Eene Schermutseling.
Aldus Artemidorus. Vooral wat hij het laatst verhaalt, is geheel overeenkomstig de waarheid, zooals mij nog op deze reis bleek. De sprinkhanen daalden in dichte zwermen van Hamazene af, waar zij waarschijnlijk den oogst van den armen abyssinischen landman bijna geheel hadden vernield. Zij vlogen, naar ik meen, van het west-zuidwesten, naar het noord-noordoosten. De boomen, de khors, de hellingen der heuvelen, alles was overdekt met millioenen gele of violette stippen: een waar festijn voor de roofvogels van allerlei soort, wier aantal in deze streken zoo buitengemeen groot is. Maar zij waren de eenigen niet, die op dien buit afkwamen: de lieden van Aïlat, met ghirbas (lederen zakken) beladen, kwamen ook in massa opzetten, om mede hun aandeel te erlangen. Deze sprinkhaneneters, hoewel inderdaad donkerder van kleur dan hunne buren, kwamen mij voor krachtig en welgemaakt te zijn. Wat onze Griek vertelt van die afschuwelijke ziekte en van hun korten levensduur, is een fabeltje, en zal ook wel in zijn tijd niet waar zijn geweest.
Amba.
Een paar dagen na ons vertrek van Aïn, kwamen wij te Desset, een zeer boomrijk eiland, door een breeden, nu uitgedroogden stroom gevormd, waar zich eenige grafheuvelen bevinden, en twee steenen grafteekenen, onder den naam van graven der Koningen bekend. Volgens de overlevering der nomaden, zouden deze graven de overblijfselen bevatten van de Rôm, een volk dat, tot straf voor zijne immer toenemende goddeloosheid, door God onder een regen van steenen bedolven werd.
Te Desset was ik te zeer in de nabijheid van Aïlat en zijne warme bronnen, dan dat ik zou hebben mogen verzuimen, derwaarts een uitstapje te maken. Een kleine marsch bracht mij naar dit groote dorp, waar ik twee aangename dagen sleet, uitnemend goed ontvangen door een soort van sheik, die, in naam van den toen afwezigen naïb, het bestuur over deze herders voerde.
Ik had geene behoefte aan een badkuur, en was ook om die reden niet naar Aïlat gekomen, maar ik zou mij geschaamd hebben, den omtrek te verlaten, zonder die beroemde warme bronnen te hebben gezien, waarvan alle reizigers gewag maken, en die bovendien gelegen zijn in eene dier schilderachtig schoone valleien, die mij steeds zoo verkwikten. Ik verliet dus het dorp, in gezelschap van Ahmed en een inlandsch opperhoofd en bereikte, na eene wandeling van anderhalf uur, den oever van eene beek, Maï Ooï (warm water) genaamd. Nog zeshonderd el verder, en ik was bij de bronnen. Het water was zeer vuil; de reden daarvan bleek mij spoedig, toen ik eene menigte schapen tegenkwam, die, volgens de dagelijksche gewoonte, door hunne herders in de bron waren gewasschen: eene operatie, die tijd en geduld vordert. Gelukkig ontbreekt het deze bergbewoners noch aan het een noch aan het ander.
De eigenlijke bron ontspringt aan den voet van een tamelijk steilen berg, Akowar geheeten, midden in een klein moerassig weiland, waaruit eenige zwakke sprengen opwellen, van welke slechts eene enkele eene hooge temperatuur heeft; al deze straaltjes vereenigen zich, eenige schreden verder, in een reeks kleine vijvers of bassins; slechts in een dezer vijvers, die de meeste diepte heeft, kan een volwassen mensch, als hij namelijk op zijn hurken gaat zitten, een eenigszins behoorlijk bad nemen. Toen ik nader kwam, zag ik vier of vijf mannen en vrouwen in het bad gezeten; nadat er wat ruimte gekomen was, wilde ik ook een bad in de Maï Ooï nemen, maar de temperatuur was mij te hoog; half verbrand trok ik mij haastig terug en bepaalde mij tot een voetbad. Na den naburigen heuvel beklommen, en het panorama genoten te hebben der donkere, zonderling gevormde en boschrijke bergen, die ten westen de vlakte van Aïlat begrenzen, keerde ik naar het dorp terug, om vandaar onzen tocht voort te zetten.
Door eene zandige, dorre vlakte, bereikten wij eindelijk, zeer vermoeid en bijna bezwijkende van dorst, het vrij aanzienlijke dorp M’Kullu, op zes kilometers van Massaoua, te midden vau eene zand- en steenwoestijn gelegen, maar toch in het bezit van een onwaardeerbaren schat: vijf of zes putten met voortreffelijk water. Daar Massaoua geen bronnen heeft, en alleen regenwaterbakken, die acht of negen maanden van het jaar droog zijn, is het water van M’Kullu tot een handelsartikel geworden, waarvan de gansche arbeidzame bevolking van het dorp leeft. Elken morgen vroeg nemen de jonge meisjes van tien tot vijftien jaar, een met water gevulden zak op hare schouders, wandelen daarmede naar de stad, en keeren omstreeks negen uur in haar dorp terug; zij doen alzoo een tocht van twaalf kilometers, waarmede zij niet meer dan een piaster (ongeveer tien cent) verdienen. Dit harde leven benadeelt noch hare gezondheid, noch haar schoonheid, noch haar goed humeur. Honderde malen heb ik ze ontmoet; bij troepjes naar de stad trekkende, lachende, pratende: aardige figuurtjes, met hare in wanorde over het hoofd hangende krullen van glimmend zwart haar.
M’Kullu is het geliefkoosde verblijf van de kooplui van Massaoua, die den geheelen dag in den bazar der stad doorbrengen, maar iederen avond naar M’Kullu terugkeeren, om zich des morgens, een uur voor zonsopgang, weder naar Massaoua te begeven. Zoo vaak ik dien kant uit wandelde, kon ik er zeker van zijn, troepen Massaouanis tegen te komen, met hun geel en beenig gelaat, hunne lange helderwitte kaftans, hun tulbanden, om een met veelkleurig borduursel versierd kapje gewonden, en hun bonten zakdoek op den schouder. Deze vervelende dagelijksche wandeling getroosten zij zich uit zuinigheid, want het leven op het eiland is zeer duur; en de eenige uitgaaf die deze verplaatsing hun oplegt, is het veergeld, dat niet meer dan drie paras (anderhalve cent) per hoofd bedraagt.
VIII.
Vroeg in den morgen braken wij van M’Kullu op en trokken naar de vlakte van Gherar, vanwaar een kano mij in drie minuten naar het eiland Massaoua overvoerde. Op dien weg vond ik geene andere planten dan mimosa’s, dwergachtige struiken en wortelvijgeboomen (chora), die het strand bedekken. Die bosschen van chora van verre gezien maken een zeer eigenaardigen indruk: dicht begroeid, van eene zacht groene kleur, hunne fijne takken en twijgen in de zee dompelende, en hunne fraaie bladeren, aan die van den laurier niet ongelijk, in het water weerspiegelende, lokken die wonderlijke boomen den vermoeiden reiziger, om een weinig adem te scheppen van de brandende zonnehitte, en in hun lommer zijne oogen te verkwikken, die vermoeid zijn van het staren op het harde geel der verweerde en verscheurde rotsen langs de kust. Eenmaal heb ik mij laten verlokken, en ben het dichte bosch ingegaan: maar nimmer heb ik de proef herhaald. De bodem, deels door de wateren der zee overdekt, is niets anders dan eene groote poel, vol slijk en zandbanken, waaruit de boomen, dicht opeengedrongen, zich in grillige vormen verheffen; en onder dit bijkans ondoordringbaar loofdak heerscht eene zoo benauwende, verstikkende hitte, in zoo hooge mate met vochtige, ongezonde dampen bezwangerd, dat, bij deze atmospheer vergeleken, het verblijf buiten op de brandende zandvlakte u eene verkwikking schijnt.
De bodem van het eiland Massaoua bestaat uit koralen en eene verzameling van alle mogelijke soorten van versteende vegetatie, die aan de Roode-zee een zoo bijzonder karakter geven. Ik heb reeds met een enkel woord van de waterbakken gesproken: deze bakken beslaan ongeveer een derde van de oppervlakte van het eiland. Volgens de overlevering zouden zij door de Parsis (de Perzen) zijn aangelegd: waarin niets onwaarschijnlijks is, want ten tijde van Khosroës waren deze kustlanden van de Roode-zee, naar wij mogen aannemen, aan de perzische heerschappij onderworpen. Alles wat in deze streken niet ontwijfelbaar van muzelmanschen of misschien abyssinischen oorsprong is, wordt aan de Parsis toegeschreven; natuurlijk maakt zich de overlevering, ook in dit opzicht, aan hare gewone fout van overdrijving schuldig.
Maar wie dan ook de waterbakken van Massaoua moge hebben aangelegd, hij heeft eer van zijn werk: zij verdienen wel alleszins de aandacht, niet alleen om hunne afmetingen, om de moeilijkheden die bij den aanleg te overwinnen waren, maar vooral om de schoone bewerking, waarvan men zich eenig denkbeeld kan vormen, als men de drie of vier, die nog bijna ongeschonden zijn, wat meer van nabij beziet. De bakken zijn gedekt door een soort van klein gewelf, uit koraalfragmenten gemetseld; de binnenwanden zijn glad, en de randen zoo gemaakt, dat bij den minsten regen, het water in de bakken moet afloopen. Deze fraaie en nuttige werken hadden het wel verdiend, dat de turksche regeering, steeds zoo haastig bij de hand als er eene of andere nieuwe methode van knevelarij valt in te voeren, zich wat meer om hun behoud bekommerd had: maar aangezien de gouverneur en zijne lieden alle morgens hun versch water van M’Kullu ontvangen, is het hun natuurlijk volkomen onverschillig, of het arme volk van dorst vergaat. Do waterbakken in het binnenste van het eiland vallen in puin, zonder dat iemand eene hand uitsteekt om ze te herstellen; de bakken nabij het strand bezwijken voor den aandrang der zee, die de wanden doet barsten en bij iederen vloed de ledige ruimte vult.
Omtrent den oorsprong van Massaoua verkeert men in het onzekere. Sommige geleerden zijn van meening, dat het tegenwoordig Massaoua ongeveer zou overeenkomen met eene zekere stad Saba, waarvan de oude geografen melding maken: in hoever die meening gegrond is, durf ik niet beslissen. Het eiland is zeer arm aan gedenkteekenen: men vindt er slechts een twaalftal gewijde gebouwen, waaronder eene moskee, die wel de opmerkzaamheid verdient, en waarschijnlijk dezelfde is, waarin de Portugeezen, omstreeks 1520, de mis lieten bedienen, nadat zij de muzelmannen uit Massaoua verdreven hadden. Dit was trouwens slechts eene wedervergelding, want de muzelmannen hadden op hun beurt dit heiligdom aan de abyssinische christenen ontweldigd.
Waterdraagster van M’Kullu.
De bevolking van Massaoua is zeer gemengd. De merkwaardigste, en uit een commerciëel oogpunt wel de gewichtigste kolonie, is ongetwijfeld die der Banians, die welbekende indische kooplieden, in wier handen sedert eeuwen reeds de handel op de Roode-zee berust. De wijk der Banians is zeer stil; er zijn zeer weinig winkels, en te ieder uur van den dag ziet ge er weinig anders dan angarebs, rustbanken, tegen de muren geplaatst, en waarop groote, welgevormde, half-naakte mannen rustig liggen uitgestrekt. Hunne geschoren kruinen, hunne dunne knevels, hunne prachtige zwarte oogen, hunne eenigszins vrouwelijke trekken, geheel hun voorkomen doet u denken aan eene straat van Delhi of Bombay. Als de Banian uitgaat, draagt hij een prachtigen tulband van roode of gele zijde, met goud geborduurd, en een zware zilveren keten om de lendenen.
De europeesche bevolking te Massaoua is nooit zeer talrijk geweest; zij bestaat doorgaans uit een consulairen agent (zelden zijn er twee), uit een paar kooplui en eenige zendelingen. Over deze laatsten een enkel woord.
De eerste missionarissen, die zich hier vestigden, waren Kapucijner-monniken; zij woonden te M’Kullu in een nederig huis, waar men hun niet dan na veel moeite het verblijf vergunde. De turksche regeering, die hier het nauwlettend oog der europeesche diplomatie niet had te duchten, toonde zich, aan deze uiterste grens van haar gebied, in al hare brutale onbeschaamdheid. De generaal der orde, die wist met wie hij te doen had, stuurde op deze onbeschofte en steeds half beschonken turksche gouverneurs een piemonteeschen monnik af, door geheel den omtrek wel bekend, pater Giuseppe S...; iemand, die veeleer geboren scheen om voor komiek op te treden dan als apostel in Nubië werkzaam te zijn; een grappenmaker, wiens onuitputtelijke en gansch niet altijd fijne vroolijkheid echter eene zeer degelijke kennis en een onbedwingbaren moed verborg. Telkens lag hij met den turkschen gouverneur overhoop; maar eindelijk wist hij hem te temmen: op zekeren dag daagde hij den Turk uit tot een duel met den sabel; een andermaal dreigde hij den landvoogd uit het raam te gooien, en zichzelf, in zijne plaats, tot kaïmakan te doen uitroepen. Dergelijke praktijken waren zeker niet bij uitnemendheid apostolisch: maar tegenover de lieden, met wie hij te doen had, troffen ze toch doel. Ongelukkig kwam pater Giuseppe in het eind op de noodlottige gedachte om “zaken” te gaan doen: hij hing zijn pij aan den kapstok, en zette te Massaoua een handelshuis op, dat al vrij spoedig failliet ging. Pater Giuseppe begaf zich daarop naar Florence, waar hij, naar men mij zeide, tegenwoordig als redacteur van een liberaal dagblad werkzaam is.
Na de Kapucijners verschenen de Lazaristen, toen zij, in 1855 uit Abyssinië verdreven, zich te Massaoua kwamen vestigen, onder de leiding van den voortreffelijken prelaat monsgr. de Jacobis. Onder het bestuur van zijn opvolger, monsgr. Biancheri (overleden 17 September 1864), werd ten behoeve der missie aan de oostpunt van het eiland, tegenover de stad, een ruim gebouw opgericht met eene kerk en eene drukkerij voor de abyssinische boeken. Tegenwoordig wordt de missie bestuurd door pater Delmonte, een Genuees van geboorte, en een zeer bekwaam man, die waarschijnlijk als opvolger van monsignor Biancheri zal worden benoemd.
Wortelvijgboomen (chora), nabij Gherar.
Een anglo-indisch spreekwoord zegt: “Pondichery is een warm bad, Aden een fornuis, Massaoua een hel.” Dit is tamelijk overdreven. Massaoua is niet ongezonder dan eenig ander punt langs het beneden gedeelte der Roode-zee, en is zeker veel minder vervelend, dank zij de nabijheid van het bergland en de uitmuntende gelegenheid tot jagen. Dit neemt niet weg dat de hitte het iemand benauwd genoeg maken kan. Ik had mij daartegen zooveel mogelijk gewaarborgd. Mijne woning werd aan drie zijden door de zee omspoeld; en heerlijke uren heb ik, ook bij de grootste hitte, doorgebracht in mijn vierkant vertrek, dat met drie groote vensters aan zee uitkwam. Het uitzicht, het is waar, was tamelijk eentonig. Voor mij zag ik de gele en naakte rotsen van kaap Gherar, de reede, en nu en dan eene of andere boot van Dahlak, met hare zware matten zeilen en haar lading van steenen, langzaam voortzwoegende. Aan mijne linkerhand verhieven zich de drio verdiepingen of terrassen der bergen van Abyssinië en Samhar: namelijk, vooreerst de roodachtige lage heuvels van Arkiko en M’Kullu; dan daarachter de bergen van Waï-Negus, en eindelijk aan den horizon, hoog boven alles uitstekende, de rotsmuur van de abyssinische hoogvlakte, waarboven zich, in trotsche majesteit, de koepel van Devra-Bizan, in schemerende omtrekken, welfde.
Massaoua heeft voor den toerist al zeer weinig aantrekkelijks; maar hij kan zich daarvoor schadeloos stellen door eenige uitstapjes in de omstreken te gaan doen. Reeds meermalen was mijne aandacht getrokken door een fraai gevormden berg, die Massaona beheerscht en den schipper in zee tot baken strekt: den Ghedem, ongeveer 1200 meters hoog, een ontzagwekkende, vulkanische kegel. Met de mededeeling van mijn uitstapje derwaarts, wil ik ditmaal mijn reisverhaal besluiten.
Een Faki.
Op zekeren dag huurde ik eene boot met twee man, en liet mij naar een kleinen inham aan de kust roeien, vanwaar ik nog ruim een uur door de stekelige mimosa’s moest wandelen, eer ik de rotsachtige hoogten bereikte, die ik langzaam begon te bestijgen. Na drie kwartier klimmens, had ik een piek bereikt, die ongeveer tweederde van de totale hoogte des bergs mat; maar de eigenlijke top was stellig nog zes kilometers verwijderd, en ik begreep dadelijk, dat, zoo ik niet boven wilde overnachten—waar ik, met het oog op een zeer mogelijk bezoek van leeuwen, luipaarden of hyena’s, volstrekt niet op gesteld was;—het beter was, maar niet verder te gaan. Ik had geen reden om mij over dit besluit te beklagen, want een prachtig panorama breidde zich voor mij uit. Aan mijne voeten, de vlakte, die ik zooeven was doorgetrokken, met eene reeks lage heuvelen, die van den berg tot aan de zee liepen; verder, de fraaie open reede van Massaoua, rustig, blauw, in hare kalme wateren de witte huizen der stad weerspiegelende, en de dichte choras der beide eilanden van Tau-el-hud en Shekh-Saïd. Aan het uiteinde der baai lag de kleine stad Arkiko, vroeger de hoofdstad van het gansche omliggende land, de patrimoniale residentie der naïbs, die sedert naar Aïlat zijn verhuisd. Wat daartoe aanleiding gaf, verdient wel eene korte vermelding, ook omdat daardoor een eigenaardig licht valt op de toestanden in deze streken. In 1846 had de turksche gouverneur van Massaoua, eene schuldvordering van een honderd talaris ten laste van den naïb van Arkiko; en zag geen kans dat geld te krijgen. Dit ware nu nog te vergeven geweest; maar niet te lijden was de beleedigende hoogmoed, waarmede die inlandsche vorsten de gezaghebbenden te Massaoua behandelden. Op zekeren dag voegde de driftige naïb Hassan, in den vollen raad, den gouverneur toe: “Hassan heeft hier te bevelen, zoogoed als de sultan te Stamboel, of de onderkoning te Masr (Kaïro)!”—Bij de minste oneenigheid verbood de naïb zijn onderdanen, de stad van water of levensmiddelen te voorzien, waardoor de inwoners aanstonds aan het gevaar waren blootgesteld, van honger en dorst om te komen. De gouverneur, wiens geduld eindelijk uitgeput raakte, zond toen zijne Arnauten naar de stad, die Arkiko verbrandden, en de turksche kanonnen mede namen, die het voornaamste sieraad van den divan der naïbs uitmaakten.
De stad bleef eenige maanden verlaten liggen; toen werd zij langzamerhand herbouwd, en tevens van een slecht fort voorzien, waarin de turksche gouverneur bezetting legde. De naïb, die een vazal van den negus van Abyssinië was, riep nu de tusschenkomst in van Oubiëh, den onderkoning van Tigreh, die bij den kaïmakan op vergoeding en herstelling van den naïb in zijne vroegere positie aandrong. De kaïmakan schold en dreigde en weigerde iedere voldoening, tot eindelijk op zekeren dag de gansche bevolking der omliggende dorpen, door schrik bevangen, naar de stad vlood, en daar algemeene ontsteltenis verwekte door de mare: El Kostan ghia! de christenen komen!—Het was het abyssinische leger, aangevoerd door Belatta Kokobiëh, een der krijgsoversten van Oubiëh, tusschen de vijftien en twintigduizend man sterk, en overal de schrikkelijkste verwoestingen aanrichtende. M’Kullu werd geplunderd en verwoest; het garnizoen van Arkiko verslagen en onder de muren van het armzalige fort in de pan gehakt; Massaoua, dat het getal zijner inwoners eensklaps van zes tot vijftien duizend zag klimmen, die aan alles gebrek hadden, moest onfeilbaar in handen van den vijand vallen. Maar de onbesuisde vernielzucht der Abyssiniërs droeg voor hen zelf de noodlottigste vruchten: het gansche omliggende land was tot een woestijn geworden, en Kokobiëh zag zich welhaast verplicht, zijne stroopende ruiterbenden weder bijeen te roepen en naar het noorden, naar het land der Bogos, terug te trekken. Zoo bleef alles bij het oude: Arkiko hield zijne turksche bezetting, en de morrende naïbs brachten hunne residentie over naar Aïlat.
Amerikaansche getuigenissen omtrent amerikaansche toestanden.
De man, die door de meerderheid der kiezers in de Vereenigde Staten van Noord-Amerika,—met inbegrip van 800,000 zoogenaamd vrije negers—voor de tweede maal op den presidialen zetel is geplaatst, heeft onlangs, in eene officiëele boodschap, de transatlantische “Republiek” als voorbeeld voor het oude Europa aangeprezen, als de type en het model voor den gewenschten staat der toekomst. Men zou deze eenzijdige grootspraak kunnen laten voor hetgeen zij is, indien niet in Europa zelf nog altijd zoovelen gevonden werden, die, met opzet of uit onnoozelheid, inderdaad gelooven of althans voorgeven te gelooven, dat de amerikaansche republiek hooger staat dan de monarchiën der oude wereld, en zich op het voorbeeld van Amerika beroepen tot aanprijzing van den republikeinschen regeeringsvorm, als het algemeene redmiddel tegen alle kwalen. Dat men, zelfs in Amerika, dit gevoelen niet zoo algemeen deelt, kan blijken uit de volgende staaltjes uit de dagbladpers, die tegelijk ten blijk kunnen strekken van de vrijheid waarmede de oppositie-bladen de toestanden durven beoordeelen. Wij hebben niet te zeggen, dat ook deze schetsen zeerwel niet van overdrijving vrij te pleiten zijn.
Hooren wij in de eerste plaats een der te New-York verschijnende dagbladen, de Sun.
“Het geheele staatkundige en maatschappelijke leven en streven te Washington, zoo zegt zij, is door en door verdorven. Rechtschapenheid geldt voor niets, zedelijkheid wordt openlijk bespot. Deugd en betamelijkheid, die vroeger geacht en geëerd waren, zijn sinds lang geheel uit de mode; de weinigen, die daaraan nog waarde hechten, worden aangezien als zonderlinge antiquiteiten uit een lang vervlogen tijd. Zoowel in de regeeringskringen als daarbuiten voert Shoddy, met al de hem eigene gemeenheid, het hoogste woord. Shoddy kent geen hooger levensdoel dan de luie liederlijkheid na te apen, die onder de regeering van Napoleon III in sommige fransche kringen zoozeer den boventoon voerde, en allen eerlijken lieden zooveel aanstoot gaf. Maar ondanks alle innerlijke verdorvenheid wist men te Parijs althans nog voor het uiterlijk den schijn van welvoegelijkheid en decorum te bewaren. Maar hier, te Washington, treden ondeugd en verdorvenheid openlijk op, in de ruwste, gemeenste, onhebbelijkste vormen: men draagt roem op zijne vulgaire gemeenheid en neemt niet eenmaal de moeite, ze met een zeker vernis te bedekken. Deze lieden zijn trotsch op hunne schande, en bekommeren zich niet meer om welvoegelijkheid of betamelijkheid.
“Geld is alles in allen; de waarde van den man hangt uitsluitend af van zijn rijkdom, van het ambt dat bij bekleedt, of van den invloed, dien hij op de regeeringsmannen kan uitoefenen. Eene vrouw wordt ontzien en gevierd, naarmate zij beter de kunst verstaat over de mannen te heerschen, den toon weet aan te geven in hetgeen men den goeden smaak noemt, en in het gezellig verkeer alle vrouwelijke schaamte en ingetogenheid heeft afgelegd. In het openbare leven wordt alles naar dollars berekend: ware verdienste en degelijkheid komen niet in aanmerking. Het voorbeeld der hoogstgeplaatste staatslieden heeft ook in lagere kringen ijverige navolging gevonden, en zoo is het gansche samenstel verdorven en rot geworden.
“Ministers, senatoren, volksvertegenwoordigers, ambtenaren baden zich in schaamtelooze weelde en overdaad, terwijl het van openbare bekendheid is dat zij nog voor weinige jaren doodarm waren. Nu zijn zij het, die den toon aangeven. Het is niet meer dan natuurlijk dat hunne onderhoorigen, die van hunne gunst en bescherming afhankelijk zijn, dienzelfden weg opgaan, en door dezelfde ongeoorloofde middelen en praktijken zich eene positie trachten te verwerven. Slagen tot iederen prijs, dat is het algemeene beginsel: het zeer onheilige doel heiligt de verachtelijke middelen. Alles wat van het Witte-Huis (het hotel van den president) uitgaat of daarmede in betrekking staat, is praal- en pronkziek en wil zooveel mogelijk vertooning maken. Kan dat niet langs eerlijke wegen, welnu dan geschiedt het ten koste van eer en plicht.
“Hieruit verklaart zich vooral de kanker der corruptie, die alle takken van de staatsdienst, zonder eenig onderscheid, heeft aangetast en doordrongen. Dit bederf is bij ons veel erger dan in eenig ander beschaafd land, want de demoralisatie strekt zich zoowel tot de hoogste als de laagste ambten uit; zelfzucht, oneerlijkheid, ontrouw zijn overal de heerschende motieven der handelingen. Tegen dezen invretenden kanker baat geen ander geneesmiddel dan eene radikale omwenteling. Zelfs indien de zoogenaamde hervorming der civiele dienst inderdaad de vruchten zou dragen, die kwakzalvers en bedriegers het lichtgeloovige volk diets maken, dan nog zou zij niets vermogen. De kwaal is chronisch; om haar te overwinnen, zou men de toevlucht moeten nemen tot wat de geneesheeren eene heroïeke behandeling noemen.
“Diefstal der voor onvoorziene uitgaven bestemde gelden in alle takken van het staatsbestuur, is nog maar een zeer klein onderdeel van het roofstelsel, dat, te beginnen met het congres, in alle afdeelingen en kringen der regeering is doorgedrongen en aangenomen. Senatoren en volksvertegenwoordigers maken zich door zulke contingencies van zeer aanzienlijke sommen meester: en dit den volke ontstolen geld wordt dan in brasserijen verspild, waarvan men vroeger zelfs geen denkbeeld had. Honderdduizende dollars worden ieder jaar op zulke wijze weggeworpen. Dit misbruik heeft, zooals, in den aard der zaak ligt, vele andere misbruiken en liederlijke praktijken in het leven geroepen: zoo is de gansche wetgevende macht veil en omkoopbaar, de jobbery (schacherij, oneerlijkheid) tot een erkend handwerk geworden. Wie in dezen wedstrijd van gemeen-vulgaire pralerij wil mededoen, moet noodwendig over geld, veel geld, kunnen beschikken; en heden ten dage doet het er volstrekt niets toe, hoe men aan geld komt.
“Dit voortwoekerend bederf heeft nog andere noodlottige resultaten opgeleverd, die niet minder verontrustend zijn. Gedurende den (zeer ten onrechte dus genaamden) opstand, werd de proef genomen, om in sommige takken van de staatsdienst ook vrouwen aan te stellen. Men deed dit, eensdeels om voor daartoe bekwame personen een geschikt veld van werkzaamheid te openen; anderdeels om de vrouwen en dochters van in den krijg gesneuvelde militairen een middel van bestaan te verzekeren. Zoowel het een als het ander was loffelijk en goed, en de proef slaagde volkomen. Maar tegenwoordig is ook hierin een schandelijk en ergerlijk misbruik welhaast regel geworden. Zoodra het congres omtrent dit punt bepalingen begon te maken en nieuwe betrekkingen voor vrouwen in het leven te roepen, viel het niet moeilijk te voorzien wat er geschieden zou—en dan ook werkelijk gebeurd is.
“Vele verstandige, ontwikkelde vrouwen, die iederen fatsoenlijken kring tot sieraad zouden strekken, verdienen aldus op eerlijke wijze haar brood in de verschillende regeeringsbureaux. Voor sommige betrekkingen zijn zij beter geschikt dan mannen, maar worden toch niet zoogoed betaald als dezen. Doch nevens deze brave en achtenswaardige vrouwen en meisjes heeft zich nu een ander element ingedrongen, welks tegenwoordigheid voor haar eene beleediging, voor de staatsdienst een smaad en schande, en voor het openbaar geweten een ergerlijk schandaal is. Het is toch van algemeene bekendheid, dat senatoren, volksvertegenwoordigers en ambtenaren deze voor brave en eerlijke vrouwen bestemde betrekkingen wegschenken aan liederlijke schepsels, die bovendien geheel ongeschikt zijn voor het werk, waartoe zij geroepen worden. Het is eene schande, zulke personen eene plaats naast de anderen aan te wijzen. Hier baat niet de armzalige uitvlucht, dat de aanstelling aan eene vergissing, een misverstand moet worden toegeschreven. Leden van het congres hebben, in grooten getale, hunne bijzitten gepensioneerd: dat wil zeggen, de schatkist moet deze personen betalen, ofschoon zij geheel ongeschikt zijn, de haar toevertrouwde betrekkingen behoorlijk waar te nemen. Hoogere en lagere ambtenaren, die posten te vergeven hebben, volgen dit voorbeeld ijverig na.
“Betrof het hier nu slechts uitzonderingen, dan zou men, hoe afkeurenswaardig dergelijke handelwijze ook steeds moge zijn, toch des noods veel door de vingers kunnen zien. Maar de bewijzen zijn voorhanden, dat het kwaad ontzaglijke proportiën heeft verkregen, en dat elk departement der bondsregeering daardoor is aangetast. Wanneer alle bijzonderheden aan het licht werden gebracht, en de volle waarheid bekend gemaakt, dan zou het land zich ontzetten over deze ergerlijke misbruiken, over den omvang, dien het kwaad reeds bereikt heeft; en vooral ook daarover, dat zoovele lieden, die zich bij voorkeur voor christelijke staatslieden uitgeven, met dit euvel in zoo ruime mate zijn besmet. In vele afdeelingen, waarvan de chefs voor mannen van strenge zeden doorgaan en zeer getrouw de kerk bezoeken, worden gewichtige posten toevertrouwd aan vrouwspersonen, wier onzedelijk gedrag van algemeene bekendheid is; anderen, wier reputatie niet beter is, danken hare plaatsing in de bureaux aan den veelvermogenden invloed harer vrienden in het congres of de hoogere regeeringskringen. Dit openbaar schandaal komt niet uitsluitend ten laste van eene enkele partij, de radikaal-republikeinsche: ook de zoogenaamde Grant-demokraten—zooals de omkoopbare medeleden der demokratische partij worden genoemd—hebben hunne bijzitten in de staatsdienst eene plaats bezorgd.
“Alles wordt tot koopwaar en handelsartikel verlaagd. De bondsregeering moet zich de noodige gelden verschaffen ter bestrijding zoowel van de loopende gewone uitgaven, als ook voor onvoorziene gevallen (contingent approbations). Zij beijvert zich mitsdien om door weldaden de gunst te winnen van de invloedrijke leden van het congres, en vergeet natuurlijk ook hare demokratische partijgenooten niet. Het gevraagde geld wordt toegestaan; daaronder zijn dan ook traktementen voor klerken begrepen en eene zekere som voor buitengewone beambten, die door den staatssecretaris tijdelijk kunnen worden aangesteld: welke aanstelling echter in de praktijk met eene definitieve benoeming gelijk staat. Dan laat een of ander achtenswaardig congreslid eene, of soms ook wel twee of drie, zijner concubines, in de bureaux der verschillende departementen benoemen. Weduwen en weezen van in den krijg gesneuvelde militairen worden barsch afgewezen; winstgevende betrekkingen sinds lang alleen aan geschandvlekte vrouwspersonen weggeschonken, die in overdadige weelde zwelgen en op de openbare wandelingen en andere publieke plaatsen pronken met hare schitterende pracht, die door liederlijkheid is verworven, en die door het volk moet worden betaald.”
Zoover de washingtonsche correspondent van het te New-York verschijnende dagblad de Sun. Maar hij is op verre na de eenige niet, en niets zou gemakkelijker vallen dan dergelijke getuigenissen te vermenigvuldigen. In den vorigen winter werd, in eene vergadering te Boston, de vraag behandeld, of met het oog op de algemeene verbastering van het openbare leven, op de omkoopbaarheid, die zoowel het congres als bijna alle wetgevende vergaderingen der afzonderlijke staten kenmerkt; op de niet minder ergerlijke omkoopbaarheid van een groot aantal rechters en leden der jury; op de bedriegerijen en vervalsching bij de stemmingen, en op de bijna algemeene verwildering der zeden;—of, met het oog op dit alles, de republikeinsche regeeringsvorm in de Vereenigde-Staten geacht kon worden, nog eene toekomst te hebben? Reeds nu was de republiek, in zekere mate, tot een centraliseerend despotisme geworden, en waren de partijen jammerlijk ontaard en verbasterd; van de goede traditiën uit de dagen van Washington en Jefferson was zelfs geen spoor meer over.
In verband hiermede, verdient zeker de verklaring van het te New-York verschijnende Daybook (van 28 Juni 1873) de aandacht. “Is het volk over het algemeen niet reeds te diep gezonken, om nog door eenige regeering gered te kunnen worden, tenzij dan door de absolute monarchie? Eene constitutioneele monarchie zou niet baten. Men mag wel zeggen dat de rol der republiek is uitgespeeld, nu het bederf zoo algemeen is en zoo schrikbarende hoogte heeft bereikt, en door de monarchalen van Europa met alle recht op ons, als op een afschrikkend voorbeeld, gewezen wordt.”
De voorzitter van Yale-College,—een der aanzienlijkste hoogescholen in de Vereenigde-Staten te New-Haven, in den staat Connecticut;—de heer Woolsey, richtte in Juni l.l. eene toespraak tot zijne studenten, en zeide daarin, onder anderen, het volgende: “Sedert het einde van den oorlog zijn tweemaal zooveel jaren verloopen als de oorlog geduurd heeft, en tegenwoordig heerscht allerwege eene corruptie, waarvan in de geschiedenis onzes volks geen voorbeeld te vinden is:—corruptie der openbare beambten, corruptie in de partij, die zich gedurende den krijg door ‘loyauteit’ kenmerkte; wij zien bondgenootschappen aangeknoopt met beginsellooze mannen, ter bereiking van zelfzuchtige partij-oogmerken; eene koortsachtige speculatiewoede, eene immer toenemende reeks van misdaden. Familiezin en reinheid van het familieleven zijn hand over hand afgenomen, en in de plaats daarvan woekert eene demoralisatie voort, die voor het allerergste vreezen doet.”
Eindelijk willen wij eenige zinsneden aanhalen uit een artikel van eene duitsch-amerikaansche courant, de California-Staatszeitung, bij gelegenheid van de viering der onafhankelijkheidsverklaring, op den 4den Juli 1873. Aan het hoofd harer beschouwingen plaatst zij dezen tekst: “Het huis mijns Vaders zal een huis des gebeds genaamd worden, maar gij hebt het tot een moordenaarskuil gemaakt”; en zegt dan, onder andere, het volgende:
“De schoone dag der vrijheid, waarop eene groote natie geboren werd, is tot een dag van rouw en droefenis geworden, waarop wij onze hoofden met asch bestrooien moeten, en in bedevaart optrekken naar de graven dergenen, die ons een roemrijk en kostbaar erfdeel hebben achtergelaten, dat nu in onze regeeringskringen voor een schotel linzen wordt verkocht.
“Wat zien wij toch heden ten dage? Wij zien het algemeene stemrecht des volks tot eene komedie gemaakt of rechtstreeks geschonden door bedriegerij, omkooping en geweld. Wij zien het dusgenoemde souvereine volk veel minder in het bezit zijner rechten, dan onder de monarchale constitutiën. Wij zien de wilde jacht naar rijkdom en genot, overal de plaats innemende van eerlijkheid en burgerdeugd. Wij zien de regeering in handen van zelfzuchtige intriganten en diep verdorven coteriën. Wij zien het volk geplunderd, en zijne vrijheid vertrapt door fanatieke kwakzalvers. Wij zien de hoogste staatsdienaars aan de spits der dieven en plunderaars. Wij zien, hoe in de wetgevende vergaderingen de wildste hartstochten, de meest schaamtelooze corruptie het onhebbelijkste egoïsme openlijk haar gruwelijk spel spelen, en onderdrukking der vrijheid het voornaamste streven is. De hoofdplaats des lands is tot een tweede Babel geworden, waar men moedwillig de oogen sluit voor het Mene Tekel, dat de genius der geschiedenis reeds bezig is te griffelen aan de marmeren wanden van de paleizen des overdaads, waar lichtekooien en gewetenlooze zwendelaars de schatten des volks verspillen, en alles wordt medegesleept in den wilden roes der liederlijkheid.”
Mogen bovenstaande aanhalingen wat sterk gekleurd zijn, zij bewijzen nogtans dat de Nieuwe Wereld, ook binnen haar eigen gebied, niet als een modelstaat wordt geoordeeld.