WeRead Powered by ReaderPub
Reisindrukken in het Oosten cover

Reisindrukken in het Oosten

Chapter 9: BAÄLBEK.
Open in WeRead

About This Book

Een bundel reisimpressies en feuilletonachtige brieven waarin de schrijver verslag doet van reizen naar klassieke en bijbelse plaatsen in het Oosten. Landschappen, praktische reisherinneringen en beschrijvingen van monumenten en archeologische opgravingen (onder meer rond Sakkara en Memphis) worden gecombineerd met bezinnende overwegingen over locaties die aan het leven van Jezus herinneren. De teksten zijn bewerkt uit krantenbrieven en feuilletons, vergezeld van chromolithografische illustraties, en leggen zowel waarneming als persoonlijke dankbaarheid en collegiale betrekkingen vast. De uitgave is tevens verbonden aan een liefdadig doel en bedoeld als herinnering voor medereizigers en belangstellenden.

BEELD VAN RAMSES II.

Aan de woestijn van Sakkara of Sahara, zooals wij gewoonlijk zeggen, stijgen wij af. Daar lagen zij weêr voor ons, die machtíge pyramiden, die ons zwijgend vertellen, dat wij hier zijn op het doodenveld van Memphis, waarin eeuwen her de graven van duizenden werden gedolven. Maar het was ons thans meer te doen om de belangrijke opgravingen, die Mariette en andere oudheidkundigen hier deden en die er in slaagden de Apisgraven en dat van den Priester Thi te ontdekken, die diep onder het telkens zich verplaatsende zand der woestijn verborgen lagen.

De begraafplaats der eertijds vergoode Apisstieren bestaat uit een langen gang, langs welken zich aan beide zijden de donkere gewelven bevinden, waarin de doode stieren, na gebalsemd te zijn, werden bijgezet in prachtige doodkisten van zwart of rood graniet. Zij zijn thans alle ledig en meerendeels van haren deksel beroofd. Aan de 4 zijwanden der sarcophagen, die elk een gewicht van 65.000 k.g. hebben en 4 meter lang, 3.30 hoog en 2.30 breed zijn, ziet men overal hieroglyphen. Het is mij een raadsel hoe men deze 30 steenen kisten, wier grondstof ver uit het Zuiden of uit het hooge Noorden moet aangevoerd zijn, hierheen heeft kunnen verplaatsen.

Nog belangrijker is de begraafplaats van Thi, een priester, die ongeveer 5000 jaren geleden te Memphis leefde, van wege de verschillende tafereelen aan het landelijk leven uit vroeger dagen ontleend, die op de wanden zijner doodenkamers zijn afgebeeld. In deze afbeeldingen, die men bij magnesium licht zeer duidelijk ziet, is iets eentoonigs, omdat zij veel op elkaar gelijken; maar de voorstelling zelve in relief op den wand gebeiteld is uitermate eigenaardig. Immers, hier ziet men het geheele leven uit die dagen voor zich; Thi zelf aan het visschen en op de jacht; verder zijne menschen, met de kudden op de weide en de schepen op het water, werkzaam op het land en in de boerderij, bezig met de ganzen, die zij mesten, pillen in den mond te duwen, evenals onze Bredasche kapoenen, daarna ze slachten en braden en dat alles voor 5000 jaren! Het is inderdaad grappig dit alles hier in beeld te zien, wat daarbuiten werkelijkheid is. Wat is er toch weinig veranderd in al die eeuwen! Men kan zich niet voorstellen, dat daar zooveel geslachten over heen gingen, en dit is eene gewaarwording, die men niet enkel hier, maar telkens in Egypte opdoet.

Hier wandelt men rond in de graven van Thi en zijne tijdgenooten en wij zien hoe zij leefden. Straks komen wij in het Giseh museum en staan bij de mummie van een Ramses den Groote, den verdrukker der Israëlieten. Het is alsof wij in de trekken op dat strenge gelaat en in dien scherp gebogen neus nog het onverzettelijk karakter lezen van den man, die zelf voor niemand boog, maar allen voor zich liet bukken.

Daar is iets wonderlijks in het zien van al die dooden, die voor zooveel eeuwen leefden en die nog tot ons spreken. Het is ons alsof door dat alles de gedachte der eeuwigheid, die zoo diep in hun ziel was gelegd, voortdurend zich aan ons opdringt. Zij geloofden aan het leven, dat niet sterft, maar het raadsel van den dood bleef voor hen onopgelost. De dood was als de Sphinx, die niemand kan doorgronden.

Hoe dikwijls komt mij de gestalte der Sphinx nog voor den geest naar de voorstelling eener plaat, die ik eens zag, waarop het kind Jezus rust tusschen hare klauwen in de armen zijner moeder op de vlucht naar Egypte. Van het aangezicht van het Kind straalt een Hemelsch licht uit; het gelaat van de Sphinx wordt door het matte maanlicht beschenen. Zoo ligt zij daar in de stilte van den nacht, met het sombere gelaat naar het Oosten gekeerd, alsof zij van hier de oplossing van het raadsel des doods verwacht, van dat Oosten, van waar weleer een Abraham, een Jozef en een Jacob als voorboden van het licht des levens togen naar Egypte, van waar het kind Jezus zelf kwam en het licht van Zijn Evangelie, dat Egypte voor een wijle bescheen.

Maar van datzelfde Oosten kwam ook het Mohammedanisme, dat nu als het bleeke maanlicht haar menschelijk aangezicht beschijnt, maar het raadsel des doods, waarover zij peinst, niet oplost.

Ja peinzend ligt zij daar, met die wonderbare uitdrukking van weemoed en hoop op haar gelaat, van weemoed over het raadsel des doods en van hoop op de opstanding der dooden.

Moge het licht der Opstanding, dat eenmaal in het Oosten daagde, ook nog eens over Egypte schijnen!


PORT-SAÏD EN BEYROET.


Van Alexandrië vertrok de boot, ditmaal een zeer onzeewaardige, maar dit zouden wij eerst later ervaren, bij dag naar Port-Saïd. Wij hadden dus de gelegenheid om thans de haven in haar geheel te zien. Recht tegenover haren ingang aan het water ligt het breede paleis van den Chedive, die het echter slechts zelden bewoont, daar hij in Caïro resideert. Eene menigte schepen, die de haven vullen, bewijzen, dat Alexandrië een stad is van veel handel en scheepvaart en de voorname stapelplaats voor het vervoer van goederen uit Egypte naar Europa.

De verdere reis langs de Afrikaansche kust biedt weinig bezienswaardigheden, omdat het geheel Delta-land van Egypte vlak is. Het was dus voor ons geen schade, dat wij dit gedeelte bij nacht aflegden. Toen wij den volgenden morgen ontwaakten, lagen wij voor anker te Port-Saïd aan den ingang van het Suez-kanaal.

Men doet in het Oosten alles op zijn gemak en een reis met een boot, die onderscheidene havenplaatsen aanloopt, verwijlt hier gewoonlijk een ganschen dag om te lossen en te laden, ten einde dan gedurende den nacht weer verder te kunnen stoomen. Door deze omstandigheid waren wij gedwongen gedurende een geheelen dag te Port-Saïd te verblijven, van welke gelegenheid werd gebruikt gemaakt om aan wal te stappen en het weinige, dat er te zien is, in oogenschouw te nemen. Hiertoe behoorde de waterleiding uit een der zijkanalen van den Nijl, die de stad van drinkwater voorziet en een gedeelte van het kanaal van Suez, langs een weg die echter, tengevolge van het mulle zand der woestijn, nauwelijks te berijden was. Maar juist op dien weg hadden wij gelegenheid om de wreedheid gade te slaan van den Arabier tegenover het onnoozele dier, eene wreedaardigheid, zooals men ze gelukkig in Christenlanden niet ziet. Ofschoon de meesten onzer den wagen verlieten om het laatste gedeelte te voet af te leggen en den koetsiers beduidden, dat zij konden wachten, dreven zij hun dieren toch voort, wellicht uit vrees, dat ze anders niet betaald zouden krijgen en sloegen er met de grootste onbarmhartigheid op los, zoodat meer dan eene zweep door midden brak. Hoe had ik gewenscht de taal te kennen van dit volk om mijn ergernis te luchten over zulk eene mishandeling! Hoe trof ons in deze schijnbaar nietige zaak het verschil tusschen een land, waar de geest der humaniteit, die mede ook een der zegeningen is van het Evangelie, niet en waar die wel heerscht. Terwijl bij ons zulke gruwelen strafbaar zijn, worden ze dáár toegelaten en het verwondert ons niet, dat menschen, die zoo omgaan met dieren, even onmenschelijk handelen met hunne medemenschen. Maar wij waren immers in Afrika, het land van den Arabier, het donkere werelddeel, waarvan de Zending ons gruwelen weet te vertellen, die de haren te bergen doen rijzen, gruwelen, die zoo ontzettend zijn, dat een Livingstone, die ze zag, ze niet eens vertelde, omdat men ze toch niet zou gelooven.

Ik zal daarom ook maar niet verhalen, wat verder in die havenplaats onze ergernis wekte, waar men op straat telkens de bewijzen te zien kreeg van de liederlijkheid, die er heerscht. Zij bevestigden het feit, waar de Zending zoo dikwerf op wijst, dat overal waar de zoogenoemde Westersche beschaving in aanraking komt met Oostersche toestanden, zonder het Evangelie, dat daar de gruwelen der zonde, die alle gedachten te boven gaan, de volkeren niet alleen zedelijk, maar ook lichamelijk te gronde richten. Verblijdend was het daarom, eenigen tijd later in onze dagbladen te lezen, dat de Turksche Regeering—en dat zegt wat, wanneer zulk eene Regeering meent er zich mede te moeten inlaten—maatregelen heeft genomen om een einde te maken aan de meest ergerlijke tooneelen, die daar in het openbaar en verborgen plaats vinden. Het is althans iets. Maar den eigenlijken strijd tegen de zonde kan alleen het Christendom voeren. Daarom is het zeer te hopen, dat de oogen der zendingsvrienden meer en meer geopend zullen worden voor de wenschelijkheid, ja de noodzakelijkheid om hier te arbeiden, waar, voor zooverre mij bekend is, niets geschiedt op het gebied der Zending, zelf geen Christelijk bedehuis te vinden is, dat men gelukkig in andere steden van Egypte niet te vergeefs zoekt.

Wij waren zeer dankbaar, dat wij aan het einde van een langen en snikheeten dag, dien wij grootendeels doorbrachten in de veranda van een Hôtel, ons weder konden inschepen. Het was de eerste dag, waarop de verzengende Sirokko woei, waarbij de thermometer een uur na zonsondergang nog 96° Fahrenheit aanwees, een woestijnwind, die gedurende de volgende weken onafgebroken bleef waaien en ons nog menige zweetdroppel kosten zou.

Den volgenden morgen zagen wij in de verte voor het eerst iets van de kust en van het daarachter liggend gebergte van het Heilige Land. Weldra naderden wij Jaffa, waar de boot het anker liet vallen en, omdat er geen haven is, tot den namiddag op stroom bleef liggen. De passagiers, die er willen landen, moeten dus per roeiboot afgehaald worden van het schip. Gelukkig zijn de bootslieden uitermate vaardig om bij een onstuimige zee, zooals wij die nu kregen, op het juiste oogenblik gebruik te maken van een hoogen golf om de passagiers op te vangen in hun stevige armen. Wij waren dankbaar, dat wij aan boord konden blijven, maar die dankbaarheid was van korten duur, omdat de wind weldra begon op te steken en wij toen gewaar werden hoe onze boot, de „Odessa,” rolde en tolde als een visscherspink zonder kiel.

Gelukkig lagen wij toch den volgenden morgen behouden voor anker in de haven van Beyroet, de voornaamste havenstad van Syrië. De ligging is zeldzaam schoon. Helderwitte huizen verheffen zich van de zee al hooger en hooger tegen de helling van het Libanongebergte, dat daarachter ligt. De gebouwen en inwoners der stad maken een zeer gemengden indruk, tengevolge van het groot getal Europeanen, die hier wonen om de handelsbelangen van hun land te behartigen. Men hoort er allerlei talen spreken, het meest van alles Fransch, dat evenwel in den laatsten tijd meer en meer verdrongen wordt door het Duitsch en het Engelsch. Men krijgt dan ook den indruk, dat deze drie Mogendheden er op uit zijn haren invloed in Beyroet en vooral in het geheele gebied van den Libanon te versterken, vooral ook door allerlei arbeid op Christelijk-philanthropisch gebied, die zijn centrum heeft in de stad en zijn arbeidsveld buiten in de dorpen op het Libanon-gebergte.

Zoo werkt hier de Duitsche zending met diakonessen van Kaiserswerth, onder wier leiding het hospitaal van de orde van St. Jan, een weeshuis en een jongedamesschool staan, die wij met groote belangstelling zagen onder geleide der directrice. De school was nog niet geopend, daar zij gemeenlijk eerst begint, wanneer de rijke kooplieden, die des zomers in de bergen wonen, op hun villa's in de stad teruggekeerd zijn. In het weeshuis waren 130 kinderen, waaronder 40 Armenische weezen, die sedert den laatsten Christenmoord hier een toevlucht vonden. Wij zagen ze in de verschillende klassen van onderwijs verdeeld, waar zij onder meer Duitsch en Arabisch leerden. Toen de directrices Sophie Gräf en Louise Kaiser ons rondleidden en hoorden, dat wij Nederlanders waren, spraken zij met veel waardeering van hetgeen weleer Mej. A. Bergendahl uit Amsterdam voor deze arme weezen deed. Zij vertelden ons van de vreugde der kinderen, wanneer de kisten werden uitgepakt, die uit Nederland aankwamen, en ik beloofde dit aan onze landgenooten te zullen mededeelen, zoodra ik daartoe gelegenheid had. Mocht iemand dit lezen en lust hebben om iets te doen voor deze Syrische weezen, dan zal die hulp dankbaar gewaardeerd worden en wèl besteed zijn.

De invloed toch van den zendingsarbeid in Syrië en Palestina is aan alles merkbaar, doch ik zal daarover thans niet meer uitwijden, daar ik het werk der Inwendige Zending in Jeruzalem en Palestina uitvoerig heb beschreven in het Tijdschrift: Lichtstralen op den akker der wereld, jaargang 1900 afl. 1 en 2.

Zoodra men de stad Beyroet uitgaat en komt in het Christelijk gebied van den Libanon, is het als of alles meer welvaart vertoont. De akkers zijn bebouwd, de woningen zien er netjes en goed onderhouden uit en de Christelijke bevolking maakt een gunstigen indruk, zoodat uit alles blijkt, dat het Christendom niet alleen de beloften des toekomenden maar ook des tegenwoordigen levens heeft.


BAÄLBEK.


Het was nog vroeg in den morgen, toen wij in den trein stapten van Beyroet naar Damascus. De spoorlijn loopt bijna evenwijdig aan den rijweg, dien de Franschen na 1860 hebben aangelegd. Gedurende de eerste twee uren biedt deze eene gestadige afwisseling en een wonderschoon vergezicht over Beyroet, dat voor ons oog al lager en lager wegzinkt in de diepte en ten laatste nauwelijks nog een kleine witte stip vertoont aan de kust der Middellandsche Zee. Ook rondom zich heen ziet men zulke stippen, alsof het zwaluwnesten waren, die tegen het Libanongebergte aanliggen; het zijn de dorpen en huizen, die glanzen in het vroolijke morgenlicht der zon. De velden zijn allerwegen beplant met vruchtboomen, vooral met den moerbeziënboom, wiens bladeren als voedsel moeten dienen voor de zijdewormen, die een der voornaamste handelsartikelen uit het Libanon-gebied opleveren. Het geheel maakt den indruk van eene welvarende landstreek en eene nijvere bevolking, die, zooals wij reeds opmerkten, overwegend Christelijk is. Gelukkig heeft zij na den beruchten Christenmoord in 1860 door de Drusen uit het Hauran-gebergte niet meer aan dergelijke aanvallen blootgestaan, deels door den invloed van Frankrijk, onder wier bescherming zij stond, deels door de verplichting, sedert dien aan de Turksche Regeering opgelegd, om over dit gebied een Christengouverneur aan te stellen.

Naarmate men hooger stijgt wordt de cultuur minder. Op ongeveer 1500 meter heeft de weg zijn hoogste punt bereikt en ziet men in het Oosten den Anti-Libanon en in het Zuiden den Grooten Hermon opdagen, twee breede bergruggen even kaal en vaal als de Libanon zelf aan de zijde, langs welke men nu afdaalt in het Beka-gebied, de breede vlakte van Coelo-Syrië die tusschen deze drie bergen inligt.

Het was voor ons eene ware teleurstelling, dat wij noch langs den weg, noch op de bergen den beroemden ceder van den Libanon zagen, waarvan men zoo dikwijls in den Bijbel leest. Helaas! zij zijn verdwenen. Men zeide ons echter, dat er nog enkele plaatsen waren, waar ze groeiden, maar die voor een bezoek te ver verwijderd lagen. Daar zou men ze nog kunnen zien in hun volle kracht; er waren er, zeide men, die een omvang van 17 en eene hoogte van 30 meter hadden, wellicht wat overdreven, maar dan nog, wat zijn deze enkelen vergeleken bij den tijd, toen die ceders met hun fluweelen glans die bergen als één woud bedekten, die thans overal even kaal zijn!

Aan het dorpje Maallakah houdt de trein stil en staan onze rijtuigen gereed, die ons in 4 uren door de vlakte van Beka naar het eeuwenoude Baälbek brengen.

De weg geleidt door eene breede vlakte, een hoog plateau tusschen den Libanon en den Anti-Libanon, 1000 meter boven de zee. Slechts hier en daar ontwaart men een groepje huizen, die een dorpje vormen. De lange, rechte weg biedt weinig afwisseling. Het eenige, wat men daarop ziet, zijn karavanen zwaar beladen kameelen, zoodanig achter elkaar gebonden, dat zij één trein vormen, waarvan het eigenaardige is, dat een ezeltje schijnt dienst te doen als locomotief, niet om den trein in beweging te brengen, maar om daaraan de gewenschte snelheid te geven. Het is inderdaad een grappig tooneel, wanneer men ziet, hoe zulk een klein roer al die „schepen der woestijn” bestuurt, vooral voor ons, die nu juist van een ezel geen grooten dunk hebben; maar de Oostersche ezel, ik heb dit reeds vroeger meegedeeld, is de Westersche niet.

Na een rit van 4 uren hebben wij Baälbek bereikt, een stadje van een paar duizend inwoners, voor de helft Christelijk, voor de helft Mohammedaansch. Het is echter niet het stadje en zijn bewoners, die ons belang inboezemen, maar het zijn de beroemde ruïnes van de aloude heiligdommen, die wij hier aantreffen en die ons een grootsch denkbeeld geven van Oostersche bouwkunst.

Voor de juiste waardeering ervan dienen enkele historische bijzonderheden hier vooraf te gaan. Volgens overleveringen, die onze gids Michel Alouf in een afzonderlijk boekje over Baälbek heeft samengebracht, zou de voormalige burcht het oudste gebouw der wereld zijn en dagteekenen van het jaar 133 na de schepping. Caïn zou daarvan de grondlegger zijn geweest en zich daarbij bediend hebben van den mastodon, een voorwereldlijk dier. Na den zondvloed zou Nimrod de bouwvallen van den burcht hersteld en gewijd hebben aan Baäl, den God der Moabieten, die de zon aanbaden. Volgens dat boekje zou Baäl zon en Bek of Beka stad beteekenen en de naam Baälbek, later Heliopolis, dus zonnestad willen zeggen.

Wij weten echter, dat de naam Baäl, d.w.z. Heer, eenvoudig den God aanduidt, dien de bewoners van het land, hier zeer bepaald die van de Beka-vlakte dienden. Baälbek was dus het middenpunt van den Baäldienst, waaraan ook nog de liederlijke vereering van Astarte was verbonden. Dit blijkt o.a. uit den naam van zekeren Ethbaäl, d.w.z. Baäl is met hem,—een voormaligen priester van Astarte, die later Koning werd van Phoenicië. Deze Ethbaäl was de vader van Izébel, die huwde met Achab den bekenden Koning van Israël, die den Baäldienst invoerde. Wij weten hoe Izébel daaraan met haar gansche hart verknocht was en welken strijd de profeet Elia daartegen voerde op den berg Karmel (1 Kon. XVIII).

In de 2de eeuw na C., toen dit gebied onder de macht der Romeinen kwam en de zonnedienst meer en meer algemeen werd in het Oosten, verrezen hier twee zonnetempels, een groote en twee kleine en verkreeg Baälbek den naam Heliopolis, d. w. z. zonnestad. Beide werden onder de regeering van Constantijn den Groote gesloten. Onder Theodosius den Groote werd er een Christelijke kerk van gemaakt; doch deze werd later door de Arabieren wederom verwoest, die van de overgebleven gedeelten en brokstukken een vesting bouwden. Dientengevolge is er van het oorspronkelijke, ook tengevolge van onderscheidene aardbevingen, vooral die van 1759, weinig meer overgebleven.

DE ZONNETEMPEL TE BAÄLBEK.

In weerwil van dit alles is de aanblik, dien de overgeblevene ruïnes vertoonen, nog ontzaglijk indrukwekkend. Duidelijk zijn de grondslagen nog te zien van de aloude tempelgebouwen op een kunstmatig opgehoogd terras, 300 meter lang en 200 meter breed. Een breede trap aan de oostelijke zijde verleende den toegang tot een voorportaal; dan volgde een ruime voorhof en daarachter de zonnetempel, waarvan nog 6 van 54 zuilen overeind staan, elk 19 meter hoog en 2 meter in doorsnede.

De kleinere tempel van Jupiter, die zich daarnaast bevindt, bestaat nog bijna in zijn geheel. Van de 42 zuilen, welke de 4 muren omringden, zijn er nog 9 op eene rij te zien. Daar deze weinig geschonden zijn, geven zij een grootsch denkbeeld van het oorspronkelijk geheel; de architraves en friezen aan de kroonlijsten, de kapiteelen aan de zuilen, de kunstige beeldhouwwerken aan de plafonds en alle andere onderdeelen zijn zóó schoon, dat men een en al bewondering is voor den smaak der ontwerpers en den kunstzin der bouwlieden.

Maar onze bewondering stijgt tot verbazing, wanneer men van het verhoogde terras afdaalt en de hoeksteenen ziet aan de buitenzijde, die den onderbouw vormen. Daaronder zijn er drie aan den Trilithon-muur d. w. z. muur van drie steenen, die een lengte van 19½ meter hebben, bij een breedte en hoogte van 4 meter. Men schat het gewicht van een enkelen steen op 700.000 K.G. Op 20 minuten afstand vindt men de steengroeven, waaruit zij genomen zijn, en daarbij nog een steen, die onafgewerkt bleef. Ons verstand staat hier stil bij de vraag, hoe men zulke gevaarten heeft kunnen verplaatsen en zelfs op elkander leggen. Ik las ergens in een boek, dat iemand er van zegt: „ze zijn gedenkteekens van eene beschaving, die over mechanische hulpmiddelen beschikte, waarvan wij geen begrip hebben,” maar ik voor mij zoû zoo zeggen wanneer ik zulke hoogdravende wijsheid lees, dat ik dan de opvatting van de Arabieren, die geloofden, dat daarbij voorwereldlijke dieren te pas zijn gekomen, nog zoo kwaad niet vind.

Hoe het zij, wij krijgen te Baälbek bij dien Trilithon-tempel, zooals hij naar die drie steenen, eeuwen lang genoemd werd, den indruk van een reuzenwerk. Dat reuzenwerk diende om Baäl, den God des lands, te eeren. En wanneer wij dan de geschiedenis lezen van Achab en zijn vrouw Izébel, de dochter van dien voornoemden priester van Baäl, kan het ons dan verwonderen, dat eene vrouw als zij met haar gansche hart hing aan het geloof harer vaderen? Kan ons dan de klacht van een Elia bevreemden, die meende, dat hij de eenige was, die zijne knieën voor dien Baäl niet had gebogen, terwijl het gansche volk dat wel deed? Werpt alles, wat wij van die vereering van Baäl hier zien, niet een treffend licht op Elia's strijd op den Karmel?

En wanneer hij in dien strijd het volksgeloof overwint en het gansche volk als uit eenen mond uitroept: „de Heere is God! Jehova is God!” en daarop alle Baälspriesters doodt, hoe zoû dan zulk een omkeer te verklaren zijn, zonder het Bijbelsch bericht van het wonder, dat daar plaats greep en waardoor openbaar werd, dat Israëls God de meerdere, ja de Eenige was, Dien Israël geroepen was te dienen en te eeren.

Inderdaad, die ruïnes te Baälbek verklaren ons uit Israëls geschiedenis menige bladzijde, die wij, zonder ze te kennen, niet zoo goed zouden verstaan.


DAMASCUS.


Van Maallakah, waar wij uitstapten om Baälbek te bezoeken, vervolgen wij per spoortrein onzen weg, die ons over den Anti-Libanon naar Damascus brengt. Deze weg doorsnijdt eerst de Beka-vlakte, stijgt dan nog circa 400 meter en volgt daarna de slingerende kronkelingen van de Barada-rivier. Deze Barada houdt men voor dezelfde rivier, waarvan Naäman de Syriër (2 Kon. V: 12) reeds het water prees, dat in voortreffelijkheid niet onderdeed voor dat van den Jordaan en heette destijds de Amana. Dien ouden roem handhaaft zij nog steeds met eere, want zij doorstroomt als een groot ververschingskanaal de geheele stad, welke zij in tweeën snijdt, en voorziet tevens de huizen der inwoners en de fonteinen langs de straten van heerlijk drinkwater. Zij ontspringt op den Anti-Libanon, waar zij hier en daar de vallei, die wij afdalen, verfrischt; allengs verbreedt zij zich tot een bergstroom, die aan beide zijden met spichtige populieren is beplant; besproeit vervolgens groene weiden, waarop kudden grazen, en de tuinen van rijke Arabieren, die hier hun buitenverblijf hebben. Eindelijk na 3½ uur heeft de trein ons naar Damascus gebracht, dat als eene oase in de woestijn reeds van oudsher de „parel van het Oosten” en „het Paradijs der Muzelmannen” werd genoemd.

Het zijn eigenaardige gewaarwordingen, die zich van ons meester maken, wanneer men met den spoortrein, het vervoermiddel der 19de eeuw, eene stad nadert, die reeds evenzoovele eeuwen voor onze jaartelling bestond. Onwillekeurig denkt men terug aan den aartsvaderlijken tijd van Abraham, wiens trouwe knecht Eliëzer een Damascener van geboorte was; die met zijn dappere manschappen hier de Koningen achterhaalde en versloeg, die zijn neef Lot gevankelijk hadden weggevoerd. Damascus, de stad, welke een David schatplichtig maakte en waarin hij zijne bezetting legde; de stad, waar later al die Koningen van Syrië zetelden, die zoo dikwijls hun invallen deden in het gebied van Israël; de stad, waar de apostel Paulus woonde in de straat de Rechte, die nog heden ten dage dienzelfden naam draagt en waar hij na zijne bekeering het eerst het Evangelie predikte, zoodat hij de stad moest ontvluchten langs een muur, dien men nog aanwijst; de stad, waar weleer eene bloeiende Christelijke gemeente bestond, waar—om maar niet meer te noemen—de welsprekende kerkvader Johannes Damascenus woonde, die om zijn beroemd werk: „De bron der kennis” geacht wordt de geestelijke vader der Grieksche Kerk te zijn. Inderdaad, het belangrijke dezer stad is niet gelegen in hetgeen zij is, maar in hetgeen zij was, in hare geschiedenis die zoo nauw saamgevlochten is met die van den Bijbel en van de Christelijke Kerk in het Oosten.

Trouwens Damascus zelf is bij andere Oostersche steden vergeleken arm aan monumentale gebouwen. Het eenige, wat men hiertoe kon rekenen, was de prachtige Omajaden-moskee, vooral beroemd om haar mozaïek, maar die in 1893 door een brand totaal werd vernietigd. Zij stond bij de Mohammedanen hoog in aanzien, vooral omdat daarin het hoofd van Johannes den Dooper werd bewaard, waarbij de bewoner van Damascus nog tot op den huidigen dag zijne eeden pleegt te zweren. Daaraan dankte ook de Christelijke kerk, die er in het begin onzer jaartelling gestaan heeft en waarvan nog enkele bogen zijn overgebleven, den naam van Johanneskerk.

Van de oude moskee ziet men enkel nog de zijmuren en de plaats, waar zij gestaan heeft; men was druk bezig haar zooveel mogelijk in den oorspronkelijken vorm te herstellen. Het trof ons, dat elk geloovige daarvoor naar zijn vermogen het zijne moest bijdragen, de rijke in geld, de arme door arbeid gedurende een of twee dagen in de week. Het fijne werk, waarvan zoodoende misschien niet veel terecht zou komen, werd door Christenwerklieden uitgevoerd, ook omdat, naar men ons verzekerde, de Mohammedanen daartoe onbekwaam waren.

De overige moskeeën, die wij bezochten—er zijn er 248—gaven weinig belangrijks te zien. Bij een dezer bevonden zich een aantal vertrekken rondom het voorplein, die dienden om armen te huisvesten en ze te voorzien van een dagelijksch middagmaal. Maar, helaas! deze schoone trek der Mohammedaansche barmhartigheid, de eenige trouwens, dien ik op onze reis in het Oosten heb opgemerkt, was door de hebzucht der mannen, die met de uitvoering belast waren, tot een minimum van één portie soep in de week teruggebracht! Voor het overige gelijken alle moskeën op elkaar. Zij worden slecht onderhouden en weinig bezocht, behalve door den vreemdeling, die daarvoor veel moet betalen en zich wel moet ontzien, dat hij de sloffen niet verliest, die hem onder de voeten worden gebonden ten einde de rietmatten niet te ontwijden, die den vloer bedekken. Want zonder die sloffen wordt hem de toegang ontzegd, tenzij hij zich getrooste zijne schoenen uit te trekken.

Terwijl dus Damascus bij andere steden achterstaat in bezienswaardigheden, is er toch genoeg, dat den vreemden bezoeker belang inboezemt. Hiertoe behoort in de eerste plaats het leven der bewoners. Men is hier in eene echt Oostersche stad, die zich kenmerkt doordat men er leeft op straat. Het verst hebben het hierin de bezoekers van de talrijke koffiehuizen gebracht, die op straat rustig op hun divans hun nargile zitten te rooken, of hun tijd dooden met een of ander spel. Zij zitten daar van den morgen tot den avond met de beenen niet op den grond, maar op hun stoel en slaan op hun doode gemak de bedrijvigheid gade, die op straat heerscht.

Deze bedrijvigheid ziet men het best in de bazaars. Deze bazaars zijn hier met een koepeldak overdekt en doen ons denken aan de passages in onze groote steden alleen met dit verschil, dat de bekapping van hout en de vloer van aarde is. Daardoor zijn ze somber, stoffig en benauwd. Hierbij komt nog, dat er zich niet enkel de bevolking beweegt, die er iets komt koopen, maar alles er door elkaar krioelt: karren en wagens, kameelen en ezels, menschen en dieren, kinderen en honden, de laatsten om dienst te doen als gezondheidspolitie en straatreiniging. Alle afval toch wordt eenvoudig op straat geworpen en door hen verslonden. Gelukkig zijn ze niet gevaarlijk; ze slapen den ganschen dag en storen zich niet aan den voorbijganger; voor karren of rijtuigen staan ze alleen dan op, wanneer de koetsier zijn schelle stem laat hooren.

Een en ander maakt een verblijf in de bazaars niet aangenaam, zoodat vreemdelingen als wij er niet licht toe komen er wat te koopen. Trouwens is dit ook niet gemakkelijk, daar de Arabier gewoonlijk begint 4 maal meer te vragen dan de waarde van een voorwerp, zoodat het lang kan duren eer de koop gesloten is. Het eenige, waaraan ik mij gewaagd heb, waren eenige fleschjes rozenolie, waarvoor Damascus beroemd is, als eene herinnering aan de rozenvelden, die het omringen, en als een gewenscht tegengift tegen de onfrissche lucht, die men in de bazaars inademt.

Het doet dan ook weldadig aan, wanneer men daarna een toer doet om de stad. Daar ziet men o.a. het huis, waarin Naäman de Syriër zou gewoond hebben, en de poort aan den ingang van de straat de Rechte, waardoor Paulus de stad zou zijn binnengekomen. Het treft alleen ongelukkig, dat deze aan de Oost- en niet aan de Westzijde is gelegen, zooals men verwachten zou; maar daar zij de eenige poort is, die nog bestaat, schiet er niets anders over dan zich zonder verdere kritiek eenvoudig neer te leggen bij overleveringen als deze, iets, waaraan men zich spoedig leert gewennen in het Oosten.

In de buitenwijken zijn de straten niet overdekt en veel smaller, zoodat ze hoogstens aan een rijtuig toegang verleenen. Ware het niet, dat de bovenverdiepingen der huizen aan beide zijden over de straat waren gebouwd, zoodat ze een soort van arcades vormden, dan zou de hitte hier ondraaglijk wezen. In deze minder drukke gedeelten zijn de aanzienlijken gehuisvest. Uitwendig vertoonen hun huizen niets weelderigs; daarentegen zijn ze van binnen te rijker getooid en dragen ze de sporen van een tijd, toen er groote welvaart heerschte. Het is dan ook inderdaad verrassend ze van binnen te zien, hetgeen gaarne wordt toegestaan.

Een wijde poort verleent toegang tot het binnenplein, waar de woonvertrekken op uitzien, gewoonlijk van een veranda voorzien om het schelle licht te temperen. De helft van het vertrek, waarin men wordt ontvangen, is een meter verhoogd; hier staan eenige divans, waarop men plaats neemt. De atmosfeer, door marmeren vloeren en zijwanden reeds verkoeld, wordt nog bovendien aangenaam verfrischt door een fontein van helder water uit de Barada. Een klein kopje drabbige mokka, dat men Turksche koffie noemt, en een cigaret, die men wellevendheidshalve niet mag weigeren, bekronen de gastvrijheid van den bewoner, een Turk, een Israëliet en een Christen, die ons achtereenvolgens toelieten een blik te slaan in hunne woningen.

Na getracht te hebben eenigszins een denkbeeld te geven van het leven in deze echt Oostersche stad bestijgen wij nog een der omliggende bergen om haar in haar geheel te kunnen overzien. Een vooruitspringend gedeelte van het Kasjun-gebergte biedt daarvoor eene schoone gelegenheid. Van hier toch overziet men gansch Damascus, met de voorstad Meidan, met haar ruim 200.000 inwoners. Het juiste cijfer schijnt men niet te kunnen opgeven. Wanneer men hier staat, kan men begrijpen, waarom Damascus als „de parel van het Oosten” wordt geroemd, want het doet inderdaad denken aan een parel, wel niet in goud, maar in het groen gevat. Een breede gordel toch van groen geboomte omzoomt de stad, die daar voor ons ligt en waarachter zich het Hauran-gebergte ter eener en de eindelooze vlakten der woestijn ter anderer zijde uitstrekken.

Onderwijl wij daar stonden, sloeg ik mijn reisboek eens op om na te zien, of er niets bijzonders werd vermeld; ik las toen, dat deze plaats den Muzelman heilig is, omdat hier weleer Abraham zou gestaan hebben en gekomen zou zijn tot de kennis van den Eénen waarachtigen God. Onwillekeurig kwamen mij nogmaals de oude gestalten, waarvan ik in den aanvang sprak, voor den geest. Ik dacht aan de geschiedenis der goddelijke heilsopenbaring, welke waarlijk ook aan een Damascus niet is voorbijgegaan, maar zonder vrucht is gebleven. Want daar lag zij voor ons, de stad van voor duizenden jaren, schier onveranderd, beschaduwd door bergen, waarachter de zon was neergedaald. Zij deed mij denken aan het sprookje van Doornroosje, de schoone slaapster in het bosch, de Koningsdochter, die door de jaloersche toovergodin betooverd werd, zoodat zij honderd jaren lang moest slapen, terwijl alles, wat haar omgaf of met haar in aanraking kwam, met haar indommelde. Honderd jaren gaan voorbij, niets verandert, alles slaapt en slaapt maar door, totdat eindelijk een koningszoon Doornroosje vindt, haar wekt uit den slaap en zich met haar verbindt.

O stad en land van zooveel sprookjes, van „Duizend en een nacht”, zoo dacht ik onwillekeurig, wanneer zal ook voor u de dag aanbreken, wanneer zult gij ontwaken uit uw droom, wanneer zal de stem van den grooten Koningszoon ook tot u doordringen, die stem, die daar roept: „Ontwaakt gij, die slaapt en sta op uit de dooden en Christus zal over u lichten!”?


EEN WOESTIJNREIS.


De reis van Damascus naar Palestina nam voorheen verscheidene dagen in beslag. Thans, sedert er een spoorweg ligt van Damascus naar El-Moezerib, een dorp ten westen van de zee van Tiberias, doet men haar in vier uren.

De eindelooze vlakten, die de trein doorloopt, zijn geen woestijnen in den eigenlijken zin van het woord. Deze ziet men in Egypte. Zij bestaan uit louter zand, waarop niets kan groeien, omdat het voortdurend verstuift door den wind. Zulke woestijnen zijn deze niet, want zij worden bewoond door Bedouïnen en bebouwd door de Hauran-boeren.

Het verblijf der Bedouïnen, die er bij menigte wonen, herkent men aan hun zwarte tenten, vervaardigd uit een stof, die den regen niet doorlaat en die de vrouwen uit geitenhaar weven. Zij zijn vierkant van vorm, meestal door een tusschengordijn in twee afdeelingen gescheiden, de eene voor de mannen, de andere voor de vrouwen en staan aan de voorzijde bijna altijd open, zoodat men zonder onbescheiden te wezen het sobere leven dezer menschen kan gadeslaan. Zij leven daar geheel afgezonderd van de wereld te midden van hunne talrijke kudden kameelen, schapen en geiten, die hun een bestaan opleveren en die men bij honderden zag vluchten voor het „zwarte paard”, zoo als men den locomotief noemt, die ze al fluitende, zuchtende en blazende voor zich uitjoeg van de baan, die hier nergens is afgesloten.

Hoe deze arme dieren hier kunnen leven, waar het oog, zoover het reikt, geen groen sprietje ontdekt, was mij een raadsel. Later hoorden wij van een pastoor nabij Capernaüm, dat deze Bedouïnen toen hun beesten gebrek aan voedsel hadden, van de Turksche Regeering vergunning hadden verkregen om het vee gedurende eenige weken rondom de zee van Galilea te laten grazen. Deze vertelde ons een en ander van zijne reizen door het gebied dezer Bedouïnen, waarvan de eene Schêch hem telkens aan den anderen aanbeval, zoodat hij zonder eenig gevaar tot aan Bagdad was gekomen en waarbij hij van hen de grootste voorkomendheid en gastvrijheid had genoten.

Voorts wonen hier in kleine dorpjes, waarbij de trein meestal stopte, Hauran-boeren, die van den landbouw leven. Hun dorpjes zijn gemeenlijk door een hoogen muur ingesloten. Bij sommigen ziet men nog brokstukken van ruïnes, oude torens of vestingwerken, onder welke er zijn, die dagteekenen uit den tijd der Romeinen. Hoe gaarne hadden wij zulk een dorpje eenigszins van naderbij bezien, maar de trein spoedde voort, totdat wij aan het laatste station El-Moezerib aankwamen.

Dit El-Moezerib ligt aan een klein meer, in welks midden zich een eilandje bevindt, dat met een dam verbonden is aan den oever. Op dat eilandje ziet men nog de ruïnes eener oude vesting, die het bewijs leveren, dat hier voorheen een belangrijke plaats heeft gelegen. Thans is het een nietig plaatsje en wij vroegen elkander af hoe men toch op het denkbeeld is gekomen hier een spoorlijn aan te leggen, waarop aanvankelijk eenmaal per dag en later een- of tweemaal per week een trein liep. Een bevredigend antwoord op die vraag kon ons echter niemand geven. De een beweerde dat de lijn eerlang zou worden doorgetrokken naar Haïfa, volgens een ander langs de Doode Zee naar Jerusalem. Later hoorde ik en dit komt mij het meest aannemelijk voor, dat deze spoorweg met een strategisch doel werd aangelegd en dienen moet om Rusland over land te verbinden met het kanaal van Suez en Egypte, ten einde langs dezen weg vroeg of laat de macht van het gehate Engeland te fnuiken.

Aan het station stond onze dragoman, de gebruikelijke benaming voor een gids in het Oosten, met zijn paarden gereed om ons naar de plaats te brengen, waar voor dien nacht onze tenten waren opgeslagen. Nadat zich het gezelschap een weinig had verkwikt, werden de paarden bestegen en trok de karavaan op, die, met het vervoer der 8 tenten er onder begrepen, bestond uit 36 paarden en muildieren, 7 ezels en 30 man. Dien ganschen dag reden wij nog door het Hauran-gebied, waarin de beruchte Drusen wonen, wier naam de droevige herinnering verlevendigt aan den Christenmoord in het Libanon-gebied in 1860, toen zij ongeveer 14000 Christenen ombrachten, waarvan er 6000 woonden in Damascus. Dit geschiedde dus onder de oogen van het Turksch gouvernement en van het Turksch garnizoen, dat echter niets deed om het te verhinderen, wel een bewijs dat de Regeering zelve er de hand in had. Gelukkig zijn dergelijke gruwelen sedert dien in dit gebied niet meer voorgekomen; anders zou een tocht daardoorheen niet gerekend kunnen worden te behooren tot de genoegens van een reis door Palestina en ook een verblijf in tenten veel van zijne bekoorlijkheid verliezen.

Want er is inderdaad iets bekoorlijks in dat ouderwetsche reizen en in een leven, zooals de aartsvaders dat gewoon waren. Wel is waar mengt er zich nu en dan ook wel eens een wanklank in dat genot en wat proza in die poëzie, maar het zou ondankbaar wezen, wanneer ik vergat, hoe ons ten slotte alles meeliep. Werden wij niet begunstigd door het prachtigste zomerweder, zoo zelfs dat wij de hitte wel eens wat minder gewenscht hadden? Maar wat zou er van ons zijn geworden, wanneer ons b.v. een Oostersche regen ware overvallen, die soms dagen kan aanhouden en waartegen geen tent beschutting verleent en waardoor de rivieren somwijlen in enkele uren tijds zoo zwellen, dat men ze niet zonder gevaar meer kan doorwaden? Zulke tegenspoeden werden ons gelukkig bespaard.

Natuurlijk moet men op zulk een tentenreis niet al te kieskeurig zijn en het voor lief nemen, wanneer de Arabier, die u bedient, de kip, die hij voorzet, voor uw oogen snijdt met zijn handen; wanneer hij de waterkruik, waaruit hij inschenkt, eerst aan zijn mond zet om te proeven of het water nog wel frisch is. Zoo zwijg ik ook van kleine teleurstellingen, die men ondervindt zooals het geval was met enkelen onzer medereizigers, wier koffers doornat werden, doordien het muildier, dat ze droeg, bij het doorwaden van den Jordaan omviel door de sterkte van den stroom en de zwaarte van den last, dien men het te dragen had gegeven. Bij zulke ervaringen troost men zich met de gedachte, dat het nog veel erger had kunnen zijn, b.v. wanneer den reiziger zelf zoo iets ware overkomen.

Wanneer men echter zulke kleinigheden niet meetelt, is er in een reis in tenten iets poëtisch. Het is als met een zeereis, waarbij men aan boord stapt in de meest opgewekte stemming en aanvankelijk met alles evenzeer is ingenomen, totdat het meer prozaïsche komt.

In zulk eene blijmoedige stemming verkeerden dan ook allen, toen wij aan den avond van den eersten dag te Bet Aras aankwamen. Welk een juichtoon ging er op, toen wij van verre onze tenten zagen! Welk een genot, daar aanstonds te worden onthaald op een warmen kop thee!

Hoe zorgvuldig had onze dragoman aan alles gedacht; hoe netjes werden wij bediend; welk een keur van spijzen op den avonddisch en dat alles nog wel in een woestenij! En dan rondom ons heen al die grappige gezichten van de dorpelingen, ouden en jongen, die ons aangaapten alsof wij Stanley zelf waren!

Daar is in dat alles iets poëtisch en in dankbare stemming legden wij ons ter ruste neder. Den volgenden dag bleek het, dat het naar waarheid rusten was geweest, want niemand van ons had kunnen slapen. Velen waren in hun slaap gestoord door het gehinnik der paarden, die rondom de tenten stonden, door het geblaf der honden, die elkaar een afgekloven beentje betwistten en door het aanhoudend gebabbel van onze trouwe wachters, die al pratende hun tijd opkortten. Maar, dat zou wel wennen en het wende ook, zoodat men de volgende dagen hoorde, dat men beter en eindelijk zelfs goed had geslapen.

Maar wat niet wende was het paardrijden, vooral voor hen, die het niet geleerd hadden of daaraan niet gewoon waren bij zulk eene brandende hitte. Want al rustte men gedurende de warmste uren van den dag onder een citroen- of vijgeboom, die tochten van 7 à 8 uren te paard waren den meesten toch te machtig.

Gelukkig hadden wij op onze reis rekening gehouden met den rustdag en toen het eindelijk Zaterdag was, juichte elkeen in het blijde vooruitzicht den volgenden dag een rustdag te mogen hebben. Ik geloof niet, dat een onzer reizigers ooit zoo de beteekenis en de waarde van dien dag gevoelde als hier op deze reis.

Wat was dàt een genot voor ons en onze paarden om eens een ganschen dag te mogen uitrusten. Waarlijk, Vader Cats, of wie het ook was, had wel gelijk, toen hij wees op den zegen van den rustdag in zijn vierregelig versje, dat mij vaak te binnen schoot op deze tochten: