WeRead Powered by ReaderPub
Reize van Maarten Gerritsz. Vries in 1643 naar het Noorden en Oosten van Japan / volgens het journaal gehouden door C.J. Coen, op het schip Castricum cover

Reize van Maarten Gerritsz. Vries in 1643 naar het Noorden en Oosten van Japan / volgens het journaal gehouden door C.J. Coen, op het schip Castricum

Chapter 11: EXTRACTEN
Open in WeRead

About This Book

A shipboard journal recounts an exploratory voyage along the northern and eastern coasts of Japan, recording daily navigation, course fixes, and the charting and naming of islands encountered. The volume reproduces official orders and instructions for commanders, a chronological log kept by the navigator, and related administrative extracts. Extensive appendices provide maps and facsimiles, geographic and ethnographic observations on indigenous Ainu communities, word lists and conversational samples, and notes on local plants, animals, and mineral resources. Together the materials serve as both a contemporary voyage account and a practical maritime guide for further navigation and regional study.

Aan het einde van iedere maand, wordt in het Handschrift van het Journaal mede gevonden, de landverkenningen, die men gedurende den loop van die maand heeft kunnen opnemen; eenige er van zijn opgenomen, in het werk van Nicolaes Witsen, Noord- en Oost-Tartaryen, 1e deel, bl. 152.


BIJLAGEN.


No. 1. Extract uit de Resolutie van den Gouverneur-Generaal en de Raden van Indië, van den 17de January, 1643.
» 2. Idem als boven, van den 23ste idem.
» 3. Idem als boven, van den 2de February.
» 4. Idem uit de Missive van den Gouverneur-generaal en de Raden van Indië, aan den Gouverneur van Amboina, van den 16de February, 1643.
» 5. Idem uit de Missive aan de Bewindhebberen ter vergadering van 17ne, van den 22ste December 1643.
» 6. Idem als boven, van den 4de January, 1644.
» 7. Idem als boven, van den 23ste December 1644.
» 8. Idem uit het Batavia’s Dagregister, van den 14de December, 1643.
» 9. Maerten Gerritsz. Vries.
» 10. Cornelis Jansz. Coen.

EXTRACTEN

uit de Resolutiën en Missiven van den Gouverneur-Generaal en de Raden van Indië, betrekkelijk de reis van de schepen Castricum en Breskens.

1643-1644.

Saturdagh den 17de January Ao. 1643.

No. 1.

Op geen mindere hoop en groot vertrouwen, als wy ten dienste van de Ver. Ned. O. I. Comp., tot vergrootingh en verbeteringh van desselfs stant en negotie hier te lande, hebben gehad en gepractiseert, om de g’opinieerde off noch onbekende landen besuyden de Linie Equinoctiael en de gelegentheyt desselfs te ontdecken, in voegen als onse Resolutie primo Augustus passato daerover genomen, wyt en breet dicteert. Mitsgaders op 14 dito met ’t jacht Heemskerck en de fluit de Zeehaen, onder ’t beleyt van den E. Abel Jansz. Tasman, van hier over ’t eylant Mauritius doen ondernemen hebben. Vinden wy ons door deselve redenen en motiven immers soo gretigh en genegen, om te besoecken en t’ontdecken, de onbevaren vaste landen en eylanden bynoorden Japan en van daer Oostwaerts gelegen; insonderheyt de Oostcust van Tartarien, en daeronder het vermaerde Coninckryck Cathaya. Gelyck de Heeren onse principalen hiertoe mede seer inclineren, ’t selve veelmalen en by haere per naeste ontfangene generale brieven, noch ernstich recommanderen; te meer, om die gelegentheyt t’ontdecken, diverse besendingen uyt Europa derwaerts syn gedaen. Welcke vermits het soecken van de Noorder-wal en de daeromtrent dominerende Yszee, geen effect hebben gesorteert. Mitsgaders dat onse gemelte Gebieders opinieeren, gelyck oock apparent sy en diverse beschryvingen getuigen, daer profitabele negotie en meer goede gelegentheden voor de Comp. te vinden sullen wesen. Item om van daer wyders andermael te gaen soecken, naer ’t voorgegeven Gout- en Silverrycke eylant byoosten Japan, werwaerts wy, volgens resolutie van 28 May Ao. 1639, op 2 Juny daer aen, onder het beleyt van den E. Mathys Quast, door de straet Manilha uytgeset hadden, de fluyten Engel en de Graff, die door ongeluckige toevallen op 24 November desselven jaers, vruchteloos in Tayouan syn gekeert. Op dese apparente ontdeckinge dan langh gespeculeert, en daertoe gehoort en gesien hebbende, d’opinien en voorstellingen, van verscheyden wel geexperimenteerde personen, haer op de gelegentheyt deser te doene ontdeckingh verstaende, en voorders geconsidereert, dat het de Comp., staende onse regeringe, noyt beter gelegen heeft gekomen, om twee bequaeme schepen, buyten vercortingh van den ordinairen handel, en vereysch in den oorloge hier te lande, af te setten, als tegenwoordich. Soo is ’t, dat wy dan in gevolge van dien, geresolveert en gearresteert hebben, gelyck resolveren en arresteren by desen, tot die bevaringh en ontdeckingh ’t fluytschip Castricum, jongst van Sumatra’s West-cust gekomen, en ’t jacht Breskens, onlangs uyt ’t patria verschenen; hoewel al naer Macassar en Amboyna gedestineert sy. Welcke beyde daertoe seer bequaem geoordeelt werden, en dat onder ’t gesach van den Schipper-Commandeur Maerten Gerritsz. Vries, die sich tot dese verrichtingh seer genegen thoonde, item soodanige Schippers en Stierlieden meer, als daertoe mede bequaem en mede graegh syn. Ordonnerende deselve, uyt de verscheyden voorstellingen ons gedaen, van hier door de straet Bouton langs Celebes naer Ternaten te seylen, om van daer (wel ververscht synde) in ’t begin der maent April N.O.waert over te loopen, naer de Oostcust van Japan, op de breete van 37 graden, en van daer N.W.waerts over, tot hem de cust Westelycker ontvalt. Om in passant te ervaren, hoe verre ’t uytterste van Japan om de N. gelegen is, en of het lant, dat by de Japanderen Eso wordt genaemd, een bysonder eylant of de vaste cust van China of Tartarien sy. Pogende van daer Tartaria of ’t lantschap Cathaya soo Suydelyck aen boort te crygen, als doenlyck wert, om dan wyders N.W. off soo als die cust strecke, by op te seylen en t’ ontdecken, ’t gene onse Instructie sal medebrengen. Item dan wyders tegen de maent Augustus van daer S.O.waerts over, tot op de langte van Japan’s O. eynde. Van dat punt met een S. cours tot op 3712 gr., in ’t gesicht van gemelte lants O. hoeck, en van daer recht O. aen, de langte van 350 à 450 mylen; om het aengetogen geruchte Goudt- en Silverrycke eylant te beseylen, en des neen, van daer weder al cruyssende van de 37 tot de 35 gr. W.waerts aen naer Japan te keeren. Om ’t meergemelte eylant, mitsgaders die geseyt worden, tusschen de 30 en 36 gr. 100, 150 à 200 mylen byoosten Japan te liggen, en mede seer silverryck souden syn, nader te soecken en aen te seylen. Doch den Westen passaetwint sulcx niet gedogende, dan van de geseylde 450 mylen om de O., N.W.waert over te steecken, naer de cust van America, en dat lant omtrent Cabo de Mendocina, op de breete van 38 gr. aen te doen, om de gelegentheyt aldaer mede te onderstaen, hun te ververschen, en wyders met de N.W. passaetwint S.W.waert over te seylen; om by dien wegh een der gemelte rycke eylanden, op ’t lyff te mogen loopen en eyndelyck over ’t eylant Formosa herwaert te keeren.

Den E. Justus Schouten, Extra Ordin. Raed van Indië, werdt gelast de noodwendige Instructie voor den getogen Schipper-Commandeur de Vries met desselfs advys te concipieren, des blyft den E. Cornelis van der Lyn bevolen, veelderley metalen, waren, coopmanschappen en rariteyten by den anderen te versamelen; om gemelte ontdeckers tot preuve in de landen, daer te comen staen, ten dienste en nutte van de Comp. medegegeven te worden.

Aldus gearresteert in het casteel Batavia, enz.

datum ut supra.


Vrydagh den 23ste January Ao. 1643.

No. 2.

De fluyt Castricum en ’t jacht Breskens, by resolutie van 17 stanty, onder ’t gesach van den Schipper-Commandeur Maerten Gerritsz. Vries, over Molucco naer de custen van Tartarien en byoosten Japan gedestineert; werden verstaen ieder met 50 cloecke seelieden, en daertoe elck nog 5 soldaten, t’ samen 116 coppen, te doen mannen; geprovideert van alles voor 12 maenden, mitsgaders van noodwendichheden ryckelyck versien.

Soo is mede goetgevonden, gemelten Vries tot assistentie by te voegen, den Schipper van de Luypaert, Hendrick Cornelisz. Schaep, als Hooft op Breskens; item Pieter Willemsz. Knechtjes, als Schipper van de fluyt den Engel op Castricum, mitsgaders den Ondercoopman Willem Bylevelt op Breskens, om van ’t medegaende cargasoen, pertinente rekeningh te houden.

Abraham Pittavyn, als provisioneel Ondercoopman, Secretaris en Fiscael by den Commandeur, en drie à vier bequaeme Assistenten, waeronder een van Tartarien geboortig.

Aldus enz.


Maendagh den 2den February Ao. 1643.

No. 3.

En alsoo de fluyt Castricum met ’t jacht Breskens, onder het Commando van den E. Maerten Gerritsz. Vries, over Ternate, tot ontdeckingh der custen van Tartarien, en de verhoopte rycke landen byoosten Japan gedestineert, tegenwoordigh sonder iets te gebreecken volcomen seylvaerdigh. Mitsgaders daertoe oock gereet, de Instructie voor gemelten Commandeur en synen Raed, by den E. Justus Schouten, Extra Ordin. Raed van Indië, met dito de Vries advys, ingestelt, als de missive aen den E. Wouter Seroyen, Vice-Gouverneur en Directeur over den Nederlantschen stant in Molucco, door den Gouverneur-Generael geconcipieert; beyde te deser vergaderingh, bysonder gemelte Instructie, in presentie van aengetogen de Vries en syn voornaemste Raetspersonen, ten tweede male aendachtelyck gelesen en gecollectioneert, daertoe met ons aller teeckeningh geconfirmeert, en de papieren tot de een en d’ander besendingh dienende, bygevoecht wesende. Soo is eendrachtelycken verstaen, gemelte ontdeckers dese voyagie in conformité van onse resolutie dato 17 January passato, morgen vroegh nae gedaene monstering in Godes naem te laten aenvangen. Den E. Justus Schouten voornoemd en den E. Salomon Sweers, mede Extra Ordin. Raed van Indië, werden gecommitteert, om morgen den Commandeur als dan t’ scheep behoorlyck te authoriseren en ’t volck te monsteren.

Aldus enz.


No. 4.

Nader op d’ordre van onse principalen, nopende ’t ontdecken van de Tartarische custen, ende ’t hervatten des opsoeckens van de Goudt- ende Silverrycke eylanden byoosten Japan gelet synde, mitsgaders daerover gehoort, ’t advys van de aenwesende ervarenste schippers ende stierlieden, als de remonstrantie van den vermaerden Piloot Franschoys Visscher, op syn vertreck naer ’t onbekende Suytlant, over dit punt ons ter hand gestelt. Is goetgevonden die voyagie te ondernemen, ende daertoe te gebruycken ’t fluytschip Castricum ende ’t jacht Breskens; wes deselve onder ’t Commando van den Schipper Maerten Gerritsen Vries, wel gearmeert, ieder met 60 coppen gemant, daeronder in alles 10 soldaten, voor 12 maenden geprovideert; den 3 courant van hier langs de custen van Celebes naer Ternaten genavigeert syn. Omme van daer, in der yle wel ververscht ende van water versien synde, den cours byoosten Japan te nemen, ende de custe van Tartarien, soo Westelyck aen te soecken, als de gelegentheyt van de winden ende landen sullen toelaten; omme van daer naer verrichter saecken, dat g’opinieerd word in Augusty aenstaende sal wesen, den Tartarischen oceaen te cruyssen, omme d’aengetogen verhoopte eylanden te beseylen. d’Almogende geve tot d’een en d’ander synen segen, ende dat de Spaensche galey in Ternaten, door dese cleyne (doch deffencive) schepen geabuseert synde, in ons gewelt vervalle.

Aen den Hr. Antonio de Caen in Amboina,

desen 16 February, 1643.


No. 5.

’t Geene aengaende ’t verlies van ’t jacht Breskens op de Noortcuste van China schryven, vernemen met d’aencomste van de Swaen abuys te wesen; God geve gene van de jachten tot de lichtingh des forts Kelangh syn, die als geseyt, buyten expectatie in Tayouan te keeren, tardeerden. Ende comt met meer aengetogen Swaene herwaerts, den Schipper-Commandeur Maerten Gerritsz. de Vries, neffens desselfs Opperstierman Cornelis Jansz. Coen; per de fluyte Castricum ende ’t jacht Breskens, uyt d’ontdeckinge van Tartarien, den 18 November in Tayouan behouden aengelandt. Op syne plaets sullen ’t succes verhandelen, ende becomen UEd. derselver journalen, caerten ende duydelycke beschryvingh van hun wedervaeren ende ondervindingh, die van apparentie schynt te wesen.

Door ontmoeting van landen ende contrarie winden, hebben de Tartarische cust niet connen beseylen; ’t lant Eso ende de Noorder custe van America aengeweest; wyders naer de gepresupponeerde Silver ende Goudt eylanden gecruyst, maer niet opgedaen. Sulcx vastelyck te gelooven sy, op die lengte en breete, geen derselver eylanden liggen; maer datter aen geseyde Noorder custe van America (daervan possessie genomen is) ryckdommen syn, dat by nader ontdeckingh te vernemen staen. Als geseyt sullen d’overgebrachte papieren en caerten nader resumeren, ende UEd. per volgende schepen, beter onderrichten, mitsgaders onse consideratien op dit gewichtigh stuck declareren.

In ’t Casteel Batavia,
desen 22 Dec. Ao. 1643.

Aen de Bewinthebberen, enz.


No. 6.

Hoe den Schipper-Commandeur Maerten de Vries, met de fluyt Castricum ende het jacht Breskens, van d’ontdeckingh der Noorder landen, November verleden in Tayouan gekeert, persoonlyck met den Stierman Cornelis Coen, tot Batavia gecomen; ’t lant van Eso en ’t Noorder America eensdeels ontdeckt, en in die vreemde voyagie yets notabels geexperimenteert heeft, is UEd. in onsen generalen brief, dato 22 December, cort aengeschreven. Mitsgaders toegeseyt, ’t succes van dese reyse, met den naesten omstandiger te sullen verhalen, en onse consideratien daerby te doen, gelyck in ’t vervolch nu cortelyck geschiet, en om van volcomen contschap (ons) aen de neffens gaende descriptie ofte relaes van den Commandeur de Vries, journael van den Stierman Coen, ende daeraff gemaeckte caerten, refereren; waerinne de gedaene ontdeckinge en remarquable ondervindinge in ’t breede te lesen ende te beoogen sy; daervan alleen ’t bysondere in substantie verhaelen sullen.

Gemelte Commandeur Vries, met syne twee schepen, in ’t begin van April uyt Ternaten scheydende, hebben haeren cours, mits vroeg in ’t jaer ende ’t bejegenen van Noordoostelycke winden, Noortwaert genomen, ende geen der ongenoemde eylanden in de Suytsee ontdeckt; maer op 20 Mey, des nachts omtrent den Suytoost hoeck van Japan, met storm (buyten gissingh) aen ’t Ongeluckich eylant, by haer soo genaemt, op een lager wal vervallen, ende in ’t uyterste peryckel van schipbreuck geraeckt; sulcx nae ’t verlies van anckers en touwen, naeuwelycx gesalveert en van den anderen versteecken syn. Voorts gesepareert, langs de Oost cust van Japan (daer veel visschersbercquen in vrientschap aen boort quaemen) tot op 40 gr., aen den uyttersten Noortoost hoeck geseylt; van waer de Vries, alleen met Castricum tot vervolch van de g’ordonneerde voyagie, den 4 Juny Noortwaerts gevaren is, ende op den derden dagh, het hoogh met sneeuw bedeckt lant van Eso, op 42 gr. aengedaen heeft. Langs welcke Suytoost cust, omtrent 60 mylen, meest gestadigh door dicken mist geseylt, en op diversche plaetsen ten ancker gecomen is, vindende ’t lant sober, doch van redelycke menschen bewoont, met dewelcke vriendelycke communicatie gehouden, ende een arm lant bevonden is. Synde traen en pelteryen, ’t voornaemste dat daer (maer sober) valt, ’t welcke van de Japanders voor diversche waeren gehandelt wert. Ende hoewel dese barbaeren haer sabels, halsen en ooren met silver (dat sy hooch estimeren) vercieren, ende wysen binnen haer lant, uyt de aerde gegraven wort, soo hebben d’onse daer nochtans geen quantiteyt vernomen. De cust van Eso op 4412 graet ten eynde synde, hebben ’t Staten eylant, insgelycx by henlieden soo genaemt, synde vol dorre blinckende bergen en omtrent 30 mylen langh, ontdeckt; ende daernaer op 45, 46 ende 47 graden, aen ’t Noorder America, een seer hoogh groot onbewoont lant, waerop hem verscheyden bergen, gantsch blinckende als rycke mineralen verthoonen. Daervan solemnele possessie, ende eenige monsters van d’aerde genomen synde, hebben haeren wegh, tusschen dit lant ende ’t Staten eylant, door de straet de Vries vervolght. Wanneer in ’t laetste van Juny, in een ruyme, woeste, ongestuymige Noortsee gecomen syn, daerinne door donckere mist, tot op 48 graden, stoutmoedigh gevaeren syn; doch wierden door cracht van Noortwestelycke winden, benoodight, de onbekende Noortoost cust van Eso, op 45 gr. aen te doen. Van waer do. cust 4 graden Noortwaerts ontdeckende, ’t lant van een selfde natie als aen de Suytcant, doch in meerder menichte, oock civilder ende beth met silver gesiert, bevolckt, vonden. Saegen op dese cust eenen wonderlycken, hoogen, ronden, spitsen bergh, die d’inwoonders, neffens noch een ander, affirmeerden silverryck te wesen. Welcke spetie by haer in sonderlinge waerde gehouden wert, sulcx d’onse maer twee arm- ende eenige oorringen, van haer hebben connen ruylen. Wesende dan in ’t laetste van July tot op 49 gr. by den uytersten hoeck, by haer genaemt van Patientie, gecomen, conden door styven contrarie wint ende donckere coude mist, geen Noort meer winnen. Soo dat den 3 Augusty, de reyse naer Tartarien gestaeckt, door d’ingecomen enghte weder in de groote see gevaeren, ende op 16 Augusty aen de Suytoost cust van Eso, in de bay, van haer gebaptiseert de Goede Hoop, gecomen syn. Van waer, nae dat tamelyck ververscht, en hun van water ende branthout wel hadden versien, den 2 September tot ontdeckingh, van de geruchte Gout ende Silverrycke eylanden byoosten Japan gelegen, vertrocken. Doende hunnen cours (volgens order) eerst naer de Oost cust van Japan, van waer tusschen 10 September ende 1 October, op de breete van 3712 gr., 450 mylen met veranderlycke winden, ende felle stormen eerst Oost omgevaeren syn, sonder in dien streeck, met geduerich claer weder, eenigh lant te ontmoeten, maer wel veel teyckenen van vogelen ende drift; die naer alle apparentie door wint ende stroomen van Japan, Eso, Staten ende Compagnies lant, alsmede het Noorder America, in de Suytsee gedreven worden. Gelyck mede in ’t keeren, al cruysende naer de Oost cust van Japan, geen lant bejegent hebben, ende alsoo seeckerlyck ervaeren, de gesochte eylanden in dat geweste niet en syn, ende naer alle apparentie ’t lant van ’t Noorder America wesen moeten.

Bestendige vlyt ende goede opmerckinge, is op dese voyagie, by die van de fluyt Castricum gebruyckt, gelyck by de schriftelycke rapporten omstandigh blyckt. Doch d’opperhoofden van ’t jacht Breskens, syn t’onvoorsichtigh geweest; dat haer gevangenis in Japan, en den Keyser cuntschap van dese voyagie ende ons concept veroorsaeckt heeft. Evenwel is ’t jacht mede aen de Suyt cust van Eso, Staten ende Compagnies lant geweest, ende onder ’t beleyt van den Stierman Jurriaen Bruyn, ’t soecken van de eylanden byoosten Japan onvruchtelyck betracht. Soo dat eyndelyck beyde dese schepen, in ’t laetste van October, aen ’t Ongeluckigh eylant ververscht, ende op 10 November omtrent den Suyt hoeck van Cikoko, naer vyff maenden ende twintigh dagen, weder by den anderen gecomen syn, ende gesaementlyck den 18 November, behouden in Tayouan gearriveert.

Geen negotie van importantie, hebben d’onse in ’t lant van Eso connen sien, hoewel d’inwoonders civile ende goetaerdige menschen syn. Alleen wert by de Japanders van Nabo eenige zyde ende cattoene rocken, ryst ende verdere cleynigheden, in de provintie van Matsmay gebracht (die alleen op dat lant, van de Japanders beseten wert), ende van daer met weynigh handelsbercken, langs de cust gevoert, ende tegen pelteryen en traen verhandelt. Gelyck d’onse soodanige berck, in de bay de Goede Hoop bejegent syn; waeruyt van haeren handel ende des lants gelegentheyt, vry wat cuntschap bequaemen, als in de rapporten te lesen is. Evenwel is van d’onse daer niet anders becomen, als eenige stucxkens silver, monsters van gout, minerale aerde ende 4 stucken bontwerck (de sabel- ende martersvellen niet ongelyck) die voor een byl, een cangangh, weynigh glaesen coraelen ende andere snuysteringh (in alles geen ses gulden waerdigh) hebben geruylt; welcke nu met den Salmander tot een monster versenden. Silver ende gout wert, naer ’t seggen van de Japanders, mede uyt dat lant naer Japan getrocken, doch in geen groote quantiteyt. Oversulcx te beduchten daer niet proffytelyck voor de Comp. te verrichten sal syn, ten waere daer minen van importance wierden ontdeckt, daer de inwoonders veel bewys van schynen te geven, ende meest alle met silver geciert syn; waervan de seeckerheyt door naeder ondersoeck te vernemen is. Van ’t Noorder America ofte Comp. lant, can mede niet seeckers tot Comp. proffyt aengewesen werden, hoewel daer goede teyckenen van mineraelen synde gesien, dat mede al naeder ondersocht dient; insgelycx wat in Tartarien mach te haelen wesen.

Ende alsoo ons by de rapporten ende discoursen van de Vries, groote apparentien tot ontdeckingh van noch veel andere landen, ende dat onbekende Noorder gewest aengewesen werden, neffens hoope die door ’t vinden van rycke mineraelen, ende consequente traffyquen, voor de Comp. nuttelyck cunnen syn, blyven alweder voornemens de begonnen ontdeckinge van Eso, Tartarien, America ende daeromtrent geleden rycken, in April aenstaende, met twee jachten ende een quel, onder bestier van gemelten de Vries ende Stierman Coen, ernstigh te vervolgen; met vaste hoope, sulcx voor de Generale Comp. dienstich, ende t’ syner tyt proffytelyck wesen sal, waervan ’t aenstaende jaer, UEd. goet succes verhoopen te cundigen.

In ’t Casteel Batavia,
desen 4 January Ao. 1644.

Aan dezelfden.


No. 7.

Den Schipper Hendrik Cornelisz. Schaep, nevens d’aengehouden Nederlanders van ’t jacht Breskens, daervan in onse vorige brieven mentioneren, ende veele vry swaerhoofdich over waeren, syn op de verschyning van den President (van Elserack) ten hove gelargeert ende vrygegeven; nae dat menichmael op veelvuldige gelegentheden waeren ondervraecht geworden, daer alle distinctelyck tot contentement op geantwoort hebben. Gelyck dan den President, met deselve replyque, ter audientie van den Keyser selver, doch bedeckt gecomporteert wierde, ’t welck alles soo quadreerde, dat men oordeelde, de Nederlanderen een oprechte en ongeveynsde natie te syn. Waeruyt den Keyser bewogen is geworden, ons meer faveur als voor desen, te laeten genieten, ende soodaenigen toegang vergunt, als by passe van syn schoonvader ingewillicht sy; namentlyck by noot alle havens van Japan te mogen aendoen, daervan acte verleent heeft, als by ’t Japansch dachregister te lesen, ende ons in Japan toegesonden is.

Tot naedere ontdeckinge van Tartarien, ende ’t Noorder America, mitsgaeders d’opgeseylde Suyderlanden in ’t Oosten als Salomons eylant, daervan UEd. voor desen caerten, onse bevindinge ende opinie gecommuniceert hebben, inclineren wy seer, maer pregnanter affairen ende manquement van bequaeme jachten, hebben ons tot dato wederhouden; ’t sal echter nodich wesen die vaert behertigen ende de reeds ontdeckte landen, beter ondersocht worden, alsoo vertrouwen immers eenige gout ende silverryck te syn. Soo begrypen oock meer ende meer, de ontdeckingh van eenige rycke minen voor de Comp. gansch nodich te syn, die oock vertrouwen noch opgedaen sullen worden, byaldien buyten prejuditie ende behoudens Comp. respect, met den Portugees hier te lande tot accoort ende vrede geraecken. Inclineren seer een voyagie naer Chily t’ondernemen, omme t’onderstaen off quantité gout, voor aldaer getrocken coopmanschappen omte setten syn, ende met eenen mede in de West-India à l’improviste een treffelycken buyt te haelen, ’t welck men meent door Godes hulpe niet ontslaen soude. Ende dewyle UEd. opinieeren, die van de West-Indische Comp. haer octroy, omtrent Chily extenderende, te sullen mainteneren, sal by ons, ten waere UEd. ’t selve geliefde t’ordonneren, niet getracht worden aldaer te rusten, ’t welck buyten dat van desen cant gevouchelyck soude geeffectueert, ende oock behouden connen werden. Wy hebben wel verstaen ’t geene onder d’Heer Generael Brouwer saligers beleyt daer verricht is.

In ’t Casteel Batavia,
desen 23 Dec. Ao. 1644.

Aan dezelfden.


No. 8.

Extract uyt Batavia’s Daghregister, do. 14 December, 1643.

Met ’t schip de Swaen, comt hier oock den Schipper-Commandeur Marten Gerritsz. de Vries, 3 February voorleden jaer, met de fluyt Castricum ende ’t jacht Breskens, gelyck voor is geseyt, tot ontdeckinge van Tartaria ende d’eylanden achter Japan gelegen, uytgeseth; rapporterende van gemelte voyagie hetgeen volcht. Naer dat haer in Tarnaten ververscht, ende van eenige nootlyckheden versien hadden, gelyck boven geseyt, waeren 4 April, synde Paeschavont, haere reyse te vervorderen, weder onder seyl gegaen, nemende haren cours meest Noortwest; den 23 do. passeren de Cabo Spiritus Santo, omtrent 60 mylen beoosten, ende 3 Mey het eylant Malabriga in ’t gesicht, liggende op de Noorder breete van 24 gr. 30 min., ende 151 gr. 26 min. lengte. Elff daegen daernae, omtrent 3 glaesen nae sonnen-onderganck, bejegende (haer), op de hoogte van 33 gr. 20 min., ende 151 gr. 45 min. lengte, omtrent 36 à 37 mylen N.N.W. van den S.O. hoeck van Japan, genaemt Bosho, een eylant, by hen het Ongeluckige genoemt; daer, vermits het subytelyck gants stil wiert, ende de see hart naer de wal aenschoot, genootsaeckt wierden, haer ancker toe te laeten gaen, op 30 vadem, coraelgront; voornemende des daechts daeraen, hetselve met de boot (te) gaen besichtigen, off daer eenige ververschingen op te becomen waeren; maer ontstacq subytelyck soo vehemente storm uyt den S. ende S.W.t.W., maeckende een botten laeger wal, dat Castricum ’s dagelycx tou brack ende het tuyancker doorginck. Soodat in een oogenblick tyts, dicht aen de wal, midden ondertusschen de hooge ende steyle clippen geraeckten, alwaer het plechtancker lieten vallen, het welck ten allen geluck houdende, in duysent vreese, hebbende van tyt tot tyt de doot voor oogen, den dach met verlangen inwachtte. Doen den dageraet doorbreeckende, saegen niet sonder ysen het groulyck gevaer, in ’t welcq den gantschen nacht geweest waeren. Ondertusschen bracq het tuytou mede aen stucken, soo dat op ’t plechtancker alleen most opdrayen, welcx tou door ’t geduerich slingeren ende stampen, oock meest halff doorgevylt was, soo dat geen beter raet vonden, als hetselve, synde doch met winden niet t’ huys te crygen, de byl in de neck te leggen, de seylen daerby te rucken, ende over d’een off d ’ander boech, uyt de clippen sien te geraecken, daer Godt Almachtich syn segen toe verleende. Soo dat met verlies van voorsz. anckers, weder van de wal ende rudsen geraeckten, maeckende geen ander gissingh, off ’t jacht Breskens, dat nergens vernomen, was met man ende muys verongeluckt; maer hadde door Godes hulpe see gehouden, wetende oock niet beter, off Castricum was in de clippen, aen duysent stuckken geraeckt. Soo dat van daer voorts elck bysonder, haer geordonneerde voyagie vervorderende, Castricum 22 der geseyde maent, op de breete van 35 gr. 30 min., ende de lengte van 160 gr. achter op de Oost cust van Japan vervielen; meenende in ’t West een eylant voor de boech te hebben, alsoo Japan in de caerten soo verre om de Noort niet en streckt. Langs dese cust seylende, cregen verscheyden visschersbarcken, met ververschingh van alderhande goede visch, aen boort, die tegens ryst incochten. Japan tot op de 40 graden, aen de uyterste N.O. hoeck aen boort gehouden hebbende, quaemen op 7 Juny, op 42 gr. aen ’t lant van Jeso, ofte gelyck de inwoonderen het noemen Eso, synde een hoogh lant, het geberchte meest met sneeuw bedeckt; langs welcq S.O. cust, omtrent 60 mylen, meest altyt door dicken nevel geseylt, ende ettelycke maelen ten ancker gecomen waeren. Vindende hetselve sober bewoont, met arm doch redelyck volck, schynende nae de Japanders, ’t voornaemste ’t welck daervan verstonden, te vallen was, traen ende pelteryen, die de Japanders tegens andere coopmanschappen, de ingesetenen comen affhandelen, doch noch in geen groote quantiteyt. Eenige der inwoonders hadden haer sabels, halsen ende ooren met silver geciert, maer hadden ’t selve in sulcke estime, dat niet te gelooven is, dat minerael daer gedolven wiert, off het most wesen in gantsch geringe quantiteit. De voorsz. cust van Eso op 4412 gr. ten eynde synde, hebben weynich daeraff een lang smal eylant bejegent, streckende meest N.O. ende S.W., dat het Staten lant geintituleert hebben, synde meest dorre blinckende bergen, ongeveer 30 mylen lanck, doch op eenige plaetsen gantsch niet breet. Daernae quaemen op de hoochte van 45, 46 ende 47 gr., aen een ander hooch ende breet groot lant, onbewoont van menschen, waervan op haere wyse, met eenige teyckenen daertoe dienende, solemnele possessie naemen, ende baptiserende met de naeme van ’t Compagnies lant. Aen ’t blincken der geberchten, maeckten gissingh daer eenige rycke mineralen in moeten schuylen, waervan oock eenige clompen tot monsters medebrachten; maer en is daer niets uyt gevonden. Tusschen dit ende ’t Staten eylant, naemen voorts haeren cours Noortwaerts, waermede in ’t laetste van Juny in een groote, woeste, ongestuymige see gecomen syn, tot op 48 gr., meest doorgaens met dicke duystere mist; doch geraeckten, vermits de N.Westelycke winden, op de N.O. cust van ’t lant Eso voornoemt op 45 gr., van waer deselve dan voorts 4 gr. N.waerts ontdeckende, al meest van een slach van volcq bewoont vonden. Saegen op dese cust een wonderlyck hoogen spitsen berch, die affirmeerden silverryck te wesen, maer saegen daer by de ingesetenen geen abondantie van; hebbende niet meer als een oir- ende twee armringen cunnen ruylen.

In ’t laetste van Julio, aen de uytterste hoeck van gemelt lant, tot op 49 gr. geraeckt synde, ende vermits de styve tegenwinden ende donckere coude mist, geen cans siende meer Noort te gewinnen, wierden den 3 Augusto gedwongen te resolveren, de geordonneerde reyse naer Tartarien te staecken, ende door die enghte, die gecomen waeren, weder te rugge te keeren, gelyck geschiede. In de bay van Goede Hoope (by hen soo genaemt) aen de S.O. cust van Eso, tamelyck ververscht ende van water ende branthout versien synde, gingen weder 5 September, van daer weder seyl, tot ontdecken van de gepresumeerde Gout ende Silverrycke eylanden byoosten Japan, nemende eerst hunnen cours, volgens ordre, weder naer gemelte lantschap, ende van daer recht voort O. aen 450 mylen, tot op 3712 gr. breete, met veel veranderlycke winden ende felle stroomen, sonder in die streeck over ende weder cruyssende, van den 10 der geseyde maent tot 1 October, eenich lant te vernemen, hoewel meest claer weder hadden, ende veel teyckenen van drift ende gevogelte saegen; soo dat voorseecker houden de gemeende Gout ende Silverycke eylanden, daeromtrent niet te vinden syn.

Die van ’t jacht Breskens, hadden mede hun devoir redelycker wyse gedaen, uytgesondert dat in ’t wederkeeren, op de Oostcust van Japan, gelyck primo deser verhaelt, voor de stadt Nambo in ’t lantschap Ockia ofte Masanumono, ten ancker geloopen synde, den Schipper Hendrick Schaep, nevens den Ondercoopman Willem Bylevelt, ende noch acht personen, onvoorsichtich ende contrarie expresse ordre, met de boot aen lant gevaeren, door d’overheden aldaer aengehouden, ende naer ’t hoff Jedo gevoert waeren. Sullende ’t jacht buyten twyfel mede gearresteert syn, byaldien den Opperstierman, met de verdere Overheyt aen boort gebleven, daervoor beducht synde, stilswygende geen seyl gemaeckt hadden ende doorgegaen waeren. Doende voorts haer best, om de geordonneerde reyse te volbrengen, gelyck dan oock Eso, het Staten lant, Companies lant, ende meest alle gelycke bevindinge bejegent hadden; maer insgelycx vermits verloopen des tyts, ende styve contrarie winden Tartaria niet connen crygen, nochte oock de gepresumeerde eylanden achter Japan ontdeckt, nietjegenstaende de goede devoyren daertoe aengewent. Ende eyndelyck syn dese twee schepen, nae dat vyff maenden ende twintich dagen van den anderen waeren geweest, ende beyde op de wederom reyse aen ’t Ongeluckige eylant, alwaer eerst van den anderen waeren geraeckt, redelyck ververscht hadden, 9 November omtrent de S. hoeck van Cikoko, op 31 gr. 35 min. miraculeus weder byeengecomen. Met een groote vreuchde, d’een d’ander haer wedervaeren vertellende, ende soo voorts acht dagen daernae behouden in Tayouan, daer den Almogende voor gedanckt sy.

Gelyck uyt het geene verhaelt verstaen can worden, soo en hebben dese schepen, vermits harde tegenwinden ende dat met de bejegeninge van do. het Staten ende Comp. lant, de tyt verloren was, de geordonneerde voyagie naer Tartarien ende de stadt Jangio niet connen performeren; nochte oock van de Gout ende Silverrycke eylanden, die men seyt achter Japan te leggen, ende Ao. 1639 by den Commandeur Quast, insgelycx met twee schepen, te vergeefs gesocht syn, ietwes conde vernemen. Op Eso gelyck geseyt, viel niet als pelteryen ende traen, die d’inwoonders van Nabo daer quaemen negotieren, welck oock in de provintie van Matsmay, besit schenen te hebben, doch buyten deselve niet. Ende dus vele sy gesegt van de voyagie naer Tartarien, refererende den curieusen leser, wegen verdere particulariteyten van winden, stroomen, gronden, custen etc. tot de Journaelen, by de respective overheden gehouden, mitsgaeders de prenten daervan gemaeckt.

Naer gedaene collatie, is dese met syn
principael bevonden t’accorderen.

In ’t Casteel Batavia,
desen 2 Mey Ao. 1644.

by my
Pieter Mestdagh.

(Buiten op staat)
Extract uyt Batavia’s Dachregister,
raeckende den gedaenen tocht om
de Noort ende Oost van Japan.


No. 9.

MAERTEN GERRITSZ. VRIES[37].

»Maerten Gerritsz. Vries van Harlingen, hier te lande gecomen Ao. 1622, den 22 July, met het schip ’t Wapen van Hoorn voor matroos, tegenwoordich Schipper à 75 guldens ter maent; wiens jongst verbant 9 September 1640 verstreecken synde, genegen is hem op nieuw weder te verplichten, werd ten dien aensien, als ten respecte van de diensten, welcke denselven buyten ’t ampt van Schipper, soo in ’t landmeten, afbeelden van landen en andere voorvallende occagien daer kennisse van heeft, aen de Comp. sy doende, by desen toegevoecht, een belooning van Hondert guldens ter maent, onder verbant van drie jaren, beyde gagie en verbintenisse primo December passato ingaende.”[A13]

Wanneer wij dit lezen, dan zal het wel geene verwondering baren, dat het ons hoogst aangenaam is, de onzekerheid te kunnen wegnemen, die er bij den Hoogleeraar Moll heeft bestaan, als Z.H.G. in zijne Verhandeling[A14] van de Vries zegt: »La Perouse brengt in verschillende plaatsen van zijn werk regtmatige hulde toe, aan de juistheid der waarnemingen van de Vries. Welligt wordt hem hierdoor eene vermaardheid gegeven, die hem niet geheel toekomt. Hij was wel Gezaghebber op dezen togt, doch geen Schipper, en misschien geen zeeman; het is dus mogelijk, dat de nakomelingschap ondankbaar is jegens de nagedachtenis van den Schipper der Castricum, Pieter Willemsz. Knechtjes, aan wien het zeer mogelijk is, dat men alle die waarnemingen, welke zoo zeer geprezen worden, verschuldigd is.”

Uit de op de voorgaande bladzijden voorkomende stukken, van den Gouverneur-Generaal van Diemen en den Raad van Indië, blijkt het onzes inziens ten duidelijkste, dat de Vries wel degelyk Schipper en ook zeeman was, en allezins bevoegd om aan het hoofd te staan van een ontdekkingstogt, en dat hij in alle opzigten heeft beantwoord, aan het vertrouwen, dat men in hem had gesteld, zelfs zoo, dat men het voornemen had, hem weder voor denzelfden togt te gebruiken, in welke eer ook zijn hoogst verdienstelijke Opperstuurman Cornelis Jansz. Coen zoude deelen[A15].

Dat men de verdiensten van de Vries reeds vroeger op prijs stelde, vinden wij vermeld in een schrijven van den Gouverneur-Generaal en de Raden van Indië, aan den Gouverneur van Tayouan op Formosa[A16], waarbij zij schrijven »Den Schipper Maerten Gerritsz. Vries, hebben met dese schepen gelargeert, alsoo verstaen op Tayouan dienstich is en UEd. sulcx versoeckt.” Dat hij aldaar met ijver en vrucht werkzaam was, schrijft de Gouverneur Traudenius[A17]: »Insgelycx gaet hiernevens, in handen van den Oppercoopman Sr. Jan Dircxz. Galen, een primuere caerte van ’t gantsche eylant Formosa, soo ’t selve van tyt by experientie is ondersocht, ende principalyck nu jongst met onse joncquen bevonden, op welcke caerte men seeckerlyck mach gaen, ende sal tot een groot licht, soo voor deselve die hier van daen naer Japan, als insonderheyt die van daer in ’t Noorder mouson herwaerts tenderende syn, connen dienen. Schipper Maerten Gerritsz. Vries hebben dese caerte doen byeenstellen, waerin seer naerstich heeft gequeten; gelyck oock is doende in ’t uyt ende inbrengen der schepen, item de fortificatien concernerende, als andere diensten meer.” Wij vermeenen, dat het voor deze diensten is, dat Gouverneur-Generaal en Raden van Indië, in hunnen generalen brief van 1642 aan de Bewinthebberen verzochten: »om aen de huysvrouw van den Commandeur de Vries te betalen ƒ600 voor extra goede bewesen diensten.”

In de Instructie door genoemden Gouverneur gegeven aan den Veldoverste Johannes Lamotius[A18], »vertreckende om des vyants vestingen op het Noorteynde van Formosa gelegen te bemachtigen,” komt hij voor onder de personen die den Raad zullen uitmaken, als Schipper en Ingenieur.

Dat hij zijne gedachten over de wijze, langs welken weg het Zuidland te ontdekken ware, heeft laten gaan, zien wij, dat onder de »Pampieren den Schipper Commandeur Abel Jansz. Tasman, gedestineert tot ontdeckingh van ’t Suytlant, ter hant gestelt,” die onder No. 2 aldaar voorkomen, van zijne hand zijn[A19].

Dat door hem verschillende stukken over eene te doene reize om de Noord waren zamengesteld, zagen wij reeds uit zijne hem medegegeven Instructie[A20]. Mogen wij derhalve uit al hetgene wij hebben aangevoerd, om te bewijzen, dat de Vries bij zijne tijdgenooten reeds voor een kundig zeeman gehouden werd, niet met eenigen grond veronderstellen, dat hij te regt verdiende, aan het hoofd van een ontdekkingstogt te staan, en dat den lof, hem door La Perouse voor zijne naauwkeurige waarnemingen toegevoegd, wel verdiend is.

Aan de Vries, benevens zijne officieren, werd bij zijne terugkomst, eene belooning toegekend van twee maanden gagie in contant, terwijl aan zijn volk eene maand werd verstrekt[A21].

Maar eene bijzondere onderscheiding viel aan de Vries te beurt, toen hij bij resolutie van 6 Februarij van het volgend jaar tot Examinator der scheepsjournalen van de Schippers en Stuurlieden werd aangesteld. »Alsoo wy eenigen tyt herwaerts, met groot misnoegen ende tot geen mindere schade als ondienst van de Comp., aengemerckt hebben de sorgloosheden, versuymen ende abuysen, welcke by de Schippers ende Stierlieden, op des Comp. costelycke schepen, hier te lande gepleecht werden; gelyck daervan met het schandelyck verseylen der Hollandia ende Otter, als bysonder noch onlangs met de voyagie door de fluyt Schagen, van Siam naer Malacca gedestineert ende herwaerts gecomen, gelyck mede van het schip Nieuw Delft, noch versche ende droevige exempelen hebben; soo is, om sulcx soo veel mogelyck voor te comen, goetgevonden te gelasten ende te committeren den Schipper-Commandeur Maerten Gerritsz. Vries, jongst van de gedaene ontdeckingh uyt ’t Noorden gekeert, om alle de aencomende scheepsjournaelen van de Schippers ende Stierlieden t’haerer aencompste te vorderen, die examineren ende ons de bevindingh te rapporteren, om de schuldigen off versuymigen naer merite, door den Achtbaren Raet van Justitie alhier, te doen corrigeren. Welcken Raet hy de Vries, in diergelycke saecken, oock met goede berichtinge ende advys sal connen dienen, waervan hem dientengevolge behoorlycke acte sullen doen passeren, opdat alsoo naegecomen werde.”

Deze betrekking bekleedde hij tot de maand October van hetzelfde jaar, toen het bevel over de schepen Sutphen, Schiedam en een jacht aan hem werd opgedragen, ten einde bij Manilha de Spanjaarden alle mogelijke afbreuk te doen. In de resolutie, waarbij hij tot Bevelhebber over deze schepen was aangesteld, bezigden Gouverneur-Generaal en Raden van Indië deze voor hem vereerende woorden: »Gebruyckende tot desen tocht als Hooft, den Schipper-Commandeur Maerten Gerritsz. Vries, jongst over Molucco tot ontdecken der Noorder landen geemployeert, van waer ons wegen synen gedaenen yver en naersticheyt goet contentement heeft gegeven.”[A22]

De Vries, die tot dus verre slechts den rang had bekleed van Schipper-Commandeur, werd bij resolutie van 5 Maart 1646 benoemd tot Commandeur; terwijl hem tevens reeds eene maand te voren andermaal het bevel over zeven schepen, op eene expeditie tegen de Spanjaarden in Manilha was opgedragen[A23].

Naauwelijks van deze togt terug, of er werd besloten, om eene hoogstaanzienlijke magt wederom derwaarts te zenden. Deze bestond uit negen schepen en jachten. Ook nu werd het beleid van dien togt aan de Vries toevertrouwd. »Tot noch in bedencken gebleven synde, wien het commando over de geordonneerde vloote van offencie, by onsen Raede van 24 December 1646, naer de custe van Manilha, tot afbreuck van den vyant gedestineert, sullen bevelen, ende hoewel het wel meriteerde een persoon van eene aensienelycke qualiteyt ende ontsach uyt onsen Raede, is echter, dat niet willende contrarieren, d’ordre van onse Heeren Meesters, te meer den Raet tegenwoordich syn compleet getal van Raeden noch niet en heeft, daerin niet en durven treden. Soo is nae rype deliberatie ende overlegh van personen, die haer (hier) present by der hant hebben, geresolveert, voorschreven Commando weder te defereren, aen den Commandeur Maerten Gerritsz. de Vries, dewelcke wegens de situatie van de Manilhasche custe, door lange ervaerentheyt, grondige kennisse becomen, ende ons tot noch toe, wegens de voorleden jarige expeditie ende andere gedaene togten altyt goet contentement gedaen heeft.”[A24]

Deze togt werd echter met geen gunstig gevolg bekroond. De aanslag op Manilha mislukte. Wel werd er een klooster ingenomen, maar daarentegen gingen er vier schepen verloren. De vloot verloor ruim 600 man aan zieken, waaronder ook de Bevelhebber Maerten Gerritsz. de Vries, zoodat men genoodzaakt was terug te trekken.

Men was te Batavia over den ongelukkigen afloop dezer expeditie zeer ontevreden, die men toeschreef aan de onachtzaamheid van den Commandeur. Men nam echter genoegen met het verdeelen van den buit, door genoemden Commandeur in het klooster St. Domingo bekomen. »Van gelycken, dat by den over dese vloote gewesen Commandeur Maerten Gerritsz. de Vries, voor syn overlyden, in ’t manhaftig bestormen ende veroveren van ’t Castiliaensch clooster St. Domingo, in ’t selve becomen syn, veertien duysent realen van achten, ende daervan de Comp. geattribueert 5000, onder ’t volck verdeelt 6600, ende hem selven toegeeygent hadde 2400 gelycke realen. By welgemelte Haer Ed. om verscheyden consideratien, oock dat den buyt, als meermaelen verhaelt, by landtochten principalycken vercregen, geheel vrygegeven sy, geapprobeert ende voor welgedaen genomen wordt.”[A25]


Aldus eindigde de Vries zijn werkzaam leven. Als matroos in Indië gekomen, klom hij van rang tot rang tot dien van Bevelhebber. Vele en belangrijke diensten heeft hij in zijne verschillende betrekkingen der Comp. bewezen; maar door zijne ontdekkingen in het Noord-Oosterdeel van Azia, waardoor de kennis der Aardrijkskunde van dat gedeelte des Aardbols grootelijks vermeerderd werd, heeft hij zich als een der uitstekendste zeelieden van zijnen tijd doen kennen, en daardoor zijnen naam voor de vergetelheid bewaard.


No. 10.

CORNELIS JANSZ. COEN.

»Cornelis Jansz. Coen van Hoorn, in ’t lant gecomen, den 18 Maert Ao. 1639, met ’t schip Breda, voor Opperstierman à 56 guldens ter maent; wordt op syn versoeck ende bequaemheyt, mits ruyme tyts expiratie, voor twee jaeren in gemelte qualité gecontinueert, onder eene belooning van 66 guldens ter maent; daermede alle desselfs pretentien op de Comp. comen te cesseren; verbant ende gagie primo December passato ingaende.”[A26]

Ziedaar alles wat wij tot dus verre weten van hem, aan wien wij het te danken hebben, dat de reis van de Castricum is opgeteekend geworden. Wij sullen in hem den getrouwen opmerker wel niet miskennen, en er bijvoegen, dat de goede resultaten, die de reis van de Vries heeft opgeleverd, ook wel mogen toegeschreven worden aan hem, wiens journaal de onderscheiding te beurt viel, met dat van de Vries, naar het vaderland werd opgezonden te worden.[A27]

Zoo het ons geoorloofd zij gissingen te maken, dan zoude het ons niet vreemd voorkomen te veronderstellen, dat onze Coen vermaagschapt was aan den Gouverneur-Generaal Jan Pietersz. Coen, die mede te Hoorn geboren was, en den 20 September 1629 te Batavia overleed.