WeRead Powered by ReaderPub
Reize in Taka (Opper-Nubië) / De Aarde en haar Volken, 1873 cover

Reize in Taka (Opper-Nubië) / De Aarde en haar Volken, 1873

Chapter 6: V.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

Een Franse reiziger beschrijft een tocht van de Rode Zeekust via de Nubische woestijn naar het binnenland van Opper-Nubië, met gedetailleerde observaties van dorpsleven, landschappen en stammen zoals de Hadendoa. Hij rapporteert over vestigingen als Fillik en Mitkènab, de invloed van Egyptische troepen, gebruikelijke gastvrijheid tijdens de Ramadan en lokale veiligheidspraktijken, waaronder het adhari-borgsysteem dat vreemdelingen bescherming en handelsrechten biedt. De tekst combineert geografie, etnografische details en politieke indrukken en illustreert hoe rivieren, stammen en handel de sociale orde en reisveiligheid in de regio bepalen.

Terugkeer uit den slag.

Ja inderdaad: de stroomen en rivieren zijn de aderen der aarde. Nooit gevoelt ge beter de treffende juistheid van dit beeld, dan wanneer ge van een of anderen berg eene uitgestrekte landstreek van het dorre Afrika overziet. Van het punt waar ik nu stond, zag ik de vereeniging van de rivier met een breeden khor, die van Bisha kwam; met den blik volgde ik het dubbel spoor, in de vlakte geteekend door een zoom van palmen en mimosa’s, waartusschen de zilverige rookwolken zweefden van een of ander nomadenkamp. Een woud van doumpalmen, vooral wanneer het dicht begroeid en krachtig opgewassen is, heeft steeds voor mij eene eigenaardige bekoorlijkheid. Bij den dadelboom (deleb) vergeleken, is de doum (crucifera thebaïca) een welgedaan, eenvoudig, burgerman, nevens dien slanken, fijn gebouwden, sierlijken aristokraat; bovendien kleeft hem een wezenlijk gebrek aan: hij is inproductief. Zijne vrucht, hard als hout, is zelfs voor den Bedoeïnen ongenietbaar; ook deelt de arme doum in de algemeene minachting van inlander en vreemdeling. Misschien ben ik wel de eenige, die zijne partij opneemt. Ik ontmoet hem gaarne op mijn weg; zijn fraai geteekend blad, de sierlijkste aller waaiers, geeft mij tegen de heete middagzonnestralen eene vrij wat meer afdoende bescherming dan de dunne, lange bladeren van den deleb. De hemel beware den tot wanhoop gebrachten, geblakerden reiziger voor de schaduw van een dadelboom! Het is bijna of de koninklijke boom opzettelijk zijn bladerkroon wijd uiteen spreidt, opdat de verblindende stralen van den zonnegod ongehinderd zouden kunnen doordringen! Wat heb ik daarentegen menig kalm uur gesleten aan den zoom der wateren, onder het verkwikkend lommer van een doum, mij geheel overgevende aan don weldadigen invloed dier geheimzinnige, aangrijpende, afrikaansche natuur, waarvan zij, die haar hebben leeren kennen, niet licht kwaad kunnen spreken! In die uren had ik niets anders te doen dan, als aandachtig toeschouwer, een of ander drama gade te slaan, in zijne soort niet minder treffend dan de trojaansche krijg:—de verwoesting van een termitenterp door een leger van zwarte mieren; de noodlottige dood van een onvoorzichtige vloo, die, zich gewaagd hebbende op den rand van het hol van den mierenleeuw, vlak op de borst getroffen was geworden door het geschut van den behendigen eigenaar dier hinderlaag. Die kleine scherpschutter was een mijner lievelingen, en wekte telkens op nieuw mijne bewondering op: ja, meermalen gaf hij mij stof tot overpeinzingen, waarbij de hooge voortreffelijkheid van den mensch mij bijna twijfelachtig voorkwam. Had ik zelf wel, om de bronnen van den Nijl te vinden—die ik niet gevonden heb—de helft van de energie en volharding aangewend, die dit bijkans onzichtbare schepsel dagelijks ten toon spreidt om in zijn onderhoud te voorzien? En daarbij wat misrekeningen, wat teleurstellingen, wat onvoorziene rampen! Wie telt ze op, de honderde toevallige omstandigheden, die in een oogwenk, de vrucht van langen arbeid kunnen vernielen!... Voorwaar in dit kleine lichaam van twee strepen lang schuilt nog iets anders dan een darmkanaal: daar huist een wil, een wezen, dat werkt, dat lijdt, dat wellicht in zijne mate denkt.

De stam, die meestal te Dunkuas verblijf houdt, heet Koufit, en is eene afdeeling van de Beni-Amer; tien jaren geleden woonde die stam meer zuidwaarts, in eene vlakte tusschen Bisha en de bergen van Barea, aan welke vlakte zij ook haar naam gegeven heeft. Omstreeks 1856 verschenen de Egyptenaren in de vlakte van Koufit, om de Barea met geweerschoten tot den islam te bekeeren; zij hadden eenige dorpen verwoest, een aantal gevangenen medegevoerd, en die vervolgens weder in vrijheid gesteld, nadat zij beloofd hadden muzelmannen te zullen worden. Daarom hebben slechts twee van al de dorpen der Barea, Mogolo en nog een ander, beiden op de grenzen, den islam aangenomen.

Deze kruistocht was volstrekt niet naar den zin der abyssinische regeering, die de Barea eenigermate als hare onderdanen beschouwde. Theodoros had, als naar gewoonte, zijne handen te vol, om tusschenbeiden te kunnen komen; maar gelukkig was de abyssinische landvoogd van Addi-Abo een kloek en doortastend man, die besloot op eigen verantwoordelijkheid te handelen, en met vijfhonderd ruiters de Barea ter hulpe kwam. Hij legerde zich op twee of drie uren afstands van de Egyptenaars, wien deze nabuurschap volstrekt niet beviel: want de Abyssiniërs hadden nog de gewoonte, hunne verslagen of gevangen vijanden, ten teeken der zegepraal, op bloedige wijze te verminken, waarvoor de Egyptenaars uitermate bevreesd waren. Nu gebeurde het op zekeren nacht, dat in het muzelmansche kamp een geweer omviel, en daardoor van zelf afging. Op het hooren van het schot greep een panische schrik de Turken aan, die in de uiterste verwarring op elkander begonnen te vuren, luid roepende: el Makada ghia! (de Abyssiniërs komen). Er vielen zeven of acht dooden; de nederlaag was volkomen.

Acht jaren verliepen, eer de Egyptenaars zich weder in die streek vertoonden: naar zij zeiden, hadden zij zich teruggetrokken, uithoofde van de ongezondheid van het land. De door hen opgerichte gourbis werden, na hun vertrek, door de Barea verbrand. De Koufit, die bij hunne krijgshaftige naburen in ongenade waren gevallen, omdat zij vriendschappelijke betrekkingen met de Turken hadden aangeknoopt, trokken naar Barka, en het door hen verlaten grondgebied bleef een soort van neutraal terrein tusschen de stammen der Barea en der Beni-Amer.

In 1860 overviel Ato-Zadig, de toenmalige landvoogd van Addi-Abo, de Barea, ontnam hun hunne vrouwen en kinderen, en leverde die niet weder uit, dan nadat de stam het gezag van den landvoogd had erkend, en zich verbonden hem eene schatting op te brengen. Ongeveer in denzelfden tijd tastte de vorst der Beni-Amer, twee- of driemalen achtereen, de ongelukkige Barea aan, en voerde telkens een aantal gevangenen en vee mede. Dergelijke gebeurtenissen herhalen zich telkens, en bewijzen overtuigend, in welk een onhoudbare toestand deze stammen verkeeren.

Over het algemeen houdt men de Barea voor een oorspronkelijken negerstam, door de hooger ontwikkelde stammen die het abyssinische rijk hebben gesticht uit zijne oorspronkelijke woonplaatsen verdreven en naar het gebergte verdrongen. Toch schijnen mij de Barea, die ik gezien heb, geen zuivere negers te zijn; veelmeer houd ik ze voor een oorspronkelijk negervolk, maar sterk vermengd met de naburige ethiopische bevolkingen. Hun eigenlijke volksnaam is, naar men mij zeide, Egher of Eghir; de naam Barea is abyssinisch en beduidt zoowel neger als slaaf, evenals abid in het arabisch. Want hoewel de abyssinische wetten de slavernij verbieden, maken de Abyssiniërs er toch geen gewetenszaak van hunne woeste naburen tot slaven te maken; waarover de anderen zich wreken door voortdurende strooptochten in de aangrenzende christelijke streken.

De abyssinische soldaat, hoewel zeer moedig, is werkelijk bevreesd voor den Barea, waar het een gevecht van man tegen man geldt; wederkeerig is de Barea niet minder bang voor vuurwapenen. Hij gaat bijna geheel naakt ten strijde, met geene andere bescherming dan een klein rond schild, waarvan de kleur tamelijk wel overeenkomt met die van zijne schitterend zwarte huid; zijn geduchtste wapen is de seif, een zware rechte degen, die met twee handen wordt gebruikt en veel gelijkt op een middeleeuwsch slagzwaard.

Evenals de meeste Nubiërs, gaan ook de Barea half naakt: wat hen van dezen onderscheidt, zijn enkele sieraden, waaraan de negers over het algemeen zeer gehecht zijn, zooals halskettingen, armbanden, ringen, enz. Men vindt in hun land eene soort van zeer fraaie groene torren, die zij aan een draad rijgen en als een ketting om den hals hangen.

De naam Barea doet onwillekeurig denken aan de Bari van den Witten-Nijl; en inderdaad vindt men bij de eersten eenige gebruiken, die zoodanige verwantschap schijnen aan te duiden. Ook de Barea hebben hunne toovenaars, die regen kunnen veroorzaken, en bounit worden genoemd; en het is licht te begrijpen dat bij deze eenvoudige, nog in patriarchale groepen gesplitste volksstammen, het opperste gezag van zelf berusten moet bij den man, die de geduchte macht bezit om over den vruchtbaarmakenden regen te beschikken, zonder welken alles van gebrek zou omkomen. De toovenaars der Barea behoorden tot dusverre allen tot dezelfde familie; hunne macht was geheel afhankelijk van den uitslag hunner tusschenkomst. Kwam er regen, dan werden zij overladen met geschenken in geld, in granen en vee; bleef het droog, dan werden zij door twee Fadab (sterke mannen, een soort van adel) aangegrepen, naar een afgezonderde plek op den berg gevoerd en daar vermoord. Dit lot had ook den laatsten toovenaar getroffen. Zijne zonen en bloedverwanten hadden daarop van hun recht en hoogen rang afstand gedaan, verklarende dat zij niet langer telkens nieuwe slachtoffers wilden leveren, en dat het goddeloos was, te beweren dat men over den regen kon beschikken, want de regen hing van God alleen af.

Een in mijne oogen onwederlegbaar bewijs, dat de Barea hooger staan dan de andere negervolken, vind ik hierin, dat zij een vrij zuivere voorstelling van de Godheid hebben, en dat de kanker der slavernij bij hen onbekend is. Wanneer men hun naar de reden van dit laatste verschijnsel vraagt, antwoorden zij op ernstigen toon: “Wij zijn allen de slaven van God.” De krijgsgevangenen worden niet verkocht; zij moeten op het land werken, en wanneer zij sterk, welgemaakt en dapper zijn, gebeurt het zeer dikwijls, dat zij de dochters hunner meesters huwen. Ook hieruit verklaart zich de sterke vermenging, die bij dit volk zoo duidelijk merkbaar is en zoo gunstig op hunne physieke en intellectueele ontwikkeling gewerkt heeft. Ik heb een zeer sterk vermoeden, dat de Barea in vroeger eeuwen christenen zijn geweest; de redenen voor dit gevoelen kan ik echter, zonder al te wijdloopig te worden, hier niet ontwikkelen.

Doumpalm (Crucifera thebaïca).

Wij hadden te Dunkuas geen water medegenomen, omdat wij er zeker op rekenden, tien kilometer verder, te Balaghinda water te zullen vinden. Balaghinda is de naam van twee fraaie meren, nabij den rechter oever van de Barka, en die alleen gedurende een zekeren tijd des jaars van water zijn voorzien; den overigen tijd ziet men niets dan een bruinachtigen bodem van alluviaalgrind, die zeker zeer vruchtbaar is, en geheel begroeid met eene kleine plant, waarvan de naam mij ontgaan is. Wij bereikten het eerste der beide meren, waarnevens zich een fraaie heuvel verheft, dien ik beklom om de streek te overzien. Welk eene teleurstelling! Geen enkele droppel water; en het was reeds middag: wij waren reeds zeer vermoeid, en moesten nu nog een marsch van drie uren afleggen eer wij de putten van Deghi konden bereiken! Ons restte nog een flauwe hoop: het was namelijk mogelijk, dat het tweede meer water bevatte. Wij zonden er iemand heen om zich daarvan te overtuigen, en na verloop van een kwartier kwam onze bode terug met eene goede tijding, die wij zelf niet hadden durven verwachten.

Wij spoedden ons naar het meer, waarvan de bodem nog vochtig en zacht was, en overal bedekt met de zeer zichtbare sporen van olifanten, allen uitloopende op twee plassen, die er nu juist op het oog niet zeer smakelijk uitzagen. Maar wie in Afrika reist, moest zich niet storen aan de kleur van het water, dat hij drinkt: of dit bruin, groen of zwart is, maakt geen verschil. In dit water hadden tallooze scharen kleine schelpdieren geleefd; waar de bodem droog was geworden, gingen zij reeds bij hoopen tot verrotting over. Wij kampeerden in een kreupelboschje, tusschen de twee plassen, en met de wapenen bij de hand. Deze voorzorg was niet overtollig; want den volgenden morgen, toen wij het kamp opbraken en bezig waren met het opladen der kameelen, klonk ons eensklaps, uit een boschje van doornen en struiken, op geen vijftien pas afstands van ons, het gebrul van een leeuw te gemoet. Het was omstreeks zonsopgang: waarschijnlijk het gewoon uur, waarop de koning der wildernis aan den plas zijn dorst kwam lesschen, waarin hij nu door onze tegenwoordigheid verhinderd werd. Blijkbaar durfde hij niet doorgaan—wat hij toch gerust had kunnen doen—om zijn vijver te bereiken; en zijn luid gebrul, dat onze kameelen en muilezels geheel van hun stuk bracht en hun een huivering door merg en been joeg, bewees duidelijk zijn ongenoegen over onze vrijpostigheid. Ons volk hield zich goed, en veroorloofde zich zelfs enkele spotternijen, die echter niet zeer van harte gingen; ik mag niet verzwijgen, dat zij met het opladen bijzonder veel haast maakten.

Opperhoofden der Kelau of Kelaou.

V.

Te Tshaghié nam ik afscheid van de laatste palmen: in Afrika zou ik mijne geliefde cruciferen niet wederzien. De tamarisk, met zijne fijne, gelede twijgen, zijn wonderlijk verwrongen stam, en zijne gelijkenis op den treurwilg, bleef mij langer getrouw; en ondanks zijn weinig opwekkend voorkomen, was deze boom mij steeds welkom, omdat hij de nabijheid van water verkondigde. Te Karovel, waar wij drie uren na ons vertrek van Tshaghié aankwamen, vond ik gansche wouden van tamarisken, die, naar men zeide, de geliefkoosde schuilplaats waren van stroopende benden der Barea. De plaats stond dan ook in een zeer kwaden naam. Het vorige jaar was mijn britsche collega, de heer Cameron, hier bijna in eene hinderlaag gevallen, en deze herinnering had ons zeker tot voorzichtigheid moeten stemmen. Wij vertrouwden evenwel op ons aantal, op onze lansen en onze geweren, en trokken onbekommerd en in tamelijke wanorde voort. Toen de zon ter kimme was gedaald, maakten wij ons gereed ons nachtleger op te slaan; maar eensklaps werden wij verrast door drie of vier schoten, op zeer korten afstand van het hoofd onzer kolonne. Een verward geschreeuw volgde; ik greep mijn geweer en spoedde mij naar de plek, waar de geweerschoten waren gevallen. Daar vond ik Stella, in onderhandeling met den vijand, die ongeveer dertig man sterk was. Weldra bleek het, dat wij met een gezelschap vreedzame kooplieden van Massaoua te doen hadden, die, nog meer ongerust dan wij, ons voor een troep roovers hadden aangezien.

Wij bereikten nu eene wijde, prachtige hoogvlakte, aan alle zijden door bergen ingesloten, waarvan de Takaïl de voornaamste is. Om een overzicht van de streek te hebben, beklom ik, niet zonder moeite, een geheel alleenstaanden berg, op ongeveer achthonderd el afstands ten westen van de putten van Adardé, de gewone pleisterplaats der karavanen. In het wijde landschap, dat zich van deze hoogte voor mijne blikken uitstrekte, trok eene bijzonderheid bovenal mijne aandacht: in het zuidoosten zag ik een fraai gevormd tafelland, in gelijke vakken verdeeld, en, naar het scheen, aan de linkerzijde samenhangende met de bergen van Bogos: dat was de beroemde Zadamba, een der twee heilige bergen van Sennaheit, waar nog sporen zijn overgebleven van het abyssinische christendom. Ik heb geen tijd kunnen vinden om den Zadamba te bezoeken; maar ik heb gepoogd, mij voor dit gemis schadeloos te stellen, door de inboorlingen te ondervragen. Ziehier wat ik te weten kwam.

De eigenlijke Zadamba is eene kleine vlakte, niet grooter dan een paar bunders, aan het zuidwestelijke uiteinde van het tafelland, waarvan ik zooeven sprak, en daarmede door eene zeer smalle landtong verbonden. Een abyssinische negus heeft, naar ik meen voor omstreeks vier eeuwen, daar een klooster gebouwd, en de opbrengst van een dorp in Tigré aangewezen om in het onderhoud van dat heiligdom te voorzien. Nadat de provincie Barka, die aan drie zijden den Zadamba omgeeft, tot den islam was overgegaan, verkeerden de zes of zeven monniken, die het klooster bewoonden, in voortdurend gevaar van overvallen en vermoord te worden. Om zich daartegen te beveiligen, maakten zij zelven het smalle pad, dat naar het convent leidde, door afgraving ontoegankelijk; zoodat een tocht naar den Zadamba, voor ieder, die niet de verwonderlijke bekwaamheid der Abyssiniërs in het bestijgen van rotsen en klippen bezit, eene uiterst gevaarvolle onderneming is. Van tijd tot tijd verlaat een der monniken het klooster, om aalmoezen in te zamelen of de sobere rente in natura, die hun is toegewezen, te gaan ontvangen; en ondanks hunne bekendheid met de plek, is het toch enkele malen gebeurd, dat zij in de onpeilbare afgronden tuimelden, die het gevaarlijke pad ter wederzijde omzoomen. Toch durf ik den minnaars der ethiopische geschiedenis een tocht naar den Zadamba zeer aanraden: naar het schijnt bezit het klooster eene boekerij, waarin zich vijf of zes belangrijke handschriften bevinden, en misschien ook een geschreven kroniek van Sennaheit.

De bergachtige streek, welker grenzen ik nu weldra overschreden had, wordt door de inboorlingen met zekeren ophef Sennaheit genoemd, dat wil zeggen het schoone land bij uitnemendheid. Er is iets treffends in deze vooringenomenheid: zij getuigt van de warme liefde voor een vaderland, dat niet altijd even weldadig is voor zijne eenvoudige, weinig eischende zonen. Maar, indien Sennaheit al de vergelijking niet kan doorstaan met het prachtige bergland van Abyssinië, verdient het toch, in alle opzichten, de voorkeur zelfs boven de merkwaardigste streken van Nubië; en ik kan mij dan ook de ingenomenheid, niet alleen der inboorlingen, maar ook van vreemde bezoekers, wel begrijpen. Onder deze bezoekers behoorde ook hertog Ernst van Saksen-Koburg, die zich, in 1862, met zijne gemalin en een klein gevolg, voor eenigen tijd te Keren vestigde, om aan de oevers van de Aïnsaba op de leeuwen- en tijgerjacht te gaan. Eer hij Sennaheit weder verliet, achtte hertog Ernst zich verplicht, als dank voor de ondervonden gastvrijheid, het grootkruis van zijne ridderorde aan Theodoros te zenden. Natuurlijk wachtte de geduchtte “zoon van David” zich wel, deze onderscheiding te dragen. Naar de zienswijze toch der Abyssiniërs, wordt hij, die eene vreemde ridderorde aanneemt, daardoor de vazal van den souverein, die hem de orde geschonken heeft. In de middeleeuwen, toen eene ridderorde nog iets anders dan een speelgoed en een middel tot bevrediging der kinderachtigste ijdelheid was, toen zij nog inderdaad eene hooge en edele beteekenis had, dacht men er bij ons even zoo over. Maar onze nuchtere, praktische eeuw begrijpt niets meer van de idealen en symbolen der riddertijden!

Het dorp Keren, dat ik daar noemde, is de hoofdplaats der Bogos, die sedert vier eeuwen in Sennaheit gevestigd zijn. Het ligt schilderachtig, aan den voet van een prachtigen berg, in eene fraaie hooge vlakte; pater Stella is hier gevestigd. Toen wij het dorp, dat uit ongeveer tweehonderd rieten hutten bestaat, naderden, kwamen ons eenige schoone knapen tegemoet, die ons zwijgend de hand kusten, en daarna haastig naar het dorp terugliepen om onze komst aan te kondigen. Tien minuten later werden wij door de gansche mannelijke bevolking, met de grootste hartelijkheid verwelkomd; zelfs werden ter onzer eere de weinige geweren afgevuurd, die in het vlek te vinden waren. Wij zouden hier een poos vertoeven.

De Bogos of Mogos zijn afkomstig uit Lasta, eene bergachtige landstreek in het hart van Abyssinië; zij behooren tot den krijgshaftigen stam der Agau, die de oorspronkelijke bewoners des lands zijn. Hun stamvader, Guevra Terké, had het ongeluk zijn broeder of een zijner naaste bloedverwanten te dooden; om zich aan de bloedwraak te onttrekken, week hij met zijne beide zonen, Seguina en Korsokor, ten lande uit. Omtrent deze vlucht bestaat nog eene andere legende, die een sterk sprekend bijbelsch karakter draagt, en blijkbaar is ontleend aan de geschiedenis van de aartsvaders Jacob en Josef. Volgens deze legende dan, vatte eene der begunstigde slavinnen van den ouden vader van Guevra Terké eene vurige liefde op voor den schoonen, edelen jongeling, die echter koel bleef voor hare verleidingen en haar daardoor tot zijne onverzoenlijke vijandin maakte. De vader van Terké nu was blind, hij zelf zeer harig, als Esau; de slavin maakte daarvan gebruik om hem op dezelfde wijze van den vaderlijken zegen te berooven, als Rebecca weleer ten aanzien van Esau deed. Terké, ten behoeve van zijn jongeren broeder onterfd, kwam daartegen niet in verzet, maar ging het land uit.—Dit verhaal verdient niet het minste geloof: reeds daarom niet omdat het blijkbaar eene navolging is. Bovendien zijn er in Abyssinië geen harige mannen: althans, ik heb ze nooit gezien.

De Bogos, die zich zelven Bilèn noemen, tellen tegenwoordig omstreeks achttienduizend zielen, verspreid in zeventien dorpen langs de beide oevers van de Aïnsaba. Zij zijn in twee takken verdeeld, wier namen zijn ontleend aan de beide zonen van Terké: de Ad-Seguina ten noordoosten, de Ad-Korsokor ten zuiden en ten westen. Het is een volk van landbouwers en herders; maar de landbouw is van niet veel beteekenis en maar nauwelijks voldoende om in de behoeften te voorzien. De wezenlijke rijkdom en de trots der Bogos, is hun veestapel. Men schat iemands rijkdom naar het getal moktas die hij bezit: een mokta is eene kudde van vijftig runderen. Twee moktas staan ongeveer gelijk met wat men in Frankrijk een burgerlijk vermogen zou noemen; die vier moktas bezit, is een rijk man.

Ook bij de Bogos bestaat de adellijke instelling der choumaglié, waarvan ik reeds vroeger sprak; daarmede gaat natuurlijk het recht van eerstgeboorte gepaard. Als een choumaglié sterft, erft zijn oudste zoon de roerende goederen, de voorvaderlijke degen, de witte koeien der kudde, de tigrés, en, in sommige gevallen, ook de weduwe. Dit laatste gebruik, dat voor een christelijk volk vrij zonderling is, vereischt eenige toelichting. Komt een gehuwd man te overlijden, dan hebben zijne bloedverwanten, of zelfs zijne kinderen uit een ander huwelijk, het recht, de weduwe te trouwen; in sommige gevallen, zijn zij daartoe zelfs verplicht. Niemand vindt daarin iets onbetamelijks; integendeel, zoowel de christelijke Bogos als de muzelmansche Beni-Amer, zien daarin eene ridderlijke daad tot bescherming der vrouw en eene zekere hulde aan de nagedachtenis van den overledene. De overige zonen ontvangen van hun oudsten broeder zooveel als zij noodig hebben, om zich elders te gaan vestigen. De jongste zoon erft het ouderlijk huis: eene zeer opmerkelijke bepaling, die van fijn gevoelige teederheid getuigt. Hij toch wordt geacht de herinnering aan zijn vader en de liefde voor de woning, waar hij is opgevoed, dieper in het harte te dragen dan de anderen, die het leven reeds meer van het ouderlijk dak heeft vervreemd.

De dochters kunnen op niets aanspraak maken; doorgaans echter trouwen zij zeer vroeg. Bijna allen zijn fijngevormd en zeer schoon, met een lichte zweem van zekere wildheid in haar voorkomen; niets evenaart het vuur van haar zwarte oogen, zoo uitnemend getemperd door de lichte bronskleur van haar huid. Maar, hoewel de vrouwen geene maatschappelijke rechten bezitten, rust toch op haar dikwijls eene zeer zware verantwoordelijkheid. Te Keren zag ik eene zeer achtenswaardige familie, waarvan het hoofd, bij zijn overlijden, schulden had nagelaten. De schuldeischers lieten nu zijne twee dochters, beiden nog kinderen, als slavinnen verkoopen, om zoodoende de schulden van den vader te vereffenen. De oudste trok de aandacht van een aanzienlijk man uit die streek, die haar voor vier-en-twintig talaris (126 francs) vrijkocht, om haar te huwen.

Ook in Sennaheit heerscht de beruchte gewoonte van den bloedprijs: eene gewoonte trouwens, die bij elk volk gevonden wordt, waar het idee van den staat nog niet tot ontwikkeling gekomen is, en de overheid nog niet als de waarborg en handhaver der algemeene veiligheid wordt beschouwd. Dit recht van bloedwraak, dat de solidariteit der familie of van den stam bij de aanrading van lijf of goed vertegenwoordigt, draagt bij de Bogos den naam van dem. Zij maken onderscheid tusschen den heelen en den halven bloedprijs. De eerste is verschuldigd bij moedwilligen doodslag, onverschillig of het slachtoffer een man, eene vrouw, een kind, een choumaglié of een trigé is. Verleiding staat gelijk met manslag, en, in vele gevallen, ook het verbreken der huwelijksgelofte.

De halve bloedprijs wordt gevorderd voor elke verwonding, die bloedstorting ten gevolge heeft gehad, of eene ernstige verminking veroorzaakt; voorts voor elken onwillekeurigen manslag door een wapen of eenig ander snijdend werktuig, zonder opzet van den eigenaar. Als een man zijne vrouw doodt, is hij daarvan aan niemand rekenschap schuldig; maar hij moet aan zijn schoonvader den halven bloedprijs betalen. Het bloed van een choumaglié wordt op honderd-twee-en-dertig koeien geschat, benevens een muilezel en een mat; dat van een trigé, op drie-en-negentig koeien, waarvan een derde aan zijn heer toekomt.

De Bogos noemen zich bij erfelijke overlevering, Christenen; maar zij bezaten noch kerken, noch priesters, toen, omstreeks 1854, een toeval, zoo men wil, hen in aanraking bracht met een jongen piëmonteeschen missionaris, Pater Giovanni Stella, die, weinig opgewektheid gevoelende voor de missie in het binnenland van Abyssinië, zich te Keren vestigde; waar hij eene uitnemende gelegenheid meende te vinden om met vrucht werkzaam te zijn. Even ijverig als verstandig en bedachtzaam, begreep Pater Stella, dat het onderwijs in de dogmatiek gevoeglijk tot later kon worden uitgesteld, en beijverde hij zich in de eerste plaats, om de Bogos in zedelijken zin op te heffen, en hen daardoor vatbaarder te maken om de verheven waarheden van het Christendom te begrijpen. Hij trachtte eerst de twisten en veeten, die dorp tegen dorp en stam tegen stam de wapens deden voeren en zoo schromelijke verwoestingen aanrichtten, bij te leggen; langzamerhand wist hij de Bogos te bewegen om de rooverijen en strooptochten, die maar al te zeer bij hen in zwang waren, vaarwel te zeggen; hij bezocht de huisgezinnen, en vermaande de fiere, onafhankelijke bergbewoners meer eerbied te betoonen voor de banden des huwelijks, voor het leven en de bezittingen van hun medemenschen, en niet zoo spoedig toe te geven aan de inblazingen van een eergevoel, dat in beginsel lofwaardig mocht zijn, maar zich op zoo noodlottige en verderfelijke wijze openbaarde. Een paar jaren lang was zijne stem als die eens roependen in de woestijn; maar nadat hij den Bogos een zeer wezenlijke dienst bewezen had, had hij hun vertrouwen gewonnen, en nu werd hij in weinige jaren, alleen door zijn zedelijken invloed, de oppermachtige gebieder en scheidsrechter van de zeventien dorpen der Bogos en van een tiental naburige vlekken of stammen. Hij maakte vooral zijn werk van de uitroeiing der openbare rooverij: een zware taak, want in het gebergte werd het ambt van roover als eene eervolle betrekking beschouwd, een man van moed ten volle waardig. Hij had eindelijk persoonlijke betrekkingen aangeknoopt met al de voorname roovers van Samhar, Sennaheit en Barka; en wanneer hier of daar gewelddadigheid was gepleegd, wist hij doorgaans den schuldige te ontdekken en vergoeding te verkrijgen.

Deze dictatuur, de vrucht van onvermoeide toewijding en zelfverloochening, wekte den argwaan op van den negus, die zich heer van Sennaheit noemt. Hij wenschte Abounu Johannès (Vader Jan, de gemeenzame naam van Pater Stella) te zien, en noodigde hem; in de vriendelijkste bewoordingen, tot een bezoek uit in zijne residentie te Debra-Tabor; de negus noemde hem zijn zoon, en beloofde hem de meest hartelijke ontvangst. De heer Stella antwoordde de gezanten van den negus met groote wellevendheid, wist voorloopig tijd te winnen, en toen geen langer uitstel mogelijk was, vertrok hij haastig naar Massaoua, het minder raadzaam achtende, zich in het hol van den leeuw te wagen.

De eerste keer dat ik hem ontmoette, was te Massaoua, twee maanden voor ik de reis aanvaardde, waartoe dit verhaal betrekking heeft. Naar hetgeen ik omtrent hem gelezen had, stelde ik mij Pater Stella voor als een soort van Sint-Franciscus Xaverius met grijze haren. Groot was dan ook mijne verwondering, toen ik een welgedanen jongen man zag, met een blozend, open gelaat, waaruit een paar levendige, geestige oogen mij aanstaarden, en met een zeer weelderigen haardos. Een bouri, groote inlandsche pijp, die hij nooit uit den mond legde en die een deel van zijn persoon scheen uit te maken, voltooide deze geheel eigenaardige, maar zeer innemende figuur. Reeds dadelijk voelde ik mij tot hem getrokken, en bij nadere kennismaking leerde ik den beminnelijken, beschaafden, klassiek ontwikkelden man te meer waardeeren en bewonderen. De diensten, die hij, in deze bijkans onbekende streken, aan de zaak der beschaving en van het Christendom heeft bewezen, geven hem volle recht op aller hulde en erkentelijkheid.

VI.

Sennaheit, dat juist op den weg van Khartoem naar Massaoua ligt, moest, uit den aard der zaak, de begeerlijkheid prikkelen der egyptische beys van de grenzen, met name van dien van Taka. In 1850 deed een dezer heeren, Elias-Bey, een overigens bekwaam en energiek man, maar berucht wegens zijn fanatieken haat tegen alle christenen, onverwacht een inval in het land der Bogos; dezen, nog tijdig gewaarschuwd, konden zich met hunne kudden aan de overzijde van de Aïnsaba in veiligheid brengen. Elias drong door tot Ouasentet, een dorp van den stam Bedjouk, op vier mijlen afstands van Keren; hij vond daar slechts eenige oude vrouwen, die hij laaghartig liet vermoorden. Hij wilde toen de Mensa aanvallen, wier eerste kampementen niet meer dan vier of vijf uren verwijderd waren; maar een gids, die misschien de bergbewoners wilde redden, maakte den bey, in de aardrijkskunde al even weinig ervaren als al zijne confraters, wijs, dat het kamp der Mensa wel acht dagreizen ver was; Elias keerde daarop naar Kassala terug. De Bedjouk hadden hun behoud te danken aan eene omstandigheid, die den egyptischen officier karakteriseert. Aan de oevers van de Aïnsaba gekomen, had de bey de kanonnen laten afschieten, om den herders, die hij overvallen wilde, en die hij anders ongetwijfeld in hun kamp zou hebben verrast, den moed te doen ontzinken!

In 1855 had een tweede inval plaats, die bij de Bogos zoo treurige herinneringen heeft achtergelaten. In vollen vrede vereenigde Khosrew-Bey, een woeste Turk, die te Kassala bevel voerde, al de roovers en bandieten van Barka met zijne geregelde soldaten, en trok met dit legertje naar Sennaheit. De beide passen, die naar het bergplateau voeren, werden bezet, zoodat de Bogos, wier hoofdplaats destijds Mogareh, op een uur afstands van Keren, was, nergens een uitweg hadden. Vijftig hunner manschappen sneuvelden in het gevecht; Mogareh werd in de asch gelegd, en driehonderd-tachtig gevangenen, meest vrouwen en kinderen, medegevoerd, benevens ongeveer zestig moktas; daarna keerden de roovers haastig terug. Pater Stella was afwezig; hij kwam den volgenden dag te Keren, vernam daar van de beroofde bergbewoners wat er geschied was, spoedde zich naar Kassala, en eischte van Khosrew volledige vergoeding. Deze weigerde, op de meest onbeschofte wijze, den geestelijke als officiëel persoon te erkennen; bovendien voerde hij hem te gemoet dat al de christenen van Sennaheit rebellen waren, die de egyptische regeering het recht en het vaste voornemen had, tot onderwerping te dwingen. De heer Stella wendde zich daarop tot de consuls van Frankrijk en Engeland. Deze laatste, de heer Plowden, een man van een doortastend karakter, een helderen blik en groote diplomatieke talenten, begreep aanstonds, welke partij van het voorval te trekken was, om het prestige van Engeland in de oogen der Christenen en muzelmannen van oostelijk Afrika te verhoogen. Hij ging in persoon naar Kassala, nam een dreigenden toon aan, maar kon niets verkrijgen; daarop begaf hij zich naar Alexandrië, met een adres van de Bogos aan de koningin van Engeland; hier vond hij krachtige ondersteuning en medewerking bij den franschen consul-generaal, den heer Sabatier, en verkreeg eindelijk eene schitterende voldoening. Khosrew werd afgezet, en tevens bevel gegeven, de gevangenen los te laten. Dit geschiedde dan ook onverwijld; maar inmiddels had men er reeds een tiental naar Djeddah gezonden, de groote stapelplaats van den slavenhandel aan de Roode-zee, eene stad, befaamd wegens twee zaken, die, voor zoover mijne persoonlijke ervaring reikt, steeds onafscheidelijk samengaan: een opgewonden muzelmansch fanatisme en eene grenzenlooze zedeloosheid. Tien of twaalf andere gevangenen waren in de harems van Kassala of de omstreken verstrooid geraakt.

Gezicht op de rivier de Gash, nabij Kassala.

Daarop begon een onderzoek, dat, nu reeds acht jaren lang, de brave huisvaders van Kassala rust noch duur laat. De heer Stella trekt elk jaar derwaarts; hij luistert, ondervraagt, bespiedt, en bij elk bezoek vindt hij het spoor van eene of andere achtergebleven gevangene, die hij dan terugvordert, en die de divan hem niet durft weigeren. Somwijlen geeft dit aanleiding tot komische tooneelen. Een zekere Kopt, Mallem Todros genaamd, een gauwdief van het eerste water, had twee meisjes in zijn harem verborgen; zijn buurman Kotzika, schoonzoon van den Mallem Ghirghis, verklapte hem. De meisjes werden teruggegeven; om zich te wreken, liet nu Todros bij Ghirghis de glazen ingooien. Daarop nieuwe twist, en eindelooze processen tusschen deze beide deftige heeren, die pater Stella eindelijk wist te verzoenen.

Op aandrang der consuls gaf de egyptische regeering, na lang talmen, eene schadevergoeding van 17.000 francs, ongeveer een derde der waarde van het gestolen vee. Mij werd opgedragen voor de verdeeling dezer gelden te zorgen; ik liet mitsdien de voornaamste choumaglié van Keren, Ona, Tantarwa, Achala, Djoufa en Deghi, die allen van den rooftocht te lijden hadden gehad, naar Keren ontbieden, waar de gelden onder de belanghebbenden werden verdeeld. Bij die gelegenheid ontbrak het natuurlijk niet aan feesten en luidruchtig vreugdebetoon, en menig lied werd ter mijner eere gezongen. Zeventienduizend franken was voor deze arme lieden een meer dan vorstelijke schat!

Ik bleef eenige dagen te Keren, geene gelegenheid verzuimende om de omstreken te doorkruisen, en bergen te beklimmen. Somwijlen had ik zonderlinge ontmoetingen. Op zekeren dag had ik den Lala mba, een fraaien, pyramidaalvormigen berg nabij Mogareh, bestegen en daar geteekend, zonder mij te laten storen door het gekras van een vervelenden raaf, die mij eerst een poos onbeschaamd had zitten aankijken en toen luidkeels was gaan schreeuwen, als om te protesteeren tegen deze inbreuk op zijn gebied. Vermoeid en verstrooid van gedachten daalde ik den berg af, en wilde juist mijn voet zetten op een soort van dooden tak, die in het hooge, dorre gras lag, toen mijne aandacht eensklaps getrokken werd door de gladheid en den regelmatigen vorm van dien stam; en werktuigelijk nader toekijkende, zag ik dat die gewaande tak, eenige voeten verder, uitliep in een platten kop met twee zwarte vurige oogen. Het was een groote slang, die waarschijnlijk even verrast was door deze zonderlinge ontmoeting als ik zelf. Wij hadden trouwens niet veel tijd elkander te bewonderen: want op eene beweging die ik maakte, verdween het dier in de struiken, en ik tusschen de rotsen.

Een andermaal had ik den Aïtaber bestegen om van daar een blik te werpen op de prachtige bergkloven, waaruit de Aïnsaba te voorschijn treedt, en op de boschrijke hellingen der rora (bergvlakte), waar de stam der Beit-Andou in fiere onafhankelijkheid, eenzaam en afgezonderd, leeft. Langs een steil rotspad afdalende, stootte ik eensklaps op een fraaien, jongen luipaard, die zich in de zon lag te koesteren; en hoewel ik geene andere wapenen bij mij had dan mijn kompas en mijn teekenpen, werd hij toch bang, en vluchtte in twee of drie sprongen naar eene opening tusschen de rotsen, waarin hij geheel verdween; in zijn schrik vergetende, dat een gedeelte van zijn staart buiten het gat uitstak. Ik van mijne zijde gevoelde evenwel niet den minsten lust, hem verder te verontrusten; en daar het pad vlak langs zijne schuilplaats heenliep, maakte ik eerbiedig een omweg van meer dan een el in doorsnede.

Mijne bedienden dachten over deze uitstapjes, wat de veiligheid betreft, geheel anders dan ik. Toen de kawas Ahmed, als naar gewoonte, de abyssinische dienstmaagden wilde uitzenden om hout en water te halen, weigerden zij, uit vreeze van opgelicht te worden, wanneer zij zich op eenigen afstand buiten Keren waagden. Trouwens deze vrees was niet zoo ongegrond. De meeste muzelmansche kooplieden langs de grenzen, niet tevreden met de winsten van hun gewonen handel op Abyssinië, leggen zich ook toe op kinderroof. Het stelen van christenkinderen is, in de oogen der muzelmannen, een verdienstelijk werk; de ongelukkige slachtoffers worden dan als slaven verkocht. De regeering doet niets om dezen gruwelijken handel te beletten.

VII.

Na een verblijf van vijf dagen te Keren, werd het tijd aan de terugreis naar Massaoua te denken. Pater Stella deed mij uitgeleide tot aan de boorden van de, Aïnsaba, waar wij gezamenlijk ons bivouac opsloegen, en vanwaar hij den volgenden morgen naar Keren terugkeerde.—Wij staken nu de fraaie vlakte over, waarin de kleine stam der Bedjouk gevestigd is; bestegen den vrij steilen bergpas van Massalit, en daalden in het bassin van de Lebqa af, dat wij eerst te Aïn, op twee dagreizen afstands, weder verlieten. De uitgedroogde bedding van de rivier diende ons tot weg, die terwederzijde door tamelijk hooge en boschrijke bergen was omzoomd.

Aïn vormt de grens tusschen twee machtige stammen, de Mensa ten zuiden, en de Habab ten noorden. Deze laatsten splitsen zich in drie afdeelingen, die te zamen den naam voeren van de drie Meflez (wilde zwijnen). Die titel van Meflez is zeer in aanzien in Sennaheit: hij komt voor in de geslachtslijsten van de voornaamste familiën: een bewijs te meer, bij zoovele anderen, dat deze stammen oorspronkelijk geen Mohammedanen waren. De Habab zijn nomaden: en er bestaat eene zekere verwantschap tusschen het nomadenleven en de islamitische barbaarschheid; gaandeweg vielen zij dus van hun voorvaderlijk christengeloof af, en hadden nu ook geen enkele reden meer om zich te onttrekken aan het oppergezag van de grootere of kleinere muzelmansche staten, die hen van alle zijden omgaven. Reeds in 1846 vorderde Emin-Bey van de Habab schatting, in naam van den onderkoning van Egypte. De kantiba (opperhoofd) der Habab antwoordde op hoogen toon, dat hij de souvereiniteit van Egypte niet erkende; maar, bevreesd voor de soldaten van den bey, zond hij hem toch, echter voor dien enkelen keer, een geschenk van vijftig koeien. Tegenwoordig tracht de porte zelf aanspraken op de souvereiniteit over deze stammen te doen gelden.

De Mensa beweren van den zeeoever gekomen te zijn, en beroemen zich op hun europeeschen oorsprong. Indien dit geen fabel is, dan hebben zij tot zelfs hunne taal vergeten, want zij spreken thans tigré; overigens is hun zuivere, bijkans klassieke type eene zijdelingsche bevestiging van hunne beweerde afkomst. Zij splitsen zich in twee clans: Beit-Ibrahé, wier dorp Gheled (schild) heet, en Beit-Echakan, die te Hamham zijn gevestigd. Het eerste dorp werd in 1850 door Hassan, naïb van Arkiko, overvallen; de kantiba Theodoros werd als gevangene naar Massaoua gevoerd, waar hij verscheidene maanden bleef, en waar men vergeefs alle pogingen aanwendde om hem tot den islam te bekeeren. Hij werd niet ontslagen, dan nadat hij een zekeren losprijs had betaald, en zijn kleinzoon als gijzelaar had achtergelaten.

Sommige reizigers hebben zich zeer ongunstig over de Mensa uitgelaten; maar, op den keper beschouwd, komen die klachten toch hoofdzakelijk hierop neer, dat de nieuwsgierigheid dezer onontwikkelde bergbewoners den reizigers last veroorzaakte. Nu, laat ons rechtvaardig zijn. Stellen wij eens dat een Mensa, in zijne fraaie witte shama, die hij alleen op feestdagen draagt, gehuld, met zijne lange lans in de hand, en de groote houten naald (waarop hij even trotsch is, mevrouw, als gij op uwe kolossale oorbellen) door zijn gevlochten haren gestoken;—stellen wij, dat zulk een Afrikaan zich op een goeden dag in de straten van Parijs vertoont: zou hij niet het voorwerp der algemeene nieuwsgierigheid, en erger, der spotternij, zijn? Wat mij betreft, ik heb mij altijd zeer wel kunnen schikken in deze soort van nieuwsgierige belangstelling, die mijne zwarte of koperkleurige medemenschen mij betoonden: zoolang althans die belangstelling haar karakter van kinderlijke naïveteit niet verloor, en geen dekmantel werd voor kwaadwilligheid of hebzucht. Doorgaans vond ik er een waar vermaak in, naar de gesprekken te luisteren, die om mij heen werden gevoerd, en die op mijn persoon betrekking hadden.

“Hoe heet uw meester?” vroeg men aan mijn kawas Ahmed.

“Zijn naam doet niets ter zake. Hij is mijnheer de consul.”

“Consul? Wat is dat? Is dat zooveel als een choum (klein districtshoofd)?”

“De duivel hale uw choums! Een consul, dat is zooveel als een dedjaz (hertog of landvoogd). De negus heeft, hij zijne ontvangst te Debra-Tabor, de kanonnen laten afvuren.”

Dan nam men mijn persoon en mijne kleeding nauwkeurig op: alles leverde stof tot vragen en opmerkingen. Somwijlen droeg ik, des morgens, als de wind koel was, een vest van blauwe gebreide wol: dit kleedingstuk vooral prikkelde de nieuwsgierigheid der inboorlingen. Een hunner, die zich voor bijzonder knap hield vroeg mij: “of dat zijde was?”

“Neen, het is schapenwol.”

“Heel vreemd!”—En de man verwijderde zich, brommende: “Nu, die Frank denkt mij beet te kunnen nemen! Wie heeft ooit van zijn leven blauwe schapen gezien?”

Een andermaal trok een bos kleine sleutels de aandacht mijner bezoekers; na zich in allerlei gissingen verdiept te hebben, merkte een hunner op, dat zij inwendig hol waren; hij gaf ze mij nu terug zeggende:

“Ik ken dat: het zijn zakpistooltjes! Zijn ze geladen? De Franken vinden toch wonderlijke dingen uit. Hoe jammer dat ze turksch (mohammedaansch) zijn!”

“Wat praat ge van turksch? Evenmin turksch als gij.”

“Zijt gij dan een christen?”

“Zeer zeker.”

“Laat mij dan uw mateb zien. (Een blauw zijden koord, dat alle abyssinische christenen, bijwijze van herkenningsteeken, dragen.) Hebt gij geen mateb? Ziet gij wel, dat ge dan ook geen christen zijt.”

Ik keer tot mijn verhaal terug. De vlakke en bijna geheel naakte streek, hier en daar door alleenstaande bergen afgewisseld, die ik van Aïn tot Massaoua in schuine lijn moest doortrekken, heet Samhar. Deze landstreek is, althans in de hoofdtrekken, vrijwel bekend, want deze woestijn is de weg van de kust naar het schoone en vruchtbare Abyssinië. Reeds in de oudheid, met name tijdens de Ptolomeërs, die zoo ijverig den handel van de Roode-zee bevorderden, was Samhar evengoed bij de reizigers bekend als heden ten dage. Ten bewijze zij het mij vergund, de beschrijving aan te halen, die Artemidorus van deze streek geeft; die beschrijving past nog tegenwoordig bijna volkomen, zoowel wat de natuur als wat de menschen betreft.

Volgens onzen griekschen schrijver, jagen de nomaden dezer landstreek de olifanten op deze wijze: “in hinderlaag op de boomen gezeten, en eene kudde olifanten bemerkende, die het bosch doortrekt, laten zij die ongemoeid voorbijgaan; maar zij trachten met behoedzaamheid de achterblijvers te naderen, die hier en daar dwalen, en snijden hun de pezen der pooten door. Somwijlen ook dooden zij hem met pijlen, in de gal eener slang gedoopt; de pijl wordt door drie mannen tegelijk afgeschoten: twee hunner, de beenen vooruitgestrekt, houden met alle kracht den boog vast, de derde spant het koord. Nog anderen geven acht op de boomen, waartegen de olifanten komen leunen om te slapen; zij naderen nu van de tegenovergestelde zijde, en snijden den stam dicht bij de aarde door; wanneer de olifant tegen den boom aanleunt, valt deze om, en het dier stort mede ter aarde; dan springen de jagers van de boomen op den grond, dooden den olifant en houwen hem in stukken. De nomaden noemen deze jagers onrein.

“Boven deze elephantophagen (olifanteters) woont een niet zeer talrijk volk van strouthophagen (vogeleters), in wier land men vogels vindt zoo groot als herten, die, zoo zij niet vliegen kunnen, ten minste zeer snel kunnen loopen, evenals de struisen; sommigen dooden ze met pijlen; anderen nemen hunne toevlucht tot de volgende list. Zij bedekken zich het lichaam met de huid van een dezer dieren; zij steken hun rechterarm in den hals, en bewegen dien op zoodanige wijze, dat zij de bewegingen van den vogel zelven nabootsen; met hunne linkerhand nemen zij graankorrels uit een broodkorf, die aan hunne zijde hangt, en strooien die vóór zich heen; de vogels worden daardoor naar kuilen gelokt, waar jagers zijn gesteld, die hen met stokken doodslaan. Deze strouthophagen bedienen, zich van de huiden dezer vogels om zich te kleeden en ook als bed; zij leven in oorlog met de Ethiöpiërs, die Siles worden genaamd, en als aanvalswapenen hertehoornen gebruiken. Zij wonen in de nabuurschap van menschen, zwarter van kleur en kleiner van gestalte, die ook minder lang leven dan de anderen, want zij worden zelden ouder dan veertig jaar, omdat de wormen zich in hun vleesch voortteelen. Deze menschen voeden zich met de sprinkhanen, die door de zuid-westen- en westenwinden, welke in de lente met groote hevigheid heerschen, naar hun land worden gevoerd. Om deze sprinkhanen te vangen, werpen zij, in kuilen en droge grachten, hout, dat, als het brandt, veel rook veroorzaakt; zij leggen daar een weinig vuur boven op: de sprinkhanen, die daarover heen vliegen, worden door den rook verblind en vallen ter aarde. Zij maken ze fijn, vermengen ze met pekel, en bakken er koeken van, die zij eten.”