WeRead Powered by ReaderPub
Reize naar Surinamen en door de binnenste gedeelten van Guiana — Deel 2 cover

Reize naar Surinamen en door de binnenste gedeelten van Guiana — Deel 2

Chapter 13: AGTTIENDE HOOFTSTUK.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

An extended narrative records military operations, patrols, and daily routines at remote outposts in Suriname while alternating reportage and personal observation. It interweaves natural history sketches of local flora and fauna—birds, mammals, reptiles, and insects—with practical notes on agriculture, mining, and fishing. Repeated descriptions of plantation life emphasize the conditions, punishments, and abuses endured by enslaved people. Encounters with Indigenous communities, their customs and material culture, and interactions with outside traders are described alongside episodes of mutiny, desertion, and disease, producing a hybrid account of exploration, conflict, and colonial society.

AGTTIENDE HOOFTSTUK.

Een Tyger, op de legerplaats gevangen.—De Jaguar.—De Couguar.—De Tyger-kat.—De Jaquarette.—Gevecht tusschen eenige afgezondene manschappen der Sociëteit en de muitelingen.—Levens-manier van eenen Surinaamschen Planter.—Verscheiden zoorten van visschen.—Besmettelyke ziekten.—Zelfsmoord.

Ik heb zoo straks gezegd, dat verscheiden Officiers gevogelte aankweekten; maar alle nachten ontnam een onbekende strooper 'er hun verscheiden van. De Capitain BOLTS, den coati-mondi of crabbo-dago van deezen diefstal verdacht houdende, zette een val, door middel van eene ledige kist, welke hy in den grond deed plaatsen, en waar van het dekzel wierd opgehouden door een hout, waar aan men een lang touw had vast gemaakt. Vervolgens sloot hy al zyn gevogelte naauwkeurig op, uitgenomen twee hoenderen, welke hy onder deeze val plaatste, doende dezelve door twee Negers op eenigen afstand bewaken. Deezen hadden naauwlyks een uur of twee op hunnen post doorgebracht, of zy hoorden de hoenderen schreeuwen; één van hun trok toen aan het touw, en de ander schoot toe, om zig van den dief te verzekeren, gaande op het dekzel zitten: het was een jonge Tyger, die 'er in besloten zat; hy deed wel dra alle pogingen, om zig in vryheid te stellen; maar men bond de kist met zwaare touwen toe, en men wierp die alzoo in de Rivier, dezelve onder water houdende, om het dier, het welk de sterkste pogingen deed om te ontsnappen, te doen verdrinken. De Capitain BOLTS nam zyne huid, en bewaarde die tot eene gedachtenis van dit zonderling voorval.

De Graaf DE BUFFON beweert, dat 'er in America geene Tygers zyn; maar dat men 'er dieren vindt, die hun gelyken, en waar aan men denzelfden naam geeft. Ik zal dezelve beschryven zoodanig als ik ze gezien heb, en de lezer zal beöordeelen, wat zy zyn.

De eerste en grootste word Jaguar van Guiana genoemd. Dit dier, het welk verscheiden Schryvers als zwak, verachtelyk, en van de grootte van een haazen-windhond hebben afgebeeld, is integendeel zeer sterk, zeer gevaarlyk, zeer woest. Zyne lengte, van den bek tot het begin van den staart, heeft zomtyds zes voeten: men vergeete niet den verbaazenden voetstap van een tyger, welken ik aan de Patamaca in het zand zag, schoon men zoude kunnen tegenwerpen, dat deeze in 't byzonder van eene buitengewoone grootte had, en het zand los was. De Jaguar heeft eene donkere oranje kleur en een witten buik. Zyn rug heeft langwerpige en zwarte streepen. Op zyde van den buik zyn onregelmatige ringen, in den omtrek zwart, en in het midden helder. Het overige gedeelte van zyn lichaam en zyn staart hebben kleine vlakken, die volmaakt zwart zyn. Zyne gedaante gelykt in alle opzichten naar die van den Africaanschen Tyger; en dewyl hy ook onder het geslacht der katten behoort, is het niet noodig 'er eene omstandiger beschryving van te geven. Maar dewyl zyne grootte en krachten die van dit klein huisdier overtreffen, verscheurt hy een schaap of een geit even gemakkelyk, als de kat een muis of een rot doodt. De koeijen zelfs en de paarden zyn in weerwil van hunne grootte, voor zyne woede niet beveiligd, want dikwils tast hy hen op de Plantagiën aan; en schoon hy dezelve, uit hoofde van hunne zwaarte, niet naar de bosschen kan sleepen, scheurt hy hen wreedelyk aan stukken, alleenlyk om hun bloed te drinken, waar naar dit woest dier altyd dorstig is. Het is bovendien wel gebeurd, dat de Jaguar jonge Negerinnen, die op het land werkten, heeft mede gesleept, en dit zelfde ongeluk gebeurt hunne kinderen maar al te veel. Dit boosäartig dier werpt (volgens de uitdrukking van deeze zelfde Schryvers) door een enkelen slag met de poot, een wild varken om ver, en het sterkste paard, dat men in Guiana beryden kan, grypt hy by de keel. Zyn woeste aart en bloeddorstigheid zyn oorzaak, dat men hem nooit heeft kunnen tam maken. Hy zou de hand van zynen oppasser verscheuren; en dikwils zelfs verslindt hy zyne jongen. Hoe sterk echter en woedend hy ook zy, hy is niet in staat wederstand te bieden aan den slang Aboma, die, wanneer hy hem bereiken kan, hem in korte oogenblikken aan stukken slaat.

Het tweede dier van het zelfde zoort is de Couguar, de roode Tyger in Surinamen genaamd. Men zoude hem voegzamer kunnen vergelyken by een haazen-windhond, ten aanzien van deszelfs gedaante, maar niet van zyne grootte, en by gevolg ook ligter dan den Jaguar, maar grooter dan een windhond. De huid van dit dier is van eene bruin roode kleur; de borst en buik zyn van eene vuile witte kleur; hy heeft lange en ongevlakte hairen; de staart van eene aard-kleur, en aan het einde zwart. Zyn kop is klein, met twee glinsterende oogen, waar uit het vuur als uitspringt; en zyne tanden zyn zeer breed. Zyn dun lyf word gedragen door lange pooten, die met geduchte en witachtige klaauwen gewapend zyn. Hy is even verslindend als de Jaguar.

Een derde dier van dit zoort, en het welk zeer fraay is, al mede in Guiana gevonden wordende, is de Tyger-kat. Deszelfs grootte gaat die van veele katten, welke ik in Engeland gezien heb, niet te boven. Zyne huid is van eene fraaie geele kleur, en gevlakt met kleine witte moesjes met zwarte randen. Hy heeft den buik van een helderen kleur, zwarte ooren met een witte vlak, en zeer zacht hair. Men waardeert zyne huid zeer hoog; en hy heeft dezelfde gedaante als de Jaguar. De Tyger-kat is een zeer levendig dier, wiens oogen schitteren als blixem-straalen; maar hy is even woest, even verslindend, even wild als de voorgaande.

'Er is nog in dit Land een vierde dier van het zelfde zoort; het is de Jaguarette, wiens huid van eene zwartachtige kleur is, met vlakken die nog zwarter zyn. Zie daar alles wat ik 'er van weet; want ik heb 'er geen enkele gezien, om dat men hem zelden verneemt. Die ik te vooren beschreeven heb, zyn niet veel gemeener. Ik zal by het geen ik van alle deeze dieren gezegd heb, nog byvoegen, dat zy, even als de gewoone katten, lange knevels hebben; dat zy zomtyds op de boomen klimmen; maar dat zy zig doorgaans onder de bladen in eene hinderlaag plaatsen, van waar zy met eene ongelooffelyke gezwindheid op hunnen ongelukkigen buit uitschieten; dat zy, den zelven hebbende van één gereten, zyn bloed al warm drinken, en met verscheuren en inslokken niet ophouden, voor dat zy verzadigd zyn; maar dat, indien zy door den honger niet gedrongen worden, zy lafhartig zyn, en dat een enkele hond genoegzaam is, om hen op de vlucht te dryven. Het vuur doet hen ook uittermaten verschrikken: dit is het beste middel om hen te verdryven, waar van ook de Indianen in Guiana gebruik maken. Verscheiden Tygers kwamen, by gebreke van deeze voorzorgen, in onze legerplaats; maar gelukkiglyk, regtten zy geene verwoesting aan.

Dewyl ik op dit oogenblik met den Colonel FOURGEOUD op den voet van de vertrouwelykste vriendschap stond, bood ik hem eene teekening aan, verbeeldende de geheele legerplaats van Maagdenberg, die hem dermaten behaagde, dat hy dezelve aan den Prins van Oranje en aan den Hertog van Brunswyk zond, om hen over zyne krygs-verrigtingen te doen oordeelen. Deeze beleefdheid van myn kant bragt al de uitwerking op hem te weeg, die ik verlangen konde; niet alleen wierd ik zyn begunstigde, en hy beloofde my aan het Hof te zullen aanbeveelen, maar zelfs betoonde hy achting voor de Engelschen en Schotten. Ik was over deeze veranderde behandeling van zyne zyde zoo te vreden, dat ik de vyandschap, die in het begin tusschen ons had plaats gehad, aan my zelven meende te moeten wyten. Echter wierd de betoonde achting van den Colonel wel dra afgewisseld door voorwerpen, die al zyn aandacht verdienden; want hy vernam den 14den Juny, dat men eenige hutten van muitelingen aan de zee-kusten ontdekt had; dat de Capitain MEYLAND, met honderd en veertig mannen van het krygsvolk der Sociëteit, den vyand gaande opzoeken, hen eindelyk ontmoet had; maar dat hy gedwongen zynde een diep moeras te doorwaden, deeze Negers hem het eerst hadden aangetast; dat zy verscheiden van zyn volk gedood hadden, waar onder gevonden wierd een jong vrywilliger, die zyn neef was; dat zy 'er een groot aantal van gewond hadden, en de overigen deezer afgezondene krygsbende tot wyken genoodzaakt, schoon hy reeds het moeras was overgetrokken, en deszelfs oever bereikt had, om het dorp stormenderhand in te nemen. Volgens deeze tyding was het klaar, dat de vyand niet was klein te achten; en dewyl men nu eindelyk wist, waar hy te vinden was, ontfing al het krygsvolk, namelyk de zee-soldaten van den Colonel FOURGEOUD, het Regiment van de Compagnie, en de Neger-jagers, die van verlangen brandden, om blyken van dapperheid te geven, bevel om zig onmiddelyk tot den optocht gereed te maken. Men bepaalde hun allen een punt van algemeene vereeniging, en men zond te gelyker tyd een hoop krygsvolk naar den post van la Rochelle, om hier van bericht te geven. Ingevolge van deeze beveelen, maakte zig het geheele leger marschvaardig, en onze soldaten betoonden eenen grooten yver, in de hoop, dat een beslissende slag aan den oorlog, en alzoo tevens aan hunne elende een einde maken zoude: het was dus het oogenblik, om hen tot den aanval aan te voeren; maar onze Opper-Bevelhebber stelde zynen tocht meer dan twee maanden uit, om redenen, hem alleen bekend.

Wy vernamen toen, dat de Capitain BRANT, Bevelhebber op den post van de Hoop, op het punt was, om aldaar van eene zwaare ziekte te sterven. Deeze zelfde post, alwaar zig een groot aantal krygsvolk bevond, was één der ongezondsten uit hoofde der overstroomingen; en vermits ik in dit tydstip één der gunstelingen van den Colonel was, bestemde hy my, om het bevel 'er van op my te nemen, eene eer, die ik, zoo als hy my zeide, aan myn sterk lichaamsgestel moest toeschryven. Uit deeze handelwyze bemerkte ik, dat zyne vriendschap op eigenbelang steunde; en ik gevoelde mynen haat allengskens herleven tegen iemand, die my alzoo veroordeelde om zonder roem te sterven, daar hy my tot eenigen dadelyken dienst met eere gebruiken konde.

By myne komst op de Hoop, moest ik den Capitain BRANT naar Maagdenberg zenden; maar deeze ongelukkige jongeling eenige achterdocht op dien wreeden last hebbende, ging in een besloten vaartuig, eenige uuren voor dat ik aankwam, en begaf zig naar Paramaribo. Echter kwam hy aldaar niet aan, of hy gaf den geest, zoo door de gevolgen van eene heete koorts, als door hartzeer. Niemand verdiende meerder betreurd te worden, dan hy. De Colonel FOURGEOUD verloor een uitmuntend Officier, en ik een oprecht vriend.

Dewyl hy de tweede Bevelhebber was, die in zeer korten tyd op deezen post het leven liet, nam ik gerustelyk tot myne zinspreuk: Hodie mihi, cras tibi: (van daag my, morgen u:) maar by geluk bedroog ik my, en ik was altyd zoo welvaarende, als ik ooit in myn leven geweest ben. Volgens den raad van den ouden CARAMACA, baadde ik my twee malen daags in de Rivier; ik maakte insgelyks gebruik van myne oude gewoonte, om geene schoenen noch koussen te dragen.

Den 20sten Juny, korte dagen na myne aankomst, had ik de eer een bezoek te ontfangen van den Gouverneur, den heer NEPVEU, die van zyne Plantagie Appecappe te rug kwam, en weder naar Paramaribo keerde. Ik beklaagde hem den rouw wegens het afsterven van zyne huisvrouw, welke hy in't kort verloren had. Ik ontfing ook bezoeken van verscheiden Planters, die my allerleije zoorten van ververschingen van hunne Plantagiën medebragten. In dit oogenblik had ik gelegenheid, om de gebruiken en levens-wyze van deeze West-lndische Nababs te leeren kennen.

Een Planter in de Volkplanting van Surinamen, wanneer hy op zyne Plantagie woont, het geen zeldzaam voorvalt, want doorgaans verkiest hy het verblyf te Paramaribo, staat by het opkomen der zon, dat is, des morgens omtrent ten zes uuren, uit zyne hangmat op. Alsdan begeeft hy zig, onder zyn piazza, of dat zoort van overdekte gaanderye, voor het huis geplaatst, alwaar hy zyne koffy en pyp gereed vindt. Een half dozyn slaven, zoo wel mans als vrouwen, en wel de schoonste, wagten hem aldaar, om hem te bedienen. In dit heiligdom ontmoet hem de Opzigter, na hem van verre verscheide diepe buigingen gemaakt te hebben, en doet hem zeer eerbiedig rekenschap van het werk, het welk des avonds te vooren verrigt is, van het getal der Negers, die weggeloopen, die ziek geworden, die gestorven, die hersteld zyn, van de geenen die men gekocht heeft, of van de kinderen, die geboren zyn; maar vooral van den naam der slaven, die hun werk verzuimd, die eene ongesteldheid voorgewend, die zig dronken gedronken hebben, of agter gebleven zyn. De gevangenen zyn doorgaans by dit bericht tegenwoordig, onder de bewaaring van Neger-beulen, die op het minste teeken hen vast binden, het zy aan de pylaaren of balken der gaanderye, het zy aan boomen, zonder dat de eigenaar zig dikwils verwaardigd heeft de beschuldigden in hunne verdediging te hooren. De veroordeelden eenmaal vast gebonden zynde, vallen de zweepslagen op hen, zonder onderscheid van mans, vrouwen of kinderen. De werktuigen, waarmede deeze straf word uitgeoeffend, zyn koorden van hennip van eene zeer groote lengte, die by elken slag tot in het vleesch indringen, en een geklater maken, gelykende naar het afschieten van een pistool. Zoo lang deeze straf-oeffening duurt, roepen de ongelukkigen by herhaaling: "danky masera": (ik bedank u meester:) en de Planter wandelt met zynen Opzichter rond, zonder op het geschreeuw, het welk hy hoort, eenige acht te geven. Men maakt deeze elendelingen niet los, voor dat zy wel zyn van één gereten; en dan gelast men hun, om oogenblikkelyk weder aan hun werk te gaan: ter naauwer nood verwaardigt men zig, om hen te laten verbinden.

Het straf-uur verloopen zynde, koomt de Heelmeester, die een Neger is, insgelyks om bericht te doen; en men zendt hem weg al vloekende, en zig beklagende, dat hy aan de slaven toestaat ziek te zyn. Na deeze bedienden, koomt 'er eene zeer oude vrouw, die alle de Neger-kinderen van de Plantagie vertoont, waar over zy het bestuur heeft. Deeze kinderen, die reeds in de Rivier gewasschen zyn, klappen in de handen op het zien van hunnen meester; zy groeten hem, staande in de rondte; vervolgens zendt men hen weg, om hun ontbyt van plantainboom-vruchten, of ryst te gebruiken; en even gelyk by het begin, eindigt dit alles met eene diepe buiging van den Opzichter.

Myn Heer doet dan eene wandeling in zyn morgen-gewaad, bestaande in een onderbroek van het fynst Hollandsch linnen, witte zyde koussen, en muilen van geel of rood Turksch leder; het halsboord van zyn hembd blyft open, en over het hembd draagt hy alleenlyk eene loshangende japon van fraaie Indische stof. Zyn hoofd is met een uittermaten fyne catoene muts bedekt, en met een verbaazend groote hoed, die zyn mager en somber aangezicht voor de hette der zon beveiligt: om den lezer in staat te stellen zig een juist denkbeeld van een persoon van dit zoort te vormen, biede ik hem tans de afteekening aan, die ik 'er van gemaakt hebbe. Ik heb het tydstip genomen, dat de Planter, met zyne pyp in den mond, want die legt hy niet neder, uit de hand van eene schoone slavin een glas Madéra-wyn ontfangt, het welk hy uitdrinkt, om daar door geduurende zyne wandeling kragt te bekomen.

Wanneer hy nu langzaam rondom zyne wooning heeft rond gekuierd, of misschien te paard gestegen is, om zyne velden te bezichtigen, en de vermeerdering zyner rykdommen te begrooten, koomt hy tegen agt uuren te rug, om zig te kleeden, indien hy voornemens is eenige bezoeken af te leggen, zoo niet, blyft hy gekleed zoo als hy is. In het eerste geval verwisselt hy alleen zyn onderbroek tegen een broek van dun linnen of zyde. Vervolgens gaat hy zitten, en reikt zyne beide beenen toe aan eenen jongen Neger, die hem de schoenen aantrekt; te gelyker tyd word hy door eenen anderen gekapt of geschoren; en een derde is bezig, om de muggen van hem weg te jagen. Wanneer dit alles is afgeloopen, trekt hy een ander hembd aan, een kamisool, en een rok, die altoos van eene witte stof is. Alsdan brengt men hem onder een groot zonne-scherm, door eenen jongen Neger gedragen wordende, naar zyn vaartuig met zes of agt roeijers, het welk hem wagt, en waar in zyn Opzichter zorg gedragen heeft vruchten, wyn, water en tabak te laten brengen; maar dezelve heeft hem zoo dra niet zien vertrekken, of hy herneemt zynen toon van gezag, en zyne gewoone onbeschoftheid. Indien de Planter, op deezen dag, zyne Plantagie niet verlaat, ontbyt hy ten tien uuren; en om deeze maaltyd te nemen, zit hy aan eene tafel, in eene groote zaal geplaatst, en waar op hammen, gerookte tongen, gevogelte, of gekookte duiven, plantains, zoete cassave, brood, boter, kaas, enz. gevonden worden. Zyn drank is in dit oogenblik of zwaar bier, of Madéra-, Champagne- of Moesel-wyn. Zyn Opzichter houdt hem gezelschap, zig echter op eenen bekwamen afstand plaatsende, en beiden worden zy bediend door de schoonste en wel gemaaktste slaven.—Zie daar, het geen deeze heeren ontbyten noemen.

Wanneer deeze maaltyd geëindigd is, neemt de Planter een boek; hy speelt op het schaakspel, of op de billard, of op eenig speeltuig; tot dat de hette van den dag hem noodzaakt, om in zyne hangmat te gaan leggen, om daar in zyn middagslaap te nemen, welken hy even min kan nalaten, als een Spanjaard zyne siesta of uur van rust. Hy wendt en keert zig in dit zoort van bed, tot dat hy in een diepen slaap gevallen is, en geduurende zynen slaap, houden zig twee van zyne Negers bezig, om tot zyne verkoeling met een waaijer te waaijen.

Tegen drie uuren word hy van zelf wakker: na zig gewasschen en geparfumeerd te hebben, gaat hy wederom aan tafel zitten, om met zynen Opzichter het middagmaal te houden; en zy worden, even als by het ontbyt, door dezelfde slaven bediend. Niets van al het geen het jaargetyde kan opleveren van gewoon vleesch, gevogelte, wildt, visschen, groenten en vruchten, ontbreekt op deeze maaltyd: de uitgelezendste wynen worden 'er in overvloed geschonken; en dezelve eindigt met eene groote kop zeer sterke koffy, en eenige glazen liqueur. Ten zes uuren koomt de Opzichter wederom als des morgens, door beulen en gevangenen gevolgd wordende. De strafoeffeningen beginnen wederom geduurende eenigen tyd, en na dat de eigenaar zyne beveelen voor het werk van den volgenden dag gegeven heeft, zendt hy de vergadering weg, en brengt zynen avond door met ligte punch, of fangary te drinken, op de kaart te spelen, of te rooken.—Myn heer begint gewoonlyk de aannadering van den slaap tegen tien of elf uuren te gevoelen; dan doet hy zig door zyne kamerdienaars ontkleeden; hy gaat vervolgens in zyne hangmat leggen, alwaar hy met de eene of andere van zyne beminden, want hy heeft altyd zyne stoet van vrouwlieden, den nacht doorbrengt. Den volgenden dag, verschynt hy op nieuw onder zyne overdekte gaandery, op het zelfde uur als daags te vooren; hy vindt aldaar wederom zyne pyp en koffy, en met het opkomen van de zon hervat hy zyne genietingen en uitspanningen. Hy is een Vorst in 't klein, zoo verachtelyk, zoo eigenzinnig, zoo willekeurig heerschende, als 'er een is.

Een zoo onbepaald gezag moet in de daad noodwendig ten hoogsten behagen aan iemand, die zeer waarschynlyk in zyn vaderland, in Europa, een niets beduidend wezen was.

Zulke lieden maaken dus fortuin, naardien zeer dikwils in deeze Volkplanting de Plantagiën op tyd verkocht worden door afwezige eigenaars, die zig op de gedaane begrootingen verlaten; en deeze begrooters, het te verkoopen perceel zeer laag waardeerende, zyn het doorgaans met den kooper eens.

Dit zoort van Planters is een pest voor de Volkplanting. Zy maken eene onmatige verteering, en betaalen niemand, onder voorwendzel van slechten oogst, sterfte onder de slaven, enz. Zy mishandelen dezelven door overmaat van arbeid en slagen; zy bederven de Plantagie, waar van zy de voortbrengzels voor gereed geld, en ten laagen pryze verkoopen; en wanneer zy op die wyze hunne beurs gemaakt hebben, verdwynen zy. Men moet echter toestemmen, dat 'er in alles uitzonderingen zyn: ik heb in Surinamen Planters gekend, die door hunne braafheid achtenswaardig waren, en ik heb dezelven reeds genoemd.

Wat de vrouwen betreft, zy geven zig doorgaans aan alle haare driften, en in 't byzonder aan de ontembaarste wreedheid over. Maar te gelyker tyd, dat ik getuigenis moet geven van de verhevene deugden van Mevrouwen ELIZABETH DANFORTH en GODEFROY, en van eenige andere van een onbevlekt caracter, behoor ik ook het gordyn te laten vallen voor alle de onvolmaaktheden der teedere kunne in deeze luchtstreek. Alvoorens van dit stuk af te stappen, moet ik echter opmerken, dat de herbergzaamheid nergens edelmoediger, nog aangenamer word uitgeoeffend, dan hier. Een vreemdeling bevindt zig hier overal, of hy t'huis was: men verschaft hem, met de meest mogelyke gulheid, tafel en huisvesting, op elke Plantagie, het geen van des te meer aanbelang is, om dat men in de nabyheid van alle de Rivieren der Volkplanting Surinamen niet weet, wat eene herberg is.

Om aan myn verhaal eenige afwisseling te geven, zullen wy tans drie zoorten van visschen beschryven, waar op ik myne vrienden onthaalde, zynde de zon-visch, de slang-visch, en de gevlakte kat. De eerste word, even als de zalm, in zoute en zoete wateren gevonden. Hy heeft agttien of twintig duimen lengte, en hy is geheel en al met goude schubben bedekt, die, wanneer hy in helder water zwemt, straalen van zig schynen af te schieten, en die hem zynen naam gegeven hebben. De slang-visch ontleent zynen naam van de gelykheid, die 'er tusschen hem en dit kruipend gedierte is. Het is een zoort van aal, niet zeer groot, maar zwart, hebbende een witten buik, en zynde in alle de Rivieren van dit Land zeer gemeen. De gevlakte kat word alzoo genoemd uit hoofde van de vlakken, waar mede hy bedekt is, en zyne lange knevels. Deeze visch gelykt ten aanzien van deszelfs gedaante vry veel naar een snoek. Hy heeft zeer puntige tanden, maar geene schubben. Hy is zeer vet, en weegt zomtyds tot zeventig ponden toe; zyn vleesch is geelachtig, en men maakt 'er weinig werk van.

De Hoop was tans eene der onaangenaamste verblyfplaatsen. Ik betreurde aldaar zeer het gemis, zoo van myne eerste hut, als van myne lieve gezellinne: de eene viel geheel om ver, en de andere was te Paramaribo. Wy hadden geen enkel mensch, die niet door de koorts, of eenige andere ziekte, was aangetast. De roode loop begon ook verwoestingen aan te rechten. Om onze elende te vergrooten, hadden wy noch Heelmeesters, noch geneesmiddelen, noch iets, waar door wy ons licht bezorgen konden; en ons bleef niets overig, dan zeer weinig brood. Ik was met deeze gesteldheid van ons ongelukkig krygsvolk bewogen, en ik deed onder hen eene uitdeeling van bischuit, citroenen, oranje-appelen, suiker, wyn, gevogelte, en eenige spermaceti-kaarssen, die my in eigendom toebehoorden.

Den 23sten, zond ik twee zieke Officiers, ORLEIGH en FRANSSEN, gelyk mede alle de soldaaten, die vervoerbaar waren, naar het hospitaal te Maagdenberg; te gelyker tyd vernieuwde ik myn ootmoedig verzoek, om van zulk een elendigen post, die bovendien van geen nut ter weereld was, verlost te worden, en ik verzogt, maar te vergëefs, om één van hun te zyn, die tegen de muitelingen optrokken. Ik vernam omtrent in dit tydstip, dat men, beneden mynen post, eene nieuwe verblyfplaats der Negers, niet ver van Paramaribo af gelegen, ontdekt had; en dat hooger op een groot getal manschappen van ons krygsvolk stierf, waar onder men telde den Capitain SEYBOURG, broeder van den Colonel van denzelfden naam, die den 22sten overleed. Deeze was de derde van dien rang, die zedert een maand het leven liet.

Den 26sten, kwamen twee jonge Officiers, die zeer schoone manspersoonen waren, aan; maar die niet meer dienen konden, zynde beiden gekweld met eene breuk, veroorzaakt door het uitglyden, het geen in dit regen-saisoen, wanneer de grond zeer glibberig is, moeielyk vak te ontwyken.

Des avonds van den zelfden dag, was 'er één van onze zee-soldaaten, genaamd SPANKNEVEL, die niet meer te voorschyn kwam, en men ontdekte hem eerst den 29sten, wanneer men hem met een koord van een heestergewas aan een boom hangende vondt. Geen van zyne medemakkers wilde hem afsnyden, om dat hy zig zelf had van kant geholpen. Zy beweerden, volgens hunne vooroordeelen, want zy waaren allen Duitschers, dat zy, met hem aan te raken, zig even eerloos zouden maken, als hy zelf was. Ik was dus genoodzaakt hem door de Negers te laten afnemen en begraven.

Eindelyk ontfing ik bevel tot myn vertrek, en ik begaf my oogenblikkelyk met den Capitain BOLTS naar Goed-Accord, waar van de eigenaar en eigenaresse, de heer en mevrouw DE LANGE, ons zeer beleefdelyk ontfingen. Deeze Suiker-Plantagie is de laatste aan de Rivier Commewyne, en uit dien hoofde is zy in de nabyheid der muitelingen gelegen, die dikwils moeite doen om de slaven te verleiden; maar men behandelt dezelven aldaar met veel toegevenheid en goedheid, om alle muitzucht van hunnen kant voor te komen, en hen aan te zetten om de Plantagie niet te verlaten.

Ik zag aldaar eene groote nieuwigheid: namelyk eene jonge Negerin, die in den zuiveren natuurstaat de tafel bediende. Ik betoonde my uittermaten verwonderd, toen ik haar zag te voorschyn treden; en dadelyk vernam ik naar de reden van deeze vreemde gewoonte. De vrouw van den huize antwoordde my zediglyk, dat zulks plaats had, overeenkomstig de schikking der moeders en opzigteressen, als een middel ter voorkoming van eenen al te vroegtydigen omgang met manspersoonen, waar door haare kragten verminderd, haare groei belet, en haare gestalte bedolven zouden worden. De slaven op deeze Plantagie, zoo mans als vrouwen, waaren de schoonsten, welken ik immer gezien heb. Hunne schoone gedaante, hunne levendigheid, hunne sterkte en yver konden met die der Europeanen gelyk gesteld worden. De Neger PHILANDER, dien ik reeds als een voorbeeld van schoonheid heb aangehaald, behoorde tot dezelven.

Des anderen daags, vertrokken wy naar Maagdenberg, een uur voor het ondergaan der zon, en in een klein vaartuig, alleenlyk met een zonnescherm overdekt. Wy deeden zulks tegen den raad van den heer en mevrouw DE LANGE, en wy hadden reden om 'er ons over te beklagen; want naauwlyks hadden wy twee mylen afgelegd, of de nacht overviel ons, gepaard met zulk een geweldigen regen, dat wy byna in het water verzonken, zynde de gang van het vaartuig slechts twee duimen boven water. Het gelukte ons echter, door middel van onze calebassen en hoeden, om het zoo ledig te scheppen, dat het vlot bleef. Te gelyker tyd zat 'er een Neger voor op, houdende een haak lynrecht voor uit, om te beletten dat ons vaartuig niet omsloeg, wanneer het door onbedachtzaamheid, in het midden der duisternis, waar in wy ons bevonden, tegen de wortels der Palmietboomen stootte, die langs de oevers van het bovenste gedeelte van de Commewyne in grooten getaale groeijen.

Wy kwamen op deeze wyze, des avonds ten tien uuren, op de Plantagie Jacob aan. Het vaartuig was met het water gelyk, en ook niets meer; want de Capitain BOLTS, en ik, waren zoo dra niet op het land gesprongen, of het vaartuig zonk met alle de Negers, die 'er op waren: dadelyk echter bereikten zy al zwemmende den oever. Maar, helaas! een koffer, waar in myn dagregister en myne teekeningen lagen, die my meer dan twee jaaren arbeids en moeite gekost hadden, bevond zig toen onder in het water. Ik was over dit verlies met smarte aangedaan. Een knaphandige Neger echter, verscheiden malen, al duikelende, in het vaartuig gegaan zynde, bragt my mynen kleinen schat te rug, en ik achtte my zeer gelukkig denzelven weder in myne handen te zien, schoon door en door nat geworden zynde. Dus nam onze schipbreuk een einde. Na iets warms gebruikt te hebben, hingen wy onze hangmatten op, en sliepen in dezelve rondom een goed vuur, waar voor ik myne papieren liet droogen.

Des anderen daags morgens vervolgden wy onze reize, maar toen wy half weg gekomen waren, wierden wy tegengehouden door eenen zwaaren boom, die; om ver gevallen zynde, een dam in de kreek maakte, zoo dat het vaartuig nooit op of neder komen konde. Wy keerden naar de Plantagie Jacob te rug, en waren genoodzaakt, ons van daar naar de plaats van onze bestemming te voet te begeven, dwars door allerleije zoorten van struiken, distelen, doornen en heestergewassen, alwaar wy door nat, en geheel met bloed bedekt, aankwamen. Myne enklauw, die begon te geneezen, wierd andermaal tot op het been open gereeten: de veelvuldige doornen, die wy by elken tred ontmoetten, maakten dezelve weder byna geheel ontbloot.

Wy vernamen hier, dat ORLEIGH, één van de twee Officieren, welken ik, geduurende myn laatste verblyf op de Hoop, naar Maagdenberg ziek verzonden had, niet meer in leven was. Op die wyze vergingen byna allen de geenen, die de laatste maand op deezen eersten post hadden doorgebracht, van waar geen enkel soldaat gezond te rug kwam. Ik ben vastelyk overtuigt, dat hun onheil veröorzaakt wierd door de sterke hette van de drooge en brandende maand Juny, welke zy ondervonden, na in het midden van een moerassigen streek gegaan en geslapen te hebben, en na, geduurende het laatste regen-saisoen, aanhoudende stortregens op hun lichaam ontvangen te hebben. De sterkte van myn gestel deed my echter aan zoo veele gevaaren ontsnappen, en ik besloot, zoo mogelyk, myne gezondheid te bewaaren, al lachende en zingende, (God vergeeve my dit!) terwyl een groot aantal menschen rondom my zuchtten, steenden, en den geest gaven.

NEGENTIENDE HOOFTSTUK.

Optocht van het Krygsvolk naar Barbacoeba, aan de Rivier Cottica.—De Palmboom-kool, en de Mauricy.—Heete koorts.—Trek van dankbaarheid in eenen Engelschen Matroos.—Verscheiden soorten van Peper.—Citroen- en Limoen-boomen.—De Mammy-appel.—Pimpernooten.—Regeering in Surinamen.—Honden van Guiana.—Ongemeene trek van edelmoedigheid.

Het regen-saisoen op nieuws naderende, trok de Colonel FOURGEOUD, na uit zyne soldaten die geenen te hebben uitgekozen, die de gezondsten waren, en in 't geheel niet meer dan een getal van één honderd en tachtig bedroegen, in aantocht, op den 3den July 1779, naar Barbacoeba, aan de Rivier Cottica, eene plaats, welke hy tot eene algemeene verzamelplaats, alvoorens de muitelingen aan te tasten, bepaald had. Ik had de eer onder het getal der geenen, die vertrekken moesten, te behooren; maar den Heelmeester verklaard hebbende, dat ik gevaar liep myn voet kwyt te raaken, indien ik door de bosschen ging, ontfing ik bevel, om op Maagdenberg te blyven, met vermogen echter, om, indien ik binnen kort hersteld was, my by den Colonel te vervoegen, en, zoo goed ik konde, my naar Barbacoeba te begeven. Myn been was op dit oogenblik zoo ontstoken, en zoo zwart, uit hoofde van het dood vleesch, dat de Heelmeester van den Colonel KNOLLAERT, beducht was tot de afzetting te zullen moeten besluiten, en dat ik zonder zeer zwaare pyn niet recht op staan konde.—Ik zal 'er het lidteeken van dragen, zoo lang ik leeve.

Geduurende dit myn agterblyven, ontfing ik dagelyks van PHILANDER en andere Negers, welken ik altyd met zachtheid behandeld had, geschenken, waar onder een kookzel van kool van Berg-Palmboom gevonden werd. Onder alle zoorten van Palmboomen-kool is deeze de meest geachte. De boom, die dezelve voortbrengt, verheft zig zomtyds tot de hoogte van vyftig voeten. Zyn harde houtachtige stam, in zeer dicht op elkander volgende gelederen verdeeld, en van binnen vol merg, even als de vlierboom, heeft eene helder bruine kleur: deeze stam, die in evenredigheid van zyne hoogte dik is, loopt zeer recht, en eindigt puntsgewyze, even als de mast van een schip. In de hoogte word hy van eene donker groene kleur, veröorzaakt door de bekleedzelen, waar uit zig de takken vormen, die horizontaal uitloopen, even als de kroon van een ananas of van een pynappel. Deeze takken zyn van wederzyden bedekt met zwaare blaaden van drie voeten lang, van eene donker groene kleur, zeer puntig, maar gevouwen, verwardelyk geplaatst, en niet bevallig nederhangende, zoo als die van den Latanus- of Kokos-boom. Het zaad is besloten in eene zoort van bruine kelk of scheede, die uit het middenpunt der takken voortspruit, naar den grond nederhangt, en in kleine ronde nooten bestaat, die by elkander zittende, het voorkomen hebben van trossen rozynen, maar naar maate van haaren omvang zoo lang niet. Indien men de kool begeert, moet men den boom afhouwen. Dit geschied zynde, berooft men hem van zyne takken, en van het groen bekleedzel, het welk dezelve voortbrengt. Vervolgens neemt men het hart of de kool, die wit is, en twee of drie voeten lang, dik als de arm van een mensch, en rond als een cylinder van gepolyst yvoor. Zy bestaat uit ligte, langwerpige en witte bladeren, naar zyde linten gelykende, en gereed om het daar op volgend bekleedzel op te leveren, maar zoodanig in malkander gesloten, dat zy een vast en breekbaar lichaam vormen. Deeze vrucht, wanneer men ze raauw eet, heeft den smaak van een amandel, schoon nog teederer en lekkerder: wanneer zy gekookt is, heeft zy den smaak van bloemkool. Men plukt ook deeze lange en dunne bladen één voor één af, en maakt 'er eene uitmuntende salade van. Maar de kool der Palmboomen, het zy raauw, het zy gekookt, verwekt buikloop, wanneer men 'er te veel van eet. In derzelver holligheid, na dat alle de bladeren zyn weg genomen, legt een zwarte koren-worm zyne eieren, waar uit de palmboom-wormen voortkomen. De zachte zelfstandigheid, die nog in het hart van de kool overig is, dient, wanneer zy begint te verrotten, aan deezen worm tot voedzel. De kool van den Latanus-boom en andere zoorten van Palmboomen, word zoo groot niet, is minder zoet, en van eene verschillende gedaante van die, waar van ik zoo even sprak.

De Mauricy [11]is zekerlyk de grootste van alle Palmboomen, ja van alle andere boomen, die in de bosschen van Guiana groeien. Ik kan verzekeren, dat ik eenige boomen van dien naam gezien heb, wier toppen meer dan honderd voeten boven den grond scheenen verheven te zyn. Derzelver omvang was van tien of twaalf voeten aan het dikste van den stam, dat is, op een vierde van den boom van den wortel af gerekend; want van daar af vermindert hy, zoo wel naar beneden als naar om hoog, eene byzonderheid, die misschien aan alle andere Reizigers of Schryvers ontsnapt is. Hy heeft ook eene helder bruine of gryze kleur, en is tot de plaats, alwaar de takken beginnen, in gelederen verdeeld. Deeze takken neemen hunnen aanvang by den top des booms, en zyn lang, groen en boogswyze gekromd, bloot tot aan derzelver einde, waar uit lange en breede bladeren voortspruiten, zynde gevingerd, en van eene bleek groene kleur, zeer regelmatig op eene bolronde manier geschaard, en maakende een zoort van straalen, zoo als een ronde waijer van zig afgeeft. Naar maate dat de jonge takken zig uit het middenpunt naar den top verheffen, verwelken de oude, hangen naar den grond, en worden de speelbal der winden. Uit het midden der groene bladeren, trekken de Indianen lange vezelen of witte draaden, zoo als zy van de zyde-plant doen. Deeze vezelen zeer sterk zynde, maaken zy daar van netten om te visschen, koorden om hunne bogen te spannen, of zy laten ze zoodanig als zy zyn, om 'er zig tot andere gebruiken van te bedienen. Uit het middenpunt der takken koomt het zaad voort, het welk ook in de gedaante van lange risten uyen nedervalt. Ik heb verscheide afbeeldingen van deeze Palmboomen gezien; ik durf verzekeren, dat ze niet getrouw zyn, en volgens verbeelding of valsche beschryvingen uitgevoerd; maar ik staa 'er by het publiek voor in, dat de tans aan hun aangebodene afteekening naar de natuur en op de plaats zelve gemaakt is. Dezelve bevat den Berg-Palmboom, en den Mauricy, boomen, die door hunne takken en bladeren van elkander verschillen. Op de plaat, die ik den lezer aanbiede, beteekent de letter A den stam van den Berg-Palmboom; de letter B deszelfs takken, van den boom afgescheiden; en de letter C het zaad, of de kelk, die het zelve in zig bevat; de D geeft den stam van den Mauricy te kennen; de E één van deszelfs nederhangende takken; de F beteekent den Korenworm, die den Palmboom-worm voortbrengt; de G dien worm zelven, die zoo lekker, nog zoo vet niet is, dan die van de kool van den Berg-Palmboom. Geene andere gelegenheid hebbende om te vertoonen, op welke wyze de Indianen en de Negers op de boomen klimmen, heb ik op deeze Plaat, onder de letter H, één der laatstgemelden vertoond, die op een jongen Mauricy klautert. Geen van beiden doen dit door den stam van den boom met de armen en beenen te omvatten, maar door denzelven met de hand vast te houden, en 'er beurtelings den voet op te zetten. Zy gaan alzoo voort op eene wonderbaarlyke manier; en door dit middel scheurt hen de schors niet op; maar 'er is zeker veel behendigheid, oeffening en kragt noodig, om daar in wel te slagen.

Ik heb, zoo ik meen, breedvoerig genoeg gehandeld over deeze onderscheidene zoorten van Palmboomen, en ik gaa tans over, om het dagverhaal van onze krygs-verrigtingen te vervolgen.

Ik heb gezegd, dat alle de Officiers, en de meeste soldaten, die den post van de Hoop bezet hadden, gestorven of gevaarlyk ziek waren, en dat ik aan de besmetting ontsnapt was. Maar, helaas! het was tans myn beurt! ik had slechts een uitstel, en niets meer, want den 9den wierd ik door die zelfde heete koorts aangetast, die alle de anderen had in het graf gesleept, en waar aan myn Neger QUACO op dit oogenblik zeer ziek lag.

Den 14den, was ik genoodzaakt het bevel aan een ander Officier af te staan, en Maagdenberg te verlaten, om my naar Paramaribo te begeven, maar ik kon niet verder komen, dan Goet-Accord, alwaar men den 15den niets anders dan het oogenblik van mynen dood verwagtte. Tot dit uiterste gekomen zynde, vond eene oude Negerin middel, om my een weinig gekarnde melk, met garst en syroop van suiker gekookt, te doen gebruiken; dit was het eerste voedzel, het welk ik, na dat ik ziek geworden was, genuttigd had. Het deed my zekerlyk een zeer grooten dienst; en des anderen daags was ik in staat om vervoerd te kunnen worden. Myn kleine QUACO was ook veel beter.

Des avonds van den 16den, kwam ik te Fauconberg aan, alwaar ik een pakje met zeven of agt brieven van myne vrienden vond, gepaard met een geschenk van gezouten ossen-vleesch, en gedroogde tongen, Madéra-wyn, Engelsch bier, rhum, en twee kruiken heerlyk citroen-sap met suiker gemengd,en daarënboven een beste ham, en een fraaije jagthond, die beide my gezonden waren door CHARLES MACDONALD, den zelfden Engelschen matroos, met wien ik op de Hoop in vriendschap geraakt was; beide zyne geschenken kwamen uit Virginie. Dit blyk van erkentenis en edelmoedigheid van deezen braven jongen, beantwoordt volkomen aan het waar caracter van den Engelschen zeeman, en deed my groot vermaak. Onder het getal van myne brieven waren 'er twee, voor my van het grootst gewicht, de één was van den heer LUDEN van Amsterdam, en de ander van den heer DE GRAAF, zynen Bestuurder op Paramaribo. Zy verwittigden my, dat myne beminnelyke JOANNA en myn zoon ter myner beschikking waren, voor de somme van twee duizend gulden, die, met de bykomende onkosten, byna twee honderd ponden sterling zouden uitmaken, dog welke ik buiten staat was op dit oogenblik te kunnen betaalen. Ik was reeds eene andere somme van vyftig ponden sterling schuldig, welke ik geleend had, om den koopprys van mynen Neger QUACO te voldoen; myne JOANNA, wel is waar, was my van eene oneindig grootere waarde; en schoon men haar had gewaardeerd op het twintigste gedeelte van de geheele Plantagie, die voor niet meer dan veertig duizend guldens verkogt was, konde ik eene jeugdige vrouw, met zoo veele volmaaktheden begaafd, niet te duur koopen; maar men moest met dit al in staat zyn, om het te kunnen betaalen.

SALOMON heeft met reden gezegd, dat goede tydingen, uit ver afgelegene landen komende, voor de ziel dat geen zyn, het welk frisch water voor een zeer dorstig mensch is. De berichten, die ik in dit tydstip ontfing, deeden my in 't eerst herleven; maar eene nadere overweging overtuigde my wel dra, dat het my onmogelyk was, om my eene zoo groote somme aan te schaffen, en ik was ruim zoo ongelukkig als te vooren. Intusschen deelde ik alle de ontfangene geschenken onder de nabestaanden van JOANNA uit, uitgenomen echter den hond en de ham. Deeze goede lieden baden my aan; en geduurende alle de betuigingen van hunne liefde, riep ik uit: "Dat ik niet ryk genoeg ben, om hen allen vry te koopen!" Ik bevond my toen uittermaten zwak, niettemin oordeelde ik my in staat, om des anderen daags de Rivier af te zakken, tot aan de Plantagie Bergshoven, waar van de Bestuurder, de heer GOURLAY, de beleefdheid had, om my, in een gemakkelyk vaartuig met zes roei-riemen, naar Paramaribo te laten brengen; maar ik stortte wederom in, en ik kwam, des avonds van den 19den, in deeze Stad aan, zynde naauwlyks meer in leven. Ik had den voorigen nacht op eene Plantagie, Jalosy genaamd, doorgebragt, alwaar ik byna den geest gaf.

Ik kan de Rivier Commewyne niet verlaten, zonder den lezer eene afbeelding aan te bieden van een gezicht van Maagdenberg aan de Tempaty Kreek, en nog een van den post van Calais, by de Hoop, aan den mond van de Consavina-Kreek.

Te dier tyd eene goede huisvesting by den heer DELAMARE hebbende, en door de teederlievende JOANNA opgepast wordende, had ik ten minsten rust; en den 25sten, bevond ik my in staat, om voor de eerste keer uit te gaan, en by Mevrouw GODEFROY het middagmaal te gaan nemen. De tafel was by deeze vrouw van de gezondste spyzen, en de verfrissendste vruchten overvloediglyk voorzien. Onder de laatstgemelde, en de planten, die tot herstelling der gezondheid geschikt zyn, en welke dit Land voortbrengt, moet men verschillende zoorten van pepers en de limoenen rekenen. De eerste zyn de cica-peper, de lattaca, en de dago-pipy, zoo als de Negers dezelve noemen; want zy geven aan elke zaak eene benaming naar de overëenkomst, die tusschen dezelve en eenige andere zaak gevonden word. Deeze verschillende zoorten van peper zyn in Europa bekend onder den naam van peper van Caijenne, van piment, en van capsicum, of peper van Guinée. De naam van cica, of chiga, welken men in Surinamen aan de eerste geeft, koomt daar van daan, dat derzelver korrel gelykt naar het insect, chiga of chigoe genaamd, het welk ik beschreven heb. De andere heeft de gedaante van rotten-stronten. Deeze drie zoorten, gelyk ook alle andere, groeien aan heesters, die groen zyn, en niet zeer hoog opschieten. De peper, welke zy allen voortbrengen, is van de allerheetste, en trekt den mond by één; wanneer zy ryp is, heeft zy een scharlaken, of liever bloedkleur. De Europeanen eeten byna geene spyzen, welken zy niet met peper aanzetten: de Negers, en vooral de Indianen slokken ze met geheele greepen in, niet alleen om dat zy 'er ongemeen veel van houden, maar ook om dat zy dezelve als een uitmuntend geneesmiddel tegen een groot aantal kwalen beschouwen.

De limoenen groeijen aan een zeer schoonen boom, genaamd Limoen-boom, waar van de bladen en vruchten veel kleiner zyn, dan die van den citroen-boom, en de laatstgemelden van een veel schitterender geele kleur, dan de citroenen. Zy hebben ook een veel fyner schil, en zyn vol van een zuur sap, het lekkerste, dat ik ken, en waar van de geur alleraangenaamst is. Deeze vruchten zyn zeer nuttig voor de soldaten en matroozen, die ze in dit Land voor het opraapen kunnen krygen, zoo dat men hen niet zeldzaam hunnen ledigen tyd ziet doorbrengen, met dezelve in groote meenigte te verzamelen, om ze met manden vol naar het schip te voeren. Men ontmoet, door de geheele Volkplanting van Surinamen, heggen van Limoen-boomen; en by de Stad Paramaribo groeijen zy aan den weg. Het is zeer te bejammeren, dat men deeze limoenen niet naar Europa kan overvoeren; maar men voert vaatjes, met derzelver sap gevuld, derwaarts. De inwooners deezer Volkplanting leggen ze in suiker, en bewaaren ze in groote aarde kruiken.

Op het na-gerecht van deeze zelfde maaltyd, merkte ik, onder verscheide uitmuntende vruchten, een zoort van appel op, welken men alhier mammy noemt. Deeze groeit aan een boom van de gedaante van een oranje-boom, waar van de schors grys is, het hout witachtig en ruw, en het blad zeer dik, glad, driehoekig en zonder vezelen. Deeze vrucht, die byna rond is, en eenen omtrek van vyf of zes duimen maakt, is met eene harde en roest-kleurige schil bedekt; derzelver vleesch heeft de kleur van wortelen, en ook dezelfde vastheid. Het bevat twee groote nooten, waar van de amandelen bitter zyn; maar de vrucht heeft een uitmuntenden smaak: het is een mengzel van zuur en geurigheid, het welk alle andere in deeze Volkplanting overtreft. Men vindt in Surinamen ook tweederlei zoort van amandelen, gewoonlyk door de Negers pistaches en pinda genoemd. De eerste gelyken naar kleine kastanjes, en groeien als trossen aan den boom; de tweede worden voortgebracht door een heestergewas, en vormen zig onder den grond. [12] Beide zoorten van deeze amandelen zyn olyachtig en zoet; de laatstgemelde bevat 'er twee in eene schel; alle zyn zy aangenaam om raauw te eeten, maar nog beter, wanneer zy onder heeten asch gebraden worden.

Dewyl ik van vruchten spreek, is het hier, zoo ik meen, de plaats, om eene misslag van Mejuffrouw DE MERIAN aan te roeren, die verklaart, dat de druiven in Guiana gemeen zyn. Deeze misslag is des te sterker, dewyl men weet, dat de vruchten, die alleen in eene kleine dunne schel besloten zyn, als de druiven, [13] de kerssen, de aalbessen, de aardbeziën, de pruimen, de abrikosen, de persiken, en zelfs de appelen en peeren, de brandende hette van den zonne-keerkring niet verdragen kunnen.

My tans op nieuw te Paramaribo bevindende, is het, zoo ik meen, voegzaam, om het dieren- en planten-ryk voor eenigen tyd te verlaten, en den aandacht van den lezer op het regerings-bestuur van deeze schoone Bezitting te vestigen; een onderwerp, het welk hy misschien zedert lang verwagtte.

Ik heb reeds gezegd, dat twee derde der Surinaamsche Volkplanting tegenwoordig aan de Stad Amsterdam behooren, en dat de West-Indische Maatschappye eigenaar is van het laatste een derde gedeelte. Ik heb ook te kennen gegeven, dat de rechterlyke macht door onderscheidene Raaden van rechts-oeffening word uitgeoeffend. Ik zal dezelve dus tans in hunne orde aanwyzen, zoo als my dit door den Gouverneur, den heer NEPVEU, is mede gedeeld. De eerste is de Raad van Crimineele Justitie, en van Politie. Dezelve bestaat in het geheel uit dertien leden, wier ampten voor hun leven zyn. De Gouverneur, die 'er de Voorzitter van is, verkiest dezelven uit eene dubbele lyst, die hem door de inwooners word aangeboden. De Commandant, of de afgezonden Gouverneur, is eerste Raad. De bedienende Leden van dit Hof zyn derhalven;

De Gouverneur,
De Commandant,
Een Procureur-Fiscaal,
Een Secretaris,
Negen Raden.

De kennis van alle lyfstraffelyke zaaken behoort aan deezen Raad; maar de Gouverneur heeft het recht van schorssing der vonnissen, en zelfs om genade te bewyzen.

De Raad van Civiele Justitie bestaat ook uit dertien Leden, die door den eerstgemelden Raad verkooren, en alle vier jaaren vernieuwd worden. De Gouverneur is aldaar ook Voorzitter, en de bedienende Leden zyn:

De Gouverneur,
Een Procureur-Fiscaal,
Een Secretaris,
Tien Raden.

Deeze Raad neemt kennis van alle burgerlyke rechts-zaken, en zelfs van geringe beledigingen.

Na deezen koomt het Subalterne Collegie, of Kamer van kleine zaken, bestaande uit elf Leden, die al mede door den Gouverneur en het eerstgemelde Hof verkozen worden, en behalven den Secretaris, wiens ampt voor zyn leven is, insgelyks alle vier jaaren vernieuwd, en uit de laatst afgegaane Justitie-Raden genomen worden. De bedienende Leden van dit Collegie zyn derhalven:

Een Vice-President,
Een Secretaris,
Negen Raden.

Het zelve heeft het opper-toezicht over de openbaare gebouwen, over de straaten, over de laanen van oranje-boomen, over de grachten, enz. Het beoordeelt ook de twistgedingen beneden de twee honderd en vyftig guldens; alle geschillen over grootere sommen moeten voor het Hof van Civiele Justitie gebragt worden.

'Er is ook nog een ander Collegie, namelyk de Wees- en onbeheerde
Boedel-kamer. Het bestaat uit

Verscheiden Commissarissen,
Een Secretaris,
Een Boekhouder,
Een Thesaurier,
En eenen anderen gezworen Secretaris.
De bedienden der Finantie zyn:
De Ontfanger der in- en uitgaande rechten,
De Ontfanger der groote en kleine imposten,
De Ontfanger van het hoofd-geld.
De Ontfanger der renten.

Ik zal van de bedieningen deezer Amptenaaren meer opzettelyk spreken, wanneer ik de algemeene inkomsten deezer Volkplanting zal behandelen. Ik bepaale my tans tot het geen derzelver Regeerings-bestuur betreft. Ik heb reeds gezegd, dat de Gouverneur aan het hoofd der burgerlyke en der krygszaaken is; de andere openbaare amptenaaren zyn voornamelyk:

De Secretaris van zyne Excellentie, den Gouverneur,
Een Provoost, met het doen vervolgen der Negers belast,
De Commissarissen van de Magazynen der levensmiddelen,
Vier Opzichters over den uitvoer van de suiker,
Een Opzichter over de vaten melasse, of syroop van suiker,
Een Opzichter over alle de Noord—Americaansche schepen.
Twee Omroepers,
Twee Sergeanten of Boden van den Raad,
Twee Landmeeters,
Drie Meters van timmerhout,
Een Opzichter over het vee, enz.
Een Opzichter over de maaten en gewichten,
Drie Hollandsche Predikanten,
Een Fransch Priester,

Een Lutersch Predikant,
Drie Meesters van openbaare Schoolen, enz.

De krygsmacht bestaat uit elf Compagniën. Elk van dezelve heeft tot Officiers, een Capitain, een Lieutenant, een Ouder-Lieutenant, een Vaandrig, een Secretaris, en een Kassier. De Capitains zyn doorgaans gezworen Priseerders by het verkoopen der Plantagiën, aan de verschillende Rivieren in hunne wyk gelegen.

Zie daar, welke de voornaamste amptenaaren van het bestuur in de Volkplanting van Surinamen zyn. Dit bestuur zoude niet kwaad zyn, indien het niet door eene snoode gierigheid besmet wierd, tot groot nadeel van deeze schoone Bezitting in 't algemeen, en van derzelver inwooners in 't byzonder. Deeze Volkplanting, wel bestuurd wordende, zoude een hof van Eden zyn, niet alleen voor de Europeaanen, maar zelfs voor de slaven. Het zoude niet moeielyk zyn verbeteringen op te geven, noch ook dezelve uit te voeren. Ik zal by eene andere gelegenheid de aanmerkingen mededeelen, welken ik ten deezen opzigte gemaakt heb; en ik twyfele geenzints, of een weinig oplettenheid op een enkel punt, zal de gelukkigste uitwerkingen voortbrengen. En kan ik dan al, even gelyk de Samaritaan, geen balsem op alle wonden gieten, ik zal ten minsten het geneesmiddel kunnen aanwyzen, het welk, op eene gepaste wyze gebezigd wordende, de kwaaien van een groot getal lieden geneezen zoude.

Ik heb de onaangenaame taak ondernomen, om te bewyzen, hoe deeze Volkplanting, door bloeddorstige en gewelddadige middelen, zig zoo dikwils op den oever van haaren ondergang gezien heeft. Hoe roemryker zoude het zyn voor hun, die 'er de magt toe in handen hebben, om niet alleen haar te redden, maar ook met haar, veele fraaie Volkplantingen in de West-Indiën! zy zouden dit doen door middel der beöeffening van eene uitdeelende en algemeene gerechtigheid, en door het geven van een loffelyk voorbeeld van goedwilligheid en menschelykheid.

Ik kan van de verhandeling van het staatkundig bestuur in Surinamen niet afstappen, zonder het afschryven van deszelfs zinspreuk, die met de daaden zoo weinig overëenkomstig is. Zy is deeze: "Justitia, pietas, fides." De wapens zyn in drie deden verdeeld, bevattende, zoo ik meen die van 't Huis van Sommelsdyk, van de West-Indische Maatschappye, en van de Stad Amsterdam: zy worden gedragen door twee klimmende leeuwen, en dienen om het papieren geld te zegelen, enz.—Maar laat ik myn verhaal vervolgen.

Den 30sten, ontmoette ik dien goeden matroos, CHARLES MACDONALD, en dewyl ik dertig kruiken Jamaicasche rhum gekocht had, gaf ik 'er hem eenige van, om hem het geschenk van een ham en van een hond te vergelden; ik voegde 'er een schulp van paerel d'amour by, met zilver beslagen, welke ik hem verzogt tot eene gedachtenis te bewaren. Deeze brave jongen ging des anderen daags weder naar Virginie scheep, aan boord van de Peggy, waar van Capitain was LOUIS, die my beloofde hem tot zynen Stuurman te zullen bevorderen.

De hond, waar van ik zoo even sprak, herïnnert my twee aanmerkingen, welke ik in Guiana omtrent dit zoort van dieren gemaakt heb. De eerste is, dat zy aldaar het vermogen of de hebbelykheid van blaffen verliezen: het is zelfs eene zeer bekende zaak, dat de honden, die aldaar geboren zyn, nooit geblaft hebben. De tweede is, dat zy aldaar nooit door de watervrees worden aangetast, ik herïnner my ten minsten niet een enkelen dollen hond in deeze Volkplanting gezien te hebben, noch 'er van te hebben hooren spreken; deeze laatste byzonderheid is des te opmerkelyker, om dat deeze verschrikkelyke ziekte, in andere Landstreeken, doorgaans word toegeschreven aan de drukkende hette van de honds-dagen, het geen die benaming genoegzaam aanduidt. De Indianen, of inboorlingen van Guiana, hebben allen honden, waar van zy zig tot de jagt bedienen. Deeze dieren zyn mager en klein, zy hebben kort hair van eene vuile witte kleur, een langwerpigen snoet, en recht op staande ooren; zy zyn zeer bekwaam om het wildt op te spooren; maar zy hebben alle de gebreken van de kleine jagthondjens. Ik moet niet vergeten op te merken, dat, schoon de Americaansche honden niet blaffen, zy niettemin een zeer sterk geknor doen hooren. De myne, die, zoo als ik gezegd heb, uit Virginie kwam, was in dit stuk zoo lastig, dat één van myne buuren hem, na verloop van veertien dagen, dat hy by my was, met een snaphaan dood schoot.

Byna op deezen zelfden tyd, kwamen verscheide huisgezinnen van Americaansche vluchtelingen te Paramaribo aan, die verjaagd waren door den oorlog, welke tusschen myn geboorteland en deszelfs Volkplantingen ontstaan was; ik was in de daad over hun lot aangedaan, en ik moet verklaaren, dat niemand ooit meer vriendschap aan een Engelschman betoonde, dan zy my by een groot aantal gelegenheden bewezen.

Den 3den Augustus, wanneer de heer DE GRAAF, die alles met den heer LOLKENS op de Plantagie Fauconberg regelde, in de stad te rug kwam, dacht ik, dat het voegzaam was, om zelf met hem eene schikking te maken, en hem voor te stellen van my een handschrift aan te nemen, tot dat ik de somme dadelyk betaald zoude hebben, waar voor men toestond JOANNA, en mynen zoon aan my te verkoopen, eene somme, die ik bereid was op myne verteeringen uit te spaaren, door, indien het mogelyk was, alleen van brood, zout en water te leven; en zelfs, in weerwil van deeze ongemeene soberheid, had ik twee of drie jaaren noodig, om dezelve by één te halen. De Voorzienigheid liet my niet in deeze verlegenheid; zy zond ter myner hulp die uitmuntende vrouw, Mevrouw GODEFROY, die zoo dra niet onderricht was van de smartelyke gesteldheid, waar in ik my bevond, of zy noodigde my by haar ten eeten, en na den maaltyd, sprak zy my in deezer voegen aan:

"Ik weet, myn lieve STEDMAN, welke uwe gevoelens zyn, en dat het voor een Officier volmaakt onmogelyk is, zoodanig ontwerp, als het uwe, met zyne inkomsten uit te voeren; maar begryp, dat men, zelfs in Surinamen, in zyne vrienden eenige deugd kan ontmoeten: uwe blakende liefde voor deeze jonge vrouw, die dezelve zoo waardig is, en voor uwen zoon, moet, ten spyt van dwaasheid en onverstand, u de achting van alle weldenkende lieden doen verwerven. Ik ben over uwe handelwyze in deeze zaak dermaten getroffen, dat ik my zelve zoude te beschuldigen hebben, indien ik u in de volvoering van zulke loffelyke oogmerken niet behulpzaam was; staa my derhalven toe, om in uw geluk, en in dat van de deugdzaame JOANNA, en haaren zoon, deel te nemen, door u te verzoeken, eene somme van twee duizend guldens, of zelfs eene grootere somme, zoo gy die benoodigd hebt, aan te neemen. Zie daar dit geld, STEDMAN; ontruk daarmede de onschuld, de deugd, de schoonheid, aan de dwinglandye, aan de onderdrukking, en aan de verguizing".

Deeze achtenswaardige vrouw, ziende dat ik haar aankeek, in een staat van volmaakte verstomming, en als of ik het vermogen van spreken verloren had, vervolgde haar gesprek, met eene aanbiddelyke goedheid:

"Laat uwe kieschheid, myn lieve vriend, zig niet ontrusten, noch over deeze zaak bekommeren. Soldaten en zeelieden moeten geene groote plichtplegingen maken. Alles wat ik van u vorder, bestaat hier in, dat gy van dat alles geen enkel woord spreekt".—Zoo dra ik weder in staat was om te spreeken, antwoordde ik haar: "Dat myne geheele verlegenheid daar in bestond, op welke gepaste wyze ik aan haar betuigen zoude, hoe zeer ik van haare edelmoedige goedheid doordrongen was." Ik voegde 'er by: "Dat JOANNA, die my zoo dikwerf het leven had doen behouden, zekerlyk myne onöphoudelyke liefde verdiende, maar dat myne dankbaarheid niet minder duurzaam zyn zoude omtrent iemand, die my in de mogelykheid stelde, om eene jonge vrouw van zulke groote verdiensten van de slavernye vry te koopen;" en ik eindigde, met aan deeze Mevrouw te kennen te geven; "Dat ik voor het tegenwoordige niet het minste gedeelte van die somme zoude aanraken, maar dat ik des anderen daags de eer zoude hebben haar wederom te zien;" en oogenblikkelyk vertrok ik.

Ik was zoo dra niet t'huis gekomen, of ik verhaalde JOANNA, het geen 'er was voorgevallen. Zy smolt dadelyk in traanen weg, en riep uit: "Gado sa bresse da woma! God zegene deeze vrouw." Zy hield aan, dat ik haar aan Mevrouw GODEFROY verpanden zoude, tot dat de geheele somme aan dezelve zoude zyn te rug gegeven. JOANNA verlangde wel vuuriglyk, om haaren zoon vry te zien; maar zonder de voorwaarde, door haar opgegeven, weigerde zy volstrektelyk de vryheid voor haar zelve aan te neemen. Ik zal geen tafereel pogen te schetsen van den stryd, dien ik tusschen liefde en plicht moest doorstaan; ik zal my bepaalen met te zeggen, dat ik het verlangen van dit beminnelyk schepzel, wier gevoelens my meer en meer bekoorden, inwilligde. Ik verklaarde derhalven by geschrift, en overëenkomstig haare toestemming, dat JOANNA, van dien dag af aan, aan Mevrouw GODEFROY toebehoorde, tot dat ik haar de geheele somme, welke zy my geleend had, betaald zoude hebben; en des anderen daags bragt ik haar, met toestemming haarer nabestaanden [14] by deeze Mevrouw, alwaar zy zig voor haare voeten werpende, haar het geschrift ter hand stelde. Maar de onvergelykelyke Mevrouw GODEFROY had het zelve zoo dra niet doorloopen, of zy riep uit: "Laat dit alzoo geschieden! koom, myne JOANNA, ik neem u, niet voor myne slavin, maar tot myn gezelschap. Ik zal voor u eene wooning in myne orangerie doen bouwen; myne slaven zullen u aldaar dienen, tot dat de Voorzienigheid over my beschikt; dan zult gy u volmaakt vry zien, zoo als gy in de daad zyn zult op het oogenblik, dat gy uwe vryheid begeert, als welke gy, zoo door uw goed gedrag, als van wegen uwe afkomst, [15] ontwyffelbaar verdient." Op deeze voorwaarden ontfing ik den 9den het geld, en ik bragt het den zelfden dag in myn hoed aan den heer DE GRAAF. Het zelve op zyne tafel hebbende nedergelegd, verzogt ik hem eene behoorlyke quitantie; en JOANNA was niet meer afhangelyk van de elendige Plantagie Fauconberg, maar alleen van de bescherming der eerbiedwaardigste vrouw, die in de Hollandsche bezittingen, ja misschien in de geheele weereld, gevonden word. Zy bedankte my met eenen oogwenk, welke geen Engel zelfs met een bekoorlyker indruk konde toevoegen.

De heer DE GRAAF, het geld hebbende nageteld, zeide my: "Myn lieve STEDMAN, van deeze somme komen my, als bestuurder der Plantagie, twee honderd guldens. Gedoog, dat ik dezelve niet aanneeme, en alzoo in deeze gelukkige gebeurtenis deele. Ik zal my volkomen betaald oordeelen door het genoegen, van tot het geluk van twee lieden, die zoo veel achting verdienen, te hebben mogen medewerken."

Na deezen belangloozen vriend bedankt, en hem vriendschappelyk de hand gedrukt te hebben, bragt ik oogenblikkelyk de twee honderd guldens aan Mevrouw GODEFROY te rug, en wy waren allen gelukkig.

De menschlievenheid van deeze vrouw bepaalde zig toen niet tot den dienst, dien zy ons deed, want, de deerniswaardige gesteldheid der zieken op Maagdenberg vernomen hebbende, zond zy hun ten geschenke een vaartuig, beladen met vruchten, groenten, en allerleie zoorten van ververschingen.

Den 7den Augustus, schreef ik aan den heer LUDEN, om hem van deeze schikking kennis te geven, en hem te bedanken, dat hy van het gewichtigste gedeelte van zynen eigendom wel hadde willen afstand doen. Myne enklauw op dit oogenblik byna genezen zynde, schreef ik ook aan den Colonel, dat ik de eer zoude hebben, my binnen eenige dagen by hem te vervoegen. Ik zond deezen brief naar Barbacoeba, want hy bevond zig aldaar; steeds, terwyl de onverschrokken Capitain STOELEMAN, met eenige Neger-Jagers de bosschen van eenen anderen kant doorkruistte: dien zelfden dag had hy vier der oproerige Negers naar Paramaribo gezonden. [16]

Den 10den, volmaakt hersteld zynde, en my gereed bevindende om in de bosschen te trekken, nam ik afscheid van myne vrienden, en van myn klein huisgezin, het welk ik by den heer DELAMARE liet, die 'er my om verzogt. Ik vertrok dus wel gemoed in een overdekt vaartuig, om mynen vyfden veldtocht te beginnen, en in de hoop van den Colonel FOURGEOUD te vergezellen. Hy verëenigde alle zyne kragten, en maakte de noodige toebereidzels, om binnen eenige dagen den vyand te gemoet te trekken.

Den 14den, kwam ik te Barbacoeba, aan het bovenste gedeelte van de Cottica; de zelfde plaats, waar ik my bevond, toen ik den slang Aboma doodde. Ik vond aldaar den Bevelhebber, die my zeer vriendelyk ontfing, en gereed stond om des anderen daags te vertrekken. Nooit zag ik de soldaten zoo bemoedigd, noch zoo stipt den dienst waarnemende. Zy wierden door verschillende beweegredenen aangezet: de één, door het vermaak om te vechten; de ander door een geest van wraakzucht tegen de muitelingen; zommigen, die de bedaardsten waren, door de hoop van deezen oorlog te zien eindigen; anderen eindelyk hadden verdriet in een leven, dat door een gestrengen dienst en door ziekten beurtelings wierd afgewisseld, en verlangden, om een roemryk einde aan hunne elende te maken; want 'er is geen ongelukkiger leven, dan dat van een soldaat of matroos, die aan vochtigheid, of aan de hette van eene brandende zon, in het midden van eindelooze bosschen, onder den zonne-keerkring gelegen, by aanhoudenheid is blootgesteld.

EINDE VAN HET TWEEDE DEEL.