WeRead Powered by ReaderPub
Reize naar Surinamen en door de binnenste gedeelten van Guiana — Deel 2 cover

Reize naar Surinamen en door de binnenste gedeelten van Guiana — Deel 2

Chapter 12: ZEVENTIENDE HOOFTSTUK.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

An extended narrative records military operations, patrols, and daily routines at remote outposts in Suriname while alternating reportage and personal observation. It interweaves natural history sketches of local flora and fauna—birds, mammals, reptiles, and insects—with practical notes on agriculture, mining, and fishing. Repeated descriptions of plantation life emphasize the conditions, punishments, and abuses endured by enslaved people. Encounters with Indigenous communities, their customs and material culture, and interactions with outside traders are described alongside episodes of mutiny, desertion, and disease, producing a hybrid account of exploration, conflict, and colonial society.

ZESTIENDE HOOFTSTUK.

Versterking van krygsvolk, uit Holland aangekomen.—De Goijava-boom, en deszelfs vrucht.—Legerplaats by Maagdenberg aan de Tempaty-Kreek.—Verschillende zoorten van Aapen.—Een zeer maanzieke Neger.—Eekhoorntje van Guiana.—Verscheidene zoorten van boomen.—Hagedissen.—Bergen van mynstoffen voorzien.—Treffelyke gezichten.—De Roucou-boom.—Fraaije Kapel.—Palmboom-worm.

Ik keere tans tot de krygs-verrigtingen van den Colonel FOURGEOUD te rug. Ik heb reeds gezegd, dat men nieuw krygsvolk wagte, om ons zwak en elendig leger te versterken; en den 30sten. January 1775, ontfing men te Paramaribo de tyding, dat het transport-schip Maasstroom, Capitain LEG, in de Rivier Surinamen was binnen geloopen, en voor het Fort Amsterdam het anker geworpen had; twee divisiën van honderd twintig mannen, onder bevel van den Colonel SEYBOURG, aan boord hebbende: en men verwagtte nog twee andere.

Des anderen daags zakte ik de Rivier met eene kleine roeischuit af, om deeze nieuw aangekomenen te gaan verwelkomen. Ik hield het middagmaal aan boord met de Officiers, waar na men het anker ligte, en ik voer met hun schip mede tot het Fort Zelandia, alwaar het aan den wal ging leggen en door eenige kanon-schoten begroet wierd. Ik had het genoegen, om onder de Officiers mynen ouden Hoog-Bootsman, den Vaandrig HESSELING, te vinden, dien wy aan de Helder hadden agtergelaten, aan de kinderziekte gevaarlyk ziek leggende, wanneer wy uit Texel zeilden. Deeze jongman, die tans met den rang van tweeden Lieutenant by ons was, was zedert zyne herstelling aller ongelukkigst geweest. Zyne reize naar Surinamen hebbende willen voortzetten, ging hy aan boord van een schip, het welk in de baay van Biscaije eenen storm beliep, en na kaap Finisterre te zyn voorby gezeild, zyne gangen en roer verloor: dit zelfde schip verloor vervolgens ook nog zyn fokke-mast en steng. In deezen kommerlyken staat, en geen wind genoeg hebbende, om Lissabon te bereiken, was hy verpligt het op Plymouth aan te zetten. Van daar begaf zig de heer HESSELING aan boord van eene kleine sloep, met kolen geladen, en waar op hy niet gelukkiger was; want door onachtzaamheid van den schipper, stootte dit schip op rotzen, waar door de kiel los geraakte, en het schip dadelyk zonk. De heer HESSELING had echter, eer de sloep verging, den tyd om zyn maal te openen, en 'er zyn linnen, en eenige der noodzakelykste goederen uit te nemen, vervolgens ging hy in een slecht vaartuig over, en kwam eindelyk te Brest aan. Hy ging aldaar spoedig scheep naar Amsterdam op een Hollandsch schip, waar van de schipper niet veel bekwaamer dan de voorgaande was, en zyn schip op het drooge liet loopen, alwaar het byna aan stukken stootte. De heer HESSELING kwam nochtans gezond en behouden te Texel aan, alwaar hy tweemaalen te vergeefs moeite deed, om zig naar Zuid-America in te schepen. Hy slaagde eindelyk daar in, en op zynen tocht had hy zulk een zwaaren storm, dat alle de sloepen, schapen, varkens en gevogelte door de zee verzwolgen wierden.

By het aankomen van dit nieuw krygsvolk, noodigde de Colonel FOURGEOUD de Officiers op het middagmaal, en deed hun niets anders dan gezouten ossen- en varkens-vleesch, en oude erweten, voorzetten. Ik had de eer, om mede aan deezen disch te zitten, en het vermaakte my zeer te zien, met hoe veel verwondering de Colonel en zyne tafel door de gasten wierd aangekeken. Des avonds geleidden wy hen naar den Schouwburg, alwaar men den dood van CESAR, en CRISPYN den Doctor, vertoonde: het eerste van deeze stukken wierd gespeeld op eene manier, die zoo wel als het tweede deed lagchen. Des anderen daags hield de Gouverneur ons des middags en des avonds ten eeten. Zyne tafel schitterde van rykdom en pracht. Onze nieuwe medgezellen waren over deeze kostbaarheid zoo zeer verwonderd, als zy het des avonds te vooren over de karigheid van den Colonel geweest waren.

Op deeze maaltyd eenige ingelegde vruchten, waar onder de guava was, ontmoet hebbende, zal ik deeze gelegenheid waarnemen, om 'er iets van te zeggen. De Guava-boom, die deeze vrucht voortbrengt, groeit tot de hoogte van vier-en-twintig voeten. Deszelfs schors is van een heldere kleur, en het hout tusschen beiden; maar de vrucht, die geel en eyrond is, en ten naasten by de grootte van een renet-appel heeft, bevat een roodachtig vleesch, vol kleine zaden of korrels. Dit vleesch is van een zeer zoeten smaak, en men kan het rauw eeten; men maakt 'er ingelegde geley van, die ongemeen lekker is. 'Er zyn tweërleije zoorten van guavas: de zoetsten bevatten het minste zaad.

Den 3den February wierd het krygsvolk, het welk ontscheept was, naar het bovenste gedeelte van de Commewyne gezonden, om zig aldaar neder te slaan. Ik spreek egter alleenlyk van de soldaten, want de meeste Officiers bleven, om een festyn aan het huis van den heer MARCELLUS by te woonen. Deeze Colonist, om aan de maaltyd luister by te zetten, deed door een half douzyn Negers op trompetten en jagthoorns blazen, tot dat eindelyk het geheele gezelschap door dit geraas verdoofd was.

Den 6den, ontfing de geheele krygsbende, zonder onderscheid, bevel om Paramaribo te verlaten, en op den Maagdenberg, aan de Tempaty-Kreek gelegen, dicht by dat gedeelte van de Commewyne, werwaarts men, den 3den, de nieuw aangekomene manschappen gezonden had, te gaan legeren. Dienvolgende alles tot een vierden veldtocht hebbende gereed gemaakt, nam ik afscheid van myne kleine familie, en van myne vrienden, en ik ging naar den oever, alwaar ik my in het zelfde vaartuig, als de Colonel SEYBOURG, moest inschepen: maar deeze, te onrecht vooronderstellende, dat het krygsvolk, met hem uit Holland gekomen, eene bende uitmaakte, van die van den Colonel FOURGEOUD afgescheiden, gaf last aan de Negers om voort te roeijen, op het oogenblik, dat ik niet verder dan een pistoolschoot van hem afwas, en liet my, ten uitersten daar over verwonderd, aan den wal staan. Ik wist, dat de Colonel FOURGEOUD gezworen had, dat hy deezen Officier tot gehoorzaamheid zoude noodzaken, zoo wel als den jongsten Vaandrig van het Regiment, en daar in had hy volmaakt gelyk. Een ander vaartuig genomen hebbende, haalde ik den Colonel SEYBOURG in, die over deeze myne daad zeer verwonderd scheen, en wy kwamen te gelyker tyd op de Plantagie Vossenburg, aan de Commewyne. Des anderen daags bereikten wy de Plantagie Arentslust, na de zwaare vaartuigen, die den 3den Paramaribo verlaten hadden, te hebben agtergelaten. Den 10den, kwamen wy aan de Hoop, alwaar ik bevorens verscheiden maanden had doorgebragt. Ik voege hier by eene afteekening van het gezicht deezer Plantagie, en van den post Klarenbeek, alwaar ons Hospitaal steeds bleef. De Colonel FOURGEOUD vertrok ook den zelfden dag als wy, en sliep op Wajampibo.

Den 11den, kwamen wy op de Plantagie Crawassibo, alwaar wy den nacht doorbragten. De Opzigter van deeze Plantagie dreef aldaar zyne onbeschoftheid tot die hoogte, dat ik, die reeds tegen al dit zoort van lieden was vooringenomen, hem een frisschen vuistslag in 't aangezicht gaf. Hy rekende zig daar door zoo beledigd, dat, schoon hy vry wat bloedde, hy zig met een enkelen Neger in een kano begaf, en in dien staat te middernacht op 't alleronverwagtst voor den Colonel FOURGEOUD verscheen, die in plaats van zyne klagten te beantwoorden, hem al vloekende wegjoeg.

Den 12den kwamen wy op Maagdenberg, te weten, de Colonel FOURGEOUD, de Officiers en de vaartuigen met zee-soldaten beladen. Zedert dat wy de Hoop verlaten hadden, wierden de Plantagiën zeldzaamer, en na dat wy die van Goed-Accord, welke tien of twaalf mylen verder ligt, voor by waren, zagen wy geene bebouwde landen meer. De muitelingen hadden, zoo als ik reeds gezegd heb, alle de Plantagiën, die hooger op lagen, verwoest, uitgenomen eene kleine bezitting, zoo ik meen, Jacob genoemd, alwaar men Negers hield, om hout te hakken. De Rivier word boven Goed-Accord zeer naauw, en is van wederzyden door ondoordringbaare heesterstruiken bezet, even als de Cottica, tusschen Devil's Harwar en de Patamaca-Kreek. De Tempaty-Kreek, welke men als den oorsprong van de Commewyne kan aanmerken, vernaauwde zig op gelyke wyze zeer sterk. Maagdenberg, liggende honderd mylen van Paramaribo, was voor deezen eene Plantagie; maar 'er zyn aldaar geene andere overblyfzels van bebouwing, dan een oude oranje-boom: deeze plaats geeft thans niets meerder dan een dor en woest gezicht.

Wy zagen hier en daar kleine schelpen verspreid, die het voorkomen hadden van die geene, welke men de moeder der peerlen noemt, en ten naasten by zoo groot waren als een Engelsche, schelling. Men vindt in verscheiden gedeelten der Volkplanting van Surinamen, voetstappen van bergwerken en mineraalen. De yzer-mynen zyn 'er gemeen; en ik twyffel niet of men zoude 'er ook goud en zilver ontdekken, indien de Hollanders 'er de noodige kosten toe wilden doen, en daar toe onvermoeid lieten arbeiden. Ik heb reeds gesproken van den diamant van Maroni, en van de roode en witte agaat, in het bovenste gedeelte der Rivier van Surinamen.

De lucht was zuiverder en frisscher, en gevolgelyk veel gezonder op
Maagdenberg, dan in eenig ander gedeelte deezer Volkplanting.

Den 17den, vernamen wy, dat het transportschip de Maria Helena, hebbende twee andere divisiën van honderd twintig mannen aan boord, onder bevel van den Capitain HAMEL, den 14den deezer maand in de Rivier Surinamen mede was binnen geloopen: dus bestond de geheele versterking in twee honderd en veertig man, die den 3den Maart in vaartuigen op Maagdenberg aankwamen, alwaar de geheele krygsmagt van den Colonel FOURGEOUD zig toen by den anderen bevond. Den zelfden dag kwamen 'er ook honderd Negerslaven aan, die bestemd waren om op onzen tocht de pakken te dragen. Een van deeze Negers aan boord van één der vaartuigen vermist wordende, wierd de bevelhebbende Officier, genaamd CHATEAUVIEUX, en een schildwacht, welken men met bloed besmet vond, in arrest genomen, om als beschuldigden van eene moord gevonnisd te worden. Deezen zelfden dag hadden twee van onze Capitains een tweegevecht, en één van hun wierd aan het voorhoofd gewond.

Den 13den, vond een vaartuig, met mondbehoeften geladen, van Paramaribo komende, den Neger, die den 5den vermist was; hy lag aan den waterkant in de heesterstruiken, zynde in de strot gestoken, maar nog levend, vermits de steek de lugt-ader niet geraakt had. Het vaartuig nam deezen ongelukkigen op, en bragt hem te Maagdenberg, alwaar door een bekwaam Heelmeester, den heer KNOLLAERT, de wond wierd toegenaait, en deeze man op eene wonderbaarlyke wyze herstelde, schoon hy negen dagen zonder voedzel en zonder hulp gebleven was, in zyn bloed badende.

In de daar aan volgende week verloor ik byna door een toeval het leven. Zie hier de zaak. De Colonel FOURGEOUD gebruikte twee Negers van de Plantagie Goed-Accord, om voor hem te jagen en te visschen. Een van hun, PHILANDER genaamd, stelde my voor, om hen in de bosschen te vergezellen, alwaar wy eenige pingos, of eenige powesas zouden kunnen ontmoeten; maar wy hadden nog geen twee mylen afgelegd, of wy wierden door eenen geweldigen slagregen overvallen, die ons noodzaakte om dit ontwerp te laten varen, en op den hoek lands, Jacob genaamd, de wyk te nemen. Om daar te komen, moesten wy een moeras doorwaden, zoo diep dat wy het water tot onder de armen hadden. PHILANDER (de schoonste manspersoon, dien ik immer gezien heb,) begaf zig tot zwemmen, en zyn medgezel van gelyken. Zy kliefden het water alleenlyk met de eene hand; met de andere hielden zy hunne jagt-geweeren in de hoogte. Zy noodigden my om hen daar te volgen, zoo als ik ook deed, niets anders dan myn borstrok en broek aan hebbende; maar na het maken van eenige bewegingen, zonk ik met myn snaphaan naar den grond. Ik liet hem daar, en weder boven water komende, verzogt ik PHILANDER te duikelen, en den snaphaan van den grond te haalen; toen lag hy de zyne op een Palmiet boom, en haalde vervolgens de myne zonder moeite. Op dit oogenblik hoorden wy een donderende stem uit het midden der doornstruiken roepen:—"qui somma datty? en door een ander, Souto, Souto da BONNY kiry da dago? Wie is daar? geef vuur! 't is BONNY! slaat den schelm dood!" Ons oprichtende, zagen wy vyf of zes snaphaanen, op eenen korten afstand op ons aangelegd. Ik duikte dadelyk onder water; maar PHILANDER geantwoord hebbende, dat wy tot den post van Maagdenberg behoorden, veroorloofde men ons, om één voor één naar de Plantagie Jacob te gaan. Zy, die ons gezien hadden, waren Neger-slaven, die in 't water hoorende roeren, naar den kant, van waar dit gerucht kwam, keeken, en drie gewapende mannen in het moeras ontdekten. Zy geloofden, dat het de muitelingen waren, die voorwaarts trokken, onder geleide van BONNY zelven, voor wien zy my aanzagen, om dat ik byna naakt, en myn lichaam door de zon verbrand was; myne hairen, die kort en gekruld waren, deeden my naar eenen Mulat gelyken. Na een weinig rhum gedronken, en onze kleederen voor een goed vuur gedroogd te hebben, keerde men naar Maagdenberg te rug, alwaar men my geluk wenschte met aan dit gevaar ontsnapt te zyn.

De Colonel FOURGEOUD toen van eene versterking van versche manschappen voorzien zynde, deed, den 9den, alle zyne verminkten naar Holland inschepen. Myn vriend HENEMAN vertrok ook, den 6den February, naar dit zelfde Land, in eenen aller elendigsten staat.

Op den zelfden bodem, als deeze jongman, bevonden zig verscheide andere Officiers, die gedwongen waren te vertrekken, niet door ziekte, maar door afkeer en mismoedigheid, welke de onrechtmatige behandeling van den Colonel, die, zoo als ik op het einde van het tiende hooftstuk gezegd heb, hunne bevordering had tegengehouden, aan hun veroorzaakte. Zy hadden gezien, dat jongelingen, die nog ter school gingen, wanneer zy zelven in 't jaar 1772 reeds in dienst der Volkplanting waren, aan hun wierden voorgetrokken. Die geenen, welken de Colonel, den 6den December 1774, in arrest had doen zetten, om in Holland gevonnisd te worden, wierden op het zelfde schip gebragt. Dit schip was niets anders dan een hospitaal, maar zeer slecht van ververschingen voorzien.

Den 21sten, deed de Colonel met genoegen de monstering van zyn klein leger, en het smertte my zeer de Neger-Jagers daar niet by te zien. De eerste zorge van den Bevelhebber was vervolgens, om eene wacht aftezenden, tot het bespieden der omleggende streeken van zyne nieuwe legerplaats, en ik had de eer daar toe te behooren. Geduurende deezen kleinen tocht viel 'er niets merkwaardigs voor, dan het ontmoeten van eene groote meenigte Coïatas (quoata in Guiana, quatto in Surinamen, chameck in Peru genaamd) zynde een zoort van aapen, die zeer veel opmerking verdienen, uit hoofde van hunne overëenkomst met den mensch, eene hoedanigheid, welke ik niet met stilzwygen mag voorby gaan. Op zekeren avond met mynen kleinen QUACO buiten de legerplaats wandelende, naderden deeze aapen van zeer naby, om ons te bekyken, en zy wierpen kleine stukjens hout, en hunne vuiligheid naar ons toe. Wy bleven staan, en ik konde hen gemakkelyk waarnemen. De Coïata is zeer groot, en zyne staart ongemeen lang. Zyne armen en beenen zyn met lange zwarte hairen bedekt, het welk een zeer onaangenaam gezicht maakt. De huid van zyn aangezicht is rood, en zonder hair, de oogen zyn ingedoken, en ten dien opzigte gelykt hy niet kwalyk naar een oud Indiaansch wyf. Zyne ooren zyn kort; zyne handen of voorpooten hebben vier vingeren en geene duimen; maar de agterpooten hebben vyf toonen, allen met zwarte nagels. Het uiteinde van zyne staart is krulswyze gedraait; zy is zonder hair en eeltachtig, vermits hy 'er dikwils gebruik van maakt, om aan de takken der boomen te blyven hangen, en dan dient zy hem tot een vyfde lid. De gezwindheid, waar mede de Coïata van de eene boom op de andere overgaat, is wonderbaarlyk; maar ik heb hem niet zien springen. Het schynt, dat deeze eigenzinnigheid, om kleine stukjens hout, en vuiligheid te werpen, slechts eene naarbootzing van de bewegingen der menschen is; want hy doet het altyd in 't wild, en heeft de behendigheid noch kragt niet, die 'er noodig zyn, om het door hem gemikte voorwerp te raken; en zoo dat al gebeurt, het is by louter toeval. Maar in de Coïata is dit zeer merkwaardig, dat zoo dra hy door een snaphaanschoot of pyl gewond is, hy aanstonds zyn poot op de wonde legt, zyn bloed ziet vloeijen, en met behulp van zyne medemakkers, boven op den boom klimt, een droevig geschreeuw makende. Hy maakt zig aldaar met de staart aan een tak vast; en gaat voort zyn lot te betreuren, tot dat hy, door het verlies van zyn bloed verzwakt, voor de voeten van zynen vyand dood nedervalt. [9]

Het is niet verwonderlyk, dat deeze aap, wanneer hy gewond is, door de dieren van zyn zoort geholpen word, om op den top van eenen boom te klimmen; maar dat zy kennis genoeg van de kruidkunde hebben zouden, om de wond-planten uit te zoeken, te kaauwen, en op den wond te leggen, dit is iets het geen ik niet gelooven kan, schoon zeker reiziger het nog onlangs verzekerd heeft. Betreffende de hulp, welke zy elkander toebrengen, om over een Rivier te komen, en die daar in bestaat, dat zy de staart van den één aan den ander vastbinden, tot dat de laatste van de reije zig van boven van een tak van een boom geworpen heeft, hoe groote achting ik ook heb voor ULLOA, die dit verhaalt, en die zulks in eene plaat vertoond heeft, durve ik echter, dewyl hy 'er geen ooggetuige van geweest is, hier aan twyffelen, en zelfs aan hem, die beweert het zelve gezien te hebben. [10]

Ik moet ook nog spreken van een anderen aap, dien ik by den Colonel FOURGEOUD zag, en wien men in Surinamen den naam van Wanacoe geeft. Hy is met lange zwarte hairen bedekt, even als de Coïata, maar zyne ledematen zyn veel korter, hairachtiger, en zyn aangezicht is van eene vuile witte kleur: deeze aap is de eenige van zyn zoort, die voor geen maatschappelyk leven is; men vindt hem altoos alleen. Dit eenzaam dier word door de aapen van andere zoorten zoo veracht, dat zy hem by aanhoudenheid slaan, en hem zyn voedzel ontsteelen; hy is al te langzaam om hun te ontsnappen, en al te lafhartig, om hen te bevechten.

De Saki-winki is de kleinste van de aapen met lange hairen, en misschien van die van Guiana, zoo niet van de geheele weereld; want hy is niet veel grooter dan een Noorweegsche rot.

Deeze aap is een allerliefst diertje, hebbende gekruld en zwart grys hair, een aangezicht van eene witte kleur, en zeer schitterende oogen. Zyne ooren zyn breed en kaal, maar weinig zichtbaar, zynde bedekt door een baard, die hem rondom het aangezicht groeit; zyne pooten gelyken naar die van een eekhoorntje; zyne staart is dik en met ringen. Hy is zoo vatbaar voor de koude, dat men hem naauwlyks levendig in Europa brengen kan, en dat hy, aldaar aankomende, gaat kwynen en sterft. De Hollanders noemen hem chagryntje, om dat hy zig ligtelyk aan treurigheid overgeeft. Ik heb de groote Coaïta, en de kleine Saki-winki op de nevensstaande plaat afgeteekend, ten einde myn penceel de onvolmaaktheid van myne pen mogt aanvullen.

By myne te rug komst op Maagdenberg, wierd ik door eenen zwaaren boom, die van ouderdom voor myne voeten nederviel, byna verpletterd. Dit toeval gebeurt in de bosschen van Guiana meenigmaal, en zelfs wierden twee of drie zeesoldaten op die wyze, maar ligtelyk, gewond. Geduurende al den tyd, dat onze ronde duurde, hadden wy veel regen, en doorwaadden eene kleine Kreek. Wy hakten een palmboom om, die aan den waterkant stond; hy viel aan de andere zyde over, en diende ons alzoo tot een brug.

Te rug gekomen zynde, ging ik den ongelukkigen Neger bezoeken, dien men met een steek in de strot gevonden had, en die op dit oogenblik vry wel hersteld, en in staat was, om te kunnen spreken. Hy verklaarde my, dat hy zig zelf zoodanig verminkt had. Ingevolge deeze verklaaring, wierden de Officier en de schildwacht, welken men verdacht gehouden had, oogenblikkelyk weder in vryheid gesteld. Ik vroeg deezen man, welke reden hem had kunnen bewegen, om zig zelven te willen van kant maken? Hy antwoordde my:—Geene hoe genaamd.

"Ik heb, zeide hy my, ik heb den besten meester, en de beste meesteresse van de weereld; ik heb eene familie, welke ik bemin, en die my bemint. Ik had den geheelen nacht, tot vier uuren des morgens, sterk geslapen, toen ik, ontwakende, het mes nam, om met de punt myne tanden schoon te maken, en op 't oogenblik stak ik my in den strot, zonder te weten waarom. Een oogenblik daar na had ik berouw over 't geen ik gedaan had. Ik stond toen uit myne hangmat op, en ging in de kano, om my te wasschen, en de wond, zoo mogelyk, toe te maken. Gebukt hebbende, om water te scheppen, en by aanhoudenheid veel bloed kwyt raakende, stortte ik in eene flaauwte, en viel in de Rivier. Toen had ik geen kracht meer, om my op te richten, noch zelfs om hulp te roepen. Echter gelukte het my, na veele pogingen, den oever der Rivier te bereiken, alwaar ik op nieuw flaauw viel, en alleen bleef leggen, tot op het oogenblik, dat het vaartuig, het welk naat Maagdenberg ging, my aan boord nam. In al dien tusschentyd, die negen dagen duurde, bleef ik volkomen by myne kennis, en zag een Ouarini, (mier-eeter,) die aan het bedorven bloed, het welk ik rondom den hals had, kwam ruiken; maar ik maakte eenige beweging, en hy keerde naar het bosch te rug".

Ik gaf aan deezen ongelukkigen eenige beschuit, welke men my van Paramaribo gezonden had; ik voegde 'er een groote calebas vol garst by, om soup voor hem te maken, en een fles wyn. Deeze Neger scheen my toe omtrent zestig jaaren oud te zyn.

Ik ontfing op dit tydstip, en met moeite, eenen brief van den heer KENNEDY, die zig gereed maakte, om naar Holland in te schepen, en my verzocht, om mynen kleinen QUACO naar zyne Plantagie te rug te zenden; het geen ik oogenblikkelyk deed, aan deezen jongen slaaf eenen brief medegevende, waar by ik aan zynen meester een aanbod deed, om denzelven van hem te koopen, zoo dra het in myne macht zoude zyn, om 'er hem den koopprys voor te betaalen.

Den 2den April gaf de Colonel FOURGEOUD aan alle de zieken, die in de Volkplanting gebleven waren, bevel, om zig naar Maagdenberg te begeven, alwaar hy een hospitaal en een groot Magazyn voor de mondbehoeften liet oprichten. Dus kwamen alle de verminkten van Klarenbeek alhier aan, vergezeld van heelmeesters, apothecars, derzelver knechts, enz. De lucht was in de daad, zoo als ik hier boven heb aangemerkt, op deeze hoogte beter, dan ergens elders. De Colonel was op dit oogenblik in een zeer kwaden luim, en mishandelde vriend en vyand, zonder onderscheid. Hy zwoer, dat geen krygsman, onder zyn bevel staande, van den dienst ontheven zoude worden, indien hy slechts op zyne beenen staan konde. Byna te gelyker tyd zond men eene aanzienlyke krygsbende naar de Plantagie Brouyingsbourg, aan de Commewyne, alwaar men voor eenen opstand beducht was, om dat de Negers geweigerd hadden des Sondags te werken: men dwong 'er hen echter door zweepslagen toe.

Wy waren in het midden van het regen-saisoen, het welk den Bevelhebber niet wederhield, om ons zyn oogmerk tot het doorkruissen der bosschen te verklaaren; en dienvolgende gaf hy last, ten einde twee sterke kolommen des anderen daags zouden optrekken.

De reden, die hem bewoog, om zulk een gevaarlyk jaargetyde te verkiezen, bestond hier in, dat indien het hem nu gelukte de muitelingen te doen verhuizen, hy hen tot hongersnood zoude doen vervallen, het geen in het saisoen van droogte, wanneer de bosschen van allerleije zoort van vruchten en wortelen rykelyk voorzien zyn, niet geschieden konde. Dit was echter, naar myn inzien, eene verkeerde rekening; want men moest ook in 't oog houden, welke verwoestingen zulk een ongezond jaargetyde, het welk twintig van onze soldaten tegen éénen muiteling zoude doen omkomen, onder ons krygsvolk stond aan te rechten.

De Colonel was van een zeer sterk gestel, en hy had byna zyn geheele leven in de oeffeningen der jagt doorgebragt. By deeze gave der natuur voegde hy eene andere, de gematigdheid, en voorts gebruikte hy dagelyks zynen geneesdrank.

Zyne geheele kleeding bestond in een overrok, waar in zyn degen door een knoopsgat doorging. Op zyn hoofd droeg hy een catoene muts, met een witte hoed 'er op. In zyn hand hield hy een rotting, maar zelden droeg hy zyn snaphaan of pistolen. Ik heb hem wel gezien, zeer slecht gekleed en blootsvoets, als de gemeenste soldaat.

Den 3den April, des morgens ten zes uuren, trokken de twee colommen op weg, de eene onder bevel van den Colonel FOURGEOUD, de andere van den Colonel SEYBOURG; ik had de eer tot de eerste te behooren. Onze arme soldaten waren verschrikkelyk beladen; zy hadden bevel ontfangen, om hunne snaphanen in hun knapzak te steeken, den mond derzelve alleen uitgezonderd: dit geschiedde, om hun geweer voor de stortregens te beveiligen. Wy trokken zuidoost-waarts langs de oevers van de Tempaty-Kreek, en wel dra ontmoetten wy moerassen, waar in wy tot over de kniën door 't water gingen.

Geduurende den tocht van den eersten dag, ontmoetten wy eenige fraaije eekhoorntjes, van welke dieren in dit Land verscheide zoorten zyn. Die wy zagen, waren bruin, den buik wit, en de staart een weinig dik; zy waaren zoo groot niet, als die in Europa. Men vindt 'er in Guiana, die wit zyn, met roode oogen; 'er zyn 'er ook die vliegen. Men weet, dat de laatstgemelde geene vlerken hebben, maar dat een vlies, een gedeelte van hunne huid uitmakende, van wederzyden tusschen de voor- en agter-pooten geplaatst, hun daar voor dient. Deeze huid, wanneer zy springen, spreidt zig uit als de vlerk van een vledermuis; door dit middel vliegen deeze dieren door de lucht tot eenen zeer verren afstand.

Des anderen daags, den 4den April, vervolgden wy onzen tocht zuidoost-waarts, tot twee uuren toe; maar vervolgens namen wy onzen weg ten zuid-zuidwesten.

Deezen dag trokken wy voorby eenige hoopen fraay werkhout, het welk op den grond lag te verrotten zedert het jaar 1757, wanneer de Plantagiën door de Neger-slaven, die toen in opstand geraakt waren, waren vernield geworden. Onder dit hout ontdekte ik, dat van den rood- of purper-hout boom, van den yzer-hout boom, en van de bourracourra.

De purper-hout boom groeit zomtyds tot de hoogte van veertig voeten, en heeft een stam van eene geëvenredigde dikte. Zyn schors is bruin en glad; zyn hout is van eene fraaije purper kleur, en van eene aangenaame reuk. Men waardeert hem zeer, uit hoofde van deszelfs vastheid.

De yzer-hout boom, aldus van wegen deszelfs hardheid genoemd, verheft zig byna tot de hoogte van zestig voeten. Zyn schors heeft eene heldere kleur. De Indianen en Europeanen maken veel werk van deszelfs hout, om dat het zoo hard en in één gedrongen is, dat het zelfs de byl wederstaat, en voor eene zeer schitterende gladheid vatbaar is: in het water gaat het te niet.

De bourracourra verheft zig tot de hoogte van dertig of veertig voeten; maar hy is niet zeer dik, en zyn schors is rood. Het hart alleen van dit hout is goed; maar wanneer men 'er het spint afneemt, is deszelfs middellyn merkelyk verkleind. Intusschen is het zoo wel fraay als nuttig, zynde van een zeer fyne karmosyn-kleur, met onregelmatige en zwarte moesjes gevlakt, waarom de Franschen 'er den naam van letterhout aan gegeven hebben. Het is in één gedrongen, vast, en hard, schoon een weinig tot breken geneigd, en het neemt ook den schitterendsten glans aan. Het letterhout is zeldzaam in Guiana; maar de twee eerstgemelde zoorten zyn 'er in meerder overvloed, en groeien op de hooge gronden. Men vindt in dit Land ook ebbenhout. De boomen van hard hout, tot planken voor de suiker-molens gezaagd, worden voornamelyk verzonden naar de Engelsche Eilanden in de West-Indiën; men verkoopt dezelve zeer duur.

Het bevel tot den tocht op den 5den gegeven zynde, vouwden wy onze hangmatten op, en wy trokken ten zuid-zuid-oosten, vervolgens ten zuid-oosten, door gevaarlyke en diepe moerassen, alwaar wy tot aan de borst toe door het water gingen, en de regen viel als met bakken van den hemel. In deeze elendige gesteldheid, hadden wy eene onaangenaame ontmoeting, niet door de muitelingen veroorzaakt, maar door een hoop groote aapen, die wy vervolgens boven in de boomen vernamen, Zy sloegen een zoort van noten tegen de takken, om 'er de pit uit te haalen; het geen zy met eene groote regelmatigheid deeden, laatende tusschen elken slag eene tusschenpoozing van tyd verloopen. Sommigen van hun wierpen van die noten naar ons toe; en zelfs bekwam één van onze soldaaten daar door een gat in 't hoofd. Het geraas, het welk deeze aapen by het breken van die noten maakten, had ons in de gedachten gebragt, dat het de muitelingen waren, die in het bosch, met een byl hout hakten.

Des avonds sloegen wy ons neder by de Tempaty-Kreek. Wy ontstaken op deeze plaats groote vuuren, en bouwden aldaar vry goede hutten: dus bragten wy deezen nacht door, beveiligd voor de vochtigheid. Wy vonden hier het beste water, het welk ik immer gedronken heb; en ik zag op de legerplaats twee merkwaardige hagedissen, dragende in dit Land den naam, de één van bosduivel, en de andere agama. De eerste is klein en leelyk, en van eene zeer hoog bruine, of zelfs zwartachtige kleur. Hy klimt op de boomen, en koomt met eene ongelooflyke schielykheid weder naar beneden; hy heeft geene schubben; zyn kop is breed, en men zegt, dat hy byt, het geen de hagedissen anders niet gewoon zyn. De tweede heeft ook den naam van de Mexicaansche Kameleon. Hy is ongemeen schoon, en even als alle anderen van dit zoort, bezit hy het vermogen om van kleur te veranderen; maar geen tyd gehad hebbende, om hem met aandacht te onderzoeken, kan ik van zynen aart en hoedanigheden niets meer zeggen. In Surinamen is ook nog een zoort van Hagedis, bekend onder den naam van Salamander; maar ik heb hem nooit gezien.

Den 6den, vervolgden wy onzen tocht, nemende den weg westwaarts tot den middag toe. De regen viel steeds geweldig, en wy liepen door het water. Op het gemelde uur, veranderden wy onzen weg, om noordwaarts te gaan, en wy trokken langs zeer hooge bergen, die, zoo als ten minsten veelen vooronderstellen, in hunnen boezem schatten bevatten:

"Rotsen met kostbaare gesteenten verrykt; bergen, waar op de glinsterende aderen van schitterende mynstoffen blinken; die ketenen vormt, boven den middaglyn in hoogte verheven; waar uit talryke beken ontspringen, om over het gouden zand heen te rollen; ontzag verwekkende bosschen, wier bladeren allerleije levendige kleuren vertoonen, die uwe golfswyze toppen op een onmeetlyk toneel in evenwicht houdt. (THOMSON)"

De twee hoogste bergen in het zuiden van America, zyn het Andische gebergte, door de bewooners des Lands Chimborazo genoemd, het welk zig twintig duizend vierhonderd zestig geometrische voeten boven de oppervlakte der Zuid-zee verheft, en, schoon onder, den middellyn gelegen, aanhoudend met sneeuw bedekt is, tot op den afstand van vier duizend voeten beneden deszelfs kruin. De andere berg is die, op het vallen van welken de Stad Quito gebouwd is; deszelfs hoogte is negen duizend driehonderd zeventig voeten, en men rekent denzelven voor het hoogste van alle bewoonde Landen in Zuid-America, zoo niet in de geheele weereld.

Den 7den, trokken wy al verder noordwaarts, over gebergten, van welker kruin wy de verrukkelykste gezichten zagen. Wy ontdekten aldaar een onmeetlyk en woest Land, geheel en al bedekt door een treffelyk bosch, welks geboomte door eene verscheidenheid van schaduwen, en het schitterendst groen veraangenaamde. Ik zag hier een houtsnip, die my dezelfde kleur, als de Europeesche, scheen te hebben, maar langzaamer vliegt; men verhaalde my egter, dat zy met eene ongelooflyke ligtheid kan voortloopen. De Arnotta-boomen, welken ik vond, schoon in een klein getal, trokken vooral myne aandacht naar zig, en ik heb 'er een tak met de grootste naauwkeurigheid van afgeteekend. De Arnotta, dien men ook den Roucou-boom noemt, en door de Indianen genoemd word Cossowy, is veel eer een heestergewas, dan een boom, want hy groeit slechts tot de hoogte van twaalf voeten. Deszelfs lange, smalle, puntige, en beurtelings geschaarde bladeren, zyn aan de eene zyde hooger groen, dan aan de andere, en door vezelen van eene roodachtig bruine kleur verdeeld; de steel heeft ook de zelfde kleur. De bast van de vrucht, naar een klein hoender-ei gelykende, is vol puntige stekels, als de schel van een kastanjen: in 't begin heeft zy eene fraaije roozen-kleur; en naar maate dat zy ryp word, verandert zy, en krygt eene donker bruine kleur; als dan gaat zy van zelve open, en vertoont een vleesch van eene fraaie karmozyn kleur, waar in zwart zaad zit, even als druiven korrelen. Toen ik van de inboorlingen, of Indianen van Guiana sprak, heb ik het gebruik, beschreven, waar toe hun de Arnotta dient. In de afbeelding, welke ik den lezer aanbiede, beteekent de letter A, het blad van boven; de letter B, het blad naar beneden; de letter C, de bast der vrucht, eer dezelve ryp is; de letter D, de rype schel, het vleesch vertoonende; de letter E, het zwart zaad, door een gedeelte van het vleesch overdekt. Ik moet hier aanmerken, dat de tak van den Roucou, door de beroemde Juffrouw DE MERIAN afgeteekend, met alle die geene, welke ik gezien heb, weinig overëenkoomt; en, het geen my zeer verwonderd heeft, zy verklaart, dat dezelve door eenen boom van aanmerkelyke grootte word voortgebracht.

Na, des avonds, eenen arm van de Mapany-Kreek doorwaad te hebben, kwamen wy in onze legerplaats te Maagdenberg te rug. Veelen van onze Officiers waren zoo kwalyk gesteld, dat zy door Negers in hunne hangmatten gedragen moesten worden; anderen bevonden zig zoo zwak, dat zy met moeite staan konden; maar het klagen was loutere dwaasheid; men moest bezwyken en sterven. Ik was geduurende deezen tocht zeer gelukkig; want ik vermoeide my niet, en ondervond geene kwaade behandeling van den Bevelhebber. De tweede kolom kwam des anderen daags aan; zy had, zoo min als wy, eenigen vyand ontmoet.

Myn kleine QUACO kwam, den 29sten, van Paramaribo te rug. De heer KENNEDY verkogt hem my, voor eene somme van 500 Hollandsche guldens, die, met eenige kosten, ten naasten by 50 ponden sterling bedraagen, tot welker betaaling de Colonel FOURGEOUD de beleefdheid had my een order briefje op den waarneemer zyner zaaken te geven. Ik was verrukt van eenen zoo getrouwen dienaar in eigendom verkregen te hebben; en deeze gebeurtenis verdubbelde myn ongeduld, om het verlangd oogenblik te zien, dat ik myne geliefde JOANNA, en mynen zoon, van wier eigenaar ik nog geen antwoord ontfangen had, zoude kunnen vry koopen.

Terwyl wy op Maagdenberg waren, bood een Neger my eene fraaie Kapel aan, welke ik met alle mogelyke naauwkeurigheid afteekende. In de verzameling van Mejuffrouw DE MERIAN heb ik dezelfde gezien, alwaar die zeer slecht gekleurd is. De myne was van een zeer dof blaauwe kleur, hellende naar het groen, en geheel bedekt met moesjes, even als een paauwen-veder; op elke vlerk had dezelve een vlak van eene bleek geele, en van onderen eene purper karmozyn kleur. De rups van deeze kapel is geel en bruin, met agt hoornen op den kop en twee op de staart.—Byna te gelyker tyd kwam de Capitain FREDERIK van eenen tocht in de bosschen te rug. Een van zyne Corporaals was by het oversteeken van een Kreek verdronken. Het is niet zeldzaam, dat in dusdanig geval iemand in het water valt, maar doorgaans haalt men hem, wien zulk een ongeluk wedervaart, in tyds 'er uit. Dit was het lot niet van deezen ongelukkigen, die met al zyn reistuig oogenblikkelyk naar den grond zonk.

Een ander Neger bragt my ook een kookzel van groegroe, zoo als men het in Surinamen noemt, en zynde van Palmboom-wormen toebereid. Het zyn groote zwarte koorn-wormen, die hunne eieren in het merg van afgekapte of afgebrokene Palmboomen nederleggende, dezelven alzoo doen geboren worden. Deeze wormen hebben de gedaante en grootte van een menschenduim. Welk walgelyk voorkomen zy ook hebben mogen, eeten 'er verscheiden lieden met smaak van, en men verkoopt ze ten allen tyde te Paramaribo: men bakt ze in de pan met boter en een weinig zout; of men braad ze, en rygt ze aan kleine houte pinnen. Zy hebben een smaak, uit dien van alle Indiaansche speceryen, als de muscaat-nooten, kruid-nagelen, kaneel, enz. zaamgesteld. De Palmboomen, die beginnen te verrotten, leveren dit zoort van wormen op; maar allen hebben zy dezelfde grootte niet. De eene en andere hebben eene bleeke geele kleur, meteen zwarte kop; de Indianen en Negers noemen dezelven toecoema.

Den 16den, deed men een hoop krygsvolk naar la Rochelle, aan de Patamaca, vertrekken. Des anderen daags zond men een Capitain met eenige soldaaten naar den post van de Hoop aan de Commewyne, om aldaar alle de Plantagiën, aan de oevers deezer Rivier gelegen, te beschermen.

Den zelfden dag zag men den ongelukkigen Neger, die den 5den Maart zig in den strot gestoken had, en die tans van zyne wonden genezen was, het bosch ingaan. Hy hield een mes in de hand, en deeze keer mislukte hem zyn slag niet. Men liep hem na, maar vond hem dood. Zyn meester berigtte ons, dat hy zedert eenigen tyd van maand tot maand pogingen deed, om zig van kant te helpen.

Den 17den, kwamen de manschappen, die naar den post van la Rochelle afgezonden waren, van daar te rug; al het krygsvolk der Sociëteit was daar ziek.

De Colonel FOURGEOUD behandelde my in dit oogenblik met de grootste beleefdheid. Op zyn verzoek zond ik hem, den 20sten verscheide afteekeningen, die hem zelven en zyn krygsvolk verbeeldden, worstelende tegen alle de moeielykheden, die zig elk oogenblik in onzen dienst opdeeden; hy zeide my, dat zyn oogmerk was dezelve aan den Prins van Oranje en aan de Staaten Generaal aan te bieden, om hun te doen zien, wat zyn volk al in de bosschen van Guiana geleden had.

Hy gaf my toen een verlof van veertien dagen, om naar de Stad te gaan, en den heer KENNEDY goede reize te wenschen. Zynen goeden luim niet willende laten verkoelen, verliet ik Maagdenberg binnen 't uur, en maakte zoo veel haast, dat ik den 22sten te Paramaribo aankwam. Ik vond myne kleine familie aldaar zeer welvarende. Op 't oogenblik van myne aankomst, zond men my dezelve by den heer DELAMARRE; maar geduurende myne afwezigheid, had dezelve het huis van den heer LOLKENS niet verlaten, en was aldaar steeds met veel oplettenheid en achting behandeld.

ZEVENTIENDE HOOFTSTUK.

Nieuwe wreedheden, nog onmenschelyker, dan alle de voorige.—Verschillende zoorten van planten.—Papegaaijen en Parkieten.—Surinaamsche Patrys.—Buitengewoone Insecten.—Geiten van Guiana.—De Taïbo.—Verscheidene zoorten van visschen.—Groote sterfte onder het krygsvolk, het welk zig op de posten aan de Tempaty-Kreek, en de Commewyne bevond.

Myn eerste bezoek leide ik by den heer KENNEDY af, en betaalde hem de vyf honderd gulden, voor den koopprys van QUACO, die toen mynen vryen eigendom was. By myn verblyf op Paramaribo wierd ik door eene koorts aangetast, die echter slechts weinige dagen duurde. Den eersten Mey, aan den oever der Rivier wandelende, vernam ik, dat 'er eene groote meenigte volks voor het huis van Mevrouw S…. vergaderd was, alwaar ik eene verschrikkelyke vertooning zag. Een ongelukkig Mulatten meisje was 'er het voorwerp van. Zy baadde in haar bloed. Men had haar op eene wreedaartige wyze in den strot gestoken, en negen of tien steeken in de borst op verschillende plaatsen gegeven. Men beweerde, dat dit het gevolg was van de jaloersheid van dit helsche beest, Mevrouw S…., die haaren man verdacht hield, dat hy op dit ongelukkig meisjen verliefd was. Dit wangedrocht van een wyf heb ik reeds bevoorens aangehaald, toen zy een onnoozel kind, welks geschrei haar hinderde, verdronken had. Men beschuldigde haar zelfs van eene nog grootere wreedheid, indien 'er grooter zyn konde! Op zekeren dag op haare Plantagie komende, om aldaar eenige slaven, die in 't kort gekocht waren, te bezigtigen, viel haar oog op eene Negerin van omtrent vyftien jaaren, die de taal niet verstond. Bemerkende, dat deeze jonge dogter zeer schoon was, dreef haare verfoeijelyke jaloersheid haar op 't oogenblik, om dit meisjen met een gloeiend yzer, aan de wangen, den mond, en het voorhoofd te mismaken; zy sneed haar ook de pees van Achilles aan één haarer beenen af, en maakte haar alzoo tot een gedrocht van leelykheid.

Eenige Negers deeden haar, by deeze gelegenheid, vertogen omtrent de wreede straffen, welke zy dagelyks uitoeffende, en verzogten haar, om haare slaven met meerder menschelykheid te behandelen. Men verhaalt, dat Mevrouw S…., woedend kwaadaartig wordende, dadelyk aan een ongelukkig slaven kind, zig aldaar bevindende, de herssens insloeg, en vervolgens aan twee jonge Negers, die dit kind in den bloede bestonden, en deeze schenddaad hadden willen beletten, het hoofd deed afslaan. Toen zy de Plantagie verlaten had, wierden de beide hoofden in een zyden doek gewonden, en door derzelver vrienden naar Paramaribo gebragt, alwaar zy ze voor de voeten van den Gouverneur nederleiden, en hem de volgende aanspraak deeden.

"Zie hier, uwe Excellentie, het hoofd van mynen zoon, en zie hier dat van zynen broeder, (op zynen makker wyzende,) welke onze meesteresse heeft doen afhouwen, om dat zy één der moorden, die zy dagelyks begaat, hadden willen voorkomen. Wy weten wel, dat, vermits wy slaven zyn, men ons getuigenis niet aanneemt; maar indien deeze bloedende hoofden voor een genoegzaam bewys verstrekken van het geen wy zeggen, smeeken wy, dat de vernieuwing van dergelyke wreedheden moge belet worden: wy zullen daar voor eeuwig dankbaar zyn, en met genoegen ons bloed plengen voor het behoud van onzen meester, onze meesteresse, en van de geheele Volkplanting."

Men gaf deeze ongelukkigen ten antwoord, dat zy leugenaars waren, en dat men hen veroordeelde, om op alle de straaten van Paramaribo gegeesseld te worden. Dit onrechtvaardig vonnis wierd met de grootste wreedheid ter uitvoer gebragt.

De wetten deezer Volkplanting brengen mede, dat men aldaar nooit het getuigenis van eenen Neger aanneemt. Indien by den moord, door my verhaald, een blanke was tegenwoordig geweest, zoude zyn getuigenis bestaanbaar geweest zyn; maar dan zou deeze afschuwelyke boosdoenster vry geweest zyn met de betaaling eener boete van vyftig ponden sterling voor elken doodslag.—Maar laat ons eindigen.—Myne ziel heeft een weerzin, om nopens zulke onderwerpen breeder uit te wyden.

Den 22sten Mey, volkomen hersteld zynde, verliet ik JOANNA, en mynen zoon JOHNNY, aan wien ik dien naam by verkorting van den mynen gaf, schoon echter de plechtigheid van den doop nog niet verrigt was. Zy bleven beiden by mynen vriend, den heer DELAMARRE, en ik vertrok naar Maagdenberg, in een overdekt vaartuig met zes roey-riemen.

Den 3den, kwam ik op de Plantagie Egmondt, by den heer DE CACHELIEU; en des anderen daags hield ik stil op de Plantagie Ornamibo, alwaar ik mynen ouden vyand, den Capitain MEYLAND, met wien ik aan de Wana-Kreek gevochten had, goedhartig onthaalde. Hy verklaarde my, dat hy tegenwoordig van niemand in de geheele Volkplanting meer hield, dan van my: hy kwam juist van eenen tocht van twaalf dagen uit de bosschen te rug.

Ik vond onder zyne soldaten zekeren CORDUS, den zoon van een ordentelyk man te Hamburg, in welke betrekking ik hem voor deezen gekend had, en die tot den dienst van de West-Indische Compagnie was opgeligt. Ik heb reeds gezegd, dat dit zoort van krygsvolk bestaat uit menschen van allerleije natiën, en godsdiensten, Christenen, Heidenen, en zelfs Joden.

Op deeze plaats, die wel eer bebouwd was geweest, maar die toen met distelen en doornen bedekt was, zag ik eenige kruiden, welke ik niet met stilzwygen kan voorbygaan, schoon ik dezelve niet kenne, dan met den naam, dien 'er de slaven aan geven, uitgenomen egter één, zynde de siliqua hirsuta, of stekende peul, door de Negers genoemd crussy-wiry-wiry. Ik kan dezelve niet beschryven, dan als een zoort van erwt, of liever een kleine platte boon, van eene purper kleur, en zig in een bast of schel vormende, die aan een losse kruipende plant groeit. Deeze schellen zyn met een zoort van elastieke punten bedekt, die, wanneer men ze aanraakt, eene ondraaglyke jeukte veroorzaaken, en die 'er afgenomen, en in een theelepel met geley gemengd zynde, als een uitmuntend worm-afdryvend middel worden aangeprezen. De slaven toonden my ook op deeze zelfde plaats, een zoort van hout, het welk zy crassy-wood noemden. Het stak insgelyks, maar verdere hoedanigheden weet ik 'er niet van. Ik vond bovendien heestergewassen, consaca-wiry-wiry genoemd. Zy hebben breede groene bladen, waar van de Negers zig bedienen om het ongemak aan de voeten, al mede consaca genoemd, waar van ik gesproken heb, te geneezen, maar dit is alleen by gebrek van citroenen of limoenen. Deeze plant levert ook eene uitstekende salade op. De dea-wiry-wiry is een zeer fraay en zeer gezond kruid, het welk om deeze reden zeer geacht is; maar de coutty-wiry-wiry is eene der grootste pesten van deeze Volkplanting. Het is een sterk en puntig kruid, het welk op zommige plaatsen in overvloed groeit. Wanneer iemand al gaande met zyn been 'er dicht by koomt, snydt hy 'er zig aan, als aan een scheermes. Alle de kruiden in dit Land worden door de Negers aangeduid onder den naam van wiry-wiry.

Den 5den kwam ik te Maagdenberg aan. Hier scheenen de Colonel SEYBOURG, en die geenen, welken hy zyne Officiers noemde, eene krygsbende te willen uitmaken, afgescheiden van die van den Colonel FOURGEOUD. Zy waren uittermaten onbeschaafd, en behandelden elkander met een zoort van ruwheid. Hun Colonel was by onzen Bevelhebber zeer in den haat; en deeze staat van zaken bragt veel toe, om onze gesteldheid steeds onaangenaamer te maken. Ik had voor my zelf toen geene reden om my te beklagen, want ik was zeer wel gezien by den Colonel, doch raakte om een beuzeling byna uit zyne gunst. Hy had van eenige Indianen een paar fraaije Kakatoes gekocht, welke hy in een kooy hield opgesloten, en in 't kort naar Europa stond te verzenden, om aan haare Koninglyke Hoogheid, de Princes van Oranje, ten geschenke te worden aangeboden. Ik verzogt LAURENS my toe te staan, om 'er één van in de hand te nemen, ten einde hem met meerder aandacht te beschouwen: maar de deur van de kooy was zoo dra niet geopend, of de vogel ging aan 't schreeuwen, en verdween in een oogenblik, met een snelle vlucht boven de Tempaty-Kreek heen vliegende. De arme kamerdienaar stond verstomd, en konde niets meer uitbrengen, dan deeze enkele woorden: Ziet gy wel? Ik nam de vlucht, om het aannaderend onweder te ontwyken; maar ik verbergde my in de struiken, door welke ik de bewegingen van den Colonel bespeuren konde. Zoo dra hy deeze verschrikkelyke gebeurtenis vernomen had, begon hy te vloeken, te brullen, en zig in alle bogten te wringen, als een mensch die van zinnen beroofd is. In de hevigheid van zyne woede, gaf hy een trap aan een arme eendvogel, die aan één van onze Officiers toebehoorde, en trapte hem in ééns dood. Eindelyk nam hy zyne paruik van 't hoofd, en smeet die tegen den grond. Ik stond te beven, en de overige toekykers schaterden het uit van lagchen. Na verloop echter van een halfuur, begon de gramschap van den Colonel te bedaaren, en hy gebruikte toen een list, waar door de weggevlogen vogel weder in zyne macht kwam. Na een kort eind touw boven aan de kooy gebonden te hebben, haalde hy 'er het andere dier uit, en bond het met de poot aan het tegenëinde van het zelfde touw vast. Hy plaatste deeze kooy in de open lucht, leide eene rype banane binnen in, en liet de deur open, zoo dat alle vogels, uitgenomen de geen, die vastgebonden was, 'er konden inkomen. Deeze, aan wien men niets te eeten gaf, door den honger gedrongen, maakte zulk een schel geschreeuw, dat hy door zyn makker gehoord wierd, die te rug kwam, en ziende de banane in de kooy, daar binnen ging, en op nieuw van zyne vryheid beroofd wierd. De zaak aldus afgeloopen zynde, kwam ik weder te voorschyn, en geraakte met eene vriendelyke bestraffing vry; maar, zoo als men wel denken kan, LAURENS kreeg een goede les.

De Kakatoes zyn minder groot, dan de Papegaijen. Derzelver pluimaadje is groen, uitgenomen aan den kop, en eenige vederen van de staart, die een bleeke roode kleur hebben. Deeze vogelen zyn gekroond met een bos van vederen, die gewoonlyk agter over leggen, maar welke zy in de hoogte steken, wanneer zy door het een of ander vertoornd of verschrikt worden.

Ik heb in Surinamen ook een Papegaay gezien van eene hoog blaauwe kleur, hoe zeer verschillende van die geene, welke men van de Kust van Guinée aanbrengt, die veel eer eene gryze loodkleur hebben. Dit dier is zeer zeldzaam, en bewoont de diepste schuilhoeken der bosschen, alwaar de Indianen hem vangen, en vervolgens naar Paramaribo brengen. Hy heeft de gestalte van de gewoone Papegaay; maar schynt zeer levendig en zeer sterk. De gemeenste Papegaaijen in Guiana zyn die geene, aan welke MARKGRAAF den naam van ajuruoura geeft. Deeze vogelen zyn zoo groot niet, als die uit Africa komen. Zy zyn groen, en de borst en buik zyn van eene bleek geele kleur. Boven op den kop hebben zy een blaauwe vlak; hunne pooten zyn grys, en met vier klaauwen, twee van vooren, en twee van agteren, gelyk alle anderen van dit zoort. Op hunne vlerken ziet men eenige vederen van eene schitterend blaauwe, en andere van eene hoog karmosyne kleur. Zy zyn in Surinamen zeer talryk, maar meer schadelyk, dan aangenaam, want zy werpen zig troepsgewyze op de Plantagiën van koffy, graanen en ryst, alwaar zy groote verwoestingen aanregten; en het geen hun vooral ondraaglyk maakt, is hun schel geschreeuw. Zy vliegen altyd aan paaren, en zeer ligt. Ik heb waargenomen, dat zy, om de zon te ontmoeten, des morgens oostwaarts, en des avonds westwaarts vliegen. In 't algemeen leven zy op afgelegene plaatsen, en hunne wyfjes leggen niet meer dan twee eieren. Toen ik my op de Plantagie Sporksgift bevond, schoot ik twee van deeze Papegaaijen. Deeze dieren nog niet dood zynde, toen ik hen opraapte, haalden zy my met hunne puntige klaauwen deerlyk de huid open. Wy lieten ze koken, en zy gaven eene vry goede soep; men kan 'er ook een pasty van maken; maar op eenige andere manier toebereid zynde, zyn zy zeer slecht en taay. Men kan deeze Papegaaijen leeren spreken, lagchen, schreeuwen, baffen, maauwen, fluiten, maar veel minder, dan die in Africa geboren zyn. Men zegt, dat het zaad van catoen-schellen hen dronken maakt. Zy zyn aan ziekten onderworpen, misschien uit hoofde hunner geneigdheid tot gramschap; de Indianen egter schryven hun een lang leven toe: zy hebben een sterken en gekromden bek, en bedienen 'er zig van, om op de boomen te klauteren, om zeer harde noten te kraken, en om pynlyke beeten te geven. Hun vermaak is, om zig op de takken der boomen in evenwicht te houden, of daar aan te blyven hangen, en het zy, dat zy zig in vryheid bevinden, het zy dat zy in de slavernye leven, zy nemen hun voedzel met één van hunne klaauwen, als met de hand.

'Er zyn in Surinamen ook andere fraaije Papegaaijen, zynde een zoort van Parkieten, en mede zeer gemeen. De aangenaamste hebben de gedaante van eene zeer kleine duif. Derzelver pluimaadje is van een zeer levendig groene kleur op den rug en de staart, maar de kop is donker bruin; de hals van gelyken, met dit onderscheid, dat elk der vederen een rand van eene fraaije goud-kleur heeft. De borst is van eene lood-kleur, de buik violet, en de vlerken bestaan uit verschillende vederen van eene oranje en hemels blaauwe kleur. Zyne oogen hebben eene kleur als vuur, en de pooten byna wit. Het ander zoort van Parkieten is volmaakt groen, met een witten bek, en eene karmozyne vlak op den kop. Zy brengen een aangenaam gepraat voort; maar men maakt ze zoo gemakkelyk niet tam, als de eerstgemelden.

Den zelfden avond, (op den 5den namelyk,) bood een soldaat my een vogel aan van een geheel verschillend zoort, dien hy met de hand gevangen had. Deeze was de Anamoe, of Surinaamsche Patrys, het schoonste dier, dat ik immer gezien heb. Hy was zeer vet, en had de grootte van een eendvogel. Zyne vederen, van eene donker bruine kleur op den rug, de vlerken, en het bovenste gedeelte van den kop, hadden aan het benedenste van den kop, en het geheele overige gedeelte van het lichaam, eene fraaie witte room-kleur, doorsneden met vederen van eene orange-kleur, en zeer kleine dwarsloopende zwarte streepen. Deeze Patrys, die zonder staart is, had een lichaam van eene eironde gedaante; een langen hals, een korten bek, die zeer puntig en een weinig krom gebogen was. Zyne oogen, zoo zwart als een git, vertoonden eenen zeer schitterenden glans, Hy had korte pooten, van eene fraaie roode kleur, met drie sterke klauwtjes aan elke poot. Men zegt, dat hy met eene verwonderlyke ligtheid loopt, dat hy zig tusschen de kruiden en planten verschuilt, maar dat zyne dikte hem bezwaarlyk doet vliegen; en deeze bezwaarde vlucht gaf gelegenheid, dat gemelde soldaat deezen vogel met de hand gevangen had. Wy deeden hem braden, en ik heb nooit iets lekkerder gegeten.

Den 9den, gebeurde 'er byna een toeval, het welk my een zeer gevoelig en smartelyk hartzeer veroorzaakt zoude hebben. Myn Neger QUACO, myne hangmat in de Tempaty-Kreek uitwasschende, wierd door den schielyken stroom eensklaps naar den grond getrokken. Hoe zeer in de koorden van dit zoort van bed, het welk met hem in 't water gezonken was, verward zynde, gelukte het hem, schoon met veel moeite, om zig los te maken, en tot myn onuitspreeklyk genoegen, kwam hy weder boven water, en wel dra op 't land. Hy had toen de bedaardheid van geest, om een haak, aan een sterke visschers lyn vast gemaakt, in 't water te doen zinken, en door dit middel de hangmat wederom te krygen. Des anderen daags, wanneer de Captain HAMER zig met visschen vermaakte, bleef zyne lyn aan den grond der Kreek haken: ik was 'er by tegenwoordig, en sprong oogenblikkelyk in 't water, om dezelve los te maken; maar ik stootte den enklauw met zulk een geweld tegen een rots, dat het verscheiden maanden aanliep, eer ik volkomen hersteld was.

Alle deeze toevallen scheenen den Colonel SEYBOURG zeer te vermaken, terwyl ik van myn kant over zyn onheusch gedrag zeer verontwaardigd was. Deeze tegenstrydigheid tusschen hem en my, deed my de gunst van den Colonel FOURGEOUD verwerven, als of ik de helft van de muitelingen der Volkplanting vernield had.—Echter kruisten 'er sterke wachten tusschen de posten van Maagdenberg, van la Rochelle, en van de Savane der Joden. Den 17den, trok de Opperbevelhebber met de helft van zyn krygsvolk naar de Patamaca, en dewyl myne kwetsuur aan den enklauw my niet toeliet hem te volgen, liet hy my het bevel over de manschappen, die agterbleven.

Als toen het vooruitzigt hebbende, om eenigen tyd op Maagdenberg te blyven, zond ik QUACO naar Paramaribo, om levens-middelen van daar te halen, en my eene levende geyt mede te brengen.

Schoon de Colonel FOURGEOUD de muitelingen nog niet genoodzaakt had, om tot een geregeld gevecht te komen, oeffende hy daarom niet minder zyn krygsvolk en zig zelven. Dikwerf het bovenste gedeelte der Rivieren overstekende, en de grenspalen der Volkplanting schoon houdende, voorkwam hy het plunderen en verbranden der Plantagiën; en op die wyze deed hy eenen zeer wezentlyken dienst aan de inwooners, hoe zeer zulks veel menschen en geld kostte.

Daar ik derhalven tans Opperbevelhebber van den post was, hield ik de twee Negers, waar van ik reeds gesproken heb, bezig, met voor my te jagen en te visschen. Zy bragten my byna dagelyks één of twee wilde varkens, of pingos, en een visch, newmara genoemd, die zomtyds zoo groot is als een kabbeljauw, en welken ik by vervolg beschryven zal. Ik onthaalde alle de Officiers zonder onderscheid op deezen verschen voorraad, en ik gaf aan de zieken de plantains, de bananen, de oranje-appelen, de limoenen, welke men van de Plantagiën, aan het bovenste gedeelte van de Commewyne gelegen, aan my toezond: nooit wierd een afgezonden Bevelhebber zoo wel behandeld. Ik vergat echter de hoofdzaak niet, en zond regelmatig ronden uit in den omtrek van Maagdenberg, die zoo oplettend waren, dat'er geen aanval der muitelingen te duchten was. Deeze voorzorgen waren zeer noodzakelyk, want zy hadden verscheide posten overweldigd, om zig van de wapenen en het kruid meester te maken, het geen voor hun van een groot gewicht,en voor de Volkplanting allernadeeligst is. Niet alleen hadden zy op zommige van deeze posten die dingen geroofd, maar zelfs alle de soldaaten vermoord.

Te dier tyd geen werkend deel aan de krygsverrigtingen kunnende hebben, maakte ik van dit oogenblik van rust gebruik, om een groot getal afteekeningen te maken; en toen kwam my het eerst het denkbeeld in de gedachten, om dezelve in 't licht te geven, indien het lot over my beschoren was, om in Europa te rug te komen.

Een van myne Negers bragt my, den 24sten van deeze maand, twee zeer merkwaardige insecten, die ik tans beschryven zal. Een van de twee, die naar een sprinkhaan scheen te gelyken, was die geene, welke men doorgaans alhier Spaansche Juffer noemt; nimmer heb ik iets meer buitengewoons in deeze Volkplanting gezien. Het lichaam van dit wonderbaarlyk insect, schoon het niet veel dikker was, dan de schacht van een gewoone veder, was zeven en een halve duim lang, de staart daar by gerekend, welke, even als die van veele andere insecten, uit verschillende gewrichten bestaat.—Hy liep, even als een spinnekop, op zes pooten van by de zes duimen lang, en hy had geene vlerken. Vier hoorens, waar van twee de lengte hadden van vyf duimen, en de andere veel korter waren, staken hem uit den kop. Deeze kop was klein, maar met groote zwarte en uitpuilende oogen. Het lichaam van dit insect had eene bruinachtig groene kleur, en over 't geheel had hy het voorkomen van een gedrocht in zyn zoort. Men vindt hem op moerassige plaatsen, alwaar zyne lange pooten hem ongetwyffeld dienen om te gaan, en niet om te zwemmen, als daar toe ongeschikt zynde, want zy eindigen met twee kleine nagels, als die der kevers. Het andere insect is door Mejuffrouw DE MERIAN afgeteekend, die het de waaker genoemd heeft; maar de Hollanders geven hem een naam, die betrekkelyk is tot het geraas, het welk hy tegen den avond doet hooren, en vry veel gelykt naar het geluid van een cymbaal, of naar dat van het slypen van een scheermes. Dit merkwaardig insect, welks gebrom altyd met het ondergaan der zon, of des avonds ten zes uuren begint, word ook lantaarn-drager genoemd, uit hoofde van het licht, het welk hy des nachts verspreidt, een licht, veel sterker, dan dat van een vuur-mug, van welk zoort hy ook zyn moge, en met behulp van 't welk men alles doen kan. De lantaarn-drager is meer dan drie voeten lang. Hy heeft een dik en groenkleurig lichaam, met vier doorschynende vlerken, die, onaangezien deeze hoedanigheid, eene groote verscheidenheid van kleuren laten schitteren, vooral van onderen, alwaar men twee ronde moesjes opmerkt, veel gelykheid hebbende met die van een paauwen-staart. Onder den kop van dit insect ziet men een lynregte snuit, als eene naald, waar mede men zegt, dat hy het sap uit de bloemen zuigt. Met dit werktuig vooronderstelt men ook, dat hy het zoo even gemelde onaangenaam en sterk geraas maakt. Ik voor my zoude het veel eer aan de beweging zyner doorschynende vlerken toeschryven, zoo als men dit van zommige muggen in Engeland beweert. Eene sterke snuit, met roode en geele streepen, en hebbende de gedaante van het eerste gewricht van een's menschen vinger, steekt hem uit het voorste gedeelte van den kop, en maakt een derde der lengte van het geheele dier. Deeze uitwas word gemeenlyk de lantaarn van dit insect genoemd, en doet het licht voortkomen, waar van hy zynen naam draagt. Ik zal zyne beschryving eindigen met te zeggen, dat hy zeer langzaam loopt, maar met eene verbaazende gezwindheid vliegt.

Den 26sten, kwam myn kleine QUACO van Paramaribo te rug, met zig brengende al het geen ik hem gelast had: men had de geit niet vergeten, en men zond 'er my een met haar jong, waar voor ik twintig guldens, of by de twee ponden sterling betaalde.

De geiten zyn echter in geheel Guiana zeer gemeen; zy zyn aldaar niet groot, maar fraay; haare hoornen zyn zeer klein; haar hair is kort, zacht, en van eene donker bruine kleur; haare gezwindheid is niet te vergelyken, dan by die der harten. Men kweekt ze op de Plantagiën aan, alwaar zy vermeenigvuldigen, en veel melk geven. Wanneer men ze jong doodt, is haar vleesch goed om te eeten.

Ik ontfing toen de onaangenaame tyding, dat het Schip, waar mede myne brieven naar Europa vertrokken waren, in de nabyheid van Texel vergaan was. Ik vernam te gelyker tyd met aandoening, dat myn vriend, de heer KENNEDY, zyne vrouw en huisgenooten, aan de Volkplanting hadden vaarwel gezegd, en naar Holland waren ingescheept. De gemelde heer KENNEDY, de heer GORDON, en de heer GOURLUY, waren Schotten; de heer BUCKLAND, de heer TOWNSEND, en de heer HALFHIDE, waren Engelschen de heer MACNEYL was uit Ierland: 'er waren geene anderen van hunne natie, die deeze Volkplanting bewoonden.

Den 28sten, kwam de Colonel FOURGEOUD van zynen tocht naar de Patamaca te rug. Zyn krygsvolk was van vermoeienis afgemat, en hy zelf had veel geleden. Hy had een groot getal zyner soldaten in het Hospitaal van la Rochelle agtergelaten; maar hy vernam zelfs de muitelingen niet, schoon hy bestendig zynen weg veranderd had. Het scheen derhalven, dat zy in wanorde waren, zoo zy al in 't kort eenig vast verblyf gehad hadden; maar waar konde men hen in dit eindeloos bosch ontdekken? Daar kwam het op aan. De Colonel wanhoopte echter niet, dit te zullen doen. In de daad, hy stelde den zelfden yver te werk om hen te vervolgen, als voorheen, om de schuilhoeken van het wildt te ontdekken.

Den 29sten, bood de heer MATHIEU, één van onze Officiers, die ter jagt gegaan was, my den Taïbo aan, een dier, alhier onder den naam van Boschrot bekend. Hy had de grootte van een jonge haas, maar was aan het einde van zyn lyf uittermaten dun; hy had eene huid van eene rosachtig bruine kleur, lange pooten, een ronde kop, en zyne staart geleek naar die van een speenvarken; zyne klauwen hadden juist de gedaante van die van een gewoone rot, maar in evenredigheid veel grooter; zoo als ook de kop, de bek, de knevels, en de tanden; hy had korte en kaale ooren; de oogbal zyner zwarte en uitpuilende oogen was wit. Men beweert, dat deeze boschrot zeer schielyk loopt. Wy lieten hem gereed maken: men had ons gezegd, dat hy goed om te eeten was, en wy vonden dit ook bewaarheid; hy had een uitmuntenden smaak, en was malsch en vet, hoe zeer hy mager scheen. Dit dier herinnert my, uit hoofde van deszelfs gedaante, een ander, in dit Land bekend onder den naam van crabbo-dago, of den koppigen hond, welken men hem geeft van wegens zyne voorbeeldelooze woestheid; want alle viervoetige, vliegende of kruipende gedierten, welken hy ontmoet, doodt en verslindt hy; hy schynt nooit van bloed verzadigd te zyn. Zonder door den honger gedreven te worden, doodt hy alle dieren, welken hy overwonnen heeft; zyn moed, zyne kragten, zyne werkzaamheid hebben weinig huns gelyken, schoon hy niet veel grooter, dan een gewoone kat is. Volgens het geen ik hier opgeeve, verdenke ik sterk, dat hy naar den Ichneumon gelykt; maar nog meer naar het dier, in de Natuurlyke Historie van BUFFON gemeld, die, volgens de verzekering van den heer ALLEMAND, het zelve den Grifon noemt: die geen, waar van ik spreek, is echter een weinig grooter. Deeze Schryver zegt, dat schoon het oorsprongelyk een dier uit Surinamen is, niemand van hun, die van daar komen, 'er bericht van kunnen geven. Indien hy het zelfde dier is, en ik twyffel 'er niet aan, strekt het my tot genoegen, om 'er aan den lezer de beschryving van op te geven. Ik zal dus de plaats uit het werk van den Graaf DE BUFFON, die zulks van den heer ALLEMAND zelf ontleend heeft, letterlyk aanhaalen. Indien ik deeze opgaave by het leven van deezen beroemden Natuur-kenner gelezen had, zoude ik de vryheid gebruikt hebben, om hem de waarneemingen te schryven, welke ik aan het Publiek onderwerpe.

"Ik heb uit Surinamen het diertjen ontfangen, het welk op Plaat VIII. verbeeld is, en op de lyst van het geen in de kist, waar in hy ingepakt was, gevonden wierd, den naam droeg van de gryze wezel, waar van ik den naam van Grifon gemaakt heb, om dat ik den naam niet weet, dien men hem in zyn land geeft, en om dat zyne kleur denzelven genoegzaam aanwyst. Het geheele bovenste gedeelte van zyn lichaam is met hairen van eene donker bruine kleur bedekt, met witte punten, het geen eene gryze kleur maakt, waar in het bruin doorsteekt; maar boven op den kop en hals heeft hy eene helderer gryze kleur, om dat de hairen aldaar zeer kort zyn, en om dat het witte gedeelte in lengte met het bruine gelyk staat. De snoet, het geheele onderlyf, en de pooten, zyn van eene zwarte kleur, die eene zonderlinge tegenstrydigheid maakt met de gryze kleur, waar van de zelve aan den kop is afgescheiden door eene witte streep, beginnende aan den eenen schouder, en doorgaande onder de ooren, boven de oogen en den neus, en zig tot den anderen schouder uitstrekkende.

De kop van dit dier is zeer groot in evenredigheid van zyn lichaam; zyne ooren, die byna een halve cirkel maken, zyn meer breed dan hoog; zyne oogen zyn groot: zyn bek is gewapend met maaltanden, en sterke en puntige honds-tanden. 'Er zyn zes sny-tanden in elk kakebeen; maar die van de beide reijen zyn alleen zichtbaar; de vier tusschen beiden staande komen naauwlyks uit derzelver holligheden. De pooten, zoo wel die van vooren, als van agteren, zyn verdeeld in vyf klauwen, die met sterke geelachtige nagels gewapend zyn. Zyn staart, die vry lang is, eindigt puntsgewyze.

De wezel is onder alle dieren van ons vaste Land die geene, waar mede deeze Grifon de meeste overëenkomst heeft; dus ben ik niet verwonderd, dat hy my onder dien naam uit Surinamen is gezonden geworden. Nogtans is het geen wezel; schoon hy wegens het getal en de gedaante zyner tanden 'er veel overëenkomst mede heeft, is zyn lyf zoo langwerpig niet, en zyne pooten zyn veel hooger. Ik ken geen schryver nog reiziger, die 'er van gesproken heeft, en de geen, die my gezonden is, is de eenige, welken ik immer gezien heb. Ik heb hem aan verscheiden lieden getoond, die langen tyd hun verblyf in Surinamen gehouden hadden; maar hy was hun onbekend; derhalven moet hy op de plaatsen, van waar hy herkomstig is, zeldzaam zyn, of oorden bewoonen, die weinig bezogt worden. De zender van dit dier had geene byzonderheid opgemerkt, geschikt om deszelfs natuurlyke geschiedenis op te helderen; dienvolgende heb ik niets anders kunnen doen, dan eene afteekening van hem te maken". (Hist. Nat. de BUFFON; Edit. de Hollande, Tom. XIV. pag. 65.)

Het is waar, dat dit dier in Surinamen zeer zeldzaam is; maar dat hy door de natuur-kenners niet beter beschreven is, moet men ongetwyffeld toeschryven aan zyne ongemeene woestheid, die byna altyd belet, om hem levend te vangen.

De Bevelhebber en ik waren toen boezemvrienden, en dagelyks noodigde hy my aan zyne tafel. Hy verzogt my, om hem zyn pourtrait levensgrootte te maken, en hem in zyne veld-kleeding te vertoonen. Zyn oogmerk was, om dit naar Europa mede te neemen: hy hoopte, dat de Stad van Amsterdam het zelve op haare kosten zoude doen in 't koper brengen; hy oordeelde zig iemand te zyn van zoo veel gewicht voor Holland, als de Hertog van Cumberland, na den slag van Culloden, voor Engeland was.

My van een blad groot papier, en Chineesche inkt voorzien hebbende, ging ik aan 't werk. Terwyl ik bezig was, om de trekken van myn oorsprongelyk stuk naauwkeurig naar te gaan, wierd de berg door eenen vervaarlyken donderslag ylings geschokt, zoo dat alle de eieren van een hen, die in een hoek van onze hut te broeien zat, aan stukken braken. De straal van den blixem ontstelde de trekken van den Colonel voor een oogenblik; maar hy herstelde zig schielyk, en ik ging voort. Het werk was korten tyd daar na tot zyn groot genoegen afgemaakt.

De Neger SEPTEMBER, die in 't jaar 1774. gevangen genomen was, stierf, byna op deezen tyd, aan de waterzucht. De Colonel had hem gedwongen hem te volgen op alle zyne tochten, even als een geketende hond. Hy verbeeldde zig, dat deeze Neger, vroeg of laat, hem in de onderscheidene bezittingen der muitelingen brengen zoude, maar hy bedroog zig, De andere slaven, hem verdacht houdende van reeds eenigen raad aan den Bevelhebber gegeven te hebben, schreven zynen dood aan de Goddelyke rechtvaardigheid toe, die hem strafte wegens het verraden van de trouw, welke hy buiten twyffel aan zyne landgenooten gezworen had. De lezer herinnert zig waarschynlyk, het geen ik in het derde hooftstuk gezegd heb, dat de Africaansche Negers gelooven, dat hy, die zynen eed schendt, elendig moet omkomen, en eene eeuwige straffe in de andere weereld ondergaan.

De post van de Hoop aan de Commewyne was, wegens gebrek aan zindelykheid, tans zeer ongezond geworden: het krygsvolk, het welk aldaar na myn vertrek de wacht gehouden had, was uittermaten onachtzaam, om deezen post in goeden staat te houden. De dood had reeds verscheiden soldaaten weggerukt, en de ziekte belette den bevelhebbenden Officier en een gedeelte van zyn volk, om dienst te doen. De Colonel FOURGEOUD zond den Capitain BRANT en eenige soldaaten derwaarts, met last, om alle de zieken, welken men op deezen post vinden zoude, niet naar de Stad Paramaribo, maar naar Maagdenberg te doen vertrekken. De Colonel, deezen Capitain met dien tocht belastende, behandelde hem met eene groote hardheid, en vergunde hem zelfs den tyd niet, om zyne goederen mede te neemen. Van een anderen kant, ontnam de Colonel SEYBOURG hem den eenigen slaaf, dien hy tot zynen dienst had, en hield dien voor zig zelven. Deeze behandeling deed den armen BRANT zoo geweldig aan, dat hy begon te schreijen, en verklaarde, dat hy wenschte zulke mishandelingen niet te overleven. Hy vertrok vervolgens naar den post van de Hoop; met een hart van droefheid overstelpt.

By zyne aankomst vernam hy, dat de Capitain BROUGH, de laatste Bevelhebber op deezen post, zoo even overleden was. Deeze Officier, zeer zwaarlyvig zynde, had groote vermoeïngen in de bosschen ondergaan. De hette was voor hem ook doodelyk: hy had eene versmelting van vochten, die op een rotkoorts uitliep, en hem uit 't leven wegnam. De Colonel SEYBOURG volgde den Capitain BRANT wel dra naar de Hoop, om aldaar de zieken te bezoeken. Geduurende al dien tyd had ik niets te doen. Ik zal my dus bezig houden met twee visschen te beschryven, die eenen byzonderen aandacht verdienen.

De eerste heeft de gedaante van een groote bokking; ik had ze van dit zoort nog niet gezien, en zekerlyk, behalven den zee-braassem, kende ik 'er geene, die fraaijer gekleurd was. Zyn rug en zyden hebben streepen van eene fraaije geele en van eene ryke en donkere blaauwe kleur, zyn buik heeft eene witte zilver-kleur. Hy heeft zwarte en goudkleurige oogen, doorschynende vinnen van eene zeer levendig roode kleur. Zyne gedaante gelykt vry veel naar die van eene forelle, en hy is met kleine schubben bedekt; hy heeft eene vinne op den rug, en het teeken van eene andere by den staart, die gespleten is; onder den buik ziet men aan hem vyf andere vinnen, waar van twee tot de borst behooren, en de laatste achter den navel. Zyn benedenste kakebeen steekt meer voorwaarts dan het bovenste, en zyn bek schynt eene omgekeerde gedaante te hebben: eindelyk heeft hy zeer kleine kieuwen of ooren. Ik deed onderzoek naar deezen visch; maar alles wat een oude Neger 'er my van berigten kon, was, dat men hem dago-faisy noemde.

De andere was die groote en fraaie visch, die by de Engelschen den naam van rock-cod draagt, by de Indianen dien van baroketta, en by de Negers dien van new-mara. Ik heb 'er reeds verscheiden malen melding van gemaakt; maar ik heb hem nog niet beschreven. Men vindt deezen visch zeer dikwils in het bovenste gedeelte der Rivieren. Hy heeft de gedaante van eene groote kabeljauw, maar met schubben bedekt. Zyn rug heeft eene donkere olyf-kleur, zyn buik is wit, zyn kop is groot met kleine oogen, waar van de appel zwart en de oogbol grys is. Zyn breed kakebeen is van boven en onder van eene reije puntige tanden voorzien, even als die van een snoek. Hy is, gelyk dit dier, uittermaten vraatächtig. Hy heeft een stompen staart, en, zoo als ook de vinnen, van dezelfde kleur als het lichaam: deeze vinnen zyn zes in getal, één op den rug, twee aan de borst, twee onder aan het lyf, en de laatste aan den onderbuik. Zommige lieden vergelyken den smaak van deezen lekkeren visch by dien van Zalm. Hy is by de blanken in deeze Volkplanting zeer geacht; maar zeldzaam te Paramaribo, schoon hy, gelyk ik gezegd heb, boven in de Rivieren overvloedig gevonden word. Ik heb ze beiden zeer naauwkeurig afgeteekend, zoo wel de dago-faisy, als de new-mara. Men vond 'er ook in Surinamen naauwkeurige afteekeningen van.

Verscheiden Officiers, die gevogelte en varkens aankweekten, verloren dezelven tans allen in den tyd van twee dagen: zy waren waarschynlyk vergeven door het eeten van duncane, of van eenige andere vergiftige plant, die ons onbekend was. Echter heeft men in 't algemeen opgemerkt, dat de aangeboren neiging der dieren hun de heilzaame kruiden van de schadelyke doet onderscheiden.

De heer SEYBOURG kwam toen al zegevierende van de Hoop te rug: hy bragt den Lieutenant DEDERLEIN, één der Officiers van den Colonel FOURGEOUD met zig, doende denzelven door een Sergeant en zes soldaten, met de bajonnet op de snaphaan, bewaren, om dat hy, zoo hy zeide, hem de verschuldigde achting niet betoond had.

Den 7den, kwamen de zieke Officiers, en soldaten van denzelfden post, in vaartuigen aan. Verscheiden van hun, welken men inscheepte, vonden zig buiten staat om vervoerd te worden, en geraakten, zonder eenige hulp, op de reize om 't leven. Een van onze Heelmeesters stierf ook, den zelfden dag, op de legerplaats, en aanhoudend begroef men soldaaten. Deeze waren de gevolgen van eenen tocht, in een zoo vochtig jaargetyde ondernomen; maar onze Colonel oordeelde het zelve meer geschikt dan eenig ander, om eindelyk eens de muitelingen uit de bosschen van Guiana te verdryven.