en de bevolking zich ook één met hare vroegere overheerschers gevoelt.
Daar onze nieuw verworven vriend den 1en Juli in Manilla terug moest zijn, reisde hij sneller door Java dan wij, en verliet hij ons na twee dagen oponthoud in Sindanglaja. In Manilla hopen wij later de vriendschap voort te zetten.
Een van onze eerste bezoeken van uit Sindanglaja gold de landbouwkundige tuinen in Tjibodas. Elk in een draagstoel gezeten, gedragen door vier inlanders, legden wij den steilen steenigen, slechten weg naar boven, in ongeveer twee uren af. Het was echter een prachtig uitzicht, dat wij onophoudelijk genoten. Deze botanische en landbouwkundige tuin, midden in een oerwoud, 1500 meter hoog gelegen, bevat alle planten, die in de tuinen van Buitenzorg niet willen bloeien, omdat zij een kouder klimaat behoeven. Deze tuin kan vergeleken worden met den Ceylonschen tuin in Newrelia, die om dezelfde reden als de onze een aanhangsel is van den tuin in Paradenya. Onze Tjibodas-tuin staat echter in menig opzicht, doch vooral wat aanleg en planten-verscheidenheid betreft, veel hooger dan de Newrelia’sche. Hier leggen de Engelschen het bij ons af.
Het is maar goed, dat wij in Britsch-Indië door het rijden op kameelen en olifanten aan het dooreen-schudden gewend geraakt zijn, anders hadden wij het op dien tocht naar Tjibodas, drie uur heen en terug, nooit in de draagstoelen uitgehouden. Dat zitten in draagstoelen, berg-op, berg-af geeft een emotie, die minder goede zeevaarders dan wij twee zijn, zeker zeeziekte aan land zou bezorgd hebben; het maakte ons alleen wat duizelig en liet een vage hoofdpijn achter.
Een kwartier wandelen van hier, langs een mooien landweg, in Tjipanas, ligt het landgoed van den gouverneur-generaal in een prachtig park, dat vreemd genoeg, voor het publiek gesloten is. Door een toeval kregen wij gelegenheid om in dit goed onderhouden en idyllisch mooi gelegen park te wandelen. Als de gouverneur zijn landschap dikwijls bezocht, zou er misschien reden kunnen zijn, om wandelaars te weren, maar zelden of nooit komt Z. Exc. er den dag doorbrengen, of er eenige dagen vertoeven, zoodat deze uitgestrekte bezitting bijna uitsluitend ten dienste is van het daar wonend ondergeschikt personeel.
Toen wij op onze wandeling door het dorpje een beetje van den grooten weg afdwaalden, kwamen wij spoedig in een dicht bosch, alwaar op bijna alle boomen wildgroeiende orchideeën voorkwamen. Het is opmerkelijk, hoe hier overal langs den weg wild-groeiende orchideeën te vinden zijn. Hoewel de bloemen niet zoo groot als de bij ons voorkomende, gekweekte soorten zijn, is de kleur van deze, hier gevondene dikwijls fijner en zachter. Sommige er van bezitten een heerlijken zoetigen geur.
Eenige door mij geplukte soorten van deze bloemen, omgeven door een rand van roodbruine bladeren, van een hier ook in ’t wild groeienden heester, vormde zoo’n mooie bouquet, dat elke bloemist er naar hunkeren zou.
Het hotel in Sindanglaja, dat tevens tot herstellingsoord dient, is zeer mooi gelegen en geeft uit bijna alle kamers een mooi uitzicht op de rondom gelegen bergen. De temperatuur in Sindanglaja is zeer behagelijk, het is er niet te warm en niet te koud. Het zou gewis de meest gewenschte plek op aarde zijn voor vele rust- en herstel-zoekenden, als de huishouding in het hotel een beetje beter gevoerd werd. Die laat zeer veel te wenschen. Ook klinkt het een beetje paskwillig, dat eene inrichting, die zich als “herstellingsoord” publiceert, geen dokter bezit, en er zelfs de meest gebruikte medicamenten niet te krijgen zijn. Er komt eens per week een dokter uit een ander oord, die aan den directeur vraagt, of er ook zieken zijn, en daarna weder verdwijnt.
Niettegenstaande deze bezwaren brachten wij tweetjes toch vier rustige dagen in Sindanglaja door, dagen die ons geheel restaureerden en die ons tot de gelukkige ontdekking brachten, dat er met een paar dagen rust in een koeler klimaat toch nog een beetje van de oude energie in ons aanwezig is. Wij waren er aan gaan twijfelen.
IV.
Niet zoo moeilijk als het was voor ons om in Sindanglaja te komen, was het om er weder uit te verdwijnen. Wij behoefden daartoe slechts met een rijtuigje den ongeveer negen kilometer langen weg naar Tjiandjoer, die geheel bergafwaarts voert, af te leggen. In Tjiandjoer zouden wij den trein vinden, die ons naar Bandoeng moest brengen. Wij hadden reeds twee dagen tevoren in het hotel Sindanglaja paarden en rijtuig besteld, om toch vooral zeker te zijn, dat wij op tijd en zonder ongelukken ter bestemder plaatse zouden aankomen, en niettegenstaande de herhaalde verzekeringen van den chef van het hotel, dat het rijtuig ons in één uur naar beneden aan het station kon brengen en wij dus niet eerder dan acht uur van Sindanglaja behoefden te vertrekken, hadden wij toch maar de voorzichtigheid betracht met om zeven uur weg te rijden. Wij hadden de keuze tusschen een Kahar Baloon of een dos-à-dos en hadden de laatste gekozen, omdat die rijtuigjes, laag bij den grond zijnde, ons in de gelegenheid stellen bij bokkesprongen van de paardjes, er gemakkelijk uit te springen. In een Kahar Baloon is men meedoogenloos aan de bijna ongetemde grillen van de lieve beestjes, die men hier paarden noemt en als zoodanig gebruikt, overgeleverd, want in zoo’n balonkar kan men alleen met behulp van een trapje uit- en instijgen. Gelukkig, dat wij zooveel voorzorgen getroffen hadden, want tot tweemaal toe gevoelden wij ons verplicht uit ons karretje te springen, omdat de twee vurige paardjes meenden genoeg gedaan te hebben en pogingen aanwendden om zich van den inhoud der kar te ontdoen, met ons over den dijk te gooien. Ook vertikten zij het eenige keeren om een stap voorwaarts te gaan, zoodat het koetsiertje, met behulp van een voorbijgaanden inlander, de beestjes een eindweegs moest voorttrekken, om er zoodoende weder den gang in te brengen. Dat alles had ten gevolge, dat wij in Tjiandjoer aankwamen toen de trein reeds daar was en op het punt van vertrekken stond. Een onzer zorgde, dat de handbagage in den trein geworpen werd, de ander nam gauw twee kaartjes, en zoo regelden wij het om op het laatste oogenblik nog in den trein te komen en mede te kunnen afreizen. Zoo’n trein verzuimen zegt hier veel in Indië, want er staat maar niet zoo op eens een tweede trein gereed, zooals wij dat in Holland gewend zijn.
Toen wij eindelijk voortrolden in een gemakkelijken, neen, zeer gemakkelijken en uiterst zindelijk onderhouden waggon van de Staatsspoorwegen, toen konden wij ons verlustigen aan den aanblik van de streek, die wij doortrokken. Wij hadden het getroffen met te zitten in de achterste waggon, waaraan een balcon verbonden was, dat ons een ruim en vrij uitzicht bood over de heerlijke vlakten in de Preanger Regentschappen. De uren, in den trein doorgebracht, vlogen om als waren het even zoovele minuten en toen wij te Bandoeng aankwamen en daar aan het station opgewacht en begroet werden door de Bandoengsche Kiesvereeniging, die mij voor een spreekbeurt had uitgenoodigd, en door mevrouw Willy Berton, ons vroeger Amsterdamsch bestuurslid van de Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht, verkeerden wij in zoo’n opgewekte stemming over het genotene, dat wij nauwelijks realiseerden, dat hier in Bandoeng weder “werken” onze plicht zoude zijn.
Bandoeng is een verrukkelijke stad; er is het geheele jaar door een temperatuur, die niets te wenschen overlaat. Het is er nooit te koud en het is er nooit te warm. Daarbij ligt het zoo te midden van een prachtige natuur, dat men er tal van heerlijke uitstapjes kan maken. Er wonen juist genoeg Europeanen om gezamenlijk wat kunstgenot te kunnen betalen en ook noodzakelijke, nuttige instellingen in het leven te houden.
Een Kampong in de Preanger.
Waarom vestigen alle groote lichamen hunne hoofdkantoren niet hier, inplaats van in het door de hitte bijna onbewoonbare Batavia? En waarom wordt de regeeringszetel niet naar hier overgeplaatst? Als ik het in Holland niet meer naar mijn zin vind, ga ik naar Bandoeng. Waarom gaan de menschen naar Italië, naar Zwitserland; wat men daar zoekt en slechts voor een deel van het jaar vindt, is hier onophoudelijk te genieten. Voor het onderwijs van de kinderen zoekt men die andere landen, maar bij genoegzame deelname zijn hier toch ook goede scholen te stichten. Als er ooit in Indië een universiteit komt, moet die in Bandoeng gevestigd worden, want hier kunnen de jongelieden met heldere koppen werken, hier behoeft hunne energie door de hitte niet verlamd te worden.
Wij rekten ons verblijf in Bandoeng zoolang wij konden, en bleven er tot na de Pinksterdagen. Dat waren bijzondere drukke dagen voor het stadje. Niet alleen hielden de kina-kultuurondernemers, de theeplanters en de koffie dito’s er eene bijeenkomst of een congres in die dagen, maar er had nog een andere bijeenkomst plaats, die ten doel had de leden der gemeenteraden over heel Java tot een bond te vereenigen, om zoodoende de belangen der afzonderlijke gemeenten op betere wijze dan tot nu toe te kunnen behartigen. De bijeenkomst droeg den grootschen naam van “Decentralisatie-congres”, en had plaats ten huize van den regent van Bandoeng.
Door middel van mijn perskaart kreeg ik toegang tot dit congres. Het vorige jaar kwamen door de bemoeiingen van het oud-Kamerlid Van Kol en op zijn initiatief, eenige heeren, allen deel uitmakende van de verschillende gemeentebesturen uit Nederlandsch-Indië, bijeen, die de wenschelijkheid gevoelden van de totstandkoming van een bond van gemeenteraadsleden met een eigen orgaan, zoodat de gemeentebelangen beter dan tot dusverre behartigd kunnen worden. Het is nog zoo kort, dat onze broeders in Indië de bevoegdheid verwierven de gemeentebelangen, voor een deel, zelve te mogen regelen. Vele gekozenen in de gemeenteraad schijnen hun taak ook met liefde en toewijding te vervullen, maar zij gevoelen zich als een beginnende schaatsenrijder, zij hakkelen nog wat in de kunst en weten nog niet goed of de rechter- dan wel de linkervoet voor moet gaan. Niets begrijpelijker dan dit. Wijsheid te putten uit de gemeente-handelingen onzer Nederlandsche groote steden helpt slechts weinig, omdat de toestanden hier zoo geheel anders zijn. Door elkaar voor te lichten met wat in de eene gemeente met goed resultaat tot stand kwam, of wat onvoorziene slechte gevolgen had; door groote belangen, die voor heel Indië konden gelden, samen te bespreken, kan men elkaar helpen en steunen en de gemeenten kunnen daarvan de goede vruchten plukken.
De Boeroeboedoer.
Den 26en en 27en Mei had nu de tweede bijeenkomst plaats, die echter het eerste congres moet worden genoemd, omdat nu voor het eerst eenige onderwerpen door verschillende sprekers zouden worden ingeleid, onderling besproken en over de daaruit voortgevloeide stellingen gestemd zoude worden.
Nadat de oude regent even alle aanwezigen in zijn woning had begroet, ging hij heen en werd het congres met een kort, passend woord geopend door den resident van Bandoeng, den heer Oudemans. Deze had, op verzoek, het presidium voor deze bijeenkomst aanvaard, omdat de aangewezen president niet tegenwoordig kon zijn en zijn plaatsvervanger de taak niet aandurfde. Benevens de resident waren ook nog de heeren Tollenaar, regeerings-vertegenwoordiger, en ons Eerste Kamerlid, Van Deventer, tegenwoordig. Verder was de opkomst bedroevend gering. Dat was zeer te betreuren, omdat de onderwerpen, die ingeleid werden, zeer belangrijk waren, en naar het mij voorkwam, zeer degelijk werden behandeld.
De heer D. de Jongh Wz. hield de zakelijke openingsspeech, waarin hij het doel van deze bijeenkomst schetste. Dat is samen te vatten in de volgende woorden: Dit congres moet de belangstelling wekken der gemeenteraadsleden en daardoor moet men komen tot een “Bond ter bevordering van gemeentebelangen”.
Daarna sprak de heer Westerveld, Semarangsch gemeenteraadslid, over “Gemeentelijke grondpolitiek”. Helder en goed gedocumenteerd was zijne voordracht, die gemeentelijk grondbezit aanbeval. De 6 stellingen, die ten slotte uit de voordracht getrokken, aan stemming onderworpen werden en met algemeene stemmen werden aangenomen, komen daarop neer: 1. dat de uitbreiding eener gemeente alleen mag geschieden volgens een door den gemeenteraad vastgesteld uitbreidingsplan. 2. Dat de gemeente de bevoegdheid deelachtig wordt om ten algemeenen nutte gronden te onteigenen. 3. Dat gemeentelijk grondbezit in de eerste plaats moet dienen tot verbetering der volkshuisvesting. 4. Dat bij overname van door particulieren aangelegde straten de voorwaarde wordt gesteld, dat de grond kosteloos aan de gemeente wordt afgestaan en tevens een grooter of kleiner deel van de gekapitaliseerde onderhoudskosten in de gemeentekas wordt gestort, en 5. Dat het gemeentelijk grondbezit afzonderlijk beheerd moet worden.
Daarna sprak de heer De Jongh over het Verkeersvraagstuk in de gemeenten. Ook deze spreker had zijn onderwerp goed bestudeerd en beschikte over de talenten om op aangename en duidelijke wijze zijne overtuiging bij zijne hoorders ingang te doen vinden. Hij is een groot voorstander van gemeente-exploitatie van tramwegen, doch zoolang dit uit gebrek aan middelen een ideaal moet blijven, wil hij de particuliere exploitatie aan zeer scherpe voorwaarden binden, voorwaarden, die het te allen tijde mogelijk maken, dat het bedrijf door de gemeente op niet al te nadeelige voorwaarden kan worden overgenomen. Ook deze spreker heeft zijne voordracht in stellingen samengevat, die ook eenparig werden aangenomen.
Dat in stemming brengen en aannemen van al de stellingen beteekent eigenlijk niets anders, dan dat het handjevol der daar aanwezige gemeenteraadsleden van slechts zeer weinige gemeenten in hoofdzaak met de denkbeelden van den voorsteller kunnen meegaan; verdere beteekenis mogen wij daaraan vooralsnog niet hechten. In beide deze voordrachten trof het mij, hoe de belangen van den inlander steeds nummer één werden gesteld, en hoe men er op voorbedacht is om de gemeentepolitiek in de eerste plaats dienstbaar te maken aan de belangen der inlandsche bevolking.
Den tweeden dag werd door mr. Van Wijngaarden het vraagstuk van “Gemeenteraad en Inlandsche Gemeente” ingeleid, doch dit is zoo’n ingewikkelde juridische kwestie, dat ik daarvan den inhoud niet in een kort bestek kan samenvatten, ook al niet, omdat ik er niet genoeg van begrijp. Dit laatste was toch het geval met de meeste aanwezigen, waardoor dan ook de stellingen niet in stemming konden worden gebracht, doch men algemeen van oordeel was, dat dit vraagstuk grondig moest worden bestudeerd en in een ander congres opnieuw ter sprake worden gebracht. Daarna sprak de heer J. E. Stokvis, over Gemeenteraadscommissies. Onnoodig zeker te zeggen, dat hij een groot voorstander bleek te zijn van zulke lichamen, of lichaampjes, die in de gemeenteraden eigenlijk het practische werk verrichten. Toen deze besprekingen afgeloopen waren, werd de wenschelijkheid besproken van eene definitieve oprichting van eene “Vereeniging ter bevordering van gemeentebelangen”, waarvan elkeen, ook niet-gemeenteraadsleden, die aan de behartiging dier zaken wil medewerken, lid kan worden. Uitdrukkelijk wordt in het reglement door den heer Stokvis samengesteld, uitgesproken, dat vrouwen, onder dezelfde voorwaarden als de mannen, lid dezer vereeniging kunnen worden. Dit is een zeer verstandige maatregel, want het zou mij niet verwonderen, als niet zeer spoedig zal blijken, dat de vrouwen hier meer belangstelling toonen in de gemeentebelangen dan tot dusverre de mannen deden, enkele zeer bijzondere gunstige uitzonderingen daargelaten. De vrouwen in Indië hebben nu gelegenheid van hare belangstelling te doen blijken, daarmede aantoonende, hoe bekrompen, en meer de traditie dan het belang der Indische gemeenten dienende, de uitsluiting der vrouw tot het kiezen van en verkiesbaar zijn voor gemeenteraadslid in Indië, in de Verkiezingsordonnantie van 19 Januari 1908 is geweest. Was er toen een gouverneur-generaal in Indië geweest met een helderen kop en met de moed zijner overtuiging, dan had hij, in het belang der Indische gemeenten, nooit het woordje “mannelijk” in artikel 2 van de Kiesordonnantie gelascht. De vrouwen, onder welke er vele zijn, die de gemeentebelangen begrijpen en ze wenschen te bevorderen, moeten nu eerst den strijd aanbinden om dat woordje uit artikel 2 verwijderd te krijgen, alvorens zij met vrucht haar werk ten nutte der gemeente kunnen aanvangen. Dat zij dezen strijd zoo spoedig mogelijk zullen aanbinden, daarvan zal ieder verzekerd zijn, die vele der flinke vrouwen hier heeft leeren kennen en waardeeren.
Een liefdedienst.
Tijdens mijn verblijf in Sindanglaja vond ik op de leestafel in het hotel aldaar “het Tijdschrift”, een maandblad, dat sedert korten tijd hier in Bandoeng uitgegeven wordt, onder de bekwame leiding van den heer Douwes Dekker. Het toeval wilde, dat juist in het nummer dat in mijne handen kwam het program van de partij of de vereeniging, waarvan “het Tijdschrift” het orgaan moet zijn, ontwikkeld werd en dat ik daarin las, dat het doel kort en bondig daarop neerkomt: “Indië voor de Indiërs”. Natuurlijk dacht ik, dus dan toch ook bij ons, evenals in Britsch-Indië, eene beweging tegen de overheersching der Europeanen, dus ook hier een begin van opstand, of ten minste eene poging om zich van den Nederlandschen invloed en Nederlandsche macht te bevrijden. Het was natuurlijk mijn eerste werk, toen ik in Bandoeng kwam, om mij te overtuigen van den omvang dezer beweging en van de reden, die de leden tot verzet noopt. Nu weet ik niet of ik teleurgesteld of blij moest zijn, toen ik vernam dat er van een dergelijke beweging in onze koloniën vooralsnog ten minste geen sprake is, dat de redacteur van “het Tijdschrift” een nog op zichzelf staand leider is van eene denkbeeldige vereeniging of bond, dat er wel hier en daar personen gevonden worden, die met zijne inzichten sympathiseeren (zou er wel ooit iemand eene meening geuit hebben, waarvoor niet hier en daar geestverwanten gevonden worden), doch dat er onder die personen nog geene organisatie bestaat. Het komt mij een versnippering van de intellectueele krachten van den heer Douwes Dekker (een achterneef van Multatuli, die eenige van de goede eigenschappen van zijn oudoom overgeërfd heeft) voor, om in onze koloniën deze Britsch-Indische beweging na te bootsen, ten eerste omdat de conditiën, waaronder onze inlanders en vooral onze Indo-Europeanen leven, zooveel gunstiger zijn dan die van dezelfde categorie personen in Britsch-Indië en ten tweede, omdat onze inlandsche bevolking bij lange na niet staat op denzelfden trap van ontwikkeling als de Britsch-Indische.
Als wij eens de onderlinge twistpunten, vooral uit verschil van godsdienst voortspruitende, buiten beschouwing laten, dan kan men gerust zeggen, dat Britsch-Indië zich zonder de hulp van Engeland zal kunnen staande houden en zich verder ontwikkelen. Ik bedoel niet tegenover vreemde mogendheden, maar als een volk op zichzelf. Zij beschikken over genoeg krachten om scholen te stichten en ’t volk verder te ontwikkelen, terwijl ook hunne industrie op zeer voldoende wijze in de behoeften van het volk kan voorzien. Daarbij komt, dat de half-Europeaan, die aan een Europeeschen vader of moeder en een inlander zijn ontstaan dankt, daar onder de inlanders geteld wordt en het vooral deze zijn, die de beweging “Indië voor Indiërs” sterk steunen. Voor deze halfbloed inlanders in Britsch-Indië zijn de levensvoorwaarden uiterst slecht; geen wonder, dat dezen elk middel aangrijpen om tot betere omstandigheden te komen.
Vergelijk daarmede eens onze koloniën. Wanneer Nederland Java en Sumatra thans onafhankelijk maakte, afgezien van het feit, dat andere mogendheden spoedig en gaarne de voogdijschap zullen overnemen, dan zouden beide eilanden in minder dan geen tijd terugzinken tot het peil van beschaving, dat zij een eeuw of langer geleden bezaten. Het volk beschikt nog niet over genoeg financieele en intellectueele kracht om zichzelf verder op te heffen, terwijl de industrie nog heelemaal niet kan voorzien in de behoeften zelfs van den tegenwoordigen inlander. Voor het eenvoudigste werk heeft men hier de hulp van den Chinees noodig, en het zal nog heel wat tijd duren, aleer mannen als de heer Douwes Dekker zich zouden kunnen gelukkig gevoelen in een Java, geheel onder de macht der Javanen.
Maar dat is ook niet wat de heer Douwes Dekker bedoelt. Hij vat onder Indiërs samen, allen, die onze koloniën voor vaste woonplaats hebben gekozen, dus ook alle half-Europeanen, die in onze koloniën onder de Europeanen gerangschikt worden en wettelijk met hen zijn gelijk gesteld, en de Europeanen, die zich hier vestigen. Dan wil hij ook voorloopig nog niet de voogdij van Holland missen; eerst moet Nederland voor een voldoend aantal scholen zorgen, zoodat de inlandsche bevolking zich goed kan ontwikkelen; onder deze scholen zal ook eene voor Indië geschikte universiteit moeten verrijzen en industriescholen etc. Dan moet onze militaire macht hen voorloopig ook nog beschermen tegen uit- en inlandsche vijanden en als dit alles hen sterk genoeg gemaakt heeft om zichzelf te kunnen helpen, dan zou Nederland moeten zeggen: “kind, ik heb je groot gebracht, je kunt nu op eigen beenen staan, ga nu je gang”. Uit een ethisch oogpunt valt daarvoor veel te zeggen, maar dan zouden ook alle Europeanen en half-Europeanen geweerd moeten worden en Java voor de Javanen, Sumatra voor de Sumatranen moeten blijven, anders zou het nog minder dan een halve maatregel zijn. Dit schijnt mij vrijwel een hersenschim. Ik gevoel veel meer om te streven naar eene andere richting en wel deze, die ook door Snouck Hurgronje in zijne vier bekende lezingen geuit werd, dat wij, evenals wij een Indo-Europeaan als Nederlander beschouwen, ook den Javaan, Maleier, etc. als zoodanig beschouwen en hun dezelfde rechten geven als wij zelf als Nederlanders bezitten en hen ook het gevoel geven, dat zij zijn in de eerste plaats Nederlander en daarna Javaan. Ik bedoel in dien geest: een Drentenaar of een Fries voelt zich toch ook eerst Nederlander en dan Drentenaar of Fries, zoo ook moet de Javaan en de Maleier zich gaan gevoelen. Het idee, dat wij, Nederlanders, hunne meerderen zijn, moet er uit; met de macht van het opvoedingswapen moet dat denkbeeld in de eerste plaats bij de Nederlanders, die in Indië wonen of er komen en dan bij de inlanders zelf bestreden worden. Er is geen reden te vinden, waaraan wij het recht ontleenen op den inlander neer te zien. Zij zijn een ander, wat van zelf spreekt, maar volstrekt geen lager soort menschen dan wij. Wij hebben hen noodig om het werk te verrichten, dat wij daar niet kunnen doen, zij hebben ons noodig om hun de ontwikkeling bij te brengen, waaraan zij thans behoefte gevoelen. Deze uitwisseling van diensten kan geschieden op den voet van gelijkwaardigheid, en als dat nu nog niet kan, omdat wij al veel in dit opzicht hier bedorven hebben, dan moet toch in die richting gestuurd worden. Ergerlijk is het dikwijls, hoe Europeeërs en.... Indo-Europeeërs, die intellectueel en moreel geen cent waard zijn, toch met een toon van meerderheid tegen den Javaan optreden en hem als een soort slaaf behandelen. Uit den mond van dezulken heb ik reeds de klacht vernomen, dat het een schande was, dat men den Javaan niet meer mocht slaan, als hij zijne plichten niet naar behooren vervulde. Het feit, dat alle hooger ontwikkelden hier onder de Europeërs en Indo-Europeërs met liefde en waardeering van den inlander spreken, heeft bij mij den indruk versterkt, dat de Javanen hooger staan dan men ons, nieuwelingen hier in Java, wel wil doen gelooven en dat zij door goed geleid onderwijs in eenige geslachten gebracht kunnen worden tot menschen, die wij met trots onze landgenooten zullen noemen.
Maar ook hier, evenals op Sumatra, moeten scholen komen, vele en goede. Onze beste onderwijskrachten in Nederland kunnen hier een mooie en dankbare taak vinden. Vooral goede onderwijzers en onderwijzeressen moeten uitgezonden worden, want de taak, die deze hier te vervullen krijgen, is eene meer opvoedende en meer verantwoordelijke dan die in Holland, en alleen de beste krachten zijn daarvoor geschikt.
O, daar heb ik mij laten verleiden tot een ontboezeming, die ik had willen vermijden, omdat zoovele menschen, die lang in Indië wonen of gewoond hebben, heelemaal met mij van meening zullen verschillen en ik tevens vrees door kortheid tot onduidelijkheid te zijn gekomen en nu een hoop tegenspraak (die ik misschien niet onder de oogen krijg) te wachten heb. Ik beschik echter niet over genoeg tijd om alles nog eens te wijzigen, want ik heb over Bandoeng nog meer te zeggen en daarom gaat het maar ongewijzigd de wereld in.
V.
Door de Bandoengsche kiesvereeniging was den 22en Mei een vergadering uitgeschreven, waarin ik over het vrouwenkiesrecht-vraagstuk sprak. De Bandoengsche kiesvereeniging, hoewel niet aan politiek doende, bestaat toch uit zeer vooruitstrevende menschen, die op de hoogte van hun tijd staan. Hoewel de vrouwen hier, in Indië, evenals haar zusters in het moederland, van kiesrecht en verkiesbaarheid verstoken zijn, heeft toch de kiesvereeniging van Bandoeng uitdrukkelijk in haar statuten gestipuleerd, dat ook vrouwen lid van de vereeniging kunnen zijn en doordat de vereeniging de candidaten kiest voor den gemeenteraad en deze candidaten tot nog toe steeds tot gemeenteraadslid gekozen zijn, kunnen dus de Bandoengsche vrouwen indirect invloed uitoefenen op deze keuze. Mrs. Catt had zich onttrokken om op deze vergadering te spreken, omdat zij zooveel achterstallig internationaal werk had te doen en er slechts weinigen onder het publiek zouden zijn, die haar goed zouden kunnen volgen. Een zeer groote opkomst van het Bandoengsche publiek toonde, dat het vrouwenkiesrecht-vraagstuk tegenwoordig overal belangstelling wekt en dat deze belangstellenden voorstanders worden, zoodra zij over deze belangrijke kwestie tot nadenken worden gebracht.
Na afloop der vergadering bleek, dat meer dan 60 van de aanwezigen de lijsten geteekend hadden om lid der vereeniging te worden en dat een keur van vrouwen zich beschikbaar stelde om de Bandoengsche ledengroep der Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht te leiden. Als presidente werd gekozen mevrouw Reitsema—Brutel de la Rivière, die door haar kranige artikelen in de “Preangerbode” het bewijs reeds heeft geleverd, dat zij het vrouwenkiesrecht-vraagstuk kent en op waardige wijze weet te verdedigen. Onder haar kundige leiding zal hier zeker vruchtbaar werk geleverd worden. Als vice-presidente liet mevrouw Lovius, leerares aan een school alhier zich benoemen; een passende aanvulling van de presidente; mevrouw Willy Berton werd eerste en mejuffrouw Becker tweede secretaresse. Ieder, die mevrouw Berton in de Amsterdamsche afdeeling aan het werk heeft gezien, zal zich overtuigd gevoelen, dat het secretariaat in haar handen, met de hulp van mejuffrouw Becker, onderwijzeres, alleszins goed geplaatst is, en met mevrouw Doyer tot penningmeesteres en mevrouw Douwes Dekker en mevrouw Gramberg tot adviseerende leden van dit bestuur, zal er een kracht van kunnen uitgaan, waarvan de goede gevolgen door de vereeniging in Nederland zeer zeker gevoeld zullen worden.
Onze oude, stadgenoot, dr. Westhoff, was zoo vriendelijk mij persoonlijk in zijn mooi ziekenhuis en blindeninstituut rond te leiden. Deze beide inrichtingen zijn zeer zeker een bezoek overwaard. Het ziekenhuis voor ooglijders voldoet aan alle redelijke eischen, die men aan zoo’n inrichting heden ten dage mag stellen, het voorziet bovendien in een behoefte, zóó groot, dat onwillekeurig de vraag in ons opkomt: is het wel voldoende in onze koloniën slechts één zoo’n inrichting te hebben? Hoewel gelukkig op Java en Sumatra niet zoovele oogziekten voorkomen als in de tropische landen, die wij vóór dezen bezochten, wij hier slechts bij uitzondering een blinde tegenkomen, terwijl in Jeruzalem, Egypte, Ceylon, Britsch-Indië, die stumpers overal op onzen weg te vinden waren, toch zijn hier nog genoeg van deze ongelukkigen, die misschien bij doelmatige behandeling hun lot hadden kunnen voorkomen, zoodat het gerechtigd schijnt de vraag te uiten: zou ook in Oost-Java niet een oogziekenhuis nog voldoende vruchtbaar werk vinden? Hoe keurig netjes, hoe hygiënisch en hoe practisch zag alles er uit, wat tot het oogziekenhuis behoort; vele menschen ontvangen er gratis een doeltreffende behandeling! Ook het blindeninstituut mag zich laten zien. Met de grootste menschlievendheid worden de blinden er behandeld en de beste zorgen worden aangewend, om deze ongelukkigen, die anders zichzelf en anderen tot last zijn, tot bruikbare menschen in de maatschappij te maken. Niet alleen wordt hun allerlei handwerk geleerd, waarmede zij later, als zij weder aan de maatschappij worden afgeleverd, voor zichzelf den kost kunnen verdienen, maar de geestelijk hooger ontwikkelden ontvangen zooveel onderwijs, dat zij het onderwijzersexamen kunnen afleggen of het tot pianostemmer of muziekonderwijzer gebracht hebben. Ook voor goede voeding en uitspanning van deze stumpers wordt uitstekend gezorgd. Hier vindt dr. Westhoff, bij zoovele Amsterdammers nog zeker in vriendelijke en dankbare herinnering, een hoogst belangrijken werkkring. Niemand, die deze inrichtingen bezichtigt, kan een gevoel van dankbaarheid onderdrukken voor dezen man, die met het in het leven roepen van beide gestichten, de menschheid hier een niet te hoog te schatten dienst bewees. Moge het heerlijke klimaat van Bandoeng, dat oude menschen jong maakt en elkeen levenslust en werkkracht geeft, nog heel lang zijn heilzamen invloed ook op onzen oud-stadgenoot uitoefenen.
Met mevrouw Oudemans, de beschermvrouwe van de school, bezocht ik hier de school voor inlandsche meisjes. De oprichtster en leidster van deze school is Raden Devi, de vrouw van een inlandschen onderwijzer. Zij-zelf heeft slechts tot haar twaalfde jaar school gegaan en verder onderricht, eerst van haar moeder, die een hoogstaande vrouw moet geweest zijn, en later van haar man, genoten. Acht jaren geleden, zij was toen reeds moeder van eenige kinderen, gevoelde zij zich geroepen om van de weinige kennis, die zij bezit, doch die toch hemelsbreed boven de kennis staat van de meeste Javaansche vrouwen, zooveel in haar vermogen is aan andere vrouwen mede te deelen. Zij bracht toen zeven of acht meisjes bijeen en begon die te leeren lezen en schrijven. Spoedig kwamen andere meisjes vragen, of zij ook mochten komen, en dat getal breidde zich zóó snel uit, dat thans deze school 230 leerlingen telt. De echtgenooten der opeenvolgende residenten hebben Raden Devi gesteund in haar pogen door een vereeniging tot stand te brengen, waarvan de geïnde contributie der leden de school ten goede komt. Daardoor kon een uiterst primitief lokaal voor schoollokaal worden ingericht, konden schoolbehoeften worden aangeschaft en een paar onderwijzeressen worden aangesteld. Ook het schoolgeld der kinderen helpt een beetje de lasten dragen.
De overheid trekt zich echter van deze hoogst noodige instelling nog niet veel aan. De aan de school werkzame krachten zijn niet-gediplomeerde Javaansche meisjes, die, evenals Raden Devi, hare intellectueele krachten wenschen dienstbaar te maken tot verheffing van haar Javaansche zusters. Bezoldiging, wat m.i. dien naam mag dragen, ontvangen zij niet. Het onderwijs strekt zich niet verder uit dan tot lezen en schrijven van het Javaansch en rekenen. Het sommetje, dat ik een van die kleine, aardige, bruine kindertjes zag maken, leek mij al heel practisch, het was direct ontleend aan het leven, dat haar weldra wacht Zij moest op het bord uitrekenen hoeveel zij te betalen zou hebben, als zij naar de Passar ging en kocht een flesch kokosnootolie van 32 cents, een paar sinaasappelen van 6 cents, en nog iets van 15 cts. Daarna moest zij uitrekenen, hoeveel zij moest terugontvangen als zij die zaken met een gulden betaalde. Het zeven- of acht-jarige poppetje, met haar opgestoken haar, en in een sarong en kabaai gekleed, als een heel mensch, schreef haar antwoorden zóó vlug op het bord, dat men overtuigd kan zijn, dat zij zich later als huisvrouw op de passar niet zal laten bedotten, maar die ook bij mij den wensch deed opkomen, om toch al deze kinderen wat meer onderricht te doen geven. Wat een macht van ongecultiveerde gaven ligt er voor ons land nog te oogsten, als wij de Javaansche vrouwen, evengoed als de mannen, de gelegenheid tot ontwikkeling openen.
Verder werd op die school handwerkles gegeven, in hoofdzaak in nuttige handwerken, zoodat de leerlingen later in staat zullen zijn haar eigen kabaaitjes te maken en hun kleeding netjes te verstellen.
Ook wasschen, strijken en koken werd er onderwezen. De kooklessen zijn er natuurlijk ook alleen op ingericht om de kinderen de Indische keuken te leeren. De rijsttafel met haar groote verscheidenheid van bijgerechten werd daar door de meisjes onder goede leiding klaargemaakt en later gezamenlijk opgegeten.
Als een uitvloeisel van deze school en onder dezelfde omstandigheden en op denzelfden voet werkende, is er nu een te Garoet opgericht, die het in een minimum van tijd tot 100 leerlingen bracht. Is er grooter bewijs noodig, hoezeer goede meisjesscholen hier een levensbehoefte zijn?
Op de school voor opleiding tot inlandsche ambtenaren trof mij het beschaafde en intelligente uiterlijk van de meeste jongelieden, die daar tot toekomstige ambtenaren worden opgeleid. Als deze jonge mannen als staalkaart mogen dienen van de inlandsche mannelijke bevolking op Java, dan staat die bevolking ongetwijfeld op een hoog standpunt. Het muziekkorps, door een der leeraren uit deze jongelui samengesteld, dat hij-zelf onderricht, gaf ook het bewijs, dat de muzikale ontwikkeling van den Javaan ver verheven is boven die van alle Oostersche volken, die wij tot nu toe zagen.
Op de Kweekschool voor Inlandsche onderwijzers waren twee meisjes. Het spijt mij te moeten zeggen, dat deze twee meisjes niet tot de besten onder hare zusters behooren. Dat zij slechts zeer moeilijk met de jonge mannen konden meekomen, was op de gezichten te lezen. Voor de meisjes geldt echter tot verontschuldiging, dat zij niet, evenals de jongens, een goede voor-opleiding hadden genoten. Het meten van krachten is ook hier onbillijk, omdat van den aanvang af niet dezelfde zorg aan de opleiding is besteed.
Iets moet ik nog vertellen, dat op de school van Raden Devi mij zeer pijnlijk trof. Op geen enkele school heb ik dat nog gezien. Als een van de meisjes daar voor het bord werd geroepen om iets uit te rekenen of op te zeggen, dan kwam zij kruipende uit haar bank tot voor de voeten van de onderwijzeres, boog dan haar hoofd tot bijna op den grond, raapte het stukje krijt van den grond en verhief zich dan om haar som uit te rekenen. Op diezelfde kruipende wijze ging zij ook naar haar bankje terug. Zelfs in de kook-afdeeling bewogen de kinderen zich kruipende achter ons om. Dat is de adat, werd mij geruststellend gezegd, maar het is een verderfelijke adat, die niet anders dan verkeerd kan werken en die liefst zoo gauw mogelijk verdwijnen moet.
Een van de vele avonden, die wij hier doorbrachten, gebruikten wij om een voorstelling in een Indo-theater bij te wonen. Geisha, zou worden opgevoerd; wij zouden er wel niets van verstaan, maar wij kenden den inhoud van dit operettetje genoegzaam om te begrijpen wat gezegd en gezongen zou worden. Het was een heerlijke avond. Wij smaakten niet zoozeer muzikaal artistiek of simpel artistiek genot, maar gelachen hebben wij toch, zelfs, toen wij reeds lang den schouwburg verlaten hadden. Wat de vele inlanders—want wij tweeën waren waarschijnlijk de eenige niet-inlanders—in deze voorstellingen trekt, ben ik niet te weten kunnen komen; er schijnt het geheele jaar door genoeg belangstelling te bestaan in deze vertooningen, om avond aan avond volle zalen te trekken. Het was eigenlijk in elk opzicht een parodie. Het zwakke stemmetje van de prima-donna klonk net als het gemiauw van een veertiendaagsch katje, en de jeune-premier zong, alsof hij het met de geheele wereld aan den stok had. Neen, zoo zong hij eigenlijk niet, want het geluid, dat hij te voorschijn bracht, mag niet zingen genoemd worden.
Toen de prima-donna besloten had om naar Japan te gaan, om haar kinderen te zoeken, zag men op het tooneel een zee met grasgroene golven, die door bandjes op en neer werden bewogen en waar tusschen de prima-donna, de kapitein en een matroos het schip, waarop zij zich bevonden, voortrolden. Toen het schip van het eene eind van het ongeveer twee en een halve meter breede tooneel naar het andere eind was gerold, verscheen de juffrouw op ’t tooneel vóór de golven en miauwde haar liedje, dat zij aan boord had moeten zingen.
Wij hebben het slot van deze zielverheffende vertooning niet bijgewoond en zijn er ook niet achter gekomen, of daar op het tooneel Javaansch, Maleisch of Soendaneesch gesproken werd.
Over een van onze mooie uitstapjes wil ik ook nog wat vertellen. Het betreft onzen tocht naar den krater van Prahoe. Wij hadden ons voorgenomen één van de vele kraters op Java te gaan zien en daar wij waarschijnlijk nergens zoo lang zullen vertoeven als in Bandoeng, besloten wij tot een bezoek aan Tangkoeban-Prahoe. Wij hadden alles den dag te voren besteld, zoodat wij nergens oponthoud behoefden te hebben en den heelen tocht in een halven dag konden doen. Direct na zonsopgang vertrokken wij in een gemakkelijke auto naar Lembang, alwaar wij nog voor half acht aankwamen. De weg van Bandoeng naar Lembang, die zacht bergopwaarts gaat, is verrukkelijk mooi. Overal die weelderige plantengroei, die bonte bloesems aan allerlei boomen, dat elegante bamboeriet, dat met zoo’n zwierigen draai zijn kop naar beneden keert, die kleurige meisjes aan het theeplukken en nog zooveel meer, dat het oog boeit. In Lembang stonden de beide tandoe’s, elk met vijf koeli’s (een om onderweg in te vallen) reeds gereed, zoodat wij direct uit de auto in den draagstoel konden overwippen en toen zonder dralen konden verder gaan. Ruim twee uur gingen de stevige kerels in flinken pas steeds steil naar boven, over een weg, zoo vol gaten en afgronden, dat wij blij waren, liever de veilige tandoe, dan een rijpaard voor dezen tocht gekozen te hebben. Eerst passeerden wij nog eenige theeplantages, hooger gekomen gingen wij door kina-ondernemingen, tot wij het laatste uur midden door een oerwoud trokken. Het was een hoogst interessante tocht. Om tien uur waren wij boven met den krater aan onze voeten. De rookkolommen, die van verschillende kanten opstegen, de sterke zwaveldampen en de nu en dan even opkomende borrelingen laten geen oogenblik twijfel bestaan, dat er in het binnenste van deze kolos nog steeds leven is en hij best den een of anderen dag eens weder flink aan het sputteren kan gaan. Wij troffen een zeer helderen dag, waardoor wij een prachtig vergezicht hadden. Toen wij uitgekeken waren, keerden wij terug. De schommelingen van de tandoe waren veel gemakkelijker te verdragen, doordat wij, door ondervinding wijs geworden, de koelies verzochten niet in de pas te loopen. Dat hielp.
Morgenochtend gaan wij van hier in eens door naar Djokjakarta. Wij zijn verplicht Garoet uit onzen tocht door Java uit te schakelen. Toen reeds onze geheele route was vastgesteld en overal de vergaderingen voor vrouwenkiesrecht waren bepaald, kwam Magelang nog achteraan, om ook een vergadering te willen hebben. Daardoor moest nu Garoet vervallen om dien tijd aan Magelang te kunnen besteden.
Met ons vertrek uit Bandoeng, verlaten wij ook de Preanger Regentschappen. Ik ben hier reeds zoo gewend aan de vraag: “of ik de Padangsche Bovenlanden mooier vind dan de Preanger Regentschappen”, dat ik mij verbeeld, daarop hier nu ook een antwoord te moeten geven. Naar mijne meening zijn de Padangsche Bovenlanden en de Preanger Regentschappen beide zeer mooi, doch met elkander niet te vergelijken, omdat zij beide zoo geheel iets anders zijn. Van beide kan men zeggen, dat zij liefelijk mooi zijn, doch beide missen een grootsche natuur.
In de Preanger mist men de schilderachtige Sumatra’sche huizen met hunne poppige rijsthuisjes, die zoo’n goed effect maken tusschen het veelkleurige groen; daarentegen vindt men in de Preanger de in helle kleuren gekleede vrouwen, die aan de omgeving de levendigheid geven, die ze anders zou missen. De Preanger schoonen durven zich in bonte kleederen steken. Zij vertoonen daarbij echter niet altijd goeden smaak. Soms ziet men een jong meisje met een blauwe sarong, een groen baaitje en een paarse slendang. En de kleuren zijn hard en leelijk. Hier en daar vertoonen de meisjes neiging om zich Europeesch te kleeden. Waar ik ze zag, kon ik den smaak der jonge meisjes niet bewonderen. Het is nog te onbeholpen. Maar waarom zouden zij niet? Onze Hollandsche dames loopen soms den geheelen dag in sarong en kabaai en zien er dan dikwijls ook lang zoo goed niet in uit als de Javaansche vrouwen, waarom zouden deze nu niet, als zij mooi willen zijn, onze kleederdracht overnemen? Ik zag hier een Javaansche huwelijksstoet door de straten trekken, bruid en bruidegom en naaste familie in drie auto’s voorop, alle genoodigden in verschillende soort rijtuigen achteraan. Bruid en bruidegom in Europeesche kleederen en ook verschillende der genoodigden. Ik geloof echter niet, dat iemand zich in het ras vergissen zal. Zoo’n Javaansche kop is niet gemaakt voor een Europeeschen hoed, of omgekeerd. Nabootsen is altijd leelijk, onverschillig of het door Europeanen of anderen geschiedt.
29 Mei 1912.