VYFDE HOOFTSTUK.
Het toneel verandert.—Beschryving van eene schoone Slavin. —Manier om door Surinamen te reizen.—De Colonel FOURGEOUD neemt den loop der Rivieren op.—Barbaarsheid van eenen Planter.—Elendige behandeling, welke zommige bootsgezellen ondervinden.
In de voorige Hooftstukken de oprigting onzer krygsbende, onzen overtocht, onze ontscheeping, en de wyze, waar op wy in de Volkplanting van Surinamen ontfangen wierden, hebbende opgegeven; de grensscheidingen en omwentelingen deezer Volkplanting, van het oogenblik der ontdekking van Guiana af, beschreven hebbende, zal ik tans myn verhaal vervolgen, door de verrigtingen van ons krygsvolk aan den draad der gebeurtenissen zaam te knoopen; en ik zal schryven het geen ik met eigene oogen gezien heb,
Ik heb reeds gezegd, dat wy zedert onze aankomst tot op den 27. February in dit Land alleenlyk scheenen ontscheept te zyn, om ons aan ydele vermaaken over te geven. De lezer tot dit tydperk, waar in het regen-saisoen begint, te rug brengende, zal ik, om alle de schriktoneelen, waar mede ik hem heb bezig gehouden, door tegengestelde af te wisselen, hem de beeldtenis schetsen van een schoon meisjen, eene Mulattin, genaamd JOANNA. Het was aan 't huis van den heer DEMELLY, Geheimschryver der Kamer van Politie, by wien ik alle dagen het ontbyt nam, dat ik dit jong en bevallig mensch voor de eerste maal zag. Zy was ten hoogsten vyftien jaaren oud. Van gestalte eer hoog, dan middelmatig, had haare gedaante al den cieraad en volkomenheid, welke de natuur schenken kan: de gemakkelykheid haarer lichaams bewegingen gaf eene ongemeene bevalligheid. De zedigheid en zachtaartigheid waaren op haar gelaat geschilderd. Haare groote oogen, zoo zwart als ebbenhout, en vol van nadruk, kondigden de goedheid van haar hart aan: onaangezien de donkerheid der kleur van haar aangezicht bedekte een lieffelyk rood haare wangen, wanneer men 'er wel op lette; naar neus, volmaakt regelmatig, was vry klein; haare lippen, een weinig vooruit staande, bedekten egter, als zy sprak, twee reien tanden, zoo wit als de sneeuw van het gebergte. Haar hair, van een byna zwart bruine kleur, vormde een eindeloos getal van natuurlyke krullen, met goude spelden en bloemen verciert. Aan den hals, aan de gewrichten van de hand, en aan de enklauwen, droeg zy insgelyks goude ringen, met een gesp van dezelfde stof. Een smalle sluijer van Indisch neteldoek, luchtig om haare schouderen gehangen, bedekte met bevalligheid aan den eenen kant haaren schoonen boezem; een enkel klein overtrek van eene zeer fyne en met levendige kleuren beschilderde stoffe, maakte haare kleeding uit. Bloots-hoofds en bloots-voets zynde, vertoonde zy daar door eenen dubbelen luister, vooral wanneer zy in haare poes'le hand een vilten hoed hield, met een zilveren lis vercierd. De gedaante, de gestalte, en het voorkomen van dit bevallig meisjen moesten noodwendig myne aandacht tot haar trekken; en zy verwekte die zelfde uitwerking op allen, die haar zagen. Door de grootste verwondering vervoert, vroeg ik aan Mevrouw DEMELLY, wie deeze jonge dogter was, die boven alle andere van haar zoort in de Volkplanting zoo zeer uitmuntte?
Deeze Vrouw antwoordde my:—"Zy is een dogter van den heer KRUYTHOF, een der fatsoenlykste Colonisten, en van eene Negerin, genaamd CERY, welke aan den heer D. B. toebehoord, en haar verblyf houd op zyne Plantagie, genaamd Fauconberg, gelegen aan de oevers van het bovenste gedeelte der Rivier Commewyne.
"Het is eenige jaaren geleden, dat de heer KRUYTHOF, die nog vier andere kinderen by deeze zelfde vrouw had, meer dan duizend ponden sterling aan den heer D. B. aanbood, om hen in vryheid te stellen, of hen aan hem te verkoopen. Het wierd hem geweigerd. Dit had zoodanig gevolg op zynen geest, dat hy 'er het gebruik der reden door verloor, en korten tyd daar na van hartzeer stierf, laatende twee zoons en drie schoone dogters, waar van deeze de oudste is, in slavernye, en onder eenen wreeden meester. [10]
"Deeze cieradien, waar mede zy pronkt, en die u schynen te verwonderen, zyn een geschenk van haare moeder, eene vrouw vervult met teederheid voor haare kinderen, en onder die van haaren rang vry wel geacht; haare trouw voor haaren minnaar is steeds standvastig gebleven; en eenige oogenblikken voor zynen dood stelde hy haar deeze kostbaarheden ter hand.
"De heer D. B. intusschen ontfing wel dra de belooning van dit gedrag. Door zyne onrechtvaardigheid en gestrengheid, deed hy zyne beste Negers, die timmerlieden waaren, in de bosschen wegvlugten, en wierd daar door bedorven. Genoodzaakt zynde de Volkplanting te verlaaten, liet hy alle zyne goederen ter beschikking zyner schuldeisschers. Toen vonden CERY en haare kinderen eenen beschermer in een van die ongelukkige weggeloopen slaaven, wiens naam is JOLI-COEUR; hy is tans de eerste Capitain onder BARON: gy kunt hem in de legerplaats der muitelingen ontmoeten, daar hy niets dan haat en wraak tegen de Europeaanen ademt.
"Mevrouw D. B bevind zig steeds te Surinamen, alwaar de schulden van haaren man haar houden, tot dat Fauconberg verkocht is, om dezelve te betaalen. Deeze vrouw is tegenwoordig by my gehuisvest, alwaar de ongelukkige JOANNA haar bedient; en zy behandelt dit jong meisjen met veel tederheid en achting."
Mevrouw DEMELLY voor haare beleefdheid bedankt hebbende, keerde ik naar myne wooning te rug, van droefheid overstelpt, en van verwondering opgetogen. Hoe vergroot, of van weinig aanbelang dit verhaal aan eenige lieden moge voorkomen, ik hoop dat het voor anderen niet belangloos wezen zal; en ik verklaare, dat het de stiptste waarheid in zig vervat.
Overweegende de slavernye in 't algemeen, en vermoeit van steeds te hooren de geesselslagen en het kermen der ongelukkige Negers, op wien dezelve van den morgen tot den avond vielen; vooral bedenkende, dat dusdanig het lot van de ongelukkige JOANNA wezen zoude, indien zy in de handen van eenen ontmenschten meester viel, konde ik my niet wederhouden, om de wreedheid van den heer D. B. te vervloeken, die haar van eenen tederen vader beroofd had, van wien zy waarschynlyk eene geschikte opvoeding, en eenige bekwaamheden ontfangen zoude hebben, door middel van welke zy het cieraad der beschaafdste gezelschappen geworden zoude zyn, en hulpeloos, zoo als tans, zig aan de verschriklykste beledigingen niet zoude hebben zien bloot gesteld.
Om, zoo veel my mogelyk was, het verdriet van deeze aandoenlyke aanmerkingen te verminderen, en het lot van ten minsten een deezer slaven, van welken ik omringd was, te verzagten, begon ik my met mynen armen kleinen Neger QUACO bezig te houden. Ik schepte van toen af aan meer vermaak in zyn gebabbel, dan in het schitterend gezelschap der meest bezogte lieden in deeze Volkplanting. Maar altoos was myn geest neergeslagen; en in den tyd van vier-en-twintig uuren vond ik my zeer ongesteld. Geduurende deeze ziekte ontfing ik van een onbekend persoon een hartsterkend middel, eenige ingelegde tamarinden, en een mand met beste orange-appelen. Het hartsterkend middel en de tamarinden bragten veel tot myne herstelling toe; en my hebbende doen aderlaten, was ik den vyfden dag in staat, om den Capitain MACNEYL te vergezellen, die, om my van lucht te doen veranderen, my naar zyne fraaije Koffy-Plantagie, genaamt Sporkesgift, gelegen by de Matapaca-Kreek, geleide.
Dewyl ik van tamarinden gesproken heb, zal ik deeze gelegenheid waarnemen, om 'er eene korte beschryving van te geven, alvoorens het verhaal deezer reize te vervolgen.
De boom (tamarinden-boom), waar aan de vruchten van dien naam groeijen, heeft ten naasten by de gedaante van een grooten appelboom. Hy groeit recht op, en is met een schors, die naar het bruine helt, bedekt. Hy schiet takken uit, die zig van alle kanten, en in eene gepaste evenredigheid, als armen uitspreiden: de bladen zyn beurtelings op deeze takken geplaatst, en bestaan uit negen, tien, en zomtyds twaalf paaren kleine blaadjes, aan een steel vast zittende, en van steelschubbetjes (stipula) voorzien; zy zyn van een vrolyk groene kleur, van onderen een weinig ruig, loopende dwars door derzelver lengte een kleine draad. Hunne smaak is zuurachtig. Tusschen de blaaden spruiten peulen uit, die de vrucht in zig vervatten, waar van het vleesch bruin is, wanneer zy ryp zyn; het zelve zit rondom een purperkleure noot. Het bovenste gedeelte der bladen is van een doffer groen, dan het benedenste. De schaduw van deezen boom is alleraangenaamst, en men plant denzelven daarom dikwils in de boschjens.
Het mannetje en vrouwtje kunnen door hunne kleur gemakkelyk worden onderscheiden; die van de eerstgemelde is veel donkerder.
Het vleesch der tamarinden vervat eene geneeskragt, waar van ik zelf het vermogen ondervonden heb: in 't water geweekt zynde, is het een ontlast-middel, en geeft een verkoelenden en aangenaamen drank, die in veele ziekten, en vooral in de koorts word aangepreezen: om het zelve te bewaaren, word het in suiker ingelegd.
Wy vertrokken van Paramaribo naar Sporkesgift in een boot, die door agt der beste Negers van de plaats van den heer MACNEYL wierd voortgeroeit: want, gelyk ik reeds gezegd heb, men reist in deeze Volkplanting niet dan te water.
Deeze booten zyn dikwils met een groote pracht vercierd. Zy hebben vergulde cieradien; zomtyds zyn ze vol musikanten, en bevatten alle zoorten van gemakken. Ligt opgetimmert zynde, gaan zy met eene ongemeene gezwindheid voort. De roeijers eens aan 't werk zynde, houden niet langer stil, dan terwyl het gezelschap ontscheept word. Het zy dat de vloed hun mede, of tegen is, blyven zy dikwils vier-en-twintig uuren lang met roeijen bezig, en zy moedigen elkander met zingen aan: wanneer deeze arbeid geeindigd is, dompelen zy zig in de rivier, schoon geheel met zweet bedekt zynde.
Wy voeren verscheide fraaije Plantagien voorby, en ik kan my niet wederhouden om een gezicht van die, welke den naam van Alkmaar draagt, en aan den rechten oever van de Rivier Commewyne gelegen is, af te teekenen: zy is niet minder merkwaardig door haare fraaiheid, als Mevrouw GODEFROY, die 'er eigenaresse van is, door haare beleefdheid aanpryzing verdient. Ik zal my altoos met dankbaarheid herinneren de vriendschap, die deeze achtenswaardige weduwe my wel heeft willen betoonen.
By onze aankomst op Sporkesgift, had ik het genoegen om aanschouwer te zyn van eene daad van rechtvaardigheid, die my een levendig genoegen deed gevoelen. De heer MACNEYL dankte zynen Opzigter af, en gaf hem te kennen, dat hy op 't oogenblik zyne Plantagie ruimen moest. Hy gaf hem, om zig naar Paramaribo te begeven, of naar zoodanige andere plaats, als hy zoude gelieven te verkiezen, een vaartuig, genaamt Ponkee, [11] waar van het gemeene volk zig bedient. Het bevel wierd onverwyld uitgevoerd. De wreedheid van deezen man, en zyne mishandelingen omtrent de Negers, hadden 'er drie of vier doen sterven, en bragten hem eindelyk in ongenade. Zyn vertrek was een feestdag voor de slaven; zy vierden denzelven met gezang, handgeklap, en dansen in 't groen voor het huis van hunnen meester.
Het oogenblik, dat de Opzigter zyne wegzending vernam, maakte dezelve voor hem nog meer gevoelig en schandelyk: hy liet zig de schoenen aantrekken door een Neger, aan wien men bevel gaf, om op 't oogenblik zig van het doen van deezen dienst te onthouden. Het verstandig gedrag van den Planter, de blydschap van zyne Negers, de gezondheid der lucht, en de vriendelyke bejegening, die men ons op deeze Plantagie aandeed, bragten zulk eene gelukkige uitwerking op my te weeg, dat ik den negenden dag naar Paramaribo te rug keerde, zoo al niet volmaakt geneezen, ten minsten in veel beter staat.
Ik zoude egter aan partydigheid schuldig zyn, indien ik niet een geval verhaalde, het welk over de menschlievenheid van den heer MACNEYL eenigermaaten een ongunstig licht verspreid. Myne opmerking gevallen zynde op eenen jongen Neger van een goed voorkomen, die zeer langzaam liep, terwyl de anderen sprongen en dansten, vroeg ik daar de oorzaak van. De heer MACNEYL zelf antwoordde my, dat deeze Neger verscheiden maalen zyn werk hebbende laaten staan, om ginds en herwaards te loopen, hy genoodzaakt was geweest hem de pees van Achilles, boven een van zyne hakken of hielen, te doen doorsnyden. Hoe wreed dit blyk van dwinglandye ook schynen moge, het is niets by die dingen, welke ik by vervolg gelegenheid zal hebben te verhaalen.
Te Paramaribo te rug gekomen zynde, vernam ik geen ander nieuws, dan eenige ysselyke strafoeffeningen, en de aankomst uit Holland van het oorlogschip de Boreas, onder bevel van den Capitain VAN DE VELDE.
Byna op deezen zelfden tyd, wierd ik door eene ziekte aangetast, die de Colonisten roodvonk noemen. De huid word in het begin zoo rood als scharlaken, het geen veroorzaakt word door een eindeloos getal puisjes, wier onbegrypelyke jeukte overal verdubbeld, waar de omloop van het bloed word te rug gehouden.
Allen de geenen, die nieuwlings uit Europa gekomen zyn, worden door deeze pest besmet. Men word 'er van geneezen, door het zieke deel met limoen-sap, in water verdund, te stoven, gelyk men met de beeten der muggen doet. De inwoonders beschouwen deeze ziekte als de voorbode van eene goede gezondheid: ik heb reden dit te gelooven, dewyl de myne naderhand volmaakt hersteld wierd; en ik was te Paramaribo zoo gelukkig, als ik immer wezen konde.
De Colonel FOURGEOUD vertrok in dit zelfde tydstip met een boot, om de ligging der Rivieren Commewyne en Cottica te onderzoeken, in gevalle men noodig mogte hebben van ons krygsvolk gebruik te maken. By zyn vertrek wierd hy door het geschut van 't Fort Zelandia, en dat der Schepen, die op de reede lagen, begroet. Dusdanige eerbewyzing verwonderde my, daar ik wist, welke vyandschap 'er, toen tusschen den Gouverneur en hem plaats had.
My altoos vry en zonder werk bevindende, deed ik een anderen uitstap met den heer KAREL RYNSDORP, naar zes schoone Plantagien, de eene een Suiker-Plantagie, en de vyf andere Koffy-Plantagien, gelegen aan de Mattapaka-, Paramarica- en Werapa-Kreeken. Ik zal 'er op een anderen tyd de beschryving van geven: maar op een van deeze Plantagien, genaamt Schoonoort, was ik getuige van eene onmenschelyke vertooning, die ik my niet wederhouden kan te schetsen.
Het slagtoffer deezer onmenschelykheid was een oude Neger van een goed voorkomen, die ten onrecht veroordeeld was, om eenige honderde geesselslagen te ontfangen. Midden onder de strafoeffening trok hy een mes, en wilde den Opzigter daar mede treffen, maar hier in niet geslaagt zynde, duwde hy het zig zelf verscheide maalen geheel en al in den buik, en viel voor de voeten van zynen geweldenaar neder. Hy stierf 'er egter niet van, en om hem over zyne misdaad te straffen, ketende men hem aan een fournuis, waar op men de Kill-devill [12] overhaalde, ten einde aldaar nacht en dag een geweldig vuur te verdragen, en zoo van ouderdom, of door zyn verschrikkelyk lyden, maar minder schielyk van het een, dan van het ander, om te komen. Zyn geheele lichaam was met bladders overdekt. Hy toonde my zyne wonden al glimlachende; ik antwoordde hem met een zucht en eenige stukken geld. Ik zal dit ongelukkig mensch, in ketenen geboeid, en tot deeze verschrikkelyke foltering verwezen, nimmer vergeten. Al het voortreffelyke en cierlyke, dat ik zag, en het vriendelyk onthaal, dat ik op de Plantagien ontfing, konden den schrikbaarenden indruk, welken dit helsch fournuis op mynen geest maakte, niet uitwisschen.
Onder alle deeze Koffy-Plantagien is die van Limeshope, aan den heer SIMS toebehoorende, de prachtigste, en kan met recht voor de rykste van de Volkplanting doorgaan. Den 6. April keerden wy naar Paramaribo te rug, alwaar wy het Schip Westellingwerf aantroffen, het welk in zeven-en-dertig dagen was aangekomen. Men herinnere zig, dat dit Schip tot de punt van Portland, met ons in gezelschap gezeilt zynde, door lekkagie op deeze hoogte genoodzaakt was geworden te Plymouth binnen te loopen, om zig aldaar te herstellen.
Op den dag van myne te rug komst by mynen vriend, den heer LOLKENS, het middagmaal houdende, was ik getuige van de onverschoonlyke verachting, waar mede de Negers in Surinamen behandeld worden. De zoon van 't huis, een jongeling, naauwlyks tien jaaren oud, aan tafel zittende, gaf aan eene oude Negerin, die by het toedienen van een schotel met eeten de poeder uit zyn hair gestooten had, een slag in 't aangezicht, Ik konde my niet wederhouden, om aan zynen vader, die op dit gedrag geen acht geslagen had, myne verwondering daar over te betuigen. Hy antwoordde my met een glimlach, dat zyn zoon my niet lang meer aanstoot geven zoude, vermits hy eerstdaags stond scheep te gaan, om eene betere opvoeding in Holland te ontfangen; maar myn weder-antwoord was, dat ik vreesde het te laat zoude zyn. Eenige oogenblikken daar na sloeg een matroos, die voor by ons huis ging, aan een Neger met een stok een gat in 't hoofd, om dat hy zyn hoed niet voor hem had afgenomen. Dusdanig is de staat van slavernye, ten minsten in deeze Hollandsche Volkplanting.
Byna ter zelfder tyd, deed de Colonel FOURGEOUD een tweeden uitstap, om de oevers en de ligging der Rivier van Surinamen te onderzoeken, even als hy omtrent de Commewyne en Cottica gedaan had.
Het was ook omtrent dit zelfde tydstip, dat de Capitain BARENDS overleed, zynde Bevelhebber op een der transportschepen, die men altoos in gereedheid hield, in gevalle wy dezelve noodig hadden om naar Europa te rug te keeren. Dagelyks begroef men vyf of zes matroozen van koopvaardy-schepen. Ik kan my niet wederhouden het lot der Hollandsche matroozen, het welk in Surinamen wreeder is dan dat der Negers, alhier te betreuren. Men dwingt hen, om groote platte booten, met Suiker en Koffy geladen, voort te roeijen. Zy vaaren alzoo, nacht en dag, de Rivieren op en af, zynde aan de brandendste zon bloot gesteld, of de zwaarste regenbuien op hun lichaam ontfangende; zy leggen deeze koopwaaren neder, en droogen dezelve in een zoort van zeer heete ovens. Op het eerste bevel zyn zy verpligt elken eigenzinnigen Planter naar zyne Plantagie te brengen, het geen hem den tyd voor zyne Negers uitspaart; en voor zoo veele diensten krygen zy eene kleine portie gemeen eeten en slegten drank. Zy lesschen hunnen dorst en honger met eenige bananen, welke zy aan de slaven afbedelen, of met het eeten van orange-appelen, en het drinken van water, het geen hen in korten tyd van hunne onheilen verlost. In alle de gedeeltens der Volkplanting worden zy niet beter behandelt, dan lastbeesten. Na de laading der Schepen te hebben ontladen, zyn zy verpligt, om, nat bezweet, en door woorden en slagen mishandelt, de goederen naar afgelegene pakhuizen te dragen. Eenige Negers hebben last om by hen te blyven, maar zonder handen aan 't werk te slaan. Zy zouden egter deeze uitgeputte matroozen, die door zulk een gedrag ten uitersten moedeloos gemaakt worden, gaarne ondersteunen. De Planters gebruiken hen ook, om hunne huizen te schilderen, om hunne glaazen schoon te maken, en duizend andere zoorten van werk, waar toe geen matroos immer geschikt is. 'Er gaat dus een aanzienlyk getal van verloren, die zonder deeze onmatige vermoeienis veel langer geleefd zouden hebben.
De Capitains in dienst der West-Indische Compagnie, uit vreeze van aan de Planters te mishagen, en hunne Schepen op eene enkele laading Suiker of Koffy te vergeefs te zien wagten, durven hunne manschappen aan hun niet weigeren: ik heb zelfs een matroos hooren noemen, die dikwils spyt had, dat hy niet uit het zelfde bloed, als de Negers, geboren was, en als een gunst afsmeekte, om met hun eene Koffy-Plantagie te mogen bearbeiden.
Ik nam, zoo dra mogelyk, de gelegenheid waar, om by Mevrouw DEMELLY te verneemen, wat 'er van de beminnelyke JOANNA geworden was. Zy onderrigtte my, dat Mevrouw D. B. in stilte aan boord van de Boreas ontsnapt was; dat de jonge slavin tans by eene Tante was, alwaar zy wagtte, om wel dra naar Fauconberg gezonden te worden; en dat zy aldaar zoude zyn zonder hulp, overgegeven aan het goeddunken van eenigen Opzigter zonder grondbeginzelen, benoemd door de schuldeisschers, die zig van de Plantagie hadden meester gemaakt, tot dat dezelve, als mede de slaaven, ten hunnen voordeele zouden verkogt zyn.—Groote God! riep ik uit!—Dadelyk vlood ik naar de ongelukkige JOANNA, en vond haar in traanen zwemmende.—Zy keek my aan! O! welken indruk maakte dit niet op my! Ik besloot van dit oogenblik af aan, om haar tegen alle belediging te verdedigen, en ik volhardde ook daar in, gelyk men by vervolg zien zal. Dat myne jeugd en ongemeene gevoeligheid hier ter myner verschooning pleiten! Myn gedrag ten minsten zal door hun, die een meedogend hart omdragen, niet kunnen veroordeeld worden.
Ik ging vervolgens naar mynen vriend LOLKENS, die by geluk Bestierder der Plantagie Fauconberg was, en verzogt hem zynen bystand, hem tevens myn oogmerk mededeelende, om JOANNA te koopen.
De heer LOLKENS was zeer verwonderd, en zag my eenigen tyd met stilzwygen aan; vervolgens stelde hy my een mondgesprek met deeze schoone slavin voor, die, door eene haarer naastbestaanden vergezelt zynde, al beevende voor my te voorschyn trad.
Het beminnelyk meisje verwierp, met eene zonderlinge kiesheid, alle voorstel, dat ik haar deed, om my toe te behooren, onder welke benaaming het ook wezen mogt. Zy wierp my tegen, dat, indien ik wel dra in 't geval zyn zoude, om naar Europa te rug te keeren, zy zig voor altoos van my zoude moeten afscheiden, of my volgen in een werelddeel, alwaar de laagheid van haaren staat haar zoo wel, als haaren weldoener, aan groote onaangenaamheden zoude blootstellen. JOANNA standvastig by haar besluit gebleven zynde, verzogt van my verlof om te vertrekken, en begaf zig naar het huis van haare Tante. Ik vernam, geduurende den loop van ons gesprek, dat zy het was, die my in myne ziekte het hartsterkend middel, de tamarinden, en de mand met orange-appelen gezonden had, "als een blyk van erkentenis, waar van zy doordrongen was uit hoofde van het mededogen, het welk haare droevige staat aan my had ingeboezemd". Al het geen ik toen voor deeze ongelukkige doen konde, bestond in het verzoeken der edelmoedige bescherming van den heer LOLKENS ten haaren voordeele. Ik verzogt hem, om haar ten minsten eenigen tyd op Paramaribo te laaten; en zyne menschlievenheid deed hem myn verzoek toestaan.
Den 30sten vernamen wy, dat onze Neger-Jagers, een dorp der muitelingen ontdekt hebbende, het zelve hadden aangetast. Zy doodden aldaar vier mannen, wien zy vervolgens de regtehand afkapten, dien zy aan den Gouverneur te Paramaribo zonden, als een blyk van hunne dapperheid en getrouwheid: zy maakten daarenboven drie gevangenen.
De Colonel FOURGEOUD verliet, op deeze tyding, de Rivier van Surinamen, alwaar hy zig als nog bevond, en vermoedende, dat men oogenblikkelyk het gebruik van zyn Regiment zoude noodig hebben, kwam hy den eersten Mey weder te Paramaribo aan; maar de zaak, die hem dit besluit deed neemen, had geene gevolgen. Tot onze groote verwondering liet men ons steeds naar ons welgevallen leven. Den 4den Mey egter wierden de Jagers op het Fort Zelandia gemonsterd. Ik was 'er by tegenwoordig, en moet toestemmen, dat deeze krygsbende van Neger-soldaaten het schoonste voorkomen had. De opregte en krygshaftige gedaante, die hen onderscheidde, deed my een groot genoegen. Zy ontfingen op nieuw de dankbetuigingen van den Gouverneur, voor hunne trouwe en dapperheid, in het inneemen van Boucou. Vervolgens gaf men hun, in de nabyheid van Paramaribo, een feest in het open veld, waar by hunne nabestaanden genoodigd wierden. Verscheide aanzienlyke persoonen van beiderleije kunne verscheenen op het zelve, en zagen met een groot genoegen hunne dappere verdedigers. De vreugde en opregte vriendschap heerschten eindelyk dien geheelen dag, zonder dat dezelve door eenige wanorde gestoord wierden.
Het Schip Westellingwerf verliet ook in dit oogenblik de Rivier van Surinamen, om naar Holland te rug te keeren; maar vooraf moest het zelve de Volkplanting van Surinamen aandoen. Onze beide oorlogschepen, zonder ons zeilvaardig gemaakt zynde, was 'er reden om te vermoeden, dat wy wel dra tot wezentlyker dienst, dan tot dus verre geschied was, gebruikt zouden worden. Wy hadden in de daad reden te verlangen, of dat dit gebeurde, of ten minsten, dat men ons veroorloofde om spoedig naar Europa te rug te keeren. De nadeelige gevolgen van deeze luchtstreek deeden zig niet alleen aan onze Officiers, maar zelfs aan onze soldaaten, gevoelen; en verscheiden, zoo van de een als van de anderen, gaaven zig niettemin by aanhoudenheid aan buitenspoorigheden over, die in deeze Volkplanting maar al te gemeen zyn. Een verdrietelyke arbeid en kwaade behandelingen deeden onze arme matroozen geduurig sneven. Onze soldaaten wierden de slachtoffers van werkeloosheid en wellustigheid, en dagelyks stierven 'er vyf of zes. Het is derhalven klaar, dat buitenspoorigheden, van welken aart ze ook zyn mogen, aan de Europeaanen in Guiana schadelyk zyn.
Maar de menschen geeven dikwils raad, dien zy zelve niet volgen. Dus, in weerwil van myn eerste besluit om de vermaaken te laaten vaaren, gaf ik my op nieuw aan allerlei zoort van uitspanningen over. Ik wierd lid van een gezelschap, alwaar men by elkander was om te drinken: ik deelde in de geoorloofde of ongeoorloofde vermaaken van myne medgezellen, en ging my in duizend uitspoorigheden te buiten. Ik ontsnapte egter de straffe niet, die ik zoo wel verdiende. Eene verschrikkelyke koorts tastte my op het onverwagtst aan, en dezelve was zoo geweldig, dat men in korten tyd alle hoop ter myner geneezinge verloor. Deeze gesteldheid hield zeventien dagen lang aan, geduurende welke ik in myn hangmat moest blyven liggen, zonder eenig ander gezelschap dan van een soldaat en mynen kleinen Neger. De besmetting was algemeen onder de geenen, die nieuwlings uit Europa gekomen waaren. Ieder van ons volk dezelve trachtende te ontwyken, of te overwinnen, veronagtzaamde men op die wyze zyne beste vrienden. Dit verwyt kan egter niet te laste gelegt worden aan de Colonisten, die misschien voor de Europeaanen de meest gastvrye menschen op den aardboden zyn. Niet alleen bezorgen zy alle zoorten van hartsterkende middelen in ruimte aan den zieken; maar zy beyveren zig zelfs, om van den morgen tot den avond in zyne kamer te zyn: vrienden of vreemdelingen, zonder onderscheid, dienen zy van raadgevingen, stellen orde, en betoonen al zuchtende hun mededogen, tot dat de ongelukkige buiten zinnen geraakt of sterft. Dusdanig zou myn onvermydelyk lot geweest zyn, en ik zoude my tusschen de twee uitersten van eene geheele verlaating, of van eene doodelyke kwelling bevonden hebben, zonder de gelukkige tusschenkomst van myne arme JOANNA, die, op zekeren morgen in myne kamer komende, met eene van haare zusters vergezelt, my zoo veel verwondering, als blydschap verwekte. Zy zeide my, dat zy wist, in welken staat van verlaating ik my bevond, en dat, zoo ik immer goede gedachten van haar gehad hadde, ik haar als eene byzondere gunst de vryheid zoude toestaan, om tot myn herstel by my te blyven. Ik deed dit, of liever ik nam haar aanbod met de levendigste erkentenis aan. Haare aanhoudende oppassing deed my myne gezondheid zoo gezwind weerom krygen, dat ik korte dagen daar na in staat was, om in de koets van den heer KENNEDY eens lucht te scheppen.
Tot op dit oogenblik was ik eenvoudiglyk de vriend van JOANNA geweest; maar ik gevoelde toen, dat zy my geheel had ingenomen. Ik vernieuwde haar myn voorstel om haar vry te koopen, haar eenige meerdere kundigheden te doen verkrygen, en haar naar Europa mede te nemen. Dit aan bod deed ik met de grootste oprechtheid; maar zy wees het zelve als nog van de hand, met te zeggen:
"Ik ben geschikt om in de slavernye te leven. Indien gy van my te veel werk maakt, zult gy de achting uwer vrienden zien verflaauwen. Aan den anderen kant, zal het verkrygen van myne vryheid u kostbaar, moeielyk, en misschien ondoenlyk wezen. Schoon Slavin zynde, klopt in my egter een hart, het geen ik vermeene, dat voor het hart der Europeaanen niet behoeft te wyken. Ik schaame my dus niet om u te erkennen, dat ik een waar gevoel van teederheid in my ontdekke voor u, die my boven alle anderen van mynen treurigen staat met zoo veel onderscheiding behandeld hebt. Gy hebt deernis met my gehad, myn Heer! en tans ben ik 'er hoogmoedig op, dat ik u op myne knien mag smeeken, om my toe te staan van by u te blyven, tot dat het noodlot ons van een scheid, of dat myn gedrag u reden geeft, om my uit uwe tegenwoordigheid te verbannen".
Deeze laatste woorden sprak zy uit met neergeslagen oogen; haare traanen rolden op haaren boezem, zy loosde diepe zuchten, en haare hand was in die van haare gezellin gedrukt.
Van dit oogenblik bleef dit uitmuntend meisjen by my. Nimmer had ik reden om van myne daad berouw te hebben, zoo als men by 't vervolg van myn verhaal zal zien.
Ik kan my niet wederhouden, om nog eene andere trek van myne geliefde JOANNA by te brengen: ik had haar voor de waarde van twintig guinies aan geschenken van onderscheiden aart gekocht, en ik was niet weinig verwonderd, toen ik des anderen daags die somme op myne tafel zag; JOANNA had alles aan de kooplieden te rug gebragt, die haar met genoegen de waarde hadden wedergegeven.
"Het is genoeg, zeide zy my, uw edelmoedig oogmerk gezien te hebben; ik zoude alle overtollige onkosten, voor my gedaan, beschouwen, als eene vermindering van de goede gedachte, die gy, zoo ik hoop, van myne onbaatzuchtigheid hebt, en die ik steeds trachten zal te blyven aankweeken".
Deeze was de taal van eene slavin, die niet dan de natuur tot leidsvrouw had. De zuiverheid van haare gevoelens heeft geene rechtvaardiging noodig; en ik had besloten alle myne zorgen aan haar te besteeden.
Ik zal 'er tans byvoegen, dat myne hoogachting voor haare onbevlekte deugd, zoo zeldzaam onder die van haaren staat, haare dankbaarheid voor alle myne gunstbewyzen, en het genoegen van een zoo volmaakt caracter in eene slavin te doen kennen, my hebben kunnen bloot stellen, om my de afkeuring van myne lezers, met hen over dusdanig onderwerp te onderhouden, op den hals te haalen. Laat myne verdediging hier in bestaan: dat, zoo iemand 'er zyne goedkeuring aanhecht, ik my al te gelukkig rekenen zal.
Deezen zelfden dag gaf ik een bezoek aan den heer DEMELLY, die, zoo wel als zyne vrouw, my met myne herstelling geluk wenschte; en te gelyker tyd, hoe vreemd dit ook schynen moge, wenschten zy my al glimlachende veel geluks met die geene, welke zy myn overwinst geliefden te noemen. Eene vrouw, aldaar tegenwoordig, verzekerde my, dat zoo al myn gedrag door iemand gelaakt wierd, het door verre de meesten zoude worden goedgekeurd.—Eene gepaste maaltyd, waar by verscheiden myner aanzienlykste vrienden genoodigd waaren, en geduurende welke ik zoo verrukt was, als geen jong getrouwd man immer wezen konde, eindigde de plechtigheid.
ZESDE HOOFTSTUK.
Verschrikkelyke strafoeffening.—Onzekere gesteldheid der staats-zaaken.—Korte tusschenpoozing van vrede.—Een Officier gedood, en zyne geheele krygsbende aan stukken gehouwen.—Algemeene wapenkreet in de Volkplanting.
Den 21sten Mey, stierf onze Lieutenant Colonel LANTMAN, en een aantal van onze Officiers waaren ziek.
In plaats van uitspanning en vreugde, oeffenden de ziekte en de dood derzelver verwoestingen onder ons uit. Dit kwaad vermeerderde van dag tot dag, en in eene verschrikkelyke maate, onder onze soldaaten. Het lyk van den heer LANTMAN wierd met krygseer bygezet, in het midden van het Fort Zelandia, alwaar alle de misdadigers in gevangenis gesteld, en de Officiers begraven worden. Ik was niet weinig ontsticht, van op deeze plaats de gevangene muitelingen en andere Negers op de grafplaatsen der dooden kunne ketenen te zien schudden, en bananen en ignames te zien braden. Zy deeden zig aan mynen geest voor, als een groot getal duivels, die, onder de gedaante van deeze Africaansche Slaven, de zielen hunner vervolgers pynigden. Dien zelfden dag wierden zeven gevangen Negers uit deeze plaats van wanhoop gehaald, en door eenige lyfwagten naar de strafplaats gebragt, zynde dezelve tevens de begraafplaats der soldaaten en matroozen. Men hing 'er zes van op; en de zevende wierd met een yzeren bout levendig gerabraakt. Een blanke wierd bovendien door den beul, die in dit Land altyd een Neger is, voor het Rechthuis gegeesseld. Ik verhaal deeze strafoeffening alleen, om de afschuwelyke strengheid te bewyzen, waar mede men de slaven behandelt, naardien een Europeaan, die beter onderricht moest zyn, 'er met een ligte lyfstraf zoude afkomen, terwyl, zonder van de zes anderen te spreken, een ongelukkige Africaan, zonder opvoeding, het leven verloor, onder folteringen, welke hy doorstond zonder een zucht te loozen, of eenige klaagstem te doen hooren, en zulks om een misbedryf, dat aan beiden gemeen was, van namelyk op het Stadhuis eenig geld ontvreemd te hebben. Een van hun, die opgehangen wierden, den strop reeds om den hals hebbende, keek boven van de galge met een glimlach van verachting de Regeering aan, die by de strafoeffening tegenwoordig was. Ik moet hier niet vergeten, dat de Neger, die den blanken geesselde, hem niet dan met het voorkomen van groot mededogen de slagen toebragt. Zulke wreedheden noodzaken my te verklaaren, dat van de Europeaanen en Africaanen, welke deeze Volkplanting bewoonen, de eerstgemelden de meest ontmenschten zyn.
Myne verwondering betuigd hebbende over de onverschrokkenheid, waar mede deeze Negers zulke wreede straffen trotseerden, en ook niet minder myne verontwaardiging over deeze verschrikkelyke slagtingen, sprak my een man van een goed voorkomen, zig tot my vervoegende, dus aan. "Myn heer, gy zyt kortlings uit Europa gekomen, en hebt weinig kennis van de behandeling, die men den slaven aandoet, zonder 't welk gy minder verwondering en gevoeligheid betoonen zoud. Het is nog niet lang geleden, vervolgde hy, dat ik een Neger levendig heb zien hangen aan een galg, en wel door de ribben, waar door men eerst door middel van een mes een opening gemaakt had, om 'er een yzeren haak, aan een ketting vast gemaakt, door te steeken. De ongelukkige leefde op die manier drie dagen, met het hoofd en de voeten naar den grond hangende. Om het vuur, het welk hem inwendig verteerde, te verzagten, poogde hy de droppelen water, (het was in het regen-saisoen) die langs de kreuken van zyn ontvlamden borst afdroopen, met zyne tong op te vangen. In weerwil van deeze afschuwelyke foltering, liet hy geen enkelen weeklagt hooren; en zelfs deed hy aan een Neger, wien men door geesselslagen onder de galg van een reet, een verwyt over het geschreeuw, dat dezelve maakte. Hem by zyn naam genoemd hebbende, zeide hy hem: Da Boy Facy; zyt gy een man? gy gedraagt u als een kind!—Eenige oogenblikken daar na had de schildwagt, die by hem post hield, mededogen met zyne folteringen, en maakte 'er een einde van, door hem met de kolf van zyn snaphaan een slag op het hoofd te geven."—Dezelfde persoon voegde 'er by: "Ik heb een anderen Neger levendig zien vierendeelen. Vier sterke paarden trokken hem aan armen en beenen. Men duwde hem yzere nagels tusschen alle zyne voeten, en toonen, zonder dat de pyn hem de allerminste beweging deed maken. Om een glas brandewyn gevraagd hebbende, zeide hy, al gekscheerende, aan den beul, dat deeze 'er eerst van zoude proeven, uit vreeze van vergeven te zullen worden. Vervolgens beval hy hem aan wel toe te zien, dat zyne paarden behoorlyk trekken zouden; en hy stond zyne verschrikkelyke straf door zonder een zucht te loozen. Niets is voorts in deeze Volkplanting meer gemeen, dan dat men oude lieden levendig ziet rabraaken, en jonge vrouwlieden aan paalen vast ketenen, om aldaar door een langzaam vuur verbrand te worden." Ik was verstyft op het hooren van zulke verschrikkelyke verhaalen: de neerslagtigheid en droefheid, die zulke afgrysselyke toneelen in my verwekten, lieten my naauwlyks toe, om naar myn huis te rug te keeren.
Den 24sten, nieuwe krygsbehoeften uit Holland ontfangen hebbende, en van geen nut in de Volkplanting zynde, wierd algemeen besloten, dat wy spoedig onder zeil zouden gaan. Ons Regiment, schoon het gedeeltelyk door de Vereenigde Gewesten onderhouden wierd, was niettemin tot een zwaaren last voor de Maatschappy van Surinamen, en voor de inwoonders, die gezamentlyk alle de overige kosten betaalden. Derhalven wierd, in de hoop, dat wy omtrent half Juny zouden inscheepen, voor de tweede maal bevel gegeven, om hout en water aan boord over te voeren, en alle noodzakelyke toebereidzelen te maken.
Het is nutteloos te zeggen, wat ik in deeze omstandigheid ondervond. Echter was ik niet lang in de onzekerheid, want men ontfing des anderen daags bericht, dat de muitelingen eene Plantagie geplonderd, en de Opzichters vermoord hadden. Ons verblyf wierd dus, op verzoek van den Gouverneur zelven en van de inwoonders, verlengd. Dienvolgende wierden de drie transport-fregatten, die zedert den 9. February tot groote kosten altoos zeilvaardig gehouden waaren, buiten dienst gesteld; en men sloot alle derzelver krygsbehoeften in 't Quartier-Generaal, in bergplaatsen, die tot dit einde aangelegt waaren.
De inwoonders ziende, dat ons krygsvolk zig gereed maakte om dadelyk dienst te doen, begonden zig gerust te stellen. Zoo men al de beweegreden, welke ons aan het vreedzaam leven, dat wy leidden, ontrukte, moet betreuren, men moet tevens toestemmen, dat de Volkplanting meer belang had, om ons te velde te zien trekken, dan om ons te Paramaribo als lediggangers te laaten. Wy maakten derhalven alle onze toebereidzels tot den oorlog geduurende eenige dagen in gereedheid; en onze zee-soldaaten scheenen met een uitmuntenden geest bezielt. Maar den 7den Juny verklaarde men ons van hooger hand, tot onze onuitspreekelyke verwondering, voor de derde maal, dat, vermits de vrede hersteld was, en naar alle waarschynlykheid by vervolg niet meer stond gestoord te worden, de Volkplanting van Surinamen onzen dienst niet meer noodig had. Deeze tegenstrydige besluiten moesten noodwendig, zoo op het krygsvolk als op de inwoonders, een zeer kwaad gevolg te weeg brengen; en 'er deeden zig partyen op, die van woorden tot daaden kwaamen.
Zommige lieden beschuldigden den Gouverneur van jaloersheid over het onbepaald gezag, waar mede de Colonel FOURGEOUD bekleed was: anderen beweerden, dat deeze daar van misbruik maakte, en den eerstgemelden niet met die beleefdheid behandelde, welke hy hem had kunnen betoonen, zonder zyne eigene waarde te verzwakken. Terwyl alzoo de een verklaarde, dat wy, de muitelingen in toom houdende, het bolwerk der Volkplanting waaren, beschouwden hunne tegenpartyen ons niet anders dan als menschen, die gekomen waaren om de Volkplanting uit te putten.
Zonder het geschil zelve te beslissen, zal het my genoeg zyn te zeggen, dat zulk een misverstand ons verblyf op Paramaribo aller onaangenaamst maakte; want tusschen deeze twee partyen in de klem zittende, hadden wy eindeloos veel te lyden. Dien zelfden dag aan boord van een Hollandsch Schip, dat op de reede lag, aan tafel zittende, wierden wy door den vreeslyksten donderslag, die ik in myn leven gehoord heb, op 't onverwagtst ontrust. Verscheiden Negers, en een aantal vee, wierden door den blixem dood geslagen. Byna te gelyker tyd wierd de Stad Guatimala, in oud Mexico, door eene aardbeeving, welke meer dan agt duizend huisgezinnen deed omkomen, ingezwolgen.
Den 11den ontfingen de fregatten, die weder in dienst gesteld waaren, bevel, om zig in aller yl tot een spoedig vertrek gereed te maken, en ieder van ons bereidde zig daar toe in 't byzonder.
My dus van allen krygsdienst ontheven bevindende, ontfing ik eene zeer beleefde uitnoodiging van den heer CAMPBELL, die met den heer KERRY, by mynen vriend den heer KENNEDY gehuisvest was, om hem naar het Eiland Tabago te vergezellen, alwaar ik myne gezondheid zoude kunnen herstellen. Hy had het ontwerp, om langs de Eilanden onder den wind, met my naar Europa te rug te keeren. Alles wel ingezien zynde, was dit aanbod my zeer aangenaam, en in de daad, ik zoude het zelve met genoegen hebben aangenomen, waare het niet, dat eene nieuwe wapenkreet, die zig den 15den verspreidde, daar in verandering hadde toegebragt. Een Officier van het krygsvolk der Compagnie was door de muitelingen gedood, en zyne geheele krygsbende, uit dertig mannen bestaande, in stukken gehouwen. Dusdanige gebeurtenis overrompelde de geheele Volkplanting met vrees en ontsteltenis. De naam van deezen Officier was LEPPER, en hy was slechts Lieutenant. Zyne dapperheid en hevigheid, die door niets wederhouden wierden, waaren oorzaak van zyn ongeluk, waar van het niet ongepast is eenige byzonderheden op te geven.
Toen deeze ongelukkige gebeurtenis voorviel, was het, zoo als men in Surinamen spreekt, het saisoen van droogte. De heer LEPPER toen vernomen hebbende, dat de Neger-Jagers eene bezitting der muitelingen tusschen de Rivier Patamaca, en het bovenste gedeelte van die, welke den naam van Cormoetibo draagt, ontdekt hadden, besloot hy, om met zyne manschappen alleen, die een gedeelte uitmaakten van een post, aan de eerstgemelde van deeze twee Rivieren geplaatst, dwars door de bosschen door te dringen, en dezelve aan te tasten. Maar de muitelingen wierden door middel van Spions, die zy by aanhoudenheid in 't werk hadden, van zyn besluit verwittigt, en trokken hem te gemoet. Zy wierpen zig in eene hinderlaag op zynen weg, by een diep moeras, het welk hy doorwaaden moest, om te kunnen komen ter plaatse, waar zy zig neergeslagen hadden. De ongelukkige soldaaten waaren zoo dra niet in dit moerassig water tot onder de armen ingegaan, of de Negers kwaamen uit hunne schuilplaats voor den dag, en schooten hen met gemak onder den voet; vermits de plaatsing, waar in deeze dappere lieden stonden, hen belette, om op nieuw hun geweer te laaden, en gevolgelyk meer dan eens vuur te geven. Hunne onvoorzichtige maar moedige Bevelhebber, die door een gouden lis aan zyn hoed kenbaar was, viel onder de eersten dood. Het klein getal van hun, die uit het moeras uitkwamen, wierd dadelyk, en dat wel op de wreedste wyze vermoord, uitgenomen vyf of zes, welken de muitelingen krygsgevangen maakten, en naar hun dorp bragten: ik zal op een geschikter plaats het treurig lot van deeze laatsten verhaalen, zoo als ik het naderhand van lieden, die 'er getuigen van geweest zyn, vernomen heb.
Deeze tyding kwam zoo dra niet te Paramaribo, of de geheele Stad was in verwarring. Eenige inwoonders stelden zig zoo doldriftig aan, dat zy den Gouverneur en zynen Raad in stukken wilden houwen, om dat zy tot het vertrek van ons Regiment bevel gegeven hadden. Anderen verklaarden met nadruk, dat, indien wy tot geenen anderen dienst geschikt wierden, dan tot dus verre geschied was, men ons zonder leedwezen konde zien vertrekken. Dit alles was zeer grievend voor onze Officiers, die niets vuuriger verlangden, dan in den dienst der Volkplanting met nut gebruikt te worden. Van eenen anderen kant wierden, door de geheele Stad, tegen den Gouverneur en zynen Raad de hekelendste schimpredenen verspreid. Men maakte tegen hen zulke schimpschriften, dat zy niet minder dan duizend goude ducaaten uitloofden, ter belooning van hem, die 'er den Schryver van zoude aanwyzen, en zy beloofden hem zelfs zynen naam geheim te houden, indien hy 'er op stond, Dit was zonder vrucht; 'er deed zig geen aanbrenger op. Dewyl echter het algemeen geroep bleef aanhouden, waaren de Gouverneur en Raad voor de derde maal genoodzaakt ons te verzoeken, om in Surinamen te blyven, ten einde aldaar de Volkplanting te verdedigen. Wy naamen dit verzoek, zoo als plichtmatig was, met genoegen aan; en de Schepen wierden op nieuw ontladen.
Wy volhardden echter met niets uit te voeren: zy, die in eene andere manier van handelen belang hadden, waaren daar over ten uitersten verwonderd. Onze geheele dienst bestond in op het Quartier-Generaal te wacht te komen, om aldaar de vaandels, den Bevelhebber, zyn voorplein, en pakhuizen te beschermen; en op de transport-schepen, tot dat de ingelaaden voorraad aan land gezet was. Zie daar, welke onze krygsverrigtingen waaren, uitgenomen echter eenige oeffeningen van parade, in de brandende hitte der zon, waar door verscheiden onzer soldaaten in flaauwte vielen. De lezer is buiten twyffel onverduldig, om deeze twee zonderlinge menschen te kennen, die door hunnen wederkeerigen haat en tegenkantingen, als mede door andere beweegredenen, de oorzaak van deezen onzekeren staat waaren. Eenige trekken hunner schilderye zullen misschien dit geheim opklaaren.
Dewyl nog vleiereije nog vrees my immer bezielt hebben, kan men staat maaken, dat ik, deeze beide lieden volmaakt gekend hebbende, hen overeenkomstig hunne waare trekken schetsen zal, hoe sterk de schaduwen daar van ook schynen mogen.
De Gouverneur, NEPVEU genaamt, ging eer voor een man van goed gevoel, dan van kunde door. Hy had de minste bekwaamheid niet; en echter was hy van schoonmaker van de Raad-Kamer, het geen hy eerst was, tot de waardigheid gekomen, welke hy tans bekleedde. Gevolgelyk was hy tot niets anders bekwaam, dan om geld op elkander te stapelen: men rekende zyne gegoedheid op agt duizend ponden sterling aan inkomsten. Het geen hem vervolgens meest bezig hield, was het geeven van beveelen, om zig door lieden van allerleijen rang te doen eerbiedigen, en men dorst hem niet dan van verre aan. Zyne houding was anderzints vriendelyk. Schoon tot boerterye aangezet wordende, verloor hy nimmer zyne koelbloedigheid; het geen hem het voorkomen van een man van de waereld gaf, en hem een onbepaalden invloed bezorgde. Doorgaans gaf men hem den naam van de Vos; en waarlyk, hy bezat veele looze streeken.
De caracter-schets van den Colonel FOURGEOUD is van een geheel tegenstrydigen aart. Deeze Officier was hevig, driftig, voortvaarend, en wraakzuchtig. Schoon hy niet wreed was omtrent de byzondere persoonen, afgezonderd beschouwd, was hy een dwingeland voor allen in 't gemeen, en door zyne verachtelyke gierigheid, en het misbruik van zyne macht, veroorzaakte hy den dood van veelen. Hy was daarenboven partydig, ondankbaar en twistziek; maar hy trotseerde vermoeienissen en gevaaren met den grootsten heldenmoed en standvastigheid. Gestreng en hard omtrent zyne Officiers zynde, ontbrak het hem egter niet aan gemeenzaamheid omtrent zyne soldaaten. Hy had veel geleezen, maar geene opvoeding ontfangen hebbende, konde hy van zyn leezen geen vrucht trekken. Om kort te gaan, weinige menschen waaren in staat om beter te spreken dan hy, en om ook tevens in de meeste gelegenheden slechter te werk te gaan.
Dusdanig was de verschillende inborst van beide onze Opperhoofden. Zulke tegen elkander aanloopende hoedanigheden waaren in staat, om het onheil van het krygsvolk te berokkenen, en den dobberenden toestand van de staats-zaaken der Volkplanting te veroorzaaken.
Dewyl men ons steeds in werkeloosheid liet leven, ben ik tans van het genoegen beroofd, om de dappere daaden van onzen Colonel te verhaalen. Maar om myn verhaal af te breken, zal ik eenige merkwaardige vogelen beschryven, en een begin maken met de Toucan. Deeze vogel draagt in Surinamen den naam van Banarabeck of Cojacai, het zy om dat tusschen zyn bek en de bananen eenige overeenkomst is, het zy om dat hy gewoon is 'er zig mede te voeden, het zy eindelyk om deeze beide redenen te zamen.
De Toucan is niet veel grooter dan een hokduif, en echter heeft hy een bek van ten minsten zes duimen lang. Hy heeft de gedaante van een bonte kraay, en ligt zyn staart op, uitgenomen wanneer hy vliegt. Zyn lyf is bedekt met zwarte vederen, uitgezonden de keel en den hals, die van een fraaije witte kleur zyn, van het zwart der borst afgescheiden door een band van eene zeer doordringende roode kleur, de gedaante hebbende van een omgekeerde halve maan. Boven en onder de staart ziet men eenige witte en karmozyn-kleurige vederen. Het hoofd van den Toucan is breed. Eene blaauwachtige streep omringt zyne oogen, waar van de oogbol geel is. Zyne pooten, zeer gelykende aan die van een Papegaay, zyn van een loodkleur. Zyn bek verdient eene byzondere opmerking. Dezelve is krom, zoo dun als pergament, en by gevolg zeer ligt; de halve bek van boven is geel; de kanten zyn van een hooge, zeer fraaije, orange kleur, en zyn tong gelykt zeer veel naar een veder. [13]
Ik zag ook, by den heer LOLKENS, een andere huisvogel, die, zoo ik denk, dezelfde is, welken wy den Vliegen-eeter noemen, en dien men in dit Land noemt Sun-fowlo, om dat hy, zyne vlerken uitspreidende, het geen hy zeer dikwils doet, in het binnenste gedeelte een heerlyke zon vertoont. Deeze vogel heeft byna de gedaante van een houtsnip. Hy heeft goudkleure vederen, maar gevlakt; de pooten zeer lang; de bek van gelyken, en volmaakt recht en puntig. Hy bedient 'er zig van om de vliegen met zulk eene gaauwigheid en gezwindheid te vangen, dat 'er hem geene enkele ontsnapt, en dit maakt ook, naar alle waarschynlykheid, zyn voornaamste voedzel uit. Deeze eigenschap maakt hem nuttig en tevens aangenaam. Men zoude hem zeer gepast de altoosduurende beweging kunnen noemen; want zyn lyf beweegt zig onophoudelyk; zyn staart doet dit insgelyks, en heeft het voorkomen van den slinger van een uurwerk.
Na deeze twee vogelen, waar van de een het tegen over gestelde van de ander is, moet ik hier byvoegen, dat onder alle die geenen, welke om de fraaiheid hunner vederen in Guiana opmerking verdienen, 'er slechts drie of vier zoorten zyn, welker zang eenige maat, of liever eenige zachtheid heeft, zonder dat tusschen dezelven eenig het minste onderscheid is.
Ik moet insgelyks alhier melding maaken van een anderen vogel, welke als het tegengestelde van den spotvogel (the mock bird) kan worden aangemerkt, namelyk van het winter-koningje. Hy word door de Colonisten in Surinamen genoemd Gado-fowlo, of de vogel van den goeden God, waarschynlyk uit hoofde van zyne gemeenzaamheid, en zyn zoet gezang. Grooter zynde dan het Engelsch winterkoningje, gelykt hy door zyne pluimaadje zeer naar denzelven. Zyn betooverende zang heeft hem ook den bynaam doen geven van den Noord-Americaanschen Nachtegaal.
Den 21sten stierf de heer RENARD, een van onze beste Heelmeesters, en wierd denzelfden namiddag begraven; het geen in zulk eene heete luchtstreek noodzakelyk is, alwaar het bederf der lyken zeer schielyk plaats heeft, vooral wanneer de dood veroorzaakt is door eene rotkoorts, eene ziekte, die in dit Land uittermaten gemeenzaam is. Zy vertoont zig in het begin door eene galbraaking, door eene buitengewoone verzwakking, en door de geele kleur der oogen en van de huid. Wanneer men 'er niet oogenblikkelyk de gepaste hulpmiddelen tegen te werk stelt, word de kwaal doodelyk, en in weinige dagen volgt 'er de dood ontwyffelbaar op. 'Er is in Guiana ook een zoort van koliek, naar zommiger gevoelen gelyk aan dat van Devonshire, het welk pynlyk, dikwils voorvallende, en zeer gevaarlyk is. Een groot aantal van ons volk wierd 'er door aangetast; en ik kan 'er geene reden van opgeven. Het kondigt zig aan door eene hardnekkige verstopping. De oly van Bevergeil, inwendig genomen, is 'er het geneesmiddel tegen.
Het was deerniswaardig de gesteldheid te zien, waar toe ons volk gekomen was; daar het zelve by hun vertrek bestond uit jongelingen, zoo gezond, als immer uit Europa waaren uitgezeild, hadden dezelve tans hunne bloozende kleur tegen de bleeke doodverwe verwisseld. De aanmerking, dat onze gezondheid tot hier toe zonder eenig nut verlooren was, verschafte ons ook weinig troost in onze ongemakken. Zommige lieden beweerden, dat het gedrag, ten onzen opzigte gehouden, het gevolg was van een staatkundig stelzel, alleenlyk strekkende om een Regiment te meer by het krygswezen in Holland te voegen, gelyk dit weleer ten aanzien der zee-soldaaten van den Colonel DE SALVE gebeurd was: maar anderen sloegen aan deeze redeneering weinig geloof.
De gastvryheid der inwoonderen was eene der voornaame oorzaaken van onze kwaalen, vermits in weinige maanden de gedienstigheden der mannen, en de goedheden der vrouwen, ons op den rand van het graf gebragt hadden. Deeze omstandigheden maakten van Surinamen voor onze ongelukkige oorlogshelden een ander Capua.
Den 27sten Juny, stierf de Baron GERSDOPH, die in de plaats van onzen Lieutenant Colonel gekomen was, en wierd door allen, die hem kenden, zeer betreurd. De sterfte met de hoofden onzer krygsbende beginnende, verschafte zulks ten minsten eenigen troost aan de Officiers van lageren rang. Men liet hun posten om te vervullen, waar toe de Colonel FOURGEOUD, wien de besmetting in 't geheel niet dreigde, de benoeming deed. De Majoor BEKKER wierd tot Lieutenant Colonel, en de Capitain ROCKAPH tot Majoor aangesteld.
De beesten van onze luchtstreek, die men in deeze Gewesten vind, verzwakken en ontaarten aldaar niet minder dan de menschen. De os, by voorbeeld, is 'er zeer klein, en deszelfs vleesch is zoo lekker niet als in Europa. Men moet dit waarschynlyk toeschryven aan zyne aanhoudende uitwaasseming, en aan het grover kruid, waar mede hy gevoed word; het is nog slechter, dan dat der zout-moerassen van het Graafschap Sommersel. De ossen zyn talryk aan de oevers van de Orenoco, zy weiden aldaar aan den weg; en de Spanjaarden verkoopen die voor den matigen prys van twee patacons (ten naasten by zes guldens) het stuk. Een stuk ossenvleesch, gebraden uit Europa gezonden, word in Guiana als een zeer schoon geschenk beschouwd. Om het zelve zoo verre zonder bederf te doen aankomen, legt men het in een vat van tin, vervolgens draagt men zorg om 'er het vet over heen te gieten, zoo dat het geheel bedekt is; daar na sluit men dit vat zoo digt toe, dat 'er geen lucht nog water kan doordringen. Men zegt, dat met deeze voorzorge dit vleesch zeer gerust den aardbol zoude kunnen omreizen.
De schaapen zyn in dit Land zoo klein, dat wanneer 't het vel afgetrokken is, zy het voorkomen van lammeren hebben. Zy zyn zonder hoornen, en een wreed hair dient hun in plaats van wol. Hun vleesch vind by de Europeaanen weinig smaak. Men moet het dus, gelyk ook het ossenvleesch, enz. denzelfden dag eeten, op welken men het beest geslagt heeft, het geen het zelve taay maakt: maar het bederft, wanneer men het langer wil bewaaren: deeze twee zoorten van viervoetige dieren zyn van het oude vaste land naar Guiana overgebragt. Zoo is het ook gelegen met de varkens, die 'er echter beter zyn. Ik vermeene, dat ze in Zuid-America, ten minsten in Suriname, veel grooter zyn dan in Europa. Zy hebben veel vleesch en spek, en zyn van een goeden smaak. Men voed ze met alles, en zy worden gemest met groene pyn-appelen, waar op zy zeer heet zyn. Het gevogelte is ook zeer goed in dit Land; de gewoone hoenderen zyn 'er goed, maar niet zeer groot, en derzelver eijeren vry spits. De binnenlandsche Indianen kweeken een zoort van huishennen aan, die nog veel kleinder zyn, en gekrulde vederen hebben, het geen in Guiana natuurlyk schynt te wezen. De kalkoenen zyn aldaar zeer goed; als mede de ganzen, maar voor al de eendvogels, die aldaar van een zoort als de Moscovische zyn, en een zekere paerel van karmozyn kleur tusschen den kop en de bek hebben: zy zyn sappig, vet, en in grooten overvloed.
Na alle de uitstellen die wy ondervonden, zal de lezer misschien verwondert zyn te verneemen, dat wy eindelyk bevel ontfingen, om, zoo wel Officieren als Soldaaten, op het eerste sein ons gereed te houden. Onze krygsbende, die, by derzelver aankomst, op drie honderd dertig gezonde manschappen beliep, bevond zig tans door ziekten en sterfte een vierde verminderd. Men vergoedde eenigermaten dit verlies op eene wyze, die aan een Europeaan zonderling moet voorkomen.
Twee Negers, waar van de een OKERA, en de ander GOUSARY genoemd wierd, die in de Volkplanting de Berbices Capitains der muitelingen geweest waaren, leverden hun Opperhoofd over, en kreegen dienvolgende vergiffenis. Deeze twee lieden hadden, geduurende deezen opstand, de verschrikkelykste moorden aan Europeaanen gepleegd: zy wierden als soldaaten in onze krygsbende ingelyfd, en wierden de gunstelingen van den Colonel.
Alvoorens Paramaribo te verlaaten, had ik gelegenheid, om twee zeer zonderlinge water-dieren te zien. Het een word gevonden in het kabinet van zeldzaamheden van den heer ROUX; men noemt het zelve in de Volkplanting Jackie, in het Latyn rana piscis, kikvorsch-vis. Hy is zonder schubben, en agt of tien voeten lang. Deszelfs vleesch is lekker en zeer vet, het geen ik verzekeren kan, als 'er van gegeten hebbende. Men vangt die in de kleine kreeken en moerassen. Maar het geen allermerkwaardigst is, deeze visch verandert in eene volmaakte kikvorsch, en niet van een kikvorsch in een visch, [14] gelyk Mejuffrouw DE MERIAN, SEBA, en andere onnaauwkeurige Geschiedschryvers, waar onder het my spyt WESTLEY te noemen, beweert hebben. Ik wierd op dit oogenblik geheel en al van deeze waarheid overtuigd, toen ik dit dier ontleed, en in een fles vol brandewyn hangende zag. Men zag duidelyk de twee agterste pooten van een zeer kleine kikvorsch, onder dat gedeelte van den rug, waar aan de ingewanden vast zitten, uitsteekende.
Het was by mynen vriend KENNEDY, dat ik het andere dier zag: het zelfde, het welk Dr. BARCROFT de Krampvisch noemt, door anderen de electrieke aal genoemd word, en waar in Dr. FIRMIN dezelfde hoedanigheden vooronderstelt, al in de torpedo. Het lyf van dit verwonderlyk dier, hebbende byna de gedaante van een aal, is van een loodachtig blaauwe kleur. Eene breede vinne, veel gelykende naar de kiel van een schip, loopt van onderen van den kop tot de staart. Hy leeft alleenlyk in zoet water. Zommigen geeven hem niet meer dan drie voeten lengte, anderen beweeren, dat hy vier of vyf maaien zoo lang is. [15] Wanneer men hem, het zy met de hand, het zy met een metaal stokje, of met een hard stuk hout aanraakt, verwekt hy eene beweging, waar van de uitwerking dezelfde is, als die der electriciteit. Dr. FIRMIN heeft my verzekerd, dat de schok van deeze electrieke aal hem wierd medegedeeld door eene reije van agt of tien persoonen, die elkander by de hand hielden, om 'er de proef van te nemen.
Alles, wat ik van dit dier kan zeggen, bestaat hier in, dat ik het zelve in eene tobbe vol water heb gezien, alwaar het my voorkwam twee voeten lang te zyn. Myn rok hebbende uitgetrokken, en de mouwen van myn hembd opgestroopt, tragte ik wel twintig maalen agter een hem in de hand te vatten, maar altyd te vergeefs. Ik ontfing telkens eene electrieke beweging, die ik tot in den schouder gevoelde, het geen den heer KENNEDY zeer vermaakte, met wien ik zelfs by deeze gelegenheid eene kleine weddenschap verloor. De electrieke aal zwemt naar goedvinden voor- en agter uit. Men kan 'er zeer gerust van eeten; en zommige lieden vinden dezelve lekker.
Men heeft voorgegeven, dat men dit dier met de beide handen moest aanvatten, alvoorens het den schok mededeelde; maar het zy my geoorlooft, volgens eigene ondervinding, het tegendeel staande te houden. Men heeft ook gezegt, dat men 'er van twintig voeten lengte in Surinamen gevonden had. Wat my betreft, ik heb 'er nimmer een van die grootte gezien. Anderen hebben gewilt, dat door deeze aal menschen zyn gedood geworden: hier van heb ik niet hooren spreken.
Het doet my moeite, om trekken van woestheid en wreedheid zoo dikwils in myn verhaal in te lasschen, maar ik verklaar, eens vooral, dat ik dit doe in de hoop, dat op de eene of andere manier de algemeene bekendheid dezelve zal kunnen voorkomen. Ik vernam, voor myn vertrek, een der aanstootelykste daaden van ongeregeldheid. Eene Jodin, door eene onrechtmatige beweegreden van jaloersheid aangezet, (haar man ten minsten beweerde het) bragt eene zeer schoone vyf-en-twintig jaarige jonge dogter om 't leven, door haar een gloeiend yzer in 't lyf te duwen. Maar, het geen men in een beschaafd land naauwlyks gelooven zal, deeze verfoeijelyke wandaad wierd alleenlyk gestraft met een bannissement naar de Savane der Jooden, een gehucht, het welk ik hier na beschryven zal, en door eene ligte boete ten voordeele van 's Lands kasse.
Eene jonge Negerin, wier beenen door een keten zoo naauw gesloten waaren, dat het haar byna onmogelyk was een tred voorwaarts te gaan, kreeg ter deezer zelfder tyd op het hoofd, de naakte armen en lenden, zoo veele stokslaagen van een Jood, dat haar het bloed uit alle deeze deelen van het lichaam gonsde. De inwoonders deezer landstreeken zyn aan deeze daaden van dwinglandye dermaten gewoon, dat een derde Jood de onvoorzigtigheid had een van myne soldaaten te slaan, om dat hy tegen de heining van zyn tuin zyn water gemaakt had. Ik strafte deezen deugniet, door hem zyn stok af te nemen, welken ik op zyn hoofd aan duizend stukken brak.
Myn haat tegen de Jooden wederhield my niet, om een soldaat, die met de hand in de zak van een van dit volk gevoelt had, uit onze krygsbende weg te jaagen. Ik moet hier opmerken, dat de Hollandsche soldaaten in dit stuk zoo kiesch op hunne eer zyn, dat indien men iemand die voor een schelm te boek staat, in zyn rang laaten wilde, het geheele Regiment de wapenen zoude nederleggen. Het zoude misschien te wenschen zyn, dat zulke gevoelens in andere legerbenden, alwaar men een schurk, mits hy het geluk heeft van zes voeten lang te zyn, met een even goed oog aanziet als een braaf man, ingevoerd wierden.
De Colonel FOURGEOUD kreeg, omtrent deezen tyd, bevel, dat ingevalle twee Officiers of Onder-Officiers van gelyken rang, de een van het Europeesch krygsvolk, de ander van dat der Compagnie, zig te zamen in eene uitgezondene krygsbende mogten bevinden, de eerstgemelde altoos het bevel zoude voeren, niettegenstaande de ander ouder wezen mogt.
Wy maakten ons toen met ernst gereed om te sterven of te overwinnen. Een half dozyn oude suiker-schuiten, met planken bedekt, het geen aan dezelve het voorkomen van doodkisten gaf, moesten ons naar de plaats onzer bestemming overvoeren. In de daad, zy verdienden wel den naam, dien ik haar geve, uit hoofde van het getal menschen, die, na daar in gegaan te zyn, omkwamen.
Den eersten Juny wierden een Capitain, twee Onder-Officiers, een Sergeant, twee Corporaals en agttien soldaaten, naar de Commewyne afgezonden. Ik kan my niet wederhouden alhier eene byzonderheid, betrekkelyk deezen Capitain, te verhaalen. Deeze Officier zig, op den dag toen wy ontscheepten, begeven hebbende naar het huis, het welk hem tot zyn intrek schriftelyk was opgegeven, wierd aldaar door de vrouw van 't huis zeer vriendelyk ontfangen. Zy verklaarde hem, dat zy de Zee-Officiers en soldaaten met alle mogelyke beleefdheid, behandelen zoude, om dat zy aan een der eerstgemelden het leven verschuldigd was. Zy voegde 'er by, dat deeze haar, als mede verscheide andere lieden, in een sloep, op den Atlantischen Oceaan, had overgenomen, alwaar zy zedert zestien dagen zonder kompas, zonder zeilen, nog levensmiddelen, uitgenomen een weinig beschuit en water, rond zworven. Om kort te gaan, de geen tot wien deeze vrouw toen sprak, was dezelfde Officier, die haar aan den dood ontrukt had; zyn naam was TULLING VAN OLDENBARNEVELDT, en hy was toen Lieutenant op een Hollandsch oorlogschip.
Denzelfden dag deeden wy ook een ander vaartuig vertrekken, met twee Officiers, een Sergeant, een Corporaal, en veertien man, allen onder bevel van den Lieutenant Graaf VAN RANDWYCK. Deeze manschappen wierden afgezonden naar de Rivier Pereca. Deezen avond, eenigen myner beste vrienden by my ter maaltyd gehad hebbende, nam ik myn afscheid van myne geliefde JOANNA, aan wien ik de geheele zorge myner kleine bezittingen overliet. Haar zelve vertrouwde ik aan haare moeder en haare moeije toe; en ik had aan dezelve myne beveelen gegeven, om haar in een zoort van school te plaatsen, tot dat ik te rug gekomen zoude zyn: ik begaf my vervolgens aan boord met vier Onder-Officiers, twee Sergeanten, drie Corporaals, en twee-en-dertig soldaaten, allen onder myn bevel. Wy besloegen twee vaartuigen, en onze bestemming was naar het bovenste gedeelte van de Cottica.
Deeze vaartuigen waaren met ringen en kleine musketten enz. gewapend, en voor een maand van krygsbehoeften voorzien. Onze beveelen, (uitgenomen die, welke wy in de Savane der Jooden ontfingen,) bragten mede, om het bovenste gedeelte der Rivieren op en af te vaaren. Elk vaartuig had ten dien einde een Stuurman en tien Neger-slaaven om te roeijen; het welk in 't geheel onder myn bevel, myn kleine QUACO daar onder gerekend, vier-en-zestig man uitmaakte, waar van vyf-en-dertig zig in myn vaartuig bevonden; dat van mynen Lieutenant was gevolgelyk een weinig minder geladen dan het myne.
Ik moet opmerken, dat zedert onze ontscheeping in Surinamen tot heden toe, onze soldaaten betaald waaren in klinkende munt, welke men had voorgeslagen, om hun tegen het papieren geld der Volkplanting te verwisselen. Het voordeel zoude bedragen hebben tien ten honderd; en elk man zou dus, by het einde van het jaar, twee of drie ponden sterling meer getrokken hebben, die hem hadden kunnen dienen, om zig eenige versnapering te bezorgen, maar de Colonel stelde zig daar tegen, en begeerde, dat de betaaling altoos ontfangen wierd in gemunt geld, het welk in kleine sommen uitgegeven wordende, geene meerdere waarde dan het papier had. Deeze tegenstreeving van zynen kant kwam my belachelyk en kwalyk geplaatst voor, dewyl zy voor allen nadeelig was, zonder iemand voordeel toe te brengen. Ik moet ook opmerken, dat elk Officier, die met afgezondene manschappen vertrok, egter by aanhoudenheid zyne tafel moest betaalen, het welk, voor een Capitain, byna veertig ponden sterling 's jaars beliep. Men gaf hem, tot schadeloos-stelling, in zyn vaartuig levensmiddelen mede ter waarde van tien ponden, (dus verloor hy 'er dertig,) bestaande in gezouten ossen- en varkens-vleesch, en in erweten, alles op den zelfden voet als de soldaaten, op eenige flessen wyn na. Ik vermeene echter, dat men een weinig meer verpligt was aan Officiers, die zig geenerhande ververschingen bezorgen konden op eene legerplaats, door de vervaarlykste en ondoordringbaarste bosschen omringd, in het midden van welke zy zig van alle wooningen verwyderd zaagen, en op eenen afstand, van waar men het schieten van 't geschut niet hooren konde. Men had iets minder noodig te doen ten aanzien van de andere vaartuigen, die geplaatst waaren midden tusschen de schoonste Plantagien, alwaar overvloed en vrede heerschten. Dienvolgende wierden wy door lieden van allerleijen rang beklaagd, die, voorziende aan welke noodlottigheden wy stonden te worden bloot gesteld, myn vaartuig omringden, en my noodzaakten een aantal levensmiddelen aan te nemen. De lezer zal over de edelmoedigheid myner weldoeners door de volgende lyst beter oordeelen, dan door alle de lofspraaken, die ik hun zoude kunnen toebrengen.
24 Flessen besten rooden wyn.
12 Flessen Madera wyn.
12 Flessen Engelsche Porter; zynde een zoort
van bier.
12 Flessen Appel-drank.
12 Flessen Jamaicasche Rhum.
2 Zeer groote witte Suiker-brooden.
2 Kruiken Brandewyn. (Omtrent agt pinten.)
6 Flessen Muscaat-wyn.
2 Kruiken Citroen-sap.
2 Kruiken Koffy-Syroop.
2 Gerookte Westphaalsche Hammen.
2 Gerookte Ossen-tongen.
1 Pot met Mostaard van Durham.
6 Dozyn Spermaceti-kaarssen.
Men kan hier uit zien, dat zoo al eenige inwoonders der Volkplanting van Surinamen, door hunne woestheid en wreedheid, zig als het afgryzen der natuur betoonden, anderen wederom door hunne maatschappelyke gevoelens en weldadigheid, 'er het cieraad van waaren.—Ik zal met deezen trek van milddadigheid dit hooftstuk besluiten; en ik durve verzekeren, dat men my altoos meer geneigd zal vinden om de schoone daaden van mynen evenmensch te schetsen, dan om hunne gebreken te doen opmerken.
ZEVENDE HOOFTSTUK.
Vertrek der gewapende vaartuigen tot verdediging der Rivieren.—Beschryving van het Fort Amsterdam.—Krygstocht naar het bovenste gedeelte van de Rivieren Cottica en Patamaca.—Groote sterfte onder het krygsvolk.—Gezicht van de wacht-post van Devil's Harwar.
Den 3den July 1773, des morgens ten vier uuren, ligtten onze beide vaartuigen het anker, en met behulp van het vallend water zakten wy af tot het Fort Amsterdam, alwaar wy wind, eb en vloed hebbende, onder de battery het anker lieten vallen.
Het zal misschien niet ongepast zyn alhier de monteering van onze zee-soldaaten te beschryven: dezelve bestond in een kamisool van een blaauwe kleur, met rood gevoerd. Zy waaren met musketten, sabels en pistolen gewapend, en droegen kruislings een groote haverzak aan de eene, en hunne hangmat aan de andere zyde. In de bosschen waaren zy gekleed met een lange broek en met een linnen overtrek, de geschiktste kleeding in dit Land; allen hadden zy ledere mutsen op.
Na myne beschikkingen gemaakt, en alle myne manschappen gemonstert te hebben, stelde ik de aan my gegevene beveelen te werk, waar by my wierd voorgeschreven de Rivier Cottica op en af te vaaren, tusschen de posten van de Compagnie, de Rochelle, aan de Patamaca, en 's Lands Welvaaren, boven de laatste Plantagie, om de muitelingen te beletten de Rivier over te steeken; dezelven te dooden of krygsgevangen te maken, zoo het my mogelyk was; en eindelyk de Plantagien tegen allen aanval van hunne zyde te beschermen. Ik konde my, zoo ik het noodig vond, in alle deeze verrigtingen door het krygsvolk van de Compagnie, dat op de gemelde posten de wagt had, doen bystaan; en ik moest met hunne Bevelhebbers overeenkomen over het sein, dat ik in geval van alarm geven zoude.
Ik bezigtigde tans het Fort Amsterdam, dewyl ik den tyd en de gelegenheid had, om het te doen.
Het zelve wierd aangelegd in 't jaar 1734, en voltooit in 't jaar 1747: het heeft de gedaante van een geregelde vyfhoek, die door vyf bolwerken gedekt word. Deszelfs omtrek is omtrent van drie Engelsche mylen. Een breede gracht, die haar water uit de Rivier trekt, omringt het zelve, en word verdedigd door een bedekte weg, zeer goed van paalwerk voorzien. Deszelfs grondvesten zyn van een zoort van rotssteen gemaakt. De voornaamste sterkte van den kant der Rivier bestaat in een groote bank of plaat van slyk, die zig langs de voorpunt uitstrekt, en in een battery van geschut, die zelfs platte Schepen belet derwaarts te naderen. Het vuur van dit Fort zig kruisselings vereenigende met dat der Schanssen Leyden en Purmerendt, belet ook het inkomen in de beide Rivieren Surinamen en Commewyne, gelyk ik reeds elders heb gezegt. Het heeft daarenboven kruid-magazynen, en andere, om levensmiddelen te bergen. Men vind aldaar ook alle de gebouwen, die noodig zyn tot verblyfplaatsen voor eene sterke bezetting. Het bevat zelfs tot een windmolen en een regenbak, die meer dan duizend tonnen water houd, het welk, in de daad, min noodzakelyk is, vermits men, naar myne gedachten, de geheele krygsmacht der Volkplanting noodig had, om eenigen tyd lang eene Vesting van zulk eene groote uitgestrektheid te verdedigen. Dicht daar by vind men een groot stuk land, met ignames en andere wortelen beplant, welke dienen tot voedzel voor de slaven van de Compagnie, die men hier houdt, om, onder het opzigt van eenen Commandeur, aan de vestingwerken te arbeiden.
Men houd in het Fort Amsterdam bestendig eene kleine bezetting, onder bevel van een Officier van de artillerie: dezelve verpligt alle Schepen, om de vlag te stryken, en met zeven kanonschooten te groeten: zulks word hun door drie schooten beantwoord, en men rigt een vaandel op de wallen op. Ik zal hier nog byvoegen, dat ten noordwesten dit Fort omringt is met modderpoelen, en ondoordringbaare doornhagen, het geen in den beginne aan dit vak den naam deed geven van het hol van den Tyger.
Na deeze beschryving, zal men my ten goede houden, dat ik met een enkel woord spreke van zekere zeer merkwaardige visschen, die men altoos in een groot aantal by het Fort Amsterdam ziet, en hebbende vier oogen, waar van zy 'er aanhoudend al zwemmende twee boven en twee onder 't water houden. Deeze visschen hebben ten naasten by de gedaante van een spiering, en zwemmen troeps-gewyze met eene ongelooflyke schielykheid. Zy schynen zig vooral te behagen in brak water. Men zegt, dat ze niet kwaad zyn om te eeten, en zy worden door de inwoonders deezer Volkplanting coot-eijes genoemt.
Myne schildwagt wierd deezen avond door een roeischip gehoont. Die 'er op waaren, wenschten ons allen naar den duivel, en zeiden duizend gruwelen van ons. Ik liet aanstonds de kano wapenen, en zette hun agter na: maar door middel van een klein zeil, en de donkerheid van den nacht, naamen zy de wyk naar de punt Parham, en hadden het geluk tot myn groote spyt te ontvlugten. Des morgens van den 4den July, ligtten wy het anker. Den hoek voorby gezeilt zynde, zakten wy met de vloed af, tot aan Elizabeth's Hoop, eene schoone Koffy-Plantagie, waar van de eigenaar, de heer KLEYNHANS, ons noodigde om dezelve te bezichtigen, ons alle mogelyke vriendelykheden bewees, en myn vaartuig met verkoelende vruchten en groenten vulde. Hy zeide ons, dat hy ons lot beklaagde, en voorzeide ons alle de onheilen, waar mede wy gedreigd wierden, voornamelyk uit hoofde van het regen-saisoen, het welk te wagten stond, en zelfs reeds begonnen was door veelvuldige plasregens, met zeer zwaare donderslagen vergezelt. "Wat uwe vyanden betreft, voegde hy 'er by, maakt staat, dat gy 'er, geen een zien zult. Zy zullen u nimmer voor de vuist durven aantasten, en zullen veeleer u altyd overrompelen: zyt dus wel op uw hoede, myn Heer.—Maar de luchtstreek! de luchtstreek zal u het leven kosten! Echter, vervolgde hy, ik moet den yver van uwen Bevelhebber bewonderen, die u liever op deeze wyze wil bloot stellen, dan u te Paramaribo werkeloos te houden". De heer KLEINHANS eindigde deeze zonderlinge aanspraak met my de hand te drukken. Wy naamen toen afscheid van hem, als mede van zyne dogter, een jong en schoon meisjen, die, toen ze ons zag vertrekken, traanen stortte.—Den zelfden avond wierpen wy het anker voor de Matapaca-Kreek.
Ik maakte alhier van myne vaartuigen twee oorlogschepen; het een wierd genoemd de Charon, en het ander de Cerberus; naamen, onder welken ik dezelven geduurende het overige van mynen tocht onderscheiden zal. Wy vervolgden onzen weg met de Cottica op te zeilen, om de Rivier Commewyne te kunnen inloopen, en wy zeilden voorby aangenaame Suiker- en Koffy-Plantagien, die aan den oever deezer beide Rivieren, op den afstand van een of twee mylen van elkander, gelegen zyn.
Den 6den, maakten de soldaaten van myne krygsbende hunne maaltyd aan den wal gereed, en wandelden op de fraaije Plantagie, genaamt het Geval. Des avonds van den zelfden dag, wierpen wy het anker voor de Pereca-Kreek.
Des anderen daags voeren wy steeds de Cottica op, en wy stapten aan wal op de Plantagie, genaamt Alia. Wy wierden op alle die Plantagien, welke wy aandeeden, zeer wel ontfangen, maar zy wierden al langer hoe minder in getal, naar maate het bed der Rivier naauwer wierd.
Den 7den vervolgden wy onzen weg. Wy stapten ook aan land op de Plantagie genaamt Bockkestein, die de laatste is aan de rechter zyde van de Cottica, uitgenomen echter twee andere zeer kleine Plantagien aan de Patamaca-Kreek; en des avonds wierpen wy het anker aan den mond van de Koopmans-Kreek. Den zelfden dag ontstond 'er brand in de Charon, maar dezelve wierd spoedig gebluscht.