WeRead Powered by ReaderPub
Reize naar Surinamen en door de binnenste gedeelten van Guiana — Deel 4 cover

Reize naar Surinamen en door de binnenste gedeelten van Guiana — Deel 4

Chapter 24: VYFDE HOOFTSTUK.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

The work recounts a traveler's military and civil experience in Surinam and the interior of Guiana, combining battlefield narrative with detailed observations of plantation economy, slave life, maroon communities, and local flora and fauna. It offers vivid portraits of figures such as the maroon leader Graman Quacy, descriptions of coffee plantations and fishing species, and episodes of cruelty and compassion. Appendices present practical letters and proposals on land reclamation, coffee cultivation, plantation administration, and gradual abolition measures, followed by a descriptive section on French Guiana covering geography, climate, history, population, and Indigenous customs.

De water-getyen op de kust van Mayés geduuren zes uuren. De vloed loopt naar het west-noord-westen omtrent twee mylen in een uur, en de ebbe naar het noord-oosten omtrent ééne myl in het zelfde tydvak. De zee wast van twaalf tot vyftien voeten. Men moet echter in acht nemen, dat deeze richting der stroomen en der getyen niet altyd even eens is.

De water-getyen zyn in deeze streeken zomtyds uittermaten geweldig. Het advis-jagt de Anemone bevond zig, in 't jaar 1755, in zoodanig geval, dat de golven by tusschenpoozingen vervaarlyke dwarlwinden veroorzaakten; de zee wierd 'er eensklaps door opgezet, en toen was het niet mogelyk het schip te stuuren. Het schip bovendien tusschen twee zeer sterke zee-golven geraakt zynde, waren alle de masten in gevaar van ter neder te storten, uit hoofde van de verbazende schokken. Het is opmerkelyk, dat men dit zoort van vloeden alleenlyk aantreft, wanneer men te digt aan de Rivier der Amazonen nadert, en dat, wanneer men meer noordelyk te land koomt, men daar aan minder is bloot gesteld.

Van den berg Mayés tot aan Kaap Cassipour, rekent men van agttien tot negentien mylen ten noord-noord-westen, eenige noordelyke graden.

Kaap Cassipour is gelegen op 4 graden 12 minuten noorder breedte, en op 53 graden 35 minuten ten westen van den midden-lyn van Parys. Digt by deeze Kaap is een bank van slyk, die zig vyf of zes mylen ver in zee uitstrekt, waar op men niet meer dan vier of vyf vademen water by eene lage zee ontmoet. Haare uitgestrektheid, in de dwarste van het noorden naar het zuid-oosten gerekend, is omtrent vier mylen.

Wanneer men aan Kaap Orange nadert, ontdekt men verscheiden bergen boven den uithoek, die aan den ingang der Rivier Oyapoc gelegen is. Deeze Kaap is nog beter kenbaar door eenen uithoek aan den zee-kant, en die veel hooger is, dan het Land aan de zuid-oost zyde. Zy is al mede kenbaar door verscheide uithoeken van zeer hooge bergen, die de een van den ander schynen te zyn afgescheiden, en des te merkwaardiger zyn, om dat ze de eerste hooge landen uitmaken, die men ontdekt, als men van de Noord-Kaap koomt.

De Rivier Oyapoc, welke men met die van VINCENT PINÇON niet verwarren moet, zoo als ik reeds heb opgemerkt, is ééne der merkwaardigste in dit Land. Zy is van de Rivier Aprouago omtrent twaalf mylen ten zuid-oosten af gelegen. Derzelver mond is in het midden van een zoort van Baay, die vier mylen breed is, en waar in zig twee andere Rivieren ontlasten, de ééne genaamd Couripi, aan de oost-zyde, en de andere Ouanari, aan de west-zyde. De mond der Rivier Oyapoc is twee mylen breed. Een myl binnenwaarts, is een laag Eiland, het Hinden-Eiland genaamd, en waar over het water by hooge getyen heen stroomt. Wanneer men de Rivier vyf of zes mylen ver is opgevaren, ontmoet men eene diepte, die eene schoone haven oplevert, alwaar men op vier, vyf en zes vademen water ankert, zoo naby het land, als men zelf goedvindt. In 't jaar 1726, bouwde men ter deezer plaats een nieuw Fort en een Dorp. Verscheiden Indiaansche volken kwamen zig in den omtrek nederzetten; en in 't jaar 1735, vestigde men, op den afstand van eenige mylen van het Fort, de Zending van St. Paulus.

Van het Hinden-Eiland tot drie mylen hooger op, zyn verscheiden andere kleine Eilanden, maar die aan de scheepvaart geen hinder toebrengen. Vervolgens wordt de Rivier veel naauwer, en heeft niet meer dan zeven of agt voeten diepte. Vier mylen van het Fort aan de zelfde zyde, vindt men de Kreek, of liever de Rivier Gabaret. Van deeze Kreek tot aan de eerste waterval van de Oyapoc, is een afstand van vyf of zes mylen. Booten van eene middelmatige grootte kunnen 'er naauwlyks voorby komen. Drie mylen verder is eene tweede waterval, die nog veel moeijelyker is. De derde waterval van de Oyapoc is twee en een halve myl van de tweede af gelegen. Aan de rechte zyde van deeze laatste waterval, ontmoet men den mond der Rivier Aramontabo, die meer dan twintig mylen van daar haar begin neemt.

De Rivier Camopy werpt zig in de Oyapoc, op den afstand van twaalf mylen van de Aramontabo, en aan den zelfden kant. Zy koomt van het westen, en ontspringt in uitgestrekte bosschen, die ontoeganglyk zyn; men is 'er echter zeer diep in doorgedrongen, en men verzekert, dat zy loopt tot op eenen kleinen afstand van eene Rivier, waar van zy alleenlyk is afgescheiden door eene Kreek van omtrent drie mylen, welke verscheide reizigers zeggen, dat in de Amazone uitloopt, zoo dat door dit middel de gemeenschap tusschen deeze Rivier en de Fransche Volkplantingen van Guiana vry gemakkelyk zyn zoude.

De Oyapoc is in haaren geheelen loop, tusschen de Rivieren Aramontabo en Camopy, vol watervallen, die zeer digt by elkander zyn: zeker reiziger heeft 'er negen geteld. Men is deeze Rivier opgevaren tot by de honderd mylen boven de laatstgemelde deezer Rivieren. In dezelve loopen een groot aantal Kreeken uit, en men heeft 'er veele watervallen ontmoet. De Pyrious en Ouayes, zeer talryke Indiaansche volken, woonen aan het boveneinde deezer Rivier.

De Rivier Couripi ligt ten oosten van de Oyapoc, en is 'er, aan haaren mond, alleenlyk van afgescheiden door een uithoek van laag en verdronken land, aan de noordzyde bestaande uit eene overstroomde zand- en slyk-bank van een myl lengte, waar voor men zig wagten moet, wanneer men de Rivier wil inloopen. In deeze Rivier, zes mylen van derzelver mond, ontlast zig de Rivier Ouassa, die van den zuid-oost kant koomt.

Beneden de eerstgemelde zyn de Kreeken Taparibo, Ciparini, en eenige andere, die van weinig uitgestrektheid zyn.

Vyftien mylen meer westwaarts dan de Oyapoc, ontmoet men de Rivier Aprouago, die, tot dertien voeten water diep zynde, voor allerleije schepen bevaarbaar is. Ten oosten ontlasten zig in dezelve de Kreek Koura en de Rivier Couroudi; ten westen de Kreeken Arataye, Jpourin en Ineri. Aan deeze zyde hebben zig verscheiden Indiaansche volken nedergeslagen. Tusschen de Baay van Oyapoc en de Rivier Aprouago, vindt men de Kreek Ouanari, en de Zilverberg.

Voorby de Rivier Kaw zyn twee Eilandjes, die den naam van de groote en kleine Konstapel dragen. De eerste ligt agttien mylen west-noordwest-waarts van de gemelde Kaap, en is een zeer hooge en zeer gezonde rots. De tweede is een veel kleiner Klip, gelegen ten oost-noord-oosten, en ten west-zuid-westen van de groote, op den afstand van twee derde van een myl. Men vaart tusschen beiden door, op agt en negen vademen water, latende de grootte op den afstand van twee snaphaan-schoten, en de kleine aan bakboord-zyde liggen.

Van den grooten Konstapel zet men zyne koers naar het noord-westen ten westen, om in volle zee de Remire-Eilanden, die 'er omtrent zes mylen van af liggen, voor by te zeilen. De Eilandjes van deezen naam zyn één myl, en ten hoogften anderhalve myl van de kust van Cayenne afgelegen. Hun getal is vyf, te weten de Malingre, of het Kind, de Vader, de Moeder en de twee Dogters, die zommigen de twee Borsten noemen. Deeze twee Eilandjes, die zeer klein zyn, bestaan in twee drooge en dorre Klippen, zeer digt by elkander gelegen. Zy liggen een vierde van een myl ten oost-zuid-oosten van het groote Eilandje, het welk men de Moeder noemt. De Vader is veel grooter. Het zelve ligt ten oost-noord-oosten van den Berg Joly, op den afstand van één en een vierde myl: ten oost-zuid-oosten, en ten west-noord-westen, kan het een agtste van een myl haalen. De Malingre is van weinig uitgestrektheid, en ten oost-noord-oosten één myl van den Berg Romontabo, en één en een derde myl van het Eiland, de Vader genaamd, af gelegen.

Men ontmoet vervolgens een ander Eilandje, genaamd de Verloren Zoon, gelegen noord oostwaarts ten westen van het Eiland Malingre, op eenen afstand van drie mylen, en van twee en een halve myl noord-waarts ten noord-westen van Cayenne.

Wanneer men te Cayenne wil binnen loopen, ankert men by het Eilandje Malingre; men wagt aldaar de gunftigste getyen en het hoog water af, om de banken, of hooge slykgronden, waar mede de ingang van Cayenne vervuld is, te kunnen overkomen. 'Er zyn zelfs eenige klippen in de haven, welken men in acht moet nemen. Deeze haven is gelegen ten westen van de Stad, en aan den mond der Rivier. Zy is alleenlyk bevaarbaar voor schepen, die ten hoogsten dertien voeten water diep gaan. Jaarlyks loopen 'er twintig binnen, die uit Frankryk komen, en een gelyk getal kleine vaartuigen van de Antillische Eilanden, of de Verëenigde Staaten van America. Hier toe bepaalt zig de geheele handel der Volkplanting, die zig ook niet verder dan de hoofdplaats uitstrekt.

De Stad en het Fort van Cayenne zyn gelegen aan den noordelyken uithoek van het Eiland, op 4 graden 57 minuten breedte, en 54 graden 37 minuten lengte, ten westen van den Parysscken middenlyn. Het Eiland is omgeven, ten westen door de Rivier van den zelfden naam, ten oosten door de Rivier Mahury, ten zuiden door een arm der Rivier, die de beide Rivieren zamenvoegt, en ten noorden door de zee. Dit Eiland heeft vier of mylen lengte van het noorden naar het zuiden, of naar de Binnen-landen. De kust van het Eiland Cayenne is aan den zee-kant nergens, nog laag, nog door het water overstroomd, maar bestaat uit kleine heuveltjes, die tot het aankweken van de voortbrengzels der Volkplanting zeer geschikt zyn.

De Stad Cayenne maakt een zoort van onregelmatigen zeshoek, door muuren omringd, benevens vyf bolwerken, eenige halve maanen, en een gracht. In deezen omtrek, en op eene hoogte aan den oever der zee, is gelegen een Fort, voorheen genaamd het Fort Louis de Cayenne, het welk de Stad en Haven bestrykt: in het zelve is een kruidmagazijn en een waterput. De meeste huizen zijn van hout; de andere van aarde of klei, volgens de manier van dit Land, en daar over heen wit gemaakt. Alle zijn zij met houten borden overdekt. Voorheen deed men dit met palmboom-bladeren; maar de verwoestingen, die zeer dikwils door brand aldaar voorvielen, hebben de inwoonders aangezet, om aan de andere manier den voorrang te geven. Men telt 'er niet meer dan twee honderd, waar van zommigen twee verdiepingen hebben.

Men heeft te Cayenne een Gouverneur, benevens eenige hooge Officieren. De bezetting bestond uit twee honderd mannen geregeld krygsvolk, verdeeld in vier Compagniën, die tot het zee-wezen geene betrekking hebben. Zy is met twee andere Compagniën vermeerderd geworden. Op het minst alarm zyn de inwoonders, zoo van de Stad, als van het platte Land, verpligt de wapenen op te vatten.

De Volkplanting heeft eenen Souverainen Raad, waar van de Commissaris-Ordonnateur, by afwezigheid van den Gouverneur, Voorzitter is. Dit Hof vonnist zonder hooger beroep. Het neemt kennis van alle zaaken, die de inwoonders betreffen.

De noodzakelykheid om de landen in waarde te houden verpligt de Franschen, om zelve hunne Plantagiën te blyven bewoonen, waar door de Stad minder bevolkt is, dan zy anders zyn konde.

Dertien mylen van Cayenne, en drie mylen in zee, gerekend van den mond der Rivier Kourou, die naauwlyks voor de kleinste schepen bevaarbaar is, zyn drie Eilanden, voorheen genoemd de Duivels-Eilanden, tegenwoordig Iles du Salut. Tusschen deeze drie Eilanden, die uit tamelyk hooge heuvels bestaan, heeft de natuur eene haven gevormd, die geschikt is, om door de grootste schepen bevaren te worden: het is de eenige plaats, op de geheele Kust van Guiana, die dit voordeel heeft. De Salut-Eilanden zyn dorre klippen, waar op zeer veele verschillende zoorten van zee-vogelen huisvesten.

Van de Rivier Kourou tot aan de Sinamari is eene Kust van tien of twaalf mylen lengte. Tusschen beiden vindt men verscheiden kleine inhammen, alwaar een zeer groote overvloed van schildpadden gevangen wordt. Dicht by den mond van de eerstgemelde zyn groote platte rotsen, waar op de golven het zee-water spoelen, het welk by groote hette aldaar kristallen schiet, en in zout verandert.

Van de Rivier Sinamari tot de Iracoubo is een tusschenvak van agt mylen. Men vindt tusschen beiden de Rivieren Courassani en Conanama.

Deeze geheele uitgestrektheid Lands, van de Rivier Kourou tot de Iracoubou toe, een streek van omtrent twintig mylen, eindigt aan den zeekant in een boschjen van Paletuvier-boomen, en byna overal met zandbanken. Binnen in dit boschjen, het welk zomtyds tot een myl uitgestrektheid heeft, zyn natuurlyke vlakke zand-woestynen, die alleenlyk hier en daar, door eenige boomen, rivieren en beeken, op zeer groote afstanden, worden afgebroken. Aan de land-zyde binnenwaarts, op twee of drie mylen, eindigen zy in groote bosschen, waar in men alle zoorten van boomen vindt, die in dit Land overvloedig groeijen.

De Rivier Iracoubo is aan het einde van dat gedeelte, het welk de Fransche Volkplanting uitmaakt. Van daar tot aan de grenzen der Surinaamsche Volkplanting, dat is, tot aan de Rivier Maroni is eene uitgestrektheid van veertien mylen. Tusschen beiden zyn de Rivieren Organabo, Iroucan-Pati, en Mana, of Amanabo, die een uitgebreiden loop heeft.

De mond der Rivier Maroni is gelegen op 5 graden 55 minuten breedte, en 56 graden 30 minuten lengte, ten westen van den Parysschen middenlyn. Deeze mond is omtrent twee mylen breed; maar het inkomen aldaar is moeijelyk; want aan den buiten-kant zyn verscheide zand- en slyk-banken, waar op zeer weinig water blyft staan. De Maroni is eene groote en schoone Rivier. 't Is waar, verscheide Eilandjes vernaauwen derzelver bed, meer dan twaalf mylen verre, maar zonder de scheepvaart te belemmeren, zoodanig dat men met kleine vaartuigen tot aan den eersten waterval, die omtrent twintig mylen van den mond der Rivier af ligt, kan opvaaren. Boven deezen eersten waterval, vindt men verscheide anderen, die de scheepvaart zeer moeijelyk maaken. Men zegt, dat men meer dan veertig dagen noodig heeft, om tot derzelver oorsprong te komen. Anderen beweeren, dat dezelve nog niet bekend is, dat deeze Rivier van zeer wyd af ontspringt, en dat men dezelve meer dan tachtig mylen is opgevaaren, zonder dien oorsprong te ontdekken. Omtrent vyftig mylen van derzelver mond af, ontlast zig eene zeer schoone Rivier in dezelve, komende van den zuid-oost kant, en de Rivier der Arouas genaamd. In 't jaar 1731 en 1732, voer men de laatstgemelde meer dan vyf-en-twintig mylen ver op; vervolgens verliet men haar, om den weg te nemen over de landen naar den zuid-oost kant; en na verloop van agt dagen, geduurende welken men rekende 35 of 40 mylen te hebben afgelegd, begaf men zig naar de Rivier Camopy, die zig in de Oyapoc ontlast. Het oogmerk van deeze reize was, om het Land te ontdekken, en te zoeken naar een bosch van cacao-boomen, het welk gezegd werd in de nabyheid van den oorsprong deezer Rivier gelegen te zyn.

De omliggende streeken der Rivier Maroni zyn door de Galibis-Indianen vry sterk bevolkt. Wanneer men de oevers deezer Rivier een weinig opwaarts volgt, ziet men niet dan zand-woestynen, die in den winter moerassen, en eerst in het heetste van den zomer droog worden. Langs dien weg kan men te land komen van Kourou af tot Surinamen toe. De Fransche wegloopers, die geene booten hadden, wisten van deezen weg, die aan de Indianen in dien omtrek zeer gemeenzaam is, gebruik te maken. Zy, die langs alle deeze Rivieren woonen, en over 't algemeen vry gedienstig zyn, laten niet na, op het minste teeken, dat men hun geeft, de geenen, die zig aanbieden, met hunne praauwen te komen afhalen. Men maakt doorgaans een neusdoek, of een lap wit linnen, aan een tak van een boom vast, om hun daar mede te kennen te geven, dat 'er iemand is, die den doortocht verzoekt.

In de Rivier Maroni loopen verscheiden andere Rivieren uit, die dezelve aanmerkelyk vergrooten, vooral in het regen-saisoen. De landen, waar over zy heen loopt, zyn laag, overstroomd, en met boomen en struiken bewassen. De Franschen en Hollanders hebben aan deeze Rivier een wachtpost tegen over elkander.

TWEEDE HOOFTSTUK.

Luchts-gesteldheid in Fransch Guiana.

De hette is in Fransch Guiana minder, dan in onze andere Volkplantingen onder de gezengde luchtstreek; blyvende de Barometer aldaar staan tusschen de 19 en 25 graden. De zoele winden van den grooten Oceaan, waar aan dit gedeelte van het vaste Land op eene wonderbaarlyke wyze is blootgesteld, de meenigte van groote en kleine Rivieren, die het Land alomme besproeijen, en de bosschen, waar mede het byna geheel als overdekt is, verminderen bovendien de brandende hette merkelyk.

Men weet, dat 'er niet meer dan twee saisoenen, of jaargetyden in Guiana zyn: het regensaisoen, nu en dan de winter genoemd, en het saisoen van droogte, waar aan men, in tegenoverstelling, den naam van zomer geeft. Het eerste begint doorgaans in December, of zelfs in January. In Maart en in April heeft men een tusschen-tyd van droogte, van een maand of zes weken, dien men de kleine droogte noemt. Met half April, of daarömtrent, begint de regen weder tot in Juny, en zomtyds tot half July. Dus heeft men in de twaalf maanden van het jaar omtrent vyf regen-maanden. Deeze algemeene regels hebben niettemin hunne uitzonderingen, volgens het onderscheid der jaaren, en het verschil der plaatsen. Het regent veel minder in die streeken, waar men het hout heeft uitgerooid, dan in die, welke met bosschen bedekt zyn; veel minder bij de Rivieren Cayenne en Kourou, dan aan den kant van de Oyapoc, en veel meer by de Rivieren Maroni en Surinamen, dan in de Landen, die door de Franschen bezeten worden. Hier door lost men de oogenschynlyke tegenstrydigheid op, welke 'er gevonden wordt tusschen de talryke waarnemingen van STEDMAN omtrent het luchts-gestel in de Volkplanting Surinamen, en die der Fransche Schryveren, die van de luchtsgesteldheid te Cayenne spreken, en eenparig zeggen, dat dezelve gematigd is.

Schoon in het laatstgemelde tydperk de regen ongemeen overvloedig is, moet men zig echter niet verbeelden, dat dit eene onöphoudelyke overstrooming is. 'Er zyn tusschenpoozingen, zelfs van geheele dagen, in het midden van het regen-saisoen, dat het mooy weder is, zoo als 'er ook wederkeerig tusschenpoozingen van geheele dagen zyn, geduurende welken het in 't saisoen van droogte regent.

Guiana is bevryd van die orkaanen, die op de Antillische Eilanden en in de Indiën zoo veele verwoestingen aanregten. Men weet aldaar van geene aardbevingen; en de hagel vernielt 'er den oogst niet.

Het is merkwaardig, dat het regen-saisoen in Guiana juist voorvalt, wanneer op de Antillische Eilanden het saisoen van droogte is, en zoo ook weder omgekeerd, onäangezien den geringen afstand tusschen deeze beide Landen. [11]

Dikwerf ziet men Europeanen verscheiden jaaren in Guiana doorbrengen, zonder eenigen van die akelige ziekten te ondervinden, waar aan zy in byna alle andere Landen onder de gezengde luchtstreek onderworpen zyn, en gelyk eene zoo merkelyke verandering van luchts-gestel natuurlyker wyze moest doen vreezen. Zy wederstaan dezelven, wanneer zy eene sobere levensmanier weten aan te nemen, wanneer zy zorge dragen, om in het eerste begin zig niet te lang agteréén aan de regelrechte stralen van de zon bloot te stellen. Indien 'er vreemdelingen sterven, is zulks veel al het gevolg van een ongebonden leven, en het misbruik van sterke dranken.

Het geen van de graden van hette gezegd is, heeft betrekking tot het luchtsgestel aan de kusten en in de nabyheid der zee. Wanneer men zig van het strand en van de lage Landen verwydert, op den afstand Van tien of vyftien mylen, zyn 'er altyd twee graden minder.

De luchtsgesteldheid te Cayenne was voor deezen veel regenächtiger en onäangenamer, zegt BARRERE, [12] eer men in het Eiland het hout had uitgeroeid, en de inwoonders waren 'er aan zeer akelige ziekten onderworpen. Langen tyd is het onmogelyk geweest de kinderen der Negers in het leven te behouden; allen stierven zy byna dadelyk na hunne geboorte. Hedendaags worden zy 'er nog door eene algemeene stuiptrekking, die een waare tetanus is, aangetast. Deeze ziekte spaart zelfs geene groote lieden, tot welken ouderdom zy reeds mogen gekomen zyn. Dezelve vertoont zig door pyn in den hals, als of die met een koord was toegetrokken. Het kakebeen sluit zig vervolgens, het geen de doorslikking belet. De armen en beenen worden stram, en niettemin hebben 'er, verscheiden malen daags, stuiptrekkingen plaats. Deeze toevallen matten den zieken zoo sterk af, dat hy overluid schreeuwt. Men is zelfs verpligt zyn hoofd een weinig in de hoogte te houden, om hem de belemmerde ademhaling gemakkelyker te maken. Het geen hem vooral doet lyden, is een onverzadelyke honger, die hem nu en dan zoodanig dringt, dat hy alle oogenblik zoude eeten, indien men het hem maar geven wilde, en hy het vermogen van slikken had. Hier by koomt altyd koorts. Dezelve gaat gepaard met een overvloedig en algemeen zweeten; en wanneer de ziekte meer en meer verergert, sterft de lyder onder vervaarlyke stuiptrekkingen.

Om den voortgang van zulk eene ellendige kwaal te sluiten, moet men den geen, die 'er door aangetast is, verscheiden malen daags met koud water besproeijen. Men houdt daar mede aan, tot dat de ledematen hunne voorige gedweeheid hernomen hebben. Het is noodzakelyk de kragten van den zieken door goede vleeschsoepen te ondersteunen; men moet dezelven dikwils geven, maar in eene kleine hoeveelheid, en met eenige lepels wyn. De zoete kwik met ontlastende middelen gemengd, als rhabarber, diagrydium, jalappe, doen in deeze ziekte veel nut: maar het beste middel is het heulsap, in zulke sterke giften, dat 'er een gezond mensch van sterven zoude.

DERDE HOOFTSTUK.

Geschiedkundige opgaave, betrekkelyk Fransch
Guiana.

Schoon men het juiste tydstip van de eerste reizen der Franschen naar Guiana niet weet, is het echter zeker, dat zy 'er geweest zyn korten tyd na de eerste ontdekking, door de Spanjaarden gedaan.

JAN DE LAET, een Schryver van voor byna twee eeuwen, verhaalt, dat de Franschen gewoon waren aldaar gekleurd hout, en onder anderen een zoort van Brasiliën-hout, in te laden.

De vriendelykheid, waar mede zy door de inboorlingen des Lands ontfangen wierden, lokte hen uit, om deezen handel te blyven aanhouden; en om denzelven des te beter te verzekeren, vestigden zy 'er wel dra eene Volkplanting.

Een ander bewys, dat de Franschen het eerst de kusten van Guiana bezogt hebben, is te halen uit de reisbeschryving van RALEIGH in 't jaar 1595. Deeze reiziger, sprekende van het binnenste gedeelte van dit Land, zegt, dat "de Franschen zedert lang moeite deeden tot het ontdekken deezer Landen, werwaards zy veelvuldige reizen deeden, om 'er goud van daan te haalen, maar dat zy den rechten weg niet namen, door denzelven te zoeken langs de Rivier der Amazonen."

In 't jaar 1604, besloten eenige Franschen, door de gunstige berigten van RALEIGH misleid, om, onder het geleide van LA RAVERDIERE, naar deeze streeken koers te zetten. Andere gelukzoekers deezer natie volgden spoedig hunne voetstappen. Allen vermoeiden zy zig op eene ongelooflyke wyze. Eindelyk zetteden zig zommigen, veel eer uit weêrzin in zoo zwaaren arbeid, als om dat zy zig in hunne hoop bedrogen vonden, te Cayenne neder.

In 't jaar 1624, zonden eenige kooplieden van Rouaan eene kleine Volkplanting, bestaande uit zes-en-twintig menschen, die de oevers der Rivier Sinamari verkozen, om zig neder te slaan.

Twee jaaren later, in 't jaar 1626, kwam 'er eene nieuwe Volkplanting, aanzienlyker dan de eerste, en die zig aan de Rivier Conanama nederzettede. Men bouwde aldaar een Fort, stelde 'er een Bevelhebber over aan, en liet 'er een gewapend vaartuig, om den handel langs de kust te beveiligen.

Deeze beide Volkplantingen vermeerderden aanmerkelyk door den toevoer, die zy uit Frankryk ontfingen. Zy breidden zig tot verscheiden plaatsen uit.

Zedert het jaar 1674, had men zig op het Eiland Cayenne gevestigd, en aldaar de kust van Remire, als de vruchtbaarste en aangenaamste streek, tot verblyfplaats uitgekozen. Men moest de Arikarets, en eenige andere Indiaansche volken, aldaar woonende, verjagen.

In 't jaar 1675, verkoos men eene andere woonplaats, drie mylen meer ten westen, op een uithoek van het Eiland, alwaar de mond der Rivier Cayenne een haven oplevert. Men bouwde aldaar een Fort, waar aan men den naam van het Fort Louis gaf, en digt daar by een Dorp of Stad, die de hoofdstad der geheele Volkplanting geworden is, en welke men naar den naam van het Eiland Cayenne noemde. Men breide zig vervolgens uit in alle de gedeelten van dit zelfde Eiland, en aan de naby gelegene Rivieren.

In 't jaar 1640. zetteden de Franschen zig aan de Rivier Surinamen neder; maar de lage en moerassige grond, en ongezonde lucht in dit gedeelte van Guiana, deeden hun het zelve wederom verlaten. De Engelschen maakten 'er gebruik van.

Eenige kooplieden van Rouaan, denkende, dat uit deeze Volkplanting voordeel te haalen was, besteedden daar toe, in 't jaar 1643, gezamentlyk zekere somme van penningen. Zy droegen hunne belangen op aan een ondernemend man, PONCET DE BRETIGNY genaamd, die den oorlog zoo wel aan de Planters als aan de Negers verklaard hebbende, spoedig werd van kant geholpen. Deeze Maatschappy, aan welke men den naam van de Maatschappy der Noord-Kaap gaf, verkreeg van Koning LODEWYK XIII. opene Brieven, waar by deeze Vorst aan haar het uitsluitend voorrecht toestond van den koophandel en scheepvaart op Guiana, tot welks grensscheidingen men by die zelfde brieven bepaalde, aan de zuldzyde de Rivier der Amazonen, en aan de noordzyde de Orenoco. Deeze bepaaling der grensscheidingen ontmoette geene zwarigheid, noch veröorzaakte eenige klagten, dewyl geheel Europa wist, dat de Franschen zedert langen tyd in het bezit van Guiana waren, en de eersten geweest zyn, die aldaar handel gedreven en Volkplantingen aangelegd hadden.

Verscheiden lieden van aanzien, in deeze Maatschappy deel genomen hebbende, verkregen van den Koning nieuwe voorrechten en nieuwe vergunningen door dit geheele Land. By herhaling zonden zy derwaarts aanzienlyken onderstand; en men liet meer dan agt honderd menschen naar Guiana vertrekken, zoo tot meerdere beveiliging en aanwas van de onderscheidene aangelegde Volkplantingen, als om nieuwe aan te leggen, en ontdekkingen te ondernemen, door dieper in het Land door te dringen.

De treurige dood van PONCET DE BRETIGNY de deelgenooten ter nedergeslagen hebbende, werd, in 't jaar 1651, eene nieuwe Maatschappy opgericht, die meerder opgang scheen te zullen maken. Het merkelyk aantal van ingelegde penningen, stelde haar in staat, om, tot in Parys toe, zeven of agthonderd menschen by één te verzamelen. Zy wierden by de Seine ingescheept, om naar Havre te vertrekken. Het ongeluk wilde, dat de deugdzaame Abt DE MARIVAUX, die deeze onderneming voornamelyk had aangewakkerd, en dezelve als Directeur Generaal bestierd zoude hebben, verdronk op het oogenblik, dat hy stond scheep te gaan. ROIVILLE, een Edelman uit Normandië, die als Generaal naar Cayenne gezonden wierd, wierd op de reize vermoord. [13] Twaalf der voornaamste belanghebbenden, die de bewerkers van deezen aanslag waren, gedroegen zig in de Volkplanting, welkers bloei zy verpligt waren geweest te bevorderen, op zoodanig eene wreede manier, als uit dit verschrikkelyk voorval bereids te voorzien was. Zy deeden aan één van hun, ISAMBERT genaamd, die, benevens drie anderen, zig van het gezag geheel had willen meester maken, het hoofd afslaan. Zyne medepligtigen wierden naar een onbewoond Eiland verbannen. Twee andere deelgenooten stierven kort daar op, en de overgeblevenen gaven zig aan de grootste buitensporigheden over. De Bevelhebber der Vesting liep naar de Hollanders over, met een gedeelte van zyne bezetting. Zy, die aan honger, ellende, de woede der Wilden van het vaste Land, welken men op honderde manieren getergd had, waren bloot gesteld, achtten zig zeer gelukkig, toen zy met een schip en twee sloepen de Eilanden onder den wind bereiken konden. Vyftien maanden na dat zy in het Eiland waren aangeland, verlieten zy het Fort, de krygsbehoeften, de wapenen, de koopmanschepen, benevens vyf- of zeshonderd lyken van hunne ongelukkige medgezellen.

In 't jaar 1663, werd eene nieuwe Maatschappy, onder het opzigt van den Request-meester LA BARRE, opgerigt. Dezelve bezat een capitaal van niet meer dan twee maal honderd duizend gulden: maar de hulp der Regeering stelde haar in staat, om de Hollanders, die zig aldaar onder het geleide van SPRANGER hadden nedergezet, toen zy dit Land door deszelfs eerste bezitters hadden zien ontruimen, uit deeze bezitting te verjagen. De Indianen waren na het vertrek der Franschen in het Eiland te rug gekeerd, maar SPRANGER noodzaakte hen, om naar Terra-Firma de wyk te nemen. Hy verbeterde de vestingwerken, deedt groote uitzuiveringen en voordeelige bebouwingen der landen. Na dat deeze Maatschappy onder het opzigt van BARRE een jaar bestaan had, maakte zy een gedeelte uit van de groote Maatschappy, die de grondslag was van alle die Maatschappyen, welken men voor Africa, en voor het Nieuwe Weereld-deel had opgerigt. In 't jaar 1667, wierd Cayenne aangevallen, geplonderd, en wederom verlaten door de Engelschen, en de vluchtelingen namen het weder in bezit, om het zig, in 't jaar 1772, andermaal te zien ontweldigen door de onderdanen der Vereenigde Nederlanden, die het echter niet langer, dan tot in 't jaar 1676, behouden konden. Te dier tyd werden zy door den Marschalk D'ETRÉES van daar verjaagd. Naderhand is de Volkplanting niet meer aangevallen geworden.

De Franschen wederom meesters van Cayenne geworden zynde, waren ten sterksten bedagt, om zig op het Eiland en het vaste Land wel te vestigen. Met meerder zorgvuldigheid dan ooit kweekten zy alles aan, waar by de koophandel belang konde hebben. Verscheiden koopvaardy-schepen kwamen aldaar handelen, en eene meenigte huisgezinnen zetteden 'er zig ter neder. Eenige Kapers bragten ook het hunne toe tot aanwas der Volkplanting.

Beladen met het geen zy in de Zuid-Zee geroofd hadden, vestigden zy zig te Cayenne, en het belangrykste was, dat zy besloten hunne schatten tot den landbouw te besteden.

Zy scheenen denzelven met nadruk te willen voortzetten, en Cayenne was vry wel bevolkt, toen DUCASSE in 1688. aldaar aanlandde, met oogmerk, om Surinamen te vermeesteren en te plunderen. De natuurlyke lust der Kapers herleefde, de nieuwe Colonisten werden wederom Kapers, en hun voorbeeld lokte byna alle de inwoonders uit.

Deeze onderneming was niet gelukkig, uit hoofde van de weinige voorzorgen, die men genomen had, om de aankomst deezer vloot voor de Hollanders, welken men voornemens was re overrompelen, geheim te houden. Men vondt hen overal in staat van verdediging. Een gedeelte der aanvallers sneuvelde; anderen wierden gevangen genomen, en naar de Antillische Eilanden gezonden, alwaar zy zig nedersloegen. De overigen gingen wederom te scheep. Zedert dien tyd heeft de Volkplanting veel moeite gehad, om het verlies van haare inwooners te herstellen. Het scheen zelfs, dat zy byna geheel in vergetenheid geraakt was, tot in 't jaar 1763, wanneer de Fransche Regeering haar een nieuwen luister trachte te geven.

Frankryk ontdeed zig van de akeligheden van eenen schandelyken oorlog. De gesteldheid der zaaken had de Regeering genoodzaakt, om, met opöffering van verscheiden gewichtige bezittingen, den vrede te koopen. Het scheen insgelyks noodzakelyk, om de natie, zoo wel de geledene rampspoeden, als de misslagen, die dezelven berokkend hadden, te doen vergeten. Men wendde haar oog af van de Volkplantingen, die zy verloren had, om het zelve te vestigen op Guiana, het welk, zoo men zeide, zoo veele rampen vergoeden moest.

Dit was het gevoelen niet van hun, die van den staat der zaaken het best onderricht scheenen. Eene Volkplanting, zedert anderhalve eeuw opgerigt, in een tydstip, dat de gemoederen op groote ondernemingen verhit waren; alwaar burger-twisten, noch vreemde oorlogen aan het aangelegde werk geen nadeel hadden toegebragt; die van de weldaaden der Regeering en het voordeel van den koophandel nimmer was verstoken geweest; alwaar de voorraad van voortbrengzels altyd zeker geweest was:—deeze Volkplanting was niet noemenswaardig. De ellende en vergetenheid was haar deel geweest, zelfs in het tydstip, dat de Fransche bezittingen in America door haaren luister en rykdommen, de oude en nieuwe weereld verbaasden. Haare gesteldheid was zelfs van dag tot dag verërgerd. Hoe kon men hopen op die groote vooruitzigten, welken men 'er van gaf? Deeze aanmerkingen wederhielden de Regeering niet. Om het verlies van Canada te vergoeden, wilde men in Guiana een vry volk vestigen, dat door zyne eigene kragten in staat zoude zyn, om aan vreemde aanvallen het hoofd te bieden, en geschikt, om door den tyd andere Volkplantingen, wanneer de omstandigheden zulks vorderden, te hulp te komen.

Dit werk wierd bestuurd door eenen arbeidzamen Staats-Minister. Als een verstandig Staatsman, die de veiligheid niet aan de rykdommen wilde opõfferen, was zyn doelwit, een bolwerk op te rigten tot verdediging der Fransche bezittingen. Als een gevoelig Wysgeer, die de rechten van het menschdom kent en eerbiedigt, wilde hy deeze vruchtbaare en onbebouwde streeken door vrye menschen bevolken. Maar men voorzag alles niet. Men vergiste zig met te gelooven, dat Europeanen onder de gezengde luchtstreek de vermoeijenissen zouden doorstaan, die tot den aanleg en zuivering van onbebouwde landen verëischt worden, en dat menschen, die in de hope van een gunstiger lot hun vaderland verlieten, zig aan een woest leven gewennen zouden in eene luchtstreek, die minder gezond was, dan haare geboorte-grond.

Dir verkeerd stelzel werd zoo dwaaslyk uitgevoerd, ais het ligtvaardig was aangenomen. Alles werd aldaar ingerigt, zonder beginzel van wetgeving, zonder te letten op de betrekkingen, welken de Natuur onder de menschen gesteld heeft. De laatstgemelden werden in twee zoorten verdeeld, eigenaars en arbeiders. Men hield niet in 't oog, dat deeze verdeeling, die in Europa stand grypt, het gevolg is van oorlog, omwentelingen, en oneindige toevalligheden, die de tyd te weeg brengt; dat zy voortkoomt uit de voortduuring van een maatschappelyk leven, maar geenzints de eerste grondslag is der maatschappye, die in haaren oorsprong wil, dat alle haare leden in den eigendom deel hebben. De Volkplantingen, die nieuwe bevolkingen, en nieuwe maatschappyen zyn, moeten deezen grondregel volgen. Met den eersten tred ging men 'er reeds van af, door de landen in Guiana alleen toeteschikken aan hun, die zekere geldsommen, tot de bebouwing noodig zynde, konden aanbrengen. De overigen, wier begeerlykheid men door ydele of wisselvallige hope gaande maakte, werden van het aandeel in de landen uitgesloten. Dit was een gebrek van Staatkunde, tegen de rechten van het menschdom inloopende. Indien men aan alle de nieuwe Colonisten, welken men naar dit naakte en woeste Gewest heen voerde, een gedeelte gronds om aan te leggen gegeven had, zoude elk het bebouwd hebben op eene manier, aan zyne kragten en vermogens geëvenredigd: de één met zyn geld, de ander met zynen arbeid. Het was een onvermydelyk vereischte geweest, om aan alle de leden der nieuw aangelegde bevolking eenen eigendom aan te bieden, alwaar zy hunnen arbeid, hunne vlyt, hun geld, met één woord, hunne meer of min uitgestrekte vermogens, konden te werk leggen.

Menschen, naar onbebouwde landstreeken overgevoerd, vonden 'er niets dan behoeften. De geregeldste en onafgebrokenste arbeid konde niet beletten, dat zy, die in deeze woestenyen met het aanleggen van landen hunnen tyd doorbragten, van alles ontbloot bleven, tot het meer of min afgelegen tydvak van den oogst. Ook verbond zig de Regeering, aan wien zulk eene blykbaare waarheid niet ontsnappen konde, om alle Duitschers, alle Franschen zonder onderscheid, welke tot de bevolking van Guiana geschikt waren, twee jaaren lang te onderhouden. Maar deeze daad van rechtvaardigheid was geene daad van voorzigtigheid: het was te voorzien, dat al wierden zelfs de levensmiddelen met zorg, met yver en met belangloosheid in genoegzaamen voorraad opgelegd; de meestcn derzelven noodwendig moesten bederven, het zy op de reize, het zy naderhand: het was te voorzien, dat gezouten vleesch, wel of kwalyk bewaard, nimmer een geschikt voedzel zyn zoude voor ongelukkige vluchtelingen, die eene gezonde en gematigde luchtstreek verlieten, om de brandende zand-woestynen onder de gezengde luchtstreek te bewoonen, om de vochtige en regenachtige lucht der zonne-keerkringen in te ademen.

Eene verstandige Staatkunde zoude zig met de vermeerdering van het vee hebben bezig gehouden, alvorens te denken, om 'er menschen te vestigen. Deeze voorzorg zoude niet alleen een gezond voedzel aan de eerste Colonisten bezorgd hebben, maar hun ook de gepaste werktuigen opgeleverd tot de ondernemingen, welke de vorming van eene nieuwe bevolking verëischt. Met deeze hulpmiddelen zouden zy de vermoeijenissen hebben getrotseert, welke de Regeering op zig genomen had rykelyk te zullen betalen. Zy zouden woonplaatsen en koopwaren bezorgd hebben aan hun, die 'er hun verblyf moesten houden. Op deeze wyze zoude de ontworpene Volkplanting in korten tyd eene behoorlyke vastigheid verkregen hebben.

Men maakte deeze aanmerkingen niet, hoe eenvoudig en natuurlyk ook: na het doorstaan van eene lange reize, werden twaaf duizend menschen ontscheept op woeste en onbebouwde kusten, in het ongunstigst jaargetyde, in het regen-saisoen. Indien de nieuwe Colonisten in het begin van het saisoen van droogte waren aangeland, op de hun toegeschikte landen verdeeld, zouden zy den tyd gehad hebben, om hunne wooningen in gereedheid te brengen, de bosschen om te hakken of te verbranden, hunne velden te bearbeiden en te bezaaijen.

By gebrek van deeze voorzorge, wist men de meenigte van menschen, die na malkanderen aanlandden, niet te plaatsen, Het Eiland Cayenne zoude tot eene plaats van rust en verversching voor de kortlings ontscheepte perfoonen gestrekt hebben. Men zoude 'er wooningen en middelen van bestaan gevonden hebben. Maar het vooröordeel, om de nieuwe en de oude Volkplanting niet onder elkander te vermengen, deedt deeze voorzorge in den wind slaan. Als een gevolg van deeze styfhoofdigheid, plaatste men twaalf duizend ongelukkigen op de Salut-Eilanden, aan de oevers der Rivier Kourou, onder tenten en in slechte hutten. [14] Aldaar, verwezen zynde tot werkeloosheid, verveeling, het gemis der eerste benoodigdheden, besmettelyke ziekten, die altyd door bedorven voedzel veröorzaakt worden, tot alle de wanörden, welke de ledigheid voortbrengt onder een volk, dat verre heen vervoerd, zig onder eene nieuwe luchtstreek bevindt, eindigden zy hun droevig lot onder de verschrikkelykste wanhoop. Hunne asch zal steeds om wraak roepen tegen de voorstanders van eene onderneming, die zoo veele ellendige slachtöffers gemaakt heeft.

Op dat niets aan het onheil ontbreken zoude, en de geldsommen, tot de uitvoering van eene ongerymde onderneming geschikt, geheel en al verspild zouden worden, oordeelde hy, die in last had om aan alle deeze noodlottigheden een einde te maken, zig verpligt, om twee duizend menschen welker sterk gestel aan de ongunstige luchtstreek, en de onuitsprekelykste ellenden wederstaan had, naar Europa te rug te voeren.

Een zestigtal van huisgezinnen uit Duitschers en inboorlingen van Acadia bestaande, ontsnapte echter aan de algemeene verwoesting. Zy sloegen zig neder aan de Sinamari, wier oevers nimmer door de zee overstroomd worden, en vonden aldaar eenige natuurlyke velden, en een grooten overvloed van Schildpadden. Die zwakke Volkplanting heeft zig, langs deeze Rivier, in stand gehouden. De visscherye, de jagt, de vee-fokkerye in de uitgestrekte zand-woestynen, welken de Natuur in deeze streeken gevormd heeft, het planten van een weinig ryst, Turksch graan en catoen; deeze leverden hun het noodige middel van bestaan op.

VIERDE HOOFTSTUK.

Bevolking van Fransch Guiana.

Na zoo veele noodlottige omstandigheden, en de verachting, waar toe Fransch Guiana vervallen is, is het niet te verwonderen, dat de bevolking van dit Land zeer zwak is.

De inwooners bestaan uit Europeanen, Mulatten, Negers en Indianen. De eerstgemelden of blanken, bedragen slechts een getal van agt of negen honderd, zoo in de hoofdplaats Cayenne, als door het overige gedeelte van het Land verspreid. Verscheiden van hun zyn ongelukkig en arm. Zy, die meer op hun gemak leven, bestaan van ampten, jaargelden en soldyen, ten kosten van de algemeene schatkist. Het vertier van levensmiddelen, het welk de bezetting en het verblyf der geenen, die zig aldaar van 's Lands wegen bevonden, noodzakelyk maakt, doet het grootste getal der inwooners aan den kost geraken. Men zoude moeite hebben, om vyf-en-zeventig eigenaars van Plantagiën op te tellen, die van den opbrengst van hun land bestaan. Verscheiden woonen op eenen zeer verren afstand van de hoofdplaats. Het getal der Mulatten is vier of vyf honderd, en dat der Negers negen duizend.

De Mulatten, die overal onderdrukt worden, hebben dit misschien meer in Guiana, dan ergens anders, ondervonden.

"Schoon de Creolen, van een blanken en eene zwarte voortgeteeld, zegt de Burger LESCAILLIER in zyn te meermalen aangehaald Exposé des moyens &c., over 't algemeen veele lichamelyke voorrechten hebben, vlugheid, eene onbedwongene en bevallige houding, een zeer geregeld gestel en voorkomen, worden zy zeldzaam voor goede voorwerpen gehouden, wanneer men hen in den rang der slaven plaatste, uitgenomen de geenen, welken men tot huisselyke diensten gebruikte. De reden daar van is gemakkelyk naar te gaan; daar zy uit de gemeenschap van eenen blanken, die tot de Plantagie niet behoorde, ten gevolge van eene ongeoorloofde verbintenis, waren voortgesproten, verbeterde de opvoeding het gebrekkige van hunne geboorte niet. Zy verachtten de Negers, en werden door dezelven wederkeerig veracht. Zeldzaam gelukte het hun, wanneer zy, onder de zwarten vermengd, op de Plantagiën arbeidden.

De algemeene laagheid, waar in men dit zoort van menschen in de Volkplantingen hield, en die alle nayver in hun uitdoofde, had te Cayenne hun tot eene zwervende en ongebondene hoop volks gemaakt; byna geen enkele onder hun was of tot den landbouw, of tot eenig handwerk geschikt.

"De middelen, die men wel eer te werk stelde, met oogmerk om hen nuttig te maken, hebben het kwaad nog verërgerd. De Gouverneurs hebben gemeend de vrygelatenen te moeten beschouwen als lieden, die verpligt waren op het eerste bevel op te trekken. Dienvolgende waren alle de manspersoonen boven de veertien jaaren, getrouwd en ongetrouwd, landbouwers, werklieden, of andere, zonder onderscheid, begrepen onder eene zoogenaamde Compagnie Jagers, zonder soldy, staande onder bevel van een zeker zoort van Officiers, maar die ook geen soldy trokken, nog eenigen rang hadden. Deeze ongelukkigen, verpligt om op het eerste gegeven sein op te trekken, hebben zig, uit dien hoofde, nimmer op eenen vasten voet kunnen nederzetten, trouwen, zig tot eenig vast handwerk begeven, en nog minder zig op den landbouw toeleggen. Den dienst, die hun bevolen werd, zeer slecht uitvoerende, alleenlyk betaald wordende voor de dagen, dat zy werkelyk dienst deeden, hadden zy, by hunne te rug komst, geen eerlyk en zeker middel van bestaan, het geen hen dikwils noodzaakte om door wandaaden en strooperyen den kost te zoeken.

"'Er was ook nog een ander zoort van Creolen, van een vrye vader en moeder geboren. Zy oeffenden handwerken of den landbouw, en leefden daar van met hunne huisgezinnen. Derzelver getal is in Fransch Guiana oneindig klein."

De blanken, die geene eigendommen bezaten, het zy werklieden, het zy anderen, maakten het aanzienlykst gedeelte der bevolking van hun zoort uit: zy hebben een getal van dertien honderd bedragen, van allerleyen ouderdom en kunne, zonder de bezetting daar onder te rekenen; maar men verzekert, dat zy thans tot een getal van zeven of agt honderd versmolten zyn.

Onder dit aantal van persoonen vindt men byna twee derde van het mannelyk geslacht, om reden, dat het getal der genen, die zig buiten 's Lands begeven, ten aanzien der mannen altyd veel aanmerkelyker is. Indien men van dit aantal manspersoonen de zieken, oude lieden en kinderen aftrekt, bleven 'er ten hoogsten vier honderd mannen overig, die in staat waren om de wapenen te voeren.

Onder de laatstgemelden waren niet meer, dan honderd-en-vyftig eigenaars van middelmatige en kleine Plantagiën, die, hoe zeer grootendeels van geen belang tot bevordering van 's Lands voorspoed, en den uitvoer der koopwaaren, echter tot onderhoud van derzelver bezitters als voldoende beschouwd konden worden, 'Er bleven derhalven tweehonderd vyftig mannen (blanken) overig, die in dit Land hun bestaan vonden, behalven door den landbouw; de één door posten en ampten tot het bestuur, of tot den krygsdienst betrekkelyk; de anderen, als werklieden, daglooners, of bedienden van allerleije zoort, hunne soldyen uit de algemeene schatkist, en hunne wedden van de Regeering ontfangende.

Indien nu de dienst zoo van het Land, als van byzondere persoonen, slechts honderd en vyftig van deeze menschen bezig hield, zoo bleven 'er dus honderd overig, wier bestaan zeer wisselvallig was. Het was van aanbelang zig bezig te houden met dit klein getal persoonen, die van middelen ontbloot waren.

Men vergrootte eenige bezittingen, men ondernam nieuwen arbeid, men deelde eenige landeryen uit, en bezorgde daar by tevens gereedschappen en vee. De arbeiders en bouwlieden vonden bezigheid, en de laatstgemelden begonnen voordeel te doen.

Eene bevolking van zes honderd mannen (blanken) tegen drie honderd vrouwen, had geene evenredigheid tot vermeerdering der bewoners, noch tot bevordering der goede orde, in een Land, alwaar men de vermenging met Zwarten en Mulatten aan de hand gaf, en alwaar by gevolg de wet zelve tot hoerereije en overspel scheen uit te noodigen. Zulk een staat is schadelyk voor de maatschappy. Het was dus van een dringend aanbelang daar in te voorzien.

Men had eene Volkplanting te Iracoubo begonnen, bestaande uit dertig mannen, uit een zeker getal afgedankte soldaten uitgekozen. Men moest ontwyffelbaar aan deeze mannen bezorgen verstandige, arbeidzaame en bekwame vrouwen. Om dit oogmerk te bereiken, verzogten de Bestuurders van Guiana aan de Regeering, en wel tot eene eerste proeve, een getal van vyf-en-twintig of dertig weesmeisjens, die met weinige kosten hadden kunnen overkomen. In geval deeze poging gelukt was, zoude men van dit zelfde middel wederom hebben gebruik gemaakt, en nieuwe bezitingen in deeze uitgebreide Volkplanting hebben kunnen aanleggen: men sloeg geen acht op dit belangryk voorstel, noch op veele anderen, die tot bevordering en verbetering des Lands zouden hebben kunnen medewerken.

Het is waarschynlyk, dat deeze bezittingen verlaten zyn geworden, en dat de meeste blanken, die 'er hun bestaan uit moesten vinden, uit de Volkplanting vertrokken zyn.

De Negers bedroegen in Fransch Guiana een getal van negen duizend. De Burger LESCAILLIER meldt ons, dat men, in 't jaar 1788, hem over de mogelykheid van de afschaffing der slavernye raadpleegde. Deeze Bestuurder verklaarde van begrip te zyn, dat men in de Volkplantingen de akeligste gebeurtenissen te duchten had, indien men niet langzamerhand den weg tot deeze gelukkige omwenteling baande. Drie jaaren lang deedt hy alle moeite, om de mogelykheid van dusdanige verandering zeker te stellen: hy toonde het voorbeeld van eene betere bestuuring, ten aanzien van de Negers van den Staat: hij bezorgde hun een gezonder en vaster voedzel: hy liet hen kleeden en in hunne ziekten oppassen. Op zynen raad en volgens zyn voorbeeld, heeft men de zwangere en zogende vrouwen ontzien: men droeg zorge voor kinderen en jonge lieden: men betoonde ontzag voor oude lieden en zieken: men moedigde het aangaan van huwelyken aan: men arbeidde, om goede zeden, vlyt en bedaardheid in de Negers aan te wakkeren: juiste belooningen vervulden de plaats van harde en willekeurige kastydingen.

Zulk eene handelwyze heeft de gelukkigste uitwerkingen gehad. Het werk werd met yver en arbeidzaamheid verrigt, en het gelukte door dit middel, om aan de Negers hunnen staat van slavernye te doen vergeten.

Men dagt niet meer aan wegloopen: vyf of zes schuilplaatsen der weggeloopen Negers, van alle gemeenschap verwyderd, in ontoegangelyke Landen en ondoordringbaare bosschen verzonken, zyn van tyd tot tyd vernield, of door de vredelievende middelen van onderhandeling, tot de stem der menschelykheid, die tot in deeze verblyfplaatsen was doorgedrongen, te rug gebragt.

De optochten met krygs-geweld waren tegen deeze arme schepzels byna onuitvoerlyk: zy kostten aan zommigen van hun het leven, en maakten de anderen altyd nog afkeeriger. Men moest dus tot eenig ander middel zyn toevlucht nemen. Een zendeling, met een kruis in de hand, en onder het geleide van een getrouwen Neger, ging hun de woorden van vrede brengen, hun kwytschelding beloven, en allen kwamen zy, met hun volkomen genoegen, hunne yzere kluisters hernemen. Een deezer verblyfplaatsen onder anderen, verscheiden dagreizens van alle woningen afgelegen, was, zedert verscheiden jaaren, eene veilige wykplaats voor een groot getal van weggeloopene Negers. Men had slechts eene oppervlakkige kennis wegens het bestaan van deeze wykplaats. Een Priester begaf zig te voet derwaarts, vergezeld van eenige ongewapende Mulatten, en bragt van deeze plaats, op ééne keer, drie-en-veertig persoonen mede, waar onder verscheiden kinderen waren, in de bosschen geboren, en die nooit een blanken gezien hadden. Het gebeurde werd van wederzyden vergeten. De eigenaars leerden 'er door, om nuttige voorwerpen, die hun ontloopen konden, zonder mogelykheid van ze wederom te krygen, met meerder geschiktheid te behandelen, en de Negers hernamen met onderwerping hunnen gewoonen arbeid.

Men heeft voorgegeven, dat de Negers in Guiana beter behandeld werden, dan in de andere Volkplantingen. Dit voorgeven wordt door geen bewys gewettigd. 'Er zyn in deeze landstreek weinig groote Plantagiën en gegoede Planters; en deeze laatstgemelde behandelden, over 't algemeen gezegd, hunne slaven het best, het zy om dat zy meerder middelen bezaten, het zy om dat ze meerder doorzicht hadden.

Zeer geringe Planters, van alle toevoorzicht verre verwyderd, oordeelden beter hun fortuin voort te zetten, door van drie of vier Negers, welken zy in het geheel bezaten, eenen onmatigen arbeid te vorderen. Zy lieten hun zelfs den Saturdag niet, welken men anders gewoon was aan hun tot bebouwing van hunnen eigenen tuin toe te staan, en zomtyds ontnamen zy hun zelfs den Zondag: zy bekreunden zig over hun in 't geheel niet, noch by ziekte, noch by gezondheid: zy bezorgden hun geen behoorlyk voedzel noch kleeding, en nimmer heeft men ten deezen opzigte in Guiana kunnen verwerven de uitvoering van het geen by de wetten, le Code noir genoemd, bepaald was.

Op de Plantagiën, waar men rykelyker bemiddeld was, doch welker getal ongelukkig zeer klein is, werd dit gebrek verbeterd door de zorge der eigenaars, door overvloed van groenten tot levensmiddelen, door het visschen en jagen in zekere landstreken, en door de kleine geld-sommetjes, die de Negers zig bezorgden, door het overschot van hun gevogelte en levens-middelen op de markt te verkoopen.

Zommige eigenaars der Plantagiën maakten in geschrifte menschlievende en verstandige Reglementen, die aan de Negers werden bekend gemaakt. De ondervinding heeft bewezen, dat, wanneer de slaven beter behandeld werden, zy met meerder yver tot bevordering van de belangen hunner meesters medewerkten. Eén deezer Planters had aan elke Negerin, die zes kinderen behoorlyk zoude opvoeden, de vryheid beloofd. Wanneer die voorwaarde eenmaal vervuld was, werd de belofte met veel statie ter uitvoer gebragt.

Brave en verstandige Planters, volgden natuurlyker wyze de beginzels van menschlievendheid en de goede voorbeelden. Redeneeringen onder allen, en blyken van misnoegen, aan wreede meesters te kennen gegeven door den verstandigen, bestuurder, den Burger LESCAILLIER, van wien wy deeze byzonderheden ontleend hebben, hebben langzamerhand op het bestaan der Negers in deeze Volkplanting, en op den staat van derzelver bebouwing, invloed gehad. Maar naderhand is de al te groote zorgloosheid der Regeering oorzaak geweest, dat het getal der Negers niet aanmerkelyk is aangegroeid, gelyk had moeten gebeuren, zoo uit hoofde van de gemakkelykheid van het bekomen van levens-onderhoud in dit Gewest, als van den zeer aanzienlyken invoer van slaven.

Misschien is het aan eenige van de hier boven opgegevene voorzorgen toe te schryven, dat de afschaffing der slavernye in Fransch Guiana zulke akelige gevolgen niet veröorzaakt heeft, als te St. Domingo. Deeze omwenteling werd op eene rustige wyze bewerkt, en men verhaalt, dat men verscheiden Negers gezien heeft, die de gehechtheid aan hunnen ouden meester aan den dag leiden, door op zyne Plantagie te blyven, en denzelfden arbeid te verrigten, als of de wet 'er hun toe noodzaakte.

VYFDE HOOFTSTUK.

Zeden en gewoonten der Indianen.

De volken, die in het ukgestrekte vaste Land van Guiana, voor de aankomst der Europeanen, omzworven, waren verdeeld in verscheidene natiën, die over het geheel niet zeer talryk waren, Zy hadden geene andere zeden, dan die der Wilden van het zuidelyke vaste Land. Deeze volken leven altyd van elkander afgescheiden, en dikwils verre verwyderd. Men onderscheidt dezelven in Indianen aan de kusten, en in Land-Indianen, dat is, die het binnenste gedeelte van het Land bewoonen. Deeze Land-Indianen, die weinig of geen omgang met de blanken hebben, behouden hun oorsprongelyk character en hunne gebruiken meer volkomen. Zy maken een groot getal van onderscheidene natiën uit, wier aanwezen zig niet tot eenig gedeelte van den grond van dit Land bepaalt; maar die, zonder verwarring van woonplaats veranderende, elkander op zeer verre afstanden wederom vinden.

De Galibis zyn onder deeze natiën de voornaamste en talrykste; hunne taal wordt door alle de anderen over 't algemeen het best verstaan. Zy strekken zig van Cayenne tot aan de Orenoco uit. De Arouaques, de Acoquas, de Aramichaux, de Armancoutous, de Pourpourouis, de Pirious, de Mayés, de Palicours, de Puchicours, de Maraones, de Ouroukouyennes, de Macoussis, de Nouragues, de Emerillons, de Taryaras, de Ouins, de Calicouchiennes, de Coussaris, de Tocoyennes, de Maourious, de Mayecas, de Itoutanes, de Calipournes, zyn andere Indiaansche volken van deeze zelfde landstreek.

De Wilden of Indianen van het vaste Land van Guiana, zyn van eene middelmatige gestalte; [15] de vrouwen zyn klein en niet zoo wel gemaakt als de mannen. Hunne huid heeft eene rood koperachtige kleur. Zy hebben zeer zwarte en zeer gladde hairen. Hunne trekken verschillen weinig van die der Europeanen. De vermenging van dit geslacht met dat der blanken, brengt, by de eerste voortteeling, menschen voort, die van de laatstgemelden niet onderscheiden zyn.

De vrouwen hebben eene zekere zoort van zachtheid in haar aangezicht; verscheiden zyn van een aangenaam voorkomen, en hebben niets wilds. Zy haten, zoo men zegt, de Franschen niet; maar eene minnestreek met eene getrouwde vrouw gaat met veel gevaar voor haar, en zelfs voor den minnaar, gepaard: op de minste verdenking maakt de man hen beiden van kant.

De meeste Indianen loopen byna naakt. Men beweert, dat zommigen, voor al die aan den kant van de Rivier der Amazonen woonen, geheel en al naakt loopen. Zy beschouwen het als een zeker voorteeken, dat hy, die de schaamdeelen bedekt houdt, ongelukkig zoude zyn, of in het loopende jaar sterven. De anderen dragen weinige kleederen. De mans kleeding bepaalt zig tot een linnen gordel, dien zy om het lyf winden, nu en dan op de manier van eene korte rok. Deeze gordels zyn doorgaans van catoen doek, blaauw, Guinée of Salempoure genaamd; zommigen dragen bovendien nog een zoortgelyke lap, waar mede zy hunne schouders bedekken.

De Indianen van de kust dragen niets op hun hoofd: hunne hairen, die van agteren kort zyn afgesneden, en over het voorhoofd nederhangen, maken hen in dit opzigt gelykvormig aan de oude Grieken en Romeinen. By de volken, die meer binnen in het Land wonen, ziet men echter nu en dan mutsen van vederen van verschillende kleuren, die, vooral op feest-dagen, tot opschik dienen, Deeze zelfde Indiaansche volken maken gebruik van onderscheidene kleedingen, insgelyks op eene vernuftige manier van vederen gemaakt; zy dragen dezelven voor de maag, tot voorschooten, gordels en halsbanden. Zy houden bovendien veel, om hunne armen, de voorhand, en de beenen met armbanden van glaaze koraalen te vercieren; en elk volk heeft ten deezen opzigte die kleur verkozen, welke hy het meest bemint, en waar by zy ook be/tendig volharden. Zy, die wegens hunne afgelegenheid geene gemeenschap met de Europeanen hebben, en daar door geen kraalwerk weten te bekomen, verstaan de konst, om kraalen van een zwart en zeer hard hout te maken, welken zy draaijen, polysten en op eene zeer aartige manier doorbooren. Zy maken 'er halscieraden van, die naar git gelyken, en een tak van koophandel voor hun opleveren.

De vrouwen maken insgelyks, van kraalen van onderscheidene kleuren, voorschooten ten naasten by van eene vierkante gedaante, maar van boven veel naauwer dan van onderen, en ten hoogsten twee handen breed. Haare geheele kleeding bestaat in één van deeze voorschooten, en zy vercieren zig met halsbanden, armbanden, en een zoort van ringen, zelfs tot aan de enklauwen. Zommige dragen ook aan het been, tot aan de hoogte van de kuit, een weefzel van catoen, op het vleesch zelf vast gemaakt, het welk zonder hun echter hinderlyk te zyn, de groeijing belet, en al de kragt en zelfstandigheid naar boven trekt, zoodanig, dat zy op stelten schynen te loopen. Dit belachelyk gebruik is niet algemeen.

Zoo is het ook gelegen met de Roucou, zynde eene roode verw, aan dit Land eigen, waar mede de meeste Indiaansche volken hun lichaam, aangezicht en zelfs hunne hairen besmeeren.

Twee redenen kunnen hen tot het aannemen van dit gebruik bewogen hebben. Voor eerst, om aan hunne huid eene kleur te geven, naar hunne natuurlyke kleur gelykende, en die hun toeschynt dezelve te versterken, te verfraaijen, en eene eenparigheid en weerschyn aan dezelve te geven: de tweede reden is, om door den olyächtigen aart en zeer sterke reuk van dit smeerzel, de groote muggen, en andere insecten te verdryven, waar door zy, zonder dit hulpmiddel, dikwils gekweld zouden worden; voor al zy, die dicht by de kusten woonen, en in zekere landstreeken, alwaar deeze ontrustende insecten in grooten overvloed gevonden worden.

Het is waarschynlyk, dat die volken, die van de Roucou geen gebruik maken, de Binnen-Landen bewonen, alwaar men het gemelde ongemak niet ondervindt.

Alle Indianen zyn overgegeven aan bygeloof, en zeer luy; maar het ontbreekt hun niet aan behendigheid, noch vernuft; en hoe koud zy ook schynen te zyn, 'er is misschien geen volk, dat meer levendigheid bezit. In weêrwil van hunne uiterlyke ongevoeligheid, zyn hunne driften ongemeen. Zy leven ongeregeld, en zyn zeer aan den drank overgegeven. Hunne haat is onverzoenlyk, en hunne wraakzucht geweldig, wanneer zy dezelve zonder gevaar kunnen uitöeffenen. Niettemin zyn zy begaafd met eene zekere natuurlyke billykheid, die in hunne daaden uitblinkt, en beginzels van rechtvaardigheid, die hun gedrag bestuuren. Zy hebben zelfs eene zoort van beschaafdheid en minzaamheid. Hunne onderlinge, gesprekken voeren zy altyd met gematigdheid en ingetogenheid. Hunne redeneeringen ademen zagtheid en beleefdheid. Zeldzaam hoort men van hun lompe, en nooit beledigende uitdrukkingen, Zy weten niet wat het is in scheldwoorden uit te vaaren, zelfs wanneer zy, iemand haat toedragen. Hunne burgerlyke beleefdheid jegens elkander is niet minder verwonderlyk. De mannen, wanneer zy niet naar het veld gaan, brengen doorgaans den dag door in eene groote hut, die in het midden van hun gehucht is opgeslagen, en het zy ze in of uitgaan, zy laten nimmer na elkanderen te groeten. Bevinden 'er zig eenige vreemdelingen, vervoegt men zig by hun het eerst. In de huisgezinnen heerscht veel eendragt en rust. De vrouwen zyn arbeidzaam, zachtzinnig, oplettend, en onderworpen. De mannen zyn aan hunne vrouwen zeer gehecht. De gastvryheid is by de Indianen zeer in gebruik. Nu en dan geven zy in grooten getale vriendelyke bezoeken aan nabuurige volken. Zy blyven verscheiden dagen by elkander, en brengen dezelven in vrolykheid door; maar gewoonlyk eindigen zy die, met zig gezamemtlyk dronken te drinken, het geen altyd twisten oplevert. Dit gebrek, het welk de blanken onder deeze volken maar al te veel hebben aangemoedigd, is echter niet moeielyk te verbeteren. Zy geven 'er zig meer aan over uit navolging, en by voorkomende gelegenheden, dan uit hoofde van eene bestendige gewoonte.

De Indianen, die het Christendom niet omhelsd hebben, schynen geenen uitwendigen Godsdienst te hebben: het is echter ontwyffelbaar, dat zy een denkbeeld hebben van het Opperwezen, en van de onsterffelykheid der ziele. De Godsdienst van de meesten gelykt veel naar die der Manicheen, en zy zyn, ten naasten by, met dezelfde vooröordeelen bezet. Zy hebben hunne Toovenaars en Waarzeggers, die tevens de Priesters en Artsen der natie zyn. Men heeft in de reize van STEDMAN gezien, welken eerbied zy in 't algemeen voor de dooden hebben, en dat zy denzelven zoo verre dryven, dat zy hunne beenderen bewaren.

Deeze volken rekenen den tyd naar het toe en afnemen der maan, en het zeven-gestarnte, Behalven deezen, onderscheiden zy nog verschillende hemelteekenen. Onder den lynrechten hemelkring wonende, bekommeren zy zig niet over den afstand der zonne.

De Indianen bemoeien zig bijna in 't geheel niet met de opvoeding hunner kinderen. De ouders betoonen eene ongemeene tederheid voor hunne kinderen, wanneer zy in hunne eerste jeugd zyn; maar in een meer gevorderden ouderdom, schynen zy dezelven niet meer te kennen. Zy gaan hun in niets te keer; zy beveelen hun niets; zy berispen hun nooit, en durven het zelfs niet doen; want het is niet zonder voorbeeld, dat men een zoon zijnen vader straffeloos heeft zien slaan.

Schoon de Indianen weinig spreken, en zelfs stilzwygende schynen, hebben zy echter een vrolyken geest, en eene geneigdheid tot spotternye: zy zingen by alle gelegenheden; en wanneer zy oploopend zyn, ontzien zy zig geene schimpredenen hoe genaamd.

Hun leven verslyten zy byna geheel in ledigheid. Men ziet hun altyd in hunne hangmat liggen. Zy brengen 'er geheele dagen in door met praten, en met zig in een kleinen spiegel te bekyken, met het schikken van hunne hairen, of zoortgelyke vermaken. Zommigen scheppen vermaak in aanhoudend op de fluit te spelen, of liever te brommen; men kan het by niets beter vergelyken; want hunne groote fluiten maken een geluid, eenigermaten gelykende naar het gebulk van een os. De Indianen zyn dus uit hunnen aart zorgeloos. Zy arbeiden niet, dan wanneer het gebrek of de nood 'er hen toe dwingt: maar het is merkwaardig, dat deeze zorgeloosheid in alle omstandigheden geen plaats heeft; want het oorlogen, het jagen, het visschen, bezigheden, die kragt en werkzaamheid vorderen, met geduld gepaard, behagen hun altyd zonderling. De arbeidzaamsten, wier getal niet groot is, houden zig bezig met het maken van bogen, pylen, hangmatten, gereedschappen tot de huishouding, en met het maken van praauwen en booten.

De vrouwen zyn de slavinnen der mannen. Behalven de zorg van het huishouden, zyn zy belast met het beplanten der velden, welken de man van de stronken gezuiverd heeft, met het uitwieden van het onkruid, met het inzamelen van den oogst, met het gereed maken van den drank, van de cassave, met het haalen van hout, en water, met het maken van aardewerk; met één woord, zy zyn verpligt zig met alles te bemoeijen, buiten de jagt en visscherye: daarënboven moeten zy zomtyds het onderhoud voor hunne mannen gaan zoeken, terwyl deeze zig zacht in hunne hangmat bakeren.

De veelwyverye is by de Indianen geöorloofd, meer door gewoonte, dan om eenige andere reden. Ieder man is gerechtigd zoo veele vrouwen te hebben, als hy onderhouden kan: hy zendt haar te rug, wanneer hy het geraden oordeelt; en, zoo hy het goed vindt, laat hy haar geheel en al varen, zonder in eeniger manieren voor haar onderhoud te zorgen. By verlating van eene vrouw, belast de vader zig doorgaans met de zorg over de kinderen.

De Indianen trouwen altyd met hunne nabestaanden, zelfs in den tweeden graad van bloedverwantschap. De jongens beschouwen hunne volle nichten, als of zy dezelven door een zeker recht van geboorte verkregen hadden. Dus trouwen zy haar dikwils, schoon ze niet meer dan twee of drie jaaren oud zyn. Ondertusschen neemt de man eene andere vrouw, welke hy weg zendt, wanneer dit jong meisjen groot genoeg geworden is, om met hem zamen te woonen.

De huwelyken worden in een oogenblik, en zonder eenige plechtigheid, voltrokken. Indien een Indiaan een goed visscher, een goed jager, en arbeidzaam is, is hy zeer gezien. Zoo dra eene jonge dogter het oog op hem geworpen heeft, biedt zy hem drinken aan, en zelfs hout, om by zyne hangmat vuur aan te leggen. Zoo hy dit weigert, is zulks een blyk, dat hem het meisjen niet gevalt; zoo hy het aanneemt, is het huwelyk gesloten. Dien zelfden dag blyft het meisjen niet in gebreken, om haare hangmat in de nabyheid van die van haaren toekomenden echtgenoot op te hangen. Des anderen daags brengt de jonge vrouw hem eeten en drinken, en van dien tyd af neemt zy de zorge van zyne huishouding waar.

De schoonvaders beschouwen hunne schoonzoonen als zoo veele knechts, geschikt om hun te dienen, en begeeren dus niet te werken. De nieuw getrouwde Indianen houden zig bezig met het hakken van hout, en het bouwen van de hut. Zy zyn verpligt te gaan jagen en visschen; met één woord, om te voorzien in het onderhoud van de vrouw en kinderen van hunnen schoonvader, die met de armen over elkander in zyne hangmat blyft liggen. Deeze jong-getrouwde lieden zyn ook nog aan eene zeer harde wet onderworpen. Wanneer hunne vrouw voor de eerste maal in het kraambedde bevalt, blyven zy in hunne hangmat, welke men aan het dak van 't huis vast maakt. Een stuk cassave-brood, en een weinig water maken al hun voedzel uit.

Na dit gestreng vasten eenige weken te hebben uitgehouden, laat men hen ter neder, en men maakt hun met groote visch-graaten, of tanden van eenig wild dier, eenige insnydingen op onderscheiden plaatsen van hun lichaam, het geen de Creolen noemen frelanguer. Zeer dikwils zelfs geeft men hun verscheiden zweepslagen. Met deeze plechtigheid is het nog niet afgedaan. Hy, die vader geworden is, is verplicht zig in dienst te begeven by den eenen of anderen ouden Indiaan, en zyne vrouw voor eenige maanden te verlaten. Geduurende al dien tyd moet hy zoo onderworpen zyn, als een waare slaaf. Hy moet zig onthouden van het eeten van varkens-vleesch en grof wild. Wanneer de tyd der slavernye vervuld is, gaat men uit om krabben te vangen; men vangt eene zeer groote meenigte; men rigt een festyn aan, en drinkt zig dronken; vervolgens geeft men in groote statie den man aan de vrouw te rug.

De krygs-bouwkundige FOUCIN, die de oevers der Rivier Oyapoc bereisd heeft, spreekt eene zoo algemeen aangenomene zaak eenigermaten tegen. "Men heeft stoutmoedig beweerd, zegt hy, dat eene vrouw, in het kraambedde bevallen zynde, aan alle de lasten der huishouding onderworpen was, en haaren man bediende. Het is niet anders, dan het tafereel sterk te overschaduwen, om het belangryk te maken. Maar indien men de waarheid hulde wil doen moet men toestemmen, dat de vrouwen, die bevallen zyn, negen dagen lang, door de geenen, die haar vergezellen, met de grootste gematigdheid behandeld worden, en dat zy eerst na afloop van dien tyd haare bezigheden hervatten. De mannen, wel is waar, houden hun rust, maar dit is een gevolg van hun bygeloof. Zy eeten dan niets als visch; zy onthouden, zig van alle zoorten van vleesch, zig overtuigd houdende, dat hun gedrag op het lot en het gestel van hunne kinderen invloed hebben zal."

De mannen houden nooit hun middagmaal te zamen met hunne vrouwen: de laatstgemelde dienen hun, en geven hun wasch-water, wanneer zy hunne maaltyd geëindigd hebben. De Indianen zyn gewoon, wanneer zy zitten, hunne hielen plat op den grond te zetten. Echter hebben zy een houten stoel, welken zy moulé noemen, en waar van zy by het geven van bezoeken gebruik maken. Het is een zoort van zitbank, geheel uit één stuk gemaakt, en zeer ongemakkelyk, waar van het bovenste, byna de gedaante van een boot hebbende, zoo hol is, dat men 'er tot aan het midden in zakt, en de kniën byna de kin aanraken.

De voornaamste arbeid der Indianen, en die hun het ernstigst bezig houdt, is het bouwen van hunne hutten. Dezelve zyn vierkant, maar meer lang dan breed; zommige zyn gelyks gronds, andere hebben 'er nog eene verdieping boven op. De hooge hut is eene zamenvoeging van eenige palen, die in den grond gestoken zyn, van de hoogte van omtrent agt of tien voeten, waar over men een planken vloer heen legt, met kleine lysten, gemaakt van palmboomen hout, het welk zig gemakkelyk laat klooven. Men klimt in deeze hut door middel van stammen van boomen, die niet sterk gebogen zyn, en waar op men eenige keepen of voegen gemaakt heeft, die in plaats van sporten dienen; maar deeze stammen hebben zoo weinig stevigheid, dat zy dan naar de ééne, dan naar de andere zyde overhellen. Het is zeer moeielyk om 'er met schoenen op te klimmen, en nog moeielyker om 'er af te komen. De lage hut is gebouwd van twee paalen, waar op eene lange stok of spaar rust, die het geheele gebouw ondersteunt. Men legt van alle kanten op dit dak takken van boomen, die men vervolgens met bladeren bedekt; en eene kleine deur, aan één der zyden gemaakt, vormt den ingang. De Indianen, die aan de oevers van de Oyapoc woonen, munten nogtans uit in de manier, waar op zy hunne hutten bouwen, welke veel stoutheid en cierlykheid vertoonen, uit hoofde van de weinige dikte van het daar toe gebruikte hout.

De Galibis, nabuuren van Cayenne, zyn in hunne huizen byna op elkander gestapeld. 'Er zyn 'er, waar in men zomtyds tot twintig en dertig huishoudingen telt. De veiligheid, waar mede deeze Wilden onder elkander leven, is oorzaak, dat hunne woningen in 't geheel geene sluiting hebben. De deuren staan altyd open, en men kan 'er in komen, als men wil.

Het uitgestrektste van alle Indische gebouwen is de Taboui, welke de Franschen doorgaans de groote hut noemen. Het is eigentlyk de plaats, waar de Wilden van dezelfde natie gewoon zyn by elkander te komen. Zy houden aldaar hunne vergaderingen; zy ontfangen 'er de vreemdelingen; zy houden 'er hunne plechtige feestynen, of liever hunne slemp-partyen. De Taboui, die aan het geheele volk gemeen is, is eene zoort van overdekte hal of markt, vyftig of zestig voeten lang, en tien of twaalf breed. In het midden en aan de beide einden, die altyd open zyn, plant men groote gaffels-wyze gemaakte staken, waar op men groote stukken hout plaatst, om tot een dak te dienen. Vervolgens regelt men de balken, die van boven van het gebouw tot naar beneden loopen, alwaar zy op kleine gaffels-wyze gemaakte staken rusten, van vier of vyf voeten hoogte, en die in eene reije met tusschen-vakken geplaatst zyn. Van binnen plaatst men eenige lange dwarshouten, met koorden van heesters vast gemaakt, en dienende om 'er de hangmatten der mannen aan op te hangen: want de vrouwen genieten het zelfde voorrecht niet; zy zitten gewoonlyk op die zelfde plaats, haare hielen op den grond houdende, of op een bank. Het dak van de Taboui is gedekt, even als van de andere hutten. Hoe groot deeze verblyfplaats ook zy, het timmerwerk is niet minder eenvoudig, noch beter uitgedacht, dan dat van alle andere hutten. De plaats, welke de Indianen verkiezen, is doorgaans eene hoogte, of de oever van eene Rivier. Hunne huizen, die eene groote armoede te kennen geven, zyn zonder eenige orde geplaatst; en het nabuurig land-gezicht heeft zeldzaam iets aanlokkelyks. De stilte zelfs, die in hunne wooningen heerscht, en die nu en dan alleenlyk door het geschrei van vogelen of andere dieren wordt afgebroken, is geschikt om angst aan te jagen.

De bouw-orde van de groote en kleine hut is overal dezelfde niet. By eenige volken is de eerste getimmerd in eene eironde gedaante van ronde houten, die vernuftig zyn zaamgevoegd, en met koorden van heesters aan elkander gebonden. Men overdekt dezelve met een dak van palmboom-bladeren, het welk rondom afhangt, tot op den afstand van omtrent drie voeten van den grond, uitgenomen ter plaatse van den ingang, alwaar het zelve een weinig meer verheven is. De lucht en het daglicht spelen 'er dus van alle kanten door, zonder eenige hinder te kunnen toebrengen. Men is 'er volmaakt beveiligd voor de zon, den wind en den regen.

Verscheiden andere hutten van byzondere persoonen zyn langwerpige gebouwen, insgelyks van ronde houten gemaakt, dragende een dak van eene gevelswyze gedaante, met palmboom-bladeren overdekt. Meestal is, op de hoogte van zes of zeven voeten boven den grond, eene zoldering, tot een woonplaats voor de byzondere persoonen geschikt. Deeze zoldering is gemaakt van stammen van palmboomen, die gespleten en niet breed zyn, latende openingen tusschen elkander overig, zoodanig dat de vuiligheid 'er door valt, en de lucht, zoo wel van onderen, als van ter zyden doorspeelt; want het dak zakt niet af tot op de hoogte van deeze zoldering. In het benedenste gedeelte is eene afzonderlyke plaats, met een beschot afgeschoten, tot verblyf voor de vrouwen, en om 'er den nacht door te brengen.

Het huisraad en de keuken-gereedschappen der Indianen zyn niet zeer talryk, en van weinig waarde. De voornaamste, of nuttigste, zyn hunne hangmatten, die doorgaans van catoen gemaakt zyn. 'Er zyn 'er, die van eene andere stoffe gemaakt zyn; maar zy zyn zoo gemakkelyk niet, zoo wel uit hoofde van de ruwheid der koorden, waar van zy geweven zyn, als om dat zy openingen hebbende, men voor het steken der groote muggen en andere insecten niet beveiligd is. Om deeze zoort van bedden te maken, bedienen zig de Indianen alleenlyk van vier groote stokken, van vyf of zes voeten lengte, aan elken hoek met een houten pin, of eenig koord van heesters, vast gemaakt. Zy voegen ook verscheiden draden catoen, in de lengte en aan beide zyden van dit huisraad, het welk een weinig tegen de muur is overgebogen, zeer konstig te zamen; waar na zy tusschen deeze draden eene zoort van weverspoel laten doorloopen. Zy slaan die draden telkens sterk aan, met een stok van zeer hard en een weinig snydend hout. Wanneer het weefzel van de hangmat afgemaakt is, maken zy 'er koorden aan vast, om dezelve te kunnen ophangen, waar het hun gelieft. De Indianen besmeeren hunne hangmatten dikwils met Roucou, gemengd met eenige harst, of met balsem van Copaïva, of zelfs met oly. Zy schilderen daar op allerleye zoorten van loofwerk, met eene wonderbaarlyke geëvenredigdheid. Die bedden, waar op men het gemakkelykst slapen kan, zyn de witte hangmatten, wel aangeslagen, van zeven voeten in het vierkant. De Indianen in Guiana maken dezelven zeer fraay, en van allerleye grootte.