Men moet de noodlottigste gebeurtenissen duchten, indien men zig niet met ernst bezig houdt met de verbetering van het lot van deeze zoort van menschen, die uit hoofde der ryke voortbrengzels van hunnen arbeid van zoo veel gewicht zyn, en tevens zoo weinig bescherming ontmoeten, zoo mishandeld worden. Men zoude kwalyk doen, om in eene onvoorzigtige gerustheid te blyven sluimeren.
Het voorbeeld der Fransche Volkplantingen moet aan deeze aanmerkingen klem byzetten: door zig tegen de vryheid te verzetten, zyn zy verwoest geworden, zy herstellen zig met derzelver zoeten invloed, onäangezien alle de noodlottigheden van den oorlog.
Wat kunnen zy, die de slavernye voorstaan; tog inbrengen? Zy zullen zig beroepen op het oud gebruik der Volkplantingen, de voorgewende onmogelykheid, om dezelven zonder zwarten en zonder slaven te bebouwen, op het belang van den staat, om koopwaren uit de Volkplantingen te trekken. Men beroept zig op het geluk der Negers in hunnen tegenwoordigen staat, die, zoo men ons beduiden wil, verre verkieslyk is boven het lot van onze boeren. Men zegt, dat de luiheid, het bedrog, en alle slechte hoedanigheden, die harde en inhalige meesters, hun slechts als lydelyke werktuigen van hun fortuin beschouwende, in hun vinden, van het character der Negers onäfscheidelyk zyn; maar deeze kwaade hoedanigheden en gebreken zyn, of betrekkelyk tot het begrip en vooröordeel, het welk hunne staat inboezemt, of veröorzaakt door de manier, waar op men hen behandelt: deeze gebreken, die aan alle menschen, en in alle maatschappyen gemeen zyn, verdwynen, of nemen ten minsten merkelyk af onder een menschlievend en redelyk bestuur, zelfs onder slaven: zulks heeft my eene onäfgebrokene en aandachtige ondervinding klaar bewezen.
De voorstanders der slayernye kunnen voor het overige in hunne verschillende redeneeringen in het geheel geen gebruik maken van de zaak der menschelykheid, noch van de rechtvaardigheid, noch van het recht der natuur, als welken geen mensch ter weereld door verjaring kan verliezen, van welke kleur hy ook zyn moge, en het zy de omstandigheden zyner geboorte meerder of minder gunstig zyn. "Wy hebben Volkplantingen noodig, men kan dezelven zonder slaven niet bebouwen; dus is de slaven-handel en het bezitten van slaven noodzakelyk". Zie daar, waar op hunne redeneeringen altyd nederkomen.
Aan den anderen kant zyn zy, die voor de afschaffing der slavernye pleiten, door de reden, de rechtvaardigheid, de weldadigheid, en alle eerbiedwaardige beweegredenen, welken de menschelykheid aan de hand geeft, aangevuurd, dikwils veel te verre gegaan, en hebben zig dus aan de berisping hunner tegenpartyen, die by de handhaving der slavernye belang hadden, bloot gesteld; zy hebben gezondigd, het zy door buitensporigen yver, het zy door de staatkundige betrekkingen uit het oog te verliezen, welk laatste echter niet behoort te geschieden, zoo men een aantal lieden, wier fortuin van de beplantingen afhangt, niet in hevige klagten wil doen uitbarsten: op dien zelfden voet voortgaande, hebben zy zig de berisping der Planters ook nog op den hals gehaald, door niet wel te bevroeden alle de middelen, die tot het bewerken der verlangde omwenteling verëischt werden. 'Er zyn noodlottige gebeurtenissen voorgevallen, die de redeneeringen van de voorstanders der slavernye schynen te versterken; maar wat valt daar uit te besluiten, dan alleen dit, dat de ontwerpen der menschelykheid ten voordeele der zwarten, overëenkomstig eene goede staatkunde, niet behooren uitgevoerd te worden, dan door den tyd en trapsgewyze? dat eene overylde en onbepaalde vrylating, zonder uitzondering of mitsen, aan het voorgesteld oogmerk zeer slecht voldoet, en zelfs groote ongelegenheden veröorzaakt? In de daad, men moet toestemmen, dat de nieuwe Negers, die aan de taal en gebruiken der Europeanen nog niet gewoon zyn, zonder gevaar voor de Plantagiën, noch zonder benadeeling van hun zelven, niet allen op eenmaal, zonder tusschenpoozing of voorzorgen, in vryheid gesteld kunnen worden. Het is 'er mede gelegen, als met het gezicht, dat door eene lange duisternis verzwakt is, en niet met overyling het licht weder kan aanschouwen, zonder 'er door verbysterd te worden: men moet hun het licht by trappen en met beleid te rug geven.
Intusschen is het geenzints onmogelyk, maar het is zelfs nuttig en staatkundig, om de middelen tot afschaffing der slavernye voor te bereiden. Men kan dit oogmerk bereiken, terwyl men tevens het belang van den Staat, en de staatkunde der volken in het oog houdt, de Volkplantingen, die nog geene veranderingen ondergaan hebben, bewaart, zonder de eigendommen der ingezetenen te bederven, noch hunne inkomsten te verminderen. Het tydperk, binnen het welk men trapsgewyze aan de Negers de vryheid zoude kunnen schenken, zoude niet verre af zyn; en de goede geneigdheid van verscheiden Planters zoude het zelve meerder verkorten, dan men denkt. 'Er zyn 'er veelen, die, om wel te doen, slechts verlangen omtrent hunne waare belangen te worden ingeligt; dit kan men door tyd en ondervinding te weeg brengen; en de Regeeringen behooren, overëenkomstig dien regelmaat, de gebrekkige inrigting, die nog in zwang is, en tot hier toe door de wet gehandhaafd is geworden, te verbeteren.
Alle eerlyke, gevoelige en belanglooze harten zyn van de zaak zelve wel overreed; maar men moet aan de Regeering betogen, en aan de eigenaars der slaven bewyzen, dat men deeze veranderingen bewerken kan door middelen, die geene beweging maken, en aan de veiligheid, noch aan het voordeel der Planters geen leed toebrengen. Het is tot dit einde noodig, om alle vooröordeelen aan een zyde te stellen, en met onpartydigheid de middelen te overwegen, door welken men langzamerhand in de verbetering van de gebrekkige inrichting der Volkplantingen kan slagen, zonder de Plantagiën en derzelver bebouwing te bederven.
Het eerste middel moet zyn de afschaffing van den slaven-handel.
Deeze handel is met de slavernye op 't naauwst verbonden, om dat zy aan dezelve voedzel verschaft, en de Planters in 't begrip staan, dat, indien de slaven-handel ophield, het getal van de bewoners der Volkplanting wel dra tot niet zoude loopen, en derzelver bebouwing ook in evenredigheid verminderen, en dat, vermits de slavernye eene geöorloofde zaak is, de slaven-handel het insgelyks behoort te zyn: edoch niets dan de verfoeijelykste heerszucht is in staat, om deezen hatelyken handel, die een zamenweefzel van barbaarsheden is, te willen laten stand houden.
Wat doet het 'er toe, of wy onrechtvaardig en wreed zyn, mits wy maar rykdommen vergaderen. Zie daar in korte woorden, waar toe men alle de redeneeringen brengen kan, die ten voordeele van deezen handel worden aangevoerd. Maar indien dit niet alleen eene onrechtvaardigheid, maar zelfs eene mistasting is; indien deeze handel, verre van voordeelig te zyn, voor de belangen van het volk, dat denzelven dryft, hoogst nadeelig is; wat moet 'er dan worden van den eenigen grond, waar mede men deszelfs voortduuring wil goed maken?
Deeze handel, staatkundig beschouwd, brengt niet dan nadeel te weeg. Dezelve bederft de zeden van elk volk, het welk zig daar aan overgeeft, door hun eene geneigdheid tot wreede daden in te boezemen; door dezelven eindelyk by veele persoonen als wettige daden te doen beschouwen; door een aantal lieden te gewennen, om hun fortuin door de vernieling van het menschdom te beproeven; want het is eene bewezene waarheid, dat de oorlogen, gevoerd om slaven te hebben, de onaangenaame overtochten, de mishandelingen, en de wanhoop, veel meer Negers doen sneven, dan 'er in de Volkplantingen aankomen. Deeze handel is schadelyk voor de zeevaart, uit hoofde van het verlies van een groot aantal matroozen, veröorzaakt door de kwade lucht, het slecht voedzel, en andere vernielende omstandigheden, die op de schepen, tot de overvoering der Negers bestemd, noodwendig plaats hebben. De slavenhandel is, in één woord, een schande voor het menschdom, een vlak op elk volk, die denzelven gedoogt, eene openbaare strydigheid met de grondbeginzels en inrigting van alle Gemeenebesten.
Maar, werpt men ons tegen, hoe zal men eene bevolking in stand houden, die geduurig afneemt, en hoe zult gy Volkplantingen hebben, indien gy den slaven-handel op de kust van Africa laat varen?
Het getal der Neger-slaven neemt in eene verbazende meenigte af by de Planters, die weinig menschelykheid of gevoel bezitten; maar het vermeerdert langzamerhand by hun, die de noodige zorgen aanwenden tot behoud van hunne slaven, en om, zoo veel in hun is, de wet der slavernye te matigen. Mitsdien is het, onder het bestuur van eene wel geregelde vryheid, buiten allen twyffel, dat de volkrykheid schielyk zal vermeerderen, gelyk de ondervinding dit bewyst in alle Landen, alwaar de mensch gelukkig is, en wel geregeerd wordt.
In deeze vooronderstelling zal de veiligheid en goede regeerings-orde in de Volkplantingen grooter zyn; haar onderhoud zal minder kostbaar worden, uit hoofde van eene sterke vermindering, zoo al niet eene volkomene vernietiging van de kosten, op de uitöeffening der Politie en Justitie, het houden van krygsvolk, het straffen van misdadige, en het vervolgen van weggeloopene Negers, het onderhoud van gevangenissen, enz. vallende.
Na alzoo den slaven-handel te hebben afgeschaft, zal men de noodige beschikkingen maken tot handhaving van de goede orde in de Volkplantingen, tot derzelver veiligheid, en tot aanwas der bevolking. Voorzeker, wanneer men alle de Plantagiën in haare tegenwoordige werkzaamheden laat blyven, gelyk ook de regeling van goede orde, die op elk derzelven past, zal men niemand van de eigenaars iets doen verliezen.
Dan zal het noodig zyn, dat men zig ernstig bezig houde, om overal, op eene éénstemmige wyze, wel beredeneerde wetten te maken, die niets willekeurigs meer in zig bevatten, en waar by men de geregelde orde in den arbeid, en de behoorlyke tucht zal handhaven. Zonder de wet te willen stellen aan die Volkplantingen, alwaar de slavernye nog heerscht, is het geen herssenschimmig denkbeeld, dat wel zaamgestelde vergaderingen, uit den bloem der Colonisten verkozen, zelve die Reglementen van Politie, en die geschikte en éénstemmige wetten zouden voorstellen, die op alle Plantagiën passen zouden, en waar naar ieder verpligt zoude zyn zig te gedragen; en hier uit zoude de grootste voorspoed voor elk in 't byzonder, en voor de geheele Volkplanting in 't algemeen, voortvloeijen.
De Planters van Jamaica en Grenada hebben zedert lang het ontwerpen van Reglementen voor hunne Volkplantingen in den zin gehad. Een van hun laat zig in dit opzigt in deeze merkwaardige woorden uit. "Het staat in onze macht, om den welvaart van tweemaal honderd duizend menschen, wier arbeid ons het dagelyks middel van bestaan verschaft, te bevorderen; wy hebben het vermogen van, om zoo te spreken, eene nieuwe schepping te vormen. Welk edeler voorwerp kan immer onzen yver aanvuuren, en de natuurlyke neiging, die ons tot weldadigheid heen leidt, opwekken? Wanneer men de zaak uit het oogpunt van ons persoonlyk belang beschouwt, is het zeer zeker, dat hoe meerder menschelykheid iemand bezit, hoe beter staatkundige hy is: dus zullen wy door de neiging van ons hart te volgen, den welvaart van onze bezittingen, met der menschen goedkeuring, en des Hemels zegen zamen paaren.
De Planters van Grenada hebben in hunne Volksvergadering Reglementen van inwendige Politie, en wetten ten voordeele der slaven, vast gesteld, waar by zy, in hunne Acte van 4 November 1788. deeze verstandige inleiding laten voorafgaan.
"Overwegende, dat de noodzakelykheid van den invoer van Negers zal ophouden op het oogenblik, dat zy met menschlievenheid behandeld, en niet meer met onmatigen arbeid bezwaard zullen worden, en men dus op de wetten der natuur in de vereeniging der kunnen acht zal geven;
Gemerkt, dat de wetten, die tot hier toe tot handhaving der slaven zyn afgekondigd, onvoldoende bevonden zyn; en de menschelykheid, zoo wel als het belang der Volkplanting, vordert, dat men de slavernye zoo dragelyk make, als mogelyk is, om de volkrykheid der Negers te bevorderen, het eenig middel, om de noodzakelykheid hunner invoering van de Americaansche kusten door den tyd geheel te vernietigen;
En gelet, dat men zulk een heilzaam oogmerk niet kan bereiken, dan door aan de magt der meesters, en van de geenen, die met het opzicht over de slaven belast zyn, palen te stellen; het zy door hen te verpligten, om hun op eene gepaste wyze van huisvesting, voedzel en kleeding te voorzien, het zy door hun onderwys en goede zeden te beschikken, hen aan te zetten tot het aangaan van huwelyken, tevens deeze wettige verbintenissen eerbiedigende en beschermende: om alle deeze redenen", enz.
Zonder van stuk tot stuk de Reglementen op te geven, die het gevolg van deeze Acte zyn, noch ook alhier te ontvouwen, wat men van dien aart het best zoude kunnen doen, indien men, met reden en menschlievendheid, de hier boven uitgedrukte gevoelens ter uitvoer trachte te brengen, is het genoeg door deeze twee voorbeelden aan te toonen, dat de Planters zedert lang gevoeld hebben, dat hun eigen belang dergelyke wetten vorderde, dat deeze wetten noodig waren tot in stand houding en aanwas der bevolking, om den invoer der zwarten van de Africaansche kust te vernietigen, als mede tot groot voordeel der inwooners.
Het Reglement op het bestuur der Plantagie vast gesteld en in schrift gebragt zynde, zoude op de werkplaatsen gelezen en afgekondigd, en van tyd tot tyd vernieuwd worden: men zoude daar by voorziening doen omtrent het voedzel, de kleeding, en de woning der Negers: men zoude hun den eigendom van hunne tuinen, vogelaryen, en beesten-kwekeryen verzekeren: men zoude daar by melding maken van het bezorgen van oppassing aan de zieken, oude lieden en verzwakten; aan de zwangere vrouwen, aan de zoogsters en kinderen: dat de noodige voorzorgen gebruikt zouden worden tot handhaving der goede zeden, tot onderwys der jeugd, en de goede orde in de huisgezinnen, enz.
Te gelyker tyd zouden de uuren van arbeid daar by worden aangewezen, als mede het geregeld bestuur en onderwerping. De geringe misslagen zouden gestraft worden, na dat de beschuldigde in tegenwoordigheid der verstandigsten en oudsten van de Plantagie zoude zyn gehoord: de misdaden zouden aan de gewoone Rechters verwezen, en volgens de wet gestraft worden. Voor deugdryke en uitmuntende daden zouden belooningen plaats hebben.
Geene Plantagie zoude door deeze beschikkingen in wanorde geraken: integendeel zouden de Planters by deeze verbetering in het bestieren der zwarten onëindig veel winnen, uit hoofde van derzelver gehechtheid aan hunne meesters en hunne gewilligheid tot den arbeid.
Dit ontwerp tot stand gebragt zynde, zal men, van dien tyd af aan, de benaming van slaven en slavernye veranderen: het waare anders te vergeefs de zaak zelve te hervormen; zy zoude altyd een hatelyk voorkomen blyven behouden; zy zoude weder tot den vorigen stand vervallen, indien men een gehaten naam liet blyven. In de daad, in den redelyken en gematigden staat, aan de Planters voorgeschreven door verstandige Reglementen, geene willekeurige, geene wreede behandeling gedogende, zouden hunne verpligtingen, zoo wel als hunne rechten, door vaste wetten volkomen bekend, en zy geene eigentlyk gezegde slaven meer zyn.
'Er blyft dan niets meer overig, dan een enkelen stap te doen in den loopbaan der weldadigheid en goede bestiering, ten einde deeze gelukkige verandering te volmaken, de overgang namelyk van slavernye tot vryheid: gy zult my uwen aandacht nog een oogenblik niet weigeren.
Na dat men dus op eene wyze, die geen zweem van willekeurigheid meer overlaat, de werkzaamheden der arbeiders zal geregeld hebben, behoort men hun eene belooning toe te zeggen, om hen tot een goed gedrag en yverigen arbeid aan te moedigen; dit zoude moeten bestaan in een gedeelte van de inkomsten der Plantagie, in het begin een klein gedeelte, en alleenlyk een tiende van de zuivere voortbrengzels.
Het is meer dan waarschynlyk, dat deeze uiterlyke opöffering van een gedeelte der inkomsten, door den eigenaar aan zyne arbeiders overgelaten, ten minsten deeze inkomsten op dezelfde waarde zal houden; naardien het belang, het welk de zwarten zelve daar by hebben, hen zal aanzetten, om met den meesten yver te arbeiden, om met lust mede te werken tot bevordering van den welvaart der Plantagiën, en de inzameling der vruchten, tot het beletten der diefstallen, tyd verspillingen, en verscheidene misbruiken, welken de al te strenge bestiering der slaven doet vermeenigvuldigen.
Wie is 'er, hy moge nog zoo veel bezet zyn met vooröordeelen, welke thans nog eenige Colonisten, voorstanders der slavernye, verblinden, die gelooven kan, dat de Plantagiën in het byzonder, en de Volkplantingen in het algemeen, den trap van geluk, die aan haare volkrykheid geëvenredigd is, bereiken kunnen, zoo lang de arbeiders, by de vruchten van hunnen eigen arbeid, en de vermeerdering van den oogst, zelve belang hebbende, daar toe geenen yver aanwenden, die men onmogelyk verwagten kan van een zoort van beesten, die door zweepslagen geregeerd worden, en wier eenige hope bestaat in eenige uuren rust te genieten, en kastydingen te ontduiken.
Wanneer men door de ondervinding van één of twee jaren gezien zal hebben, dat de arbeiders zig onder dit nieuw ontwerp wel gedragen hebben; dat dit tiende gedeelte der vrugten, tot eene belooning aan de zwarten gegeven, de uitwerking gehad heeft, welke men 'er zig van had voorgesteld; dat deeze Plantagiën 'er niet door geleden hebben, maar veel eer door bevoordeeld zyn, zal men deeze belooning vermeerderen, en, in het volgende jaar, tot een negende gedeelte der zuivere vrugten brengen, ten einde als nog te beproeven, of, door deeze opoffering, de inkomsten op dezelfde waarde voor den eigenaar blyven zullen.
Ik twyffele ann den goeden uitslag niet, daar ik zelf in de gelegenheid geweest ben, om 'er eenige proeve van te nemen, en ik verzekere u, dat deeze belooning, of dit aandeel in de inkomsten, aan de arbeidende Negers toegestaan, van jaar tot jaar kan vermeerderd worden. Men zal het van tyd tot tyd tot een agtste, een zevende, een zesde, een vyfde, een vierde, en eindelyk tot een derde der zuivere inkomsten brengen, zonder dat daar door de eigenaar zelf eenige vermindering ondervindt. Dit derde der inkomsten, door den Planter aan de arbeiders afgestaan, zal zyne eigene inkomsten nog des te meer verzekeren; en de uitvoer van koopwaren uit de Volkplanting zal vermeerderd worden met dit derde, het welk mede onder de voorwerpen van den koophandel komen zal. De invoer van koopwaren zal in gelyke evenredigheid vermeerderen door de verteeringen, welken de Negers, thans eene zekere zoort van levens-gemak genietende, maken zullen; en deeze menschen, tot hier toe toe zoo mishandeld, zullen allengskens hun geluk beginnen te zien, en hunne meesters beminnen.
Ik begryp, dat de trapswyze voortgang in dit ontwerp, dien men noodzakelyk behoort te volgen, een tydvak ten minsten van negen jaaren noodig heeft. In het tiende jaar (of zoo dra deeze ondervinding zal gevestigd zyn, en de goede uitwerkzels van deeze huishouding zullen zyn gebleeken,) zal men deeze schikking tot eene vaste wet maken, die de rechten der eigenaars en arbeiders met billykheid zal regelen; tot eene wet der Volkplanting, waar in niet meer gesproken zal worden van slavernye, maar van een wederkeerig verdrag tusschen de arbeiders en de eigenaars van den grond.
Het is gemakkelyk te bezeffen, dat door deeze maatregelen, welken ik hier in het ruwe schetse, langzamerhand in werking te brengen, geen groote eigendom in wanorde geraken zal; maar dat de volkrykheid der Negers onder een menschlievender bestuur zal aanwassen. Deeze gelukkige verandering zal bewerkt worden, zonder eenigen schok of beweging te veroorzaken. Deeze arbeiders zullen zig, langzamerhand, en als ongevoelig, aan eene zekere gemakkelykheid en aan eene betere levens-manier gewennen, die hun goed gedrag, hunne werkzaamheid en vlyt ten grondslag hebben zal. 'Er zal in hunne denkbeelden geene overylde omwenteling plaats hebben, waar door men eenig kwaad gevolg te vreezen heeft, dewyl de eerste aanbiedingen slegts voorwaardelyke gunstbewyzen zyn zullen, welken de meesters altyd zullen kunnen intrekken, in geval de Negers zig dezelven onwaardig maken mogten.
Huisgezinnen, die zig toeleggen om hunne inkomsten een weinig te besparen, ten einde kleine afzonderlyke eigendommen te verkrygen, zullen gelegenheid vinden, om het bezit daar van te bekomen: zy zullen daar door een bewys van hunne bekwaamheid ten toon gespreid, en een waarborg voor hun toekomend goed gedrag gegeven hebben. Deeze verhuizingen van zommige huisgezinnen der arbeiders, die van tyd tot tyd groote Plantagiën verlaten zullen om kleine op te rigten, zullen op de eerstgemelden door den ontwyffelbaaren aanwas hunner volkrykheid rykelyk vervuld worden.
Naar mate de Colonisten tot deeze oogmerken van menschlievendheid en goede orde de hand zullen leenen, door voor het uiterlyke de edelste opöffering te doen, zullen zy hun eigen voordeel behartigen; men zal de Volkplantingen en den koophandel meerder zien bloeijen: men zal aldaar meerder gerustheid, meerder veiligheid, een aanhoudende aanwas der bevolking ondervinden, zonder eenig middel van geweld, of het welk met goede grondbeginzelen strydig is, te bezigen. Om hier van overtuigd te zyn, behoeft men zig slechts deeze alöm bekende waarheid voor oogen te stellen, dat de bevolking overal zigtbaar aanwast, waar voorspoed en middelen van bestaan gevonden worden.
Deeze regelmaat, op reden, rechtvaardigheid en goede Staatkunde gegrondvest, is in de Fransche Volkplantingen, die deeze omwending ondergaan hebben, niet gevolgd geworden. Alles is by deeze volken aan het gisten en in wanorde geraakt. Geene der partyen, van welke classe ook, wilde opregtelyk de vryheid, noch den algemeenen voorspoed; geene derzelven wierd door oprechte oogmerken gedreeven, maar allen wierden zy aangezet door haat, door het een of ander denkbeeld van haatlyke beschuldiging, en voor al door een lust tot plundering, die door wanorde zoo wonderbaarlyk geholpen word. De Regeering, die opzettelyk de Volkplantingen kwalyk bestierde, om 'er de omwenteling te doen vervloeken, en het Koningschap te doen beminnen, heeft de wanorde vermeerderd door een zoort van lieden, welken zy met haar gezag bekleed heeft. De Nationale Conventie, die over 't algemeen de zaken der Volkplantingen met een onverschillig oog beschouwde, heeft zig door die partye, welke de vryheid naar het hart stak, door tegenstrydige besluiten, die met de grondbeginzels niet strookten, laten wegslepen.
Vervolgens is het stelzel van ROBESPIERRE gekomen, welke zeide: Laaten de Volkplantingen verloren gaan, liever dan dat men een oogenblik de grondbeginzels zoude doen wankelen. Men heeft de vryheid in de Volkplantingen verspreid, niet als een weldaad, maar als een middel van oorlog en verdediging tegen de bestryders der omwenteling, en de vyanden van het Gemeenebest. De regeeringloosheid en ongebondenheid hebben 'er zig meester van gemaakt, en men heeft 'er alle misdaden en driften toomloos zien woeden; deerniswaardige gesteldheid, waar in de slechtste menschen de teugels van 't gezag in handen krygen, en de brave en vreedzame lieden vermoord of verjaagd worden. De wanorde is ten hoogsten top gestegen, vooral in verscheiden gedeelten van St. Domingo, tot dat een wyzer bestuur, zig op de grondslagen van deeze vryheid vestigende, maar dezelve volgens de wetten en de Constitutie regelende, eindelyk deeze schoone bezittingen weder in orde gebragt heeft.
In onze arme Volkplanting van Caijenne is de oprigting der vryheid niet vergezeld geweest van eenige afschuwelykheid, in vergelyking van die van St. Domingo; maar de landbouw heeft 'er veel geleden: laten wy de oorzaken en de omstandigheden in overweging nemen, en wy zullen zien, dat men den gepasten weg niet betreden heeft, dien ik hier boven aan de Volkplantingen heb aangeraden, die de noodzaakelyk gewordene verandering van slavernye in vryheid nog niet ondergaan hebben.
Men heeft de vryheid der Negers, te Caijenne, zonder voorzorg en zonder bepaaling afgekondigd. Deeze schielyke en onverwagte overgang van onderdrukking tot toomloosheid is minder verderffelyk geweest, dan zy natuurlyk zyn moest, niet alleen, om dat deeze bevolking zeer klein en verstrooid is, maar ook om dat, zedert verscheiden jaaren, een menschlievend bestuur, het welk alle de onheilen der slavernye gevoelde, den weg tot deeze verandering gebaand had, door de wreedheden en het onredelyk gedrag der meesters in te toomen, en door aan de Negers jegens de blanken goedhartigheid en vertrouwen in te boezemen, door het wegloopen en zwerven uit te roeijen, en door de Negers te gewennen, om van hunnen arbeid een zeker voordeel te trekken, en zig zelven als menschen te beschouwen. De onderdrukking aldaar minder zynde, is de gisting ook minder geweest, op het oogenbik dat de oude orde van zaken vernietigd wierd: maar het was onmogelyk, dat menschen, verpligt voor anderen te werken, zonder eenig nut voor hun zelven, eensklaps vry en meesters van hunne daden zyn zouden, bekwaam om van gezagvoerende posten voorzien te worden, even als de geenen, die te vooren hunne meesters waren, en voor wien men hun tot hier toe eenen Godsdienstigen eerbied had ingeboezemd; het was onmogelyk, zeg ik, dat zy zig met aan eene onbezonnen vreugde zouden overgeven, en dat de Plantagiën, en dezelver bebouwing, niet in zekeren zin verlaten zouden worden, zoodanig zelfs, dat hunne zorgeloosheid hen noodwendig in gevaar moest brengen, om van honger te vergaan.
Toen men vervolgens deeze zwarigheid wilde afwenden, en deeze menschen door gezag tot den arbeid en landbouw te rug brengen, heeft men insgelyks verkeerde maatregelen genomen; men heeft de arbeiders willekeuriglyk op geheel andere Plantagiën geplaatst, dan op welken zy gewoon waren; men heeft het herstel van de eene begunstigd, en de andere laten verloren gaan, volgens den willekeur der bestuurders; men heeft de Negers op een daggeld van drie en vier stuivers gesteld, eene belooning, die geheel onvoldoende en bespottelyk was, die deeze menschen niet kon aanzetten, om met yver te arbeiden, en die tevens, hoe klein zy ook wezen mogt, voor de eigenaars tot een' grooten last was, daar zy dikwils van het werk der arbeiders zoo veel niet trokken, als noodig was, om die onkosten op te diepen.
Te gelyker tyd heeft men een zeer overbodig aantal van deeze arbeiders gewapend, naar mate van de uitgestrektheid der Volkplanting, die nimmer is aangevallen geworden. Men heeft uitgestrekte landstreeken, maar in welken byna geene andere bewooners, dan Aapen en Papegaaijen zyn, in orde geregeld: men heeft aldaar een geheelen stoet van bedieningen en posten ingevoerd, zoo als die in de meest bevolkte Fransche Gewesten gebruikelyk zyn: men heeft rangen, geld, ampten en gezag verleend aan menschen, die nog lezen nog schryven konden, en welken men tegen alle reden aan den landbouw onttrokken heeft.
Hoe zoude, in zulke omstandigheden, eene zoo weinig gevorderde Volkplanting niet verminderd en verslimmerd zyn? Maar zoo dra een verstandig Regeerings-bestuur aldaar een goed Reglement, betreffende de bebouwing der Plantagiën, zal hebben vast gesteld, op de grondbeginzels der Staats-regeling gebouwd, en op de vryheid steunende, volgens welken de arbeidende Negers een behoorlyk aandeel trekken van de inkomsten, die hunne arbeid aanbrengt, zullen de Plantagiën haaren aanwas spoedig hernemen.
Thans schiet nog overig eene zwarigheid op te lossen, die men tegenwerpt, betrekkelyk de groote uitschotten, die 'er noodig zyn, om de bebouwing der lage landen vol te houden: maar is 'er overal niet veel noodig, om nieuwe Plantagiën aan te leggen? en zyn de kosten, die men maken moet, met één, of twee jaaren, of zelfs iets langer, de arbeiders en bewerkers van den grond te betaalen, zonder voordeelen te trekken, in vergelyking te stellen met de kosten, die het aankoopen van Negers, en de sterfte onder dezelven, noodwendig moesten veröorzaken?
De zaak koomt my zoo klaar voor, dat ik, om dezelve duidelyker te bewyzen, niet oordeele noodig te hebben eene vergelykings-rekening tusschen den koop-prys der Negers, en de dag-gelden, die men eenigen tyd verpligt is te betalen, om het land tot het voortbrengen van gewassen, en het geven van eenen goeden oogst, toe te bereiden. Het is genoeg te hebben aangemerkt, dat men voor den prys, dien men voorheen tot verkryging van den eigendom van één mensch betaalde, een vry persoon drie jaaren lang kan huuren, zonder te rekenen het gevaar van sterfte, het wegloopen, den verloren tyd, de ziekten, het onderhoud van vrouwen, kinderen, oude lieden, en gebrekkelyken, enz. enz.
Ik eindige eenen brief, die reeds vry lang geworden is, maar die door de schoonheid van het onderwerp, en myne wenschen tot bevordering van uw geluk breeder is uitgeloopen: laat ik den inhoud zakelyk by één trekken.
De slavernye is eene verkeerde en onrechtvaardige inrichting, die allen nayver en vlyt uitdooft. De Volkplantingen kunnen zeer wel zonder slaven bebouwd worden. Wy hebben het voorbeeld van veele landstreeken der Indianen en anderen, op dezelfde breedte, als wy, woonende, alwaar vrye volken aan den landbouw arbeiden, en alle zoorten van werk, waar toe vlyt verëischt wordt, bloeijen. Het is derhalven te wenschen, dat men die Volkplantingen, welke nog onder het juk der slavernye zuchten, tot den gelukkigen staat der vryheid te rug brenge; maar het is staatkundig, het is menschlievend, om deeze verandering trapsgewyze en met omzichtigheid te bewerken. Men moet aan deeze omwenteling verscheiden jaaren besteeden; het is noodig, dat de beschikkingen der Planters en eigenaars overéénstemmen, en zamenwerken met de daaden van het hoog gezag van hun moederland; en dat zy beiden, door de voorbeelden van tweedragt en wanorde, die op andere plaatsen zoo veele onheilen berokkend hebben, voorgelicht, hun goed oogmerk door redelyke en vreedzaame middelen bereiken, in plaats van een stelzel van onderdrukking en onrechtvaardigheid, het welk nooit lang duuren kan, met overyling, en verbaazende verscheuringen, om verre te werpen.
Niemand neemt meer belang, dan ik, in uwen voorspoed, en die van uwe mede Colonisten in 't algemeen, van welken ik zoo veele blyken van vriendschap en achting ontfangen heb.
Het is met deeze gevoelens, dat ik u opregtelyk groete.
AANMERKINGEN.
De bovenstaande brieven, betrekkelyk de bebouwing der lage landen in Surinamen, en andere Hollandsche Volkplantingen van Guiana, met toepassing op het Fransche gedeelte van dit Land, alwaar men zelfs aan de oevers der Rivier Aprouago, en in andere streeken, eenige gelukkige proeven van dien aart gedaan heeft, zyn gedeeltelyk het werk van een uitmuntend inwooner van Demerary, nu wylen den Heer B. VAN DEN SANTHEUVEL, en aangevuld uit het geen ik, zoo in Fransch als in Hollandsch Guiana, zelf gezien heb. Ik heb in dit opstel ook ingevlochten een groot gedeelte van verscheidene oordeelkundige aanmerkingen van den heer GUISAN, die door den Intendant MALOUET uit Surinamen ontboden, en geduurende een aantal jaaren, in Fransch Guiana, als Landbouw-kundige (Ingenieur agraire,) is gebruikt geworden. Ik heb ook gebruik gemaakt van verscheidene uitmuntende byzonderheden, vervat in eene Memorie, welke ik vermeene te zyn opgesteld door den Burger COUTURIER, inwooner van Cayenne; en die insgelyks tot den evengemelden post, onder GUISAN, gebruikt is.
Ik hope, dat de denkbeelden, begrepen in den vierden brief, tot oplossing der tegenwerpingen, en wegneming van de beduchtheid der Bataafsche en andere Planters, tegen de afschaffing der slaverneye, die echter noodzakelyk geworden is, voor het menschdom van nut zullen kunnen zyn, en dat men, door deeze of andere gelykzoortige, en op dezelfde grondbeginzels meerder uitgewerkte, doelëinden in het oog te houden, eindelyk (in de Volkplantingen van onze Bondgenooten, en zelfs in de onze, alwaar, uit hoofde van den oorlog, de Staats-regeling nog niet is ingevoerd,) een bestuur, op reden gevestigd, moge daar stellen, het welk met de gesteldheid van ons Land niet strydig is, en het ongeluk van deeze nuttige bezittingen kan voorkomen. Ik kan niet nalaten een ernstig belang te stellen in het lot van verscheiden Volkplantingen, alwaar ik de eer gehad heb den post van Gouverneur te bekleeden; een belang, het welk des te grooter wordt, om dat het de liefde tot het menschdom en myn Vaderland ten grondslag heeft.
TWEEDE AANHANGZEL, BEHELZENDE EENE BESCHRYVING DER VOLKPLANTING VAN CAYENNE.
BESCHRYVING DER VOLKPLANTING VAN CAYENNE.
EERSTE HOOFTSTUK.
Aardrykskundige Beschryving van Fransch
Guiana.
De Franschen zyn langen tyd alleen bezitters en meesters van geheel Guiana [82] geweest, van de Orenoco af tot aan de Rivier der Amazonen; maar de gesteldheid der zaken in Europa, en de onderscheidene oorlogen, waar in Frankryk is ingewikkeld geworden, hebben hen genoodzaakt, om een gedeelte van dit uitgestrekte vaste Land aan de Hollanders en Portugeesen af te staan. Het gedeelte, het welk zy behouden hebben, heeft derhalven thans tot zyne grenspalen, aan de westzyde, de Rivier Marony, en aan den oostkant strekt het zig uit, volgens het Verdrag van Utrecht, tot aan de Rivier Yapoc, of die van VINCENT PINÇON, gelegen dicht by de Noord-Kaap, en welke men verkeerdelyk heeft verward met de groote Rivier Oyapoc, wier geheele loop aan Frankryk toebehoort, en waar in VINCENT PINÇON nimmer geweest is, zynde derzelver mond meer dan vyftig mylen van gemelde Noord-Kaap af gelegen.
Deeze gelykheid, of liever deeze mistasting in den naam, heeft een verschil met Portugal veroorzaakt. Het Verdrag van Utrecht, wel is waar, noemt eenmaal de Rivier Yapoc, of die van VINCENT PINÇON; maar eene andere keer bedient het zelve zig van de laatstgemelde benaming. Noch de eene, noch de andere van deeze benamingen, is die van de Rivier, waar van in dit Verdrag gesproken wordt. 'Er is tusschen de Landen aan de Noord-Kaap en het vaste Land, een arm van de Zee, die een zoort van Baay vertoont. Men beweert, dat zeker Reiziger, genaamd VINCENT PINÇON, die CHRISTOPHORUS COLOMBUS op zyne laatste reize vergezeld had, in 't jaar 1500, in deeze Baay aankwam, waarom zommige Schryvers den naam van deezen Reiziger aan dezelve gegeven hebben, een naam ondertusschen, die in het Land niet bekend is.
By dit zelfde Verdrag van Utrecht, staat Frankryk aan Portugal de uitsluitende vaart af op de Rivier der Amazonen, en het bezit van derzelver beide oevers, zoo noordelyken, als zuidelyken, gelyk mede die van den omtrek der Noord-Kaap, uit verdronken landen bestaande, ten noorden van den mond deezer groote Rivier gelegen, en zig tot den tweeden graad noorder breedte uitstrekkende; maar by het Verdrag is in geenen deele bepaald, op welken afstand van den noordelyken oever van deeze zelfde Rivier de Portugeesen recht zouden hebben zig het bezit aan te matigen.
De Fransche Regeering alle onzekerheid ten deezen opzigte willende wegnemen, had aan de Bestuurders van Guiana gelast eene kaart te doen maken, waar op deeze binnenlandsche grensscheidingen bepaald zouden zyn, latende aan Portugal het vrye bezit der Landen langs den oever van de Rivier der Amazonen, op gelyken afstand, namelyk vyftien mylen van den oever, als wy aan den kant van den mond der Rivier, of van den oever der Zee, 'er van waren afgelegen. De Ingenieurs, met dit werk belast, waren echter niet verpligt deeze voorgeschrevene rigting te volgen, wanneer de ligging der plaatsen merkwaardiger punten, en meer natuurlyke grensscheidingen vorderden.
Dit werk is nimmer uitgevoerd. Eerst in het jaar 1781. plaatste de Fransche Regeering, om de grensscheiding te verzekeren, eenen wachtpost by de Baay van VINCENT PINÇON, in eene landstreek, die volstrekt woest was, en zonder dat eenig Europeaan, van de eene af andere zyde, zig aldaar had nedergezet. Die post is zonder tegenkanting aldaar gebleven. Eene zending, genaamd die van Macary, welke zig in de nabuurschap bevond, benevens zeker Indiaansch volk, meer dan drie honderd persoonen uitmakende, behoorde ontwyffelbaar aan het Fransche grondgebied; maar in 't jaar 1791. kreeg de Gouverneur van Para in den zin, om eenige vorderingen optewerpen, en deed zelfs strooperyen, met oogmerk, om het Portugeesch grondgebied tot aan de Rivier Oyapoc uit te breiden.
Op de hoogte van twaalf mylen ten noord westen van den mond van de Rivier der Amazonen, en op omtrent twee graden noorder-breedte, vindt men de Noord-Kaap, vervolgens het Eiland van de Noord-Kaap, en binnen het zelve de Rivier Carapa-Pouri, uitloopende in den inham der Zee, welken men de Baay van VINCENT PINÇON noemt. Tusschen Terra-Firma en de Noord-Kaap, is een van tien mylen, vol lage en verdronkene Eilanden, van verschillende grootte, het ééne na by het andere gelegen, die weinig bekend, en geheel en al onbewoond zyn. De schepen behooren 'er byna drie mylen van af te blyven; de zee is aldaar gevaarlyk, vooral in de groote vloeden by volle en nieuwe maan. Men verzekert, dat aldaar zee-golven zyn van twintig voeten hoogte, en dat 'er drie van die zelfde kragt op elkander volgen, tegen welker geweld de schepen niet bestand zouden zyn; zy zouden dezelven op zand- en slyk-banken werpen, die zig, naar de breedte van deeze Eilanden, meer dan een groote myl ver uitstrekken; maar de schepen en sloepen, die de Rivier der Amazonen uitloopen, om zig naar Cayenne te begeven, kunnen zig daar voor myden, dewyl deeze banken, weinig water naar zig trekkende, niet verhinderen dicht by het Land te komen, en in kleine Kreeken of Baaijen de wyk te nemen, alwaar zy voor deeze verbaazende zee-branding beveiligd zyn. De Portugeesen van Macapa en de Indianen noemen dit gety Bororoca, de Franschen van Cayenne geven 'er den naam aan van la Barre, of le Mascaret. De beroemde CONDAMINE, zig in eene groote sloep bevindende, onder het geleide van eenige Indiaansche Portugeesen, na de Noord-Kaap te zyn voorby gezeild, verviel, in 't jaar 1714, op één van deeze banken aan den kant van de kust. De zee liep by laag water zeer verre af, en liet de sloep op een zeer harden slyk grond vast zitten. Dewyl het de dag van het laatste kwartier was, en zeer kleine vloeden plaats hadden, bleef de sloep eene geheele week op het drooge zitten; maar by de volgende maan, maakte het begin van deeze zoo geduchte branding de sloep weder vlot. Dit ging echter met gevaar vergezeld, want de golven namen het vaartuig op, en bragten het met eene vervaarlyke gezwindheid in het slyk in beweging.
Zie hier, wat deeze zelfde geleerde ten dien opzigte verhaalt.—Tusschen Macapa en de Noord-Kaap, op de plaats, alwaar het groote Kanaal van de Rivier der Amazonen door de Eilanden als gesloten is, en voor al tegen over den grooten mond van de Rivier Arouary, die aan de noord zyde in de Amazone uitloopt, levert de vloed der zee een zonderling verschynzel op. Geduurende de drie dagen, die het naast aan de volle en nieuwe maan zyn, en zynde den tyd der hoogste vloeden, verkrygt de zee, in plaats van tot haare reizing zes uuren te besteeden, in één of twee minuten derzelver grootste hoogte. Men begrypt ligtelyk, dat dit niet met stilte gebeurt. Op eenen afstand van één of twee mylen hoort men een vervaarlyk geraas, het welk de pororoca aankondigt. Naar mate deeze verschrikkelyke vloed nadert, vermeerdert het geraas, en weldra ziet men een berg van water, van twaalf of vyftien voeten hoogte, daar op een tweeden, vervolgens een derden, en zomtyds een vierden, die elkander ylings volgen, en byna de geheele breedte van het Kanaal beslaan. Deeze golven naderen met eene onbegrypelyke schielykheid, en deiningen, en loopen over alles heen, zonder iets te wederstaan. Op zommige plaatsen ziet men groote streeken lands, door de pororoca weggespoeld, zeer dikke boomen worden 'er door uit den grond gerukt; zy veroorzaakt verwoestingen van allerleijen aart. De oever der zee, waar over zy heen gaat, is zoo schoon, als of dezelve met een bezem zindelyk was aangeveegd. De booten, de praauwen, de schepen zelfs hebben geen ander middel, om zig tegen de woede van deeze branding te beveiligen, dan door op een plaats te ankeren, alwaar veel slykgrond is. DE LA CONDAMINE, na op verschillende plaatsen de oorzaken van dit verschynsel onderzogt te hebben, ontvouwt het zelve in deezer voegen, dat hy het niet heeft zien gebeuren, dan wanneer het wassend water, in een naauw kanaal inloopende, een zand-bank of hoogen grond, die aan het zelve in den weg was, ontmoette; dat aldaar, en ook nergens anders, de geweldige en onregelmatige beweging der wateren begon, en een weinig boven de bank ophield, wanneer het kanaal diep wierd, en zig merkelyk uitbreide.
Na de Rivier Carapa-Pouri, vindt men aan de noordzyde de Rivieren Mayacare, Carfuene en Conani, vervolgens de Kaap en Rivier Cassipour, en eindelyk Kaap Orange, op vier graden agt of tien minuten noorder breedte.
De kusten van Terra-Firma, van de Eilanden van de Noord-Kaap tot aan Kaap Cassipour, zyn laag, allen met boomen bewassen, zonder eenig byzonder teeken, waar aan zy te onderkennen zyn, dan den kleinen berg Mayés, gelegen op drie graden, vyftien minuten breedte. Deeze berg is een zoort van terras, op zig zelf staande, en met boomen bewassen. Wanneer men naar Cayenne wil gaan, is het dienstig daar op te letten, om zyne reize zeker te nemen, en zig onder den wind van dit Eiland behoorlyk te houden. Men kan den berg Mayés niet verder zien, dan vyf of zes mylen, en zulks dan nog by helder weder. Maar langs de geheele kust bevindt men het by de peiling vry diep, en men kan dezelve tot op drie of vier mylen, zonder de minste vreeze naderen. Men vindt op deezen afstand agt, negen en tien vademen water; op tien mylen, twaalf, vyftien en twintig vademen; op vyftien en twintig mylen, vyf- en twintig of dertig vademen, met een slyk- en fyne zand-grond van verschillende kleuren. Verscheiden zeelieden loopen meer zuidelyk, en peilen op twintig of dertig mylen ten noord-oosten van de Noord-Kaap. Men vindt op deeze plaats veertig en vyftig vademen; vervolgens zeilt men langs de kust van Mayés, op een afstand van drie en vier mylen, de diepten wel in het oog houdende, om niet te digt aan de wal te naderen.
Tot meerder zekerheid is het dienstig, wanneer men in het gezicht van deeze kust vaart, alle avonden voor anker te gaan liggen, om niet door de stroomen naar de kust gedreven te worden, en op ondiepten te vervallen, die zig tot twee mylen verre in zee uitstrekken, en op welken zeer weinig water is. Deeze stroomen loopen naar het noord, noord-westen, tot dat men Kaap Orange voor by is, als dan wenden zy zig naar het west-noord-westen.
De water-getyen op de kust van Mayés geduuren zes uuren. De vloed loopt naar het west-noord-westen omtrent twee mylen in een uur, en de ebbe naar het noord-oosten omtrent ééne myl in het zelfde tydvak. De zee wast van twaalf tot vyftien voeten. Men moet echter in acht nemen, dat deeze richting der stroomen en der getyen niet altyd even eens is.
De water-getyen zyn in deeze streeken zomtyds uittermaten geweldig. Het advis-jagt de Anemone bevond zig, in 't jaar 1755, in zoodanig geval, dat de golven by tusschenpoozingen vervaarlyke dwarlwinden veroorzaakten; de zee wierd 'er eensklaps door opgezet, en toen was het niet mogelyk het schip te stuuren. Het schip bovendien tusschen twee zeer sterke zee-golven geraakt zynde, waren alle de masten in gevaar van ter neder te storten, uit hoofde van de verbazende schokken. Het is opmerkelyk, dat men dit zoort van vloeden alleenlyk aantreft, wanneer men te digt aan de Rivier der Amazonen nadert, en dat, wanneer men meer noordelyk te land koomt, men daar aan minder is bloot gesteld.
Van den berg Mayés tot aan Kaap Cassipour, rekent men van agttien tot negentien mylen ten noord-noord-westen, eenige noordelyke graden.
Kaap Cassipour is gelegen op 4 graden 12 minuten noorder breedte, en op 53 graden 35 minuten ten westen van den midden-lyn van Parys. Digt by deeze Kaap is een bank van slyk, die zig vyf of zes mylen ver in zee uitstrekt, waar op men niet meer dan vier of vyf vademen water by eene lage zee ontmoet. Haare uitgestrektheid, in de dwarste van het noorden naar het zuid-oosten gerekend, is omtrent vier mylen.
Wanneer men aan Kaap Orange nadert, ontdekt men verscheiden bergen boven den uithoek, die aan den ingang der Rivier Oyapoc gelegen is. Deeze Kaap is nog beter kenbaar door eenen uithoek aan den zee-kant, en die veel hooger is, dan het Land aan de zuid-oost zyde. Zy is al mede kenbaar door verscheide uithoeken van zeer hooge bergen, die de een van den ander schynen te zyn afgescheiden, en des te merkwaardiger zyn, om dat ze de eerste hooge landen uitmaken, die men ontdekt, als men van de Noord-Kaap koomt.
De Rivier Oyapoc, welke men met die van VINCENT PINÇON niet verwarren moet, zoo als ik reeds heb opgemerkt, is ééne der merkwaardigste in dit Land. Zy is van de Rivier Aprouago omtrent twaalf mylen ten zuid-oosten af gelegen. Derzelver mond is in het midden van een zoort van Baay, die vier mylen breed is, en waar in zig twee andere Rivieren ontlasten, de ééne genaamd Couripi, aan de oost-zyde, en de andere Ouanari, aan de west-zyde. De mond der Rivier Oyapoc is twee mylen breed. Een myl binnenwaarts, is een laag Eiland, het Hinden-Eiland genaamd, en waar over het water by hooge getyen heen stroomt. Wanneer men de Rivier vyf of zes mylen ver is opgevaren, ontmoet men eene diepte, die eene schoone haven oplevert, alwaar men op vier, vyf en zes vademen water ankert, zoo naby het land, als men zelf goedvindt. In 't jaar 1726, bouwde men ter deezer plaats een nieuw Fort en een Dorp. Verscheiden Indiaansche volken kwamen zig in den omtrek nederzetten; en in 't jaar 1735, vestigde men, op den afstand van eenige mylen van het Fort, de Zending van St. Paulus.
Van het Hinden-Eiland tot drie mylen hooger op, zyn verscheiden andere kleine Eilanden, maar die aan de scheepvaart geen hinder toebrengen. Vervolgens wordt de Rivier veel naauwer, en heeft niet meer dan zeven of agt voeten diepte. Vier mylen van het Fort aan de zelfde zyde, vindt men de Kreek, of liever de Rivier Gabaret. Van deeze Kreek tot aan de eerste waterval van de Oyapoc, is een afstand van vyf of zes mylen. Booten van eene middelmatige grootte kunnen 'er naauwlyks voorby komen. Drie mylen verder is eene tweede waterval, die nog veel moeijelyker is. De derde waterval van de Oyapoc is twee en een halve myl van de tweede af gelegen. Aan de rechte zyde van deeze laatste waterval, ontmoet men den mond der Rivier Aramontabo, die meer dan twintig mylen van daar haar begin neemt.
De Rivier Camopy werpt zig in de Oyapoc, op den afstand van twaalf mylen van de Aramontabo, en aan den zelfden kant. Zy koomt van het westen, en ontspringt in uitgestrekte bosschen, die ontoeganglyk zyn; men is 'er echter zeer diep in doorgedrongen, en men verzekert, dat zy loopt tot op eenen kleinen afstand van eene Rivier, waar van zy alleenlyk is afgescheiden door eene Kreek van omtrent drie mylen, welke verscheide reizigers zeggen, dat in de Amazone uitloopt, zoo dat door dit middel de gemeenschap tusschen deeze Rivier en de Fransche Volkplantingen van Guiana vry gemakkelyk zyn zoude.
De Oyapoc is in haaren geheelen loop, tusschen de Rivieren Aramontabo en Camopy, vol watervallen, die zeer digt by elkander zyn: zeker reiziger heeft 'er negen geteld. Men is deeze Rivier opgevaren tot by de honderd mylen boven de laatstgemelde deezer Rivieren. In dezelve loopen een groot aantal Kreeken uit, en men heeft 'er veele watervallen ontmoet. De Pyrious en Ouayes, zeer talryke Indiaansche volken, woonen aan het boveneinde deezer Rivier.
De Rivier Couripi ligt ten oosten van de Oyapoc, en is 'er, aan haaren mond, alleenlyk van afgescheiden door een uithoek van laag en verdronken land, aan de noordzyde bestaande uit eene overstroomde zand- en slyk-bank van een myl lengte, waar voor men zig wagten moet, wanneer men de Rivier wil inloopen. In deeze Rivier, zes mylen van derzelver mond, ontlast zig de Rivier Ouassa, die van den zuid-oost kant koomt.
Beneden de eerstgemelde zyn de Kreeken Taparibo, Ciparini, en eenige andere, die van weinig uitgestrektheid zyn.
Vyftien mylen meer westwaarts dan de Oyapoc, ontmoet men de Rivier Aprouago, die, tot dertien voeten water diep zynde, voor allerleije schepen bevaarbaar is. Ten oosten ontlasten zig in dezelve de Kreek Koura en de Rivier Couroudi; ten westen de Kreeken Arataye, Jpourin en Ineri. Aan deeze zyde hebben zig verscheiden Indiaansche volken nedergeslagen. Tusschen de Baay van Oyapoc en de Rivier Aprouago, vindt men de Kreek Ouanari, en de Zilverberg.
Voorby de Rivier Kaw zyn twee Eilandjes, die den naam van de groote en kleine Konstapel dragen. De eerste ligt agttien mylen west-noordwest-waarts van de gemelde Kaap, en is een zeer hooge en zeer gezonde rots. De tweede is een veel kleiner Klip, gelegen ten oost-noord-oosten, en ten west-zuid-westen van de groote, op den afstand van twee derde van een myl. Men vaart tusschen beiden door, op agt en negen vademen water, latende de grootte op den afstand van twee snaphaan-schoten, en de kleine aan bakboord-zyde liggen.
Van den grooten Konstapel zet men zyne koers naar het noord-westen ten westen, om in volle zee de Remire-Eilanden, die 'er omtrent zes mylen van af liggen, voor by te zeilen. De Eilandjes van deezen naam zyn één myl, en ten hoogften anderhalve myl van de kust van Cayenne afgelegen. Hun getal is vyf, te weten de Malingre, of het Kind, de Vader, de Moeder en de twee Dogters, die zommigen de twee Borsten noemen. Deeze twee Eilandjes, die zeer klein zyn, bestaan in twee drooge en dorre Klippen, zeer digt by elkander gelegen. Zy liggen een vierde van een myl ten oost-zuid-oosten van het groote Eilandje, het welk men de Moeder noemt. De Vader is veel grooter. Het zelve ligt ten oost-noord-oosten van den Berg Joly, op den afstand van één en een vierde myl: ten oost-zuid-oosten, en ten west-noord-westen, kan het een agtste van een myl haalen. De Malingre is van weinig uitgestrektheid, en ten oost-noord-oosten één myl van den Berg Romontabo, en één en een derde myl van het Eiland, de Vader genaamd, af gelegen.
Men ontmoet vervolgens een ander Eilandje, genaamd de Verloren Zoon, gelegen noord oostwaarts ten westen van het Eiland Malingre, op eenen afstand van drie mylen, en van twee en een halve myl noord-waarts ten noord-westen van Cayenne.
Wanneer men te Cayenne wil binnen loopen, ankert men by het Eilandje Malingre; men wagt aldaar de gunftigste getyen en het hoog water af, om de banken, of hooge slykgronden, waar mede de ingang van Cayenne vervuld is, te kunnen overkomen. 'Er zyn zelfs eenige klippen in de haven, welken men in acht moet nemen. Deeze haven is gelegen ten westen van de Stad, en aan den mond der Rivier. Zy is alleenlyk bevaarbaar voor schepen, die ten hoogsten dertien voeten water diep gaan. Jaarlyks loopen 'er twintig binnen, die uit Frankryk komen, en een gelyk getal kleine vaartuigen van de Antillische Eilanden, of de Verëenigde Staaten van America. Hier toe bepaalt zig de geheele handel der Volkplanting, die zig ook niet verder dan de hoofdplaats uitstrekt.
De Stad en het Fort van Cayenne zyn gelegen aan den noordelyken uithoek van het Eiland, op 4 graden 57 minuten breedte, en 54 graden 37 minuten lengte, ten westen van den Parysscken middenlyn. Het Eiland is omgeven, ten westen door de Rivier van den zelfden naam, ten oosten door de Rivier Mahury, ten zuiden door een arm der Rivier, die de beide Rivieren zamenvoegt, en ten noorden door de zee. Dit Eiland heeft vier of mylen lengte van het noorden naar het zuiden, of naar de Binnen-landen. De kust van het Eiland Cayenne is aan den zee-kant nergens, nog laag, nog door het water overstroomd, maar bestaat uit kleine heuveltjes, die tot het aankweken van de voortbrengzels der Volkplanting zeer geschikt zyn.
De Stad Cayenne maakt een zoort van onregelmatigen zeshoek, door muuren omringd, benevens vyf bolwerken, eenige halve maanen, en een gracht. In deezen omtrek, en op eene hoogte aan den oever der zee, is gelegen een Fort, voorheen genaamd het Fort Louis de Cayenne, het welk de Stad en Haven bestrykt: in het zelve is een kruidmagazijn en een waterput. De meeste huizen zijn van hout; de andere van aarde of klei, volgens de manier van dit Land, en daar over heen wit gemaakt. Alle zijn zij met houten borden overdekt. Voorheen deed men dit met palmboom-bladeren; maar de verwoestingen, die zeer dikwils door brand aldaar voorvielen, hebben de inwoonders aangezet, om aan de andere manier den voorrang te geven. Men telt 'er niet meer dan twee honderd, waar van zommigen twee verdiepingen hebben.
Men heeft te Cayenne een Gouverneur, benevens eenige hooge Officieren. De bezetting bestond uit twee honderd mannen geregeld krygsvolk, verdeeld in vier Compagniën, die tot het zee-wezen geene betrekking hebben. Zy is met twee andere Compagniën vermeerderd geworden. Op het minst alarm zyn de inwoonders, zoo van de Stad, als van het platte Land, verpligt de wapenen op te vatten.
De Volkplanting heeft eenen Souverainen Raad, waar van de Commissaris-Ordonnateur, by afwezigheid van den Gouverneur, Voorzitter is. Dit Hof vonnist zonder hooger beroep. Het neemt kennis van alle zaaken, die de inwoonders betreffen.
De noodzakelykheid om de landen in waarde te houden verpligt de Franschen, om zelve hunne Plantagiën te blyven bewoonen, waar door de Stad minder bevolkt is, dan zy anders zyn konde.
Dertien mylen van Cayenne, en drie mylen in zee, gerekend van den mond der Rivier Kourou, die naauwlyks voor de kleinste schepen bevaarbaar is, zyn drie Eilanden, voorheen genoemd de Duivels-Eilanden, tegenwoordig Iles du Salut. Tusschen deeze drie Eilanden, die uit tamelyk hooge heuvels bestaan, heeft de natuur eene haven gevormd, die geschikt is, om door de grootste schepen bevaren te worden: het is de eenige plaats, op de geheele Kust van Guiana, die dit voordeel heeft. De Salut-Eilanden zyn dorre klippen, waar op zeer veele verschillende zoorten van zee-vogelen huisvesten.
Van de Rivier Kourou tot aan de Sinamari is eene Kust van tien of twaalf mylen lengte. Tusschen beiden vindt men verscheiden kleine inhammen, alwaar een zeer groote overvloed van schildpadden gevangen wordt. Dicht by den mond van de eerstgemelde zyn groote platte rotsen, waar op de golven het zee-water spoelen, het welk by groote hette aldaar kristallen schiet, en in zout verandert.
Van de Rivier Sinamari tot de Iracoubo is een tusschenvak van agt mylen. Men vindt tusschen beiden de Rivieren Courassani en Conanama.
Deeze geheele uitgestrektheid Lands, van de Rivier Kourou tot de Iracoubou toe, een streek van omtrent twintig mylen, eindigt aan den zeekant in een boschjen van Paletuvier-boomen, en byna overal met zandbanken. Binnen in dit boschjen, het welk zomtyds tot een myl uitgestrektheid heeft, zyn natuurlyke vlakke zand-woestynen, die alleenlyk hier en daar, door eenige boomen, rivieren en beeken, op zeer groote afstanden, worden afgebroken. Aan de land-zyde binnenwaarts, op twee of drie mylen, eindigen zy in groote bosschen, waar in men alle zoorten van boomen vindt, die in dit Land overvloedig groeijen.
De Rivier Iracoubo is aan het einde van dat gedeelte, het welk de Fransche Volkplanting uitmaakt. Van daar tot aan de grenzen der Surinaamsche Volkplanting, dat is, tot aan de Rivier Maroni is eene uitgestrektheid van veertien mylen. Tusschen beiden zyn de Rivieren Organabo, Iroucan-Pati, en Mana, of Amanabo, die een uitgebreiden loop heeft.
De mond der Rivier Maroni is gelegen op 5 graden 55 minuten breedte, en 56 graden 30 minuten lengte, ten westen van den Parysschen middenlyn. Deeze mond is omtrent twee mylen breed; maar het inkomen aldaar is moeijelyk; want aan den buiten-kant zyn verscheide zand- en slyk-banken, waar op zeer weinig water blyft staan. De Maroni is eene groote en schoone Rivier. 't Is waar, verscheide Eilandjes vernaauwen derzelver bed, meer dan twaalf mylen verre, maar zonder de scheepvaart te belemmeren, zoodanig dat men met kleine vaartuigen tot aan den eersten waterval, die omtrent twintig mylen van den mond der Rivier af ligt, kan opvaaren. Boven deezen eersten waterval, vindt men verscheide anderen, die de scheepvaart zeer moeijelyk maaken. Men zegt, dat men meer dan veertig dagen noodig heeft, om tot derzelver oorsprong te komen. Anderen beweeren, dat dezelve nog niet bekend is, dat deeze Rivier van zeer wyd af ontspringt, en dat men dezelve meer dan tachtig mylen is opgevaaren, zonder dien oorsprong te ontdekken. Omtrent vyftig mylen van derzelver mond af, ontlast zig eene zeer schoone Rivier in dezelve, komende van den zuid-oost kant, en de Rivier der Arouas genaamd. In 't jaar 1731 en 1732, voer men de laatstgemelde meer dan vyf-en-twintig mylen ver op; vervolgens verliet men haar, om den weg te nemen over de landen naar den zuid-oost kant; en na verloop van agt dagen, geduurende welken men rekende 35 of 40 mylen te hebben afgelegd, begaf men zig naar de Rivier Camopy, die zig in de Oyapoc ontlast. Het oogmerk van deeze reize was, om het Land te ontdekken, en te zoeken naar een bosch van cacao-boomen, het welk gezegd werd in de nabyheid van den oorsprong deezer Rivier gelegen te zyn.
De omliggende streeken der Rivier Maroni zyn door de Galibis-Indianen vry sterk bevolkt. Wanneer men de oevers deezer Rivier een weinig opwaarts volgt, ziet men niet dan zand-woestynen, die in den winter moerassen, en eerst in het heetste van den zomer droog worden. Langs dien weg kan men te land komen van Kourou af tot Surinamen toe. De Fransche wegloopers, die geene booten hadden, wisten van deezen weg, die aan de Indianen in dien omtrek zeer gemeenzaam is, gebruik te maken. Zy, die langs alle deeze Rivieren woonen, en over 't algemeen vry gedienstig zyn, laten niet na, op het minste teeken, dat men hun geeft, de geenen, die zig aanbieden, met hunne praauwen te komen afhalen. Men maakt doorgaans een neusdoek, of een lap wit linnen, aan een tak van een boom vast, om hun daar mede te kennen te geven, dat 'er iemand is, die den doortocht verzoekt.
In de Rivier Maroni loopen verscheiden andere Rivieren uit, die dezelve aanmerkelyk vergrooten, vooral in het regen-saisoen. De landen, waar over zy heen loopt, zyn laag, overstroomd, en met boomen en struiken bewassen. De Franschen en Hollanders hebben aan deeze Rivier een wachtpost tegen over elkander.
TWEEDE HOOFTSTUK.
Luchts-gesteldheid in Fransch Guiana.
De hette is in Fransch Guiana minder, dan in onze andere Volkplantingen onder de gezengde luchtstreek; blyvende de Barometer aldaar staan tusschen de 19 en 25 graden. De zoele winden van den grooten Oceaan, waar aan dit gedeelte van het vaste Land op eene wonderbaarlyke wyze is blootgesteld, de meenigte van groote en kleine Rivieren, die het Land alomme besproeijen, en de bosschen, waar mede het byna geheel als overdekt is, verminderen bovendien de brandende hette merkelyk.
Men weet, dat 'er niet meer dan twee saisoenen, of jaargetyden in Guiana zyn: het regensaisoen, nu en dan de winter genoemd, en het saisoen van droogte, waar aan men, in tegenoverstelling, den naam van zomer geeft. Het eerste begint doorgaans in December, of zelfs in January. In Maart en in April heeft men een tusschen-tyd van droogte, van een maand of zes weken, dien men de kleine droogte noemt. Met half April, of daarömtrent, begint de regen weder tot in Juny, en zomtyds tot half July. Dus heeft men in de twaalf maanden van het jaar omtrent vyf regen-maanden. Deeze algemeene regels hebben niettemin hunne uitzonderingen, volgens het onderscheid der jaaren, en het verschil der plaatsen. Het regent veel minder in die streeken, waar men het hout heeft uitgerooid, dan in die, welke met bosschen bedekt zyn; veel minder bij de Rivieren Cayenne en Kourou, dan aan den kant van de Oyapoc, en veel meer by de Rivieren Maroni en Surinamen, dan in de Landen, die door de Franschen bezeten worden. Hier door lost men de oogenschynlyke tegenstrydigheid op, welke 'er gevonden wordt tusschen de talryke waarnemingen van STEDMAN omtrent het luchts-gestel in de Volkplanting Surinamen, en die der Fransche Schryveren, die van de luchtsgesteldheid te Cayenne spreken, en eenparig zeggen, dat dezelve gematigd is.
Schoon in het laatstgemelde tydperk de regen ongemeen overvloedig is, moet men zig echter niet verbeelden, dat dit eene onöphoudelyke overstrooming is. 'Er zyn tusschenpoozingen, zelfs van geheele dagen, in het midden van het regen-saisoen, dat het mooy weder is, zoo als 'er ook wederkeerig tusschenpoozingen van geheele dagen zyn, geduurende welken het in 't saisoen van droogte regent.
Guiana is bevryd van die orkaanen, die op de Antillische Eilanden en in de Indiën zoo veele verwoestingen aanregten. Men weet aldaar van geene aardbevingen; en de hagel vernielt 'er den oogst niet.
Het is merkwaardig, dat het regen-saisoen in Guiana juist voorvalt, wanneer op de Antillische Eilanden het saisoen van droogte is, en zoo ook weder omgekeerd, onäangezien den geringen afstand tusschen deeze beide Landen. [83]
Dikwerf ziet men Europeanen verscheiden jaaren in Guiana doorbrengen, zonder eenigen van die akelige ziekten te ondervinden, waar aan zy in byna alle andere Landen onder de gezengde luchtstreek onderworpen zyn, en gelyk eene zoo merkelyke verandering van luchts-gestel natuurlyker wyze moest doen vreezen. Zy wederstaan dezelven, wanneer zy eene sobere levensmanier weten aan te nemen, wanneer zy zorge dragen, om in het eerste begin zig niet te lang agteréén aan de regelrechte stralen van de zon bloot te stellen. Indien 'er vreemdelingen sterven, is zulks veel al het gevolg van een ongebonden leven, en het misbruik van sterke dranken.
Het geen van de graden van hette gezegd is, heeft betrekking tot het luchtsgestel aan de kusten en in de nabyheid der zee. Wanneer men zig van het strand en van de lage Landen verwydert, op den afstand Van tien of vyftien mylen, zyn 'er altyd twee graden minder.
De luchtsgesteldheid te Cayenne was voor deezen veel regenächtiger en onäangenamer, zegt BARRERE, [84] eer men in het Eiland het hout had uitgeroeid, en de inwoonders waren 'er aan zeer akelige ziekten onderworpen. Langen tyd is het onmogelyk geweest de kinderen der Negers in het leven te behouden; allen stierven zy byna dadelyk na hunne geboorte. Hedendaags worden zy 'er nog door eene algemeene stuiptrekking, die een waare tetanus is, aangetast. Deeze ziekte spaart zelfs geene groote lieden, tot welken ouderdom zy reeds mogen gekomen zyn. Dezelve vertoont zig door pyn in den hals, als of die met een koord was toegetrokken. Het kakebeen sluit zig vervolgens, het geen de doorslikking belet. De armen en beenen worden stram, en niettemin hebben 'er, verscheiden malen daags, stuiptrekkingen plaats. Deeze toevallen matten den zieken zoo sterk af, dat hy overluid schreeuwt. Men is zelfs verpligt zyn hoofd een weinig in de hoogte te houden, om hem de belemmerde ademhaling gemakkelyker te maken. Het geen hem vooral doet lyden, is een onverzadelyke honger, die hem nu en dan zoodanig dringt, dat hy alle oogenblik zoude eeten, indien men het hem maar geven wilde, en hy het vermogen van slikken had. Hier by koomt altyd koorts. Dezelve gaat gepaard met een overvloedig en algemeen zweeten; en wanneer de ziekte meer en meer verergert, sterft de lyder onder vervaarlyke stuiptrekkingen.
Om den voortgang van zulk eene ellendige kwaal te sluiten, moet men den geen, die 'er door aangetast is, verscheiden malen daags met koud water besproeijen. Men houdt daar mede aan, tot dat de ledematen hunne voorige gedweeheid hernomen hebben. Het is noodzakelyk de kragten van den zieken door goede vleeschsoepen te ondersteunen; men moet dezelven dikwils geven, maar in eene kleine hoeveelheid, en met eenige lepels wyn. De zoete kwik met ontlastende middelen gemengd, als rhabarber, diagrydium, jalappe, doen in deeze ziekte veel nut: maar het beste middel is het heulsap, in zulke sterke giften, dat 'er een gezond mensch van sterven zoude.
DERDE HOOFTSTUK.
Geschiedkundige opgaave, betrekkelyk Fransch
Guiana.
Schoon men het juiste tydstip van de eerste reizen der Franschen naar Guiana niet weet, is het echter zeker, dat zy 'er geweest zyn korten tyd na de eerste ontdekking, door de Spanjaarden gedaan.
JAN DE LAET, een Schryver van voor byna twee eeuwen, verhaalt, dat de Franschen gewoon waren aldaar gekleurd hout, en onder anderen een zoort van Brasiliën-hout, in te laden.
De vriendelykheid, waar mede zy door de inboorlingen des Lands ontfangen wierden, lokte hen uit, om deezen handel te blyven aanhouden; en om denzelven des te beter te verzekeren, vestigden zy 'er wel dra eene Volkplanting.
Een ander bewys, dat de Franschen het eerst de kusten van Guiana bezogt hebben, is te halen uit de reisbeschryving van RALEIGH in 't jaar 1595. Deeze reiziger, sprekende van het binnenste gedeelte van dit Land, zegt, dat "de Franschen zedert lang moeite deeden tot het ontdekken deezer Landen, werwaards zy veelvuldige reizen deeden, om 'er goud van daan te haalen, maar dat zy den rechten weg niet namen, door denzelven te zoeken langs de Rivier der Amazonen."
In 't jaar 1604, besloten eenige Franschen, door de gunstige berigten van RALEIGH misleid, om, onder het geleide van LA RAVERDIERE, naar deeze streeken koers te zetten. Andere gelukzoekers deezer natie volgden spoedig hunne voetstappen. Allen vermoeiden zy zig op eene ongelooflyke wyze. Eindelyk zetteden zig zommigen, veel eer uit weêrzin in zoo zwaaren arbeid, als om dat zy zig in hunne hoop bedrogen vonden, te Cayenne neder.
In 't jaar 1624, zonden eenige kooplieden van Rouaan eene kleine Volkplanting, bestaande uit zes-en-twintig menschen, die de oevers der Rivier Sinamari verkozen, om zig neder te slaan.
Twee jaaren later, in 't jaar 1626, kwam 'er eene nieuwe Volkplanting, aanzienlyker dan de eerste, en die zig aan de Rivier Conanama nederzettede. Men bouwde aldaar een Fort, stelde 'er een Bevelhebber over aan, en liet 'er een gewapend vaartuig, om den handel langs de kust te beveiligen.
Deeze beide Volkplantingen vermeerderden aanmerkelyk door den toevoer, die zy uit Frankryk ontfingen. Zy breidden zig tot verscheiden plaatsen uit.
Zedert het jaar 1674, had men zig op het Eiland Cayenne gevestigd, en aldaar de kust van Remire, als de vruchtbaarste en aangenaamste streek, tot verblyfplaats uitgekozen. Men moest de Arikarets, en eenige andere Indiaansche volken, aldaar woonende, verjagen.
In 't jaar 1675, verkoos men eene andere woonplaats, drie mylen meer ten westen, op een uithoek van het Eiland, alwaar de mond der Rivier Cayenne een haven oplevert. Men bouwde aldaar een Fort, waar aan men den naam van het Fort Louis gaf, en digt daar by een Dorp of Stad, die de hoofdstad der geheele Volkplanting geworden is, en welke men naar den naam van het Eiland Cayenne noemde. Men breide zig vervolgens uit in alle de gedeelten van dit zelfde Eiland, en aan de naby gelegene Rivieren.
In 't jaar 1640. zetteden de Franschen zig aan de Rivier Surinamen neder; maar de lage en moerassige grond, en ongezonde lucht in dit gedeelte van Guiana, deeden hun het zelve wederom verlaten. De Engelschen maakten 'er gebruik van.
Eenige kooplieden van Rouaan, denkende, dat uit deeze Volkplanting voordeel te haalen was, besteedden daar toe, in 't jaar 1643, gezamentlyk zekere somme van penningen. Zy droegen hunne belangen op aan een ondernemend man, PONCET DE BRETIGNY genaamd, die den oorlog zoo wel aan de Planters als aan de Negers verklaard hebbende, spoedig werd van kant geholpen. Deeze Maatschappy, aan welke men den naam van de Maatschappy der Noord-Kaap gaf, verkreeg van Koning LODEWYK XIII. opene Brieven, waar by deeze Vorst aan haar het uitsluitend voorrecht toestond van den koophandel en scheepvaart op Guiana, tot welks grensscheidingen men by die zelfde brieven bepaalde, aan de zuldzyde de Rivier der Amazonen, en aan de noordzyde de Orenoco. Deeze bepaaling der grensscheidingen ontmoette geene zwarigheid, noch veröorzaakte eenige klagten, dewyl geheel Europa wist, dat de Franschen zedert langen tyd in het bezit van Guiana waren, en de eersten geweest zyn, die aldaar handel gedreven en Volkplantingen aangelegd hadden.
Verscheiden lieden van aanzien, in deeze Maatschappy deel genomen hebbende, verkregen van den Koning nieuwe voorrechten en nieuwe vergunningen door dit geheele Land. By herhaling zonden zy derwaarts aanzienlyken onderstand; en men liet meer dan agt honderd menschen naar Guiana vertrekken, zoo tot meerdere beveiliging en aanwas van de onderscheidene aangelegde Volkplantingen, als om nieuwe aan te leggen, en ontdekkingen te ondernemen, door dieper in het Land door te dringen.
De treurige dood van PONCET DE BRETIGNY de deelgenooten ter nedergeslagen hebbende, werd, in 't jaar 1651, eene nieuwe Maatschappy opgericht, die meerder opgang scheen te zullen maken. Het merkelyk aantal van ingelegde penningen, stelde haar in staat, om, tot in Parys toe, zeven of agthonderd menschen by één te verzamelen. Zy wierden by de Seine ingescheept, om naar Havre te vertrekken. Het ongeluk wilde, dat de deugdzaame Abt DE MARIVAUX, die deeze onderneming voornamelyk had aangewakkerd, en dezelve als Directeur Generaal bestierd zoude hebben, verdronk op het oogenblik, dat hy stond scheep te gaan. ROIVILLE, een Edelman uit Normandië, die als Generaal naar Cayenne gezonden wierd, wierd op de reize vermoord. [85] Twaalf der voornaamste belanghebbenden, die de bewerkers van deezen aanslag waren, gedroegen zig in de Volkplanting, welkers bloei zy verpligt waren geweest te bevorderen, op zoodanig eene wreede manier, als uit dit verschrikkelyk voorval bereids te voorzien was. Zy deeden aan één van hun, ISAMBERT genaamd, die, benevens drie anderen, zig van het gezag geheel had willen meester maken, het hoofd afslaan. Zyne medepligtigen wierden naar een onbewoond Eiland verbannen. Twee andere deelgenooten stierven kort daar op, en de overgeblevenen gaven zig aan de grootste buitensporigheden over. De Bevelhebber der Vesting liep naar de Hollanders over, met een gedeelte van zyne bezetting. Zy, die aan honger, ellende, de woede der Wilden van het vaste Land, welken men op honderde manieren getergd had, waren bloot gesteld, achtten zig zeer gelukkig, toen zy met een schip en twee sloepen de Eilanden onder den wind bereiken konden. Vyftien maanden na dat zy in het Eiland waren aangeland, verlieten zy het Fort, de krygsbehoeften, de wapenen, de koopmanschepen, benevens vyf- of zeshonderd lyken van hunne ongelukkige medgezellen.
In 't jaar 1663, werd eene nieuwe Maatschappy, onder het opzigt van den Request-meester LA BARRE, opgerigt. Dezelve bezat een capitaal van niet meer dan twee maal honderd duizend gulden: maar de hulp der Regeering stelde haar in staat, om de Hollanders, die zig aldaar onder het geleide van SPRANGER hadden nedergezet, toen zy dit Land door deszelfs eerste bezitters hadden zien ontruimen, uit deeze bezitting te verjagen. De Indianen waren na het vertrek der Franschen in het Eiland te rug gekeerd, maar SPRANGER noodzaakte hen, om naar Terra-Firma de wyk te nemen. Hy verbeterde de vestingwerken, deedt groote uitzuiveringen en voordeelige bebouwingen der landen. Na dat deeze Maatschappy onder het opzigt van BARRE een jaar bestaan had, maakte zy een gedeelte uit van de groote Maatschappy, die de grondslag was van alle die Maatschappyen, welken men voor Africa, en voor het Nieuwe Weereld-deel had opgerigt. In 't jaar 1667, wierd Cayenne aangevallen, geplonderd, en wederom verlaten door de Engelschen, en de vluchtelingen namen het weder in bezit, om het zig, in 't jaar 1772, andermaal te zien ontweldigen door de onderdanen der Vereenigde Nederlanden, die het echter niet langer, dan tot in 't jaar 1676, behouden konden. Te dier tyd werden zy door den Marschalk D'ETRÉES van daar verjaagd. Naderhand is de Volkplanting niet meer aangevallen geworden.
De Franschen wederom meesters van Cayenne geworden zynde, waren ten sterksten bedagt, om zig op het Eiland en het vaste Land wel te vestigen. Met meerder zorgvuldigheid dan ooit kweekten zy alles aan, waar by de koophandel belang konde hebben. Verscheiden koopvaardy-schepen kwamen aldaar handelen, en eene meenigte huisgezinnen zetteden 'er zig ter neder. Eenige Kapers bragten ook het hunne toe tot aanwas der Volkplanting.
Beladen met het geen zy in de Zuid-Zee geroofd hadden, vestigden zy zig te Cayenne, en het belangrykste was, dat zy besloten hunne schatten tot den landbouw te besteden.
Zy scheenen denzelven met nadruk te willen voortzetten, en Cayenne was vry wel bevolkt, toen DUCASSE in 1688. aldaar aanlandde, met oogmerk, om Surinamen te vermeesteren en te plunderen. De natuurlyke lust der Kapers herleefde, de nieuwe Colonisten werden wederom Kapers, en hun voorbeeld lokte byna alle de inwoonders uit.
Deeze onderneming was niet gelukkig, uit hoofde van de weinige voorzorgen, die men genomen had, om de aankomst deezer vloot voor de Hollanders, welken men voornemens was re overrompelen, geheim te houden. Men vondt hen overal in staat van verdediging. Een gedeelte der aanvallers sneuvelde; anderen wierden gevangen genomen, en naar de Antillische Eilanden gezonden, alwaar zy zig nedersloegen. De overigen gingen wederom te scheep. Zedert dien tyd heeft de Volkplanting veel moeite gehad, om het verlies van haare inwooners te herstellen. Het scheen zelfs, dat zy byna geheel in vergetenheid geraakt was, tot in 't jaar 1763, wanneer de Fransche Regeering haar een nieuwen luister trachte te geven.
Frankryk ontdeed zig van de akeligheden van eenen schandelyken oorlog. De gesteldheid der zaaken had de Regeering genoodzaakt, om, met opöffering van verscheiden gewichtige bezittingen, den vrede te koopen. Het scheen insgelyks noodzakelyk, om de natie, zoo wel de geledene rampspoeden, als de misslagen, die dezelven berokkend hadden, te doen vergeten. Men wendde haar oog af van de Volkplantingen, die zy verloren had, om het zelve te vestigen op Guiana, het welk, zoo men zeide, zoo veele rampen vergoeden moest.
Dit was het gevoelen niet van hun, die van den staat der zaaken het best onderricht scheenen. Eene Volkplanting, zedert anderhalve eeuw opgerigt, in een tydstip, dat de gemoederen op groote ondernemingen verhit waren; alwaar burger-twisten, noch vreemde oorlogen aan het aangelegde werk geen nadeel hadden toegebragt; die van de weldaaden der Regeering en het voordeel van den koophandel nimmer was verstoken geweest; alwaar de voorraad van voortbrengzels altyd zeker geweest was:—deeze Volkplanting was niet noemenswaardig. De ellende en vergetenheid was haar deel geweest, zelfs in het tydstip, dat de Fransche bezittingen in America door haaren luister en rykdommen, de oude en nieuwe weereld verbaasden. Haare gesteldheid was zelfs van dag tot dag verërgerd. Hoe kon men hopen op die groote vooruitzigten, welken men 'er van gaf? Deeze aanmerkingen wederhielden de Regeering niet. Om het verlies van Canada te vergoeden, wilde men in Guiana een vry volk vestigen, dat door zyne eigene kragten in staat zoude zyn, om aan vreemde aanvallen het hoofd te bieden, en geschikt, om door den tyd andere Volkplantingen, wanneer de omstandigheden zulks vorderden, te hulp te komen.