WeRead Powered by ReaderPub
Reize naar Surinamen en door de binnenste gedeelten van Guiana — Deel 2 cover

Reize naar Surinamen en door de binnenste gedeelten van Guiana — Deel 2

Chapter 10: VYFTIENDE HOOFTSTUK.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

An extended narrative records military operations, patrols, and daily routines at remote outposts in Suriname while alternating reportage and personal observation. It interweaves natural history sketches of local flora and fauna—birds, mammals, reptiles, and insects—with practical notes on agriculture, mining, and fishing. Repeated descriptions of plantation life emphasize the conditions, punishments, and abuses endured by enslaved people. Encounters with Indigenous communities, their customs and material culture, and interactions with outside traders are described alongside episodes of mutiny, desertion, and disease, producing a hybrid account of exploration, conflict, and colonial society.

Des morgens van den 29sten, hoorden wy op nieuw het geluid van verscheiden snaphaan-schoten naar den kant van de Cottica. Het kwam van de Plantagie Marseille alwaar de slaven, vol dapperheid en trouw, de muitelingen voor de tweede maal verjaagd hadden.

Den 8sten der volgende maand, ontfingen wy de tyding, dat de Colonel FOURGEOUD, na de velden van den vyand, met welken hy van verre gesproken had, ontdekt en verwoest te hebben; na het overschot van den ongelukkigen SCHMIDT, die, zoo als ik gezegd heb, door de muitelingen gedood was, gevonden te hebben, met zyn krygsvolk te Maagdenberg was te rug gekomen, en dat hy aldaar tot den 11den dier maand verblyven zoude. Hy ging vervolgens wederom in de bosschen, maar vooraf droeg hy zorg, om zyne zieken naar de Hoop te doen brengen: hy zond ook derwaarts, om arrest te houden, en vervolgens gevonnisd te worden, een jong Officier, die aan niets anders schuldig stond, dan dat hy, zoo goed niet als hy zelve, de vermoeienis had kunnen doorsstaan. Deeze jongeling had last gehad, om twee dagen en twee nachten lang te waken; eindelyk niet in staat zynde om wakker te blyven, viel hy onder de wapenen in slaap, des te ligter, om dat hy op den grond zat. De luchtstreek van Guiana is in de daad zoodanig, dat zy in staat is de natuur gedwee te maken.

De Colonel schreef de voortduuring zyner gezondheid grootendeels toe aan zeker alleronäangenaamst geneesmiddel, het welk hy zyn drank noemde, en zeer heet en met koppen vol inzwolg: het bestond uit kina en room van wynsteen, by elkander gekookt; zyn gestel was 'er zoodanig aan gewend, dat hy het zelve niet ontbeeren konde. Echter had hy geene navolgers, elk was beducht, dat, wanneer de werking van dit geneesmiddel ophield, het geen eindelyk gebeuren moest, alle andere geneesmiddelen, op het oogenblik, dat men ze meest noodig had, werkeloos zyn zouden. Wat my betrof, ik bleef uitermaten zwak, en wanhoopte zelfs aan myn herstel. De neerslagtigheid, waar toe de kommerlyke staat van JOANNA my deed vervallen, veroorzaakte zulks niet weinig. Myne ongerustheid verminderde ten deezen opzigte niet, toen by een bezoek, het welk de heer en mevrouw LOLKENS my op de Hoop gaven, de eerstgemelde my zeide, dat de Plantagie Fauconberg andermaal stond verkogt te worden, en dat de nieuwe eigenaar was de heer LUDEN, te Amsterdam, tot wien hy geene de minste betrekking had; hy voegde 'er tevens by, dat het gerucht liep, dat JOANNA en ik beiden vergeven waren. Het verdriet, het welk zyne eerste tyding in my verwekte, wierd echter verzacht door het verlangen, het geen mevrouw LOLKENS my deed blyken, om myne gezellin dadelyk naar Paramaribo mede te nemen, ten einde haar aldaar in haar eigen huis te doen oppassen, tot dat zy volkomen hersteld zoude zyn. Ik betuigde haar alle mogelyke dankbaarheid, en de arme JOANNA stortte traanen van vreugde. Zy vertrokken alle drie den zelfden dag, en ik bragt hen tot Killestein Nova, alwaar wy het middagmaal hielden; waar na ik, na het nemen van een teder afscheid, hen verliet.

By myne te rug komst op de Hoop, had ik moeite om myne verontwaardiging binnen de paalen van omzigtigheid te houden, wanneer ik my de zorg, die ik voor myn eigen bloed droeg, door myne medgezellen hoorde verwyten. "Doet als wy, STEDMAN, zeiden zy, en vreest niets. Indien onze kinderen slaven zyn, men draagt ten minsten zorge voor hun; en sterven zy, dan is 't over. Laat alle uwe zuchten in uwen boezem, en uw geld in uw zak te rug keeren, gy zult 'er u beter by bevinden". Ik geef hunne eigene uitdrukkingen op, om te doen gevoelen, hoe zeer het my moet hebben aangedaan, zulke troostredenen te ontfangen.

Des anderen daags, met het aankomen van den dag ontwakende, was het eerste voorwerp, het welk my voor het oog kwam, een slang van zes voeten lang, die lynrecht boven myn hoofd hing, op den afstand van minder dan een voet, en met zyn bek naar beneden; hy had zyn staart om een balk van het dak geslingerd. Zyne oogen glinsterden als starren, en hy weemelde met zyn gespleeten tong in den bek. Ik was zoodanig verschrikt, dat ik moeite had, om hem te ontwyken, het geen ik egter deed, door my uit myn hangmat te werpen. Ik hoorde hem vervolgens gerucht maken in het drooge stroo, waar mede myn dak gedekt was; de Negers vervolgden hem aldaar, om hem te dooden, maar hy ontsnapte hun; dus kan ik niet zeggen, tot welk zoort hy behoorde. My toen alleen bevindende, en voor zulke bezoeken in het vervolg beducht zynde, sloot ik myn huis toe, en ging met myne vrienden, den Majoor HENEMAN en den heer MACDONALD, te zamen woonen.

Myne koffers naarziende, bevond ik, dat de mieren daar aan veel schade gedaan hadden. Zy zyn in Guiana van verschillende zoorten, en zoo talryk, dat ze my in één nacht een paar catoene koussen, die geheel nieuw waren, vernielden. De mieren, die veel op de Plantagiën gevonden worden, zyn zeer klein, maar zeer onaangenaam. Om de suikerbrooden te beveiligen, moet men die met een spyker tegen het beschot hangen, en zorge dragen, dat men rondom veel kryt smeert, om dat dit afvalt, en hen op het oogenblik, dat zy 'er over willen gaan, mede neemt. Ik verbeeldde my, dat, wanneer ik myne suikerbrooden op een steen zette, die in eene tobbe rondom in 't water stond, ik dezelve tegen deeze geduchte vyanden zoude veilig stellen; maar ik bedroog my; de voorhoede trok, tot myne groote verwondering, over 't water; en zeer weinigen verdronken. Het waare middel om zig van deeze insecten te ontlasten, bestaat daar in, dat men hen aan eene brandende zon bloot stelt; zy kunnen die niet verdragen, en vluchten na verloop van eenige minuuten weg. Het geen verscheiden Schryvers, waar onder zig Dr. BANCROFT, en zelfs Koning SALOMON bevinden, van den zoogenaamden voorraad, dien de mieren voor den winter vergaderen, hebben opgegeven, word door nieuwe waarneemingen wedersproken. Het is wel waar, dat 'er in Surinamen geen winter is; maar overal, waar dit jaargetyde bekend is, worden de mieren door eenen gevoel benemenden slaap verdoofd, geduurende welken zy niets noodig hebben.

Myn vriend, de Capitain VAN COEVERDEN, die toen in de bosschen was, ondervond eene onaangenaamheid van eenen anderen aart. Neger slaven openden zyne koffers te Paramaribo; zy ontstalen hem zyne beste goederen, en twintig guinies.

Den 6den, verdronk een zee-soldaat zig zelf in den aanval van een heete koorts, eene ziekte, die in Guiana zeer gemeen is. Byna te gelyker tyd wierd een soldaat van 's Compagnies krygsvolk op last van eenen hoogen krygsraad dood geschoten.

Aan den heer SEIFKE geschreven hebbende, om te weten, of het niet in de magt van Gouverneur en Raaden stond, om het kind van een vry man vry te maken, mits aan den eigenaar de somme betaalende, die zy in hunne wysheid gepast zouden oordeelen; hy antwoordde my, dat geene somme hoe genaamd een slaaf konde vry koopen, wie ook zyn vader wezen mogt, zonder de toestemming van den meester, naardien, volgens de wetten, die uit eene moeder in slavernye zynde geboren word, even zeer slaaf is, als of hy in Africa geboren, en van de kusten van Guinée herwaarts overgebracht was. Deeze uitlegging maakte myne ellende volkomen. Korten tyd na het ontfangen van dit antwoord, wierd ik op zekere Plantagie, Knoppemonbo genaamd, aan de Cassivinica-Kreek, en welks eigenaar, de heer DE GRAAF, alles deed, wat hy konde, om my te verzetten, ter maaltyd genoodigd. Eindelyk my ter zyden af, op een kleine brug, die naar een oranjen-bosch leide, ziende zitten, in eene houding, die myne bittere droefheid aanduidde, kwam hy by my, vatte my by de hand, en zeide my het volgende, het welk ik met de grootste verwondering aanhoorde.

"De heer LOLKENS heeft my bericht, myn heer, van de oorzaak uwer billyke smarte, maar de Hemel laat nimmer eene goede daad onbeloond. Ik heb het genoegen u tans kennis te geven,dat de heer LUDEN my tot Bestuurder zyner Plantagie verkozen heeft, en dat ik van dien dag af aan alle myne pogingen zal aanwenden, om u by hem van nut te zyn, als mede aan de achtenswaardige JOANNA, die, door haar beminnelyk caracter, zig de achting van allen, die haar kennen, verworven heeft, terwyl uw loffelyk gedrag ten haaren opzigte u de achting der geheele Volkplanting heeft doen verdienen."

Een Engel, uit den hemel nederdaalende, konde my geen blyder boodschap brengen: een misdadiger, die ter dood verwezen is, ontfangt de aan hem geschonkene genade met geen meerder vreugde! Ik gevoelde mynen boezem van een zwaaren last ontheven; en na den heer DE GRAAF zyne belofte hebben doen herhaalen, vond ik, dat ik my in den kelk van 't geluk nog konde dronken drinken. Kon na dit gesprek, wierd ik door alle de lieden van het gezelschap omringd, aan wien deeze waardige man zyne edelmoedige oogmerken mededeelde. Zy wenschten my met myne lofwaardige gevoelens, en met de beminnelyke gezellinne, waar aan ik my verbonden had, geluk: zy scheenen in het genoegen, het welk ik ondervond, deel te nemen; en de geheele dag wierd in festynen en vermaken doorgebragt. Des avonds keerde ik naar de Hoop te rug, veel beter te vreden, dan toen ik deezen post verlaten had. Des anderen daags wierd het zelfde gezelschap aldaar door den Majoor MEDLAR ontfangen; en wy hielden met onze bezoeken aan tot den 13den, wanneer wy andermaal gezamentlyk naar Knoppemonbo gingen.

De heer DE GRAAF, nieuwe slaven gekogt hebbende, gaf aan alle de Negers van zyne Plantagie een festyn, en ik had dus gelegenheid, om de hun eigenäartige vermakelykheden te zien; maar ik bewaare derzelver mededeling tot een ander tydstip. Tans zal ik alleenlyk eene beschryving geven van den dans van Loango, zoo als die door de Negers van dit gedeelte van Africa, en door geene anderen word uitgeöeffend. Dezelve bestaat in zulke aangevuurde en wulpsche houdingen en gebaarden, dat men de meest verhitte verbeelding en de bestendige gewoonte noodig heeft, om dien uittevoeren. Deeze dans, die met trommelslagen vergezeld gaat, en geduurende welken de dansers met hunne handen de maat slaan, kan als een zoort van pantomime beschouwd worden, die in verscheiden bedryven verdeeld is, en eenige uuren aanhoudt. Maar het merkwaardigst is, dat, zoo lang dit zoort van vertooning duurt, de dansers en danseressen, verre van vermoeid te schynen, zig meer en meer aanvuuren en verhitten, tot dat zy eindelyk door en door bezweet, en hunne aangezette bewegingen tot die hoogte gestegen zyn, dat, de natuur bezwykende, zy op het punt zyn, om in stuiptrekkingen te vervallen.

Hoe onbetamelyk deeze oeffening ook is, de Europeesche en Creoolsche vrouwen zyn by het gezicht daar van, even als van alle andere vermaaken tegenwoordig. Zy verzamelen zig onbeschroomd benevens de manspersoonen, rondom de dansers, om, zoo zy zeggen, eens hartig te lagchen. Zulke vertooningen zouden het gezicht van eene Engelsche vrouw geheel doen bloozen.

Deeze waarneeming, dat de gewoonte in zekere Landen zaaken voor geoorloofd houd, die men elders verwerpen zoude, word meer of min bewaarheid, naar maate men verschillende luchtstreeken bezogt heeft. Een Officier, in dienst der Indische Compagnie, heeft onlangs eene beschryving uitgegeven van de verschillende houdingen, gebaarden, gezichten, zuchtingen, uitdrukkingen van vermaak, vrees, hoop, en elke trap van hartstocht, die de danseressen in de Oost-Indiën doen blyken; maar wat deeze jonge dogters ook doen mogen, om de verbeelding der toekykers aan te vuuren, men weet, dat de heidensche vrouwen de kuischte in de geheele weereld zyn.

Den 14den keerde ik naar de Hoop te rug, alwaar ik vernam, dat het dak van myn huis door een stormwind was weggenomen. Dewyl ik niet meer voorneemens was het zelve te bewoonen, liet ik het om ver vallen. Intusschen had ik aldaar de gelukkigste dagen van myn leven gesleeten.

Den 26sten, trok de Colonel FOURGEOUD op nieuw naar de Wana-Kreek; maar dewyl hy van den post van de Savane der Jooden het krygsvolk had weggenomen, maakten de muitelingen daar van gebruik, niet alleen door eene Plantagie aan de Rivier Surinamen te plonderen, maar zelfs verscheide Plantagiën, aan de Cassivinica-Kreek, te verbranden. Eene bezending van 's Compagnies krygsvolk, die by toeval zig aan deeze Rivier bevond, vervolgde hen, maar zonder eenig voordeel. Twee soldaaten wierden gedood, en verscheide anderen, waar onder hun Bevelhebber NEYLE was, wierden gekwetst. De Majoor zond het krygsvolk af, het welk onlangs op Ornamibo geplaatst was, ten einde den vyand te vervolgen: het zelve doorkruistte het bosch eene geheele week lang, en kwam te rug, zonder iemand ontmoet te hebben. Deeze meenigvuldige gebeurtenissen doen zien, hoe moeielyk het voor Europeesche krygsbenden is, om in de bosschen van Noord-America te gaan oorlogen.

Den 30sten van deeze maand, zynde St. ANDREAS dag, liet ik een geheel schaap braden, waar op ik alle de Officiers, die zig op de Hoop bevonden, onthaalde. Ik gaf daar by twee kruiken goede Jamaicasche Rhum, waar van wy Punch maakten, welke wy op de gezondheid van onze vrienden van het oude vaste Land uitdronken. Ik herhaalde dit festyn den 4den December, na het ontfangen der tyding, dat myne JOANNA van een frisschen en schoonen zoon bevallen was. Den zelfden dag schreef ik aan den heer LUDEN te Amsterdam, om de vryheid voor moeder en kind te bekomen, en ik deed dit in dezelfde uitdrukkingen, als aan zynen voorzaat den heer PASSELAIGE; alleenlyk verzogt ik hem met meerder aandrang, om zyn antwoord te verhaasten, om dat ik niet wist, hoe lang onze tocht nog duuren zoude. Myn nieuwe vriend, de heer DE GRAAF, ondersteunde my, zoo als de heer LOLKENS gedaan had. Dit alles afgeloopen zynde, gaf ik aan de zieken een douzyn flessen goeden Champagne-wyn, die de eerstgemelde van deeze twee heeren my gezonden had, en die zedert het jaar 1726. in zyne kelder geweest waren.

Des morgens van den 10den, met myn snaphaan op den schouder rondom de Plantagie wandelende, zag ik, dat alle de slaven, uit hoofde der mishandelingen van den Opzichter, aan 't muiten waaren. Het krygsvolk, by geluk van het verschil kennis genomen hebbende, deed het zelve tot algemeen genoegen eindigen. Deeze veelvuldige onlusten, waar van ik verscheiden malen melding gemaakt heb, gaven klaarlyk het oogmerk der Negers te kennen, om tot eenen openbaaren opstand over te slaan; en zy zouden zulks voorzeker te meermalen beproefd hebben, zoo zy niet wederhouden waren geworden door de vrees, welke de tegenwoordigheid van het krygsvolk hun inboezemde. Dien zelfden morgen bragt ik een paar vogels van twee verschillende zoorten mede. De eerste word genoemd Toreman; de andere is een zoort van poelsnip. De Toreman is een vogel van eene zeer heldere zwarte kleur, hebbende gryze pooten, en een zeer krommen bek: hy heeft de grootte van een hoen; en is zeer goed om te eeten. Hy gaat op de hoogste takken der boomen zitten, en men ontdekt hem gemakkelyk door een zoort van zang, het welk hy by de aankomst van elk mensch in het bosch duidelyk herhaalt. Van daar heeft hy den naam van Toreman, het welk in de taal der Surinaamsche Negers een snapper of spion beteekent: de muitelingen dragen hem om die reden eenen verschrikkelyken haat toe.

De poelsnip in de Savanen is een weinig minder groot dan een korhaan: deszelfs pluimaadje is van eene fraaie gryze zilver-kleur, en zyne gedaante ten naasten hy van de Europeesche poelsnippen. Men vindt deezen vogel voornamelyk in de verdronkene Savanen; hy is vet, en van een uitmuntenden smaak.

Den 11den, wierd de Plantagie Reetwyk, aan de Peréca, door de muitelingen aangetast; maar het krygsvolk noodzaakte hen de wyk te nemen.

Den Colonel FOURGEOUD toen te Maagdenberg te rug gekomen zynde, en my, na eene ziekte van zeven maanden, volmaakt hersteld bevindende, waagde ik het, om hem op nieuw schriftelyk voor te stellen, om met hem in de bosschen te trekken, of my toetestaan van eenigen tyd te Paramaribo door te brengen; maar hy weigerde my het een en ander verzoek. Ziende, dat het my niet mogelyk was mynen post te verlaten, deed ik derhalven aan myne geliefde JOANNA by een brief verstaan, dat ik my beter bevond. Ik kwam vervolgens met myn brief aan den oever der Rivier, om aldaar een vaartuig te vinden; en tegen den middag bespeurde ik het open vaartuig van Fauconberg, het welk den Opzichter naar Paramaribo bragt: by ongeluk bekleedde hy dien post slechts zedert kort, en my niet kennende, wilde hy niet naar den oever komen, om myn brief aan te nemen. Echter ziende, dat de Negers met hunne riemen stil lagen, stak ik den brief tusschen myne tanden, en sprong in 't water, om naar het vaartuig toe te zwemmen, niet twyffelende, of men zoude my wel weder aan land brengen. Ik volgde dus den stroom, geheel gekleed, en naderde eindelyk tot op den afstand van twee riemen van het vaartuig: toen nam ik myn brief in de hand, en denzelven in de hoogte houdende, riep ik: "Wie zyt gy, die een stuk papier weigerdt aan te nemen?" Men antwoordde my in 't Fransch: "Ik ben JEAN BEARNY, een boer uit Gasconje, om u te dienen". Het vaartuig ging, na deeze weinige woorden, oogenblikkelyk voort, en ik zag my buiten staat, om het zelve in te haalen, of weder aan land te komen. In zulk eene benaauwdheid stond my niets anders, dan den dood te wagten; want het was onmogelyk, om tegen den stroom op te zwemmen, vooral, daar myne kleederen my in den weg waren: ik beproefde het egter, maar ging twee keeren naar den grond. Ik zoude aldaar buiten twyffel hebben moeten blyven, indien ik eindelyk niet eenig paalwerk gevat had, het welk in de Rivier gestoken was om visch te vangen, en my daar aan stevig had vast gehouden. In deeze gesteldheid riep een Hollandsch Timmerman, die my boven van een Suikermolen zag, uit al zyn kragt, dat de Engelsche Capitain zig wilde verdrinken. Op deeze woorden sprong een dozyn sterke Negers in de Rivier, en wel dra, onder het oog van mynen vriend, den Major MEDLAR, die vry genegen was, om het bericht van den Hollander te gelooven, grepen zy my, en namen my op hunne schouders, om my aan wal te brengen. De woede over de onbetamelyke bejegening, die my wedervaren was, de pyn, het gevaar, en de schande zelfs, vervoerden my dermaten, en maakten zulk eenen sterken indruk op mynen geest, dat ik oogenblikkelyk het gebruik der reden verloor, en de misdaad, waar van ik beschuldigd wierd, byna ter uitvoer bragt; want door de slaven over eene kleine brug gedragen wordende, nam ik een sprong, en wierp my van boven neder in de Rivier; ik wierd dadelyk door de Negers weder opgevischt; en de verdenking, dat ik een zelfsmoord in den zin had, wierd bevestigd. Dienvolgende bragt men my in myne hangmat, waar by den geheelen nacht twee schildwachten geplaatst wierden. Myne vrienden omringden my, en stortten traanen; maar een weinig warmen wyn genomen hebbende, viel ik in eenen diepen slaap tot des anderen daags morgens. By myn ontwaken een zeer bedaard voorkomen hebbende, vonden myne redenen, tot myn groot genoegen, eindelyk ingang, en myne medgezellen lieten alle vrees ten mynen opzigte vaaren. Aan zulk een gevaar stelde my het onbeschaamd gedrag van deezen onmenschelyken Franschman bloot, die zig zelfs naderhand door trekken van eene voorbeeldelooze wreedheid befaamd maakte.

Daags na dit voorval, zond ik myn brief met één van myne Negers, die zig in een kleine kano naar Paramaribo begaf. Tegen den middag een vaartuig met syroop van suiker, waar op zig in de brandende zon een Engelsch matroos en twee Negers bevonden, voor de Hoop ten anker ziende liggen, deed ik den eerstgemelden aan land komen, al waar ik hem op een schotel spek met eieren, en een bool punch onthaalde; het geen hem zeer verwonderde, want hy maakte geene rekening op zulk een goeden maaltyd, en nog minder, om één zyner landgenooten op deeze plaats te vinden: zyn naam was MACDONALD, en men zal by vervolg zien, welke zyne dankbaarheid was.

Het evengemelde vaartuig was een groote schuit met twee riemen, welke de syroop van suiker (melasse) op de Plantagiën gaat haalen, en aan boord der Americaansche schepen brengt; en deeze voeren ze naar de Eilanden, om 'er rhum van te maken. Men betaalt ze aan de Hollanders tegen drie guinies het vat.

Den 16den, kwam 'er een ander Officier aan, die door den Colonel was in arrest gezet. De naam van den eersten was GYLGUIN, en van den tweeden NEYS: de misdaad van den laatsten was een twist, die hy met een vryen Neger, GOASARY genaamd, over het schikken van plantains had. Deeze twee jongelingen wierden vervolgens naar Europa gezonden op last van den Colonel, die vast stelde, dat zy door een hoogen krygsraad veroordeeld zouden worden: maar, na een kort rechtsgeding, wierden zy met eere vry gesproken, tot algemeen genoegen der geheele krygsbende. In de daad, zoo verregaande was de gestrengheid van den Colonel, dat hy de minste toegevenheid niet had voor de zwakheden der jeugd.—Dewyl ik zoo even van Plantains sprak, zal ik deeze gelegenheid waarnemen, om deeze vrucht, en den boom, die ze voortbrengt, te beschryven; het geen ik misschien reeds had behooren gedaan te hebben.

De Plantain-boom is veel eer een plant, dan een boom, want hy heeft noch schors noch hout, dezelve bestaat in een stamen, of helmstyl, rondom door bolachtige, vezelachtige groene vliezen omgeven, die even als de uijen op elkander zitten, tot tien en meer duimen middellyns: deeze omwindzels of schelpswyze schorssen klimmen beurtelings tot op omtrent veertien voeten afstand van den grond, en vormen zig niet tot takken, maar tot bladeren, ten getale van dertien of veertien, die zig als een zonnescherm uitspreiden, en waar van elk in staat is iemand van de grootste gestalte te overdekken: zy zyn van een helder zeegroene kleur, tot dat zy verwelken en afvallen, om voor nieuwe plaats te maken. Uit het midden van deeze verëenigde bladeren, spruit een zwaare stam van by de drie voeten lang, welken de zwaarte eener bloem-kelk van eene purper kleur naar den grond doet overhellen. Boven aan deezen stam groeien de vruchten, Plantains genaamd, welke de gedaante van een komkommer hebben; zy bedragen een getal van meer dan honderd, en deeze geheele tros noemt men doorgaans een rey of reeks. Elke boom of plant draagt slechts één van deeze reijen te gelyk: wanneer die afgesneden is, komen 'er zeer schielyk jonge uitspruitzels in de plaats, die uit hunne bolachtige wortels voortkomen, en in den tyd van tien maanden dezelfde bewerking kunnen ondergaan. De Plantain-boom vordert een voedenden grond, zonder welken de vrucht niet goed voortkweekt, en nooit haare waare hoogte van rypheid bereikt. Deeze vrucht, ontdaan van derzelver bekleedzelen, wanneer ze nog groen is, bevat eene meelachtige zelfstandigheid van eene ligt geele kleur, die, het zy gekookt, het zy gebakken, in plaats van brood dient, gelyk ik reeds gezegd heb: zy is zeer gezond, en van een zeer aangenaamen smaak. Wanneer de schil geel word, is de binnenste zelfstandigheid zoet, en men kan ze raauw eeten, want zy heeft ten naasten by de smaak van een rype peer; maar tot die hoogte gekomen zynde, bedient men zig 'er alleenlyk van op het nagerecht.

De Bananen-boom is een zoort van plant van dien aart; hy verschilt alleenlyk van den Plantain-boom daar in, dat zyne vrucht meer eirond, en minder groot is, en dat men dezelve nooit eet, dan wanneer ze geel en volkomen ryp is. De eerste is van meerder nut; maar de tweede, die een reuk van muscus heeft, is lekkerder: de eene is in Surinamen bekend onder den naam van banana, de andere onder dien van bacouba. [6]

Den 18den, van mynen vriend, den Majoor MEDLAR, verlof verkregen hebbende, om een keer naar Paramaribo te doen, begaf ik my derwaarts in een vaartuig; ik kwam aldaar aan op het tydstip, dat men myn zoon met Madéra wyn en water waschte, volgens de gewoonte des Lands. JOANNA was volmaakt hersteld, en ik bood haar een gouden gedenkpenning aan, welken myn vader op myn geboorte-dag aan myne moeder geschonken had. Ik bedankte ook mevrouw LOLKENS voor alle haare goedheden, en ik vertrok weder dadelyk naar de Hoop, alwaar ik den 22sten te rug kwam.

De arme Neger, dien ik met de bezorging van mynen brief belast had, was minder gelukkig geweest, dan ik: de kragt van den stroom had zyne kano in het midden der Rivier Surinamen doen omslaan: hy konde niet zwemmen, maar had de kragt en behendigheid, om zig op de kano, die onöphoudelyk weder trachte om te keeren, recht op te houden, en door dit middel gelukte het hem om altyd het hoofd boven water te houden, terwyl de zwaarte van zyn lichaam dit vaartuig eindelyk belette te wankelen. Eene sloep van een oorlogschip verlostte hem gelukkig uit deeze gevaarlyke en lastige gesteldheid; maar zy, die op het schip waren, namen de kano voor hunne moeite, en zetten den man te Paramaribo aan land. Geduurende al den tyd, dat hy in 't water geweest was, had hy den brief tusschen zyne tanden gehouden, en denzelven met allen spoed willende bezorgen, deed hy dadelyk zyn best, om zulks te verrigten, maar vergistte zig in het huis: men zag hem in 't huis, alwaar hy binnen trad, voor een dief aan, want hy weigerde aanhoudend den medegebragten brief over te geven, en men stond gereed, om hem vier honderd geesselslagen te doen toetellen,wanneer gelukkiglyk een Engelsch Koopman, één van myne vrienden, GORDON genaamd, en die den Neger kende, hem uit deeze ongelegenheid redde. Dus wilde deeze arme jongen, die byna in de Rivier verdronken was, liever onder de geesselslagen sterven, dan de geheimen van zynen meester ontdekken.—Waar zyn de Europeanen, met zulk een moed en trouw begaafd!

Hier boven van eene manier van visschen door middel van paalwerk melding gemaakt hebbende, zal men misschien verlangen deeze manier, die my dikwils eene zeer goede maaltyd verschafte, te kennen. Men omzet eenvoudig een vierkant vak in de Rivier, met goed paalwerk van Latanusboomen hout, die met koorden van heestergewassen vast zyn aan één gebonden. In het midden is eene breede opening of deur, welke men by den vloed open, en by de ebbe gesloten houdt, om voor te komen, dat de visch niet ontsnappe. Door dit middel vangen de Negers en Indianen dikwils eene groote meenigte visch. Onder die geenen, welken men de laatste keer vong, waren de logolago, en de matouary. De eerste is een zoort van zeer dikke paling, en twee voeten lang: zyne huid heeft eene bleekblauwe kleur op zyde en op den rug, maar witachtig onder den buik. Deeze paling is zeer vet, en van een goeden smaak. De matouary is klein en zonder schubben. Het is in Surinamen zeer merkwaardig, dat, zoo dra zy buiten 't water zyn, de meeste visschen een geknor maken, naar dat van een bigge gelykende.

Den 23sten, op de Plantagie Knoppemonbo ten eeten zynde, zag ik twee vogelen, die al myn aandacht tot zig trokken. Een derzelve verdiende dit vooral, door het zonderling maakzel van zyn nest. Men noemt hem in dit Land Lipybanana, om dat hy zig voornamelyk, zoo men zegt, met rype bananen voedt. Ik weet niet of hy de spotvogel van Dr. BANCROFT is, maar hy koomt zeer naby aan deszelfs beschryving.

Eenige vogels van dit zoort hadden zig op een grooten boom aan den waterkant genesteld: de Negers verzekerden my, dat zy zig op die plaats zedert verscheiden jaaren rustig by één verzamelden. Zy maakten eindelyk aldaar een getal van meer dan twee honderd uit. De gedaante deezer vogelen is ten naasten by die van een Engelsche lyster. De mannetjes hebben vederen op het lyf van eene zeer heldere zwarte kleur, zynde hun staart en een gedeelte der vlerken van eene karmozyn kleur; de wyfjes hebben ook het lyf zwart, maar het overige van eene zeer fraaije geele kleur. Hun zang was in de daad uit eene groote verscheidenheid van zangnooten zaamgesteld; maar hy had geene zoetluidenheid, en bootste geenen anderen wildzang naar, zoo als men gemeenlyk voorwendt, dat de spotvogel doet, dien ik voor 't overige in Surinamen niet heb hooren noemen. Deeze vogels hadden, ten getale van meer dan zestig, hunne nesten op het einde van de takken der boomen geplaatst, alwaar zy door den wind heen en weder slingerden. Deeze nesten, ten aanzien van derzelver gedaante naar een zoort van beursen gelykende, zyn in de laagte zeer rond; maar eindigen in de hoogte puntsgewyze. Zy zyn van een weinig hooy gemaakt; en in 't midden ziet men een gaatje, waar door de vogels uit en in vliegen. Hunne eieren leggen zy op den grond, die zeer breed is, en het boven-einde, spitswyze gemaakt, beveiligt deeze vogelnesten tegen roof en slegt weder: maar van nog meerder gewicht is het, dat, uit hoofde van hunne ligging, de aapen, die in dit Land zoo talryk zyn, hun geen nadeel kunnen toebrengen, om dat deeze takken, waar aan hunne nesten vast zyn, schoon sterk genoeg om dezelve, en het geen 'er in is, te dragen, te zwak zyn voor vyanden van eene vry meerdere zwaarte; en tot meerder zekerheid waaren die geene, welke ik gezien heb, boven het water geplaatst.

De andere vogel, dien ik in myn te rug komen doodde, was de Surinaamsche valk, die, ten aanzien van grootte en gedaante, naar dien in Engeland gelykt. Deszelfs pluimaadje is van een helder bruine kleur, en aan de borst en staart met verschillende roode, zwarte, en geele vlakken geteekend. Hy had een gespleeten tong, de oogen uittermaaten schitterend, de pooten van een citroen-kleur, en de klauwen met zeer lange en zeer puntige nagels gewapend. Deeze vogel doet veel schade op de Plantagiën, en vooral onder het gevogelte.

Het word tyd, dat ik tot de krygs-verrigtingen van onzen Bevelhebber te rug keere, die eenige dagen op Maagdenberg gebleven zynde, op Kersdag met het zwak overschot van zyne krygsbenden optrok, en zig naar de Savane der Jooden begaf, van waar hy naar Maagdenberg te rug keerde, zonder iets gezien te hebben, maar ten minsten met den titel van den zwervenden Jood. Deeze weinige vorderingen wederhielden den Majoor MEDLAR en my niet, om hem ons verzoek te hernieuwen, ten einde hy ons zoude toestaan om hem op zyne tochten te vergezellen: onze verzoeken waren te vergeefs, want hy begaf zig toen naar Paramaribo, alwaar men dagelyks nieuwe versterkingen uit Europa verwagtte. Eindelyk echter stond hy ons toe hem naar deeze Hoofdstad der Volkplanting te volgen; ik zegge ons, om dat die zelfde gunst ook aan eenige andere Officiers wierd toegestaan, die in dit oogenblik aan alles gebrek hadden, terwyl 'er vyftien vaten besten wyn, en vyftien duizend guldens aan geld, ter beschikking van den Colonel waren.

VYFTIENDE HOOFTSTUK.

Indianen, inboorlingen van Guiana.—Voedzel,—Wapenen,—Cieradiën,—Optooisels,—Bezigheden, —Vermaken,—Driften,—Godsdienst,—Huwelyken,—Begravenissen, enz, van deeze Volken.—De Caraïbische Indianen in 't byzonder, en hunne koophandel met de Europeanen.—Boomen, Heesters en Planten.

Den 18den January 1774, verliet ik eindelyk den wachtpost van de Hoop, welke den lezer misschien reeds zoodanig verveeld zal hebben, als dezelve my te dier tyd gedaan had. Van daar zakte ik de Rivier af naar de Plantagie Arentslust; en des anderen daags hield ik op de Plantagie Katwyk, die zeer fraay is, het middagmaal. Ik dagt hier een einde aan alle myne reizen te maken; want de heer GOETZER, eigenaar van deeze Plantagie, my één van zyne paarden geleend hebbende, om zyne bezittingen eens te doorkruissen, verdweenen wy, het dier en ik, eensklaps; een houte brug, waar over ik heen reed, verrot zynde, brak oogenblikkelyk aan stukken; ik viel in 't water, en had veel moeite om de wal te bereiken; vervolgens eenige Negers geroepen hebbende, trokken zy het paard, het welk in de modder gezonken was, 'er uit; maar dit geschiedde egter niet zonder groote moeite.

Des avonds vertrok ik nog naar Paramaribo, alwaar ik met laag water aankwam, het geen my gelegenheid gaf tot het beschouwen der boomen, die aan den oever der Rivier Surinamen groeien, en met oesters, even als vruchten, aan de takken vast zittende, bedekt zyn. Deeze byzonderheid heeft gelegenheid gegeven tot de algemeene misvatting, dat zy aan die boomen groeiende, 'er een gedeelte van zouden uitmaken; maar 'er is niets byzonders in gelegen, dat zy zig zoo wel aan de eene als andere zelfstandigheid vast hechten; want men vindt gemeenlyk verscheiden zoorten van schelpvisschen, die zig aan de kiel der schepen, als aan rotzen, vast houden. Deeze oesters, die de gedaante van paddenstoelen hebben, zyn zeer klein en vry middelmatig; honderd van dezelve zyn zoo veel niet waardig, als een dozyn Glocester oesters. Men vindt ook mosselen in Surinamen, maar zy zyn zoo klein en smakeloos, dat zy naauwlyks verdienen gemeld te worden.

Des anderen daags na myne aankomst, gaf ik een bezoek aan den Gouverneur en aan den heer KENNEDY, als mede aan Mevrouwen LOLKENS en DEMELLY: allen ontfingen zy my met zeer veel eerbewyzing, en wenschten my geluk met myne kennis aan den heer DE GRAAF; zy keurden ook goed het geen ik voor JOANNA en voor myn zoon gedaan had.

Den 22sten, het overschot van ons krygsvolk zig grootendeels op Paramaribo bevindende, gaf de heer VAN EYS eene maaltyd aan de geheele krygsbende.

Den 29sten, kwam een aanzienlyk getal Indianen in deeze hoofdstad der Volkplanting aan. Deeze volken,die uit Guiana oorsprongelyk zyn, schynen de gelukkigste schepzels, die onder den hemel leven, en zyn in stammen (castes) verdeeld, als daar zyn,

   De Caraïben. De Arrowouks.
   De Accawaus. De Tajiras.
   De Worrows. De Piannacotaus.

'Er zyn bovendien nog veele anderen, wier gebruiken en gewoonten onbekend zyn. De Indianen van alle deeze stammen hebben in 't algemeen een koper-kleur; terwyl de Africaansche Negers, die onder den zelfden graad van breedte woonen, volmaakt zwart zyn. Men kan gemakkelyk van dit onderscheid reden geven: de Indianen van Guiana worden door de zeewinden, of de ooste winden, die tusschen de keerkringen waaien, aanhoudend verfrischt. De inwooners van Terra Firma en Peru aan de westkust van America, genieten ook denzelfden oosten wind, welke dien grooten keten van bergen, in de binnen-landen gelegen, wier kruin steeds met sneeuw bedekt is, en waar over die wind heen waait, altyd frisch houdt. De inwooners van Africa, zuidwaarts van de Rivier Senegal levende, hebben dien wind ook wel, maar na dat dezelve door de verschrikkelyke meenigte woestynen, welke zy overwaait, brandend geworden is.

Deeze zyn de waarschynlykste oorzaaken, waarom de Americanen alleenlyk een koper- of roode kleur hebben, en dat de inwooners van Africa, welke Negers genoemd worden, geheel zwart zyn; namelyk, om dat de straalen der zon by de laatstgemelden meer brandende zyn, dan by de eersten, en niet om dat zy twee geheele onderscheidene stammen of geslachten zouden uitmaken: want ieder, die wel onderzoekt en opmerkt, ziet klaarlyk, dat 'er maar eene zoodanige stam van het menschdom op de aarde is, en dat het onderscheid tusschen de menschen alleenlyk voortkoomt uit het verschil van luchtstreek en grond. Ik ben daarënboven van gedachten, dat deeze Indianen altyd des te minder aangemerkt moeten worden als eene stam, van die van het oude vaste Land verschillende, wanneer men de nabyheid van Rusland aan Noord-America in aanschouw neemt. Uit het eerstgemelde Land zullen de eerste Americaanen verhuist zyn, maar zy hebben tot hier toe het nieuwe vaste Land slechts weinig bevolkt, uitgenomen egter Mexico, en eenige andere gedeelten van America, die door de gierigheid en het bygeloof der Spanjaarden ontvolkt zyn.

Ik kan deeze Indianen van Guiana gelukkig noemen, daar hunne zeden en gerustheid door de gebreken der Europeanen niet zyn gestoord geworden, daar zy geene misslagen dan die der onkunde hebben, welke geenzints uit het bederf van eenen zoogenaamden staat van beschaafdheid, en van eenen Godsdienst, van deszelfs grondbeginzel zoo zeer afwykende, hunnen oorsprong nemen.

Deeze aanmerkingen herïnneren my natuurlyk het antwoord van eenen Indiaan, met opzigt tot eene redenvoering van een Zweedsch Prediker, ter gelegenheid van een Vredes-verdrag, te Covestogo gesloten. Zie hier hetzelve in 't kort:

"Wel! gelooft gy in de daad, dat onze voorvaderen en wy allen, zoo als gy zegt, veroordeeld zyn, om in eene andere weereld eeuwig-duurende folteringen te ondergaan, om dat wy van uwe geheimzinnige nieuwigheden niet zyn onderrigt geworden? Zyn wy niet het maakzel van God? En kan deeze God zonder de hulp van een boek zynen wil niet openbaaren? Indien dit waar is, en God is rechtvaardig, is het dan met zyne rechtvaardigheid eenigermaten over één te brengen, dat hy ons zonder onze toestemming in deeze weereld plaatsen zoude, en ons vervolgens tot eene eeuwige verdoemenis verwyzen, om dat wy met u niet eenstemmig denken. Neen, neen! wy zyn overtuigd, dat de Europeanen een meer bedorven zedenleer, dan de Indianen, hebben, indien wy hunne leer naar hun gedrag afmeten".

'Er is zekerlyk geen loffelyker onderneming, dan om de waarheden, door God zelven aangekondigd, aan menschen, wier verstand zoo zuiver is, en zoo zeer verdient opgehelderd te worden, mede te deelen: maar ik vrees, en niet zonder reden, dat de pogingen van eenen achtenswaardigen Prediker zeer weinige vorderingen maken zullen, zoo lang het gedrag van het grootste gedeelte van andere zendelingen der Moravische Broederen, zig onder de Indianen aan de oevers der Saraméca nedergezet hebbende, alwaar zy zig met de bekeering der Indianen en Negers bezig houden, niet hunne leeringen lynrecht strydig wezen zal.

Alle de Indianen van Guiana gelooven in eenen God, als de opper-oorzaak van alles goeds, en die hun nooit het minste kwaad wil doen; maar zy bidden den duivel aan, om de onheilen, waar mede hy hen kwellen kan, af te weeren: zy noemen hem Yawahou; zy schryven aan hem de smart, de ziekten, de wonden, en den dood toe, en overal, waar een Indiaan sterft, verlaat zyn geheele huisgezin dadelyk dit verblyf, om voor het vervolg den doodelyken invloed van het noodlot te ontwyken.

De Indianen van Guiana zyn volken, die volmaakt vry zyn; dat is, zy kennen geene verdeeling van landen, en hebben geen ander bestuur, dan dat der oudsten, die elk in hun huisgezin den post van Capitain, Priester, en Geneesheer waarnemen; men bewyst hun eene eerbiedigende gehoorzaamheid, en noemt hen Peji, of Pagaijers, en even als by veele beschaafde volkeren, genieten zy meerder voorrechten, dan hunne overige landgenooten.

De veelwyverye is onder deeze volken geoorloofd, en het staat aan ieder man vry zoo veele vrouwen te nemen, als hy onderhouden kan, schoon hy 'er doorgaans niet meer dan ééne heeft, op welke hy uittermaten jaloers is, en die hy oogenblikkelyk om hals brengt, zoo dra zy hem een sterk en zeker bewys van trouwloosheid geeft. De Indianen slaan hunne kinderen nooit, om welke reden het ook zy; en hun geheel onderwys bestaat in hen te leeren jagen, visschen, loopen en zwemmen. Nimmer beledigen zy elkander met scheldwoorden, en begaan geen diefstal; de leugen is onder hen eene onbekende zaak. By deeze gelukkige hoedanigheden kan men voegen, dat geen volk dankbaarer is, wanneer men hen met ordentelykheid behandelt; ik zal zelf, by vervolg, daar van een merkwaardig bewys opgeven; maar aan den anderen kant moet ik ook zeggen, dat deeze Indianen uittermaten wraakzuchtig zyn, vooral wanneer zy vermeenen, dat men hen onrechtvaardig beledigd heeft.

De eenige gebreken, die ik in hun ken, indien men ze by hen als zoodanig beschouwt, zyn de onmatige drift om zig dronken te drinken, wanneer de gelegenheid zig daar toe aanbiedt, en hunne onbegrypelyke agteloosheid. De eenige bezigheid van eenen Indiaan, wanneer hy niet vischt, nog jaagt, bestaat om in zyn hangmat te gaan leggen, zig te vermaken met het schoonmaken zyner tanden, met de hairen van zynen baard tusschen zyne vingers te wryven, of zig zelf in een stuk van een gebroken spiegel te bekyken.

De Indianen zyn in 't algemeen zeer zindelyk; zy baden zig twee of drie maalen daags in de Rivier of in de Zee. Allen, van welke kunne zy ook zyn, trekken zig al het hair uit, uitgenomen op het hoofd. Hun hoofdhair is dik, en van een schitterend zwarte kleur; het word niet grys, en nooit worden zy kaal; de mannen dragen het hair kort, maar by de vrouwen hangt het tot op de helft van den rug. Het schynt dat zy de Bybelleer volgen, waar in gezegd word, dat lange hairen de cieraad van een vrouw, en de schande van een man zyn.

De Indianen van Guiana zyn noch groot, noch sterk, noch zwaar gespierd, en over 't algemeen zeer gezond. Hun gelaat geeft niets dan vergenoegen en goedäartigheid te kennen. Zy hebben regelmatige en schoone trekken, dunne lippen, witte tanden, en zwarte, maar kleine oogen. Echter mismaken zy zig allen meer of min door het gebruik van de Arnotta, of Roucou, waar aan zy den naam van Cosowy, en de Hollanders dien van Orlean geven. Het zaad van de Arnotta, in limoensap wel geweekt, en gemengd met water, en de gom, die van den boom, Mawna genaamd, afvloeit, of met oly van bevergeil, maakt eene scharlaken verwe, waar mede alle de Indianen zig het lichaam, en de mannen zelfs hun hoofdhair besmeeren, het geen aan de huid de kleur geeft van een gekookte zee-kreeft. Zy hebben bovendien de gewoonte, om zig met caraba, of krabben-oly, te wryven, en men moet erkennen, dat zulks voor menschen, die byna naakt zyn, in eene brandende luchtstreek zeer dienstig is. Op zekeren tyd aan 't lagchen geraakt zynde, op het zien van een jongen Indiaan, die van onder tot boven besmeerd was, en uit den omtrek van Caijenne kwam, antwoordde hy my in 't Fransch: "Dusdanig gebruik verzagt myne huid; het belet eene al te overvloedige uitwaasseming, en bewaart my gedeeltelyk voor het steken der insecten, die u kwellen; zie daar, myn heer, waar toe, behalven het fraaije, my die roode verwe dient. Zeg my nu eens, (wyzende op de poeder, waar van myn hair vol was,) om welke reden zyt gy wit geverwd? Ik vind geene reden, waarom gy op die wyze uw meel verdoet, uwe kleederen vuil maakt, en grys gelykt, eer gy oud zyt".

De Indianen gebruiken ook tot het zelfde einde een zeer ligt gevlakt blauw, het welk zy tapowripa noemen; maar dit heeft alleenlyk plaats, wanneer zy zig willen opschikken, en het blyft negen dagen op de huid. Zy maken dit van het sap van eene kleine vrucht, gelykende naar een kleinen appel, en groeiende aan den boom, tawna genoemd, en welke zy in water laten weeken; zy bedienen 'er zig van, om over hun geheele lichaam en aangezicht een zooit van beeldspraken te teekenen, waar van de grond altyd vierkant is. Dit smeersel zit zoodanig aan de huid vast, dat één van onze Officiers, die zulks niet gelooven wilde, uit aartigheid goedvond zig twee zeer groote knevels te laten schilderen, welke hy tot ons groot vermaak verpligt was een geheele week op Paramaribo te dragen; en hy moest den gewoonen tyd afwagten, op welken deeze kleur weggaat, om daar van geheel en al ontheven te worden.

De eenige kleeding, welke de Indianen hebben, bestaat in een zwart of blauw windzel van catoene lywaat, het welk de mans om hun midden dragen, en vry veel gelykheid heeft met het geen de Negers hun camisa noemen. Zy binden het om hunne lenden, en laaten het tusschen hunne beenen doorgaan; en dewyl het zeer lang is, hangen zy het einde over hunne schouders, of laten het agteloos over den grond sleepen. De vrouwen, hebben, in plaats van dit windzel, een zoort van voorschoot van catoene lywaat, met koraalen verciert, en by hun queiou genaamd. Dit voorschoot heeft maar een voet breedte tegen agt duimen hoogte; het is met franjen omboord, en met koorden van catoene draaden vast geknoopt. Schoon het zwaar is, maakt deeze kleinte het zelve niet zeer geschikt tot het oogmerk, waar toe het dienen moet. Verscheide vrouwen dragen ook een gordel van hair, waar aan zy van vooren en van agteren, een groote vierkante lap zwart catoene lywaat hegten, maar veel ligter en zonder sleep, zoo als de mannen aan hunne camisa hebben. Beiden dragen zy dit zoort van kleeding zeer laag; het geen hun het voorkomen van eene uittermaten lange gestalte geeft.

In de binnen landen gaan verscheiden Indianen van beiderleije kunne geheel naakt. De opschik der vrouwen bestaat, om in kleine gaten, welke zy zig in de onderlip maken, spelden te steken, en zelfs alle de spelden, welke zy zig kunnen aanschaffen, en waar van de punten haar, als een zoort van baard, op de kin hangen. Door dat zelfde middel hangen zy ook brokjes kurk-, of ander ligt hout aan hunne ooren. Zommige van haar steeken ook gaten in de huid van hunne wangen of neus, om 'er vederen in te plaatsen; maar dit is zeer zeldzaam. Het ongeschiktst cieraad in myn smaak is dat der jonge dogters van tien of twaalf jaaren oud, en bestaande in een zoort van catoene koussebanden, die om de enklauwen en beneden de kniën naauw zyn toegebonden, en altyd zoo blyvende, de kuit van het been ongemeen dik maaken, wanneer zy in haar groeijen zyn, en haar een lomp voorkomen geeven. Alle dragen zy ook gordels, windzels, armringen van koraalen van verschillende kleuren, of van schelpen, en van tanden van visschen: zy dragen die om den hals, de schouders en de armen; maar de laatstgemelde meestal boven den elleboog. De Indiaansche vrouwen hebben in 't geheel zeer weinig bevalligheid in haare gestalte; zy zetten de voeten binnewaarts, en haare opschik heeft slechts eene middelmatige aantrekkelykheid. Ik moet egter hier van uitzonderen de vrouwen van zekeren byzonderen stam, waar van ik in 'tvervolg spreken zal.

De cieraden der mannen bestaan in kroonen van vederen van verschillende kleuren, of in een zoort van draagband, gemaakt van tanden van tygers of wilde zwynen, welken zy als een teeken van hunne dapperheid en werkzaamheid dragen. De hoofden des huisgezins bedekken zig zomtyds met de huid van de eerstgemelde deezer dieren, met een zilvere plaat in de gedaante van een kruis vastgemaakt, het welk ze caracoly noemen. Zy steeken ook dikwils kleine brokken van dit zelfde metaal door het kraakbeen in het midden van den neus, of zomtyds een steen van eene groene of geele kleur. Alle deeze volken leven in de bosschen, by de Rivieren, langs de Zeekusten, en bewoonen kleine gehuchten. Hunne huizen of hutten, welke zy carbets noemen, zyn gebouwd, zoo als ik van die der Negers reeds heb opgegeven; maar in plaats van met bladen van Latanus-boomen bedekt te zyn, zyn zy bedekt met biezen, welke men hier tas noemt, en die by bossen op moerassige plaatsen groeien. Meer algemeen gebruiken zy hier toe troulies, een zoort van blaaden, aan den wortel der plant wassende, niet minder dan twintig of vier-en-twintig voeten lang, en twee of drie voeten breed zynde, welke geheele jaaren eene kragtdadige beschutting tegen het guur weder verschaffen.

De huisraad en gereedschappen der Indianen zyn zeer eenvoudig, maar tot hun gebruik voldoende: het zyn eenige potten van zwarte aarde, die zy zelve maaken; eenige calebassen of kauwoerden; eenige korven, welke zy pagala noemen; een steen om te malen, matta genaamd, en een anderen om hun cassaven-brood te bakken; een zoort van waijer, om het vuur aan te blazen; een houte stoel, mouly genaamd; een zeeft, mounary genaamd; een pers, matoppy genaamd, dienende om het vocht van de cassave uit te perssen; en eindelyk een catoene hangmat, waar in zy slapen.

Door hunne betrekkingen met de Europeanen, hebben zy bylen of messen, welken deeze aan hun bezorgen; en zy dragen de eerstgemelden altyd om hun midden even als dolken. Elk huisgezin der Indianen is ook van een groot vaartuig of kano voorzien, om alles, wat hy bezit, over te voeren, wanneer zy te water reizen, het geen zeer dikwils voorvalt.

De eenige plantgewassen, door deeze volken aangekweekt wordende, zyn de ignames, de plantain-boomen, welken ik reeds beschreven heb, en in 't byzonder de Maniok, waar van zy de cassave maken. De laatstgemelde plant is een zacht en grysachtig heestergewas, het welk omtrent drie voeten hoog opgroeit. Deszelfs bladeren zyn gevingerd, breed, en hangende aan steelen van eene kaneel-kleur. Deeze heesters zyn van tweërley zoort, door de benaaming van zoete en bittere onderscheiden. De wortels alleen zyn goed; zy zyn van een meelachtigen aart, en van een zeer zoeten smaak; en ten aanzien van kleur, grootte en gedaante, gelyken zy veel naar Europeesche witte wortelen. De zoete maniok, even als de groene plantains, onder heeten asch gebraden, en met boter gegeten, is een aangenaam en gezond voedzel, en heeft den smaak van kastanjes. Maar de bittere maniok, wanneer hy raauw is, is het doodelykst vergift, zoo voor menschen als beesten; en ondertusschen hoe vreemd dit ook schynen moge, wanneer hy door het vuur is gaar geworden, word hy een zeer heilzaam voedzel, en dient aan de Indianen van dit Land, zoo wel als aan de Europeanen en Negers, tot brood. Zie hier de manier, waar op de eerstgemelden de cassave gereed maken: eerst malen of raspen zy de wortels op de matta, of ruwe steen. Dit geraspte zetten zy vervolgens in een pers, om het sap van de meelachtige zelfstandigheid af te scheiden. Deeze pers is een zoort van zeer lange buis, van warimsbo, of gevlochten biezen, gemaakt; na dezelve met geraspte cassave gevult te hebben, hangt men die aan een boom, en maakt 'er van onderen een, stuk hout aan vast, welks zwaarte deeze buis uitrekt; terwyl de langzaam voortgaande drukking het vocht door derzelver openingen doet uitloopen. Deeze bewerking geëindigd zynde, geeft men aan het meelachtig gedeelte de ronde gedaante van een koek, welke men op een heeten steen laat bakken, tot dat dezelve bruin en geroost is; als dan is het een zeer gezond voedzel, het welk zes maanden lang bewaard kan worden. Men moet egter toestemmen, dat door deeze behandeling de smaak van dit zoort van brood zoetachtig en smakeloos word. Indien de slaven op de Plantagiën geene zorge droegen, om het aldus uitgeperst vocht van deezen wortel weg te werpen, zoude het vee en gevogelte 'er van drinken, het geen hen oogenblikkelyk zoude doen opzwellen, en in doodelyke stuiptrekkingen vervallen; en echter dient dit zelfde vocht, met geslacht vleesch en peper gekookt, om 'er soep van te maken. Men moet geen maniok-wortel tot voedzel nemen, zonder denzelven wel te kennen: verscheiden lieden zyn, zoo als ik zeker weet, vergeven geworden, door het een voor het ander te nemen. Het onderscheid tusschen de twee zoorten bestaat daar in, dat een houtachtig en ruw vezel, of een zoort van koord, dwars door den wortel van den zoeten of eetbaaren maniok loopt, terwyl de bittere of vergiftige maniok zulks niet heeft. De Indianen eeten ook acajou-nooten, en zy brengen ze dikwils te Paramaribo, alwaar men ze inginotto noemt. De pitten van deeze nooten, die, ten aanzien van de kleur en gedaante, naar lams-nieren gelyken, zyn uittermaten lekker. De acajou-nooten groeien aan boomen, welke men niet dan zeer diep binnen in 't land vindt, maar dewyl ik 'er geene gezien heb, kan ik 'er geene beschryving van geven.

De Indianen voeden zig ook met land- en zeeschildpadden en met krabben, welke zy syryca noemen, en welke men by laag water in meenigte langs de kusten van Guiana in het slyk vindt. Zy zyn 'er zeer heet op, gelyk ook op rivier-kreeften, welke zy sarosara noemen, en die in dit Land zeer overvloedig zyn; maar geen zoort van voedzel behaagt hun meer, dan de iguana, of de hagedis waijamaca, waar van ik reeds gesproken heb. Al wat zy eeten, is zoodanig met peper van Caijenne aangezet, dat een Europeaan het proevende den mond branden zoude. Zy gebruiken weinig of geen zout, en laaten hun wildt in den rook droogen, het geen het voor 't bederf bewaart. Indien een Indiaan verzuimt heeft, om door jagen of visschen levens-middelen te vergaderen, stilt hy zyn honger met het een of ander voortbrengzel der bosschen.

Deeze volken hebben verscheiden zoorten van drank, en onder anderen het sap van zekere vrucht, by hen coumou genaamd. De boom, die deeze vrucht voortbrengt, is een palmboom van het kleinste zoort. Deszelfs zaad is besloten in bessen van een blauw gevlakte kleur, die naar trossen gelyken, en wier vleesch aan een harde en ronde pit, als een pistool-kogel, lugtig aanhangt. Men laat deeze bessen in kokend water weeken en ontbinden: de inwooners van goeden smaak doen vervolgens suiker en kaneel in dit vocht, het welk hun dan tot drank dient, en zeer sterk de smaak van chocolaad heeft. Een andere drank, waar aan de Indianen den naam van Pivorry geven, is een mengzel van cassavebrood, door de vrouwen gekauwd, en in water uitgegist; het heeft de smaak van zoet bier (aile), en kan iemand dronken maken. Men vindt het dadelyk vreemd, dat menschen, van welken landäart ook, een drank kunnen drinken, welken een ander in den mond gehad heeft: maar zy, die de reizen van Capitain COOCK geleezen hebben, zullen zig herinneren, dat deeze gewoonte op de door hem ontdekte Eilanden mede plaats heeft, en dat, zoo hy zig daar niet naar geschikt had, hy derzelver inwooners zeer te onvreden zoude gemaakt hebben. Zyne Officiers echter vonden niet goed, om zig naar dit gebruik te voegen, en weigerden, om van deezen walgelyken drank mede te drinken. Het brood, van Turksch graan gemaakt, dient ook aan de inboorlingen van Guiana, om 'er een ander zoort van drank van te maken; zy kruimelen het, en laten het in water weeken, tot dat dit mengzel, even als het voorgaande, is uitgegist, en zy noemen het zelve chiacoar. Deeze volken hebben bovendien nog een vierde zoort, cassiry genaamd, waar van zy veel gebruik maken. Het is zaamgesteld uit ignames, cassave, zuure orange-appelen, en suiker of teriaak, in water wel geweekt en uitgegist zynde. Ik moet 'er byvoegen, dat alle deeze dranken, als men 'er te veel van gebruikt, dronken maken, het geen aan de Indianen, mans en vrouwen, dikwils gebeurd. Dan alleenlyk begaan zy ongeregeldheden, en ontstaan 'er twisten onder hen.

De taal der Indianen in 't algemeen gelykt veel, ten aanzien van de uitspraak, naar de Italiaansche. Hunne woorden zyn welluidend, en eindigen met een klinkletter, zoo als men uit de door my bygebragte zien kan. Tot hun Almanach hebben zy niets anders, dan een koord met knoopen. Hun speeltuig bestaat voor eerst in een zoort van fluit, toutou genaamd, van een zeer dik bies gemaakt, waar op zy geluiden doen hooren, die niet veel aangenaamer zyn dan het gebulk van een os, en zonder welluidenheid of maat. Eene andere fluit, door deeze volken quarta genoemd, (veel overëenkomst hebbende met het geen OVIDIUS noemt Syrinx, en eenige dichters het rietfluitje van PAN:) is gemaakt van eene verzameling van rieten, aan het eene einde van ongelyke grootte, en als de pypen van een orgel te zamen gevoegd. Om op deeze fluit te spelen, neemt men ze met beide handen, en brengt ze aan de lippen, alwaar men ze heen en weder draaiende, 'er een zoort van mateloos en helder geluid mede maakt, het welk voor niemand aangenaam is, dan voor deeze Indianen. Wanneer ik zoodanig één moedernaakt, in het midden van een boschjen, op zyn rieten fluitje hoor speelen, verbeeld ik my den God PAN te zien. Ik bezit tans ook nog eene fluit, welke zy van een been van hunne vyanden maken. Hunne dans, indien men 'er dien naam aan geven kan, bepaalt zig tot sprongen, tot slingeren op één been, en tot rond draaien in verschillende houdingen, tot dat hun hoofd duizelig word.

De Indianen zyn zeer gemeenzaam onder elkander, en komen dikwils in eene groote hut of carbet, die daar toe in ieder gehucht is opgericht, by elkander. Zy danssen, zy speelen daar, of vermaken zig met het hooren of doen van vertellingen van spooken, toovenaars, of het verhaalen van hunne droomen, terwyl zy tusschen beiden dikwils in een onmatig gelach uitbarsten. Zy scheppen groot vermaak in zig te baden, het geen zy twee of drie maalen daags doen, mans, vrouwen, jongens, meisjens, allen onder malkander; en by deeze partyen maken zy zig zelfs niet aan de geringste onvoeglykheid schuldig, het zy met woorden, het zy met daden. Zy zyn, allen zonder onderscheid, uitmuntende zwemmers.

De bezigheden der mannen zyn, zoo als ik reeds gezegd heb, weinig in getal: men kan ze in twee woorden uitdrukken, jagen en visschen; en zekerlyk zyn de Indianen op deeze beide oeffeningen meerder afgericht, dan eenig ander mensch, tot welk volk hy ook behoore. Tot de jagt bedienen zy zig van boogen en pylen, welken zy zelve maken; en van de laatstgemelde hebben zy verschillende zoorten, naar den verschillenden aart van het wildt, waar op zy ter jagt willen gaan. Hunne bogen zyn van het stevigste en hardste hout gemaakt; zy geven aan dezelve zes voeten, en polysten ze op het fraaist door middel van een steen: deeze bogen zyn gespannen met koorden van zyde-planten, en de greep is met catoen omwonden. Hunne pylen hebben doorgaans by de vier voeten lengte. Zy zyn van een zoort van zeer sterk en recht riet gemaakt, aan welks einde eene ligte roede van een voet lengte is vast gemaakt, om ze in evenwigt te houden, en zy zyn met een staale punt, of een vischgraat gewapend, welke altyd een weerhaak heeft. Zommige van de pylen deezer volken hebben een punt als die van een lans; andere zyn met dubbele en driedubbele weerhaken, en zoodanig in één gewerkt, dat zy in de wond blyven hangen, wanneer zelfs het hout weggenomen is; deeze zyn de pylen, waar van men zig voornamelyk voor het jagen en visschen bedient; want, schoon zy niet doodelyk zyn, zyn zy voor het wildt ongemeen hinderlyk, en door middel van een boey, welke men 'er aan vast maakt, dienen zy om de visch naar de oppervlakte van het water te trekken, en mitsdien om zoo wel de een als de ander te vangen. Deeze pylen zyn alle van vederen van zes of zeven duimen lang voorzien. Verscheide hebben in plaats van punten rond gemaakte knoppen, van de grootte van een kastanje; de Indianen bedienen 'er zig van om de papegaijen en kleine apen te bedwelmen en te doen nedervallen, waar na zy ze met de hand grypen; deeze dieren komen weder spoedig by, en men zend ze levendig naar Paramaribo. Zommige van deeze pylen, geschikt om de visschen te dooden, hebben de gedaante van een drietand, hebbende tot drie en zelfs tot vyf punten. De Indianen doopen 'er ook eenige, maar in een klein getal, in het vergift, wourara [7] genaamd, het welk eene verschrikkelyke en schielyke werking doet; maar wanneer zy vreezen, dat hun schot zoude mogen missen, bedienen zy zig van een ander zoort van pylen, die niet meer dan tien of twaalf duimen lang, uitermaten dun, en van de schors van zeer hard palmhout gemaakt zyn. In plaats van vederen, is dezelve met catoen omwonden, zoo veel als voldoende is tot het vullen van een holle buis, van een riet gemaakt, en by de zes voeten lang, waar in deeze Indianen met hun adem blaazen. Zy werpen deeze doodelyke werktuigen, op den afstand van veertig schreden, en op zulk eene zekere manier, dat het dier, het welk zy mikken, hun niet ontsnappen kan. De punt van deeze laatstgemelde pylen word ook in het vergift wourara gedoopt, het welk zulk een krachtig vermogen heeft, dat by den laatsten opstand, in de Volkplanting de Berbices voorgevallen, eene vrouw, die door eene deezer vergiftigde pylen ligt gewond was, niet alleen byna oogenblikkelyk stierf, maar dat zelfs een kind, het welk zy aan de borst had, schoon het door dit wreed wapentuig niet geraakt was, insgelyks overleed, vermits het slechts een oogenblik aan de borst zyner moeder, na dat deeze was gekwetst geworden, gezogen had.

De manier van visschen is by de Indianen byna dezelfde, als die, welke ik reeds ter gelegenheid van den post de Hoop beschreven heb. Zy maken een fuik van paalwerk, by den ingang van kleine kreeken en in laage gronden; zy dooden aldaar de visch met hunne drietandige pylen, of vergiftigen het water, door 'er wortels van hiary, in Surinamen den naam van tringy-youco of konamy dragende, in te werpen. Deeze wortel verdooft den visch; en in dien staat kan men hem met de hand grypen, terwyl hy op de oppervlakte van het water dryft. De Indianen dryven in deeze wortelen handel, en verzenden ze in meenigte naar de Plantagiën, en naar Paramaribo. Zie daar, welke, behalven het maken van hunne huisraad, cieradiën, en wapentuigen, by deeze volken de bezigheden der mannen zyn.

Ik moet ook niet vergeten, dat elke Indiaan ter zyner verdediging een knods draagt, welke men apoutou noemt, van het zwaarste hout uit het bosch gemaakt: dezelve is agttien duimen lang, aan de twee einden plat en vierkant; maar aan het eene einde veel zwaarer, dan aan het andere: in het midden is dezelve het dunst; hy is omwonden met zeer sterke draden catoen, dienende om hem met des te meerder vastheid aan te vatten, en door een zoort van stootplaat gedekt, om de voorhand te bewaaren. Door een slag met deezen knods, waar aan dikwils een puntige steen word vast gemaakt, slaat men iemand de herssens in. De Indianen van Guiana snyden dikwils op hun apoutou beeldspraakige vertooningen, en het getal der vyanden, welken zy gedood hebben. Om den steen aan deezen knods vast te maken, steekt men dien in den boom zelven, die het hout levert, terwyl die in zyn groei is; dezelve hecht zig daar aan als dan zoo vast, dat het niet mogelyk is 'er dien uit te trekken; vervolgens hakt men dit hout, om 'er het fatsoen aan te geven.

De vrouwen houden zig bezig, om de maniok, de bananen, de ignames, en andere wortelen te planten; zy maken de levens-middelen gereed, maken aarde potten, catoene hangmatten, armbanden, en manden of korven. De beste derzelve worden pagala genoemd; zy zyn van een dubbele rieten mat gemaakt, die den naam van warimbo draagt, en eene witte of bruine kleur heeft; en deeze dubbele mat is tusschen beiden met bladeren van tas of trouly gevuld, om ze voor de vochtigheid te beveiligen. Het dekzel is gewoonlyk veel hooger en breeder, dan de mand zelve; het gaat over de geheele mand heen, en maakt dezelve op die wyze nog sterker: de bodem rust op twee stukken hout, kruislings gelegd. De hangmatten zyn geweven; het geen veel moeite en tyd vordert; want men moet elke draad, één voor één, in de scheering steeken, byna op dezelfde manier, waar op men koussen weeft. Men legt vervolgens deeze hangmatten in eene verwe, van schorssen van boomen gemaakt, volgens de kleur, die men 'er aan geven wil.

De Indiaansche meisjes bereiken de huwbaarheid voor den ouderdom van twaalf jaaren, en zomtyds zelfs veel eerder. Men huwd ze op die jaaren uit. De geheele plechtigheid bestaat, ten aanzien van den jongman, daar in, dat hy aan de jonge dogter eene zekere hoeveelheid wildt en visch, door hem gevangen, aanbied; en, wanneer zy dit aanneemt, doet hy haar deeze vraag: "Wilt gy myne vrouw zyn"? Indien zy dit met ja beantwoordt, is de zaak klaar; en wanneer het huis en de huisraad gereed zyn, viert men de bruiloft door een feest, waar op men zig dronken drinkt. De zwangere vrouwen kramen zonder hulp, en met zoo weinig moeite en pyn, dat men haar schier ontheven zoude oordeelen van het vonnis, tegen de eerste moeder van het menschelyk geslacht uitgesproken. Zy verrigten alle de bezigheden van het huishouden en bedienen haare mannen op den dag van haare verlossing zelven. Hoe belachelyk en ongeloofbaar deeze gewoonte ook schynen moge, is het niet minder waar, dat de man in dat geval, geduurende meer dan een maand, in zyne hangmat leggen blyft, alwaar hy steent en zucht, als of hy zelf van een kind stond te verlossen; en geduurende al dien tyd, moet zyne vrouw hem zorgvuldig oppassen, en hem het beste voedzel geven. Dit zyn de Indianen gewoon te noemen genot van zig zelven te hebben, en van hunne vermoeidheid uit te rusten. Verscheiden van deeze volken beschouwen een plat voorhoofd als eene groote schoonheid, en zoo dra hunne kinderen geboren zyn, drukken zy derzelver voorhoofd plat, zoo als eenige wilden in het Noorden van America doen.

De Indiaansche vrouwen eeten niet met hunne mannen, en zy bedienen hun als slavinnen, het geen haar belet, om alle mogelyke zorge voor haare kinderen te dragen; deezen zyn echter steeds wel gesteld en sterk. Wanneer zy reizen, dragen zy dezelve in kleine hangmatten, die op één der schouderen hangen; het kind zit in dezelve, met de beenen, het één voor, het ander agter de moeder geplaatst.

Deze Indianen neemen sap van tabak, in plaats van een braakmiddel. Wanneer één van hun op sterven ligt, het zy van ziekte, het zy van ouderdom, (en dit laatste overkoomt hun meer dan het andere) bezweert de Peji, of Priester, den Yawahou, of duivel, te middernacht, door het roeren van een calebas, gevuld met steentjes, erweten, en koraalen, geduurende welke verrigting hy eene lange redenvoering doet. Het ampt van Priester is by deeze volken erffelyk; en, zoo als ik reeds gezegd heb, hy, welke dien post vervult, heeft de eerstelingen van alle zoorten van spyzen of dranken, en zelfs een gemakkelyker leven. Wanneer een Indiaan gestorven is, wascht men hem, wryvt hem met olie, en steekt hem in een zak van nieuw catoen; hy zit daar in, met de elleboogen op de kniën, het gezicht met de palm van beide handen bedekt, en al zyn krygs- of jagt-gereedschap word by hem gelegd. Geduurende deeze plechtigheid, doen zyne nabestaanden, zyne vrienden, zyne gebuuren, de lucht van een jammerlyk geschreeuw weergalmen, maar kort daar na drinken zy zig aan sterke dranken dronken, en spoelen dus hun hartzeer af, het welk niet voor het volgende jaar weder te voorschyn koomt. Deeze gewoonte heeft daar door eenige overëenkomst met die der Berg-Schotten, by het begraven hunner dooden. Op het einde van het jaar haalt men het lyk uit den grond; het vleesch is 'er dan van afgescheiden, en men verdeelt de beenderen onder de nabestaanden en vrienden; men volgt dezelfde plechtigheden, als de eerste keer; waar na de geheele buurt naar eene andere geschikte verblyfplaats zoekt. Eenige byzondere stammen van Indianen volgen nu en dan een verschillend gebruik. Na het lichaam van hunne overledene nabestaanden of vrienden in de zoo even beschrevene houding geplaatst te hebben, leggen zy het zelve in 't water, en laten het verscheiden dagen daar in. De visschen eeten 'er wel dra het vleesch af, en wanneer 'er niet meer aan is, haalt men het geraamte uit 't water, laat het in de zon droogen, en hangt het vervolgens van binnen aan het dak der hutten of carbets. Dit is het grootste bewys van teedere liefde en achting, welke men, by deeze volken, aan de dooden bewyzen kan.

Wanneer deeze Indianen te land reizen, neemen zy altoos hunne kano met zig, welke gemaakt is van den stam van een grooten boom, door middel van het vuur uitgehold. Dezelve dient hun dan tot het overbrengen van hun reistuig, wanneer zy moerassen doorwaden, of kreeken of rivieren over moeten; en is, even als zy zelven, geheel rood geverwd. Indien zy te water reizen, gaan zy doorgaans tegen den stroom, om het wildt, het welk zy op de boomen, of aan den oever zien, des te gemakkelykcr te kunnen dooden; indien zy met den stroom mede roeiden, zou de kragt van 't water hen noodzaaken om gezwind voort te gaan. Wanneer zy de zeekusten volgen, gebeurd het dikwils, dat eene golve hunne cano met water vult; maar in weerwil van dit ongeluk, lyden zy nooit schipbreuk. In zoodanig geval werpen zy allen, mans en vrouwen, zig oogenblikkelyk in het water; met de eene hand houden zy zig aan de kano vast, en met de andere maken zy dezelve met calebassen ledig.

Schoon de Indianen van Guiana zeer vreedzaame volken zyn, voeren zy echter zomtyds oorlog, eenvoudiglyk om gevangenen te hebben: de Europeanen zetten hen maar al te dikwils daar toe aan, om dezelven van hun te koopen, en 'er slaven van te maken; maar zy dienen niet meer dan tot eene uiterlyke vertooning, dewyl zy volstrekt weigeren te arbeiden: indien men hen mishandelt, en vooral indien men hen slaat, kwynen zy, teeren uit, en weigeren alle voedzel, tot dat zy eindelyk van verzwakking en smarte sterven.

De Indianen doen altyd hunne aanvallen midden in den nacht; hunne krygsverrigtingen gelyken meer naar die van een beleg, dan naar die van eenen veldslag; zy bestaan in het omcingelen der vyandelyke gehuchten, terwyl derzelver bewooners in diepen slaap liggen; in het gevangen nemen der vrouwen en kinderen van beiderleije kunne; in het dooden der mannen met hunne vergiftigde pylen, of in dezelven met hunne apoutous, of knodsen, de herssenen in te slaan. Zy ontnemen ook aan de laatstgemelden het hoofdhair, en brengen het als een zegenteeken t'huis, om het aan hunne kinderen en vrouwen te toonen, of zy verkoopen het aan de Europeanen op Paramaribo. In de vechteryen van twee partyen, maar die zeer zeldzaam onder hun voorvallen, zyn de boog, en met weerhaaken voorziene pylen, hunne voornaame aanvallende wapentuigen. Deeze raaken den vyand, en doen denzelven omkomen, op den afstand van meer dan zestig schreden. De ligtste vogel zelf in zyne vlugt, indien hy slechts de grootte van eene kraay heeft, kan hun niet ontsnappen.—De behendigheid van deeze volken, in alle hunne krygsoeffeningen, is zoo groot, dat de beste schutters, in de veldslagen van Crecy, van Poitiers en van Agincourt, voor hun zouden hebben moeten onderdoen.—Ik moet 'er nog byvoegen, dat wanneer deeze Indianen gaan oorlogen, zy eenen Generaal verkiezen, wien zy den titel van Outil geven.

De koophandel, welken de Indianen van Guiana met de Hollanders dryven, bestaat in ruilingen. Zy leveren slaven, waterkruiken, kano's en hangmatten, Brasilie-hout, hiary wortelen, kapellen, papegaijen, apen, copaiva-balsem, arracocerra-gom, oly van acajou-noten, en arnotta; waar voor zy wederkeerig ontfangen gecouleurde stoffen, snaphaanen, kruid, bylen, messen, scharen, glaswerk, spiegels, visch-haaken, kannen, naalden, spelden, enz. De copaïva-balsem druipt van de schors van eenen dikken boom, die zeer verre binnen in het Land groeit, welks bladeren breed en puntig zyn, en die eene vrucht draagt, als een komkommer. Deeze gom is geel, hard, doorschynend, en naar amber gelykende. Wanneer men ze ontbindt, geeft ze een aangenaame geur van zig, en dient tot een water-afdryvend middel, en tot een vernis. De gom, aracocerra genoemd, loopt uit een boom, die men insgelyks in het binnenste des lands vindt. Zy is geel, gelyk de eerstgemelde, maar zwaar, en zacht in het aanraken: derzelver reuk is ook veel geuriger. De Europeanen en Indianen waardeeren dezelve zeer, uit hoofde van haar krachtig vermogen tot geneezing van wonden en andere kwaalen. De caraba, of oly van acajou-noten, word op deeze wyze gemaakt: men klopt, stampt en kookt de pitten, welke men uit de hoekachtige en bruine vrucht haalt, groeiende aan een boom van denzelfden naam, die de gedaante van een goeden kastanje-boom heeft. Deeze oly is bitter. De Indianen bedienen 'er zig van, om 'er het lyf mede te besmeeren, en de Europeanen gebruiken ze tot verschillende einden. De boom, wiens bladeren naar die van den laurierboom gelyken, groeit tot de hoogte van meer dan vyftig voeten; maar dewyl ik denzelven, noch ook de twee eerstgemelden, niet gezien heb, kan ik 'er niet meer van zeggen. De Mawna-boom is hoog, recht, en van een helder bruine kleur; deszelfs bladeren zyn eirond, en de noten gelyken naar muscaat noten; maar zy hebben 'er de geur niet van. De gom loopt uit den stam door insnydingen, welke men 'er in maakt; de Indianen laaten dezelve in water ontbinden, en, zoo als ik reeds gezegd heb, zy mengen die onder de arnotta, om zig te beschilderen. De Palma-Christi by de kruidkundigen onder den naam van Ricinus, of den Wonderboom, bekend, is een heester van omtrent vier voeten hoog. Hy is recht op geschoten, en met breede gevingerde bladen bedekt, hangende aan lange steelen, en zulks zoo wel de stam, als de takken. Deeze heesters zyn van tweederley zoort, roode en witte. Zy brengen driehoekige nooten voort, zittende in groene schillen, die bruin worden, en afvallen, wanneer de vrucht ryp is. Men perst uit deeze noten de oly, aan welke men in Surinamen den naam geeft van carapat. Derzelver smaak gelykt veel naar die van olyf-olie.

Onder alle de Indiaansche volken, onderscheiden zig de Caraïben door hun getal, werkzaamheid, en dapperheid. Zy woonen grootendeels naar den kant der Spaansche bezittingen, die zy dikwils ontrusten door een geest van wraakzucht over de wreedheden, omtrent de volken van Mexico en Peru, welken de Caraïben als hunne voorvaderen beschouwen, door deeze Europeanen zynde gepleegd geweest; zy hebben een Capitain aan hun hoofd, en verzamelen zig by elkander op het geluid van een zeeschelp; dikwils leveren zy ook slag aan de Indianen uit hunne nabuurschap; maar eene byzonderheid, die schier ongelooflyk schynt, en sterk is tegengesproken geworden, steldt hen beneden alle de andere volken van het vaste Land; zy zyn Cannibalen, of menschen-eeters. Dit is ten minsten zeker, dat zy hunne vyanden eeten, wier vleesch zy met de gretigheid van een gier inslokken, schoon men in algemeen vooronderstelt, dat zy daar toe meer door wraakzucht, dan door een bedorven smaak, gedreven worden.

De Accawaus-Indianen zyn weinig in getal, en van de zee-kusten meer af gelegen, dan de eerstgemelden. Zy leven in goede verstandhouding met de Hollanders; maar zy zyn valsch, en weeten een langzaam vergift te bereiden, het welk zy onder hunne nagels verbergen. Hunne hutten zyn omringd met staketzels, van palen gemaakt, waar van de punten ook vergiftigd zyn.

De Worrows-Indianen, zoo zy niet de wreedsten zyn, mogen ten minsten voor de verachtelyksten van alle de Indianen in Guiana gehouden worden. Zy woonen langs de Orenoco, tot aan de Volkplanting van Surinamen. Hunne kleur is onaangenaam en bleek. Zy zyn wel sterk, maar kleinmoedig. Hunne natuurlyke vadzigheid en hunne elende, een gevolg van hunne gevoelloosheid, is zoo groot, dat zy naauwlyks zoo veel hebben om die deelen te bedekken, welke de schaamte gebiedt te verbergen, en dat zy zig daar toe dikwils van den schors van een palmboom in plaats van linnen bedienen. Zomtyds gaan zy geheel naakt, en geven een ondraaglyken stank van zig. Hunne luiheid noodzaakt hen den meesten tyd, om alleen van wilde vrugten te leven, en niets dan water te drinken. Het moge vreemd dunken, wanneer men zegt, dat dit volk wel te vreden is; maar men moet begrypen, dat deszelfs verlangen zig tot deeze genietingen bepaalt, en dat men nooit een Indiaan hoort klagen, dat hy ongelukkig is.

De Tajiras bewoonen ook de zeekust, tusschen de Volkplanting van Surinamen, en de Rivier der Amazonen; hun getal is het meest aanzienlyk; men berekent ze op byna twintig duizend zielen in deeze bezitting alleen. Deeze Indianen zyn vreedzaam; maar zeer ongevoelig, en in veele opzigten gelyken zy naar de Worrows.

De Piannacotaus leven zeer verre in de binnen landen, en zyn vyanden van de Europeanen, met wien zy weigeren te handelen, of in de minste betrekking te staan. Dit kan ik 'er bovendien van zeggen, dat zy alle de Christenen in Guiana vermoorden zouden, indien zy 'er de magt toe hadden.

De eenige Indiaansche natie in dit Land, die my nog staat op te noemen, is die der Arrowouks: ik verkies dezelve boven alle anderen;—maar dewyl dit hooftstuk reeds vry lang geworden is, zal ik 'er by eene andere gelegenheid van spreken. Ik stap derhalven voor een oogenblik af van dit gelukkig volk, het welk noch van onderscheidingen van rang, noch van verdeelingen van landen, de bronnen van wanorde en twist by de verlichtste volken, eenige kennis heeft. Dit zelfde volk weet, in deszelfs gelukkig Land, alwaar groente en bloemen zig onophoudelyk vertoonen, in 't geheel niet wat behoefte en moeite is. De wenschen van hun, die deeze volken uitmaken, zyn bepaald, maar altyd voldaan. Deeze gelukkige Indianen hebben, met het denkbeeld van een toekomend leven, geene de minste ongerustheid over deeze toekomste, en sterven in vrede. Men kan van hun, naar de letter, zeggen, dat zy dikwils niet op den dag van morgen denken; maar met hun dit zoort van ontkennend geluk toe te staan, beweere ik egter niet, dat het zelve voor een Europeaan benydens-waardig is.

Om een naauwkeuriger denkbeeld van de wapenen, huisraad, werktuigen, en onderscheidene cieradiën der Indianen van Guiana te geven, verwyze ik den lezer naar de daar van gemaakte afteekening. Zie hier de lyst der dingen, die daar op vertoond worden. [8]

1. Eene Coriola, of Indiaansche kano, doorgaans van den stam van een boom gemaakt. 2. Een Pagaije, of roei-riem. 3. Een zeeft, manary genaamd. 4. Een Indiaansche blaasbalg, of way-way. 5. Een stoel, of zitbank, mouly genaamd. 6. Een korf, of pagala. 7. Een pers voor de cassave, matapy genaamd. 8. Een Indiaansche boog. 9. Een pyl om de visch te dooden. 10. Een pyl met een ronde knop voor de vogelen. 11. Een gewoone pyl met weerhaken. 12. Een kleine vergiftigde pyl. 13. Een pyp of fluitje, waar door men blaast, om de pylen te doen afgaan. 14. Een kroon van verschillende vederen. 15. Een voorschoot, queiou genaamd. 16. Een Indiaansche aarde pot. 17. Een Indiaansche knods, of apoutou. 18. Een catoene hangmat. 19. Cieradiën, van tanden van tygers, of wilde zwynen gemaakt. 20. Een toover-schelp, of calebas. 21. Een Indiaansche fluit, tou-tou genaamd. 22. Een fluit, van het been van een vyand gemaakt. 23. Een Indiaansche fluit, quarta genaamd. 24. Een steen, om de maniok te malen, genaamd matta.