WeRead Powered by ReaderPub
Reize naar Surinamen en door de binnenste gedeelten van Guiana — Deel 1 cover

Reize naar Surinamen en door de binnenste gedeelten van Guiana — Deel 1

Chapter 16: NEGENDE HOOFTSTUK.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

A first-person narrative recounts a multi-year military expedition into the interior of Surinam, combining campaign reportage with extended natural history and ethnographic description. The account maps rivers, forests, and settlements, records local flora and fauna, and portrays encounters with Indigenous communities and groups of escaped enslaved people, as well as plantation society. It interweaves detailed sketches of people and places, vivid descriptions of violence and its moral consequences, and reflections on slavery and colonial administration, and is supplemented by engravings and maps that illustrate landscape, natural specimens, and human scenes.

Alles, volgens de voorgemelde schikking, gereed zynde voor myne kleine afgezondene krygsbende, bestaande uit my zelf als Capitain, den heer HERTSBERG, Officier van het krygsvolk der Compagnie, een tweeden Heelmeester, een Gids, twee Sergeanten, twee Corporaals, veertig soldaten, en alleenlyk agt Neger-slaven, zoo om den weg te baanen, als om de goederen te dragen, gingen wy in den vroegen morgenstond rechts af, en wy begaven ons in de bosschen, zorg dragende om lynrecht op de Pereca aan te trekken. Na het Cordon tot elf uuren des voor-middags gevolgt te hebben, ontdekte ik het spoor der muitelingen, zoo als ik dit ook verwagtte, aan hunne voetstappen in het slyk, aan gebrokene flessen, schillen van weegbree, enz., en ik bespeurde, dat zy den weg naar Pinnenburg naamen, gelyk ik reeds gezegd heb.

Wy vervolgden onzen tocht tot acht uuren des avonds, wanneer wy te Soribo, een wachtpost van 's Compagnies krygsvolk, aan de Pereca gelegen, aankwamen. Wy waaren in een deerniswaardigen staat. Wy hadden verdronken landen en moerassen moeten doorwaaden, in het midden van welke het water of de modder ons over de heupen kwam. Dikwils ontmoetten wy omgevallen boomen, die de een over den ander lagen; en wy waaren genoodzaakt, ten einde onzen weg te vervolgen, om 'er over heen te klauteren, of op den buik onder door te kruipen. Dit alles was egter het slimste niet, dat wy te lyden hadden; elk deel van ons lichaam was ysselyk gehavend door de heesters en doornstruiken; daarenboven hadden de mieren, de pattat-luizen, de wassy-wassy, of de byen, ons onophoudentlyk gestoken. Deeze laatstgemelde insecten zyn zwart, en hebben ten naasten by de grootte van de Engelsche. Het is onmogelyk dezelve in byekorven by elkander te houden; zy vliegen by zwermen in de bosschen, en maaken haare nesten in de holen der boomen, of tusschen de takken. Deeze nesten zyn zomtyds zoo groot als een koe-blaas, die opgeblaazen is; zy hebben daar mede veel gelykheid, het zy ten aanzien van de kleur, het zy van de gladheid, maar zy zyn van een minder geregelde eironde gedaante. Wanneer men onvoorzigtiglyk of de takken of de nesten aanraakt, schieten 'er duizend van deeze insecten uit hunne verblyfplaats, en maaken een klein vliegend leger, dat allergeduchtst is. Zy hechten zig altoos, uit een aangebooren neiging, aan de oogen, aan de lippen, en komen zelfs in het hoofdhair, waar uit men hen niet gemakkelyk kan doen verhuizen. Hunne steeken veroorzaaken doorgaans de koorts, en eene ontsteeking, die, wanneer ze in de nabyheid der oogen is, iemand eenige uuren blind maakt. Deeze bijen geeven een zeer bruine honig, als mede wasch; maar beide zyn van weinig waarde.

Het geen ons echter het meest vermoeide, was het gaan in de hette van een brandende zon. Wanneer dezelve was ondergegaan, vervielen wy in eene stik donkere duisternis, en om gezamentlyk voorwaarts te komen, moesten wy elkander by de hand vast houden. Ik was genoodzaakt tien mannen agter te laten; de een konde niet meer zien, een ander had de koorts, een derde de voeten vol met knobbels. Gelukkiglyk ontfing de bevelhebbende Officier van den post van Soribo ons met de grootste herbergzaamheid; maar by myne aankomst, noodzaakte my de koorts om in myne hangmat te gaan leggen. De rust deed my goed, en des anderen daags morgens bevond ik my beter. Wy waaren echter, zoo min de een, als de ander, in staat om onzen voorigen weg weder te betreeden; derhalven zond de Bevelhebber van den post eenige weinige manschappen, om de ongelukkige zee-soldaaten, die ik des avonds te vooren was kwyt geraakt, te gaan opzoeken; zy bragten 'er zeven van te rug, die elk door twee Negers gedragen wierden in een hangmat, aan lange stokken vast gemaakt. De drie anderen bereikten wederom, zoo goed zy konden, Devil's Harwar.

Terwyl wy te Soribo waaren, schreef ik aan den Colonel een brief, welken my, dit is waar, de gramschap ingaf. Ik verhaalde hem, dat ik de voetstappen der muitelingen gevonden had; dat indien men my in tyds versterking bezorgt had, ik hun belet zoude hebben te rug te keeren, maar dat het te laat was, en dat myne soldaaten afgemat waaren zonder eenige vrucht. Ik heb naderhand vernomen, dat deeze brief, zoo als men kan naargaan, den Colonel in den hoogsten graad verbitterde. Na dat wy genoegzaam hadden uitgerust, om ons weder op weg te begeven, verlieten wy op den 9den den post van Soribo, des morgens ten vier uuren, en wy kwamen des avonds ten vier uuren op Devil's Harwar aan, na onuitspreekelyk veel geleden te hebben. Wy waaren met bloed en modder als overdekt: onze dyen en beenen waaren door de doornstruiken van een gereeten; de meeste soldaaten hadden geene schoenen nog koussen; en ik, die by verkiezing op deeze wyze ging, was de geen die het minst te lyden had, vermits ik my langzamerhand gewend had blootsvoets op de vaartuigen te gaan.

Te Devil's Harwar te rug gekomen zynde, vond ik aldaar den Lieutenant Colonel WESTERLOO, die 'er het bevel op zig nam. Hy was alleenlyk door een Quartier-meester vergezelt, maar zyn volk moest des anderen daags komen. Ik was verheugd over deeze gebeurtenis, die my eenige rust beloofde. Na myne orders aan deezen Officier te hebben ter hand gestelt, en hem in 't Magazyn, Hospitaal, enz. gebragt te hebben, ging ik my in de Rivier baden. Ik had dit zeer noodig, als zynde uittermaten verhit. Ik ontfing denzelfden dag eene meenigte schoone vruchten, Jamaicasche rhum, wyn en suiker, my door myne geliefde JOANNA toegezonden.—Maar hoe verstyfde my het bloed, toen de Quartiermeester my als een geheim verhaalde, dat myn Sergeant, genaamt FOWLER, na myn wyn te hebben uitgedronken, aan dit ongelukkig meisjen geweld had willen plegen; dat hy, des anderen daags te Devil's Harwar komen zoude, en dat ik de teekens der billyke gramschap van JOANNA op zyn gezicht zien zoude.

Ik weet niet of men myne drift verschoonen zal: ik zwoer, dat ik dit monster dadelyk by myne aankomst vernielen zoude. Ik gelastte dienvolgende aan een Neger, om twaalf bambous-rieten te snyden, en ik bleef t'huis, als een mensch, die van zyne zinnen beroofd is.

Den 10den, kwamen in een tweede vaartuig, vol met krygsbehoeften van allerlei zoort, en met geneesmiddelen, twee Lieutenants en een vry groot getal soldaaten. Zoo dra zy in hun kwartier waaren, liet ik FOWLER haalen, die op drie plaatsen in het aangezicht gekwetst was. Ik sloot hem in een kamer op; en zonder hem een enkel woord te zeggen, sloeg ik hem zes bambous-rieten op het hoofd aan stukken. Eindelyk sprong hy, geheel bebloed, het venster uit, en myne gramschap bedaarde. Zy hernieuwde zig egter kort daar na, maar om eene andere reden: ik vernam, dat de Colonel FOURGEOUD alle myne goederen had doen in beslag nemen; dat zy in een ledig Magazyn gebragt en verzegeld waaren; dat myne wooning aan een ander gegeven was; en dat 'er geen middel was geweest, om my de noodzakelykste kleederen toe te zenden. Ik wierd nogtans door de hoop om naar Paramaribo te rug te keeren, getroost. De andere nieuwstydingen bragten mede, dat de Colonel eindelyk in persoon met het grootste gedeelte van het krygsvolk deeze Stad verlaten had; dat hy het zelve post deed vatten te Devil's Harwar aan de Cottica; op de Plantagie Bellair, aan de Pereca; en op die van Klarenbeek en Cravassibo, aan de Commewyne; dat hy gezamentlyk met de krygsmagt der Compagnie, en de Neger-Jagers, de muitelingen moest vervolgen; dat hy ook bevel gegeven had, om al het volk van de vaartuigen te ligten, waar van het overschot de manschappen der opgemelde posten zoude versterken. Ik moet erkennen, dat alle deeze schikkingen zeer verstandig en met veel bekwaamheid ontworpen waaren.

Wy vernaamen ook, door middel van den wachtpost aan de Patamaca, dat de muitelingen, by het oversteken van de Rivier boven den post van la Rochelle, eene kleine Plantagie vernielt, en derzelver eigenaar den heer NYBOUR vermoord hadden.

Byna op dien zelfden tyd ontsnapte hun een Opzigter van eene Plantagie door behulp van eenen jongen Neger: dezelve deed hem in een kano gaan, en plat op zyn buik leggen; vervolgens sprong hy in 't water, alwaar het hem, met de eene hand zwemmende, en met de andere de kano voort-trekkende, in weerwil van het vuur der muitelingen, gelukte deezen man, gezond en behouden, aan de Patamaca-Kreek te brengen. Een dienst van zulk een ongemeen gewicht wierd echter, eenige dagen daar na, met drie honderd geesselslagen betaald, welke deeze zelfde Opzichter aan den jongen Neger liet geven, om dat hy vergeten had een sluis te openen. Ik zal geene aanmerkingen maaken op deeze onmenschelyke daad, maar myn droevig verhaal vervolgen. Aan den Lieutenant Colonel WESTERLOO voorgehouden hebbende, dat de slegte staat van myne gezondheid my belette, om het krygsvolk op zynen tocht te volgen, verzogt ik hem my de vryheid te vergunnen, om naar Paramaribo te rug te keeren, ten einde ik my aldaar zoude trachten te herstellen; maar volgens den uitdrukkelyken last van den Colonel FOURGEOUD, weigerde hy my zulks. Deeze onbeschaafdheid deed my byna het verstand verliezen. De ontroering van mynen geest was zoo groot, dat ik des anderen daags morgens, den 12den, besloten hebbende, om op de eene of andere manier mynen staat te veranderen, myn verzoek hernieuwde. Ik verzogt, of dat men my zou toestaan oogenblikkelyk te vertrekken, of dat men my maar om hals zoude brengen, dewyl, volgens het getuigenis der Heelmeesters, de dood voor my niet verre af was, indien myn vertrek langer wierd uitgestelt. De Lieutenant Colonel nam de zaak op nieuw in overweging, en eindelyk wilde hy wel bevel geven, om my in een vaartuig te laten gaan, maar zonder toe te staan, dat eenige blanke my zoude vergezellen, ik verliet derhalven deezen Officier, die zig bezig hield om Devil's Harwar met goed paalwerk te versterken, bevindende zig aldaar toen eene talryke bezetting. Op den middag bereikte ik den oever der Rivier, wordende op de schouders van eenen Neger gedragen, tot op het oogenblik dat ik in het vaartuig stapte. Myn kleine QUACO vertrok met my, en eindelyk verliet ik deezen vervloekten post, alwaar ik zoo veele dappere lieden in het graf agterliet.

Na een nacht en dag gereist te hebben, kwam ik den 14den, ten twee uuren des morgens, te Paramaribo aan. Ik was zeer ziek. Geene huisvesting in deeze stad meer hebbende, wierd ik op de vriendelykste wyze ontfangen door een koopman, genaamt DELAMARRE. Deeze braave man, zig met deeze daad niet vergenoegende, zond dadelyk een van zyne bedienden, om myne arme JOANNA, die by haare moeder was, te haalen. Tevens liet hy een Geneesheer komen, wiens hulp, in eene zoo droevige gesteltheid als de myne, voor my hoogst noodzakelyk was.

NEGENDE HOOFTSTUK.

Kakkerlakken.—Ziekten, die aan de luchtstreek van Guiana byzonder eigen zyn.—Papegaijen, genaamt Macaws.—Nieuwlings aangebragte Negers, om als slaven verkogt te worden. —Aanmerkingen over de behandeling der Negers.—Hunne reize van Africa naar America.—Manier van het verkoopen der slaaven te Surinamen.—Beschryving eener Catoen-Plantagie.

Den 19den September, bevond ik my in een vertrek, van zeer zindelyk huisraad voorzien, en ik gevoelde my door de hoop, welke myn Geneesheer my gaf, opgewekt. Ik wierd door myne vrienden omringd, en myne geliefde JOANNA besteedde alle haare zorgen aan my.

De Capitain BRASCH, die by afwezigheid van den Colonel het bevel voerde, zond my daags na myne aankomst myne goederen. Tot meerder zekerheid, gelyk ik reeds gezegd heb, had men alles verzegeld; maar toen ik myne koffers open deed, vond ik myn linnen, myne boeken, enz. door een zoort van insecten, genaamt Kakkerlakken, doorknaagt; myne schoenen zelfs waaren niet gespaart; ik had meer dan twaalf paaren uit Europa medegebragt, om dat ik wist, dat ze in dit Land slecht en zeer duur zyn.

De Kakkerlak is een zoort van Kever, een duim en zomtyds twee duimen lang; derzelver gedaante is eirond en plat, en de kleur hoog rood: hy kruipt door het gat van 't slot der koffers en valiesen, en legt aldaar niet alleen zyne eijeren, maar hy doorknaagt ook het linnen, stoffen, zyde, en alles wat hy vind; hy dringt ook in eet- en drinkbaare waaren van allerleije zoort; het geen dezelve zeer walgelyk maakt, want hy laat aldaar eene leelyke reuk agter, vry veel gelykende naar die der wandluizen. Dewyl de meeste Oost-Indische Schepen, vooral die met suiker geladen zyn, altoos met deeze insecten besmet zyn, zal ik alleenlyk melden, dat men ze zelden ziet vliegen, maar dat ze zeer schielyk loopen. Het beste, en, zoo ik geloof, het eenige middel, om de koffers of kassen daar voor te beveiligen, bestaat hier in, dat men dezelve op vier groote wel schoon gemaakte glaase flessen plaatst, op dat derzelver gladheid aan deeze insecten de gelegenheid beneeme, om op te klauteren en daar binnen te komen, het zy door het gat van 't slot, het zy door de kleinste spleet: men had deeze voorzorge ten aanzien van myne goederen vergeten. Ik vond echter voor het tegenwoordig oogenblik linnen genoeg; en door de zorge van JOANNA had ik wel dra een nieuwen voorraad van kleederen. Men kan zig geen denkbeeld vormen van het genoegen, dat ik ondervond met goed linnen en schoone kleederen aan het lyf te hebben. De onrust, waar in myn geest gedompeld was geweest, bedaarde langzamerhand, en ik dankte toen den Hemel dat hy my eene goede lichaamsgesteldheid geschonken had. De arme MACDONALD genoot dit zelfde voorrecht niet; hy bevond zig steeds zeer ongesteld. Hy had zyn intrek by den heer KENNEDY, die de beleefdheid gehad had, om hem by zyne te rug komst van Devil's Harwar eene verblyfplaats te verleenen.

Korte dagen na myne aankomst, deed ik onderzoek naar het gedrag van den Sergeant FOWLER. Ik vernam, dat hy zig waarlyk dronken had gedronken, zoo als men my gezegt had; en dat hy, op flessen gevallen zynde, zig het aangezicht had gekwetst; maar dat hy nimmer getracht had het minste geweld aan JOANNA te plegen: wel verre van dien, was zyn gedrag geheel het tegen over gestelde geweest van het geen men my had opgegeven. Over de ontneeming myner goederen, en, de kwade behandelingen, die men my in alles aandeed, ter neder geslagen zynde, had hy zig, ten gevolge van zyn hartzeer, aan eene oogenblikkelyke dronkenschap overgegeven. Ik had een innerlyk berouw over de behandeling, die ik hem had doen ondervinden, en ik nam my voor altyd zyn vriend te zullen zyn: ik ben dit voornemen naargekomen. Myne koorts was op dit oogenblik veel minder; maar ik was onderhevig aan eene ziekte, welke aan deeze luchtstreek byzonder eigen, en van dien aart is, dat ik vreeze dezelve slechts onvolkomentlyk te zullen beschryven. Het is een zoort van schurftachtige uitflag: men heeft 'er ten minsten in Surinamen dien naam aan gegeven. Het lichaam, vooral aan de onderste deelen, word met onregelmatige en scharlaken-kleurige vlakken bedekt, welke van dag tot dag vermeerderen, ten minsten zoo men 'er geene gepaste geneesmiddelen tegen gebruikt. Een zoort van eelt-achtigheid omringt deeze vlakken, die uit hoofde van eene ontsteeking, omtrent van gelyken aart, als die door het steken der groote muggen veroorzaakt word, zeer pynlyk zyn. Deeze ziekte is bovendien besmettelyk; en zoo men zig plaatst op een stoel, waar op iemand, door deeze ziekte aangetast, gezeten heeft, is men byna zeker van dezelve oogenblikkelyk te krygen: niet dan met moeite gelukt het zig daar van te ontheffen; en het beste middel is zig te wryven met een zoort van pomade, bestaande uit gezuiverde salpeter, benzoen, bloem van zwavel, en witte kwik, in versche boter of reuzel gemengd. Het getal der kwaalen, waar aan de inwoonders deezer luchtstreek onderworpen zyn, is ontelbaar.

Den 26sten, storte ik met myne ziekte weder in, en ik wierd dien dag tweemaal adergelaaten. Ik ontfing een bezoek van den heer KENEMAN, een jong vrywilliger, van wien ik nog niet gesproken heb. Hy was eenigzints aamborstig, en men had hem te Paramaribo gelaten, om zig te herstellen.

Den 2den October, bevond ik my een weinig beter. Ik nam dien zelfden dag het tydelyk bevel op my over het weinige krygsvolk, dat my was overig gebleeven, vermits de Capitain BRASCH bevel ontfangen had, om zig naar de Commewyne by den Colonel te begeven. Toen wierden de vaandels en Regiments-kas naar myne woonplaats overgebragt, alwaar men voor de deur een schildwacht plaatste. De eerste daad, die ik uit kragte van myn gezag deed, bestond in het verruilen van den zuuren wyn, dien men, zoo voor de zieke Officiers als voor de soldaaten, gekogt had, en uit het geld van de kas nam ik daar voor andere wyn, die zeer goed was. Maar het deed my wel leed het zelfde niet te kunnen doen met opzigt tot het gezouten ossen- en varkens-vleesch, en de erweten, die men, in plaats van verschen voorraad, in 't Hospitaal gelaten had: de Bevelhebber had dit uitdrukkelyk verboden. Hy had ook de boter, de kaas, en de tabak doen wegnemen; en om de soldaaten schadeloos te stellen, liet hy hun een vierde deel oly voor tien mannen: het rantsoen brood was daarenboven voor elk van hun op twee ponden in de week bepaald. Wat de Officiers betrof, zy moesten voor hun eigen onderhoud zorgen, of het zelfde rantsoen ontfangen: niettemin betaalden zy by aanhoudenheid hun aandeel in de kosten van eene gemeene tafel, die tans niet meer in weezen was.

Den 3den, ging ik, door den heer KENEMAN vergezelt, voor de eerste keer eens lucht scheppen met te paard te ryden. Wy leiden een weg af van omtrent drie mylen buiten de Stad, op een zoort van zandpad, het welk gemeenschap heeft niet de Sarameca, waar van ik reeds gesproken heb, als van den eenigen weg, die in de Volkplanting gangbaar is. Geduurende deezen kleinen tocht, dien wy uit hoofde van het saisoen, (dat der droogte,) om zes uuren des morgens begonnen, zagen wy een aantal van die groote en fraaije vogelen, bekend onder den naam van Macaws-Papegaijen, (of Macao,) maar die men in Surinamen gewoon is Ravens of Kraaijen te noemen, uit hoofde der gelykheid, die de Papegaijen daar mede hebben, en welke men als de Kraaijen van den zonne-keerkring kan beschouwen.

'Er zyn verschillende zoorten van Macaws, maar ik zal 'er alleenlyk twee van beschryven. Ik wil niets verhaalen, dan op voldoende gezag, en geenzints verscheiden schryvers naarvolgen, onder welken men egter menschen van verstand vind, en die zeer wel onderricht zyn. Zommigen van hun hebben, zoo ik meen, door onkunde misgetast, of zyn door valsche berichten bedrogen, maar ik vreeze zeer, dat 'er verscheiden gevonden worden, die het algemeen, dat veel te lichtgeloovig is, misleid hebben, alleenlyk om aan hunne verwaandheid te voldoen.

De geele en blaauwe Macaw is zoo groot als een Kapoen; hy heeft korte pooten, een donkere kleur, met vier zwarte klaauwen, twee van vooren en twee van agteren. Zyn bek is krom als die van een gewoone Papegaay, dezelve is insgelyks zwart, en het bovenste kakenbeen is alleen beweegbaar. Zyne staart bestaat in eenige lange rechte en puntig toeloopende vederen. De kruin van den kop van deezen vogel is zee-groen, en het overige van het bovenste gedeelte van het lyf, te weten zyn rug, en zyne geheele staart zyn van de schoonste hemelsblauwe kleur; en het onderste gedeelte, of de buik is bleek orange. Zyne oogen zyn rondom van een fraaije witte kleur, met zwarte ringen daar tusschen, uit zeer kleine vederen bestaande.

De andere word in Surinamen genoemd de Amazoonsche Macaw. Hy is minder groot dan de eerste. Zyne staart, zyne pooten en zyn bek, van een vuile witte kleur, hebben dezelfde gedaante; de hals en keel van deezen vogel zyn van de schitterendste scharlaken kleur; de kop insgelyks, uitgenomen den omtrek der oogen, welke wit is, met zwarte ringen. Men kan zeggen, dat de vlerken in vier gekleurde streepen verdeeld zyn, eerst scharlaken van boven, dan groen, vervolgens geel, en eindelyk blaauw. Zy schitteren in de zon op zulk eene treffende wyze, dat geene konst in staat is zulks na te bootsen. De Macaws vliegen koppels-gewyze; zy maaken een scherp, onaangenaam geschreeuw, en byten vinnig. Hun bek, die zeer hard en scherpsnydend, maar stomp is, is hun van een groot nut om te klauteren. Men kan hen gemakkelyk temmen, en men leert hen praaten, even als alle andere Papegaaijen. De Indianen brengen ze dikwils op Paramaribo, en voor een fles rhum, of eenige vishaaken doen zy dezelve weder over.

Des avonds van denzelfden 3den October, kwam de Colonel TEXIER, Bevelhebber van het krygsvolk der Compagnie, ziek zynde, uit het Quartier-Generaal, het welk op de Plantagie Crawassibo, aan den oever van de Commewyne, geplaatst was. Deeze Officier was voorneemens geweest, om, gezamentlyk met den Colonel FOURGEOUD, tot het vervolgen der muitelingen door de bosschen heen te trekken; maar zyn zwak gestel liet hem niet toe, om de levensmanier van onzen Opper-Bevelhebber te kunnen verdragen, en alleen van gezouten kost te leven. Wel dra ondervond hy daar van de gevolgen, en wierd in eenen elendigen staat naar Paramaribo gezonden.

Den 6den October had de koorts my verlaaten, en dat zoort van roodvonk, of schurftachtige uitslag, waar van ik gesproken heb, begon te genezen; maar de elende en vermoeienis, die ik had doorgestaan, waaren nog op myn gestel van invloed: zeer groote bloedzweeren vertoonden zig op myn linker heup, en beletteden my volstrektelyk om te kunnen gaan. Myn Geneesheer raadde my echter, om alle dagen lucht te scheppen; en myn vriend, de heer KENNEDY, my zyn rytuig geleend hebbende, ging ik zyne Excellentie, den Gouverneur der Colonie, een bezoek geven. Naar huis te rug keerende, deed ik het rytuig aan de waterkant stil houden, om een hoop menschelyke wezens, die myne aandacht zeer tot zig hadden getrokken, te beschouwen. Ik zal trachten ze te beschryven: dezelve bestond uit Negers, mans- en vrouws-persoonen, en eenige kinderen, die kortlings van de Kust van Guinee waaren aangebragt, om als slaaven verkocht te worden, en op dit zelfde oogenblik uit het Schip gingen. Zy waaren niets meer dan houten beelden, vertoonende beenderen met een huid overdekt. Zy bragten my het laatste oordeel in de gedachten. Men zoude gezegd hebben, dat zy uit het graf kwamen, of onder het mes van eenen Heelmeester geweest waaren: kortom zy waaren wandelende geraamten.

Deeze ongelukkigen, die een getal van zestig haalen konden, wierden door een matroos voorafgegaan en gevolgt; de een diende tot hunnen geleider, en de ander, met een bambous-riet gewapend, belette hen om af te dwalen, of hunnen tocht te vertragen. De billykheid echter noodzaakt my te verklaaren, dat in plaats van dat verdrietig gelaat, dat voorkomen van smart en wanhoop, het welk men in boekjes en nieuws-papieren, aan de Negers by deeze gelegenheid toekent, ik niet een enkele onder hen zag, wiens aanschyn de minste neerslagtigheid vertoonde. Ik moet 'er ook byvoegen, dat de matroos, die agter aan ging, niet dan met veel gematigdheid zig van zyn stok bediende.

Na met verbaazing deezen droevigen hoop van menschelyke schepzels gezien te hebben, keerde ik naar myne woonplaats te rug, over zulk een schouwspel verontwaardigt en ontsteldt. Ik onderrigtte my vervolgens op het naauwkeurigst, zoo by blanken als zwarten, omtrent het lot van deeze ongelukkigen, van het oogenblik dat zy in Africa hunne vryheid verliezen, tot op het tydstip van hunne slavernye in America. Ik zal het zelve aan myne lezers mededeelen, maar vooraf zal ik hun eenige aanmerkingen, betrekkelyk de behandeling der Negers voorstellen, eene zaak, waar op de aandacht van het algemeen zedert eenigen tyd gevestigd is; ik zal daar by alle onpartydigheid in acht nemen, die ieder eerlyk man verlangen kan.

Men heeft gezegt: wel hoe! wilt gy voor het genoegen om rhum te drinken, en suiker by uwe koffy te gebruiken, zulk eenen wreeden en schandelyken handel laaten voortduuren? En het antwoord was: Geef wel acht, dat gy, door den geestdrift van menschlievenheid verleid, de aanzienlyke voordeelen, die gy van uwe slaaven trekt, niet verliest ten voordeele van uwe nabuuren, en zonder het minste nut voor hun, die wy met u als onze natuurgenooten beschouwen?

Na zoo veele boekdeelen, die men zedert eenige jaaren, over dit onderwerp geschreven heeft, zal men my misschien van waanwysheid beschuldigen, dat ik hier myn gevoelen opgeeve: maar ik heb my tot een regel voorgeschreven, om my uit te laaten over het geen ik met eigen oogen gezien heb, en het geen weinigen myner landgenooten, zoo ik meen, gelegenheid gehad hebben waar te nemen, of met zoo veel zorgvuldigheid waargenomen hebben. Ik heb de ysselykste folteringen zien aandoen aan ongelukkige Negerinnen, die of zig onttrokken, of voldaan hadden aan de lusten van eenen ongebonden meester of echtgenoot, en nog veel meer aan dezulke, die de liefkozingen van eenen schelmschen Opzichter hadden afgewezen. De onschuldigste zyn dikwils de slachtoffers van de ongegronde jaloersheid eener gehuwde meesteresse. Ik heb ook Neger-slaven door hunne meesters in Engeland als de geliefdste dienstboden zien behandelen. Ik heb ook aan den anderen kant matroozen, soldaaten, leerlingen, op de wreedaartigste wyze zien behandelen, wanneer zy onder het gezag stonden van menschen van een heerschzugtigen inborst; en dienvolgende verklaare ik ronduit, dat hunne staat door de Negers niet behoeft benyd te worden. Indien derhalven het lot der laatstgemelden zoo merkelyk afhangt van den inborst van hun, die een voortduurend of tydelyk gezag over hun uitoeffenen, moet men alles wel wikken en wegen, uit vreeze van door onbedachtzaamheid geene verkeerde uitspraak te doen.

Men zegt hier tegen wel, dat men dikwils groote wreedheden in onze Volkplantingen pleegt; maar dewyl zy aldaar niet zoo zeer, als in andere Landen, tegen de natuur schynen aan te druisschen, wat zouden wy, in plaats van eene overylde vrylaating, anders doen, dan de slaaven, die ons ten deel vallen, aan wreeder meesters overleveren? Daarenboven zyn de Negers, in Africa geboren, alleen in staat om den arbeid te verduuren, welken de landbouw, en het maaken van suiker, in zulk eene brandende landstreek vorderen.

Ik heb het volks-caracter der Negers waargenomen op die plaatsen, alwaar zy uit eigen beweging, en zoo vry als in Africa, kunnen te werk gaan, en ik heb bevonden, dat het volmaakt wild is! De twintig duizend Oucas- en Sarameca-Negers, hebben zedert lang in eene volmaakte onafhangelykheid van de Europeaanen geleeft, en echter heb ik by hen de minste blyk van beschaafdheid, het minste teeken van orde en regeering niet bemerkt: integendeel heb ik aldaar meenigvuldige voorbeelden gezien van eenen ontembaaren geest, van gevoelloosheid en ongebonden zeden.

Ik houde veel van de Negers, en ik heb by verscheidene gelegenheden getoond, hoe veel mededogen ik met hun lot had. Welke verkeerde uitlegging men ook geven moge aan het geen ik in dit opzigt gezegd heb; ik wensche uit den, grond myns harten, dat de achtenswaardige Vergadering van het Engelsch Parlement, een gevoelen, het welk op de ondervinding gebouwd is, in aanschouw neeme, en zig dienvolgende wel wagte, om den Slaavenhandel voor het jaar 1800, of in het begin der volgende eeuw, af te schaffen. Indien men zulk een maatregel onbedagtzaam te werk stelde, blyf ik borg, dat een verschrikkelyk getal zwarten en blanken 'er de slagtoffers van zouden zyn, en dat het berouw wel dra het kwaad, het geen echter onmogelyk te herstellen zoude zyn, zoude agtervolgen.

Volgens alle myne onderzoekingen en bekomene berigten is het byna zeker, dat een groot getal Negers, op de kusten van Africa ter verkoop aangebragt, in gevechten krygsgevangen gemaakt zyn. Men heeft 'er zommigen van schandelyk weggevoert: anderen zyn om misdaden gebannen. Ik zal by vervolg eenige voorbeelden van deeze onderscheidene gevallen opgeven.

De Negers, die tot den invoer bestemd zyn, trekken uit de binnenste gedeelten der landen, en by troepen, naar de comptoiren, die verscheidene Europeesche volken op de kust van Africa hebben opgericht. Aldaar worden zy verkogt of liever verruilt, even gelyk de andere koopwaaren van hun Land, als goud, olyphantstanden, enz. tegen staven van yzer, schietgeweeren, timmermans gereedschappen, koffers, linnens, hoeden, messen, glaswerk, tabak, geestryke dranken, enz. Vervolgens worden zy ingescheept; en geduurende hunnen overtocht, kunnen zy vryelyk bot vieren aan al de smart, welke bittere nagedachten, of hunne tegenwoordige elende, in hun verwekken moeten. Aan hun vaderland, en aan hunne geliefdste nabestaanden ontrukt zynde, smyt men hen by honderden op malkanderen in een donker en stinkend ruim van 't schip, echter zorge dragende, dit de mans van de vrouwen afgescheiden blyven; en worden de eerstgemelden geketend, om allen opstand van hunnent wegen voor te komen. Zy worden op die manier over onstuimige Zeeen gevoerd; en tot levens-onderhoud, geeft men hun niets, dan groote boonen, met een weinig oly 'er over. Zomtyds geven Kooplieden, die minder onmenschelyk zyn, hun een beter voedzel: als dan, wel verre dat 'er verscheiden, of zelfs een enkele, op reize van sterven zoude, komen zy allen in goede gezondheid in de West-Indien aan. Men heeft my verzekerd, dat de Capitain, de Stuurman, en de meeste matroozen van een schip, op de reize omgekomen zynde, terwyl zy, die overig waaren, tot het scheepswerk zig niet in staat bevonden, de Negers, die wel behandeld waaren, zig daar toe met yver lieten gebruiken, en het schip in behouden haven hielpen brengen: zy redden dus het leven van verscheiden lieden, en lieten zig vervolgens, wel te vreden en genoeglyk, verkoopen aan de geenen, die hen koopen wilden.

Een schip, van de Kust van Guinee te rug komende, is zoo dra niet aangeland, of de Negers worden op het dek gebragt: men doet hun een zuiverder lucht inademen; men wascht hen; men verfrischt hen met plantgewassen, bananen, orange-appelen, enz. Zy teekenen elkander verscheiden beeldtenissen op het hoofd, als zonnen, halve maanen, zonder behulp van een scheermes, zelfs zonder zeep, en alleenlyk met een stuk glas. Na dat zulks is afgeloopen, doet men een zeker getal aan land gaan, om te koop gesteld te worden. Hunne kleeding bestaat alleenlyk in een kleine lap catoen, tot het zelfde einde, waar toe de vygebladeren aan den eersten vader van het menschdom dienden: de vrouwen dragen ringen en koraalen, hals-cieradien, enz. Die aan boord blyven, brengen aldaar den tyd door met lachen, met springen, met schreeuwen, en in de handen te klappen.

Ik heb hunne gedaante na de ontscheeping voldoende beschreven. Laat de lezer zig dan nu verbeelden, dat hy de straaten doorwandelende ziet, dat elke Planter de geenen, die hem aanstaan, beschouwt, en met den Capitain koop maakt: de prys van een goeden Neger loopt doorgaans op vyftig of honderd ponden sterling. Indien eene Negerin zwanger is, word zy duurder verkogt. Ik heb een Hollandsch Capitain gekend, die zig bediend had van de zwangerheid van eene Negerin, door hem voor een tyd tot minnares genomen, om 'er een hooger prys voor te vragen, dus zelf met zyn eigen bloed handel dryvende. Zyne landgenooten keurden dit echter ten hoogsten af.

Alvoorens de koop te sluiten, doet men den Neger, die te koop geveilt is, altyd op een tafel of op een vat klimmen, om door een Heelmeester onderzogt te worden, die hem verscheidene houdingen doet aanneemen, en armen en beenen op verschillende wyze beweegen, om over zyne krachten en gezondheid te oordeelen. Indien de kooper voldaan is, en wegens den prys overeenkoomt, betaald hy hem dadelyk. Elke Neger, die men koopt, word, op de borst of schouder, met een heet zilver brandmerk, bevattende de eerste letters van des meesters naam, gemerkt. Dit merk, het welk de grootte van een stuk geld van zes stuivers heeft, is zoo pynlyk niet, als men wel denkt: men smeert de gebrande plaats dadelyk met versche boter; en na verloop van twee of drie dagen is zulks geneezen. Dit gedaan zynde, geeft men aan den Slaaf een nieuwen naam: men vertrouwt hem vervolgens aan eenen anderen van zyne kunne, die hem op de Plantagie brengt; men houd hem aldaar zindelyk; men onderwyst hem daar, en geeft hem goed voedzel, zonder te werken, geduurende den tyd van zes weken. Zulk eene levensregeling is zoo heilzaam, dat men, na verloop van dien tyd, in plaats van een wandelend geraamte, een vet mensch vind, wiens huid gevult is, en zagt geworden, tot dat dezelve door geesselslagen, die hem een wreede eigenaar, of liever zyn schelmsche Opzigter, laat toedienen, op eene onmenschelyke wyze word van een gereten.

Alvoorens dit onderwerp voor eenigen tyd te laaten vaaren, en myn verhaal te vervolgen, moet ik opmerken, dat de Negers in onderscheide volken of stammen bestaan, als daar zyn die van

    Abo. Gango. Nago.
    Conia. Kouare. Papa.
    Blitay. Riemba. Pombo.
    Coromantin. Loango. Wanway.
    Congo. N. Zoko. enz. enz.

Ik heb aan alle dezelve kennis; en ik zal 'er by vervolg breedvoeriger van spreeken.

My den 10den een weinig beter bevindende, ging ik naar de verkooping der Slaaven. De lezer zal zig een volmaakt denkbeeld van myne verwondering en ontsteltenis kunnen vormen, toen ik, midden onder dezelve, myne waardige JOANNA vernam. De Plantagie Fauconberg, waar toe zy behoorde, wierd ten voordeele der schuldeisschers van Mevrouw D. B. verkogt, die, zoo als ik reeds gezegt heb, de vlucht genomen had.

Ik gevoelde toen de ysselykste folteringen. Ik vervloekte duizende maalen mynen staat, welke my niet toeliet, om zelf eigenaar van dit beminnelyk meisjen te worden. Onophoudelyk dagt ik aan haaren verschrikkelyken staat voor het toekomende. Ik verbeelde haar te zien beschimpen, haar onder het gewicht haarer ketenen verscheuren gekromd te zien, met luider stemme, maar vruchteloos, my ter haarer hulpe roepende. Ik was, om zoo te zeggen, van alle myne denkvermogens beroofd, tot op het oogenblik, dat myn vriend, de heer LOLKENS, my wederom gerust stelde. Gelukkiglyk bleef hy bestuurder der Plantagie, geduurende de afwezigheid der nieuwe eigenaars, de heeren PASSALAIGE, vader en zoon, te Amsterdam, die dezelve, met al haar toebehooren, voor den matigen prys van vier duizend ponden sterling gekocht hadden.

Deeze onwaardeerbaare en waare vriend, had zoo dra niet het bestuur van Fauconberg aanvaard, of hy liet JOANNA in myne tegenwoordigheid komen: hy verzekerde my, dat hy niets ontzien zoude, om ons beiden dienst te doen, en dat hy tans meer dan ooit daar toe het vermogen had. Ik verzogt hem zyne belofte gedachtig te zyn, welke hy naderhand op de edelmoedigste wyze steeds is naargekomen.

Vernomen hebbende, dat de Colonel FOURGEOUD de Plantagie Crawassibo verlaten had, en in de bosschen, boven de Plantagie Klarenbeek, was ingedrongen, om zig naar de Wana-kreek te begeeven, met oogmerk om de muitelingen te ontmoeten, verzogt ik hem by een brief my toe te staan, om my by hem te vervoegen, zoo dra myne gezondheid hersteld zoude zyn. Ik liet onze Heelmeesters, die te Paramaribo gebleeven waaren, met de noodige geneesmiddelen, naar de laatstgemelde Plantagie vertrekken. Ik gelastte vervolgens, op myn eigen gezag, en ten kosten van onze krygsbende, den heer GREBER, Heelmeester van 's Compagnies krygsvolk, om de zieke Officiers en Soldaaten, die zonder geld en onderstand in de stad bleven, van het noodige te voorzien. Te gelyker tyd kogt ik voor hun twee vaten goeden wyn. Ik wilde op deeze wyze myn gezag, het welk stond te eindigen, tot nut doen strekken.

Den zelfden dag, den 10den, scheepte myn vriend, de heer DELAMARRE, zig op de Rivier Surinamen met vyf-en-twintig vrye mulatten in. Hy was Capitain van het krygsvolk, het welk eene vry betere bende uitmaakte, dan een by een geraapte hoop Europeaanen.

De herstelling myner gezondheid ging spoedig voort, en wel dra vond ik my in staat, om alle morgen te paard te ryden. 'Er gebeurde my op zekeren tyd een vry aartig voorval op den weg, die naar Wanica leidt. De heer VAN DE VELDE, die met my was, zig beroemende een best paard te hebben, stelde my voor met hem uit ryden te gaan.

Ik nam het aan, en liet hem twintig schreden voor uit ryden. Hy had van dit voordeel geen lang genot; want, daar ik op een Engelsch paard gezeten was, reed ik hem wel dra met eene verbaazende gezwindheid voorby; en zyn arme paard, in eene dikke hegge van limoenboomen verward geraakt zynde, deed den armen VAN DE VELDE, even als ABSOLOM, aan de hairen blyven hangen.

De paarden zyn, in Surinamen, van een weinig meerder waarde, en een weinig grooter, dan ezels. Men moet hier van echter uitzonderen de paarden, die uit het Noorden van America, of uit Holland komen: de laatsten gebruikt men doorgaans tot koetspaarden. De paarden van dit Land zyn echter zeer dienstig in de Suiker-molens, alwaar men ook een groot getal muil-ezels gebruikt, die uit Barbaryen komen, en welken men zomtyds tot vyftig guinies toe verkoopt. Geen van deeze dieren is oorsprongelyk uit Guiana herkomstig. Hun ras, zoo wel als dat van veele anderen, is derwaarts overgebragt, en verduurt 'er het luchtsgestel. Om eene lastige herhaaling te vermyden, zal ik hier den naam der viervoetige dieren opgeeven, die geene oorsprongelyke gedierten van het nieuwe vaste Land zyn.

    De Oliphant. De Tyger.
    't Zeepaard. De Panter.

    De Rhinoceros. 't Paard.
    't Kameel-paard. De Ezel.
    De Kameel. De wilde Ezel.
    De Dromedaris. De Os.
    De Leeuw. De Buffel

    't Schaap. 't Konyn.
    't Varken. 't Kleine Guineesche Hart.
    De Geit. De Fret.
    De Hond. De Rot.
    De Bunsem. De Muis.
    De Wezel. De vette Eekhoorn.
    De Spaansche Kat. De tuin Eekhoorn.
    De Hermelyn. De Marmot.
    De Hyeen. De Ichneumon of Egiptische Rot.
    De Avondwolf.
    De Civetkat. De Bergmuis.
    De Kat. De Maki, en verscheiden andere
                            zoorten van Aapen
    De Das.
    De Steenbok.
    De wilde Geit.

Zy die hier van meerdere onderrigting begeeren, kunnen de Natuurlyke
Geschiedenis van den beroemden Graaf DE BUFFON raadpleegen.

Den 8sten, kwam de Vaandrig MATTHIEU, een der Officiers van de krygsbende, die my was komen aflossen, van Devil's Harwar aan. Den zelfden dag wierd hy gevolgd door zynen Bevelhebber en vriend, den Luitenant Colonel WESTERLOO, welke by zyne ontscheeping door twee soldaaten gedragen wierd. Deeze heeren hadden met my den spot gedreven, toen ik my beklaagde, na verscheiden weken in een vaartuig opgesloten te zyn geweest, terwyl zy, schoon sleeds op 't land gebleven zynde, het op hunnen post niet hadden kunnen houden. De laatstgemelde had den Colonel FOURGEOUD naar de Wana-kreek willen vergezellen. Hy had zig op den post van la Rochelle, aan de Patamaca, met hem vereenigd; maar het was hem zelfs onmogelyk om in de bosschen te gaan. Ik was by den heer DAY ten eeten, toen ik hem zag voorby komen, het geen een droevig schouwspel vertoonde. Ik vergat, hoe weinig reden ik had, om over zyne behandeling te vreden te zyn, en stond oogenblikkelyk van tafel op, om hem een koets te bezorgen, waar in ik hem tot aan zyne woonplaats vergezelde. Om de meenigte van volk te verwyderen, deed ik een wacht voor zyne deur plaatsen, en ik liet dadelyk twee Geneesheeren haalen, de Doctoren VAN DAM en KISSAM, welke laatstgemelde een Americaan was. Ik verbood tevens, om iemand binnen te laten komen, uitgenomen zyn bediende, eene oude Negerin, en een jongen Neger. Op die wyze bragt ik, zoo ik meen, veel tot behoud van zyn leven toe.

Den 20sten, kwamen de Lieutenant Graaf VAN RANDWYK, en de Vaandrig KOENE, beiden in een zeer elendigen staat aan. Myn arme gewezen Stuurman HAMER, die vier maanden lang op Devil's Harwar had doorgebragt, eindelyk door ziekte overmandt zynde, kreeg insgelyks verlof, om zig naar Paramaribo te laaten vervoeren.

Den 22sten, zond my de Gouverneur een tak van een Katoenboom, welke ik afteekende. Ik zal thans de gelegenheid waarneemen om eene beschryving te geven van deeze plant, die eerst in 't jaar 1737 in Surinamen, en met weinig goed gevolg tot in 't jaar 1750 of 1772 is aangekweekt geworden. 'Er zyn verscheiden zoorten van Katoenboomen; maar ik zal alleenlyk spreken van die, welke de gemeenste en nuttigste in deeze Volkplanting is. De gemeene Katoenboom is een heestergewas, het welk tot de hoogte van zes tot agt voeten opgroeit; hy draagt vrucht binnen 't jaar, en levert twee gewassen op; elke voet geeft ten naasten by twintig oncen catoen. Zyne bladen, vry gelykende naar die van den wyngaard, zyn van een schitterend groen, en derzelver vezels trekken naar de kaneel-kleur. De vrucht, die zomtyds zoo groot is, als een klein hoender-ey, is in drie vakken verdeelt. Dezelve groeit aan een zeer lange steel, in een bast of schil, die door een geelachtige bloem word voortgebracht. Wanneer die in staat van rypheid is, gaat ze van zelve open, en geeft bolletjes, die zoo wit zyn als sneeuwvlokken, in het midden van welke kleine zwarte korrels besloten zyn, byna van gelyke gedaante, als die men in de druiven vind. De Katoenboom tiert in alle heete luchtstreeken. Hy is zeer vruchtdragend, mits niet te veel regenbuien zyne wol vernielen. Men kweekt hem zonder moeite, en met weinige kosten aan. 'Er is niet meer noodig, dan elke zaadkorrel op eenigen afstand van elkander te plaatsen; en, zoo als ik reeds gezegd heb, hy brengt het eerste jaar, dat hy in den grond gezet is, vruchten voort. De afscheiding van het zaad van het dons, waar van het katoen gemaakt word, is het werk van een mensch alleen, door middel van een werktuig of molen, daar toe gemaakt. Wanneer alle de verrichtingen tot de bereiding van het katoen vereischt wordende, zyn afgeloopen, pakt men het in baalen van drie of vier honderd ponden. Dezelve moeten wel nat gemaakt zyn, want zonder dat zou het katoen, het welk men 'er bovendien niet een yzer instampt, oogenblikkelyk opzwellen, 's Jaars voor myne komst in Surinamen, had men drie duizend baalen alleenlyk naar Amsterdam en Rotterdam uitgevoerd, het geen omtrent veertig duizend ponden sterling had opgebragt.

De beste Plantagien geeven jaarlyks meer dan vyf-en-twintig duizend ponden. De prys van het katoen verschilt van agt tot twee-en-twintig stuivers het pond. De ruwe stof word in de West-Indien op een wiel en klos gesponnen. Men brengt het alzoo tot een hoogen graad van fynte; en dan breijen de Negerinnen 'er koussen van, die men zomtyds tot voor twee guinies verkoopt. De Indianen, of inboorlingen van Guiana maaken ook zeer fraaije hangmatten van katoen, die zy tegen verschillende koopwaaren te Paramaribo, verruilen. Op de teekening, die ik 'er van gemaakt heb, vindt men de bast of schil in haar geheel; de gesloten bast; de opene bast met het katoen, en eindelyk het zaad. Ik moet egter met opzigt tot het laatste aanmerken, dat het op myne afteekening een weinig kleiner is, dan in den natuurlyken staat. Ik zal ook in dit werk eene beschryving geven van de Koffy Plantagien, de cacao, het suiker-riet, en de indigo; maar dit zal ik op een andere plaats doen.

Ik heb my tot een regel voorgestelt, om van geene zaaken te spreeken, dan naar maate ze my voorkomen. Deeze manier is my veel gemakkelyker, en geeft eene meer aangenaame verscheidenheid aan myn verhaal.

My eindelyk volmaakt hersteld ziende, besloot ik my naar den Colonel FOURGEOUD aan de Wana-kreek te begeeven, zonder zyn bevel af te wagten, en hem in zyne tochten door de bosschen te vergezellen. Dienvolgende liet ik my het hair snyden, een kapzel, het welk ik veel geschikter vond, om door de bosschen te loopen, en vooral veel zindelyker, dan eenig ander; ik voorzag my ook van zoodanige kleeding, als deeze tocht vorderde. Gereed zynde te vertrekken, ging ik den Gouverneur opwachten, om zyne beveelen mede te neemen. Hy ontfing my met zeer veel beleefdheid, en zeide my, dat ik tans meer stond te lyden, dan ik nog gedaan had. Ik bleef des niettemin by myn besluit, en verzogt aan de Regeering een vaartuig en Negers, om 'er my te brengen. Deeze heeren my zulks tegen daags daar aan volgende hebbende toegezegd, stelde ik het bevel, de vaandels en de kasse in handen van den Lieutenant MEYER, de eenige die niet ziek was, onder alle de Officiers, welke zig op Paramaribo bevonden.

Naar waarheid konde men zeggen, dat de vaandels, de kasse en de soldaaten, allen even onnoodig waaren in Surinamen. De eersten waaren nimmer ontrolt, dan by onze ontscheeping; de tweede was voor niemand zichtbaar, dan voor den Colonel; en de laatsten stierven, de een na den ander.

TIENDE HOOFTSTUK.

  De Armadil.—Het Stekelvarken en de Egel van Guiana.
  —Gevecht tusschen een Slang en een Kikvorsch.—De
  Colonel FOURGEOUD trekt naar de Wana Kreek.—Hy ontrust
  den vyand door herhaalde aanvallen.—Beschryying van den
  Palmboom.—Verscheiden gebruiken, waar toe dezelve dient.—De
  Kokosboom.—Tocht naar den mond der Rivier Cormoetibo.
  —Waarneemingen omtrent de Vogelen van Guiana.—Distelen
  en Doornen.—Eenige muitelingen krygsgevangen gemaakt.
  —Ysselyke behandeling, door eenen gevangen en gewonden
  Neger ondergaan.

Den 25sten October, alles tot mynen tweeden veldtocht gereed zynde, begaf ik my ten zes uuren des avonds naar den oever: in plaats van een goed vaartuig, vond ik aldaar een sloep, walgelyk van vuiligheid, met eenige Hollandsche matroozen, die dronken waaren. Zy moesten my laaten op eene Plantagie aan de Commewyne, alwaar zy hunnen Capitain gingen haalen, om denzelven naar Paramaribo te rug te brengen. Op deeze Plantagie aangekomen zynde, stond het aan my, om tot het volvoeren van myne reize gelegenheid te zoeken. Ik had reeds den eenen voet in deeze sloep gezet, toen ik overwegende, dat ik my vrywillig naar eenen gevaarlyken tocht begaf, alleen om ondankbaaren te dienen, myn bloed voelde koken, en weder aan land stapte, alwaar ik ernstig en stellig verklaarde, dat ik zelfs de zwakste poging tot verdediging der Volkplanting niet doen zoude, voor dat men my een geschikt vaartuig bezorgt had. Ik wierd daar in ondersteund door alle de Engelschen en Americaanen, die zig in de Stad bevonden, en daar op volgde een algemeene oploop. De Hollanders schreeuwden over de kosten, die op dertig Engelsche schellingen beloopen zouden, terwyl zy van deeze gelegenheid voor niet gebruik konden maaken. Myne landgenooten en de Americaanen gaven hun ten antwoord, dat zy elendige vrekken waaren, onwaardig om door de krygsbende van den Colonel FOURGEOUD verdedigd te worden. De meenigte groeide aan, en men kwam van woorden tot daaden voor de herberg van HARDEGEN, aan den waterkant gelegen, alwaar men onder de vensters wel dra de hoeden, paruiken, glazen, flessen zag onder een vliegen.

De Regeering vertoonde zig, om het vechten te doen een einde nemen, maar dit was vruchteloos; het bleef op straat voortduuren tot tien uuren des avonds. Myne vrienden bleeven meesters van den grond, na een groot getal Matroozen, Planters, Joden en Opzichters volkomen geslagen te hebben. Ik verloor by dit voorval een myner pistolen, welke ik, in een oogenblik van woede, eenen schelm naar het hoofd wierp. De zaaken zouden daar by niet gebleven zyn, zonder mynen vriend KENNEDY, lidt van de Kamer van Politie, die met twee of drie anderen van zyne medeleden daar ter plaatse kwam. Men deed de vechtenden uit elkander gaan, verklaarende, dat men my niet wel behandelt had, en dat ik des anderen daags een geschikt vaartuig hebben zoude.

Ik begaf my vervolgens eenige uuren ter rust, en ontfing des morgens een bezoek van vier Americaansche Capitains, die my met nadruk verzogten om alle vaartuigen der Volkplanting te weigeren, en my aanboden, om my in een van hunne sloepen, die door hunne eigene matroozen bestuurd zoude worden, op de plaats myner bestemming te bezorgen; ik nam hun voorstel aan. De heer KENNEDY deed my vervolgens een brief ter hand stellen voor den heer REEDER, Capitain der Militie, die zig aan de Commewyne bevond; zy bevatte een last, om my een goed vaartuig te bezorgen, ten einde daar mede naar myn wachtpost te vertrekken. Over alle myne goederen beschikking gemaakt hebbende in dier voegen, dat noch de Colonel FOURGEOUD, noch de Kakkerlakken my geen hinder doen konden, omhelsde ik myne geliefde JOANNA, en ten zes uuren des avonds, keerde ik naar den oever te rug, vergezeld van myne vrienden, Engelschen en Americaanen; wy dronken aldaar een kom punch, en scheidden van elkander. Toen myne sloep van wal stak, waaiden de vlaggen van alle de schepen op de reede leggende, er begroetten my met drie vreugdegalmen, welke my zoo veel genoegen deeden, als zy aan de meenigte, die my aanschouwde, smart veroorzaakte: wy voeren voort, en wel dra verloor ik Paramaribo uit het gezicht.

Aan het Fort Amsterdam gekomen zynde, waaren wy genoodzaakt ons aldaar op te houden, om de Commewyne te kunnen opvaaren. Het krygsvolk der Compagnie, op dit Fort in bezetting leggende, bezorgde my eene zeer fraaije en aangenaame avond-maaltyd. Te middernacht ging ik aan boord, en na het geheele overige gedeelte van den nacht al vaarende te hebben doorgebracht, ontbeet ik met den Capitain MACNEY, die, in 't jaar 1791 onder den Generaal SPORK den zelfden rang bekleedde. Myne reize op nieuw vervorderd hebbende, stapte ik op de Plantagie Charlottenburg aan Land, alwaar ik den brief van den heer KENNEDY aan den heer REEDER ter hand stelde, die beloofde, my des anderen daags morgens een goed vaartuig te zullen bezorgen. Ik was zoo verontwaardigd over de behandeling, die men my te Paramaribo had aangedaan, en over myne Americaansche matroozen zoo te vreden, dat ik hun twaalf gebraden eendvogels voor een middagmaal liet toedienen; ik gaf hun daarenboven een guinie, en zes-en-dertig flessen goeden rooden wyn, die mynen geheelen voorraad uitmaakten; zy keerden met het vallend water te rug, en verlieten my zoo wel te vreden en zoo dronken, als maar mogelyk was.

Van mynen kant vervolgde ik myne reize tot aan de Plantagie Myn Genoegen. Na de puinhoopen van die Plantagien, welke verbrand waaren, toen ik het bevel op Devil's Harwar voerde, bezigtigd te hebben, kwam ik op de Plantagie van LE PAIR. Alhier verhaalde my een der Opzichters de verwonderlyke manier, op welke hy aan de muitelingen ontsnapt was. "Zy hadden reeds, zeide hy, het voornaamste huis omringd, toen ik nog niet wist, dat zy zig op de Plantagie bevonden, en bezig waaren met dezelve aan vier hoeken in brand te steeken. Te willen wegloopen, was niets anders, dan zig aan een wissen dood bloot te stellen. In dit dringend gevaar, nam ik de vlucht naar den zolder, alwaar ik op een balk plat op den buik ging leggen, in de hoop, dat de vyanden wel dra verdwynen zouden, en dat ik zoude kunnen ontsnappen, eer de vlammen tot my kwaamen, maar ik bedroog my, en zy bleeven 'er bestendig. De brand nam te gelyker tyd dermaten toe, dat op de plaats, alwaar ik my bevond, de hette ondraaglyk wierd, en dat my niets overbleef, dan een van beiden, of levend te verbranden, of van een hoogen zolder naar beneden te springen, midden onder woedende vyanden. Echter besloot ik tot deezen laatsten maatregel, en ik had niet alleen het geluk, om op myne voeten neer te komen, maar zelfs om my te redden zonder eene enkele kwetsuur, schoon de Negers met sabels en haaken gewapend waaren. Ik nam oogenblikkelyk de vlucht naar de Rivier, alwaar ik met het hoofd naar beneden dadelyk in sprong. Doch niet kunnende zwemmen, zonk ik wel dra naar den grond; maar ik verloor den moed niet; het gelukte my eenige takken van een Palmietboom te vatten, en myn hoofd boven water te steeken, om vryelyk te kunnen adem haalen. Door middel van het dik geboomte, waar agter ik my verborg, bleef ik aldaar, tot dat de muitelingen vertrokken waaren, het geen zy deeden na alle de andere blanken vermoord te hebben; en een vaartuig kwam my eindelyk verlossen uit den deerniswaardigen staat, waar in ik my bevond."

Den 30sten January, kwam ik te Devil's Harwar aan, en des anderen daags voer ik de Cormoetibo-Kreek op. Het vaartuig aldaar aan een boom hebbende doen vast maaken, waar van de takken ons overdekten, besloot ik den nacht aldaar door te brengen: ik ging op de banken leggen, en myn kleine QUACO plaatste zig by my; de andere Negers gingen onder hunne roeiriemen leggen slapen, uitgenomen die geenen, welke beurtelings de wacht hielden, en wien ik gelastte my op het minste gerucht, dat zy in de bosschen hooren mogten, wakker te maken; ik droeg ook zorge om hun volstrektelyk te verbieden van te spreken, of eenig gerucht te maken, uit vreeze dat de muitelingen, die aan den kant van deeze Kreek rond zworven, ons niet hooren en verrassen zouden; want de eenige blanke onder myne bende zynde, was ik zeer zeker hunne woede niet te zullen ontsnappen. Alle deeze voorzorgen genomen zynde vielen wy in eenen diepen slaap, van negen uuren des avonds tot drie uuren des morgens, toen QUACO en ik van onze banken wierden afgeworpen door eene beweeging van het vaartuig, het welk oogenblikkelyk zoodanig op zyde overhelde, dat alle de Negers in 't water vielen. Ik greep naar myn pistool, en dadelyk op staande, vroeg ik, wat 'er te doen was. Ik had besloten my tot het uiterste te verdedigen, liever dan om in de handen van eenen onverzoenbaaren vyand te vallen. Geduurende eenige minuuten gaf my niemand antwoord: maar na deeze korte tusschenpoozing, hernam het vaartuig zyne rigting door eene tegenovergestelde beweging, en die my het evenwigt deed verliezen. Toen riep my een van de Negers al zwemmende toe: "Masera da wan sea cow"; en hy had gelyk, want het was niet anders dan een Manati, of Zee-koe, aan wien men in Cayenne den naam van Lamentin geeft. Volgens het verhaal van myne Negers, had dit dier onder het vaartuig geslapen; toen hy wakker wierd, had hy het zelve op zyde geworpen, en zig van daar verwyderende, had hy het in zyne natuurlyke rigting hersteld. Ik zag hem niet, en de Negers zelven vernamen hem ter naauwer nood, uit hoofde der donkerheid van den nacht, die nog eenige uuren duurde, maar geduurende welken tyd wy geen meer lust tot slapen hadden. Eindelyk begonden de straalen van een schitterende zon dwars door de takken der boomen heen te schieten, en aan de bladeren een gouden glans te geven. Toen voeren wy de Carmoetibo-Kreek, die zeer naauw wierd, weder bovenwaarts op. Dit duurde tot den middag, wanneer wy rook ontdekten, en eindelyk kwamen wy aan den mond van de Wana-Kreek, die in de Rivier Maroni uitloopt, en het geen de plaats der bestemming was, alwaar echter het krygsvolk nog niet was aangekomen. Aan de overzyde, waaren eenige Neger-Jagers gelegerd, die de krygsbehoeften bewaarden.

Een van deeze Jagers een Armadil, of Tatou, een dier, in Surinamen den naam van Capasce dragende, gedood hebbende, zal ik deeze gelegenheid waarneemen, om denzelven te beschryven. Hy word zomtyds gepastelyk het geharnast varken genoemd. Zyn kop en ooren gelyken veel naar die van een gebraden varken. Zyn geheele lyf is met schubben bedekt, zo als die op een schild zyn afgebeeld, en hebbende de gedaante van beweegbaare ringen, even als de Que-que, een dier, waar van ik reeds gesproken heb. Deeze ringen loopen over elkander, uitgenomen op de schouders en op het gat; zy zyn met eene beenachtige zelfstandigheid bedekt, even als de kop van een schildpad, en waar aan zommigen den naam van een stormhoed of harnas geven. 'Er zyn verscheiden zoorten van dieren van deezen naam in Guiana. De grootste heeft van den bek tot agter aan de staart, meer dan drie voeten lengte. De Armadil is van een roodachtige kleur, en heeft het lyf met zeshoekige beeldtenissen geheel bedekt. Zyne oogen zyn klein, en zyn lange staart, die aan den wortel dik is, word trapsgewyze al langer hoe dunner, eindigt puntsgewyze, en is even als het lyf met beweegbaare ringen bedekt. Dit dier heeft vier laage, maar langwerpige pooten, elk met vier nagels, met klaauwen gewapend; de voorpooten hebben 'er slechts twee, maar de agterpooten vyf. De Armadil gaat alleenlyk des nachts uit; zelden ziet men hem over dag; hy brengt dien slapende door in zyn hol, het welk hy met het grootste gemak graaft. Hy zinkt daar zoo diep in, dat de sterkste man niet in staat is 'er hem uit te trekken, schoon hy hem dikwils de staart aftrekt. Wanneer men op hem aanvalt, of wanneer hy verschrikt is, wind hy zig in elkander, zyn stormhoed en harnas dicht by een voegende, waar in de kop en pooten dan besloten zyn.

De vogelen, de insecten, de vruchten, de wortelen, enz. dienen hem tot voedzel. Ik heb niet bevonden, dat hy kwaad was om te eeten; maar de Europeaanen maaken 'er weinig werk van. De Indianen integendeel houden ongemeen veel van deszelfs vleesch.

Het is tans, zoo ik meen, ook eene gepaste gelegenheid om te spreken van het Stekel-varken van Guiana, het welk men alhier Adjora noemt, Dit dier heeft zomtyds drie voeten lengte, gerekend van den bek tot het begin der staart. Hy is geheel met harde stekels bedekt. De kop, de staart, en de pooten echter, hebben 'er geene. Deeze stekels hebben omtrent de lengte van drie duimen, een geele kleur by het lyf, een donker kastanje bruin in 't midden, en wit aan het einde. Zy zyn zeer scherp, zeer glad, zeer beweegbaar, en dienen tot verdediging van het dier, het geen dezelve in de hoogte steekt, wanneer het booshartig is; en zyn gezicht is dan een der verschriklykste voor zynen vyand. Op alle andere tyden leggen deeze stekels op zyn rug, ten naasten by als de varkens-borstels. De kop van het Stekel-varken is van eene ronde gedaante, en door een ongemeen dikken en korten hals aan het lyf vast. Zyne oogen zyn groot, zeer schitterend, en by zyne kleine en ronde ooren geplaatst; aan elke kant van den neus heeft hy groote knevels, gelykende naar die van een Otter of Kat. Dit dier byt nooit. Zyne pooten hebben byna de gedaante van die van een aap; hy bedient 'er zig van, om op de boomen te klauteren, en aldaar zyn voedzel te zoeken; zyne lange staart is hem tot dat einde zeer dienstig; hy hecht die aan de takken, en zy dient hem tot een vyfde lidt; aan het einde is dezelve bedekt met hair, even als hoofdhair, uitgenomen echter het benedenste gedeelte, het welk volmaakt eeltachtig en zwart is; zoo zyn ook insgelyks de binnen-kanten van zyne vier pooten.

De Egel is, zoo ik meen, in dit Land niet veel verschillende van die van het oude vaste Land. Hy heeft zeven of agt duimen lengte, en is geheel bedekt met stekels van een ligt geele kleur; maar hy heeft geen hair op den kop, nog onder den buik, en de zyne is veel zachter en langer, dan die van den Europeeschen Egel. Hy heeft op de oogen bruine vlakken, even als wenkbrauwen; maar hy is zonder ooren, of heeft alleenlyk gaaten, om tot een doorgang voor het gehoor te dienen, en hy heeft vyf klauwen met kromme nagels aan elke poot. Zyn staart is zeer kort, en zyne verdediging bestaat daar in, dat hy zig, even als de Armadil, in elkander rolt. Hy voedt zig met vrugten, wortelen, plantgewassen, insecten, enz. De Indianen eeten zyn vleesch ook.

De Colonel FOURGEOUD nog niet aangekomen zynde, vermaakte ik my met my te baden, en een kano aan den mond der diepe Wana-Kreek te stuuren. Geduurende deezen tyd, zag de heer ROUBACK, een van onze Officiers, die my vergezelde, boven op een Palmietboom, een gevecht tusschen een slang en een kikvorsch. Ten bewyze dat men dieren van dit laatste zoort op de boomen vind, verwyze ik den leezer naar de Monthley Review, voor de maand Maart 1783, bladz. 199, in de Verhandeling van den Abt SPALLANZANI, over de Kikvorsschen, alwaar de boom, die dezelve bevat, in 't byzonder beschreven is. Het verwonderde my niet, dit dier op de takken te zien, maar wel deszelfs gevecht tegen den slang, een gevecht, het geen ik zal beschryven, en het welk de arme kikvorsch verloor. Toen ik de laatstgemelde vernam, was zyn kop en halve lyf reeds in den bek van den ander, die my in de lengte uitgerekt voorkwam, en wiens staart om een tak van den Palmietboom gewonden was. De kikvorsch scheen de grootte van een vuist te hebben, en haakte met zyne voor- en agterpooten in een tak. In deeze gesteldheid streeden zy, de een voor zyne maaltyd, de ander voor zyn leven, en maakten eene rechte linie tusschen twee takken. Geduurende eenigen tyd bemerkte ik, dat zy geheel in stilstand waaren, en geen beweging maakten. Ik had nog hoop, dat de arme kikvorsch zig door haare pogingen uit het ongeval redden zoude; maar het tegendeel had plaats; want de kakebeenen van den slang zig trapsgewyze vergrootende, en door middel van haar opspannend vermogen, eene ongeloofbaare opening maakende, verdweenen het lyf en de voorpooten van den kikvorsch langzamerhand. Wel dra zag men niets meer dan de agterpooten en klaauwen, die eindelyk van den tak los geraakten. Het arme beest wierd ras geheel en al in de keel van zynen geduchten vyand ingezwolgen, die het zelve eenige duimen diep liet nederzakken. Hy bewaarde het op die plaats, alwaar het een dikte of zwelling vormt; terwyl het kakebeen en de keel van den slang weder te zamentrokken, en derzelver natuurlyken staat dadelyk hernamen. Dewyl hy buiten ons bereik was, konden wy hem niet dooden, het geen wy wel gewenscht hadden, om hem met des te meer naauwkeurigheid te onderzoeken. Dus lieten wy hem zonder beweeging, en altoos rondom den tak gedraait.

Den 3den November, kwam een gedeelte van het krygsvolk aan, en sloeg zig aan den oever neder, ten zuidwesten van de Cormoetibo-Kreek, omtrent een myl van den mond van de Wana-Kreek. Ik ging met twee jagers naar hen toe. De Majoor RUGHCOP, die het bevel over hen voerde, berigtte my, dat de krygsbende van den Colonel FOURGEOUD, laatstelyk de Patamaca-Kreek in twee colommen verlaaten had; de Majoor geleide 'er eene van, en de andere verwagtte men alle oogenblik. Deeze Officier deed my ook verstaan, dat het overig gedeelte deezer zelfde krygsbende, uitgenomen de zieken, die op Paramaribo waaren, verscheide divisien aan de Rivieren Pereca, Cottica en Commewyne uitmaakte. Ik was toen in goeden welstand, en had een gerusten geest. Hoopende dat dit vrywillig bewys van mynen yver voor den dienst my met den Colonel verzoenen zoude, keerde ik naar de legerplaats der Neger-Jagers te rug, om aldaar zyne aankomst af te wagten. Ik kende, wel is waar, de onbuigzaamheid van zyn caracter; en aan den anderen kant was ik niet onbewust, hoe moeielyk ik my gemaakt had, toen ik meende onrechtvaardig behandelt te zyn; maar ik vergat wel dra het ongelyk, en op dit oogenblik had ik besloten, om, zoo mogelyk, door myn yverig en schikkelyk gedrag, de vriendschap van mynen Oversten te verkrygen.

Het verlangde uur kwam eindelyk aan. Ik vernam de aankomst van den Colonel, en ik ging hem, op den afstand van een halve myl van de legerplaats, te gemoet. Ik zeide hem, dat ik gekomen was, om in zynen roem te deelen, en onmiddelyk onder zyne beveelen te dienen. Hy antwoordde my met een groet, waar op ik hem weder groette, en tot in de legerplaats vergezelde.

Het krygsvolk van den Colonel maakte zig in zynen optocht meester van drie dorpen der vyanden, by een van welke men een uitgestrekt veld vond, met rype en in bloei staande ryst bedekt, maar het welk geheel en al verwoest wierd, na dat de muitelingen waren op de vlucht gedreven. Zy stonden onder het bevel van eenen Mulat, genaamd BONNY, die in de bosschen gebooren was. Deezen maakten eene party uit, geheel afgescheiden van die van BARON, welke men laatstelyk van Boucou verjaagd had. Ik vernam ook, dat men op een ledig vak hoofden van lyken gevonden had, die op staaken, in den grond geplant, gestoken waaren. Het waaren de overblyfzels van den ongelukkigen Lieutenant LEPPER, en zes van zyne soldaaten. De anderen waaren grootendeels levendig gevangen genomen, en door de Negers naar hun dorp gebragt. Aldaar had BONNY hen geheel naakt doen uitkleeden, en om de vrouwen en kinderen der muitelingen te vermaaken, had men hen laaten dood geesselen. Wy ontfingen dit bericht uit den mond van eene Negerin, welke de Colonel op zynen tocht gevangen genomen had, en door ons wel behandeld wierd.

Dit onmenschelyk gedrag van BONNY was juist het tegenovergestelde van dat van BARON, die, in weerwil van alle de bedreigingen, verscheide soldaaten, welke hy had kunnen ombrengen, naar Paramaribo had te rug gezonden. Hy hielp hun zelfs om te ontsnappen, en verschafte hun levensmiddelen, want hy gevoelde wel, dat het onbillyk was hun iets te wyten. Maar gelyk ik hier boven reeds gezegd heb, elke Neger-Jager, die het ongeluk had in zyne handen te vallen, kon de ontembaare woede, waar mede hy bezield was, niet ontduiken.

Ik vergat te zeggen, dat de geheele krygsbende van den Colonel, byna uitgehongerd zynde, met een groot geschreeuw om brood gevraagd had. 'Er was een meenigte brood in de legerkisten; maar men had geduurende drie dagen de uitdeeling daar van opgeschort, en ryst in de plaats gegeven. Om dit zoort van muiterye te doen eindigen, wierpen zig de Officiers gewapend midden onder de soldaaten, en naamen zonder onderscheid de eersten, die hun in handen vielen, gevangen, waar onder zig bevond zekere SCHMIDT, dien die de anderen verklaarden onschuldig te zyn. Men sloeg geen acht op hunne betuigingen, en dewyl men een voorbeeld stellen wilde, wierd hy verwezen tot de straf van stokslagen, welke hy ook onderging, tot dat hem het bloed als een fontein uit den mond sprong.—Op die wyze eindigde deeze opstand. Een der geleiders, genaamt MANGOL, een walg hebbende om onder de beveelen van den Colonel FOURGEOUD te dienen, verliet hem zonder zyn afscheid te vragen, en kort daar na liet hy den dienst geheel en al vaaren. Zie hier de byzonderheden van deezen tocht in twee kolommen, van Crawassibo aan de Commewyne tot de Wana-Kreek.

Op zekeren dag, tegen den middag, leggende in myn hangmat te slapen, kwam de Lieutenant CAMPBELL, myn vriend, my met de traanen in de oogen zeggen, dat des avonds te vooren de Colonel FOURGEOUD, in tegenwoordigheid der Officiers van 's Compagnies krygsvolk, van de Engelschen ongemeen veel kwaad gesproken had. Ik beefde van kwaadheid, en stond oogenbliklyk op. Na my het gezegde van CAMPBELL door anderen te hebben doen bekragtigen, ging ik naar den Colonel, en vroeg hem naar de reden van de door hem gehouden lasterlyke redeneeringen. Hy ging een stap agter uit, en antwoordde my, dat de gemaakte aanmerkingen alleen betrekkelyk waaren geweest tot myn lange broek en borstrok, welke ik als de gemakkelykste en koelste kleeding droeg, zoo als verscheiden Engelsche zeelieden doen, maar het geen de Colonel op de Zwitsersche bergen niet gezien had. Voor 't overige leide hy de schuld geheel op den Capitain STOELMAN, die afwezig was. Ik moest my dus te vreden houden met opentlyk tegen deezen eerdief wraak te roepen. Ik beloofde vervolgens aan den Colonel myne kleeding te veranderen, en wy scheidden zeer koeltjes van elkander.

Een uur daar na, ontfing ik last, om de Rivier Cormoetibo over te steken, en aldaar onder het bevel van den Majoor RUGHCOP te verblyven, die met zyn detachement of kolom aan den zuidelyken oever van den mond der Wana-Kreek gelegerd was. Ik gehoorzaamde oogenblikkelyk.

Op de legerplaats van den Majoor aangekomen zynde, met twee Negers, om my te bedienen, was myne eerste zorg, om voor my een hut te doen oprigten, of, om netter te spreken, een zoort van overdek, ten einde myne hangmat voor zon en regen te beveiligen; het werk was in een uur ten einde gebragt. Dewyl deeze hutten van een zeer algemeen en belangryk gebruik zyn in het open veld, en op de tochten, die onder den zonne-keerkring geschieden, alwaar men geene tenten kan oprichten, zal ik de manier van derzelver zamenstelling, die allermerkwaardigst is, beschryven. Men heeft geen spykers, nog hamer, nog eenig ander timmermans gereedschap noodig; men behoeft niets meer, dan een sabel of snoeimes. Deeze hutten, schoon in een oogenblik gebouwd, maaken eene vry geschikte en aangenaame wooning, die zomtyds zelfs twee verdiepingen heeft. Om deeze te bouwen, gebruikt men het hout van den Latanusboom, alhier genoemd Parasalla, (Pinot, in Cayenne,) en banden van heestergewassen, genaamd Bejucos by de Spanjaarden, en Tay-tay in Surinamen.

De Latanusboom is een zoort van Palmboom, die men voornamelyk op moerassige plaatsen vind, en altyd, een bewys van een ryken grond is. Hy is ten naasten by zoo dik als de dye van een mensch, en verheft zig tot de hoogte van dertig tot vyftig voeten. De stam, die zig eerst op den afstand van twee of drie voeten van den grond vormt, is van een helder bruine kleur, van buiten zeer hard, tot op de dikte van een halve duim, maar na dit zoort van schors, is hy vol merg, als de Engelsche vlierboom, en is van geene waarde, dan in de hoogte, alwaar hy groen word, en een lekkere en witte vrucht bevat, genaamt Chou, die aan alle zoorten van Palmboomen eigen is, en welke ik by vervolg beschryven zal. Op den top van deezen boom verspreiden zig zeer schoone groene takken, welker bladeren, even als zyde linten, lynrecht naar beneden hangen, en een zoort van zonnescherm uitmaken. De manier, om zig tot het bouwen van hutten van den stam te bedienen, bestaat hier in, dat men denzelven aan stukken hakt, zoo hoog als men zyne verblyfplaats hebben wil, het geen wy vooronderstellen op zeven voeten, als de gewoone maat zynde. Vervolgens splyt men deeze stukken, neemt 'er het merg uit, en maakt 'er een zoort van planken van, ter breedte van de hand van een mensch, die goed zyn om oogenblikkelyk te gebruiken. Na zoo veele van dezelve gemaakt te hebben, als men noodig heeft, blyft 'er niets meer overig, dan om ze recht over einde te plaatsen, de eene naast de andere, op twee dwarshouten, aan de hoekpaalen vast gemaakt. Alles hangt aan elkander vast door middel van banden van heestergewassen, wier naam Tay-tay, afkomstig is van het Engelsch werkwoord to tie, (zamenbinden,) het geen niet te bevreemden is, dewyl wy deeze Volkplanting bezeten hebben. Deeze heerstergewassen, wat daar ook van zy, leveren koorden op van allerleije zoort, groote of kleine, die in de bosschen groeien, en zig in allerleije richtingen om de boomen winden. Zy zyn in zoo grooten getal, en zoo wonderbaarlyk verspreid, dat zy aan het bosch de gedaante geven van eene groote vloot, die ten anker ligt; zy doen verscheiden boomen sterven, alleenlyk door hun gewicht, en vlechten zig de een om de ander, tot dat zy de dikte van een kabeltouw vertoonen. Zy klimmen, zomtyds kruisgewyze, tot in den top der hoogste boomen, van waar zy weder op den grond vallen, om wortel te schieten, en dan weder naar boven te klimmen. De dunste heestergewassen zitten dikwils zoo in elkander verwardt, als visschers netten, en het wild kan ze niet aan stukken breken. Zy zyn uittermaten taay, en men kan 'er zig van bedienen, om groote Schepen aan vast te leggen. Ik zal 'er alleenlyk byvoegen, dat 'er eenige vergiftige zoorten zyn, voornamelyk die plat of hoekig zyn, en ik zal tans myne beschryving vervolgen, met op te geven, hoe men het dak der hutten maakt.

Dezelfde boom, de Latanusboom, levert 'er al mede de stof voor op; men gebruikt daar toe deszelfs takken of armen. Elk van dezelve, wier gedaante ik niet beter, dan by die van een veder, vergelyken kan, is zoo breed als een mensch. Men splyt dezelve van boven naar beneden in twee gelyke deelen, en men knoopt die beide met hunne eigene bladen te zamen: men neemt vervolgens verscheide van deeze alzoo te zamen vereenigde takken, waar van men bondels maakt, met banden aan elkander gehecht, zorg dragende, dat het groen naar beneden valt, even als de maanen van een paard. Dit overdekzel, het welk in 't begin, groen is, krygt wel dra een roozenkleur. Het is zeer fraay, zeer sterk, zeer vast in elkander; en, zoo als ik reeds gezegd heb, het gebouw word zonder hamer of spykers voltooit. De vensters, de tafels, de stoelen, zyn op dezelfde wyze gemaakt. 'Er is geene andere sluiting voor de tuinen en waranden, waar in men beesten houd. Dus ontbreekt het de kastanje-bruine Negers nooit aan goede wooningen, dewyl, zoo men een dorp van hun verbrand, zy morgen een nieuw gebouwd hebben; maar wel zorge dragende, dat zy het niet weder bouwen op de plaats, alwaar de Europeaanen het eerste dorp ontdekt hebben. De Indianen, in plaats van takken van den Latanusboom te gebruiken, bedekken doorgaans hunne karbetten met de takken van eenen anderen boom, dien zy Tas noemen, en waar van ik by vervolg spreeken zal. Ik moet niet vergeeten te zeggen, dat het zaad van den Latanusboom vervat is in een bloei-hoos of kelk by den top des booms, en bestaande uit dertig of veertig houtachtige vezels, die de gedaante van een zoort van bezem hebben, waar van men zig in deeze Volkplanting bedient; dus levert deeze boom de bouwstoffen tot een huis op, tevens met de gereedschappen, om het zelve schoon te houden.

De hut, welke ik voor my liet bouwen, was niet ingericht op de manier, als ik zoo even beschreven heb; dit was der moeite niet waardig voor den korten tyd, dien wy doorgaans op eene en de zelfde plaats verbleeven: zy bestond slechts in een enkel overdek, zonder eenige afschutting. Dit zoort van schuilplaats, welke ieder soldaat voor zig zelven opricht, kost weinig arbeid. Men begint met vier puntige staaken in den grond te steeken, zoo verre van elkander af staande, dat iemand gemakkelyk tusschen dezelve leggen kan. Vervolgens maakt men daar aan twee dwarshouten vast, het een aan de voorstaaken, en het ander aan de agterstaaken; en men draagt zorge om ze zoo sterk te nemen, dat ze het gewicht van 't lichaam dragen kunnen. Om het dak te ondersteunen, maakt men twee afschuttingen van eene schuinsche gedaante; de takken, die men daar over heen spreid, behoeven niet gespleeten, nog vast gebonden te zyn, en men werpt 'er zoo veele op, als 't jaargetyde vordert. Zoo dra deeze hut afgemaakt is, is dezelve voldoende, om den bewooner tot eens schuilplaats te dienen. Daarenboven hangt men, door middel van banden van heestergewassen, en als aan een kapstok, den snaphaan, degen, pistoolen, enz.

Na den Latanusboom beschreven te hebben, zal ik insgelyks beschryven den Kokosboom, die, onder alle zoorten van Palmboomen, met denzelven de meeste gelykheid heeft. Deeze boom, zoo geroemd, dat ze aan den mensch voedzel, kleederen, huisvesting, enz. verschaft, heeft, naar myne gedachten, alle deeze hoedanigheden niet; maar niettemin is hij steeds merkwaardig. Hy groeit als de Latanusboom, met een hooge stam, die zelfs tot de hoogte van zestig, ja zomtyds van meer dan tachtig voeten opwast; hy is groot in evenredigheid, maar zeldzaam recht. De bast is grauw; het hout, van buiten hard, is van binnen vol merg. De takken zyn breeder, en van een donkerer groen, dan die van den Latanusboom, en van weerskanten van bladeren voorzien, als die geene, welke ik in den laatstgemelden boom by groene linten vergeleken heb. Deeze bladen echter hangen niet lynrecht neder: de takken zyn ook zoo regelmatig niet gebogen, maar zy hebben het voorkomen van groote vederen, en groeien aan den top des booms. De Kokosboom brengt ook een zoort van kool of moes voort, maar van al te weinig waarde, om zig door het afsnyden van dezelve aan het verlies van den boom bloot te stellen; het geen, zoo dikwils men dit doet, onvermydelyk gebeurd. Na verloop van vyf of zes jaaren draagt hy nooten, en zulks in alle jaar-getyden. Deeze nooten groeien doorgaans zes of agt by elkander, die uit den stam van den boom voortspruiten. Zy hebben de grootte van een menschenhoofd, maar eene meer kegelachtige gedaante.—Men weet, dat de noot, wanneer zy van haar buitenste bast ontdaan is, zoo hard is, dat men een hamer noodig heeft om dezelve te breken, en de daar in besloten pit 'er uit te haalen. Wanneer deeze vrucht jong is, bevat ze een wit vocht, het welk ik niet beter kan vergelyken, dan by water en melk met suiker, en een zoo aangenamen, als frisschen drank verschaft: wanneer zy ryp word, vormt zy zig tot een breekbaare pit, ter dikte van een duim, zig aan het binnenste der schaal vast hechtende, waar van het overige volmaakt ledig is. Deeze kern of pit, van een lekkeren smaak, en gelykvormig aan den smaak der melk, waar van zy is voortgekomen, is goed om te eeten, het geen verscheiden myner lezers ongetwyffeld zoo wel als ik weeten. Dog laaten wy ons verhaal vervolgen.

Op zekeren morgen, geduurende myn verblyf op deezen wachtpost, van eene ronde, die ik met twintig zee-soldaaten en twintig Neger Jagers gedaan had, te rug komende, wierd ik grovelyk gehoond door den heer MEYLAND, Capitain van 's Compagnie's krygsvolk, die, zoo als ik gezegd heb, met den Lieutenant FREDERIK, de vesting Boucou had ingenomen, en de landgenoot en vriend van den Colonel FOURGEOUD was. Wy zaten met andere Officiers rondom een zoort van tafel te eeten. MEYLAND, hun allen van een zekere wyn gediend hebbende, waar van hy niet meer dan eene enkele fles had, zonderde my op eene beledigende manier uit, schoon ik myn glas in de hand had, om 'er mede van te ontfangen. Verdenkende, dat deeze hoon door den Bevelhebber moest zyn ingeblazen, en het voorkomen niet willende hebben van geschil te zoeken, zeide ik aan den Capitain, dat ik door onoplettenheid gezondigd had, my niet verbeeldende, dat ik van myne medgezellen moest onderscheiden worden. Ik verzekerde hem, dat het niet de trek tot den wyn was, die my deeze aanmerking deed maken, en ik verzogt den geen, die naast my zat, my een glas wyn in te schenken, het geen hy ook deed. Deeze inschikkelykheid van myn kant had geen ander gevolg, dan dat het mynen vyand nog meer verbitterde, die zig waarschynlyk verbeeldende, dat dit uit lafhartigheid voortsproot, een onbeschaafden en gekscheerenden toon aannam. Hy wierd door alle de Duitschers en Zwitsers, die zig aldaar bevonden, zonder uitzondering, verwonderlyk geholpen; ik sprak geen woord; ik sneed een vlerk van eenig gevogelte af, dat voor my stond; ik at dezelve op, en verliet oogenblikkelyk de tafel, met het vast besluit, om myn caracter te handhaven of te sterven. Met dit stellig voorneemen, begaf ik my naar de hut van eenen zieken soldaat, en leende van hem zyn sabel, (de myne was gebroken,) onder voorwendzel, dat ik dien noodig had, om een of twee stokken te snyden. Vervolgens ging ik den heer MEYLAND opzoeken: ik vond hem zyn pyp rookende aan den waterkant, en naar een van zyne vrienden, die met visschen bezig was, kykende. Ik sloeg hem op den schouder, en zeide hem, dat zoo hy my niet oogenblikkelyk voldoening gaf, zoo als een eerlyk man betaamde, ik my over hem wreeken zoude, door hem met het platte van den sabel op zyn gezicht te kloppen. Hy antwoordde my, dat hy niets dan gekscheerende gedaan had, en scheen eene bevrediging te verlangen; maar ziende dat ik daar niet heen wilde, stootte hy met veel koelbloedigheid de asch uit zyn pyp; vervolgens zyn wapentuig hebbende gaan haalen, gingen wy te zamen, en zonder medehelpers, in het bosch, op den afstand van byna een halve myl. Toen hield ik stil, en myn sabel trekkende, waarschuwde ik den Capitain van op zyn hoede te zyn. Hy deed dit; te gelyker tyd deed hy my opmerken, dat wy met ongelyke wapenen streden; dit was waar: maar zoo al de punt van zyn sabel was weggenomen, was dezelve wel een voet langer dan de myne. Ik antwoordde hem, dat het scherp van den sabel veel meer diende dan de punt, en ik bood hem aan te ruilen. Om hem daar toe te bewegen, stak ik die geene, welke ik in de hand had, in den grond, en trachtte hem de zyne te ontwringen, tot dat ik myne vingers geheel bebloed zag, want ik had de kling aangevat. Toen nam ik myn wapentuig weder op, en zocht verscheiden maalen, maar vruchteloos, hem te raaken: hy keerde my met het grootste gemak af. Hy zelf, alle zyne krachten inspannende, wilde my een slag op 't hoofd toebrengen; maar gevoelende, dat myne handigheid onvoldoende zoude zyn, bukte ik om den slag te ontwyken. Ik maakte van dit myn postuur gebruik, trachtende hem in den hals te raaken; ik slaagde daar niet in, maar ik bragt hem een houw van zes duimen lang in het vleezigste gedeelte van den rechten arm toe. Ik zag dezelve dadelyk dwars door de opening van zyn rok, en zyn hand hing op zyde. Ik zelf echter was het gevolg van den slag, dien hy op myn hoofd gemunt had, niet geheel ontsnapt; die slag was op myn rechter schouder neergekomen, en maakte my aldaar een wond van een duim diepte. Toen vorderde ik, of dat MEYLAND my vergiffenis vragen zoude, of dat wy het gevecht met de pistool zouden vervolgen, schietende met de linke hand; maar hy verkoos het eerste. Ik deed hem gevoelen, dat de kortswyl van een Zwitser geen beuzeling was, die een Engelschman verdragen konde. Vervolgens gaaven wy elkander de hand, en ik bragt hem, geheel bebloed, by den Heelmeester van ons krygsvolk, die zyne wonde verbond. Dit afgeloopen zynde, kwam hy by zyn hangmat te rug, en het was hem, verscheiden weeken lang, onmogelyk eenigen dienst te doen. Op deeze wyze verzoende ik my met den Capitain MEYLAND; maar het geen my het grootst genoegen deed, was zyne verklaaring, dat hy my alleenlyk beledigd had in 't denkbeeld, dat de Colonel FOURGEOUD veel vermaak zoude scheppen, met my eenige onaangenaamheid te doen ondervinden. Zedert uit voorval verkeerden wy te zamen als de beste vrienden. De vreede echter mocht myn deel niet zyn, want denzelfden achter-middag was ik genoodzaakt twee andere Officiers uit te dagen, die zig op deeze maaltyd in het geschil van den Capitain tegen my gemengd hadden. Ik had echter het geluk, om hun zonder geweld of bloedvergieten myn caracter te doen kennen. Deeze heeren erkenden hunnen misslag; en dadelyk wierd ik onder ons volk met een goed oog aangezien.