WeRead Powered by ReaderPub
Reize naar Surinamen en door de binnenste gedeelten van Guiana — Deel 4 cover

Reize naar Surinamen en door de binnenste gedeelten van Guiana — Deel 4

Chapter 26: ZEVENDE HOOFTSTUK.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

The work recounts a traveler's military and civil experience in Surinam and the interior of Guiana, combining battlefield narrative with detailed observations of plantation economy, slave life, maroon communities, and local flora and fauna. It offers vivid portraits of figures such as the maroon leader Graman Quacy, descriptions of coffee plantations and fishing species, and episodes of cruelty and compassion. Appendices present practical letters and proposals on land reclamation, coffee cultivation, plantation administration, and gradual abolition measures, followed by a descriptive section on French Guiana covering geography, climate, history, population, and Indigenous customs.

Men gevoelt veel minder warmte in een hangmat, dan in een bed, naar de Europeesche wyze gemaakt; en de zieken, die door de koorts zyn aangetast, vinden zig merkelyk verligt, wanneer zy 'er eenige uuren in hebben doorgebragt. In plaats van een deken, bedienen zy zig van een mat, van palmboom-bladeren gemaakt: men spreidt die ook over den grond, wanneer men aldaar wil gaan liggen.

Na de hangmatten, zyn de Pagaras dat huisraad, waar mede de Indianen zig meest bezig houden. Het zyn manden of korven van verschillende grootte en gedaante. 'Er zyn vierkante, langwerpige, en ook ronde. Zy zyn met rood en zwart loof werk beschilderd. Die geenen, waar van men zig doorgaans bedient, hebben eene langwerpige vierkante gedaante. Zy zyn overal dubbeld, en tusschen beiden gevuld met Baroulou-bladeren, op dat het water niet binnenwaarts zoude kunnen doordringen. Deeze zoort van manden hebben de verdienste, dat ze zeer ligt zyn. Alle dienen zy, om 'er kleederen, huisselyke gereedschappen, en levensmiddelen in te bergen.

De manier, waar op de Indianen hun aardewerk maken, en verglasen, is niet van konst ontbloot. Zy maken potten van eene ongemeene grootte, door strooken potaarde op een platten grond naast elkander te schikkcn, dezelven te verdunnen, en aan elkander vast te maken: zy trekken daar op eenige afteekeningen en beeldtenissen, met eene aarde van verschillende kleuren: zy laten die potten vervolgens bakken; daar na doen zy 'er van buiten eene zoort van zeer lymig vernis over heen, gemaakt van eene gom, Simiri genaamd: zy besmeeren daar mede deeze potten, wanneer ze uit het vuur komen, en polysten dezelven, eer dat ze koud zyn geworden. Men ziet onder deeze potten zommigen, die drie voeten in den omtrek groot zyn. Deeze dienen, om vleesch te braden, of gekookte dranken voor feestdagen gereed te maken. Van dezelfde stof maakt men ook zeer groote ronde platen, geschikt om de Cassave te droogen.

De praauwen of booten, waar van zig de Indianen bedienen, om in de Rivieren en langs de Kusten te vaaren, behooren als het meesterstuk; van hun vernuft beschouwd te worden. Deeze praauwen, wier ligtheid verwonderlyk is, zyn van een uitgeholden stam van een boom, en wel van één stuk, gemaakt. Zomtyds zyn zy aan de kanten met stukken hout opgehoogd. 'Er zyn 'er, die dertig of veertig voeten lang zyn; en andere, die puntsgewyze eindigen, zyn zoo klein, dat zy naauwlyks twee of drie menschen kunnen bevatten: ook kantelen zy dikwils om; doch de Indianen ontrusten zig daar over niet, dewyl zy het zwemmen volmaakt verstaan. Zy keeren hunne vaartuigen dadelyk om, hoosen 'er het water uit, en gaan 'er weder in.

De manier, waar op zy gewoon zyn die praauwen te bouwen, is zeer eenvoudig. Zy zoeken een boom van negen of twaalf voeten dikte, en zoo recht, als zy dien maar vinden kunnen: zy maken in denzelven, in de lengte, eene opening van negen of tien duimen: vervolgens haalen zy 'er het hout van wederzyden van binnen uit, wel zorge dragende, dat zy dit doen op dezelfde maat van dikte, ten einde de praauwen haare rondte zouden behouden. Dit gedaan zynde, keeren zy den boom om, ten einde denzelven van buiten te bewerken. Aan het voorste gedeelte maakt men denzelven gewoonlyk spitser, en zomtyds zyn de beide uiteinden in breedte aan elkander volmaakt gelyk. Voornamelyk houdt men in het oog, om 'er over al eene gelyke dikte aan te geven. De dikte van den bodem is doorgaans van twee duimen: de zyden van anderhalven duim, en de randen slechts van één duim. Om de boot open te maken en te verwyden, plant men langs de timmerwerf, die een weinig verheven moet zyn, palen op den afstand van drie of vier voeten van elkander. Men legt van binnen en van buiten vuuren aan; en wanneer de boom door heet is, heeft men een stuk hout, in de gedaante van een nyptang, waar mede men de kant van de boot by herhaling naar zig toe trekt, zoo dat dezelve in drie of vier uuren tyds geheel moet zyn open gemaakt. Men moet altyd water by zig hebben, om de hette van het vuur te matigen, in geval het zelve te sterk mogt zyn, en de boot gevaar mogt loopen van te verbranden.

De Indianen maken zelden randen aan hunne praauwen, om dat 'er spykers, planken, en andere dingen toe noodig zyn, welken zy niet kennen, voor al de geenen, die diep landwaarts in woonen. Zy vergenoegen zig derhalven, om de kanten van agteren tot vooren met stukken van palmboomen, die de dikte van eene halve vuist hebben, op te hoogen. Zy weten dezelve aan de praauw zoodanig vast te maken, dat 'er geen water kan door komen, zoo de golven 'er niet over heen loopen. Aan het agterste gedeelte maakt men een roer vast, of anders bestuurt men dezelve met een roeyriem. Het handvat van deeze zoort van riem, veel gelykende naar een bakkers schop, eindigt gewoonlyk met een halve maan, om het des te beter met de hand te kunnen vast houden. Het gedeelte, het welk in het water bewogen wordt, is zeer dun, en wordt aan het einde al langer hoe dunner. De Wilden houden zig niet alleen op met roeijen, maar ook met zeylen. Hun zeyl is van eene vierkante gedaante, en gemaakt van stukken van palmboomen, die in de lengte gespleten, en tot latten gesneden zyn, in goede orde naast elkander gerangschikt, en met koorden van heesters, of draden van zekere plant, Pite genaamd, vast gehecht.

Alle de Indianen zyn zeer bekwaam in de scheepvaart. De heer FOUCIN, Officier onder de Ingenieurs, die langen tyd in Guiana dienst gedaan heeft, is de Rivier Oyapoc komen afvaaren, onder het geleide van twee Indianen. "Elk oogenblik, zegt hy, moet men onaangezien den stroom, aan de praauw eene nieuwe wending geven. Indien men den doortocht mistte, zoude men tegen de klippen aan stukkea stooten. De eerste waterval van deeze Rivier is de gevaarlykste: indien men geen volkomen vertrouwen op de Indianen stelde, zoude men waarlyk beängst worden. Men ontmoet aldaar, in zeer naauwe vakken, zeer hooge watervallen. Zonder vergrooting gesproken, de kanten van de praauw raakten byna van wederzyden tegen de klippen aan. Men vaart altyd werkelyk langs de klip, die tegen den stroom over ligt. Het oog der beide Indianen, die met roeijen bezig zyn, moet zoo scherpziende zyn, als hunne arm sterk is. Zomtyds gaan zy boven op hunne banken staan, om den weg juist af te meten; de overweging en de uitvoering volgen elkander zoo gezwind als bliksem-straalen: jonge lieden alleen zyn tot deeze vaart geschikt. De oudste der roeijers bereikte naauwlyks twintig jaaren. Van natuure vrolyk zynde, lachen zy onophoudentlyk. Een vogel, een visch, trok hunne aandacht; dadelyk vlogen zy naar hunne pylen. Het behaagde my niet, dat zy zig met dit tydverdryf bezig hielden, wanneer wy ons in de watervallen bevonden; maar wetende, dat zy niet gaarne worden tegengegaan, zeide ik 'er niets van, en ik heb 'er my wel by bevonden. Hier uit kan men afnemen, dat hy, die de praauw bestuurt, een goed gezicht, zoo wel als kragten, hebben moet. Ik ken geen voorbeeld van zulk eene zonderlinge manier van vaaren; zy is zeer merkwaardig; men kan ze niet anders, dan met zulk eene roeyriem, te werk stellen."

De gewoone wapenen der Indianen in Guiana zyn de boog, de pylen, en de knods, met welke laatste men iemand met éénen slag de herssens inslaat. Het is een zoort van liniaal, byna een duim dik, en twee voeten lang, in het midden smal, en drie of vier duimen aan de beide einden breed, zynde de hoeken als een scherpe vischgraat uitgesneden. Dit wapentuig wordt altyd van zeer hard hout gemaakt.

De Palicours bedienen zig van een halve piek of braadspit, welke zy Serpo noemen. Het is een meer dan gemeen wapentuig, om zoo te zeggen, alleen geschikt voor de voornaamsten des volks. Tot een wapentuig van verdediging hebben zy een schild, gemaakt van zeer ligt hout, het welk zy van buiten met verscheiden kleuren beschilderen. Het heeft eene byna vierkante gedaante, en is van binnen een weinig hol; in het midden is een zoort van handvat, om het des te steviger te kunnen vast houden.

Deeze verschillende volken worden elk door een Opperhoofd bestuurd, dien wy Capitain noemen. Zyn gezag wordt hem eigentlyk nog by verkiezing, nog by erfvolging opgedragen. Wanneer een Opperhoofd oud geworden is, en zyn einde wordt te gemoet gezien, heeft het algemeen gevoelen reeds bestemd dien geen van zyne naaste vrienden, die het meest geschikt is, om hem op te volgen, het zy uit hoofde van zyne jaaren, het zy van zyn caracter, of zyne groote gemeenzaamheid met den Capitain, die hem reeds bevorens als zynen medehelper, en opvolger behandelde. Hy vervult zyne plaats, zonder dat dit eenige moeite of wanorde veroorzaakt.

Het gezag van dit Opperhoofd is meer vaderlyk, dan gestreng. Hy is belast met de zorge der regeering, met die van 's volks veiligheid, en van het onderhoud van weduwen en weezen, enz. Hy geeft geene belooning, en oeffent ook geene straffe uit. Zyn vermogen bestaat daar in, dat hy eene grootere uitgestrektheid van eigendommen en bouwlanden heeft, dewyl hy meerder bedienden heeft; om dezelven te doen bearbeiden, zynde zyn huisgezin doorgaans zeer talryk, (want hy inzonderheid heeft verscheidene vrouwen,) terwyl elk één, tot dit volk behoorende, op zekere tyden, of wanneer hy het vordert, het geen echter zelden gebeurt, verpligt is voor hem te arbeiden.

Die naar deezen grooten eere-post staat, verklaart zyn oogmerk, door in zyne wooning te rug te komen, met een rondas of schild op het hoofd; met nedergeslagene oogen, en eene diepe stilzwygendheid in acht nemende. Hy deelt zelfs zyn oogmerk niet mede aan zyne vrouw en kinderen; maar zig naar een hoek van zyne wooning begeevende laat hy zig aldaar eene kleine verschanssing maken, die hem naauwlyks de vryheid overlaat om zig te kunnen bewegen. Daar boven hangt men zyne hangmat, op dat hy geene gelegenheid hebben zoude om met iemand te spreken. Hy gaat van die plaats niet, dan om aan de behoeften der natuur te voldoen, en om de harde beproevingen te ondergaan, welken de andere Capitains hem van tyd tot tyd opleggen.

Men laat hem, zes weken lang, een zeer gestreng vasten onderhouden. De nabuurige Capitains komen hem des morgens en des avonds bezoeken. Zy stellen hem voor, dat hy, om zig den rang, waar naar hy staat, waardig te maken, geen gevaar moet vreezen, dat hy niet alleen de eere der natie zal hebben te handhaven, maar zelfs wraak te nemen over hun, die hunne nabestaanden en vrienden in den oorlog gevangen hebben genomen, en dezelven eenen wreeden dood hebben doen ondergaan; dat arbeid en vermoeying voortaan zyn deel zyn zullen, en dat hy geen ander middel hebben zal, om hoogachting te verwerven.

Na deeze aanspraak, welke hy met zedigheid aanhoort, geeft men hem eene meenigte slagen, om hem daar door te kennen te geven, wat hy al te lyden zoude hebben, indien hy in de handen van de vyanden zyner natie viel. Geduurende de uitvoering daar van, staat hy regt over einde, met de handen kruislings op het hoofd. Elke Capitein geeft hem op het lyf drie zwaren slagen met wortels van palmboomen. Dit wordt twee malen daags geduurende zes weken herhaald. Men slaat hem op drie plaatsen van het lichaam, op de borst, op den buik, en op de dyen. Het bloed stroomt; en in de zwaarste pyn moet dit aanstaande Opperhoofd geene de minste beweging maken, noch de geringste blyk van onverduldigheid betoonen. Hy keert vervolgens naar zyne gevangenis te rug, en heeft vryheid om in zyne hangmat te gaan liggen; boven dezelve plaats men, als zegeteekenen, alle de roeden, die ter zyner kastydinge gediend hebben. De jonge lieden, tot zyne wooning behoorende, maken dezelve, ook staande dat de kastyding wordt uitgeoeffend; en vermits elke Capitain niet meer dan drie slagen geeft, heeft men zeer veele roeden noodig, wanneer het getal van die Capitains groot is.

Indien hy dit zes weken lang doorstaat, beproeft men hem nog: op eene andere wyze. Alle de Opperhoofden der natie verzamelen zig by elkander, deftig uitgedoscht, en verbergen zig, in den omtrek van zyne woonplaats, tusschen de struiken, van waar zy een afgryzelyk geschreeuw doen hooren. Met de pyl op den boog gespannen, treden zy op eene ruwe wyze in zyne woning; zy neemen hem mede, schoon door zyn vasten, en de ontfangene slagen reeds sterk verzwakt. Zy dragen hem in zyne hangmat, binden dezelve aan twee boomen vast, en doen 'er hem uitgaan. Even als de eerste keer, bereidt men hem door eene aanspraak tot het geen hy zal ondergaan; en om zynen moed op nieuw te beproeven, geeft elk hem een en geesselslag, nog veel harder dan bevorens. Hy gaat vervolgens weder liggen; en men legt rondom hem hoopen van zeer stinkende kruiden, die men in brand steekt, zoo dat hy 'er de hette met smarte van gevoelt, maar echter zoo, dat de vlam hem niet raken kan. De rook alleen, die hem van alle kanten omringt, doet hem zeer veel ongemak lyden. Hy wordt half gek in zyne hangmat, en zoo hy in dezelve blyft, vervalt hy in zulke zwaare flaauwten, dat men hem voor dood zoude houden. Men geeft hem eenigen sterken drank, om zyne kragten te herstellen; maar hy koomt zoo dra niet tot zig zelven, of men verdubbelt het vuur, en doet hem nieuwe vermaningen. Terwyl hy midden in dit lyden is, brengen alle de anderen hun tyd door met rondom hem te zitten drinken. Eindelyk, wanneer zy denken, dat hy op den hoogsten trap van zwakte is, doen zy hem een halsband en een gordel om, gemaakt van bladeren, welken zy met groote zwarte mieren vullen, wier steek uittermaten pynlyk is. Deeze beide verciersels hebben schielyk het vermogen, om hem door nieuwe pynen te doen ontwaken. Hy staat op, en, indien hy nog kragten genoeg bezit om over einde te staan, giet men hem door een zeef een geestryk vocht over het hoofd. Dadelyk gaat hy zig in de naast by zynde Rivier of Fontein wasschen, en keert naar zyne wooning te rug, alwaar hy een weinig rust kan nemen. Men doet hem zyn vasten aanhouden, maar met minder gestrengheid. Hy begint klein gevogelte te eeten, doch geene anderen, dan die door de overige Capitains gedood zyn. De mishandelingen verminderen, en het voedzel vermeerdert trapsgewyze, tot dat hy zyne voorige kragten herkregen heeft. Als dan wordt hy verklaart Capitain te zyn: men geeft hem een nieuwen boog, en al wat verder tot zyne waardigheid behoort. Intusschen dient deeze ruwe beproeving alleen om Krygs-Oversten, of Opperhoofden van minderen rang te maken. Om tot den eersten rang verheven te worden, moet hy in het bezit zyn van eene praauw, door hem zelven gemaakt, en die eenen langduurigen en moeijelyken arbeid vordert.

De manier des Lands, om Artsen, by hen Pieis of Piaies genaamd, te maken, is niet minder merkwaardig. Die deezen voornaamen eere-post begeert, brengt eerst omtrent tien jaaren door by eenen ouden Arts of Piaie, wien hy verpligt is ten dienste te staan, deszelfs onderwyzingen ontfangende. Deeze oude Arts geeft acht, of hy de noodige verëischten heeft: hy moet boven de twintig jaaren oud zyn.

Wanneer de tyd der beproevinge gekomen is, doet men den aanstaanden Arts vasten, met meerder gestrengheid zelfs, dan omtrent den Capitain plaats had. De oude Piaies af Artsen verzamelen zig by elkander, en sluiten zig met hem in eene hut op, om hem het voornaamste geheim van hunne konst, in bezweeringen bestaande, te leeren, In plaats van hem te geesselen, laat men hem danssen, doch met zoo weinig tusschenpoozing, dat, gemerkt den staat van zwakte, waar in hy zig reeds bevindt, hy spoedig in bezwyming nedervalt. Dan doet men hem ook gordels en halsbanden aan, vol met groote zwarte mieren. Om hem met de geweldigste middelen gemeenzaam te maken, steekt men hem vervolgens eene zoort van tregter in den mond, waar door men hem eene groote meenigte van tabak-sap doet doorzwelgen. Zulk een vreemd geneesmiddel veröorzaakt hem ontlastingen, die zelfs tot bloedstortingen overslaan, en verscheiden dagen duuren. Wanneer deeze laatste beproeving is afgeloopen, verklaart men hem tot Piaie of Arts, en dat hy met het vermogen, om alle zoorten van ziekten te geneezen bekleed is. Om echter die beproeving nog te doen aanhouden, moet hy drie jaaren lang vasten, daar in bestaande, dat hy het eerste jaar niets anders eet, dan gierst en cassave; het tweede jaar eenige vrugten, met deeze zelfde zoort van brood; en het derde jaar, dat hy zig vergenoegt, met daar by nog eenig klein gevogelte te voegen. Maar de meeste gestrengheid bestaat in het onthouden van sterke dranken. Geene Piaies, of Artsen, hebben het recht om hunne konst te oeffenen, dan na deezen loopbaan van beproevingen te hebben afgeloopen. Wanneer één van hun by een zieken geroepen wordt, onderzoekt hy denzelven, betast hem alle de deelen van het lichaam, drukt dezelven, blaast 'er op, en eindelyk maakt hy een klein afgeschoten vertrekje in de nabyheid van de hangmat, waar in de zieke ligt. Hy overdekt dit vertrekje met bladeren, en begeeft zig in het zelve met alle zyne geneeskundige werktuigen, die in eene zoort van weitas besloten zyn, en houdende eene groote calebas in de hand, gevuld met drooge en harde zaden, veel naar peper gelykende. Dezelve dient om den Duivel te bezweeren, dien men altyd als de oorzaak der ziekten beschouwt. De Piaie, of Arts, in zyn vertrekje opgesloten, schudt deeze calebas om, maakt een groot geraas, zingt, schreeuwt, en roept zyne Godheden aan. Hier mede houdt hy aan twee of drie uuren lang. Eindelyk, zyne stem veranderende, eenige zaadkorrels in zyn mond steekende, en met eene kleine calebas voor den mond sprekende, hoort men deeze ontzettende woorden: "De Duivel is tegen den zieken uittermaten vergramd; hy wil hem doen omkomen, na hem een geruimen tyd gemarteld te hebben." De omstanders, over deeze uitspraak ter neder geslagen, maken een akelig geschreeuw, en smeeken den Piais om den boozen geest te vrede te stellen, al moest ook alles, het geen het huisgezin bezit, daar aan worden te kost gelegd. Hy geeft gehoor aan deeze verzoeken, en bezweert den Duivel, om zig te laten bewegen. De donderende stem antwoordt, dat deeze of geene zaak daar toe noodig is, en aanstonds wordt dezelve gegeven. Vervolgens is het dienstig te weten, welke de zitplaats van de kwaal is, en welk geneesmiddel men tegen dezelve behoort te bezigen. Daar op volgen nieuwe bezweeringen, nieuwe verzoeken en nieuwe geschenken. Wanneer men aan den kwakzalver alles gegeven heeft, waar in hy lust had, zuigt hy aan het deel, in 't welk de zieke het meeste ongemak gevoelt, en kleine stukjens been, welken hy vooraf in zyn mond gestoken heeft, uitspuwende, zegt hy: zie daar de oorzaak van de kwaal; haast u dezelve te verbranden, en zyt verzekerd, dat de zieke in 't kort hersteld zal zyn.

Deeze voorzegging wordt nu en dan bewaarheid; want 'er worden dikwils wonderbaarlyke geneezingen gedaan, door de verbeelding op eene levendige wyze gaande te maken. Indien het tegendeel gebeurt, en de zieke koomt te sterven, verklaart de bedrieger, dat de geschenken aan den Duivel niet met een goed hart gegeven zyn, het geen deszelfs gramschap op nieuw heeft aangezet. Een van deeze Piaies, of Artsen, meer minziek, dan inhaalend zynde, liet de geenen, die hem raadpleegden, van gebrek vergaan, en deedt vervolgens aan hunne weduwen den voorslag tot een huwelyk. Hy wierd de man van drie vrouwen, welken hy op deeze wyze verkreeg.

Hoe helachelyk ook de voorschriften deezer Artsen zyn mogen, zy worden altyd naar de letter uitgevoerd. Van hun eerste bezoek af, schryven zy een gestreng vasten aan den zieken, en aan alle zyne nabestaanden voor. De Othomacos besproeijen de zieken aanhoudend met koud water; eene manier, die hen spoedig van kant helpt. De Quaybas en Chiricos dompelen dezelven, tot aan den hals, in geweekte kley, of water, om hun van de koorts te geneezen; en schoon men hen doorgaans dood vindt, wanneer men 'er hen wil uithalen, blyven zy niettemin by dit gebruik, hoe ongerymd en gevaarlyk het ook zyn moge.

De Indianen zyn de meesten hunner ziekten verschuldigd aan de gewoonte, om zig al te dikwils met sterke dranken, welken zy weeten te bereiden, dronken te drinken. Zy zouden zig zelven kunnen behandelen, indien zy minder vooroordeelen hadden. Een zeer groot aantal van hun leeft tot by de honderd jaaren. De kennis, welke zy van verscheiden enkelvoudige geneesmiddelen hebben, stelt hen in staat, om wonderbaarlyke geneezingen te bewerken. BIET beweert, dat zy een zekeren wortel hebben, die de vergiftigdste wonden geneest, en de kragt bezit, om gebroken pylen uit te trekken. Hy verzekert deezen wortel gehad, en op het Eiland Barbados geplant te hebben. Maar waar koomt het doch by toe, dat andere reizigers hier van niet spreken?

In weerwil van het zoo even verhaalde, ten aanzien van de Artsen der Indianen, beschuldigt men deeze volken, over 't algemeen, van eene groote verwaarloozing van alle zieken. Het is hun zeer onverschillig, of de zieke eenig voedzel gebruikt, of niet. Wanneer het uur van hunne maaltyd gekomen is, vergenoegen zy zig, met, zonder een enkel woord te spreken, een gedeelte eeten, het welk men hun heeft toegediend, onder zyne hangmat te plaatsen. Met dit al hoort men den zieken nimmer klagen, noch het minste geschreeuw maken, welke pyn hy ook lydt. Hy sterft met eene verbaazende gerustheid, niets vreezende, noch hopende na dit leven. Die geenen van deeze volken, welke de onsterflykheid der ziel gelooven, verbeelden zig, dat dezelve rondom hunne graven omdwaalt.

ZESDE HOOFTSTUK.

Behandelingen, welken de Indianen in Fransch Guiana ondergaan hebben.—Middelen om hun voor de Völkplanting nuttig te maken.

In het begin, toen de Franschen zig in Guiana nederzetteden, stelde men de Indianen in eenen staat van slavernye, en maakte hen tot een voorwerp van koophandel. De Regeering dit hatelyk misbruik verboden hebbende, zoo dra zy daar van kennis kreeg, deedt men het zelfde ten aanzien van de Indianen, die uit de Binnen-Landen kwamen, en aan andere Europeesche volken toebehoorden. Wanneer eindelyk dit laatste middel door gestrenge verbonden ontnomen wierd, veröorloofden zig de blanken, van het vertrouwelyk character der Indianen, en hunne geneigdheid tot sterke dranken, misbruik makende, om dezelven, gedeeltelyk met hunne toestemming, gedeeltelyk met geweld, tot arbeid en diensten te gebruiken, waar voor zy hun zeer slegt betaalden.

Wanneer middelen van overreding daar toe niet meer hielpen, stelde men beveelen van de Regeering of Bevelhebbers in de plaats. Door een gebruik, het welk eenigermaten tot een wet geworden was, bestond het loon, het welk deeze arme Indianen voor een maand arbeids genoten, in anderhalf el van eene grove roode stof, die men hun voor zes livres aanrekende.

De Gouverneurs noodzaakten de sterkste manspersoonen van dit merkwaardig volk tot lange en moeijelyke diensten, tot jagen en visschen, ten behoeven van de Opperhoofden der Volkplanting.

Hier van was het gevolg, dat deeze ongelukkigen, die, om van hun onderhoud zeker te zyn, geduurende het goede jaargetyde hadden behooren te arbeiden, naar hunne woonplaatsen te rug keerden op een tyd, dat zy zig tot deezen zoo hoognoodigen arbeid niet meer begeven konden. By hunne aankomst vonden zy dikwils hun huisgezin ten prooy van hongersnood, of ten minsten half vervallen. Wanhoop, ellende, slecht voedzel, het welk men zomtyds aan de beesten niet gegeeven zoude hebben, deeden hen eindelyk sneeven.

Zulk eene verkeerde handelwyze had tot haaren grondslag het vooröordeel van de meeste blanken, die verönderstelden, dat deeze Indianen een slag van menschen waren, verre beneden hun, en geschikt, om aan hun onderworpen te zyn. Dit ongerymd denkbeeld was strydig met de beveelen, welken de Regeering ten deezen opzigte altyd gegeven heeft. Dezelve had de Indianen voor vrye menschen verklaard, die met de blanken gelyk stonden; en nimmer hebben de voornaamste en gegoedste inwooners eenig vooröordeel gehad, tegen de huwelyks verbintenissen met Indiaansche vrouwen, noch tegen de kinderen, die daar uit geboren werden, en van de Europeesche in 't minst niet onderscheiden zyn.

Zy, die binnen 's Lands, uit hoofde van hunne posten, deeze buitensporigheden behoorden tegen te gaan, waren 'er dikwils zelve schuldig aan, of ten minsten zy gedoogden dezelven. Zulk een gedrag heeft ongevoelig den ondergang of de verhuizing van een groot getal Indianen veroorzaakt. Alle de landstreeken in de nabuurschap onzer bezittingen gelegen, zyn 'er thans door ontvolkt

De Burger LESCAILLIER, van wien wy deeze byzonderheden ontleenen, stelt zig zelven de vraag voor, of men het ongeluk van deeze volken niet berokkenen zoude, door hen in de zelfde maatschappye met ons te doen leven, en onze zeden en gebruiken te volgen? Hy antwoordt neen, mits men hun op eene rechtvaardige wyze behandelde. Door hen te beschaven, en in gemeenschap met de blanken te brengen, zeg hy, zal men den haat en de jaloersheid uitdooven, die de verschillende Indiaansche volken verdeelen; men zal hen allen, ten langen lesten, tot een eenig volk zamen smelten. Men zal de vooroordeelen, die hun verblinden, doen verdwynen. Zy zullen het zeker vooruitzicht hebben op een bestaan, het welk, in hunnen tegenwoordigen staat, maar al ta dikwils wisselvallig is.

By de voortbrengzels, die het Land van zelf oplevert, zullen zy die geenen voegen, welken de arbeid hun in meerder overvloed en volkomenheid bezorgt. Tegen verruiling van hunne waaren, zullen zy zig gereedschappen, gewerkte stoffen, koopwaaren aanschaffen, waar van zy nu, of in 't geheel niet, of slechts gebrekkig voorzien zyn. Men zal voor al zorge dragen, om hun vee van allerleije zoort te beschikken, waar voor zy het noodig voedzel verkrygen zullen, door, na het omhakken der bosschen, weilanden aan te leggen, Door onder dit volk werkzaame blanken te vermengen, zal men hun den landbouw, de handwerken en de noodzakelykste konsten der Europeanen leeren. Eenige weinige jaaren zullen voldoende zyn, om deeze kwalyk bestuurde, en zoo lang verachte, landstreek van gedaante te doen veranderen,

De straks genoemde Bestuurder had eenigen van deeze middelen beproefd, en daar van reeds blykbaare uitwerkingen bespeurd.

De Indianen, die onder de zendelingen van Macary waren ingelyfd, hadden levensmiddelen, catoen, tabak, voortgeteeld. Zy hadden gezouten visch, maniok meel, (couac,) tabak in carotten, op de Brazilsche manier, in de hoofdplaats aangebragt: wel is waar, in eene kleine hoeveelheid, maar genoegzaam, om daar van voor het vervolg goede gedachten te vormen. De meesten droegen kleederen en schoenen naar de manier der blanken, wier taal zy ook spraken. De vyf Hoofd-Capitains, of Opperhoofden van dit Gewest, beesten gevraagd hebbende, om aan te kweeken, deedt men 'er hun eenigen toekomen.

Die van Conani bereikten byna denzelfden trap van beschaafdheid.

De Indianen van de Rivier Aprouago, ten getale van twaalf honderd, hebben dezelfde vorderingen gemaakt. Zy hebben gebruik gemaakt van de volkomene vryheid, die hun, met opheffing van alle diensten, was te rug gegeven, en zy hadden reeds regelmatig aangelegde Catoen- en Koffy-Plantagiën tot hun eigen onderhoud. Eene aanmerkelyke verhuizing van Indianen uit de Binnen-Landen, door het zagter Regeerings-bestuur, het welk ten aanzien deezer volken meer en meer werd in acht genoomen, uitgelokt, vermeerderde het getal der inwooners in den omtrek der Rivier Aprouage.

De Indianen, by de Rivier Kaw woonende, ten getale van meer dan vyftig, hadden insgelyks zeer fraaije beplantingen. Zy hadden ook het voornemen, om beesten te weiden.

Van de Rivier Kaw, tot aan de Rivier Kourou, vindt men geen enkelen Indiaan. By de laatstgemelde waren twee bevolkingen, uit omtrent zestig persoonen bestaande, zynde het ongelukkig overschot van een zeer groot aantal, die voor de rampzalige volkplanting, in 't jaar 1763 ondernomen, in dit gedeelte gevonden werden.

Een Planter, genaamd TERRASON, en woonende te Carouabos, omtrent twee en een halve myl onder den wind van Kourou, heeft in zyne nabyheid een klein Indiaansch volk by elkander verzameld, en eenigermaten tot zyn eigen aangenomen. Hy heeft hen tot den landbouw aangemoedigd. Hun eenig denkbeeld van onze genietingen gevende, heeft hy hun geleerd zig dezelven door hunnen arbeid aan te schaffen. Hy heeft hen vooral onderwezen in de konst van beesten te weiden, eene konst, waar van hy hun alle de voordelen geleerd heeft.

De Indianen van de landstreek van Siniamary zyn, even als de anderen, van alle slaafsche diensten omtrent de blanken vry gesteld. Zy hebben beplantingen aangelegd, waar toe men hun eenige gereedschappen geschonken heeft.

Anderen van dezelfde nabuurschap hebben om beesten verzogt, Zy waren daar toe, zoo door de Regeering zelve, als door het voorbeeld der Indianen van Iracoubou, die tien koeyen en een stier ontvangen hadden, uitgenoodigd. Men bezorgde hun, twee maanden lang, iemand, die hun in het oppassen van hun vee onderrigtte. Dezelfde persoon moest zig van tyd tot tyd vervoegen by de andere Indianen, die zig op de veefokkerye toeleiden.

Men oordeelde het nuttig te zyn, om in het gedeelte, dat onder den wind gelegen is, te Mana en te Marony, twee bevolkingen aan te leggen, en daar door eene verzameling van Indianen van geregelde levens-manieren te maken. Behalven de oogmerken van burgerlyke beschaving en bebouwing der landen, stelde men een geschikt Opperhoofd aan, om deeze Indiaansche volken te bestuuren, daar mede bedoelende, om met hun in door hun bewerkte goederen handel te dryven, en hunne geduurige reizen naar Surinamen voor te komen, van waar zy de benoodigde koopwaren by verkiezing gingen halen, niet alleen om dat zy 'er digter by woonen, maar vooral, om dat zy dezelven aldaar van betere zoort vinden.

Door deeze middelen, en eene aanhoudende oplettendheid, kan men den algemeenen welvaart van eene Volkplanting bevorderen, die al den aandacht der Regeering verdient. De volkrykheid der aldaar woonende Indianen zal van zelve vermeerderen. Hun voorbeeld zal uit de Binnen-Landen, zelfs uit die streeken, welke buiten onze grenspalen gelegen zyn, verscheiden van hunne nabestaanden en bondgenooten lokken; iets, waar mede zy zig reeds beginnen bezig te houden. Een der Capitains had het ontwerp gevormd, om naar Hollandsch Guiana te gaan, en zelfs tot aan de Rivier Orenoco, van waar hy dagt verscheiden Indianen, zyne nabestaanden of vrienden zynde, mede te brengen, door hun berigt te geven van de manier, op welke zy by de Franschen werden aangemoedigd.

Het oogmerk van den meergemelden Bestuurder was bovendien, om dit volk door huwelyken met de blanken tot eene gemengde zoort te maken, en die huwelyken te bevorderen, zoo dikwils hy onder hun een vlytig en braaf man, die in eene Indiane zin had, gevonden zoude hebben. Insgelyks zoude hy Indianen hebben laten trouwen met blanke vrouwen, die van goede zeden en arbeidzaam waren. Men zoude aan de mannen landeryen, en aan de vrouwen gereedschappen, werktuigen tot den landbouw behoorende, beesten, en dingen van de eerste behoefte, tot eene huwelyks-gift gegeven hebben. "Geduurende het kort verblyf, door my in deeze Volkplanting gehouden, zegt de Burger LESCAILLIER, heb ik slechts twee van deeze huwelyks verbintenissen kunnen beproeven, die my zyn toegeschenen volmaakt gelukt te zyn." [16]

Op die wyze zoude men uitgestrekte Landen, die, tot hier toe, byna geheel aan de Natuur waren overgelaten, in gelukkige, volkryke en wel bebouwde Landstreeken, hervormd zien. Het Fransche volk, wiens bezittingen in Guiana niet meer dan groote woestenyen zyn, zoude in de daad eigenaar worden van een Land, byna zoo uitgestrekt, als Frankryk zelve. Het zoude eene talryke bevolking tot zig trekken, bestaande uit eene zoort van inboorlingen, hoedanigen men in geene van onze andere Volkplantingen ontmoet.

ZEVENDE HOOFTSTUK.

Hooge en lage Landen.—Timmer-hout.—Voortbrengzels van Fransch
Guiana.—Levens-middelen, tot de tafel dienende.

Wanneer men de reize van den Capitain STEDMAN gelezen heeft, is het minder noodig, om nopens de voortbrengzels van Fransch Guiana breedvoerig te handelen.

In Guiana onderscheidt men, in 't algemeen, hooge en lage
Landen. Laaten wy met de beschryving der laastgemelden beginnen.

De kusten van Guiana worden byna overal door laage en verdronkene landen omzoomd. Dezelve bestaan uit groote vlakten, door het afloopen van het zee-water gevormd wordende, waar van veelen kortlings opgekomen, anderen zedert eeuwen herwaards aanwezig zyn. Deeze zoorten van vlakten worden by elk gety tot de hoogte van één voet, agttien duimen, of twee voeten, iets meerder of minder, overstroomd, en loopen weder droog. Zy zyn overäl bewassen met Paletuvier-boomen, of eenige andere groote planten, die op een slyk-grond, waar in men ten minsten tot aan de kniën inzakt, ondoordringbaare bosschen uitmaken. Van dien aart is het Land aan alle de zeekusten, tot de diepte van drie of vier mylen, gelyk ook langs de oevers der voornaamste Rivieren.

Men ziet dikwils deeze slykbanken, door de zee aan de kust van Guiana aangespoeld, gezwinden voortgang maken, en de roode Paletuvier-boomen aldaar welig opgroeijen. Op gelyke wyze vormen zig ook Eilanden in de monden der Rivieren, en zelfs hooger, op die plaatsen, waar ebbe en vloed plaats heeft. By beurten, zonder dat men 'er eenig juist tydperk van bepalen kan, brengt de zee, in plaats van slyk aan te spoelen, zand en schelpen op de kust. Als dan vormen zig zandbanken, of eene zoort van lange niet zeer hooge duinen, en de roode Paletuvier-boomen, die niet dan in zout water groeien, zig van het zelve beroofd vindende, sterven van tyd tot tyd.

Deeze lage en verdronkene Landen zyn de vrugtbaarste in de geheele Volkplanting; maar 'er valt echter tusschen dezelven eene keuze te doen. Zy zyn alle, ja zelfs de meeste, niet van de beste zoort. Men kent de vrugtbaarsten daar aan, dat onder eene zwarte, of hoog bruine aarde, uit verrotte planten voortgekomen, en naar mest gelykende, ter diepte van zestien of agtien duimen, een slykgrond gevonden wordt, van eene graauwe of bleek blaauwachtige kleur, overal van gelykzoortigen aart, en die zig zeer gemakkelyk laat omspitten. Men kan 'er insgelyks met de hand, en zonder veel moeite, een stok in steeken, al was hy zelfs twintig of dertig voeten lang. Wanneer by dit teeken koomt de nabyheid van de zee, welker lucht de Plantagiën vrolyker, en het verblyf op dezelven gezonder maakt, of ten minsten, indien men niet verder dan ten hoogsten twee mylen binnenwaarts van den mond van eene Rivier af is, kan men, mits behoorlyk arbeidende, zig van eenen goeden uitslag verzekerd houden. Men moet echter ook oplettend zyn, om zulke plaatsen te verkiezen, welken de zon gewoon is te beschynen, tot op eene zekere hoogte, het geen duidelyk is af te nemen uit de grootte van de boomen, en de dikte van die bovenkorst van aarde, welke uit verrotte overblyfzels van planten bestaat. Die lage landen, welke kortlings door de zee gevormd zyn, zyn al te zacht: men kent dezelven aan de jongheid der Paletuvier-boomen.

De aarde, die deeze lage landen tot op eene dikte van twintig duimen, overdekt, zakt meer dan de helft in, vermits zy door de lucht en zon verdroogt. Deeze aarde is ongetwyffeld nuttig, maar het slyk, dat 'er onder zit, is tot de voortplanting het meest geschikt.

De lage landen, welken men tot het aanleggen van groote beplantingen boven alle anderen behoort te verkiezen, verëisschen in het begin meerdere onkosten, dan de hooge landen, om dat men dezelven boven water moet brengen. Wanneer het regen-saisoen geëindigd is, namelyk in de maand July, moet men zig met het droogmaken derzelven bezig houden. Het jaar-getyde, het welk tot deezen arbeid gunstig is, eindigt met de maand December. Men kan deeze onderneming niet goed volvoeren, of men moet 'er ten minsten honderd duizend livres aan kunnen besteden. 'Er zit meer voordeel op het doen van eene groote onderneming, dan van eene middelmatige. De kosten van Negers, het eerste oprigten van wooningen, en werkplaatsen, het getal der persoonen, die tot huisselyke en andere diensten noodig zyn, zyn voor eene kleine Plantagie dezelfde, als voor eene groote, Het is ook noodig, dat hy, die dusdanige onderneming doet, het verëischte character, standvastigheid en kundigheden bezitte, die hem in staat stellen, om zyne onderneming zelf te bestieren: anders moet hy een Opzigter zoeken, die kunde, yver en werkzaamheid zamenpaart; zeldzaame hoedanigheden, welken men niet te ruim betalen kan, wanneer zy zig in denzelfden persoon vereenigen. Zie daar dan wederom een nieuw punt van bekostiging.

De hooge of bergachtige landen zyn ten aanzien van de zoort van aarde zeer verschillende. De één, die zandig is, en op eene groote vlakte niets dan lage planten voortbrengt, wordt Savane, of zand-woestyn genoemd. Op zommigen derzelven echter wassen groote boomen, waar onder men 'er vindt van die zoort van hout, het welk men onvergankelyk noemt, en ander hout van de meest gewaardeerde kleuren. Eenige deezer landen bestaan uit een mengzel van zand, en blaauwachtige kley, waar in weinig zelfstandigheid gevonden wordt. In zeer veelen is een mengzel van zwart zand en yzerachtige deelen. Men vindt 'er zonder steenen, anderen wederom vol steenen, en eindelyk eene derde zoort, geheel met rotsen bedekt. Deeze steenen en rotsen bevatten yzer, of granit-steenen. De landen, die, of over 't geheel, of in afzonderlyke gedeelten, zulke steenen opleveren, bestaan uit eene aarde, dan eens zwartachtig, dan eens graauw, geel of roodachtig, met eene verscheidenheid van mengelingen en schakeeringen.

Schoon voornaame Schryvers [17] van Guiana sprekende, over 't algemeen, zig verklaaren tegen het bebouwen der hooge landen, als zynde koud en onvruchtbaar, verdienen zy egter alle dit oordeel niet. Men vindt aldaar eenige Plantagiën, die naar den wensch van hunne eigenaars zyn uitgevallen. Op de hooge landen bezit de Staat eene groote en schoone Plantagie van Nagelboomen, die volmaakt wel gelukt is. Met dit al is het eene waarheid, dat deeze hooge landen grootendeels weinig geschikt zyn tot het aanleggen van groote beplantingen, die eenen ryken en vetten grond vorderen, en dat de meeste lage landen den voorrang verdienen.

De eerstgemelde hebben niettemin ook eenige voordeelen. Men kan dezelven gemakkelyker tot stand brengen; zy brengen veel eer vrugten voort, en verëisschen veel minder kosten. Men vindt 'er de beste zoort van hout. Aldaar zyn ook aangenaame liggingen, af hellingen, die tot zekere zoort van handwerken byzonder geschikt zyn, stroomend water, en steenen tot het maken van gebouwen. Deeze zelfde landen zyn meer geschikt tot her planten van Manioc, die het voornaamste voedzel uitmaakt voor de arbeiders, landbouwers en inboorlingen. Daarënboven zyn zy nooit wel bearbeid geworden. Nimmer heeft men 'er geweten, wat het was den grond om te ploegen, zoo als men dit in Frankryk, en in de meer gevorderde Volkplantingen doet.

Men kan op die gedeelten der hooge landen, die in de Savanen liggen, fokkeryen van groot vee met hoop van eenen goeden uitslag aanleggen. Met de behoorlyke voorzorge zoude de fokkerye van paarden 'er zelfs gelukken. Fransch Guiana bevat bovendien in verscheidene landstreeken geheele bergen, waar in yzer-mynen van een uitmuntend alloy, en tot allerleye werk, zelfs tot het maken van geschut, geschikt, gevonden worden. De mynstoffen zyn hier ryk en in overvloed. Het levert van vyf-en-veertig tot tachtig ten honderd op. De plaatsen, waar dezelve voor handen zyn, zyn met hout bedekt, het geen de bewerking der mynen zeer gemakkelyk maakt.

Eene der voornaamste rykdommen van Guiana bestaat in een groot aantal van onderscheidene zoorten van timmerhout. Men kan die in drie zoorten verdeelen. De eene, bekend onder den naam van zacht of wit hout, moet geheel en al worden weggeworpen, als veel te ligt, en van te korten duur zynde. Tot deeze zoort behooren de Mapa, de Pekeïa, en het Bananen hout. De andere zoorten van eenen geheel tegenstrydigen aart, als de voorgaande, zyn hard, in één gedrongen, en zwaar, grootendeels van eene bruine of donkere kleur, maar zomtyds rood, of helder geel. Deeze wederstaan den bytel en de zaag. Het erf van dit hout is glad en fyn, en het is voor de fraaiste polysting vatbaar. Dit hout heeft billyk den naam van onvergankelyk hout verdiend; eene uitdrukking, waar door men niet letterlyk verstaan moet, dat het nooit vergaat, maar dat het veel beter stand houdt, dan het beste van ons hout, misschien by voorb. in de evenredigheid van tien tot vyftig jaaren.

Onder de derde zoort vindt men 'er verscheiden, die de schoonste stukken, in lengte en breedte, opleveren, om tot het bouwen van schepen te dienen. Hier toe behooren het courbari-hout, het bagasse-hout, het acoma-hout, het balata-hout, het couratari-hout, het agouti-hout, het macaco-hout, het groen ebben-hout, het pok-hout, het yzer-hout, het hout, genaamd coeur-dehors, het letter-hout, het satyn-hout, het tendre à cailliou, het hout van St. Martin, het mannetjes roozen-hout, en verscheide andere zoorten. Het gewigt van een vierkante voet van deeze zoorten van hout verschilt van tachtig tot drie en negentig ponden, en daar het gevolgelyk zwaarder is, dan eene gelyke hoeveelheid water, zoo dryft het zelve niet.

Echter is 'er nog eene zoort tusschen de eerste, die tot niets dient, en de andere, die ongemeen hard is. Deeze zoort van hout is vast, en minder moeielyk om te bewerken. Hier toe behooren het acajou-hout, het violetten- of amaranthus-hout, het zwart ceder-hout, het geel cederhout, het wyfjes roozen-hout, enz. enz. Dit hout weegt van veertig tot zeventig ponden de vierkante voet, en dryft by gevolg op het water. Het is tot onderscheidene gebruiken in den zee-scheepsbouw geschikt.

Onder deeze onderscheidene zoorten van hout zyn 'er, die eene bittere of speceryachtige hoedanigheid hebben, die de insecten en zee-wormen, voor de schepen zoo verderffelyk zynde, verdryven. 'Er zyn wederom anderen, die in het water versteenen, en in het zelve nimmer vergaan. Men ziet 'er in de bosschen van Guiana, die door ouderdom, of eenigen stormwind omgevallen, een reeks van jaaren lang, de guurheid van het weder, en eene byna aanhoudende vochtigheid hebben doorgestaan, zonder dat zy daar door verder, dan in het spint, bedorven waren.

Men heeft ligtvaardigryk en zonder onderscheid te maken, tegen alle deeze zoorten van hout tegenwerpingen gemaakt, die dezelven hebben doen verwerpen.

De eerste is derzelver groote zwaarte. Maar deeze zwarigheid beantwoordt zig ligtelyk in deezer voegen, dat de scheeps-timmerman, na zyne berekening gemaakt te hebben, van het zwaarste hout die gedeelten maakt, welke onder water zyn, en de hoogere gedeelten van ligter hout, het welk dit land insgelyks oplevert. Hy zal daar door het middenpunt van zwaarte van zyn schip des te meer naar de laagte drukken, en het zal daar door veel minder ballast noodig hebben, en een grooter ruim uitleveren.

De tweede zwarigheid tegen dit hout is deszelfs al te groote hardheid. Schoon dit deszelfs deugd bewyst, heeft nogtans deeze tegenwerping eenigen grond. De werkzaamheden van den scheeps-timmerman zouden daar door zekerlyk vermeerderd worden, maar daarentegen zoude het werk van eene groote duurzaamheid en van eene onvergelykelyke stevigheid zyn.

De derde tegenwerping wordt ontleend van de moeielykheid in het hakken van dit hout, en de kosten der vervoering. Men beweert, dat dit hout veel te duur zoude komen te staan. Dit zoude ook in de daad zoo zyn, indien men het ging haalen uit die landstreeken, die verre van de Rivieren en Zee-kusten zyn afgelegen; maar men treft het in groote meenigte aan in de nabyheid van de Rivier Oyapoc, werwaarts de toegang zeer gemakkelyk is.

De bosschen en binnen-landen van Guiana brengen, behalven verscheidene zoorten van timmerhout, ook voort Banilje, Salsaparilla, elastieke gom, Gom Copal, en veele anderen. Men vindt aldaar verschillende zoorten van natuurlyke speceryen, als kreeften-hout, en de Puchiri, een zoort van muscaat, de balsem Copaïva, de balsem Peru, de kassia, de simaruba, de ipecacuanha, de pareira-brava, eene wasch van planten, zwarte wach, anders bekend onder den naam van wasch van Guadeloupe, uitmuntende honig, een zeker goed, mieren-nest genaamd, en bestaande uit een zagt dons, van eene geelachtige kleur, het welk men vindt op uitloopende bladeren van den Latanus-boom, en dat eene hoedanigheid bezit verre boven de beste bekende zwam, om het bloed te stelpen; eindelyk ook hout, om verswaaren van te maken, en een aantal andere voortbrengzels, die nog geenen naam hebben.

Geheele bosschen van Cacao-boomen groeijen ook natuurlyk in het binnenste gedeelte des Lands, maar op verre afstanden. Het bevat ook mynen van dat fraaije rots-kristal, het welk men, onder den naam van steenen van Cayenne ook wel aan het strand, en aan de oevers van zommige Rivieren ontmoet.

De eerste voortbrengzels van dit Land waren de Roucou, het Catoen en de Suiker. De korrel van de laatstgemelde is veel grooter, en beter gekristalliseerd, dan op de Eilanden. Het catoen is ook van eene ongemeene fraaiheid, en is altyd in den koophandel veertig of vyftig guldens op de honderd ponden meer waardig, dan dat van de Eilanden. Men weet, dat men te Cayenne de Roucou beter, en in grootere meenigte maakt, dan in alle andere Volkplantingen. Cayenne was de eerste onder alle Fransche Volkplantingen, alwaar koffy geteeld werdt. Het is bekend, dat na de Moka-Koffy die van Cayenne de beste is. Men is altyd in het begrip geweest, dat het eenige overloopers waren, die, in 't jaar 1721, dezelve van Surinamen, werwaarts zy gevlucht waren, medebragten, en daar door Vergiffenis van straf erlangden; zeker Geschiedschryver heeft in 't kort opgegeven, dat dit eene weldaad was van LA MOTTE AIGRON, die, in 't jaar 1722, middel wist, om versche koffy-boonen uit deeze Hollandsche Bezitting mede te brengen, in weerwil van het verbod, om dezelve, nog in de schil zittende, te mogen uitvoeren. Tien of twaalf jaaren later, plantte men Cacao, die weelig voortteelde. De Indigo, of liever de plant, waar van de Indigo voortkoomt, kwam voorheen zeer goed te Cayenne voort, en dezelve was zeer geacht. "Deeze plant, die de voornaamste rijkdom der Volkplanting uitmaakt, zegt BARRERE, is zoo sterk in verval geraakt, en brengt thans zoo weinig op, dat het naauwlyks der moeite waardig is". Het schynt, dat men de reden daar van in de plant alleen niet zoeken moet. De Indigo is, volgens DE PREFONTAINE, (in zyn Maison rustique de Cayenne,) eene den beste aankweekingen in America, maar ook één van de teederste. 'Er wordt aan de zyde van hem, die dezelve wil voortteelen, de grootste oplettendheid verëischt, en misschien ook de beste zoort van grond. "ROUSSEAU, dus vervolgt dezelfde Schryver, is de eenige, wien het gelukt is, om met voordeel Indigo te maken. Hy heeft de zyne tot die fraayheid gebragt, dat zy, die lust hebben om dit vak van landbouw te beoeffenen, daar door behooren te worden aangemoedigd; en dit wederspreekt de voorgewende onmogelykheid, als of de inwooners van Cayenne in dit vak niet zouden kunnen slagen". Nieuwere berigten brengen mede, dat de Indigo op lage landen zeer wel voortkoomt; maar zy vordert oppassing, zonder welke alles te gronde gaat.

De Oost-Indische speceryen, en alle de lekkerste vruchten der warme Landen, groeijen welig in Guiana. Verscheiden komen 'er even goed voort, als op de Moluksche Eilanden, of op Ceylon. Men kan zig onder anderen tot bewys beroepen op de beplanting van Nagelboomen, welke men aantreft op de Plantagie la Gabrielle, den Staat toebehoorende. Deeze boomen hebben aldaar vrugten voortgebragt, die in hoedanigheid aan de Oost-Indische gelyk bevonden zyn. De eerste planten zyn van Isle de France naar Cayenne overgebragt, alwaar zy onder het opzigt van MAILLERT DU MERLE zyn geplant geworden. In 't jaar 1778 ontfing RAYNAL, die door de geheele weereld kennis en gemeenschap had, van daar een tak, waar aan de kruidnagelen gevonden werden. Volgens het berigt van den Burger LESCAILLIER, hebben de jaaren 1785, 1786 en 1787 deeze vrucht, telkens met eene jaarlyksche vermeerdering, voortgebragt, tot dat men in de jaaren 1788 en 1789, op deeze Plantagie la Gabrielle, verscheiden honderde ponden heeft ingeöogst. By zyn vertrek van Guiana, in 't jaar 1788, bevondt zig deeze Plantagie in eenen bloeijenden staat.

Behalven deeze voortbrengzels, de bron van groote rykdommen, levert de grond der Volkplanting van Cayenne alles op, wat tot levens-onderhoud van derzelver inwooners noodig is. De tuinen zyn aldaar vol met moeskruiden, als latuw, kervel, pimpernel, cichorey en sellery. Men teelt aldaar kleine erweten, komkommers, kampernoeljes, water-meloenen, die van een lekkeren smaak zyn. De Fransche vrugtboomen kunnen, wel is waar, zig naar deeze luchtstreek niet voegen, maar men heeft in derzelver plaats de vrugten van dit Land, als de geele en witte Ananas, de Papaye, en eenige anderen, die op verschillende wyzen worden ingelegd. Men weet, dat de citroenen en orange-appelen aldaar in zoo grooten overvloed zyn, dat men 'er weinig werk van maakt.

Het is veel aangenaamer zyn verblyf te houden op de Plantagiën, dan te Cayenne zelve. Men heeft aldaar aan niets gebrek, vooral by de Planters, die eenigzints bemiddeld zyn, en vooral, wanneer 'er koopvaardy-schepen aankomen. Men houdt doorgaans eene wel voorziene diergaarde, alwaar men varkens, kalkoenen, eendvogels, duiven en hoenders aankweekt, die goed zyn om te eeten, wanneer men ze eenigen tyd met geerst gevoed heeft. Daarënboven heeft men één en zelfs meerder jagers en visschers, die wild en visch bezorgen: de laatstgemelde is uitmuntend. Behalven de zoorten, die aan de Eilanden onder den wind gemeen zyn, leveren de Zee en Rivieren eene meenigte anderen op, die elders geheel onbekend zyn. De Krabben verschaffen ook een zeer voornaam levensmiddel. Zy zyn het gewoone voedzel der Indianen, en van de min gegoede inwooners. Deeze dieren teelen in het onëindige voort, om dat men de oplettendheid gebruikt van alleen de mannetjes-krabben te vangen, en de wyfjes te laten, die altyd eene verbaazende meenigte eijeren in zig hebben.

Onder de water-vogelen telt men de Ganzen, de Eendvogelen, de Lepelganzen, de Fregat-vogelen, allen goed om te eeten. De land-vogelen zyn graauwe Patryzen, zoo dik als een Kapoen, en zeer goed van smaak, schoon een weinig droog; Faisanten, die kleiner, en zoo goed niet zyn, als in Frankryk; Ringelduiven, Tortelduiven, Merels, Leeuwriken, Brom-vogeltjes; en eene meenigte andere groote en kleine vogelen, waar onder men moet rekenen de Papegayen, die zeer talryk zyn, en eene uitmuntende soep verschaffen.

Men kweekt ook Schapen, Geiten, en verscheiden kudden van Ossen aan. Om hun goed weiland te bezorgen, steekt men in de maanden Augustus en September, de Savanen in brand. Deeze landen, dus afgebrand zynde, doen, in het begin van het regen-saisoen, heerlyk gras uitspruiten. Dus zyn de ossen en schapen in Guiana van beter smaak, dan op de andere Eilanden. Men brengt aldaar meel, spek, en allerleye zoorten van wyn; als mede een groot aantal gewerkte stoffen, die tot kleeding noodig zyn.

Met zoo veele voordeelen, door de Natuur zelve geschonken, zal ongetwyffeld de Volkplanting van Fransch Guiana voorspoedig zyn, wanneer vreedzamere omstandigheden gedogen zullen, dat de Regeering en byzondere persoonen 'er zig mede bezig houden. Deeze landstreek maakt eene Volkplanting uit, waar van de Stad Cayenne de hoofdplaats is. Men weet aldaar van geene in- en uitgaande rechten, waar mede de koopwaaren bezwaard zouden worden.

EINDE VAN HET VIERDE EN LAATSTE DEEL.