WeRead Powered by ReaderPub
Reize in Taka (Opper-Nubië) / De Aarde en haar Volken, 1873 cover

Reize in Taka (Opper-Nubië) / De Aarde en haar Volken, 1873

Chapter 2: I.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

Een Franse reiziger beschrijft een tocht van de Rode Zeekust via de Nubische woestijn naar het binnenland van Opper-Nubië, met gedetailleerde observaties van dorpsleven, landschappen en stammen zoals de Hadendoa. Hij rapporteert over vestigingen als Fillik en Mitkènab, de invloed van Egyptische troepen, gebruikelijke gastvrijheid tijdens de Ramadan en lokale veiligheidspraktijken, waaronder het adhari-borgsysteem dat vreemdelingen bescherming en handelsrechten biedt. De tekst combineert geografie, etnografische details en politieke indrukken en illustreert hoe rivieren, stammen en handel de sociale orde en reisveiligheid in de regio bepalen.

Reize in Taka (Opper-Nubië).

Jonge meisjes van Taka.

Onze lezers hebben reeds meermalen kennis gemaakt met den franschen reiziger Guillaume Lejean, en hem op verschillende reizen door Azië en Afrika vergezeld. De heer Lejean is een dier mannen, die hun gezelschap steeds op prijs weten te doen stellen, en die, ook waar hij ons zijne ontmoetingen en avonturen op zijne zwerftochten door vreemde en onbekende landen verhaalt, toch niet voortdurend over zich zelven spreekt, maar de kunst verstaat om, met vermijding van allen schijn van geleerdheid, ons niettemin een schat van bijzonderheden mede te deelen, die voor de kennis van landen en volken van hoog gewicht zijn. Daarom durven wij onze lezers met vertrouwen uitnoodigen, den bekenden vriend nog eenmaal tot gids te kiezen, en hem te volgen op zijne reize door een der binnenlanden van het altijd nog zoo geheimzinnige, zoo aantrekkelijke Afrika, welks sluier eerst in onze dagen langzamerhand wordt opgelicht. Het geldt ditmaal eene reis naar een deel van Opper-Nubië, naar Taka, dat de heer Lejean reeds vroeger vluchtig bad bezocht, maar waar hij in het jaar 1864, met een diplomatieke zending belast, terugkeerde, vooral ook met het oogmerk om dit land meer van nabij te leeren kennen. Het punt van uitgang was ook ditmaal Souakin, de havenstad aan Roode-zee; vandaar ging de tocht, in zuidwestelijke richting, dwars door de nubische woestijn en de landstreken, door de stammen der Hadendoa bewoond; naar Kassala. Wij geven nu het woord aan den heer Lejean.

I.

Na een vermoeienden tocht door de eentonige vlakten, die de woeste, maar ontzagwekkende bergstreek van Langheb hadden vervangen, bereikte ik eindelijk het dorp Fillik, de voornaamste hoofdplaats der Hadendoa, te midden van eene dorre, naakte vlakte gelegen. Ongeveer een mijl verder naar het westen vloeit de breede beek of stroom Herboub, met vruchtbare en schaduwrijke oevers; rondom het dorp strekt zich eene wildernis uit. Heeft de vrees voor de leeuwen en hyena’s, die zich in menigte in de dichte bosschen ophouden, de nomaden bewogen, hunne woningen niet aan den bloeienden oever, maar te midden der dorre, boomlooze vlakte op te slaan? Fillik bestaat uit omstreeks dertig toekoels of vaste woningen, en verder uit honderd-vijftig tenten, die gedurende den winter elders worden opgeslagen. Sheikh Mohammed, de erfelijke vorst der Hadendoa, en de feitelijke beheerscher van de gansche landstreek tusschen Kassala en Tokhar, was afwezig; in zijne plaats werd het gezag te Fillik uitgeoefend door een zijner bloedverwanten, die mij kwam bezoeken, en zich verzekeren, dat het mijner karavaan aan niets ontbrak. Hij sprak zeer weinig: deels omdat de aristocratie dezer nomadenstammen zich zooveel mogelijk stilzwijgendheid ten regel heeft gesteld; deels omdat het hem niet gemakkelijk viel zich in het arabisch uit te drukken; en waarschijnlijk ook omdat hij maar zeer weinig sympathie gevoelde voor dien blanke, dat wil in Nubië zeggen, voor dien Turk: welk woord ook daar gelijkluidend is met tiran, ruwen lomperd en dief.

Toen Burckhardt, nu ruim eene halve eeuw geleden, Taka bezocht, vertoefde hij ook te Fillik, dat hij de marktplaats van de Hadendoa noemt; de bijzonderheden, die hij mededeelt, laten omtrent de identiteit der plaats geen twijfel over. Fillik was destijds inderdaad de ware hoofdstad van de geheele oasis, en had dien raag voornamelijk te danken aan de macht en den overwegenden invloed van de Hadendoa; de beroemde reiziger koos dit vlek als midden- en uitgangspunt voor zijne verschillende reiswegen, die over het algemeen zeer nauwkeurig zijn beschreven, al hebben ook sommige aardrijkskundigen, die Nubië niet door eigen aanschouwing kenden, zich bij de verklaring meermalen vergist.—Burckhardt verhaalt, dat hij grooten lust gevoelde om naar Massoua te gaan, en den karavanenweg te volgen, die, zooals hij naar waarheid opmerkt, door eene landstreek loopt, wier half-abyssinische bevolking eene nadere studie alleszins verdient. Hij werd van de uitvoering van dit voornemen teruggehouden door hetgeen hij vernam van de barbaarschheid dier bevolking, en door de vrees om onderweg uitgeplunderd en misschien wel vermoord te zullen worden; in Taka zelf was hij reeds niet volkomen veilig.

Ongetwijfeld is de veiligheid van lijf en goed, ook voor de reizigers, tegenwoordig onder het egyptische bestuur veel grooter dan vroeger onder de zeer zwakke regeering der sultans van Sennâr, toen de inlandsche stammen letterlijk deden wat zij goedvonden, onder de nietigste voorwendsels met elkander in oorlog geraakten, en ongehinderd de karavanen uitplunderden of brandschatten. Toch was er ook destijds een middel, dat ook nu nog wordt aangewend, en dat Burckhardt waarschijnlijk tegen alle gevaar zou gewaarborgd hebben: de zoogenaamde adhari, een gebruik dat ook bij de Somaulis van Berbera in zwang is. Een adhari is een borg, dien de vreemdeling zelf uitkiest onder de leden van den stam, op wiens grondgebied hij moet vertoeven of doortrekken. De adhari moet den vreemdeling huisvesting, water en hout voor de keuken bezorgen: hij moet hem, in geval van nood, hetzij voor zijn persoon of voor zijne goederen, als zijn eigen broeder beschermen en verdedigen: ter vergoeding voor dit een en ander mag hij een vast bepaald recht heffen op hetgeen de vreemdeling, indien deze, hetgeen bijna altijd het geval is, handel drijft, in het land koopt of verkoopt. Is hij, bij voorbeeld, olifantenjager, dan heeft de adhari recht op zooveel percent van de opbrengst der jacht: waarvoor hij dan ook moet zorgen dat een door den jager getroffen olifant, ook als die eerst dieper in het bosch sterft, toch ongeschonden blijft, en niet door de inboorlingen wordt gestolen of van zijne tanden beroofd. Een jonge zwitsersche jager, de heer Emile G., nu ruim een jaar geleden bij Kassala gestorven, heeft tot zijne eigene schade geleerd, dat het eene zeer misplaatste zuinigheid is, tegen de kosten van zulk een adhari op te zien: bij gebreke van deze voorzorg werden de olifanten, die hij in Barka gedood had, hem zeker voor twee derde gedeelte door de Beni-Amer ontstolen, zonder dat hij daar iets tegen doen kon.

Te Fillik verliet ik den gewonen weg naar Kassala, en rechts afslaande, richtte ik mij door een fraai bosch, dat steeds dichter en dichter werd, (een zeker bewijs dat wij de rivier, de Gash, naderden) naar eene kleine, weigebouwde stad, Miktinab of Mitkènab geheeten, bij de Egyptenaren bekend als de officiëele hoofdstad der Hadendoa. Zij heeft dan ook eene egyptische bezetting: zeker een der redenen, waarom de trotsche beheerscher van Opper-Nubië, Sheikh Mohammed, bij voorkeur te Fillik zijne residentie houdt. Tegen zonsondergang bereikte ik de stad: en daar het juist in den Ramadan (vasten) was, maakten de burgerlijke ambtenaren en officieren zich gereed om aan tafel te gaan; zonder in eenig onderzoek omtrent mijn persoon of kwaliteit te treden, noodigden zij mij zeer vriendelijk uit, met hen den maaltijd te gebruiken. Wij spraken over de gebeurtenissen van den dag, en voornamelijk over de komst te Kassala van een zekeren franschen graaf, die, met medewerking van het egyptische gouvernement, eene onderneming op touw had gezet, waarvan ik nooit het rechte begrepen heb. Hij had een zestigtal manschappen bij zich, die op militairen voet waren georganiseerd, en deels in Frankrijk, deels in Egypte waren aangeworven; en mijne effendis spraken openljjk als hun gevoelen uit, dat de geheimzinnige graaf eene vertrouwelijke zending van de fransche regeering vervulde en den franschen consul, die door den Negus van Abyssinië, Theodoros, gevangen werd gehouden, moest bevrijden of wreken. Sommigen beweerden zelfs stellig te weten, dat de consul reeds in de gevangenis overleden was. “Ik geloof het niet, merkte ik bescheiden op: want ik zelf ben de consul.” Gij kunt u lichtelijk hunne verbazing voorstellen; echter weerhield hen dit niet zich verder in allerlei gissingen te verdiepen omtrent de wezenlijke zending van den graaf. Het slot was dat men er niets van wist.

Den volgenden dag bereikte ik, na een vervelenden en vermoeienden marsch van ruim twaalf uren, de stad Kassala, die ik, sedert mijn eerste bezoek, niet veel veranderd vond. De bazar alleen zag er eenigszins anders uit, dank zij eenige rijen fraaie boomen, waarvan het frissche groen scherp afstak tegen de eentonig donkergrauwe kleur der stad. Daarentegen waren de onschadelijke bastions van de omwalling nog wat erger gescheurd en afgebrokkeld; ook had ik vooral niet minder dan vroeger te lijden van dat fijne en verstikkende stof, dat eene ware plaag van Kassala is.

Ali-Bey, de beminnelijke mudir (gouverneur of prefect) van 1860 was vervangen geworden door een zekeren Ibrahim-Bey, die een vreemdeling in Soudan was. Dit speet mij: want Ali-Bey was, althans in vergelijking met de andere mudirs van den onderkoning, die ik heb leeren kennen, betrekkelijk een eerlijk man, die inderdaad het welzijn van zijne onderhoorigen trachtte te bevorderen. De anderen volgen voor het meerendeel het voorbeeld van hun meester: dat wil zeggen, dat zij, meer of minder openlijk en onbeschaamd, de onder hun bestuur gestelde streken zooveel mogelijk in hun eigen voordeel exploiteeren, en stelen waar en wat zij kunnen.

Kassala had oorspronkelijk geene andere bestemming dan om als militaire post en vast punt voor operatiën te dienen tegenover de verschillende machtige stammen langs de grenzen, die vroeger in naam aan Sennâr onderdanig waren, zooals de Hadendoa, de Hallenga, de Amarar, de Beni-Amer, de Barea en de Mahria. Al deze stammen, benevens vijf of zes andere, waarop ik later terugkom, worden nu gerekend te behooren tot de mudirie (het gouvernement) van Taka; de gezeten bevolking is weinig talrijk, en voornamelijk gevestigd langs de Gash en de Atbara, in de omstreken van Kassala en van Goz-Redjeb.

Deze stammen waren vóór 1820 onderworpen aan Sennâr: een gezag in naam, dat zich tevredenstelde met, ten blijke zijner suzereiniteit, aan de deglels (inlandsche vorsten), bij hunne investituur, een zeker bijzonder hoofddeksel uit te reiken, dat hun dan tevens tot symbool hunner waardigheid strekte. Toen de Egyptenaars Sennâr veroverd en bij hun rijk ingelijfd hadden, maakten zij aanvankelijk geen haast om in deze gevaarlijke khalas (vlakten) door te dringen, en van de nomadenstammen eene onderwerping te eischen, die zij wisten dat niet dan met geweld zou zijn af te dwingen. Maar de oude fabel van het paard, dat zich op het hert wil wreken en daarvoor zijne vrijheid verliest,—eene fabel, waarvan kleine volken zoo dikwerf hebben getoond de wijze les niet te begrijpen;—vond ook hier hare toepassing. De stam der Hallenga, die van de Hadendoa te lijden had, riep de hulp in der Turken van Goz-Redjeb, en Admed-Pasja, gouverneur-generaal van Soudan, verscheen in persoon om Taka te veroveren, benevens de woestijn van Barka en het bergland van Langheb. De kleine stam der Sabterat was een der eersten, die door eene aanzienlijke overmacht werd overvallen; maar hoezeer in aantal krijgers en in uitrusting verre voor den vijand moetende onderdoen, sloegen de Sabterat toch de egyptische strijdmacht in eene eerste ontmoeting nabij de beek Aohé. De Turken vloden in volslagen wanorde, toen een officier zich te midden der vluchtenden wierp, en hun toeriep: “Kinderen, Kaïro ligt ver van hier!” De soldaten begrepen, dat eene vlucht in dit onbekende en vijandelijke land onvermijdelijk hun aller ondergang zou zijn; zij hervatten den strijd, en sloegen nu op hun beurt de Sabterat, die zich moesten onderwerpen. De geheele adel van den stam verloor het leven in de bloedige worsteling of in de niet minder bloedige terechtstellingen, die daarop volgden; de familie, die thans met het gezag over dezen kleinen stam is bekleed, is eerst sedert twee of drie geslachten in die streek gevestigd.

In het begin van 1838 barstte onder de stammen van Taka een algemeene opstand uit, die zich in den beginne dreigend genoeg liet aanzien. Een klein egyptisch leger, in de bosschen van Hadendoa overvallen, werd geheel in de pan gehakt. Maar weldra keerde de kans. De egyptische regeering, die zich aan zeer vele noodelooze wreedheden schuldig maakte, was een te machtige tegenpartij voor deze nomaden, wien het allerminst aan persoonlijken moed ontbreekt, maar die geen andere wapenen kenden, dan de lans en het zware klassieke zwaard (djellabia); de opstandelingen werden verslagen, en wel voornamelijk door toedoen van twee officieren, die ik persoonlijk gekend heb, Elias-Bey en Mouça-Effendi, destijds eenvoudig kashef (kapitein), thans gouverneur-generaal van Soudan.

Na de onderwerping der Hadendoa werden zeventien hunner hoofden naar Khartoem gevoerd, om daar ter dood te worden gebracht. Onder weg weigerden twee of drie dezer ongelukkigen, hetzij dan door uitputting, hetzij om eenige andere reden, verder te gaan; men zegt dat de turksche officier, met het kommando van het militair geleide belast, hen daarop met zijn sabel door midden hakte. Dit feit verwekte groot opzien in geheel Soudan: niet zoozeer als eene barbaarsche gruweldaad, maar veelmeer als een merkwaardige tour de force.—De andere krijgsgevangenen werden op den bazar te Khartoem, met uitgezochte wreedheid, doodgemarteld.

Eenige dagen na mijne komst te Kassala, bracht het toeval mij in aanraking met den vorst der woestijn, Mohammed, sheikh der Hadendoa, en bijkans onbeperkt gebieder over het gansche land tusschen de Atbara en de Roode-zee. Sedert de verovering door Egypte was echter deze souvereiniteit een zware lastpost geworden. De vorst, verantwoordelijk voor de betaling van de schatting, door de fantastische en vindingrijke schraapzucht der gouverneurs van Soudan opgelegd, staat nu aan de eene zijde aan het gevaar bloot, om bij achterstallige betaling op de brutaalste manier te worden gevangen gezet; terwijl, aan den anderen kant, zijne populariteit bij zijne onderdanen, die hem van afpersing beschuldigen, zooals licht te begrijpen valt, sterk afneemt. Toen ik hem ontmoette, was hij somber, neerslachtig, weinig spraakzaam, maar overigens zeer wellevend, zooals trouwens al deze khaliefen der woestijn, echte geboren edellieden, en dat blijvende ondanks de aanraking met de ruwe, onbeschaafde egyptische officieren, gemeene Turken als de onderkoning zelf, die thans over hen heerschen. Ik kon mij trouwens zeer goed rekenschap geven van zijne gedrukte stemming. De belasting was nog niet aangezuiverd: en Mohammed had een voorgevoel van de dingen, die aanstaande waren.

De machtige sheikh werd inderdaad, eenige dagen later, op turksche, dat wil zeggen op verraderlijke wijze, gevangen genomen. Daar men te Fillik zelf niets tegen hem ondernemen dorst, had men hem, ik weet niet meer onder welk voorwendsel, naar Kassala gelokt, waar hij, kort na zijne aankomst, door soldaten overvallen, geboeid en in den kerker geworpen werd.

Eene vrouw uit de volksklasse en een derwisj.

De Hadendoa bleven het antwoord niet schuldig. Twee dagen reeds na de gevangenneming van den sheikh, trok een treurige stoet de poort van Kassala binnen. Het waren inwoners dier plaats, die op den weg van Souakin door eene gewapende bende waren overvallen geworden, en nu een aantal dooden en gekwetsten medevoerden. Om goed te doen uitkomen, dat het hier eene politieke weerwraak gold, hadden de nomaden de kameelen en de koopwaren der reizigers ongedeerd gelaten. Toch had ook ditmaal, zooals steeds in het Oosten gebeurt, de straf alleen onschuldigen getroffen: want de arme kooplieden uit de voorstad hadden niets uitstaande met de zeer verheven en rechtvaardige politiek van den divan van Kassala.

Luide kreten van verontwaardiging en smart, vervloekingen en jammerklachten, begeleidden den treurigen optocht. Ik was op het terras mijner woning geklommen om te zien wat er gaande was, toen ik van de zijde van Sabterat een dergelijken stoet zag naderen, door jammerende vrouwen en ernstig zwijgende fogara (mohammedaansche priesters) begeleid. Later vernam ik dat dit takarir (muzelmansche negers) waren, die, bezig met hout te zoeken, plotseling waren overvallen geworden door een dertigtal Barea, evenals zij zelf met lansen en schilden gewapend. De takarir, hoewel slechts zes man sterk, hadden zich dapper gehouden. Het gevecht had eenige uren geduurd: hetgeen minder vreemd zal klinken, als men bedenkt dat dergelijke ontmoetingen tusschen kleine benden, deels door de groote sterke schilden, waarvan de strijders zijn voorzien, deels door hunne merkwaardige behendigheid, bijna meer op gymnastische oefeningen dan op ernstige gevechten gelijken. Van de vijftig lanssteken brengt er misschien één eene eenigszins ernstige wonde toe. De negers hadden een man verloren; de vijf anderen waren allen meer of minder zwaar gekwetst; de Barea verloren een man, die ten prooi van de hyena’s werd gelaten.

Kassala.

Dergelijke tragische voorvallen zijn overigens niets zeldzaams bij deze nubische herders. Tijdens mijne eerste reis, toonde men mij van ver, achter den berg Abou-Gamel, het dorp Hafara, destijds verwoest en verlaten, ten gevolge van eene noodlottige gebeurtenis, ongeveer een jaar geleden voorgevallen.

Een man van Hafara had de dochter gehuwd van een aanzienlijke uit den negerstam der Basen: hetgeen hem echter niet belet had, zich op verraderlijke wijze meester te maken van twee jongelieden uit het dorp van zijn schoonvader, met het openlijk erkende doel om hen als slaven te verkoopen. De schoonvader kwam naar Hafara en vorderde de uitlevering van zijne stamgenooten; de ander weigerde, maakte zich driftig, en verklaarde rondweg dat hij ze te Kassala zou verkoopen: hetgeen hij eenige dagen later ook werkelijk deed. De Basen zweeg; maar zijne dochter, die op zijn gelaat kon lezen wat er in zijne ziel omging, gaf nu haren man dezen minstens zonderlingen raad:

“Mijn vader gaat vertrekken; maar ik heb op zijn gelaat gelezen dat hij vast besloten is, u te dooden. Gij zult dus verstandig handelen, indien gij hem nu aanstonds doodt, terwijl hij in uwe macht is, uit vreeze dat u later een ongeval overkomt.”

De man gaf, ouder gewoonte, ten antwoord: “Hij durft niet.”

De Basen vertrok, en weken verliepen zonder dat men iets van hem hoorde. Maar op zekeren avond kwam een man van de Basen in Hafara, en had een geheim onderhoud met de vrouw, waarbij hij haar waarschuwde zich tot vertrek gereed te houden, omdat haar vader haar binnen weinige dagen zou komen afhalen. De negerin nam den wenk ter harte, en zeide er niets van tot haren echtgenoot, waarschijnlijk denkende dat het misdadig zou zijn hem aan zijn noodlot te willen onttrekken. Op zekeren nacht overvielen driehonderd welgewapende Basen in alle stilte het dorp, dat uit niet meer dan honderd woningen bestond; voor de deur van iedere hut stelde zich een man als wachter, terwijl twee zijner makkers de woning ingingen, en allen, die zij daar vonden, den hals afsneden. In weinige oogenblikken was alles afgeloopen, en de vijfhonderd inwoners van Hafara waren uit den slaap in den dood overgegaan. De hoofdschuldige aan deze ramp verloor evenzeer het leven, en zijne weduwe volgde de overwinnaars, die haastig naar hunne bergen terugtrokken.

Tot weerwraak over dezen aanslag, verbonden de mannen van Sabterat en Algheden, de naburen en bondgenooten van de Hafara, zich met de Turken van Kassala, en deden een inval in het gebied der Basen; zij doodden een zestigtal mannen en voerden achttien gevangenen mede, voor het meerendeel jonge meisjes en kinderen, die te Kassala als slaven werden verkocht.

II.

Ik had Kassala tot uitgangspunt gekozen voor de onderscheidene onderzoekingstochten, die ik naar verschillende zijden, voornamelijk naar het oosten en zuiden, ondernam. De berg Kassala-el-Louz was bijna altijd het einddoel van deze uitstapjes. Deze berg bestaat uit eene massa granietrotsen, in de prachtigste en schilderachtigste wanorde, door en over en boven elkander geworpen, en waaruit zes hooge toppen, als koepels afgerond, glad, ontoegankelijk, zich trotsch en fier ten hemel verheffen. De naam van den berg is aan dien eigenaardigen vorm ontleend: in de bidja-taal beteekent louz ontoegankelijk. De Arabieren hebben dien naam zeer dwaselijk vertaald met Abrikozenberg, omdat louz in het arabisch de naam dier vrucht is.—Te midden der granietrotsen, waarvan ik zooeven sprak, merkte ik onderscheidene zonderlinge steenformaties op, die in Bretagne ongetwijfeld voor monumenten uit den tijd der druïden zouden worden aangezien, en waaraan zich ook hier wel waarschijnlijk eene of andere legende van djinns, afrid, of dergelijke half bovennatuurlijke wezens hechten zal. Jammer dat mijne onbekendheid met de taal van de afstammelingen der Troglodyten mij de gelegenheid benam, met deze traditiën der woestijn nader bekend te worden.

De hellingen van den berg Kassala boden eene uitnemende gelegenheid aan, om de topographie der streek te bestudeeren. Op eene hoogte van twee of driehonderd ellen, lag het gansche land als eene groote kaart voor mij uitgespreid, tot ver in het noorden voorbij Fillik. De geheele oasis bestaat uit alluviaalgronden, bij uitnemendheid geschikt voor bebouwing van allerlei vruchten en gewassen; maar uithoofde van de schaarschte der bevolking—een gevolg van de dwingelandij der egyptische regeering—is geen veertigste gedeelte van de vlakte werkelijk bebouwd. Deze vruchtbare grond, die ook de geringste inspanning van den landman zoo rijkelijk loonen zou, levert nu niets op dan een weinig katoen en wat graan.

Deze laag van alluviaalgrond, waaruit bijna de geheele oasis bestaat, heeft men te danken aan de regelmatige overstroomingen van de rivier de Gash, waaromtrent ik het een en ander heb mede te deelen. De Gash of Gach ontspringt in het hoogland van Abyssinië, waar zij den naam van Mareb voert; beschrijft een wijden kring rondom de provincie Seraoué, en stroomt dan door eene lage en boschrijke streek, ten oosten door Abyssiniërs, ten westen door negers van den stam Basen bewoond. In Seraoué is de Gash niet veelmeer dan een breede beek, die hare zeer ondiepe wateren over een met blauwachtige steentjes bezaaide bedding voortstuwt; ik kan niet juist zeggen waar deze beek ophoudt en de bedding van fijn zand begint, die door het land Basen tot de Atbara reikt. Tien of twaalf mijlen boven Kassala treedt de Gash uit de bergen te voorschijn, en buigt zich in schilderachtige kromming naar het noordwesten en dan naar het noorden. In den regentijd voert de rivier eene ontzaglijke massa geel en slijkerig water mede, dat overal langs de oevers een vette sliblaag achterlaat. Zoo heeft ook hier de rivier de oasis geschapen; en op de hoogte van den berg el-Louz staande, overziet men met een enkelen blik de gansche topographie der streek. Langs de boorden der rivier strekt zich een breede zoom uit van palmbosschen, katoenplantages, bebouwde velden, dorpen, kampen der nomaden; scherp teekent zich deze bebouwde en bevolkte streek af tegen den geelachtig-grijzen achtergrond der woestijn, waar, op den lichten, steenachtigen bodem, zoo ver het oog reiken kan, uitgestrekte bosschen van mimosa’s groeien. Nog verder nemen de steenen geheel de overhand, en houdt de plantengroei op; de naakte bodem wordt dan eene aaneenschakeling van geulen en spleten, die het voortgaan ontzaglijk moeilijk maken.—Naar het mij voorkomt, bereikt de Gash hare grootste breedte onder de muren van Kassala, waar zij een der bolwerken besproeit. De rivier heeft daar eene breedte van vijfhonderd-tien el; het is inderdaad een prachtige stroom, vooral in de maand Juli, wanneer de hoog gezwollen gele wateren gansche boomstammen medevoeren, die langs de oevers ontworteld zijn.

In gewone jaren wordt de rivier in haar loop gestuit door de dijken van Dabab, vijf uren ten noorden van Kassala; zij verliest dan hare wateren in de vlakte, en komt niet verder dan dit dorp; maar is de rijzing belangrijk, dan baant het water zich een doortocht naar het noorden, naar bebouwde landstreken, door nomaden bewoond. De rivier stroomt dan oostwaarts nabij den berg Touèz, en eindigt, eenige uren verder haar loop in eene bebouwde streek, aan de Hadendoa behoorende. In buitengewone jaren eindelijk stort de rivier zich in de Atbara uit, nabij Om-Handel, op omstreeks 17° 8′ noorderbreedte.

Op zekeren dag vatte ik het voornemen op, de Gash ongeveer tien mijlen op te varen, om een bezoek te gaan brengen aan den berg Aboe-Gamel (de vader van den kameel)—een fraaie, geheel op zich zelf staande kegel, vanwaar ik de gansche vlakte kon overzien. Als gids had ik op dien tocht een jong inboorling, zeer vriendelijk en voorkomend van aard, die zich vrijwillig aanbood om mij door het gansche land rond te leiden, met uitzondering van Algheden, zijn geboorteland, waar hij, volgens zijn zeggen, om een kleinigheid, een manslag in eerlijke veete begaan, met de overheid overhoop lag.

Wij verlieten dan te zamen Kassala, en volgden aanvankelijk den karavanenweg, maar sloegen weldra links af, om een klein meer te bezoeken, nabij het dorp Ahmed-Sherif, dat, volgens den heer Beurmann, door zijne schilderachtige ligging moest uitmunten. Wij gingen langs een tamelijk moeilijk pad; ter linkerzijde verhief zich de kolossale rotsmassa van den Kassala-Louz; ter rechterzijde een groep van schilderachtige heuvelen, die allerlei zonderlinge gedaanten vertoonden. Toen wij dien pas achter ons hadden, bereikten wij het dorp, dat tegen een dicht bosch van mimosa’s aanlennt, waarin ik, na eenig zoeken, het bewuste meer vond. Doch, welk eene teleurstelling! Het was niets meer dan een vuile poel van geelachtig, stilstaand water, met een zwarten slijkerigen bodem. Ik had geen moed om van dit water te drinken, en haastte mij den fraaien weg weder op te zoeken, dien ik verlaten had. Een weinig verder voerde deze weg mij door een prachtig bosch van doumpalmen, hier en daar met frissche groene grasperken afgewisseld. De weelderige, krachtige plantengroei verkondigde de nabijheid der rivier: en het duurde ook niet lang of wij daalden in de bedding van fijn wit zand af, ter plaatse waar de stroom den voet bespoelt van een steilen, gladden berg. De weg loopt nu verder door de bedding voort, waar het fijne zand het voortgaan voor de muilezels en ook voor de kameelen zeer bezwaarlijk maakt; en weldra stuit ge op een of ander nomadenkamp, dat, in het droge jaargetijde in het bed der rivier is opgeslagen. De nomaden hebben daarvoor hunne goede redenen: vooreerst vinden zij hier overal water; ten andere leveren de doornhagen, waarmede zij hunne kampen omringen, eene afdoende bescherming op tegen de wilde dieren en de nachtelijke stroopers, wier nadering bovendien op den witten, helderen zandbodem kwalijk verborgen kan blijven.

Ik sprak daar van water: alle reizigers, die de Sahara en de omliggende streken bezocht hebben, weten bij ondervinding, dat naarmate zulk eene uitgedroogde rivierbedding meer omvang heeft, ook de kans grooter is, dat men, gravende, op eene diepte van twee tot acht voet water zal vinden, dat na den regen in het zand is overgebleven. Echter is dit geen regel zonder uitzondering. Sommige dier rivieren, die op zich zelf een vrij aanzienlijk profiel hebben, maar ver van de bergen of de hooglanden verwijderd zijn, hebben alleen dan water, wanneer de was buitengewoon sterk is geweest: daartoe behoort ook de Gash, althans in het benedenste gedeelte van haar loop. Daarentegen zult ge andere, oogenschijnlijk onaanzienlijke spleten vinden, maar die door hare ligging als tot vergaarbak van de van boven komende wateren dienen, en die dan ook altijd een overvloed van zuiver water bevatten. De nomade kent al deze bijzonderheden uit langdurige ervaring, en weet de waterhoudende wadis of khors aan allerlei bijkans onmerkbare teekenen te herkennen; de vreemde reiziger, die het land niet kent en geen vertrouwde gidsen heeft, kan zich daartegen zeer dikwijls in noodlottige verlegenheid bevinden.

Na een tocht van een paar dagen bereikte ik den Abou-Gamel, die echter niet, zooals ik mij had voorgesteld, een enkele berg was, maar uit vier geweldige granietmassa’s bestond, die uit eene geheel effen, maar onvruchtbare en steenachtige vlakte oprezen. Het was mijn plan, den Aboe-Gamel te bestijgen, althans den voornaamsten berg van de groep; maar ik moest daarvan afzien, toen ik die wilde verzameling van reusachtige rotsblokken aanschouwde, in de onbegrijpelijkste wanorde boven elkander gestapeld. Na eene vruchtelooze poging om een doortocht te vinden, bepaalde ik mij tot de beklimming van een naburigen berg, waarvan de kruin gemakkelijker te bereiken viel, hoewel ook hier het opstijgen nog met vele moeilijkheden gepaard ging, en zelfs niet zonder gevaar was. Maar het panorama, dat ik van den top overzag, loonde rijkelijk de moeite: de blik reikte tot aan de Atbara, en omvatte eene onmetelijke boschrijke vlakte, die zich tot Koroteb, op den weg naar Gondar, uitstrekte; ten zuidoosten onderscheidde men zeer duidelijk, te midden der lage bergen en heuvelen van het land der Basen, den breeden en statig kronkelenden loop van de Gash.

Bogos.

Ik noemde daar den weg van Gondar; dit herinnert mij aan eene episode uit de geschiedenis dezer streek, die niet van belang ontbloot is.

Van Kassala voert een zijweg—eigenlijk alleen door smokkelaars gebruikt—in zes dagen naar Kabthia of Kafta, hoofd- en residentiestad van Oued-Nimr; een tocht van zeven dagen brengt u vandaar naar Gondar. Oued-Nimr (de zoon van den luipaard) is een zeer opmerkelijk personage; en vroeger heb ik meermalen het plan opgevat, hem een bezoek te gaan brengen. Hij is de zoon van den beruchten Melek-Nimr (de koning-luipaard); vorst van Shendy, die in 1822 Ismaël-Pasja levend liet verbranden, en toen met zijne aanhangers de wijk nam naar Mai-Gogoa, op de grenzen van Abyssinië, waar hij zich, ten koste der egyptische regeering, een soort van onafhankelijken staat stichtte. Zijn naam is daar zeer populair gebleven, en het volk weet nog allerlei van hem te verhalen. Toen Nimr oud geworden was, werd bij blind; maar tot aan zijn dood zette hij zijn guerilla-oorlog en zijne stroop- en plundertochten tegen de Egyptenaren en hunne onderdanen voort. De engelsche reiziger Mansfield Parkyns ging hem bezoeken, en werd zeergoed ontvangen. Nimr had den eed van trouw gedaan aan Oubiëh, den onderkoning van Tigré, van wien bij Kabthia in leen had ontvangen; als een getrouw leenman volgde hij zijn heer in den krijg. Op zekeren dag kwam een der Arabieren van Nimr zich bij Oubiëh beklagen over een Abyssiniër, die een zijner bloedverwanten verraderlijk verslagen had. Oubiëh leverde hem den man uit, om met hem te handelen naar zijn welgevallen. De Arabier trok zijn tweesnijdende seïf, hieuw den moordenaar met een enkelen slag in twee stukken, en vertrok, na Oubiëh gegroet te hebben, die zelf over deze uiterst lakonische wijze van rechtspleging verbaasd stond.

Khor van Desset.

Oued-Nimr heeft het handwerk van zijn vader voortgezet, en staat hoog aangeschreven bij de Soedaneezen, altijd uitgezonderd de lieden, die van zijne rooverijen te lijden hebben en dus uit den aard der zaak minder gunstig over hem denken. Tot dusver werden zijne krijgsbehoeften hem geleverd door de kooplieden van Kassala, hetgeen alleen mogelijk was door de geheime medewerking van den mudir van Taka, wien deze verboden handel geen onaardige winst opleverde. De egyptische regeering drong er bij den negus opaan, dat hij Oued-Nimr straffen zou; deze antwoordde op dien eisch door zijn gunsteling tot dedjaz (hertog) van Wolkaït te verheffen. De nieuwe dedjaz dreef de onbeschaamdheid zoover, dat hij in 1860, in naam van den negus, schatting eischte van Gouedaref en van het gansche land tot Khartoem.

Dat was te veel voor den mudir Hassan-Bey, en vooral voor den gouverneur-generaal Mouça-Pasja; er werden troepen afgezonden tegen den zoon van den luipaard; hij werd geslagen; Mai-Gogoa werd verbrand, en Nimr moest naar Kabthia terugtrekken. Sedert heeft hij weinig van zich laten hooren.

De landstreek, waardoor deze weg van Kassala naar Kabthia voert, is bekend onder den naam van de Mazaga van Nubië: het is een laagland, geheel met ondoordringbare bosschen bedekt, zeer ongezond, bijkans geheel verlaten, en alleen nu en dan bezocht door stroopende benden van de naburige stammen, die op roof uitgaan. Bijna de eenige bewoners dezer streek zijn leeuwen, luipaarden, olifanten, rhinocerossen, buffels en antilopen. De mensch heeft hier zeer voorzichtiglijk het veld geruimd voor de dieren: geen wonder, dat deze geheele landstreek een waar paradijs voor de jagers mag worden genoemd. In de laatste jaren hebben zich enkele stoutmoedige jagers hier gewaagd, onder anderen twee Duitschers, Schmidt en Florian; deze laatste was tevens zwaardveger in dienst van Oued-Nimr, waarom de Egyptenaren zijn etablissement te Takassi hebben verwoest. Vandaar een proces, dat nog altijd hangende is.

In 1861 bevond zich hier de bekende engelsche reiziger Baker, die met zijne jonge vrouw, eene Hongaarsche, een gansch jaar in de Mazaga heeft doorgebracht. Ook de heer Munzinger heeft deze streek bezocht, en daarvan in zijn reisverhaal een zeer belangwekkende beschrijving gegeven. In Maart van dit jaar (1864) stond mijn vriend, doctor Ori van Khartoem, gereed, naar dit paradijs van den naturalist te vertrekken, om daar ten voordeele van het museum van Turijn werkzaam te zijn.—De geschiedenis van den heer Ori is geen onaardige illustratie van de tegenwoordige egyptische zeden en gebruiken: daarom zij het mij vergund, haar in het kort mede te deelen.

Opvolger van den zeer verdienstelijken doctor Peney, had de heer Ori, een italiaansch geneesheer van groote bekwaamheid, zich bij zijne komst in het land, vast voorgenomen zijne taak ernstig op te vatten, en in het belang der openbare gezondheid te Khartoem eenige hoogst noodige hervormingen tot stand te brengen, reeds vijf jaren vroeger door den mudir Arakel-Bey, een christen, ontworpen, maar ten gevolge van zijn vroegen dood, die voor Soedan een ware ramp mocht worden genoemd, onuitgevoerd gebleven. Om de overstroomingen van den Nijl te beteugelen, wilde Ori een stevigen dijk opwerpen, in plaats van de vervallen palissade, die niet verhinderen kon dat de stroom, voet voor voet, het terrein der oude stad verzwolg; hij drong aan op het plaatsen van een peilschaal, op de verbetering van de armenkwartieren der stad, en vooral op de demping van een zeker aantal riolen, die, vooral omstreeks September, brandpunten en kweekplaatsen van besmetting waren. Wat van hemzelf afhing, de koepok-ineuting en de dienst in het militaire hospitaal, werd op de meest voldoende wijze geregeld. Ongelukkig vaardigde Saïd-Pasja in 1860 een decreet uit, waarbij de geneesheeren in de provinciën onttrokken werden aan het rechtstreeksche toezicht van de gezondheidscommissie te Alexandrië, en geplaatst onder het gezag van de mudirs (prefecten), arabische of mameluksche ambtenaren, van zeer slecht gehalte, over het algemeen onwetend, verdorven, schraapzuchtig, in zekeren zin gedwongen om te stelen, ten einde de hoogergeplaatsten te kunnen voldoen, aan wie zij hunne benoeming te danken hebben; en voorts uit den aard der zaak vijandig gezind tegen de geneesheeren, die, welke ook overigens de mate hunner bekwaamheden moge zijn, toch altijd door beschaving en ontwikkeling verreweg hunne meerderen zijn. De nieuwe satraap van Khartoem, Mouça-Pasja, was een prachtexemplaar van dat soort van lieden, voor wie schaamte en eergevoel onbekende zaken zijn. De heer Ori, die maar niet scheen te willen begrijpen, dat niet de behartiging van den algemeenen gezondheidstoestand en de verpleging der zieken zijn eerste plicht was, maar dat hij bovenal zijn chef behulpzaam moest wezen in het bestelen van de schatkist en het publiek, werd op de meest onvoegzame wijze afgezet, en vervangen door een zoogenaamden christen uit Syrië, wiens zedelijkheidsgevoel tamelijk wel met dat van den mudir overeenstemde. De tiran vond in hem het gewillige werktuig, waaraan hij behoefte had, en Soedan zal bij de verwisseling al even welvaren, als de aangrenzende gewesten in zoo menig soortgelijk geval.

III.

Mijne taak te Kassala was afgeloopen; ik begaf mij op weg naar Massoua, en hield mijn eerste halt te Sabterat, zes uur ten oosten van Kassala. Mijne kleine karavaan was nu vermeerderd met het gezelschap van pater Stella, een hoogst achtenswaardig en ook in Europa welbekend italiaansch zendeling; van een hongaarsch officier, en nog een twaalftal inlandsche kooplieden, voor wie de bescherming van onze acht geweren zeer welkom was.

Sabterat bestaat uit drie dorpen, waarvan het grootste, Karaïat genoemd, misschien driehonderd toekoels telt, en tegen de steile hellingen van den berg Horat is gebouwd. Tegenover Karaïat, op den linkeroever van de Aohé, staat een groep van veertig of vijftig hutten, Sherefa genaamd; tusschen de beide dorpen ligt een langwerpig eiland, geheel met dadelpalmen bedekt; ook de andere eilanden in de meestal droge rivierbedding zijn, evenals de rechteroever, goed bebouwd.

Kort voor mijne komst in deze streek, had eene tragische gebeurtenis de gemoederen der bevolking in beweging gebracht. De oude sheikh Mohammed-Nour was gestorven; zijn oudste zoon was hem opgevolgd en had de investituur van de egyptische regeering ontvangen, tot groote ergernis van den jongsten, die, om zich te wreken, voor geen broedermoord was teruggedeinsd. Op zekeren dag, toen zijn broeder naar Kassala ging, zette hij hem na, haalde hem onderweg in en doodde hem. De egyptische regeering liet hem gevangen nemen, en tijdens mijn verblijf zat hij in den kerker te Kassala; maar naar alle waarschijnlijkheid zal hij daar niet langer blijven dan noodig is om een duizend talaris bijeen te brengen, die hij aan Mouça-Pasja kan aanbieden: dan zal het hem vrijstaan, in alle veiligheid de plaats van zijn verslagen broeder te gaan innemen. De voorloopige sheikh van Sabterat is een jong mensch van achttien jaren, de jongste broeder van den vermoorden sheikh. Volgens de overleveringen van hun stam zijn de Sabterat van het oosten, van de oevers van de Aïnsaba, gekomen: zouden zij de Soboridae van Ptolomaeus zijn?

Uit deze streek is mij de herinnering bijgebleven aan een avontuur, dat ernstige gevolgen had kunnen hebben. Men had mij vooruit gewaarschuwd, dat hier, evenals in alle streken van Opper-Nubië, waar water gevonden wordt en dus kudden zijn, eene menigte leeuwen huisvesten. Reeds in den eersten nacht ondervond ik de waarheid van dit bericht. Wij hadden ons kamp opgeslagen in een fraai palmboschje, waarvan de schaduw ons zeer welkom was, en ons deed vergeten dat zulke bosschages ook de geliefkoosde verblijfplaatsen zijn van wilde dieren. Zoodra de zon was ondergegaan, kwamen honderde runderen naar de waterputten; en even daarna verkondigde een luid gebrul ook de nabijheid des vijands. De runderen stoven verschrikt uiteen, en liepen al loeiende weg; naar het schijnt, werd er geen door de leeuwen gegrepen, maar de hyena’s, die bijna altijd het spoor van de koningen des wouds volgen, doodden eene koe.

Twee uren later had ik, na het avondeten te hebben gebruikt, mij te rusten gelegd op mijn angareb, waar ik weldra indommelde, in slaap gewiegd door het murmelend gefluister in ons klein bivouac. De meeste bedienden waakten nog bij de vuren, op weinige schreden afstands van mij tusschen de boomen aangelegd. De last- en rijdieren lagen rustig rondom een palmboom gegroept. Eensklaps werd ik door eene hevige beweging gewekt: de verschrikte muildieren waren opgesprongen, en trachtten zich met geweld los te rukken. Ik vroeg wat er gebeurd was, en vernam nu dat een prachtige leeuw, die op de muildieren loerde, eensklaps, bij het schijnsel der vuren, in de struiken zichtbaar was geworden. Een jonkman van ons gevolg had haastig een brandend hout gegrepen en naar den leeuw geworpen, die, aan het voorhoofd geraakt, zijn kop had geschud, en met een korten kreet zich had verwijderd. Men weet, dat de wilde dieren in het algemeen, en vooral ook de leeuwen, van twee zaken een geweldigen afkeer hebben: van vuur en van geraas. Ook dit laatste bleef onzen bezoeker niet gespaard, want verscheidene geweerschoten werden hem achterna gezonden. Gelukkig trof hem geen enkele kogel: ware hij gewond geworden, dan zou hij ons waarschijnlijk last genoeg hebben veroorzaakt.

Weldra begonnen wij nu de steile berghellingen te beklimmen, die naar het vlek Algheden voeren, door eene naar het schijnt tamelijk welvarende, verstandige en werkzame bevolking van ongeveer vijfhonderd zielen bewoond. Den top des bergs bereikt hebbende, daalde ik langs slingerende paden af naar eene met gras begroeide vlakte; toen moest ik de kronkelende bedding van een uitgedroogden bergstroom volgen; en zoo, beurtelings rijzende en dalende, langs zeer vermoeiende en dikwijls gevaarlijke wegen, waar onze karavaan niet dan bezwaarlijk vorderde, bereikten wij eindelijk den bergpas van Feradebob, die de vlakte van Bisha beheerscht.

Deze vlakte, evenals de meeste andere van Opper-Nubië, met onsamenhangende, wonderlijk gevormde, rotsige hoogten bezaaid en door khors (uitgedroogde beddingen van bergstroomen) doorsneden, behoort voor het grootste gedeelte aan den stam der Barea, die hier in den regentijd hunne kudden heendrijven. Aan de oostzijde wordt de vlakte, door de laatste uitloopen van het Koufitgebergte, van de vlakten van Deghi en Kassa gescheiden; aan de berghelling ligt het dorp Bisha, dat minstens driehonderd woningen telt, en gemeenschappelijk door de Beni-Amer en de Barea bezeten wordt. Bisha staat onder het gezag van den deglel of vorst der Beni-Amer; het heeft eenige beteekenis, als station voor de karavanen van Massoua; er zijn sommige kooplieden gevestigd, en het voorkomen van het vlek teekent eene mate van welvaart, die hier inderdaad zeldzaam is. Toch verzekerde men mij, dat de geest der bevolking er niet beter op geworden was, sedert zich hier ook eenige Barea gevestigd hadden, en de andere inwoners hadden besmet met die zucht voor rooverij, die bij dezen stam onuitroeibaar schijnt.

De toestand van deze stammen is dan ook inderdaad zeer treurig. Zij zijn als het ware ingeklemd tusschen Abyssinië, dat schatting van hen vordert, zonder hen te kunnen beschermen tegen de Egyptenaren, en de mudirs van Kassala, die evenzeer schatting eischen, maar niets doen om de abyssinische strooptochten te keer te gaan. Een enkel voorbeeld zal eenig denkbeeld van dien toestand geven. De abyssinische gouverneur van Addi-Abo, aan het hem van hooger hand gegeven bevel gehoorzamende, was met eenige honderde soldaten, of liever slecht gewapende vagebonden, in Barka gevallen, alles te vuur en te zwaard verwoestende. De mudir van Kassala, aan wien Mouça-Pasja de verdediging der grenzen had toevertrouwd, trok naar Barka met eene legermacht, alleszins voldoende om de Abyssiniërs te verslaan: maar hij trok met de uiterste langzaamheid voort, en toen de deglel er bij hem op aandrong, dat hij zijn marsch wat verhaasten zou om den vijand niet te laten ontsnappen, antwoordde de mudir heel kalmpjes: Chouïa-chouïa (zachtjes aan). Natuurlijk hadden de Abyssiniërs al den tijd om zich met hun buit terug te trekken.

Het is hier de plaats, eenige bijzonderheden mede te deelen omtrent den oorsprong van enkele stammen van Opper-Nubië, die bijna allen uit het abyssinische hoogland afkomstig zijn, en eerst in later tijd, door een samenloop van noodlottige omstandigheden, tot het islamisme zijn overgegaan.

De Hallenga komen uit Hamazene; zij vlechten nog hun haar op de wijze der Abyssiniërs: maar dat is ook bijna alles, wat zij van hun voormalig vaderland hebben overgehouden. Een klein bergplateau nabij Ad-Namen, aan den voet van den Melezenai, draagt nog hun naam; hoogstwaarschijnlijk hebben zij daar een tijd lang hunne woonplaats gehad.

De Habab zijn afkomstig van Kollo-gouzay (Tigré); zij hebben hun vaderland verlaten onder aanvoering van een zekeren Asgade, die zich vestigde op de plaats thans onder den naam van Asgade-Bakla (de muilezel van Asgade) bekend: een naam naar men zegt ontleend aan den eigenaardigen vorm van den heuvel, waarop het dorp is gebouwd. Asgade had drie zoons: Abil, Tekles en Tamariam. Volgens de overlevering is de eerste de stamvader der eigenlijke Habab; van de beide anderen stammen de twee minder aanzienlijke stammen van Ad-Tekles en Ad-Tamariam af.

Belau, Kelau en Hafara waren drie broeders. Zij kwamen waarschijnlijk uit Seraoué, waar men u nog tegenwoordig de zoogenaamde graven der Belaus wijst. Kelau bezat de bergen en weiden, die tegenwoordig aan de Beit-Gabhru behooren, tot aan Chotel. Langzamerhand heeft zich deze stam, ik weet niet ten gevolge van welke omstandigheden, verstrooid en opgelost; de meesten der overgeblevenen hebben zich bij de Beit-Gabhru aangesloten, die uit dien hoofde van de aloude landstreek der Kelau bezit hebben genomen.

De Belaus splitsten zich reeds vroeg in onderafdeelingen. Het gros des volks bleef in de streek nabij de samenvloeiing van de Barka en den Khor-el-Ardeb, waar men hen heden nog vindt, trotsch op hun afkomst, maar tot eenige weinige familiën geslonken; de anderen, betere weilanden voor kunne kudden zoekende, vestigden zich nabij de Roode-zee, in Samhar, en omhelsden het islamisme. Als muzelmannen trokken zij de aandacht van de turksche regeering, die zich in de zestiende eeuw, van Massoua meester maakte, en wier verdere veroveringen in het binnenland door de Belaus krachtig werden bevorderd. Zij zijn tegenwoordig zeer in verval.

De Hafara hebben zich te Terefat gevestigd; zij werden in 1859 bijna geheel uitgeroeid. De weinigen, die aan de algemeene slachting zijn ontkomen, zijn naar hun dorp teruggekeerd, en trachten zooveel mogelijk hun stam van den geheelen ondergang te redden.

De Ad-Sheikh houden zich gewoonlijk in de omstreken van Sulib op. Tijdens de verovering van Nubië door de Egyptenaars, begaf zich een der voornaamste opperhoofden van dien stam, Sheikh Mohammed, die zich aan de nieuwe orde van zaken niet wilde onderwerpen, naar Samhar, om de bescherming van den sultan in te roepen. Hij liet, ten behoeve van zijne stamgenooten die in Barka gebleven waren, naar Konstantinopel schrijven: op welk schrijven echter geen antwoord volgde. Inmiddels beviel het Sheikh Mohammed te Massoua, waar hij zich nedergezet en waar hij als een heilige werd vereerd; hij vestigde zich voor goed in de nabijheid, te Beraïmi, waar hij een dorp stichtte, dat weldra door een aantal uitgewekenen werd bevolkt, die tot heden vrijdom van alle belastingen genieten. Beraïmi is aldus een soort van Mekka in het klein geworden: Mohammed, thans (1864) een zeventigjarige grijsaard, zond zijne twee zonen naar Samhar en Barka, naar de Bedjouk en de Bogos, om daar het islamisme te prediken: welke prediking niet zonder gevolg bleef.

De Beit-Bidel zijn mede uit Hamazene afkomstig, waar hunne herinnering nog voortleeft in den naam Bidel, die door een der aanzienlijke familiën van Tsazega wordt gedragen. Hunne verhuizing dagteekent waarschijnlijk eerst van omstreeks 1800; eerst sedert een dertigtal jaren zijn zij muzelmannen, en hun tegenwoordige sheikh, Ibraïm Djaoui, heeft nog langen tijd den mateb of het koord der abyssinische christenen gedragen; ook spreekt hij gaarne van de dagen, toen zijn stam nog de christelijke godsdienst beleed. De Beit-Bidel hebben zelfs van hunne vroegere godsdienst nog een gebed overgehouden, waarmede zij in droge tijden regen afsmeeken: “Egzio marenna Christos!”—de Heere Christus erbarme zich onzer!”—Doorgaans houden zij zich te Chegled op. Aanvankelijk vrij, werden zij later onderhoorig aan den deglel van de Beni-Amer, die beweerde dat zij in eene landstreek waren gevestigd, welke aan zijn gezag was onderworpen.

Van al deze en de met hen verwante stammen, zijn de Hallenga de eenigen, bij wie eene volstrekte maatschappelijke gelijkheid heerscht: geheel overeenkomstig het in Abyssinië geldende beginsel, volgens hetwelk allen gelijk zijn en het eenige onderscheid bestaat in het al of niet bezitten van een leengoed (goult); terwijl daarentegen, naar de zienswijze der Nubiërs, de adel in het bloed zit en niet afhankelijk is van het leen. Bij al de andere stammen, de Beni-Amer, de Habab, de Bogos, enz. wordt de adel gevormd door de choumaglie (oudsten), waarvan elke familie een zeker aantal vazallen, tigré genaamd, onder zich heeft. Deze inrichting heeft eenige gelijkenis met die van het romeinsche patriciaat met zijne cliënten. De naam tigré schijnt te danken aan de omstandigheid dat de meeste abyssinische uitgewekenen, die naar Nubië de wijk hebben genomen en zich tot vazallen der nubische stammen gemaakt, uit de provincie Tigré afkomstig waren.

Intusschen is de toestand dezer vazallen alleszins dragelijk. De tigré is metterdaad niet veel anders dan een pachter: is hij met zijn heer niet tevreden, dan staat het hem vrij, zich een anderen te kiezen. Hij betaalt eene zeer matige schatting, waarvan het bedrag, sedert onheugelijke tijden, door de gewoonte is vastgesteld. Daarentegen heeft hij het recht te eischen, dat zijn choumaglie hem, in geval van schade aan lijf of goed, bescherme en zijn beleediger vervolge en straffe. In iederen stam vormen de tigrés het armste en werkzaamste gedeelte; men herkent ze gemakkelijk aan hun donkerder gelaatskleur, aan hunne magerheid, aan hun ruwer voorkomen en armoedige kleeding.

IV.

Van Bisha vertrokken, bereikten wij weldra eene reeks van dorre heuvelen, Dunkuas genoemd. Ik besteeg een dier heuvelen, en stond verrukt over het heerlijke panorama, dat zich daar voor mijne oogen ontvouwde. Aan mijne voeten slingerde zich de breede bedding van de rivier de Barka, de fraaiste rivier van geheel Nubië:—een reusachtig wit lint met donkergroene randen omzoomd. De rivier lag droog, gelijk dit in den regel het geval is, met uitzondering van de enkele dagen, waarin de ontzettende watermassa’s, die van de hoogvlakten van Barea en Avla afstroomen, deze breede bedding vullen, waarin zij toch weldra weder verdwijnen. De rivier—om nu aan deze baan van driehonderd ellen breedte dien naam te blijven geven—vervolgde haar loop, ter wederzijde omzoomd door eene dubbele reeks van doumpalmen, de sierlijke getuigen harer vruchtbaarmakende kracht, en vereenigde zich, zeven of acht dagreizen verder, te Falkaït, met de Aïnsaba, die uit de landen der Bogos komt. De beide vereenigde rivieren loopen vervolgens in de Langheb uit, die, minder belangrijk door hare lengte dan wel door de massa water, die zij, altijd gedurende zekeren tijd van het jaar, aanvoert, zich een weg naar het oosten baant, en op zestien uren afstands van Souakin, de vlakte van Tokhar, vruchtbaarheid en leven schenkt.