De Plantagie de Hoop, alwaar ik tans het bevel over het krygsvolk op my nam, is eene uitmuntende Suiker-Plantagie, gelegen aan den linker oever van de Commewyne, aan den mond van eene kleine beek, genaamd Bottle-Kreek, en byna tegen over eene andere, Cassivinica genaamd. De Bottle-Kreek heeft gemeenschap met de Commewyne en de Peréca, zoo als de Wana-Kreek heeft met de Cormoetibo-Kreek en de Rivier Maroni.
Het krygsvolk was alhier gehuisvest in barakken, van Latanus-boomen hout gemaakt; maar men had dezelve op eenen zoo moerassigen en laagen grond geplaatst, dat zy by den vloed geheel onder water stonden. De Officiers waren allen in een gebouw van denzelfden aart opgesloten; en ondertusschen wierd het fraaije huis van den Planter, het welk voor hun zeer gemakkelyk en gezond geweest zoude zyn, door niemand dan door den Opzigter der Plantagie bewoond.
Een kanon-schoot verder, als men de Rivier opvaart, ligt de Plantagie Klarenbeek alwaar ik, den 22sten, naar toe ging, om den staat van het Hospitaal te onderzoeken. Het volk had het op deezen post veel aangenamer, dan op de Hoop, uit hoofde van eene onbegrypelyke meenigte rotten, waar door dezelve geplaagd wierd: zy doorknaagden de kleederen der soldaaten, en hunne levensmiddelen, en des nachts liepen zy met dozynen over het aangezicht. Het eenig middel om dit verschrikkelyk ongemak te keer te gaan, bestond in het booren van gaaten in den bodem van flessen, en de koorden der hangmatten, zoo aan de voeten als aan het hoofd-einde, daar door te steken. Wanneer dit werk wel verrigt wierd, belette de gladheid van de fles deeze dieren, om by het doek te komen.
De meenigte van zieken, die in het Hospitaal van Klarenbeek op één gestapeld waren, maakte eene elendige vertooning. De menschelykheid word op het gezicht van zulke treurtoneelen dermaten getroffen, dat ik my zeer gelukkig rekende, toen ik op de Plantagie de Hoop was te rug gekeerd. Myn last was hier dezelfde, als aan de Cottica, namelyk, dat ik de Plantagiën tegen den aanval des vyands moest beschermen; en het order-woord wierd my regelmatig door den Colonel FOURGEOUD toegezonden. Een der Neger-Capitains uit de Volkplanting de Berbices, genaamd ACKERAW, ontdekte op deeze Plantagie eenen ouden afgeleefden slaaf, dien hy voor zynen vader herkende; hy omhelsde hem met de levendigste teederheid, en dit toneel van dankbaare erkentenis was één der belangrykste. In myne wandelingen rondom deezen post, had ik gelegenheid, om verscheiden merkwaardige vogelen te ontdekken, welken ik tans beschryven zal.
De quise-quidi, dus genoemd, uit hoofde van zynen zang, heeft ten naasten by de grootte van een leeuwrik. Zyne pluimaadje is bruin, uitgenomen aan de borst en den buik, alwaar hy eene fraaije geele kleur heeft. Deeze vogel doet veel schade aan de Plantagiën. De wilde duiven zyn hier zeer gemeen; ik doodde eene zeer groote, veel gelykende naar die, welke men de Jamaicasche duif met een gekrulde staart noemt. De rug en de zyden waaren aschkleurig, de staart loodkleurig, de buik wit, en het voorste van den hals van een purper-kleur met een groene weerschyn, de oogbal en de pooten rood. Ik zag op deeze plaats ook andere duiven van een klein zoort, die by paaren loopen. Zy hebben ten naasten by de grootte van een Engelsche musch, en een helderder kleur; ik nam ze voor de Picui-nima van Markgraaf; zy hebben schitterende oogen, met een geele oogbol, en over 't geheel zyn deeze diertjes zeer aartig. De Hollanders noemen dezelve Steenduifje, om dat men ze dikwils op rotzige en zandige plaatsen vindt. Men ziet ook tortelduiven in Guiana, maar zeldzaam by Plantagiën. Zy leven met vermaak in het binnenste der somberste bosschen; zy maken hunne nesten op de boomen, in het midden van het dikste lommer; ik heb 'er met de hand aangevat, zonder dat zy pogingen deeden om weg te vliegen; in kleur verschillen zy weinig van de Europeesche; maar hunne grootte is minder, en hunne vlerken hebben eene grootere uitgebreidheid, dan die van alle andere tortelduiven of duiven.
Ik was over mynen staat steeds zeer te vreden. Ik koude vryelyk adem haalen, en had het vooruitzigt, om myne geledene vermoeienissen en hartzeeren vergoed te zien. Men eerbiedigde my, als den Oppervorst der Rivier: de nabuurige Planters beweezen my alle vriendelykheid, zonden my wildt, visch, groenten en vruchten ten geschenke; ik kende my naauwlyks voor het zelfde mensch, en byna alle myne wenschen waren voldaan.
Op zekeren dag, den 5den Maart, geduurende myn verblyf alhier, wierd ik verrast, door op een schuit, die de Rivier opvoer, met een witte neusdoek te zien waaijen; het was myne geliefde JOANNA, door haare moeije vergezeld, die deeze beweging maakte. In plaats van in de Stad te blyven, verkoos zy tans liever naar Fauconberg te gaan, slechts vier mylen van de Plantagie de Hoop af liggende: ik vergezelde haar dadelyk tot aan deeze Plantagie.
Ik vond aldaar een ouden slaaf, dien JOANNA my zeide haar grootvader te zyn, en die my zes stuks gevogelte ten geschenke gaf. Deeze oude man had gryze hairen, en konde niet meer zien; maar zyne talryke afkomelingen onderhielden hem ordentelyk: hy verhaalde my, dat hy in Africa geboren was, alwaar hy in meerder aanzien was geweest, dan zyne meesters immer in Suriname waren.
Misschien zal de lezer het vreemd vinden, dat ik zoo dikwils spreeke van eene Slavin, en dat ik voor haar zoo veel achting betoone; maar ik kan met geene onverschilligheid spreken van eene vrouw, die de teedere liefde van elk gevoelig mensch waardig is, en wier genegenheid my tot een tegenwicht in alle myne onheilen verstrekte: haare deugd, haare jonkheid, haare schoonheid deeden haar meer en meer myne achting winnen: het ongeluk van haare geboorte en staat, wel verre van myne genegenheid te verminderen, dienden, integendeel, om dezelve te doen aanwassen.
Den 6den Maart, kwam ik op de Hoop te rug, beladen met geschenken van gevogelte, aubergines, koolspruiten, agoma, en eenige Surinaamsche kerssen. De aubergine is een soort van vrucht, hebbende de gedaante van een komkommer, eene purper-kleur van buiten, en wit van binnen; men snydt dezelve in schyven, en eet ze als salade; zomtyds laat men ze koken; zy is zeer goed en zeer gezond. De bladen van den boom, die deeze vrucht voortbrengt, zyn breed, groen, en met een purperverwig dons bedekt. De agoma is een kruid, dat eenigzints bitter is. De koolspruiten zyn dezelfde als in Europa, maar vry zeldzaam. De kerssen zyn zeer zuur; ten minsten, indien ze niet volkomen ryp zyn, deugen ze niet, dan om in suiker in te leggen.
Den 8sten, den geboorte-dag van den Prins van Oranje, noodigde ik verscheiden lieden, om dien dag met my te vieren. De Colonel FOURGEOUD hield zig al dien tyd bezig met de bosschen te doorkruissen: maar zyne krygsverrigtingen hadden geen ander gevolg, dan den dood van eenigen zyner soldaten, die door de Negers vermoord wierden; het verlies van eenige anderen, die in de bosschen verdwaalden; en de vlucht van CUPIDO, die in weerwil van alle zyne ketenen ontsnapte. Van twee mannen, welken de Colonel my in 't Hospitaal te Klarenbeek zond, was de één door de muitelingen op eene afgryzelyke wyze verminkt geworden.
Den 17den, ontfing ik van zekeren heer ONIS een reebok ten geschenke; en denzelfden dag bragt één der slaven my een hagedis, genaamd Sapagala, zynde van een minder groot zoort, en minder aangenaam van smaak, dan de Iguan, welken de Indianen den naam van waya-maca geven: ik at 'er niet van, en gaf dit dier aan den Opzichter der Plantagie. Op 't wildt onthaalde ik myne Officiers.
'Er zyn in Surinamen twee zoorten van harten. Het hart, dat men aldaar bajew noemt, heeft ten naasten by de gedaante van een Engelschen reebok. Hy heeft de hoornen niet zeer lang en gebogen, de oogen levendig en vol vuur, en een korte staart; zyn hair is van een bruinachtig roode kleur, uitgenomen onder den buik, die wit is. Dit dier, wanneer men het vervolgt, loopt met een verwonderlyke kragt en vaardigheid: men vindt hem dikwils in de nabyheid der Plantagiën, alwaar hy aan het suiker-riet groote schade toebrengt; de Planters hebben zelfs Neger-Jagers of Indianen, om hem te vervolgen en te dooden. De jacht kan in dit Land, uit hoofde van de dikte der bosschen, voor een Europeaan geen vermaak opleveren. Zomtyds vangt men het hart levend, wanneer hy een Rivier overzwemt; het geen hy dikwils doet, het zy om zynen dorst te lesschen, het zy om zynen vyand te ontvluchten. Zyn vleesch is noch sappig, noch vet, noch malsch, en is van weinig waarde, in vergelyking van het vleesch der Europeesche harten, hoe zeer het by de inwooners van Surinamen in groote achting is. Het ander zoort van harten word bouzi-cabritta door de Negers, en wirre-bocerra door de Indianen genoemd. Hy is kleinder en ligter in 't loopen dan die van het eerste zoort; zyne huid heeft een geel-achtig bruine kleur, en kleine witte vlakken; zyne oogen zyn levendig, en zyn gezicht doordringend; hy heeft naauwe en korte ooren; hy heeft geene takken aan de hoornen; zyne ledematen zyn klein, maar sterk gespierd; zyn vleesch is lekkerder dan van eenig ander wildt, het welk ik in dit Land geproefd heb.
Den 21sten, aan den heer en mevrouw LOLKENS, op Fauconberg, een bezoek hebbende gaan geven, gingen wy in de nabuurschap eene steenbakkery zien, genaamd Appe-cappe, en aan den Gouverneur NEPVEU toebehoorende: men werkte aldaar zoo schielyk en zoo wel als in Europa. Zulk een trafiek brengt groote voordeelen op, want van dit zoort zyn ze in deeze Volkplanting zeldzaam. Ik spreek hier van egter alleenlyk, om in 't algemeen de groote voordeelen van dit Land te bewyzen, alwaar men het hout voor niet heeft: 'er is in dit geval niets dan vlyt noodig. De Plantagie Fauconberg was zoo besmet met insecten, die men monpeiras noemt, dat ik zeer te vreden was met afscheid van myne vrienden te nemen, en naar de Hoop te rug te keeren. De monpeiras zyn muggen van het kleinste zoort, maar in het steken zoo kwaadaartig, als de grootste muggen. Zy vliegen in zulk een groot aantal, en in zulke dikke zwermen, dat wanneer ze in diervoegen by elkander zyn, men dezelve voor een wolk van zwarten rook zoude aanzien. Zy zyn zoo klein, dat ze verscheiden te gelyk in de oogen vliegen, van waar men ze niet zonder pyn en gevaar kan doen verhuizen.
Ik leide alle myne bezoeken te water af; want ik had een fraay vaartuig tot myne beschikking, met zes Negers tot roeiers, die ook voor my jaagden en vischten: om kort te gaan, ik was zoo gelukkig en zoo wel gezien op deezen post, dat ik my byna verbonden zoude hebben, om van staat niet te veranderen.
DERTIENDE HOOFTSTUK.
Beschryving van eene Suiker-Plantagie.—Huisselyk geluk in zekere hut.—Krygs-verrigtingen van den Generaal FOURGEOUD.—De Duncane, Igname en Soubacou.—Wreedheden van zommige Opzigters der Plantagiën.—Onderscheidene zoorten van visschen.—Misnoegen van eenen Capitain der muitelingen.
Ik heb gezegd, dat ik op de Hoop het gelukkigst leven leidde. Myn geluk duurde nog, toen de heer en mevrouw LOLKENS, my een bezoek hebbende komen geven, my in de gelegenheid stelden, om my te kunnen vervoegen aan de heeren PASSELAIGE, vader en zoon, te Amsterdam, die de nieuwe eigenaars van myne JOANNA waaren. Zy noodigden my bovendien, om haar op de Hoop te laten komen, alwaar het verblyf haar aangenaamer zoude zyn, dan op Fauconberg, of te Paramaribo: men kan denken, of ik ook gaarne daar in toestemde; en aanstonds gaf ik aan de slaven last, om eene wooning van Latanusboomen-hout te maken, ten einde haar daar in te ontfangen.
Te gelyker tyd schreef ik den volgenden brief aan de heeren PASSELAIGE, vader en zoon:
"MYNE HEEREN!
Ik heb van den heer LOLKENS, Bestuurder der Plantagie Fauconberg, vernomen, dat gylieden daar van tans eigenaars zyt. Groote verpligtingen hebbende aan eene uwer Mulatte Slavinnen, de dogter van wylen den heer KRUYTHOFF, genaamd JOANNA, die my in myne ziekte heeft opgepast, wilde ik haar myne dankbaarheid betuigen, door van ulieden, myne Heeren! haare vryheid onverwyld te koopen. Verwaardig u my den prys op te geven; dezelve zal u op het oogenblik betaald worden; en gy zult verpligten,
MYNE HEEREN!
UEd. onderdanigsten en gehoorzaamsten Dienaar,
JOHN GABRIËL STEDMAN,
Capitain in de Zee-krygsbende van den Colonel FOURGEOUD."
Deeze brief ging vergezeld van eene andere van den heer LOLKENS; en deeze waarde vriend vleide my met den goeden uitslag.
Deeze beide brieven naar Holland hebbende afgezonden, had ik tyd en gelegenheid, om eene Suiker-Plantagie in alle derzelver byzonderheden te onderzoeken; ik zal trachten daar van eene naauwkeurige beschryving te geven.
De gebouwen bestaan doorgaans in een fraay huis voor den eigenaar, in twee andere voor den opzigter en boekhouder, in eene wooning voor den timmerman, in keukens, in bergplaatsen, en in stallingen, indien de Suikermolen door paarden of muilëzels gedraait word, want op de Plantagie de Hoop bedient men 'er zig niet van; het water brengt aldaar de raden in beweging; de vloed stort het water in de huizen, door middel van sluizen, welke men by laag water open zet; en dit water, als eene beek nederstortende, brengt het geheele werktuig in beweging. Het bouwen van een Suikermolen kost gewoonlyk vier duizend, en dikwils zeven of agt duizend ponden sterling.
Het zoude misschien verveelend zyn, zulk een werktuig stuk voor stuk te beschryven; ik zal alleen opmerken, dat het groote rad zig lynrecht beweegt, en met een ander mede zeer breed rad, het welk horizontaal geplaatst is, gemeenschap heeft; het laatstgemelde slaat op drie yzere stampers, die van onderen door een zwaren balk ondersteund worden, en zoo zeer op elkander sluiten, dat zy alles, wat 'er tusschen beiden koomt, zoo dun maken, als een blad papier. Op die wyze word het suikerriet gebroken, om het sap of vocht van den bast af te scheiden,
De andere molens zyn volgens de zelfde grondbeginzels gebouwd; en om het horizontaal rad in werking te brengen, doet men een grooten hefboom door paarden of muilezels draaijen. Zoo al de watermolen sterker werkt, en minder kostbaar is, moet men ook den vloed afwagten, en hy kan niet meer dan een gedeelte van den dag gaan. De molen, die door paarden bewogen word, kan integendeel ten allen tyde maalen, naar het goedvinden van den eigenaar.—By den molen is een werkplaats, van steen gebouwd, alwaar groote kopere ketels zyn, waar in men de natte suiker laat koken; gewoonlyk zyn 'er vyf. Daar tegen over zyn koelbakken: deeze zyn groote vierkante houte kuipen met een platten bodem, waar in men de suiker giet, wanneer ze uit de ketel koomt, om daar in te koelen, eer men ze in de vaten stort: deeze vaten staan, by de koelbakken, op zwaare uitgeholde balken, die de syroop, wanneer ze van de suiker afloopt, opvangen, en door buizen in een vierkante van onderen gegraven bak brengen. De werkplaats tot de overhaaling {destillatie) is 'er dicht by; men trekt aldaar van de schuim van het vocht een zoort van rhum, waar van ik hierboven onder den naam van kill-devil gesproken heb. Elke Planter, in Surinamen, heeft altyd ter zyner beschikking een open vaartuig, en verscheide andere schuiten, om zyne waaren daar mede te vervoeren: hy heeft ook een bergplaats, om dezelve te laren droogen.
De uitgestrektheid der Suiker-Plantagiën, in deeze Volkplanting, is gewoonlyk van vyf of zes honderd akkers. De gedeelten, tot bebouwing geschikt, zyn in vierkante vakken verdeeld, alwaar men de stekken of uitspruitzels van het riet, aan welke men omtrent een voet lengte laat, in rechte en gelyke reijen, schuins in den grond steekt: men plant dezelve gewoonlyk in het regensaisoen, wanneer de grond vochtig en week is. Het duurt omtrent twaalf of zestien maanden, eer de spruiten, die uit de stekken uitbotten, tot haare volkomene rypheid geraken; wanneer zy daar toe gekomen zyn, worden ze geel, en haare grootte is ten naasten by die van een Duitsche fluit. Het Suikerriet groeit zes of tien voeten hoog: uit deszelfs afzetzels spruiten bladeren van een ligt groene kleur, hebbende de gedaante van die van een pry, maar veel langer en getand, en vallende op den grond af, wanneer de plant goed is om gesneden te worden. De voornaame zorg der slaven, geduurende dat het riet groeit, bestaat in het uitwieden van het onkruid, het welk anderzints de plant van haare kragt berooven zoude. Men telt op zommige Suiker-Plantagiën meer dan vier honderd slaven. De geldsommen, die 'er noodig zyn om dezelve te koopen, en de gebouwen te stichten, beloopen twintig à vier-en-twintig duizend ponden sterling, zonder de waarde van den grond 'er eens by te rekenen.
Laaten wy tans zien, wat 'er van het riet geduurende de werking van den molen word: het word aldaar tusschen de drie stampers, door welke het twee malen doorgaat, gebroken. Vervolgens loopt het vocht door eene groeve, die in een balk gemaakt is, tot in de werkplaats, alwaar men het zelve laat koken, en in een zoort van houten bak ontfangt.
De arbeid der Negers, die aan de stampers werken, is zoo gevaarlyk, dat wanneer één van hunne vingers tusschen twee rollen geraakt, het geen meenigwerf en door onöplettenheid gebeurdt, de geheele arm oogenblikkelyk word weg getrokken en aan stukken geslagen, zoo al zelfs niet een gedeelte van het lichaam. Doorgaans houdt men een byl gereed, om het lid af te houwen, want de man zou gevaar loopen van om te komen, eer het werktuig konde worden stil gehouden. Een ander gevaar, waar aan deeze ongelukkige slaven zyn bloot gesteld, bestaat in het proeven alleenlyk van het vocht, het welk zy in het zweet van hun aangezicht 'er uit halen; zoo men dit bemerkt, worden zy veroordeeld, om eenige honderde geesselslagen te ontfangen, of zelfs de tong te worden uitgerukt, op last van den Opzichter.
Wanneer het vocht uit den gemelden houten bak koomt, word het in de eerste kopere ketel gestort, alwaar het door een zeef gekleinst word, om al het stroo, het welk 'er by het stampen mogt zyn in gebleven, weg te nemen. Dit vocht, na eenigen tyd gekookt te hebben, en afgeschuimd te zyn, word andermaal overgegoten in de tweede ketel, en zoo vervolgens tot in de vyfde en laatste, alwaar het eindelyk den bekwaamen graad van dikte of vastheid verkrygt, om in de koelbakken overgestort te worden: men werpt in de ketels eenige ponden aarde en aluin, onder elkander gemengd, om het vocht te doen korrelen: op die wyze dan laat men het al langs hoe meer koken, tot in de vyfde ketel. Wanneer men de suiker in de koelbakken overgiet, draagt men zorg, om ze wel te roeren en gelykelyk uit te spreiden: wanneer ze koud is, heeft ze het voorkomen van bevrozen te zyn; ze is vast, als kandy, bruin en doorschynend; men zoude byna zeggen, dat het stukken noteboomen hout waaren, die zeer glad gepolyst zyn. Als de suiker uit de koelbakken koomt, stort men ze in vaten, die een gewicht van duizend ponden suiker bevatten, in welker bodem openingen of kleine gaten zyn, dienende om het vocht, het welk nog mogt zyn overgebleven, en melasse genoemd word, te doen uitloopen, en word het zelve, zoo als ik reeds gezegd heb, in een van onderen gegraven bak gevangen. Na deeze laatste bewerking, is de suiker geschikt om naar Europa overgevoerd, aldaar geraffineerd en tot brooden gemaakt te worden. Ik moet opmerken, dat hoe grooter de korrels zyn, hoe beter de suiker is, en dat geen Land tot derzelver voortplanting meer geschikt kan zyn, dan Guiana. De rykdom van eenen onuitputtelyken grond brengt te weeg, dat 'er drie of vier vaten suiker van een akker komen. In 't jaar 1771, voerde men niet minder dan vier-en-twintig duizend vaten uit naar Rotterdam en Amsterdam alleen, het welk tegen zes ponden sterling het vat, (en zomtyds maakt men 'er het dubbeld van,) eene somme van by de honderd vyftig duizend ponden sterling uitmaakt, zonder van eene groote meenigte kill-devil en suiker-syroop te spreken. De laatstgemelde, die men op zeven duizend vaten voor dit zelfde jaar kan rekenen, wierd voor vyf-en-twintig duizend ponden sterling aan de Engelschen in America verkogt. De kill-devil word in Surinamen; ten gebruike der Negers gestookt; men kan haar bedragen op dezelfde somme rekenen: het geen, alle drie by elkander gerekend, omtrent tweemaal honderd duizend ponden sterling 's jaars uitmaakt.
De kill-devil is ook een drank, welke zommige Planters gebruiken; maar zy is vooral voor soldaten en matroozen. Wanneer ze nieuw is, is zy een langzaam vergift voor elken Europeaan. De Negers hebben 'er nooit hinder van; integendeel, ze is hun zeer noodzakelyk en zeer goed, vooral in het regen-saisoen. Geen gedeelte van het suikerriet is nutteloos. Het gemalen riet en de bladeren dienen tot mest, om het land vet te maken.
Alle de Plantagiën worden door bosschen omringd. Eene meenigte wilde beesten rechten aldaar groote verwoestingen aan: men laat door honden jacht op hen maken, en de Negers dooden ze dikwils. Na het geen ik omtrent dit stuk alleen gezegd heb, kan men zig van den natuurlyken rykdom van dit Land een denkbeeld vormen, maar ik twyffel echter of de Volkplanting van Surinamen, zoo zy immer in andere handen, dan die der Hollanders, overging, van zulk een aanzienlyk gewicht blyven zoude. 'Er zyn 'er geenen, die geduld, vlyt, en onvermoeidheid in zulk een hoogen trap bezitten.
Ik keer tans tot myn verhaal te rug. Ik heb gezegd, dat de slaven, die ter myner beschikking stonden, bezig waaren met eene wooning te maaken, om JOANNA daar in te ontfangen: zy voltooiden het in vyf of zes dagen. Het bestond uit een kamer tot gezelschappen, ook tot een eetkamer dienende; een slaapkamer, waar in ik alle myne goederen bergde; en een zoort van gang, om buitenwaards lucht te scheppen. Eene kleine keuken, en een groot hoenderhok waaren 'er van afgescheiden. Rondom stonden heiningen, en de ligging was verrukkelyk. De tafels, de stoelen, en de banken, die myn huisraad uitmaakten, waaren ook van Latanus-boomen hout. De deuren en vensters waaren gesloten, door middel van konstig gemaakte houte sloten en sleutels, welke een Neger my gegeven had, en door hem gewerkt waaren. Alles in dier voegen gereed zynde, was myne eerste zorg, om in deeze wooning den voorraad te doen plaatsen, dien ik van Paramaribo had medegebragt. Dezelve bestond in een vaatje meel; een ander met ingezouten makreel, die in dit Land lekker is, en welke men aldaar uit Noord-America aanbrengt; in hammen; ingelegd vleesch, en Bostonsche bifchuit. Ik had ook wyn, Jamaicasche rhum, thee, suiker, en een kistje met spermacetie-kaarssen. De heer KENNEDY had my van zyne Plantagie Vriedyk twee fraaije vreemde schapen en een varken gezonden. De moeije van JOANNA gaf my twee douzyn verschillende zoorten van gevogelte; de groenten en vruchten, het wildt en de visch ontfing ik van alle kanten.
Den eersten April, voer JOANNA de Rivier af, en kwam op de Hoop met het vaartuig van Fauconberg, door agt Negers geroeid wordende. Ik gaf haar dadelyk bericht van den inhoud van den brief, dien ik naar Holland had geschreven. Zy bedankte my met veel zedigheid, maar haare oogwenken waaren levendiger, dan haare gesprekken. Ik bragt haar in haare nieuwe wooning, alwaar de Slaven der Plantagie, ten teeken van achting, haar dadelyk geschenken deeden van cassaves, ignames, bananes, en plantains. Nimmer waren twee gelieven gelukkiger. Zoo vry zynde, als de heesters van het woud, ademden wy de zuiverste lucht in. Het vergenoegen en de gezondheid waren myn deel; en myne gezellinne, van jeugd en schoonheid schitterende, verwekte de afgunst en verwondering der geheele Volkplanting.
De Colonel FOURGEOUD, toen besloten hebbende de bosschen te verlaten, en te Maagdenberg, een post aan den mond van de Commewyne gelegen, zyn leger neer te slaan, zond ik hem een groote schuit, geladen met mondbehoeften, en met twintig soldaten onder bevel van een Officier bemand. Ik deed vervolgens de monstering myner zee-soldaaten; ik had 'er niet meer dan twintig overig, zonder echter een klein detachement, het welk te Calis, aan den mond der Cassivinica-Kreek, geplaatst was, daar onder te rekenen: iets hooger aan dezelve kreek, en op eene Plantagie, Coupy genaamd, waren ook een Officier en eenige soldaten geplaatst.
Den 4den, des morgens, was ik getuige van een zonderling gevecht tusschen twee slangen, de eene van omtrent drie voeten lang, de andere alleenlyk van veertien duimen. Het duurde byna anderhalf uur, geduurende welken tyd de draaien en kronkelingen deezer dieren zeer merkwaardig waren; en het eindigde met den nederlaag van de kleinste, welken de grootste by den kop nam, en geheel en al levendig inslokte.
Myn Neger, den zelfden dag, eenige kleine gloeijende kolen hebbende weggeworpen, zag ik met zeer veel verwondering een kikvorsch dezelve gretig inslokken, zonder dat zy 'er eenig kwaad van scheen te gevoelen; ongetwyffeld zag zy die voor vuur-muggen aan. Ik zag ook, in een suiker-molen, een kikvorsch, die zig op mieren vergastte, welker getal ter deezer plaatse zeer groot was. Zy lekte dezelve met haare tong op, naar maate zy voor haar henen liepen. Een andere kikvorsch sliep dagelyks op één der balken van myne wooning, en verliet dezelve doorgaans des nachts. De Negers noemden haar yombo-yombo, uit hoofde van de kracht, waar mede zy sprong. De kikvorsch van dit zoort is zeer klein; een weinig plat; derzelver huid heeft eene fraaije geele kleur, met zwarte en scharlaken vlakken. Men vindt ze dikwils in de bovenkamers der huizen. Het evengemelde beestjen ons zeer fraay voorgekomen zynde, verboden wy het zelve aan te raken.
Den 8sten tusschen zes en zeven uuren des morgens, terwyl wy één van onze Sergeanten begroeven, hoorden wy verscheiden schoten met klein geschut, naar den kant van de Peréca, en ik zond dadelyk een Officier en twaalf soldaten af, om van dien kant te hulp te komen. Zy kwamen des anderen daags te rug, en zeiden my, dat de muitelingen de Plantagie Kortenduur hadden aangevallen, alwaar zy met plonderen bezig waaren; maar dat de bewooner alle zyne Slaven gewapend hebbende, deezen de eerstgemelden hadden genoodzaakt de vlucht te neemen, zonder dat men eenige andere hulp noodig gehad hadde.
De Colonel FOURGEOUD zond my van de Wana-Kreek, eene kleine bezending van krygsvolk, die den 11den op de Hoop aankwam, met den Neger SEPTEMBER, die steeds gevangen bleef. De soldaten verhaalden, dat de muitelingen, met den Bevelhebber gesproken hadden, en hem in 't aangezicht hadden uitgelachen, toen zy hem een bevel hoorden uitbrengen, om geen vuur op hen te geven, maar hen levendig gevangen te nemen. Ik vernam ook, dat onder de geenen, die in de bosschen verdoold geraakt waren, zig ook bevond de ongelukkige SCHMIDT, die onlangs zoo zwaar gekwetst was geworden, dat hy zig naderhand niet volkomen had kunnen herstellen.
Den 15den, de sluisen door het hooge water overgeloopen zynde, geraakte onze geheele post onder water, uitgenomen het vak, waar op ik myne hut geplaatst had, het welk droog bleef. Door dit toeval, waren de Officiers en soldaten tot de kniën toe in 't water. Den zelfden dag, kwam myn waarde vriend HENEMAN, die als vrywilliger diende, uit het leger van den Colonel FOURGEOUD, aan de Wana-Kreek, in een vaartuig vol krygsbehoeften en soldaaten. Hij was tot Lieutenant in myne Compagnie benoemd. Ik vernam van hem, dat de overige krygsbende Maagdenberg verliet, om zig naar het bovenste gedeelte van de Commewyne te begeven, en zig aldaar neder te slaan. Deeze arme jongeling was door elende en vermoeienissen uitgeput; ik beval hem aan de zorge van JOANNA, die hem als een broeder behandelde.
Den 14den, den Colonel FOURGEOUD met zyn krygsvolk te Maagdenberg aangekomen zynde, kwamen de Officiers en soldaten der Compagnie, en de Jagers, ten getale van by de twee honderd mannen, in vaartuigen de Rivier afzakken, om in verschillende posten aan de Peréca verdeeld te worden. Zommigen van hun kwamen op de Hoop aan land, om zig te ververschen, en gedroegen zig zoo slecht, dat myne Officiers en ik genoodzaakt waaren, een half dozyn 'er van te straffen; zy vertrokken den zelfden dag. Ik zond vervolgens een open vaartuig van agt riemen af, om den Opper Bevelhebber, met eenigen van zyne Officiers, naar Paramaribo te brengen, van waar hy eindelyk aan den Graaf van RANDWYK toestond, om naar Holland scheep te gaan.
Den 16den, wierd het grootste gedeelte der schapen, tot deeze Plantagie behoorende, ongelukkiglyk vergeven, door van eene plant te eeten, welke de Negers duncane noemen; maar de myne ontsnapten dit ongeluk. Het spyt my zeer, dat ik deeze plant niet met meerder aandacht onderzogt heb. Zie hier alles wat ik 'er van weet. Het is een struik met breede groene bladen, byna van de grootte van het Engelsch klissekruid. Het groeit van zelf op laage en moerassige plaatsen, en veröorzaakt aan elk dier, het welk 'er van eet, oogenblikkelyk den dood. De slaven zyn dienvolgende verpligt in de Savane en velden, alwaar men beesten weidt, dit onkruid uit te trekken; want men beweert, dat de ossen en schapen 'er heet op zyn, hoe schadelyk het ook voor hun is, en schoon anders de ingeschapen neiging der dieren hen, zoo men zegt, de nuttige van de schadelyke planten doet onderscheiden. Een Neger had door onöplettenheid deeze plant in zyn tuin laten groeien, alwaar de ongelukkige schapen, na het om ver werpen der heiningen, binnen kwamen.
Er waaren ook, in deezen zelfden tuin, verscheide andere wortels en planten, die der aandacht waardig zyn. Ik vond aldaar de igname, een wortel, in de West-Indiën zeer bekend, en die in een vetten grond welig groeit. Die van Surinamen weegt zomtyds drie of vier ponden, en één akker kan wel tien of twintig duizend ponden opbrengen: dezelve is zeer aangenaam van smaak, het zy gekookt, het zy gebraden, en bovendien zeer gezond, en gemakkelyk te verteeren. Van binnen is zy wit, en van buiten heeft ze eene hooge purper kleur, naar het zwart hellende. Haare gedaante is zeer onregelmatig. De ignames komen voort van spruiten, welke men op eenen korten afstand van elkander plant; en na verloop van zes maanden geraken zy tot haare volkomene rypheid. De bladen beginnen dan bleek te worden. Tot dien tyd toe hebben zy eene zeer donkere groene kleur. Deeze wortels kruipen langs den grond, even als het eiloof. Zy maaken het voornaamste voedzel der slaven in de West-Indiën uit, en dienen hun zelfs tot brood. Men kan ze geduurende een jaar, of daaromtrent bewaaren; zy zyn dienstig op lange reizen, en men voert ze dikwils naar Engeland over. Ik zag ook nog eene andere zeer kleine wortel, waar aan men in Surinamen den naam van naapjes geeft. Men eet ze op dezelfde wyze, als de igname, maar zy is veel beter. Beiden vervullen hier de plaats van aardäppelen, wortelen en raapen, die ons in Engeland van zulk eene groote nuttigheid zyn.
Dezelve tuin bevatte ook Turksch graan, of maïs, gelykende naar dat van Europa. Men teelt dit zeer veel in Surinamen: men geeft het niet alleen aan het gevogelte, en allerleije zoort van vee te eeten; maar men maakt 'er ook meel van, en de Creölen bakken 'er ook lekkere koeken van, die daarënboven zeer voedzaam zyn. Men eet ze zomtyds met wortels van althea. Deeze is een zeer kleine stronk, met langwerpige bladeren; dezelve wortels, wel gekookt, geeven een zeer goede saus, wanneer men ze met peper van Caijenne aanzet; maar derzelver slymige aart maakt ze niet zeer smakelyk.
Den avond van den dag, die voor de schapen zoo doodelyk was, met myn snaphaan op den schouder wandelende, schoot ik een vogel, alhier Soubacou genaamd. Het was een zoort van grauwe ryger. Zyn bek en pooten waaren zeer lang, en van een zeer donker groene kleur. De laatstgemelde scheenen met breede schubben bedekt te zyn, van eene harde en hoornachtige zelfstandigheid; en de nagels van elken klaauw in het midden der poot waaren getand. Deeze vogel, schoon van de grootte van een gewoon hoen, was zoo ligt als een duif. Toen hy gereed gemaakt was, vonden wy in hem een visch-smaak.
Ik heb zedert eenigen tyd geen trek van wreedheid aangehaald, en ik heb my deswegens zeer gelukkig geacht. Het is derhalven niet dan met weerzin, dat ik my gedwongen zie 'er eenige te verhaalen, welke ik zeker ben, dat de verontwaardiging en het mededogen van den lezer verwekken zullen. De eerste daad van onmenschelykheid, die myn mededogen gaande maakte, was eene strafoeffening, welke ik op eene nabuurige Plantagie aanschouwde. Een fraay Samboes meisje, omtrent agtien jaaren oud, en geheel en al naakt, was met de armen aan een boom vast gemaakt. In deezen staat wierd zy door zweepslagen, die twee Negers haar toebragten, zoo verschrikkelyk van één gereeten, dat het bloed uit haar lichaam van het hoofd tot de voeten gonsde. Dit ongelukkig schepzel had reeds twee honderd slagen ontfangen, toen ik haar vernam, hebbende het hoofd op haaren boezem hangende, en het akeligst schouwspel opleverende. Ik liep naar den Opzichter, en bad hem, dat hy haar oogenblikkelyk zoude doen losmaken, vermits zy haare straf geheel had ondergaan. Maar hy antwoordde my zeer eenvoudig, dat hy, om de vreemdelingen te beletten van zig met zyn bestuur te bemoeijen, zig tot eenen onveranderlyken regel had voorgeschreven, om de straf te verdubbelen, ingevalle iemand hunner voor den schuldigen spreeken wilde; en de wreedäart liet de straföeffening oogenblikkelyk op nieuw beginnen. Ik wilde hem, maar vrugteloos, tegen houden; hy verklaarde my, dat het minste uitstel, wel verre om hem van besluit te doen veranderen, zyne wraak slechts onverzoenbaarer en verschrikkelyker maakte. My stond niets anders te doen, dan dit afschuwelyk wangedrocht te ontwyken, en zig, even als een wild beest, met bloed te laten verzadigen. Van dien dag af, besloot ik alle gemeenschap met de Opzichters af te breken, en ik konde my niet wederhouden, om hen allen te vervloeken. Naar de reden van deeze onmenschelyke daad onderzoek gedaan hebbende, vernam ik met zekerheid, dat de eenige misdaad van dit ongelukkig meisjen daar in bestond, dat zy de omhelzingen van haaren vervloekten beul standvastig geweigerd had. De schelm, door jaloersheid en wraakzucht aangedreven, deed, onder voorwendzel van ongehoorzaamheid, haar zoo levendig van één ryten. Ik heb dit arm meisjen in den staat, waar in ik haar vond, afgeteekend, en ik ben overtuigd, dat dit gezicht het medelyden van elk gevoelig mensch verwekken zal.
Tot hier toe geene gelegenheid gehad hebbende, om van de Samboes te spreken, zal ik tans zeggen, dat het een zoort is tusschen mulatten en negers in. Zy zyn van eene donkere koper-kleur; zy hebben zwarte en ligt gekrulde hairen. Deeze slaven, zoo mans als vrouwen, zyn over 't algemeen zeer fraay, en de Planters gebruiken ze voornamelyk tot den dienst binnen hunne huizen.
By myne te rug komst op de Hoop, sprak de Opzigter der Plantagie, EBBER, my aan, en zeide my met traanen in de oogen, dat hy veroordeeld was in eene boete van twaalf honderd guldens, ter zaake dat hy dezelfde straf aan een mans slaaf had doen uitvoeren, maar met dit onderscheid, dat het ongelukkig slachtöffer staande de straföeffening stierf. Wel verre van hem te troosten, antwoordde ik hem, dat zyn hartzeer my een onuitspreekelyk genoegen deed.
Zie hier de byzonderheden van deezen moord. Terwyl de Capitain TULLING op de Hoop het bevel voerde, en kort voor myne aankomst op deeze Plantagie, was een Neger op eene nabuurige Plantagie overgeloopen, van waar men hem te rug bragt, door twee gewapende slaven geleid wordende. De Neger, terwyl de Opzichter den brief van zynen medebroeder van de nabuurige Plantagie, hem over deeze zaak geschreven, las, vond middel om te ontsnappen, en verschool zig in het bosch. EBBER, woedend zynde, wreekte zig op de twee slaven, die den gevangen hadden laten ontkomen, en deed hen op de werkplaats van den timmerman vast binden. Op zyn bevel geesselde men hen zoo onbarmhartig, dat de Capitain TULLING geraden vond genade voor hun te verzoeken; maar hy ondervond het zelfde lot als ik, zyne tusschenkomst bragt eene geheel tegenstrydige uitwerking voort naar 't geen hy verwagtte. Het geruisch der slagen, en het grievend geschreeuw deezer ongelukkigen, lieten zig meer dan anderhalf uur hooren, en deeze wreede strafoeffening eindigde niet, dan met den dood van één van beiden. Men dagvaardde EBBER dadelyk wegens begaane moord. Hy wierd overtuigt, en alleenlyk in de zoo even gemelde boete verwezen. De bloedprys word altoos tusschen den Fiscaal en den eigenaar van den vermoorden slaaf verdeeld. 'Er is een wet in Surinamen, dat elke Planter, mits eene somme van vyfhonderd guldens betaalende, één van zyne Negers mag ter dood brengen; zoo hy 'er een van iemand zyner gebuuren doodt, moet hy hem schadeloos stellen, na van de misdaad overtuigd te zyn, een zaak, die in dit Land zeer moeielyk is, alwaar men geen getuigenis van een slaaf toelaat. Dusdanig is de wetgeving in Hollandsch Guiana, met opzigt tot de Negers. Gemelde EBBER was een verschrikkelyke wreedaart: een geheel jaar lang folterde hy een jongman van veertien jaaren, genaamd CADETTI; men geesselde hem alle dagen, geduurende de eerste maand; men liet hem op den grond en op den rug met yzers aan de voeten slapen, geduurende de geheele tweede maand; men deed hem een driehoek [4] om den hals, geduurende de derde maand, om hem te beletten van in de bosschen te loopen; geduurende de vierde maand ketende men hem nacht en dag in een honden-hok, aan den waterkant, met last om te roepen, zoo dikwils 'er een vaartuig of kano voor by voer; de Opzichter veranderde eindelyk de straf van maand tot maand, en altyd op eene nieuwe manier; het gevolg daar van was, dat deeze jongeling geheel krom wierd; hy scheen geheel van gevoel beroofd te zyn, en had geen ander voorkomen, dan van een beest. De schelm van een Opzigter was echter grootsch op de schoonheid der slaven, en zomtyds zelfs, uit vreeze van hunne huid te bederven, strafte hy verscheiden van hun, die door hunne rooveryen en misdaden de galeijen verdiend hadden, alleenlyk met een twintig-tal geesselslagen. Zie daar, welke de openbaare en huisselyke rechtsöeffening in de Volkplanting van Surinamen is. Deeze EBBER geraakte echter om deeze reden van de Plantagie de Hoop af, en zyn opvolger, (ten blyke dat hy meer menschelykheid bezat!) begon zyn bestuur, met alle de Negers der Plantagie, mans en vrouwen, te laten geesselen, om dat ze des morgens een quartier te lang geslapen hadden.
De lezer verbeeld zig ongetwyffeld, dat dit de wreedheid in den hoogsten top is! hy bedriegt zig. Het geval, dat ik nog zal bybrengen, is in dit opzigt veel sterker, dan allen, die ik verhaald heb; en het was een vrouw, die 'er zig aan schuldig maakte.
Mevrouw S…. in een open vaartuig, naar haare Plantagie gaande, wierd vergezeld van eene Negerin, die haar kind zoog. Deeze vrouw zat voor aan in het vaartuig, het kind schreeuwde, en zy kon het niet tot bedaaren krygen. Mevrouw S…., wien het geschrei van dit onnoozel wicht verveelde, gelastte aan haare slavin, om het by haar te brengen. Zy nam het kind toen by een arm, hield het onder water, tot dat het verdronken was, en vervolgens wierp zy het in den stroom weg. De moeder sprong uit wanhoop oogenblikkelyk in de Rivier, in het vast besluit, om aldaar haar leven te eindigen; maar dit lukte haar niet: een gedeelte der roeijers zwommen haar na, en bragten haar weder aan boord. Haare meesteresse deed, by haare komst op de Plantagie, haar drie of vier roede-slagen geven, om haar te straffen wegens de schade, welke zy, door zig van kant te helpen, aan haar had willen toebrengen.
Den 20sten, verliet de Colonel FOURGEOUD met zyn krygsvolk, het welk in den deerniswaardigsten staat was, Maagdenberg; dienvolgende sloeg hy zyn leger neder op eene Plantagie, genaamd Nieuw Rozenback, gelegen tusschen mynen post van de Hoop en het Hospitaal. Ik ging dadelyk myne opwagting by mynen Colonel maken, en vernam aldaar den volgenden uitslag zyner krygsverrigtingen. Ik heb reeds gezegd, dat de Capitain FREDERIK was gewond geworden; een soldaat was verdwaald geraakt: een ander was door de muitelingen gehouwen; de gevangenen hadden met hunne ketenen de vlucht genomen; en de vyand spotte met deezen krygstocht.—Men had een zee-soldaat, die ziek was, aan zyn lot overgelaten; één der Slaven had den arm gebroken, ten gevolge van mishandelingen. Dusdanig waren de byzonderheden van deezen veldtocht. Ik moet egter niet vergeeten de edelmoedigheid van eenen armen Neger, die wegliep, om den elendigen soldaat te hulp te komen, en die, na hem den laatsten plicht bewezen te hebben, te rug kwam, om zyne straf te ontfangen; maar, tot zyne groote verwondering, genade kreeg.
Ik moet den Colonel FOURGEOUD het recht doen wedervaaren, dat verscheiden deezer toevallen het onvermydelyk gevolg waren van zoortgelyke tochten in zulk eene luchtstreek. Zoo hy al, door een allerslegtsten levensregel, zyn krygsvolk deed omkomen, zonder muitelingen gevangen te nemen, deed hy ten minsten een gewichtigen dienst aan de Volkplanting, door den vyand te ontrusten, af te matten, en te vervolgen, derzelver legerplaatsen te verwoesten, en hunne schuilplaatsen te vernielen. De Colonel FOURGEOUD deelde in alle deeze vermoeienissen en gevaaren, en dat op zyne jaaren, het geen tegen de gebreken van zyn caracter in aanmerking moet genomen worden, en dienen kan, om hem den naam van geduldig en moedig toe te kennen. Ik zoude veel meer genoegen hebben, met tot zynen lof te schryven; maar de waarheid, en het algemeen voordeel, het welk het menschdom daar uit trekken moet, vorderen, dat ik, de goede hoedanigheden van den Colonel schetsende, ook opgeeve welke zyne gebreken waren, op dat anderen zig door zyn voorbeeld kunnen verbeteren. Was het niet belachelyk, om te Paramaribo, alwaar het papier volkomen goed was, zyn krygsvolk in geld te betaalen, en hun op de tochten niets anders te geven, dan die ingebeelde munt, waar mede het onmogelyk was eene enkele igname, of de minste vrucht van een plantain-boom te betaalen, Intusschen had hy geld tot zyne beschikking; maar hy wilde tien ten honderd winnen met de soldy van het geheele Regiment, en dit gedrag bragt hem by al het volk in eene algemeene verachting.
Den 21sten kwamen verscheiden Officiers my verzoeken, om op de Hoop het middagmaal te houden, en ik deed hun veelerhande visch opdisschen, waar onder waren de Kawiry, de Lamper, en de Makrely-fisy. De Kawiry is een kleine visch zonder schubben, met een breede kop, en twee lange baarden, die uit het bovenste gedeelte van den bek uitsteeken: men vindt hem in alle deeze Rivieren in overvloed. De Lamper is een zoort van lamprey, zoo als men die in de Theems vangt: de Surinaamsche is van eene ronde gedaante, en niet zeer dik, maar slymig en zeer vet; hy heeft een zee-groene kleur, met geele vlakken, uitgenomen onder den buik, die wit is. Deeze visch word, even als de zalm, en in de zee en in de rivieren gevonden. De Makrely-fisy gelykt naar de makreel, die aan dezelve den naam geeft; de kleur is echter minder blaauwachtig, en minder schitterend.
Deeze maaltyd deedt groot genoegen aan myne gasten, en wy waren zeer vrolyk; maar, des morgens van den 22sten, wierd myne arme JOANNA, die onze keukemeid geweest was, door eene geweldige koorts aangetast: zy betuigde my haar verlangen, om naar Fauconberg te rug te keeren, alwaar zy door eene van haare nabestaanden konde worden opgepast, en ik stemde daar in toe. Den 25sten, was zy zoo ziek, dat ik besloot haar zoo, veel mogelyk in stilte te gaan zien; want de Colonel moest des anderen daags op de Hoop komen, en ik had geen lust om zyn kortswyl af te wagten. Ik wist, dat de loffelykste beweegreden niemand voor beschimping veilig stelde.
Het was in deeze onderneming moeielyk voor by den post van den Colonel te komen, zonder gezien te worden. Aan mynen vriend HENEMAN myn ontwerp hebbende mede gedeeld, stapte ik des avonds ten elf uuren in myn vaartuig; maar toen ik tegen over Nieuw-Rozenback was, hoorde ik zeer onderscheidentlyk de stem van den Bevelhebber, die met eenige Officieren door het zand wandelde; en oogenblikkelyk riep een schildwacht, om met het vaartuig aan wal te komen. Ik dacht, dat alles zoude zyn ontdekt geworden: egter dagt ik best, aan de Negers te zeggen, dat zy zouden antwoorden: Killestein Nova, het welk de naam was van eene naby gelegene Plantagie, en men liet ons voor by vaaren. Kort daar na, kwam ik gezond en behouden te Fauconberg, alwaar ik JOANNA veel beter vond.
Maar, des morgens van den 26sten, nam ik den opkomenden dageraad voor het maanlicht, en versliep my. Ik wist niet, op welke wyze ik naar de Hoop te rug zoude komen; want myn vaartuig en myne Negers konden niet meer voor by komen, zonder door den Colonel herkend te worden. Alle uitstel was nutteloos. Ik ging dus weder scheep, my volstrektelyk verlatende op de behendigheid der slaven, die my, een oogenblik voor dat wy in 't gezicht van 't hoofd-kwartier waren, aan land zetteden. Een van hun, my door de bosschen geleid hebbende, kwam ik behouden weder op de Hoop aan. Myn vaartuig kwam schielyk aldaar aan, maar voorzien van eene goede wacht; en de Colonel zond my bevel, om hen allen te doen afkloppen, om dat zy zonder verlof waren uitgegaan; want zy hadden tot hunne verschooning gezegd, dat zy voor hunnen meester waren gaan visschen.
Hunne getrouwheid jegens my, ter deezer gelegenheid, was waarlyk verwonderlyk: zy verklaarden allen, dat zy zig liever in stukken hadden laten houwen, dan de geheimen van eenen zoo goeden meester te verraden. Echter hield alle gevaar voor hun op. Ik bekragtigde het geen zy gezegd hadden, en voegde 'er by, dat de visch geschikt was, om 'er den Colonel op te onthalen. Ik deelde vervolgens twee kruiken rhum onder deeze brave lieden uit. Deeze trek kan een denkbeeld geven van de zwakheid van een Europeaan, zoo wel als van den moed en standvastigheid van een Africaan.
Onäangezien alle myne toebereidzels, ontfing ik het bezoek van den Bevelhebber eerst op den 28sten; maar des morgens van den 26sten, kwam JOANNA te rug, vergezeld door eenen grooten Neger, die haar oom was, en op één der armen een zilvere plaat droeg, waar op deeze woorden stonden: Getrouw aan de Europeanen. Deeze man, genaamd COJO, die vrywillig en de eerste tegen de muitelingen gevochten had, had zig naderhand genoodzaakt gezien, om zig weder by hen te voegen, uit hoofde der mishandelingen van M. D. B. en van den Opzichter. Hy verhaalde my het volgende geval: "Gy ziet dit kind, zeide hy, my een klein meisje, TAMERA genaamd, het welk hy by de hand hield, aanbiedende: haar vader is genaamd JOLI-COEUR; hy is de eerste Capitain onder BARON, en de onverschrokkenste van allen de muitelingen van het bosch; het geen hy nog laatstelyk heeft doen zien op eene Plantagie, gelegen naby Nieuw-Rosenback, alwaar uw Colonel tegenwoordig het bevel voert. De Opzichter deezer Plantagie was een Jood, genaamd SCHOULTS, die het bevoorens op Fauconberg geweest was. De muitelingen verscheenen aldaar eensklaps, en maakten 'er zig meester van, zy bonden SCHOULTS, plonderden het huis, en begaven zig tot dansen, en het maken van goeden cier, alvoorens zy dagten om over hunnen gevangen te beschikken. In deeze akelige gesteldheid, verwagtte deeze niets anders dan het teeken tot zynen dood, wanneer zyn oog by toeval op den Capitain JOLI-COEUR viel, wien hy deeze woorden te gemoet voerde: "Myn lieve JOLI-COEUR, gedenk aan SCHOULTS, die alleenlyk de gemachtigde van uwen meester was; herinner u alle de vriendelykheden, die ik u geduurende uwe kindsheid bewezen heb; gy waart myn gunsteling; herinner u dit, en breng door uwen vermogenden invloed te weeg, dat men my het leven gunne".—Het antwoord van JOLI-COEUR is merkwaardig.—Ik herinner my dat alles volkomen; maar, geweldenaar, herinner u, dat gy myne arme moeder hebt geschaakt, en mynen vader, die haar ter hulpe kwam, door geesselslagen doen van één ryten; herinner u, dat gy haar in myne tegenwoordigheid hebt geschonden, toen ik nog maar een kind was. Herinner u deeze schenddaad, en sterf door myne hand!—Op deeze woorden hieuw hy hem met eenen byl het hoofd af". Na dit verhaal, vertrok COJO met de kleine TAMERA, en ik reikhalsde met ongeduld naar het nieuws, het geen ik dagelyks van Amsterdam te gemoet zag, en, zoo ik hoopte my zelf in staat zoude stellen, om de beminnelyke JOANNA van het juk van zulke gedrochten te verlossen.
De Colonel FOURGEOUD kwam, den 28sten, met één van zyne Officiers aan. Zyne houding was uittermaten ernstig; het geen my zeer leed deed. Ik liet hem dadelyk in myne hut komen; en zoo dra hy myne gezellinne gezien had, verdweenen alle de rimpels van zyn voorhoofd, als een damp voor de stralen der zon. Nooit heb ik gezien, dat hy zig met zoo veel wellevenheid gedroeg.
Ik behandelde hem zoo goed my mogelyk was, en waagde het, om hem een verhaal van myne reize naar Fauconberg te doen: hy lachte 'er hartelyk om; en ons beiden de hand gedrukt hebbende, keerde hy, in eenen goeden luim, en volkomen voldaan, naar Nieuw-Rosenback te rug.—Volgens alle de omstandigheden, in dit hooftstuk vervat, kan ik zeggen, dat het tydperk, waar over het zelve loopt, de gulde eeuw was van mynen tocht naar de West-Indiën.
VEERTIENDE HOOFTSTUK.
De Colonel FOURGEOUD keert naar Paramaribo te rug.—Het gevleugeld en gewapend Water-hoen van EDWARDS.—Bewys van onkunde in een Heelmeester;—van deugd in een slaaf;—van wreedheid in eenen Bevelhebber.—De roode Wulp.—De Wesp, Marobonso genaamd.—Orange-appelen en Limoenen.—De insecten, Chiques genaamd.—Het krygsvolk begeeft zig weder naar de bosschen.—De Kibry-Fowlo.—Verscheidene zoorten van wilde varkens.—Mieren.—De dans van Loango.—De Toreman.—De Poelsnip van Guiana.—Plantains en Bananes.—Manier om te visschen.—Visschen.—Vogelen.
De Colonel, zyn vertrek tot den 29sten April hebbende uitgesteld, begaf zig eindelyk naar Paramaribo. Hy was door eenige Officiers vergezeld, die, zoo wel als hy, allernoodigst hadden zig aldaar te ververschen. Zyn krygsvolk, tot een zeer klein getal versmolten zynde, was niet meer in staat, om eenige krygsoeffening uit te houden, en verlangde naar rust. Geduurende zyne afwezigheid, vond ik my Bevelhebber der Rivier te zyn. Korten tyd voor zyn vertrek, zond hy my zeer merkwaardige Instructiën, onder anderen inhoudende: "Om aan de Planters te vragen, of de muitelingen op hunne Plantagiën kwamen, en zoo ja, hen aan te tasten, en op de vlucht te dryven; maar hen niet te vervolgen, zonder zeker te zyn, van hen geheel en al t'onder te brengen; en ik moest voor de uitvoering van deeze beveelen verantwoordelyk zyn". Dit wilde zeer eenvoudig zeggen: "Dat, indien ik den vyand zonder goed gevolg aantastte, ik gestraft zoude worden; en dat, zoo ik hem in 't geheel niet aantastte, ik rekenschap van myne achteloosheid zoude hebben te geven". Hoe oordeelkundig andere artikelen ook waren, konde ik my niet wederhouden van dit zeer ongerymd te vinden. Ik zond het dadelyk door een Officier te rug; en, op myn verzoek, verbeterde men het zoodanig, dat het een verstaanbaaren zin had.
Hoe gelukkig was ik op dit oogenblik! My ontbrak niets, en ik had myne bevallige gezellin steeds by my. Haar beminnelyk gezelschap verrukte my; haare zoete stem streelde myn oor; haare tegenwoordigheid verbande alle hartzeer, alle akelige herdenking uit mynen geest.
Op zekeren dag in de verdronken Savanen wandelende, schoot ik een vogel, dien ik voor het gevleugeld en gewapend Waterhoen van EDWARDS herkende. Deeze fraaije vogel behoort, zoo men zegt, tot het zoort der Pluviers; hy heeft de gedaante van een duif; zyne pluimaadje heeft eene donkere kaneel-kleur of zeer donker roodachtig oranje; de buik en hals zyn volmaakt zwart; de vouw van elke vlerk, waar van de vederen een schitterend geele kleur hebben, is gewapend met een spoor van eene zelfstandigheid, gelyk aan hoorn, en dienende tot verdediging van deezen vogel: hy heeft geen staart; zyn bek is byna twee duimen lang; zyne pooten zyn ook zeer lang, en, even gelyk de bek, van een geelachtig groene kleur; zyne klauwen, vooral de achterste, zyn uittermaten lang; zy schynen berekend, om de zwaarte van den vogel in het slyk te dragen, alwaar men hem dikwils ontmoet, mogelyk om aldaar zyn voedzel in het water te zoeken. Dit hoen, even als andere zoorten van Pluviers, zwemt nooit; zyn kop is verciert met een scharlaken hanekam, en kleine peerlen scheiden hem den bek van de oogen af, even als de Moscovische eendvogel. Men vindt de gewapende Pluviers altoos by koppelen; en wanneer zy vliegen, fluiten zy vry aangenaam. Hunne ongemeene schoonheid herinnert my een anderen vogel, welken ik op nabuurige Plantagiën gezien heb, ik bedoel de roode Wulp van Guiana, alhier Flamingo genoemd, [5] uit hoofde van de groote gelykvormigheid, die tusschen hem en den beroemden vogel van dien naam gevonden word. Men treft deezen Flamingo in Canada aan, en in verscheide noordelyke en zuidelyke gedeelten van America, en vooronderstelt, dat hy tot het geslacht der kraanvogels behoort, en zoo groot is, als een zwaan in Europa. De roode Wulp heeft echter alleenlyk de gedaante van een kleine Reiger; hy heeft geen staart; maar zyn hals, zyn gekromde en ronde bek, en zyne pooten zyn zeer lang; de laatstgemelde hebben vier klauwen, drie van vooren en één van agteren. De kop van deezen Wulp is zeer klein. Het wyfje legt altoos twee eieren, uit ieder van welke, na het uitbroeien, een jong voortkomt, eerst van een zwarte, vervolgens van een gryze, en dan van een witte kleur, naar mate hy in grootte toeneemt, en eindelyk word de geheele vogel scharlaken of karmozyn, of naar bloedkleur hellende. De roode Wulpen leven in gezelschap, even als de Oijevaars, en bewoonen voornamelyk de oevers der Rivieren, of de stranden der zee; en men vind ze aldaar in zulk een ongemeen groot getal, dat men meenen zoude, dat het zand rood geverwd was. Men houdt deeze vogelen, voor zeer uitgelezen, wanneer ze jong zyn; en zy zyn zoo gemeenzaam, dat men ze dikwils ziet lopen en eeten met het tam gevogelte, schoon zy echter aan het vleesch der vogelen en visschen den voorrang geven.
Ik vond dus altyd eenig nieuw voorwerp om te beschryven, en ik sleet de gelukkigste dagen met myne geliefde JOANNA, op deeze aangenaame Plantagie. Maar, helaas! eensklaps was myn geluk vervallen, en ik verviel in de diepste moedeloosheid. De heer PASSELAIGE, te Amsterdam, wien ik geschreven had, om van hem de vryheid myner gezellinne te koopen, kwam te sterven; en het geen myne smart ten top deed ryzen, was de tegenwoordige staat van JOANNA, die my beloofde, dat ik binnen eenige maanden vader zyn zoude. Niet alleen moest myne gezellinne slavin blyven, maar myn eigen bloed was ook tot een gelyk lot, en onder zulk een bestuur bestemd!—De heer PASSELAIGE, op wien myne hoop gevestigd was, overleden zynde, ging de Plantagie aan eenen nieuwen eigenaar over. Ik konde alle deeze akelige denkbeelden niet verduwen, en wierd als door zinneloosheid bevangen. Myne overmaat van neerslagtigheid zoude my in het graf gestort hebben, zonder de teedere vertroostingen van JOANNA, die my overreedde, dat de heer LOLKENS onze hulp nog zoude kunnen zyn. In deeze droevige gesteldheid hoorde ik des avonds van den 4den verscheide alarm-schoten met geschut, van den noord-oost kant. Des anderen daags morgens, by het opkomen van den dageraad, zond ik eenige manschappen naar de Peréca. Dezelve kwamen op den middag te rug, met de tyding, dat de muitelingen de Plantagie Marseille aan de Cottica hadden aangevallen; maar dat de slaven der Plantagie hen genoodzaakt hadden de wyk te neemen, zoo als laatstelyk die van Kortenduur gedaan hadden. De muitelingen hadden ook een gedeelte der Indianen mishandeld, welken zy verdacht hielden van aan de Planters hulp verschaft te hebben. Ik vernam nog te gelykertyd, dat men eene zamenzweering van Negers te Paramaribo ontdekt had. Zy hadden het ontwerp gevormd, om zig by de muitelingen te voegen, na alle de inwooners vermoord te hebben. De hoofden der zamenzweerders wierden ter dood gebragt.
Des morgens van den 26sten, hoorden wy nog verscheiden schoten in het bosch. Vreezende, dat dit Europeesche manschappen zyn mogten, die van den weg afgedwaald waren, gelastte ik myne schildwagt, om deeze noodschoten, één voor één, met zyn snaphaan te beantwoorden, en ik voegde daar by twee tambours, die twee uuren agter den anderen trommelen zouden. Eindelyk verscheenen een Sergeant en zes soldaaten van 's Compagnies krygsvolk, tot den post van Reidwyck aan de Peréca behoorende, welke geduurende drie dagen in het bosch waaren verdwaald geraakt. Zy hadden noch hangmatten, noch levensmiddelen, noch drank, en zy waren byna dood van vermoeienis, honger en dorst. Ik onthaalde hen zoo goed ik konde, en, tot myn groot genoegen, kregen zy wel dra hunne kragten weerom. Een van hun echter wierd eenige uuren lang van zyn gezicht beroofd, door het steeken van een zoort van Wespen, in dit Land bekend onder den naam van Marobonso, die uittermaten groot zyn, zig in de holen der boomen ophouden, de sterksten van het zoort der beijen zyn, en zoo hevig steeken, dat de pyn daar van allergeweldigst is, en de koorts veroorzaakt.
Den 12den, na de Cottica twee maalen te hebben overgezwommen, kwam ik verkleumd t'huis, en des anderen daags had ik de koorts. Ik ontrustte er my weinig over, en dacht, dat ik door een gematigden levens-regel, en de hulp van limonade en tamarinden, die op de Hoop in overvloed groeien, spoedig zoude genezen zyn.
Den 16den, bevond ik my, op de zwakheid na, volmaakt hersteld. Maar denzelfden dag, des morgens ten tien uuren, met JOANNA voor myne wooning zittende, ontving ik een onverwagt bezoek van den heer STEEGER, één van onze Heelmeesters. Na myn pols gevoeld, en myne tong bekeken te hebben, verklaarde hy my, zonder omwegen, dat ik des anderen daags een lyk zoude zyn, indien ik zyn voorschrift niet volgde. Dit gezegde deed op my zulk eene uitwerking, dat ik, schoon op alle andere tyden geene geneesmiddelen inneemende, niet aarzelde, om het geen hy my aanbood, en door hem in een glas was gereed gemaakt, in te zwelgen; maar ik viel byna oogenblikkelyk gevoelloos op den grond.
Ik bleef in dien staat tot den 20sten. Het gebruik van myne zinnen wederom krygende, bevond ik my op een matras leggende, en myne arme JOANNA, die in traanen wegsmolt, naast my zittende. Uit vreeze, dat ik my ontrusten mogt, verzogt zy my, om haar geene vragen te doen; maar des anderen daags verhaalde zy my al wat my was wedervaren. Op het oogenblik, dat ik viel, deed zy my door vier Negers opneemen, die my nederleiden ter plaatse, alwaar ik my nog bevond. De Heelmeester, my op verscheidene plaatsen Spaansche vliegen gelegd hebbende, dog zonder eenige werking, zeide, dat ik dood was, en verliet de Plantagie. Toen liet men myne doodkist maken, om my den 17den te begraven, het geen JOANNA voorkwam, door tot het verkrygen van eenig uitstel op de kniën te vallen. Dadelyk zond zy iemand af naar haare moeije, ten einde haar goede azyn, en een fles zeer oude Champagne wyn te zenden. Zy bediende zig van den eersten, om my by aanhoudenheid de slapen van het hoofd te wryven; zy doopte 'er verscheide neusdoeken in, waar mede zy my de gewrichten van de handen, en de voeten omwond; eindelyk gelukte het haar, om my eenige droppels zeer warmen wyn in een theelepel binnen te krygen. Dit arme meisje, had my, met myn kleine QUACO en een ouden Neger, al dien tyd bewaakt, in de hoop, dat ik 'er nog van zoude mogen opkomen, een geluk, waar voor zy tans God dankte. Ik konde haar niet antwoorden en dank zeggen, dan door eenige traanen, en met haar teederlyk de hand te drukken.
Intusschen ontsnapte ik den dood; maar in weerwil van de zorgen van dit uitmuntend meisjen, aan wien alleen ik het leven verschuldigd was, was ik tot den 15den Juny buiten staat, om alleen te kunnen gaan. Ik was zoo zwak, dat men my als een kind moest te eeten geven, en twee Negers droegen my in een zoort van leuning-stoel. De arme JOANNA, die zoo veel voor my geleden had, was toen zelve zeer ziek.
Deeze staat was zeer verschillende van dien, waar in ik my nog zoo kort geleden bevond. Ik genoot vergenoegen en gezondheid, en op dit oogenblik was ik van beiden beroofd. De heer HENEMAN, myn vriend, die my dagelyks kwam zien, zeide my, dat hy hebbende willen weten, waar in het geneesmiddel, het geen ik had ingenomen, en my noodwendig zoude hebben van kant geholpen, bestond, hy ontdekt had, dat het zelve niet minder was, dan vier greinen braak-wynsteen, onder veertig greinen ipecacuanha gemengd: de Heelmeester had over myn gestel geoordeeld, naar mate van myne grootte, die by de zes voeten is. Ik was over deeze trek van onkunde verontwaardigd. Den 4den Juny, een glas vol Madéra wyn op de gezondheid van zyne Britsche Majesteit gedronken hebbende, zag ik deezen knaap verschynen, om my een tweede bezoek te geven. Ik nam dadelyk één der stokken, dienende om myne leuningstoel te dragen, en liet dien op het hoofd van den weetniet vallen; want ik had nog geen kragt genoeg, om hem een slag toe te brengen. Hy vroeg naar niets meer, en begaf zig zeer schielyk weder in zyn vaartuig. Myne Negers groetten hem, by zyn vertrek, met drie vreugde-galmen.
Twee der kloekmoedigste lieden, die in de Volkplanting waren, de Capitain FREDERIK, en de Capitain STOELEMAN, welke laatstgemelde tot het krygsvolk der Compagnie behoorde, begaven zig toen met de Neger-Jagers in de bosschen. Zy doodden drie of vier muitelingen, en namen een gelyk getal gevangen, die van honger stierven, waar aan zy blootgesteld waaren, na dat de Colonel FOURGEOUD de bosschen doorkruist, en hunnen oogst vernield had. Twee andere muitelingen, op de Plantagie van den heer WINEY, aan de Patamaca-Kreek, hebbende willen stelen, wierden door de slaven gedood, die vervolgens aan elk van hun de rechte hand afkapten. Zy lieten dezelve droogen, en zonden ze naar Paramaribo.
Den staat van zwakte, waar in ik was, my tot allen dienst onbekwaam makende, stelde ik het bevel op de Hoop, in handen van den Officier, die in rang op my volgde. Denkende, dat de verandering van lucht my goed zoude doen, ging ik, na daar van aan den Colonel bericht gegeven te hebben, naar eene nabuurige Plantagie, Egmond genaamd, en aan den heer DE CACHELIEU, een Fransch Edelman, toebehoorende. Ik wierd vergezeld door JOANNA, eenen blanken bedienden, en mynen kleinen Neger. De heer DE CACHELIEU had my verscheidene maalen genoodigd, om hem te komen zien, en niets was tot myn herstel geschikter, dan zyn vrolyk gezelschap, en zyne gastvryheid. Hoe zeer waaren echter deeze hoedanigheden het tegen overgestelde van zyne onrechtvaardigheid en wreedheid omtrent zyne slaven! Zie hier een voorbeeld van de manier, waar op hy dezelven behandelde. Twee Negers hadden eene geesseling verdiend, om dat zy in zyn magazyn met geweld waren ingedrongen, en gestolen hadden, en zy wierden met eenige zweepslagen vry gelaten, om dat ze nog jong waren, terwyl twee anderen, die ongelukkiglyk ouder waren; verwezen wierden, om voor een geringe twist drie honderd slagen te ontfangen.
Aan den heer DE CACHELIEU naar de reden deezer partydigheid gevraagd hebbende, antwoordde hy my, dat die twee jonge lieden eene zeer fraaije huid hadden, en werken konden; maar dat de anderen oud en zedert lang verminkt zynde, tot niets meer goed waren, en dat, wanneer zy omkwamen, de Plantagie het onderhoud, het geen men hun zonder nut verschafte, zoude uitwinnen.—Eenige dagen te vooren, deed op Arentsrust, eene andere Plantagie beneden de evengemelde, de Opzichter aan eenen ongelukkigen Neger, die hem uit naam van den eigenaar een brief bragt, over welks inhoud deeze Opzichter niet voldaan was, vier honderd geesselslagen geven, en zeide hem, dat hy dit antwoord konde brengen aan den geen, die hem gezonden had.
Maar laten wy tot mynen gastheer te rug keeren. In weêrwil van zyne wreedheid omtrent zyne Negers, was hy jegens alle anderen beschaafd, vriendelyk, gastvry, en zeer wellevend. Ik zag op zyne Plantagie een groot getal Chineesche oranjeboomen. Derzelver vruchten verschillen van de andere oranje-boomen daarin, dat ze van binnen veel doorschynender zyn, en een veel geuriger smaak hebben. De schil is ook veel gladder, dunner en bleeker. Maar schoon men zonder hinder eene groote meenigte gewoone oranje-appelen eeten kan, kan men dit niet zeggen van, de Chineesche, wier onmatig gebruik in deeze Volkplanting steeds gevaarlyke gevolgen gehad heeft. Deeze vrucht is van het zelfde zoort, als die van Lissabon aankoomt, en waarschynlyk zyn het de Portugeezen of Spanjaarden, die deeze oranje appelen in Guiana gebragt hebben. Men kan gemakkelyk naargaan, dat de oranje-appelen van dit zoort, als gouden trossen in volkomene rypheid van de boomen afvallende, van veel lekkerder smaak zyn; dan die wy in Engeland eeten, werwaarts men ze zend, wanneer ze nog groen zyn; het is waar, dat zy aldaar vervolgens van kleur veranderen; maar zy komen aldaar nimmer tot hunne waare rypheid. Men kan zig ligtelyk een denkbeeld maken van de geur, die de bloemen van alle deeze oranje-boomen, waar van men hier de fraaiste ruikers maakt, verspreiden. Op de Plantagie Egmond vond ik ook eenige schoone limoenboomen; de vruchten waren groot, en hadden een zeer dikke schil. 'Er waren ook nog zeer zoete limoenen, maar die zeer klein, en naar myn oordeel zeer smakeloos zyn.
Na van de lekkere vruchten van den heer DE CACHELIEU gesproken te hebben, moet ik zyne uitstekende Fransche wynen, en vooral zyn Muscaat-wyn, niet vergeten. In weêrwil van soo veele uitgelezene zaaken, bleef ik steeds zeer zwak, en zonder eetlust. Hoopende, dat het te paard ryden my dienst zoude doen, besloot ik, om de gastvrye wooning van deezen beminnelyken Franschman te verlaten, en verlof te vragen, om eenigen tyd te Paramaribo te gaan doorbrengen.
Den Colonel FOURGEOUD den 9den op Cravassibo aangekomen zynde, om aldaar zyne krygsverrigtingen te hervatten, schreef ik hem een brief, om dit verlof te verkrygen, en zes maanden soldy, die my verschuldigd waren, te vorderen. Hy antwoordde my den 12den en sloeg my het een en ander verzoek af, maar in Zulk een onbeleefden styl, als ik van hem niet verwagtte. Hy scheen aan mynen yver te twyffelen, en schoon hy wel wist, dat ik ziek was, weigerde hy my myn geld, en de noodige geneesmiddelen, om myne gezondheid te herstellen. Ik was daar over zoo veröntwaardigd, dat ik hem een tweeden brief zond, waar in ik hem verklaarde buiten staat te zyn, om iets te doen of te verzoeken, dat met myne eer strydig was, waar van ik hem alle bewyzen geven zoude, die hy eenigzints konde vorderen. Door zwakte geen dienst kunnende doen, volgde ik mynen brief na verloop van twee dagen, en ik vertrok met den heer DE CACHELIEU, in een overdekt vaartuig van agt riemen.
Ik stelde my voor, dat de Colonel by myne komst woedend tegen my zoude zyn; dat hy my in arrest zoude doen gaan, en my eenige uitlegging op myne brieven zoude afvorderen; maar hoe buitenspoorig hy zig ook mogt aanstellen, ik vreesde hem niet, want na alle zyne pogingen om my ongelukkig te maken, verlangde ik den dood boven andere wreedheden.
De heer DE CACHELIEU, ook vermoedende, dat de Bevelhebber tegen my een groot geweld zoude maken, vergezelde my, toen ik by hem ging, doch beiden waren wy bedrogen. De Colonel gaf ons zeer beleefdelyk de hand, en vroeg ons beiden ten eeten, als of 'er tusschen hem en my niets was voorgevallen, maar ik zag die gemaakte houding met verachting, en weigerde zyne uitnoodiging, zoo als ook de Planter deed. Toen ik hem verzogt had my de reden te verklaaren, die hem bewogen had, om my myn verzoek af te wyzen, en my zulk een vreemden brief te zenden, antwoordde hy my: —— Dat dertig of Veertig Oucas-Negers, die onze bondgenooten waren, hem bedrogen hadden, door niets te doen van het geen zy beloofd hadden, terwyl zy in de bosschen waren, en hy zelf zig op Paramaribo bevond; dat hy dienvolgende besloten had, zyne krygsverrigtingen met dubbelen yver voort te zetten. Dit was de reden, die hem bewogen had, niet alleen om my het verzogte verlof te weigeren, maar om zelfs aan alle de zieke Officiers te gelasten, zig oogenblikkelyk by hem te vervoegen, zonder 'er zelfs een enkele van uit te zonderen tot bewaaring van de vaandels en de krygskas, welke hy aan een Quartiermeester had toevertrouwd. De Colonel sprak de waarheid wel, en hy had dezelve niet te kort gedaan, met 'er by te voegen, dat zyne ingekankerde haat tegen eenige andere Officiers en my, hem aanzette, om alles tot ons verderf aan te spannen. Ik moet niet vergeten te verhaalen, dat hy omtrent deezen tyd de orde regelde, welke in het doen der tochten moest gevolgd worden. Te vooren geschiedde alles met verwarring, het geen by vervolg nog maar al te dikwils voorviel.
Byna twee maanden te Egmond hebbende doorgebragt, zonder my aldaar te kunnen herstellen, en zonder verlof te verkrygen, om naar Paramaribo te gaan, verkoos ik liever het bevel op de Hoop te hernemen. De heer DE CACHELIEU vergezelde my derwaarts, en ik onthaalde hem aldaar zoo goed my mogelyk was.
Ik vond op de Hoop mynen vriend HENEMAN, die toen Capitain was. Zoo wel als verscheiden anderen van het krygsvolk, was hy aldaar ziek geworden, en men had hem gelaten zonder geld, zonder Heelmeester, zonder geneesmiddelen. Echter had de Stad Amsterdam verscheide vaten wyn, ingelegde groenten, en andere versche voorraad gezonden; maar alles was voor onze kwynende krygsbenden onzichtbaar, schoon dit zekerlyk het oogmerk van deeze Stad niet was. Ik deed alhier vergeefsche moeite, om ons aandeel in alle deeze mondbehoeften te verkrygen; noch geld, noch geneesmiddelen, noch wyn, noch eenig zoort van ververschingen wierden ons toegezonden. Dus hield onze kwyning aan, en wy verloren onze kragten, in plaats van die wederom te krygen. Ik had echter de minste reden van klagen, want ik wierd door JOANNA en myne dienstboden, die, daags na myne aankomst op de Hoop, de Plantagie van den heer DE CACHELIEU verlieten, bediend; en voorts ontfing ik, als naar gewoonte, geschenken van alle kanten. De grootste onaangenaamheid, welke ik toen ondervond, bestond daar in, dat ik de voeten vol insecten had, chiques genaamd, het geen ik gedeeltelyk toeschreef aan het dragen van schoenen en koussen, geduurende myn verblyf op Egmond. Ik heb reeds gezegd, dat deeze insecten op Devil's-Harwar uittermaten talryk waren, en ik zal deeze gelegenheid waarnemen, om dezelve op een meer opzettelyke wyze te beschryven.
De chiques zyn kleine zandluizen, die tusschen vel en vleesch doordringen, maar in 't algemeen onder de nagels van de voeten, zonder dat men ze gevoelt. Zy zuigen aldaar het bloed, en worden als een groote luis, en de jeukte, die zy dan veroorzaaken, is allerönaangenaamst. Vervolgens komen zy te voorschyn, onder de gedaante van een blaasje, het welk vol eiëren of neeten is, en indien men het breekt, zoo veele jongen voortbrengt. Dezelve verspreiden zig in het zieke deel, en veröorzaaken aldaar zweeren, die dikwils zoo gevaarlyk zyn, dat ik een soldaat gekend heb, wien men met een scheermes de voetzool moest afsnyden, om hem te geneezen. Men heeft in dergelyke gevallen tot de afzetting dikwils toevlucht genomen; en verscheiden lieden hebben zelfs het leven verloren, om dat zy verzuimd hadden deezen vervloekten worm in tyds te doen verhuizen. Op het oogenblik derhalven, dat men een zoort van brandende pyn gevoelt, en eene ongewoone roodheid aan den voet bespeurt, is het tyd, om de chique, die 'er de oorzaak van is, 'er uit te haalen. Dit doet men met een naald, en de Negerinnen zyn 'er zeer bekwaam toe. Zy dragen zorg, om geene onnoodige pyn te veröorzaaken, en om het insect, noch deszelfs nest in de wonde niet te breeken. Op derzelver opening leggen zy vervolgens asch van tabaks-bladen, en in korten tyd is men geneezen. Op het oogenblik, dat ik 'er door besmet was, nam JOANNA eene naald, en haalde uit myn linke voet, tot drie-en-twintig van deeze insecten. Zy huisvesten allen onder de nagels, en men kan naargaan, welk eene verschrikkelyke pyn ik uitstond. Deeze zelfde insecten dragen by de Spanjaarden te Carthagena den naam van Niguas.
Den 21sten, ontfing ik een brief van den Bevelhebber, niet in antwoord op dien, welken ik hem laatst gezonden had, maar, vermits hy zig in de bosschen ging begeven, eenen last vervattende, om hem te Cravassibo, alwaar toen het hoofd-quartier was, alle de mond- en krygsbehoeften, alle de bylen, alle de kook-ketels toe te zenden, welke men op de Hoop niet volstrekt noodig had. Ik deed ze hem des anderen daags toekomen: maar de levensmiddelen waaren 'er in eene kleine hoeveelheid; want een schuit, geladen vol met ossen- en varkens-vleesch, voor den post, alwaar ik my bevond, had in de Rivier schipbreuk geleden.
Den 25sten, wierd de heer STEGER, die Heelmeester, welke my byna had doen omkomen, zoo dat ik de gevolgen van zyne onkunde nog gevoelde, van het Regiment weggezonden, als onbekwaam tot de uitoeffening van zyn beroep. Schoon myne gezondheid op dit tydstip nog niet hersteld was, doch ziende, dat verscheiden Officiers zig gereed maakten om den Colonel te volgen, verzogt ik hem, om my zulks mede toe te staan. Maar toen, den 26sten, zyn Adjudant, met een Heelmeester, het krygsvolk, aan de Commewyne gelegerd leggende, onderzogt, vonden zy beiden my buiten staat, om de vermoeienis van zulk eenen tocht door te staan. Dit was waar; en den 29sten, weder ingestort zynde, had ik het genoegen, om my als Bevelhebber aan de Rivier afgelost te zien door den Majoor MEDLAR, die deezen zelfden dag tot dit einde op de Hoop kwam. My was echter bevolen, om deezen post niet te verlaten, schoon het verblyf van een maand te Paramaribo my een volkomen herstel zoude hebben kunnen bezorgen, ik had dus niets meer te doen, dan myne teekeningen voort te zetten, waar voor de evengemelde Officier my eene vry aanzienlyke somme aanbood; maar ik wilde, zoo 't mogelyk was, myne verzameling volledig maken. Wanneer ik 'er de krachten toe had, wandelde ik rondom de Plantagie, met myn snaphaan op den schouder; en den 3den September schoot ik, onder verscheide andere vogelen, een zeer kleinen vogel, alhier Kibry-fowlo genaamd, om dat hy zig altyd verscholen houdt. Deeze vogel, hebbende de grootte van een lyster, is ten aanzien van deszelfs pluimaadje en gedaante gelyk aan een quartel; maar zyne pooten zyn een weinig langer, en zyn bek is uittermaten puntig. Zeldzaam ziet men hem vliegen; maar hy loopt zeer schielyk in de weiden en Zand-woestynen, alwaar hy zig verschuilt, zoo dra hy bemerkt, dat men op hem loert. De vogel, dien ik doodde, was zeer vet, en toen hy gereed gemaakt was, vond ik hem zoo lekker, als een leeuwrik in Europa.
Den 11den September verliet de Colonel FOURGEOUD Cravassibo, en ging den vyand in de bosschen vervolgen; hy voerde met zig alle de manschappen, in staat zynde om hem te volgen, welke hy by één kon krygen, maar geen hooger getal beliepen, dan van honderd mannen. Vooraf had hy het krygsvolk van den post van de Savane der Joden doen te rug trekken, om dezelve op de verlaatene Plantagie Ornamibo, aan het bovenste gedeelte van de Commewyne, te plaatsen, laatende dus de Planters van de Rivier Surinamen aan hunne eigene verdediging over.
Den 19den van deeze maand, in den morgenstond, kwam een hoop van meer dan twee honderd wilde varkens, alhier Pingos genoemd, in het bosch verdwaald geraakt zynde, op de Hoop, en liep over de Plantagie. De Negers vervolgden hen, en doodden 'er meer dan twintig van, door houwen met snoeimessen en bylen. 'Er zyn drie zoorten van wilde varkens in Guiana: de Pingos of Wary, waar van ik tans spreeke; de Cras-Pingos; en de Mexicaansche varkens, genaamd Peccaris. De Pingos hebben ten naasten by de grootte van onze kleine Engelsche varkens. Zy zyn zwart, en hebben het lyf met zeer harde, maar niet zeer digt tegen elkander staande borstels bedekt: zy verzamelen zig tot kudden, ten getaale zomtyds van meer dan drie honderd, en bewoonen de dikste gedeelten der bosschen. Zy loopen altyd op eene lyn, volgende de een den ander van zeer naby. Wanneer de geen, die voorloopt, of de geleider, gedood word, is de linie dadelyk gebroken, en de geheele kudde is in wanörde; hierom beginnen de Indianen, zoo het hun mogelyk is, altyd met den voorsten het eerst te treffen. Zoo dra hy is afgemaakt, houden de anderen zig stil, elkander op eene domme wyze aankykende, en laaten zig één voor één dood slaan, waar van ik getuige geweest ben. Zy tasten geene menschen aan, en bieden hun geen wederstand, zelfs wanneer ze gewond zyn, zoo als de wilde zwynen in Europa doen, hoe zeer verscheiden Schryvers dit tegen de waarheid verhaald hebben. Ik kan niet zeggen, of zy de honden aanpakken, want ik had 'er geen, toen ik hen ontmoette.—De Cras-Pingos zyn dik, en zyn tot sterke verdediging gewapend. Hunne borstels zyn nog veel ruwer, dan die van de eerstgemelde. De varkens van dit zoort zyn zeer gevaarlyk, zoo door hunne kracht, als door hunne woestheid. Zy tasten menschen en beesten aan, die hunnen, weg belemmeren willen, vooral wanneer ze gewond zyn. Hunne manier van reizen is dezelfde, als die der andere Pingos, en zy verzamelen zig ook tot talryke kudden; maar zy houden zig voornamelyk in de binnenste gedeelten des Lands op. De varkens van deeze beiderleije zoorten, wanneer zy in het bosch het minste gerucht hooren, het welk hun de aannadering van eenig gevaar te kennen geeft, staan eensklaps stil, vormen zig tot een naauw ingesloten hoop, knarssen met de tanden, en maken zig dus tot hunne verdediging tegen den vyand gereed. Ik geloof niet, dat ze oorsprongelyke bewooners van Guiana zyn, maar uit Africa en Europa afkomstig. De Indianen eeten hun vleesch met graagte; de blanken houden 'er veel van, en ik vond het hard, droog en smakeloos.—De Peccaris, of Mexicaansche varkens, worden gehouden voor de eenigen, die uit Guiana oorsprongelyk zyn, en zy mengen zig niet onder de andere tamme of wilde varkens. Het dier van dit laatste zoort is byzonder merkwaardig door een beurs of zak op den rug, die men gewoonlyk voor zyn navel neemt, en die byna een duim diep zynde, een stinkend vocht in zig vervat, waar van echter zommige lieden de reuk by die van muscus vergelyken, maar die zoo onaangenaam is, dat de Indianen, op het oogenblik, dat het dier gedood is, zorge dragen, om 'er het vleesch rondsom uit te snyden, ten einde voor te komen, dat het verdere 'er niet door bedorven worde; het geen anders schielyk plaats zoude hebben, en wel zoo sterk, dat het onëetbaar worden zoude. De Peccaris is by de drie voeten lang: hy heeft geen staart zyne leden zyn wel gemaakt; hy kan zig weinig verdedigen. Zyne borstels, van eene geelachtig gryze kleur, gelyken zeer veel naar de stekels van den Engelschen egel. Zy zyn zeer lang op den rug, maar zeer kort en zeer zeldzaam aan den buik en in de zyden. Dit dier heeft op elken schouder een vlak van een helderer kleur, dan het overige van zyn lichaam, loopende onder den hals in één, en veel gelykheid hebbende met den halsband van een paard. De varkens van dit zoort zyn op de lange en moerassige landen minder bekend, dan binnen in het Land, alwaar zy in de Savanen en op de bergen leven. Zy worden gemakkelyk tam gemaakt, en dan zyn zy mak en stil, maar zoo dom niet, als de Graaf DE BUFFON voorwendt. Deeze natuurkenner zegt, dat zy niemand herkennen, en geene verkleefdheid hebben aan de geenen, die hun voedzel geven; echter had de Majoor MEDLAR 'er een op de Hoop, die hem als een hond volgde, en zigtbaar genoegen schepte, door zynen meester gestreeld te worden. Ik moest ook opmerken, dat wanneer men ze tergt, zy zeer gevaarlyk en kwaadaartig zyn. De Peccaris loopen met groote troepen, even als de andere zoorten; hunne wyfjes werpen verscheiden jongen te gelyk; en hun geknor is zeer onäangenaam en sterk.