De groote Mier-eeter is, een slecht looper. Hy zet zig altyd op het achterste van de langste zyner pooten, even als de Coati, of de Beer; maar hy klautert beter; en hy is zoo sterk in het vechten, dat geen hond zig aan hem durft wagen; want geen dier, dat onder zyne voor-klauwen koomt, en zelfs de Jaguar, of de Guiaansche Tyger, wordt door hem los gelaten, dan wanneer hy hem dood gemaakt heeft. Zyn voedzel, zoo als if gezegd heb, bestaat, voornamelyk in mieren, welken hy op de volgende wyze vangt:—Wanneer hy by een mieren-nest koomt, steekt hy zyne tong uit, die by de twintig duimen lang is, en zeer veel gelykheid op een worm heeft; door eene slymige stoffe, of speekzel, bevochtigd zynde, blyven de mieren 'er in een groot aantal aan hangen; de mier-eeter haalt vervolgens zyne tong in zynen bek te rug; en hy herhaalt deeze bewerking, zoo lang nog eenige van deeze insecten in hunnen schuilhoek overig zyn; daar na gaat hy elders zoeken, om het zelfde zoort van voedzel op gelyke wyze naar zig te nemen. Hy klautert ook op de boomen, om aldaar houtluizen en wilden honig te eeten; maar indien hy het noodige voedzel voor zig niet vindt, kan hy een langen tyd vasten, zonder daar van het geringste ongemak te ondervinden. Men zegt, dat men dit dier kan tam maken, en dat hy, in dien huishoudelyken staat, kruimels brood, en zeer kleine stukjens vleesch doorslikt; men beweert bovendien, dat zyn vleesch aan de Indianen en Negers een goed voedzel verschaft; ik heb de laatstgemelden ten minsten het zelve met smaak zien eeten. Eenige mier-eeters zyn niet minder dan agt voeten lang, van den kop tot de staart gerekend.
In Surinamen vindt men ook een dier van het zelfde zoort, Tamandua genaamd: maar hy is kleiner en zeldzamer. Hy verschilt van den bovengenoemden daar in, dat hy twintig klaauwen heeft, den kop naar evenredigheid grooter, de staart kleiner, en afgedeeld door zwarte streepen, en van eene bleek geele kleur. 'Er is ook nog een derde zoort, welk dier insgelyks den naam van Mier-eeter draagt; maar ik heb hem nooit gezien.
Den 3den kwamen zes andere vaartuigen van Paramaribo aan; zy waren geladen met soldaten, die het getal van drie honderd vyftig mannen, uit Holland gezonden, volkomen uitmaakten. Vernomen hebbende, dat onder deeze nieuw aangekomenen zig bevond een Capitain, CHARLES SMALL genaamd, die onder de Schotsche Brigade gediend, en met den Vaandrig MACDONALD geruild had, zakte ik dadelyk in een kano de Rivier af, om deezen Officier op te zoeken, en hem mynen dienst aan te bieden. Ik was naauwlyks op zyn vaartuig gekomen, of ik zag hem aan eene heete koorts in zyne hangmat ziek leggen. My niet herkennende, uit hoofde van myn plunje, die niet veel beter was, dan van den gemeensten matroos, vroeg hy, wat ik begeerde; maar wanneer hy in my zynen ouden vriend STEDMAN herkende, in eenen zoo verschillenden staat, als hy hem voor deezen gekend had, drukte hy my de hand, en smolt in tranen weg, zonder een enkel woord uit te brengen. Deeze aandoenlyke beweging, waar door zyne ziekte verërgerde, gaf my een sterker bewys van zyne vriendschap voor my, dan eenig gesprek zoude hebben kunnen doen. Ik nam hem derhalven in myne kano, en bragt hem in myne hut, alwaar men veel moeite had, om hem door een gat, het welk men opzettelyk maakte, te doen binnen treden, want het gat in het dak konde alleenlyk voor my tot een ingang dienen. Zyne hangmat dicht by de myne hebbende doen ophangen, liet ik water koken, waar in ik rhum, suiker en een weinig bischuit deed; de zieke nam deeze soup, en van dit oogenblik aan wierd hy beter. Hy verhaalde my, dat één van zyne soldaten in den overtocht verdronken was, en dat wanneer de Colonel FOURGEOUD aan de nieuwlings ontscheepte Officiers een dans-party gegeven had, op welke één van zyne koks en twee soldaten de plaats van Musikanten vervulden, hy aldaar, door te veel te danssen, zig zyne ziekte had op den hals gehaald.
Korten tyd daar na, verscheen de Colonel zelf in de legerplaats, en kondigde ons aan, dat door de aankomst van nieuwe Officiers, verscheiden onder ons hunnen rang in het Regiment en in het leger verloren: dit was de belooning voor allerleije zoorten van vermoeijenissen, gevaaren, en onäangenaamheden, geduurende vier jaaren lang in eene verzengde luchtstreek. Om de maat van ellende vol te meten, gelastte men ons, in plaats van ons naar Europa te rug te roepen, om in de bosschen van Surinamen te blyven, en aldaar de geenen, die ons moesten vervangen, in den dienst te onderrigten.
De post van Majoor wierd my toen opgedragen. Dezelve was zeer onäangenaam: men moest dagelyks soldaten kastyden, die om hunnen honger te stillen, het magazyn beroofden; want hun ontbrak brood eene geheele week lang, dewyl de oven reeds was afgebroken. Een van deeze arme keerels wierd byna tot den dood toe gegeesseld, om dat hy een gerookte worst ontvreemd had van den Colonel, die nooit vergat, om ten minsten zes sterke Negers te beladen met allerleije zoorten van gezouten kost, thee, koffy, suiker, Madéra-wyn, brandewyn, genever, enz.
Den 8sten, kwam eindelyk een vaartuig aan, niet alleen gezouten vleesch en bischuit in hebbende, maar ook een levendige os en twee varkens.
Deeze dieren waren een geschenk van zekeren Colonist, FELMAN genaamd, die door zyne vrouw en eenige vrienden vergezeld zynde, den Colonel een bezoek kwam geven. De varkens en de os wierden dadelyk geslagt, en onder vier honderd menschen verdeeld, zoo dat men gemakkelyk kan naargaan, dat ieders rantsoen niet zeer groot geweest kan zyn. Na deeze uitdeeling, bezichtigde het geheele gezelschap onze onderscheidene woningen. Aan de myne gekomen zynde, wandelde de Colonel dezelve rond; maar geen deur ziende, riep hy uit: "Is hier niemand in?" Ik stak oogenblikkelyk myn hoofd door het gat in het dak, en bood de vrouwen aan, om door het zelve by my in te komen; maar zy bedankten 'er beleefdelyk voor. Ik heb den Colonel nooit zoo hartelyk zien lachen. Zoo dra hy spreken kon, riep hy uit: Men moet STEDMAN zyn!—Men moet zoo origineel zyn, als hy. Hy bragt vervolgens het gezelschap weder in zyne woning; maar vooraf noodigde hy my, om hem aldaar te volgen.—Toen de Capitain SMALL en ik van daar heen gingen, deeden wy eene wandeling in eene fraaije Savane, alwaar wy eene hut van takken van boomen hadden opgericht, waar aan wy den naam gaven van Ranelagh, en wy namen aldaar van tyd tot tyd eenige ververschingen van koud eeten, waar door myn voorraad schielyk op geraakte. Wy moesten dus by vervolg van ons rantsoen leven; maar SMALL had toen het genoegen te zien, dat zyne medgezellen van gelyken deeden. Deeze, niet gewoon zynde aan het zuinig leven, het welk in onze bosschen zoo noodzakelyk was, hadden van hun meel puddings gemaakt, en zagen zig toen gedwongen, om scheeps-bischuit te eeten.
Den 12den, kregen honderd vyftig mannen van het nieuwe krygsvolk bevel, om op te trekken. Elk hunner was, behalven met zwaare kleederen, met een hangmat en een zeer zwaar randsel beladen. Myn vriend SMALL was onder dit getal; hy was zeer dik, en zoo verzwakt, dat hy naauwlyks gaan konde. Ik deed dit aan den Colonel opmerken, die hem veroorloofde, om zig voor een gedeelte van dien toestel te ontlasten.
Alles op die wyze in gereedheid zynde, nam deeze hoop krygsvolk haaren weg rechts af, en, vertrok met den Colonel FOURGEOUD aan het hoofd, om zig naar de Rivier Maroni te begeven.
De Colonel was in dit oogenblik ten mynen opzigte wel zoo beleefd, als ik hem verlangen konde, maar de rechtvaardigheid dwingt my te verklaaren, dat hy in alle andere opzigten zoo heerschzuchtig en onmeedogend was, als ik hem immer gezien heb. Hy scheen in het begrip te staan, dat zyn rang die handelwyze van hem vorderde.
In zyne afwezigheid voer ik de Rivier over, en hieuw aan de andere zyde van de Cottica eenen palmboom om, het geen ik deed, niet alleen om de kool, maar om dat ik wist, dat de worm in veertien dagen goed zoude zyn om te eeten.
Het bosch van dien kant met mynen Neger QUACO doorwandelende, viel myn oog op den cederboom, het bruine hart, en de kogel-boom. De eerste verschilt, in weêrwil van deszelfs naam, van den cederboom op den berg Libanon, die eene spits toeloopende gedaante heeft. Die van Surinamen groeit mede tot eene groote hoogte op; maar men stelt zyne waarde voornamentlyk daar in, dat deszelfs hout nooit door wormen, noch andere insecten geknaagd wordt, en een ongemeen bitteren smaak heeft. Het heeft ook een aangenaame geur, en men verkiest het daarom boven alle ander hout, om koffers, kisten, kassen, en allerleije zoort van schryn-werk te maken. Het dient ook tot het bouwen van tent-jachten en andere vaartuigen. De kleur van het spint van dit hout is bleek oranje. Het is hard en te gelyk ligt; en uit den stam druipt een gom, veel gelykende naar Arabische gom: dezelve is doorschynende en zeer welriekende.
De boom met het bruin hart is van dezelfde dikte en hardheid, als de boom met het purper hart, en die met het groen hart, waar van ik melding gemaakt heb. Hy dient tot groote werken, en voornamelyk tot het bouwen van molens. De kleur, die zeer fraay is, is met deszelfs benaming overeenkomstig.
De Kogelboom groeit zomtyds hooger dan zestig voeten; maar naar mate van zyne hoogte is hy niet dik. Zyne schors is gryskleurig en glad; zyne spint bruin, over 't geheel wit gevlakt. Geen boom is hem in zwaarte gelyk; de zyne gaat die van het zeewater te boven. Hy is zoo in één gedrongen, dat zonneschyn en regen geene uitwerking op hem doen. Dienvolgende maakt men 'er latten van, om 'er de daken mede te dekken, in plaats van met leijen of pannen, die in dit Land te zwaar en te heet zouden zyn. Men verkoopt deeze latten voor meer dan veertig guldens de honderd te Paramaribo, en men behoeft ze niet te vernieuwen, dan na verloop van vyf en twintig jaaren.
Ik moet ook nog spreken van een anderen boom, Ducolla-bolla genaamd, die men insgelyks in de bosschen van Guiana vindt. Hy heeft eene zeer donkere roode kleur, en een zeer gelyk en fyn erf. Zyne hardheid en zwaarte maken hem voor den schitterendsten glans vatbaar.
Omtrent op deezen zelfden tyd, wierd het geheele leger gekweld door insecten, in Surinamen genoemd hout-luizen, maar welken men met meerder gepastheid witte mieren zoude kunnen noemen, want zy hebben zeer veel gelykheid op mieren. Het grootste onderscheid tusschen deeze beiden bestaat daar in, dat de mieren in den grond woonen, en deeze houtluizen hunne nesten op stammen van boomen maken. Deeze nesten, die zwart, rond, onregelmatig zyn, veel gelykende naar den wolligen kop van eenen Neger, maar zomtyds zoo groot als een half vat, zyn gemaakt van eene roodachtige aarde, zoo in één gedrongen als mastik, en ondoordringbaar voor het water. In dezen hoop, bestaande in een eindeloos getal gemeenschappelyke wegen of loopgraven, die de gedaante hebben van de schacht van een ganzen-veder, leven deeze dieren in talryke zwermen; en wanneer zy 'er uitkomen, richten zy de verschrikkelykste verwoestingen aan, meer dan eenige andere insecten in Guiana. Zy doorknagen het hardste hout, het leder, het linnen, en alles wat zy ontmoeten. Zy komen dikwils in de huizen door een bedekten weg, van eene halve cirkelswyze gedaante, welken zy in de beschotten maaken, en die door deszelfs omwegen zomtyds verscheide honderde voeten lang is. Dewyl zy alles tot stof vermalen, indien men, dezelven bespeurende, geene zorge draagt om ze uit te roeijen, het geen door middel van rottekruid en terpentyn-olie geschiedt, zyn deze insecten in staat om het geheele huis met eene volkomene instorting te bedreigen. De houtluizen verschaffen, in weerwil van hunne walgelyke en stinkende reuk, een goed voedzel aan het gevogelte, het welk, zoo men zegt, 'er veel gretiger op is, dan op het graan van Indisch koorn. Ik moet niet met stilzwygen voorbygaan, noch hun ongemeen vernuft in het herstellen van hunne woning, wanneer die beschadigd is, noch hun voortteelend vermogen, het welk zoo groot is, dat men, welke verwoesting men ook onder hen maakt, hen spoedig weder ziet te voorschyn komen, in een zoo aanzienlyk getal als bevoorens.
Wy wierden bovendien dikwils gekweld door geheele wolken van vliegende luizen, die zomtyds onze kleederen zoodanig overdekten, dat ze het voorkomen van eene gryze kleur hadden. Dit ongemak sproot voort uit de uitspreiding van haare vlerken, (vier in getal zynde) die aan de stoffe van het kleed blyven vast zitten, en zig van het lichaam van het insect afscheiden, wanneer het in de hoogte vliegt. Eenige Natuurkundigen beweeren, dat de vliegende luizen geene andere zyn, dan de bovengemelde houtluizen, en die, tot zekeren ouderdom gekomen zynde, vlerken krygen, hun nest verlaten en rond vliegen, even als zommige andere mieren, zoo in Europa, als in America.
De krygstucht was toen zoo gestreng in het leger, dat ieder, die het minste gerucht maakte, zwaar gestraft wierd, en zelfs gedreigd, om te worden doodgeschoten. De schildwachten hadden last, om van de aankomst van rondes alleenlyk door fluiten bericht te geven, en men beantwoordde hun op gelyke wyze.
Een van onze soldaten, den 18/den, veroordeeld zynde geworden, om door de spitsroeden te loopen, vermits hy hard gesproken had, vond ik middel, by afwezigheid van den Colonel FOURGEOUD, om hem vergiffenis te doen verkrygen, op het zelfde oogenblik, dat hy reeds uitgekleed was, om zyne straf te ontfangen.
Den 23sten, ontfing ik verschen voorraad en wyn, my van Paramaribo gezonden; alles kwam zeer ter sneede. Den zelfden dag kwam de Colonel FOURGEOUD met zyne manschappen van zynen tocht naar de Rivier Maroni te rug. Hy had negen en vyftig huizen verwoest, en drie bebouwde velden vernield. Op die wyze wierd zekerlyk aan de muitelingen de doodsteek toegebragt, daar zy, geen middel meer hebbende, om aan deeze zyde der Rivier te kunnen bestaan, genoodzaakt waren dezelve over te trekken, en zig in de Fransche Volkplanting van Cayenne te gaan nederzetten. Op deezen moeijelyken, doch noodzakelyken tocht, hadden de soldaten, en vooral de nieuwlings ontscheepten, verbazend veel geleden. Men was verplicht een groot aantal derzelver in hunne hangmatten te dragen; men liet meer dan dertig zieken op den wachtpost aan de Maroni, en myn vriend SMALL kwam 'er vry wat vermagerd van daan.
'Er waren toen meer dan honderd mannen, die in het hospitaal van onze legerplaats gevaarlyk ziek lagen. Men hoorde niets, dan zuchten en kermen, en daar by alle nachten het geschreeuw der Guiaansche steen-uilen. De kramp, een ongemak, in Surinamen zeer gemeen, kwelde de geenen, die anderzints nog in staat waren om dienst te doen. Elk was in de grootste droefheid gedompeld. Hier zag men iemand, van het hoofd tot de voeten, met bloedende zweeren bedekt; daar weder een ander, die door twee van zyne medgezellen gedragen wierd, en in eenen diepen slaap bedolven, den eeuwigen slaap ingong, in weerwil van alle de schuddingen en bewegingen, die men te werk stelde om hem te doen ontwaken. Een derde, door de waterzucht opgezwollen, stierf, door het water verstikkende, na den Heelmeester, (die doorgaands antwoordde, dat het te laat was,) vrugteloos gebeden te hebben, om hem het zelve af te tappen. Zommigen, zig in het Hospitaal bevindende, baden God met gevouwen handen, om hun te hulpe te komen. Verscheiden" door eene heete koorts aangetast, trokken zig de hairen uit, braakten lasteringen uit tegen de Voorzienigheid, en vervloekten den dag hunner geboorte. Om kort te gaan, onze gesteldheid was zoodanig, dat men de pen van eenen MILTON zoude noodig hebben, om ze te beschryven; en terwyl de dood dagelyks nieuwe verwoestingen aanrechtede, geraakte een gedeelte der legerplaats, door zeker toeval, geheel in brand; maar de Negers bluschten den brand spoedig, zonder dat 'er eenige wezentlyke schade uit voortkwam.
Den 26sten, echter, begon myne ellende ten einde te loopen. De Colonel bood my, tot myne groote verwondering, aan, om hem naar Paramaribo te vergezellen, het geen ik zonder bedenking, en met genoegen aannam. Ik gaf derhalven myn huis, de hut in de Savane, en myn voorraad van levensmiddelen aan mynen vriend, den Capitein SMALL, ten geschenke. Ik onthaalde hem, benevens eenige andere Officiers, ter middagmaal, en gaf hun een kookzel van kool en palmboom-wormen, die nu volkomen goed geworden waren. Wy besproeiden dit eeten met eenige glazen wyn, die van goeder harter wierden ingeschonken, en ik nam myn afscheid. Te middernacht ging ik met den Colonel en twee andere Officiers, in een fraay vaartuig van zes roey-riemen. Ik verliet derhalven nog eenmaal deeze sombere bosschen, alwaar men zoo veele wonderen ziet, maar tevens onheilen ondervindt, die naar de gedachten van hun, die dezelven moeten doorstaan, de tien plagen van Egypten te boven gaan.
Toen het vaartuig het anker geligt had, verklaarde ons de Bevelhebber, dat hy de bosschen der Volkplanting van alle kanten gezuiverd, en de muitelingen genoodzaakt hebbende, de Maroni over te trekken, besloten had om deezen langen en gevaarlyken tocht in eenige weeken te doen eindigen.
Na den geheelen nacht gevaaren te hebben, bevonden wy ons des morgens tegen over den nieuwen weg van gemeenschap, dien wy ons by onzen ouden wacht-post van Devil's Harwar gebaand hadden; en des middags, kwamen wy op de Plantagie la Paix, welkers eigenaar, de heer RIVIERE, ons ter maaltyd onthaalde. De Colonel en zyn Adjudant begaven zig vervolgens naar Paramaribo, maar een ander Officier en ik verlieten hem hier, en gingen naar het strand, op eenen kleinen afstand van de laatstgemelde Plantagie, om wulpen en watersnippen te schieten.
By het gaan en te rug komen gingen wy voorby twee posten van het krygsvolk der Sociëteit, wier Bevelhebbers de vaandels lieten opsteeken, en ons ververschingen, en alles, wat in hun vermogen was, aanboden. Onze jagt was niet zeer voordeelig, en wy schoten alleenlyk watersnippen. Zy vlogen 'er in zulke talryke meenigte, dat men ze voor wolken die de lucht verduisterden, zoude hebben aangezien. Het was dus voldoende, wanneer wy in het wilde schoten, om 'er twintig te gelyk te doen vallen; maar zy waren van zulk een klein zoort, dat het der moeite niet waardig was, om ze op te raapen. Wy zouden vogelen van meer aanbelang hebben kunnen dooden, als lepel-ganzen, Brazilsche oyevaars, roode wulpen, en verscheiden zoorten van wilde eendvogels, indien de zee by ongeluk niet eenige landen overstroomd had, die tusschen ons en de bank, waar op deeze vogelen zig bevonden, gelegen waren. Wy hadden met dit al het genoegen van dezelven te zien. Deeze bank geleek, op eenigen afstand, naar een scharlaken en purperkleurig tapyt, met verscheiden zoorten van kleuren doorweven.
De Lepel-gans heeft de grootte van een gewoone gans, en gelykt veel naar een kraanvogel. Zyne korte pooten zyn aan het einde voorzien van een vlies, maar het welk zig niet verder uitstrekt dan tot op een derde der lengte van deszelfs klauwen. Zyne vederen, die wit zyn, wanneer de vogel jong is, krygen vervolgens eene fraaije rozen-kleur. Zyn bek is waarlyk opmerkelyk: rond, plat, en breeder zynde aan het einde, dan aan het begin, en in het midden, gelykt dezelve naar een spatel; en van die overëenkomst ontleent deeze vogel ook zynen naam. Men zegt dat hy kikvorschen, hagedissen en rotten eet; maar visch moet zyn voornaame voedzel wezen, want zyn vleesch smaakt 'er naar: hy wordt veel aan het strand gevonden.
Den Surinaamschen Jabiru kan ik niet beter vergelyken, dan by een oyevaar; maar hy is veel dikker. Hy wordt daarom ook wel de Brazilsche Oyevaar genoemd. Deeze vogel heeft eene pluimaadje op het lyf zoo wit als melk; maar de vederen der vlerken en de staart zyn zwart. Zyne pooten en klaauwen zyn uittermaten lang; en ik heb opgemerkt, dat hy, strydig met het gebruik van alle andere vogelen, zig dikwils op het agterste gedeelte van zyne pooten zet. Zyn hals en bek zyn buitengewoon lang; de laatstgemelde is sterk, en eindigt met een kromme bogt. De kop van den Jabiru is volmaakt zwart; de Hollanders noemen hem daarom Neger-kop. Hy houdt zig op aan de zee-kusten, even als de voorgemelde, en leeft alleen van visch. Men maakt hem gemakkelyk tam. Ik heb 'er twee onder het gevogelte van den Colonel FOUREROUD gezien.
'Er zyn in Surinamen onderscheiden zoorten van wilde eendvogelen: zy zyn niet groot; maar hunne fraaije vederen hebben verschillende schitterende kleuren. Daar onder munten voornamelyk uit de Cawerirky, de Soukourourky, en de Annaky: de laatstgemelde is de kleinste van allen. Geen waterhoen, van wat zoort die ook wezen mag, is lekkerder om te eeten, dan deeze eendvogels. Men maakt ze insgelyks tam, en ontmoet ze dikwils onder het gevogelte op de Plantagiën.
Den 28sten een vaartuig gevonden hebbende, het welk de Cottica afzakte, maakte ik 'er gebruik van, om my naar Paramaribo te begeven, alwaar ik dien zelfden avond wel gemoed en gezond aankwam.
Myne vrienden wenschten my geluk, dat ik nog leefde, na aan zoo veele gevaaren bloot gesteld te zyn geweest; na van alle hulp ontzet, door distelen en doornen van één gereten, door insecten gestoken te zyn; na uitgehongerd, afgemat, en op alle manieren gefolterd te zyn; na dikwils gebrek aan kleederen, geld, ververschingen, of geneesmiddelen gehad te hebben; en eindelyk na het verliezen van zoo veele brave medemakkers, die in dit Land hun graf gevonden hadden. Dus eindigde myne zevende en laatste veldtocht in de bosschen van Guiana.
EINDE VAN HET DERDE DEEL.
BERICHT VOOR DEN BINDER.
Plaat Bladz.
XXX. Een oproerige Neger, op Schildwacht
staande; te plaatsen tegen over 4
XXXI. Het doorwaden van een Moeras, in
Guiana, door het krygsvolk. 22
XXXII. Platte grond van de Hoofd-legerplaats, tusschen de Rivieren Cottica en Maroni; benevens de manier, om in de bosschen van Surinamen te legeren. 52
XXXIII. Gezicht der legerplaats aan de Java-Kreek:—als
mede by Jerusalem. 134
XXXIV. Eene Indiaansche Vrouw, tot het geslacht
der Arrowoukas behoorende. 156
XXXV. Het Colibrietje of Bromvogeltje. 188
XXXVI. Een huisgezin van Loango-Neger-slaven. 236
XXXVII. Speeltuig der Negers. 274
XXXVIII. Gezicht van de Savane der Joden:—mitsgaders van den Berg Parnassus, of blaauwen Berg. 284
XXXIX. Manier om in de bosschen van Surinamen te slapen.—Boeren-hut, tot een buiten-verblyf. 326
NOTES
[1] De Negers hebben de onmenschelyke gewoonte, om de lyken hunner vyanden te verminken en te verscheuren; zommigen zelfs doen dit, even als de Caraïben, met hunne tanden.
[2] Men zie het Pourtrait van den Schryver, voor het eerste Deel van dit werk geplaatst.
[3] De Indianen maken de buitenste bast van deeze vruchten glad, na dat ze ledig gemaakt en gedroogd zyn, en doorvlammen dezelve op eene fraaije wyze met Roucoa en andere schoone kleuren, in acajou gom gemengd zynde. Hunne teekeningen, in 't wilde gemaakt, zyn vry juist voor lieden, die geene liniaalen noch passers hebben. Men ziet deeze werken nu en dan in de kabinetten van zeldzaamheden.
De inwooners der plaatsen, alwaar de Calebassen-boom groeit, beschouwen het vleesch van deszelfs vrucht als een algemeen geneesmiddel voor een groot aantal ziekten en toevallen. Zy gebruiken het tegen de waterzucht, buikloop, kwetsingen door vallen veröorzaakt, kneuzingen, ongemakken van wegen het steken der zon, hoofdpynen, zelfs om verbrandingen te geneezen. Zy maken 'er een geestryken drank van, naar onze limonade gelykende. Tegenwoordig heeft men het gebruik, om dit vleesch te laten koken, het afkookzel door een doek te gieten, vervolgens suiker daar in te mengen, en daar van eene buikzuiverende Syroop te maken, welke men op de Eilanden dikwils gebruikt, om geronnen bloed kwyt te raken: deeze Syroop word tans in Frankryk gemeen, alwaar men ze voor de borst gebruikt. Zy is bekend onder den naam van Calebassen-Syroop.
MILLER bericht ons, dat men, uit aartigheid, en met een goeden uitslag, den Americaanschen Calebassen-boom, in een broeikas van gematigde warmte, in Europa had aangekweekt; deeze boom vordert een ligten grond, en meenigvuldige besproeijingen. Men plant hem voort door stekken en versche korrels of pitten in den grond te steken.
Aanteek. v. d. Franschen Vertaler.
[4] STEDMAN zegt in eene aanteekening, by deeze gelegenheid, te gelooven, dat deeze slang tot het zelfde zoort behoort, waar van Dr. BANCROFT spreekt, die, in navolging van de Indianen, denzelven de kleine Labarra noemt, waar van de beschryving alhier volgt:
"De kleine Labarra heeft ten naasten by de lengte van veertien voeten, en de dikte van een gewoone zwanen-schacht. Hy is bedekt met kleine blinkende schubben van eene donker bruine kleur, en eene meenigte witte vlakken. Zyne staart is klein en spitsachtig toeloopende, zyn kop een weinig plat, en grooter dan het overig gedeelte van zyn lichaam. Een ongelukkig voorval, onlangs op de Plantagie la Conception, in de Volkplanting Demerary, gebeurd, bewyst de kwaadaartigheid van het gift van deezen slang. Hy, die daar van de doodelyke gevolgen ondervondt, was een Neger-slaaf, een timmerman van zyn ambacht. Aan zyn werk zynde, en een stuk hout willende omkeeren, beet een slang van dit zoort, die 'er onder verborgen lag, hem in dien voorsten vinger van zyne rechte hand. De uitwerking van dit vergift was allergezwindst. De Neger had naauwlyks den tyd gehad, om den slang te dooden, of hy konde het niet langer op de been houden, maar viel op den grond ter neder, en stierf in minder dan vyf minuten. Het bloed, eene zoo schielyke ontbinding ondergaande, liep uit de slagaderen, en deedt op alle de uitwendige deelen van het lichaam purper-vlakken te voorschyn komen. 'Er volgde ook eene bloedstorting uit neus, ooren en mond, enz. Ik ben van dit geval geen ooggetuige geweest, maar ik verhaale het volgens het gezegde van lieden, wier geloofwaardigheid niet in twyffel kan getrokken worden, en die 'er by tegenwoordig waren, toen het voorviel".
De andere slang, waar van STEDMAN in het vervolg spreekt, schynt de
Cenco te zyn, en met de evengemelde veel overëenkomst te hebben.
Aanteek. v. d. Franschen Vertaler.
[5] Men vindt van dit dier, onder deeze benaming, eene beschryving in het Dictionn. d'Hist. Natur.
Aanteek. v. d. Franschen Vertaler.
[6] Men schoot het kanon af by het aannaderen van het gevaar; de nabuurige Plantagiën herhaalden telkens de schoten; het alarm verspreidde zig dadelyk van wederzyden der Rivier, en de hulp kwam van alle toeschieten.
Aanteek, van den Schryver.
[7] Deeze regels zyn uit het treurspel van Hamlet overgenomen.
[8] In het vierde deel der Natuurlyke Geschiedenis van BUFFON, pl. 83, vindt men één van deeze vledermuizen, die slechts drie klaauwen aan elke vlerk heeft.
Aanteek. van den Schryver.
[9] Zommige Schryvers noemen hem het Rivierpaard van Zuid-America. Ik zal dit dier op een geschikter plaats, beschryven.
Aanteek. van den Schryver.
[10] Dit was des te aanmerkelyker, om dat wy met alle de Indianen in vrede waren, en dat de Negers de gewoonte niet hebben om het zelve weg te nemen.
Aanteek. van den Schryver.
[11] Locust-tree.—STEDMAN noch BANCROFT geven den Latynschen naam niet op van deezen boom, welken de Engelsche woordenboeken, door my gebruikt, vertaalen door het woord Caroubier of Brood-boom De beschryving, welke zy beiden van deezen boom geven, koomt niet juist overëen met de beschryving van den boom, die onder den naam van Broodboom bekend is. Zie hier, wat de laatstgemelde, van den Locust-tree sprekende, zegt.
"Deeze boom, die dikwils zeventig voeten hoog is, en een omtrek van negen voeten heeft, behoort tot het geslacht der peulvrucht-dragende planten. Zyne schors heeft eene gryze heldere asch-kleur. Zyne takken, die alleenlyk aan den top uitschieten, zyn zeer talryk, en bedekt met eironde bladen, van omtrent drie voeten lang, en eene zeer donkere groene kleur. Dezelve zyn aan een enkele steel twee aan twee verspreid, en altyd in het midden door eene ribbe ongelyk verdeeld. In plaats van zyne bloemen, die veel van de gedaante van kapellen hebben, komen platte peulvruchten, van omtrent drie duimen lengte, en anderhalve duim breedte, van eene heldere bruine kleur, wanneer ze ryp zyn, en bevattende drie purperkleurige amandelen, die veel naar de Windsorsche boonen gelyken, maar veel kleiner zyn. Deeze amandelen zyn bekleed met eene meelachtige zelfstandigheid, van een suikersmaak en helder bruine kleur, welke de Indianen met graagte eeten, en die aangenaam en zoet is.—Uit de voornaamste wortels van deezen boom druipt eene harstächtige, heldere, doorschynende,geel- of rood-kleurige gom. Men vindt 'er stukken van in den grond tusschen deeze wortels. In overgehaalden brandewyn gesmolten zynde, (want in water laat zy zig niet ontbinden,) levert zy een vernis op, het Chineesch verlakt zelfs overtreffende. Het hout van den Brood-boom is van eene helder bruine kleur; het is hard, zwaar en duurzaam; maar het vergaat in het water, even als het hout van byna alle de boomen in dit Land" (BANCROFT, Nat. Hist. of Guiana.)
Aanteek. v. d. Franschen Vertaler.
[12] Alle de Matroosen, Soldaten en Negers zyn zeer ongelukkig, wanneer zy gebrek aan tabak hebben. Dit houdt hen, zoo zy zeggen, wel te vreden, en zommigen zouden liever gebrek aan brood hebben.
Aanteek. van den Schryver.
[13] Zommige natuurkenners beweeren tegen het gevoelen van onzen reiziger, dat dit dier deeze snuit naar willekeur kan uit en intrekken, byna op de manier van een Olyphants snuit, of den hoorn van een Rhinoceros.
De Zee-paarden, in de huizen te Caijenne opgevoed, zyn uittermaten gemeenzaam, en worden gaarne gestreeld en gekrabd; zy loopen over al heen zonder kwaad te doen. Op het eetens-uur ziet men deeze dieren aankomen, als of zy tot het huisgezin behoorden; zy vermoeien de lieden, die aan tafel zitten, zeer; zy vragen hun op eene lompe wyze met hun snuit, om eeten te hebben; zy loopen rondom de eetens-tafel; zy eeten brood, cassave, vruchten, en dikwils, eer zy heen gaan, wryven zy zig tegen het huisraad.
De Indiaansche wilden bereiden de huid van deeze dieren, door dezelve uit te spannen en in de zon te laten droogen; zy bekleeden 'er hunne rondassen of oorlogs-schilden en hunne stormhoeden mede: de pylen en kogels doordringen met moeite dit gedroogde leder, het welk zeer hard, zeer dik, en waar van het weefzel zeer vast en in één gedrongen is. Te Caijenne maakt men 'er schoenen van, die langer duuren dan schoenen van ossen-leder; het water doorweekt dezelven niet ligt.
Aanteek. v. d. Franschen Vertaler.
[14] Veele Reizigers maken melding van Zee-menschen, waar aan zy den naam gegeven hebben van Tritons, Nereïden, Sirenen, half visch, half vrouw, of Ambizen. Allen komen daar in over één, dat het zeemonsters zyn, naar menschen gelykende, ten minsten van het hoofd tot het midden toe.
Men leest in zeker boek, genaamd Delices de la Hollande, dat in het jaar 1430, na eenen zwaaren storm, die de dyken in Westvriesland had doorgebroken, een Meermin in het slyk gevonden wierd. Men bragt dezelve naar Haarlem; men kleede haar, en leerde haar spinnen; zy gebruikte ons voedzel, en leefde eenige jaaren, zonder het spreken te hebben kunnen leeren, en had altyd een trek naar het water behouden. Haar geluid had veel overëenkomst met dat van een stervend mensch.
Aanteek. v. d. Franschen Vertaler.
[15] Hy hieldt hardnekkiglyk staande, dat deeze gezouten spyzen uitmuntend voor de gezondheid waren; en met dit al had hy drie koks uit Europa medegenomen.
Aanteek. van den Schryver.
[16] In plaats van dezelve neemt men ook wel een schelp, een visch-graat, of tyger-tanden.
Aanteek. van den Schryver.
[17] Verscheiden Natuur-kenners zyn van dit gevoelen niet. Onder dit getal behoort BUFFON, die in zyne Natuurlyke Geschiedenis van den Mensch zegt:—"De witte of blanke kleur schynt de oorsprongelyke kleur der natuur te zyn, welke de luchtstreek, het voedzel en de zeden zelfs tot in het geele, bruine of zwarte doen veranderen, en die in zekere omstandigheden weder te voorschyn koomt, maar met eene zoo groote verandering, dat ze niet gelykt naar de oorsprongelyke witte kleur, die door de opgegevene oorzaaken in de daad van natuur veranderd is".
Aanteek. v. d. Franschen Vert.
[18] Ik heb reeds gezegd, dat de Indiaansche vrouwen zonder smart kinderen baaren.
Aanteek. van den Schryver.
[19] Dit is onder hen zeer zeldzaam, want 'er is geen vreedzamer volk, dan zy.
Aanteek. van den Schryver.
[20] De inwoonders van Nieuw-Zeeland noemen hunne knodsen patou patous, welke gelykluidende uitdrukkingen te merkwaardiger zyn, naar mate van den zeer verren afstand, die hen van elkander scheidt.
Aanteek. v. d. Franschen Vert.
[21] Ik begryp niet, hoe Mejuffrouw DE MERIAN van dit kruipend gedierte kan zeggen, dat het zyne jongen levendig werpt.
Aanteek. van den Schryver.
[22] De Staaten van Holland weigerden den Koning dit verzoek.
Aanteek. van den Schrijver.
[23] 'Er zyn jaaren van vier, andere wederom van zes schepen.
Aantek. van den Schryver.
[24] Ik heb reeds gezegd, dat men in deeze Volkplanting geen rhum maakt, en geen suiker raffineert.
Aanteek. van den Schryver.
[25] Men zie Plaat VIII, te vinden in het 1ste Deel van dit werk, tegen over bladz. 128.
[26] Schoon de Europeanen in de verzengde luchtstreek bleek worden, hebben de inboorlingen des Lands, en inzonderheid de Mulatten en Quarteron-Negers eene zeer frissche kleur.
Aanteek. v. d. Franschen Vert.
[27] Hier wordt misschien bedoeld het zoort van rozen-boomen, het welk bloemen voortbrengt, Caraïbische rozen genaamd, en waar van Mejuffrouw DE MERIAN zegt:—"Deeze rozen zyn uit het Land der Caraïben gebragt naar Surinamen, alwaar zy welig groeien. Des morgens, wanneer zy open gaan, zyn zy wit, des middags rood, en des avonds vallen zy af".—Zy is de Rosa Sinuensis van FERRARIUS.
Aanteek. v. d. Franschen Vert.
[28] De groote en kleine Zurzak, of Zursaka, zyn onder den naam van Anona in de plant-tuinen in Holland bekend.
Aanteek. v. d. Franschen Vert.
[29] Men weet dat verscheiden dieren, zoo als de konynen en muizen, die volmaakt wit zyn, oogen van eene bloedkleur hebben.
Aanteek. van den Schryver.
[30] Deeze boom groeit tot eene aanmerkelyke hoogte. Zyn dikke en rechte stam is omkleed met een gryze schors, met stekels bedekt. Zyne takken zyn zeer wyd uitgespreid, en zyne bladeren zyn klein en getand. Alle drie jaren brengt hy catoen voort, maar die niet overvloedig, en niet zeer wit is, en daarom weinig gezocht wordt. Deeze boom, die zeer veel overëenkomst heeft met den Engelschen eikenboom, overtreft denzelven echter uit hoofde der grootte en cierlykheid, waar mede hy zig vertoont.
Aanteek. van den Schryver.
[31] Deeze slang heeft van drie tot vyf voeten lengte, en is in 't geheel niet gevaarlyk. Hy is niet bevreesd, om zig, zelfs door den mensch, te laten aanraken. De weergalooze glans van zyne kleuren noopt zelfs de Negers, om hem aan te bidden.
Aanteek. van den Schryver.
[32] Het geval is in dit Land bekend, dat een Neger, die by zynen meester mishandeld was geworden, 'er op de volgende wyze wraak over nam.—Toen deeze met zyne vrouw was uitgegaan, sloot de Neger alle de deuren toe; en by hunne te rug komst, vertoonde hy zig met hunne drie kinderen op een plat dak boven op het huis. Zyn meester en meesteresse vroegen hem, waarom hy niet open deed, en tot antwoord, wierp hy de jongste hunner kinderen voor hunne voeten; zy dreigden hem, hy wierp de tweede; zy smeekten hem, hy wierp de derde, en allen vielen zy voor de voeten hunner ongelukkige ouderen dood ter neder. Deeze woedende Neger zeide hun toen, dat hy voldaan was; en vervolgens wierp hy zig zelven van boven neder op de straat.—Een andere Neger, om zig over zyne meesteresse te wreeken, doorstak den man, die hem niet beledigd had, en verklaarde wyders, dat haar dood hem de wraak van slechts een oogenblik bezorgen zoude; maar dat haar te berooven van het geen haar het liefste was, haar tevens veröordeelde tot eene eeuwigdurende straf, waar van het denkbeeld alleen voor hem genoeglyk was.
Aanteek, van den Schryver.
[33] Na het naauwkeurigst onderzoek, en het bekomen van overtuigende bewyzen, kan ik verzekeren, dat dit alles met de waarheid overëenkomstig is.
Aanteek. van den Schryver.
[34] Volgens eene wet, in den Raad van Jamaica vastgesteld, is de straf van eenen Neger gewoonlyk twaalf zweepslagen, maar kan nooit boven de negen-en-dertig gaan. Ik heb, in Surinamen, eene vrouw twee honderd slagen zien ontfangen, en ik was oorzaak, dat zy, op het zelfde oogenblik, die straf voor de tweede maal onderging.—Men zie hier boven het II. Deel, bladz. 89.
Aanteek. van den Schryver.
[35] In de maand October 1789, wierden in drie dagen tyds, op Demerary, twee-en-dertig Negers ter dood gebragt; zy trotseerden den dood met eenen gelyken moed als hy, wiens geschiedenis alhier door my is opgegeven.
Aanteek. van den Schryver.
[36] De volgende beschryving zal misschien deeze behandeling beter ontwikkelen.
"Men moet, om Indigo te maken, drie kuipen hebben, die op verschillende hoogten naast elkander geplaatst zyn. Men zet ze op een plaats, alwaar men onbekrompen water bekomen kan.
"De eerste kuip is doorgaans van vyftien tot agtien voeten lang, twaalf voeten breed, en drie of vier voeten diep. Men maakt dezelve anderhalf voet wyd, en volkomen digt.
"De tweede is gewoonlyk de helft minder groot, dan de eerste; en de derde is een derde gedeelte kleiner, dan de tweede. De drie kuipen zyn zoo ingericht, dat zy door openingen, die in den bodem gemaakt zyn, uit de bovenste het daar in vervatte vocht ontfangen kunnen.
"Men noemt de eerste kuip de Uitweek-kuip, de tweede de Slag-kuip, en de derde de Zink-kuip, naardien in dezelve, het geen uit de twee eerste koomt, bezinkt, en de Indigo daar in tot volkomenheid gebragt wordt."
"Het is van aanbelang, dat deeze kuipen wel bepleisterd zyn, en eene zekere dikte hebben, om de gisting, die daar in ontstaat, te kunnen wederstaan. Zy worden in gebakken of gehouwen steenen gemaakt."
Indien ze van uitgehold hout gemaakt worden, en dat men ze langen tyd wil doen duuren, moet men dezelve met zeer dun lood beleggen.
De Indigo van Cayenne is van een blaauwer kleur, dan die van St. Domingo. Zy is aan de rupsen zoo niet onderworpen. (Maison rustique de Cayenne.)
De ouden hebben den oorsprong van de Indigo in 't geheel niet gekend. PLINIUS gelooft, dat het een schuim van riet is, zig vast hechtende aan een zoort van modder, die zwart is, wanneer men ze wryft, en eene fraaije bruine kleur geeft, met purper gemengd, wanneer men ze weekt. DIOSCORIDES gelooft, dat het een steen is.
De Indigo plant koomt in Europa alle jaaren voort. Zie hier de manier, op welke men dezelve aldaar aankweekt. Men zaait ze in de lente, op een bed, en wanneer zy spruiten van twee of drie duimen hoog geschoten heeft, brengt men ze over in kleine kistjes, met goede aarde gevuld, en men zet deeze kistjes in een warm bed van rum. Wanneer deeze planten eenige kragt verkregen hebben, geeft men aan dezelve veel lucht, door de raamen der broeykassen open te zetten, en in de maand Juny brengen zy bloemen voort, die spoedig in peulen veranderen.
Aanteek. v. d. Franschen Vertaler.