WeRead Powered by ReaderPub
Reizen en vechten in het Zuiden van de Philippijnen / De Aarde en haar Volken, 1908 cover

Reizen en vechten in het Zuiden van de Philippijnen / De Aarde en haar Volken, 1908

Chapter 3: Wat de Chineezen eten.
Open in WeRead

About This Book

A first-person travel account that mixes on-the-ground reportage with analysis of colonial governance and military practice in the southern Philippine islands. It describes how locally recruited forces were organized and deployed, the interplay of civil and military authority in Muslim‑majority districts, and meetings with colonial officials. The narrative also offers ethnographic sketches of upland tribes, Moro Muslim communities, and the Christian lowland majority, plus practical details of patrols, camps, transport and daily life, producing a combined portrait of security operations and social complexity in the region.

Het Keithleykamp op de landengte van Lanao.

Des avonds had de inscheping der troepen plaats, en daar men de voorzorg had genomen, het materieel te voren te pakken, ging alles vlug en goed in de volslagen duisternis. Onze boot was een kleine stoomer, de Busuanga, van zoo wat 200 tonnen inhoud en kustbewaker gedoopt, zeker omdat er een mitrailleuse aan boord was. Er zijn twaalf schepen van dien aard op de Philippijnen; alle onder het bevel van vredelievende kapiteins van de groote vaart. Ze worden gebruikt voor het vervoer van ambtenaren en reizigers naar de kleine eilanden van den Archipel, waar de geregeld varende booten niet komen.

Op de Busuanga is plaats voor elf passagiers, en wij waren aan boord met 260 man. Het was er niet om uit te houden, en men kon geen vin verroeren. De soldaten lagen mannetje aan mannetje, en enkelen konden zich niet eens flink uitstrekken, en telkens als men zich even wilde verplaatsen, moest men over de slapers heen stappen, met gevaar van iemand te trappen. Wat de officieren aangaat, die waren genoodzaakt, den geheelen nacht op te blijven in de kleine hut, die als salon dienst deed. Den volgenden morgen werd de situatie er niet beter op door een vrij harden wind, die ons aangreep van ter zijde nadat we de Basilanstraat door waren. Wij schepten herhaaldelijk stortzeeën, maar de lastige douches deden geen afbreuk aan de vroolijkheid der soldaten. Zij waren blij met dien eigenaardigen doop, die hen voor het vuur der Moro’s zou beveiligen.

Om zes uur in den avond van den 3den Maart kwamen wij in de kleine haven van Jolo en sprongen aan land, gelukkig de beenen eens te kunnen strekken na onze 22 uren van gedwongen stilzitten. Wij werden verdeeld over de verschillende woningen van het dorp; ik werd de gast van den eskadronchef Wilcox, commandant van de plaats, die zich haastte mij op de hoogte te brengen van den stand van zaken en van de gebeurtenissen, die onze expeditie noodig hadden gemaakt.

De Moro’s van Jolo zijn de dweepziekste van den geheelen Archipel. Ondanks hun gering aantal van ten hoogste twintig duizend, met inbegrip van de uit Borneo gekomenen, hebben ze altijd den Spanjaarden veel last bezorgd en hun ook wel verliezen berokkend. Toen in 1902 de sultan van Jolo zich aan de Amerikanen onderwierp, lieten hem zijn onderdanen in den steek en weigerden gehoorzaamheid aan iemand, die de slaaf der christenen was geworden en wiens gezag zij dus niet langer konden erkennen. Sedert dien is het eiland nooit volkomen tot rust gebracht. Eenige maanden geleden weigerde een der voornaamste hoofden, de dato Addam, voor zijn stam het hoofdgeld te betalen en versterkte zich op den top van een vulkaan, een uitgedoofden wel te verstaan, den Dajo.

Na vruchtelooze onderhandelingen stond men hem toe, te blijven in zijn fort en hetgeen hij met de betaling achter was niet te storten, op voorwaarde, dat zijn stam zich rustig hield en geen overlast aandeed aan de onderworpen stammen in den omtrek. Alles ging eenigen tijd goed, maar weldra begonnen de bewoners van den Dajo, die de verzoeking niet konden weerstaan, razzia’s te houden bij hun buren. Eenige dagen vóór onze aankomst vermoordde een juramentado, dat is iemand, die op den Koran heeft gezworen niet te sterven eer hij een Christen heeft vermoord, met messteken een Philippino en twee soldaten van het amerikaansche leger, die een luchtje schepten voor de poort der stad. De schuldige was niet gevat, maar zijn signalement was bekend en hij werd van den dato opgeëischt. Deze antwoordde, dat hij rondom zijn verblijf onneembare barricaden had opgericht, dat hij lachte om alle Amerikanen der wereld en hen uitnoodigde, zich eens van hun onmacht rekenschap te komen geven.

Na de bestorming bezetten de soldaten de borstwering.

Terstond werd er besloten, de onbeschaamdheid van het rebellische hoofd te straffen, vooral omdat hij straffeloosheid en een schuilplaats waarborgde aan alle misdadigers van het land. Het garnizoen van Jolo, dat enkel uit een eskadron en een batterij bestaat, was nauwelijks voldoende om de plaats zelve te verdedigen en daarom waren er versterkingen gevraagd aan alle posten in de Moro-provincie, om een marschvaardig corps te vormen onder bevel van kolonel Duncan van het 6de infanterie. Dat corps omvatte een compagnie morosoldaten, vijf compagnieën amerikaansche infanterie, een eskadron cavalerie, vier veldstukken en drie mitrailleuses.

Den volgenden morgen in de vroegte vertrok de chef der expeditie met een klein gevolg van ruiters, gidsen en enkele inlandsche helpers, om de omgeving van den berg te onderzoeken en een plan van optreden te ontwerpen; hij had mij uitgenoodigd hem te vergezellen. De Moro’s zijn niet gewoon, in de vlakte te vechten, en bepalen er zich steeds toe, den vijand af te wachten achter hun verschansingen. Zoo kwam ook onze troep ongestoord aan den voet der hoogte, die op 12 kilometer afstands van de stad was gelegen. De hellingen van den berg Dajo, die buitengewoon steil waren en begroeid waren met een onontwarbaar struikgewas, konden alleen worden bestegen langs drie voetpaden van maar eenige decimeter breedte. Wij bezochten achtervolgens de plaatsen, waar die paadjes in de vlakte uitliepen; er werden bronnen in de buurt gezocht, opdat de troepen er hun kampen konden opslaan, en toen riep de kolonel de drie oudste officieren tot zich. Ieder van hen moest een colonne aanvoeren en zou den volgenden dag met zijn detachement overgaan tot de beklimming van den berg langs het hem aangewezen pad. Voorloopige maatregelen werden genomen, en wij kwamen in den namiddag te Jolo terug.

Den volgenden avond begaven de drie colonnes zich op weg, vroeg genoeg om de tenten te kunnen opslaan en de verkenning van het terrein te kunnen voltooien, eer de zon was opgegaan. De staf, waar ik mij bij bevond, kwam eerst op het terrein tegen het midden van den dag. Het gevecht was al aan den gang tegen de moro’sche voorposten, die over de helling waren verspreid en handgemeen waren met de voorposten der drie afdeelingen, genoemd de colonne Rivers, Bundy en Lawton, naar de namen der aanvoerders.

Wij bezochten eerst den laatsten troep, die reeds twee man buiten gevecht had moeten stellen. Om het oprukken te vergemakkelijken, liet de kolonel het vuur openen uit twee bergstukken, gericht op de versterking van palen, die men duidelijk kon zien op den rand van den krater. Maar het verschil in niveau van ongeveer 600 meter was zeer hinderlijk bij het schieten, dat dan ook weinig uitwerking scheen te hebben.

Ik vroeg en verkreeg verlof, mij bij de colonne Rivers te voegen, die bestond uit mijn vrienden uit Malabang en ik kwam ongeveer een uur later bij hun kamp aan. De krijgsverrichtingen waren hier nog veel minder ver gevorderd; want de verkenning was bemoeilijkt door het vuur van een barricade, die niet was opgemerkt den vorigen avond en die slechts 200 meter boven de vlakte lag. Kapitein Rivers, die zonder achterdocht met zijn mannen van dien kant naderde, werd getroffen door een kogel uit een Remingtongeweer, die hem de knie doorboorde en toen bleef zitten tusschen het been en de slobkous. Ik voegde mij bij hem, toen hij getransporteerd werd naar zijn tent; na een eerste verband steeg hij te paard en keerde naar de stad terug, het bevel over zijn eskadron aan commandant overlatend. Het overige van den dag verliep met kleine schermutselingen zonder veel effect. De wond van kapitein Rivers maakte, dat ik zijn tent kon erven en zijn veldbed, waarin ik een heerlijken nacht doorbracht. Den volgenden morgen in de vroegte werd ons een bergstuk toegevoegd, dat de colonne-chef had gerequireerd en dat hij onder mijn bevelen plaatste, met bevel de eerste barricade te bombardeeren, terwijl twee pelotons zich er van zouden trachten meester te maken door een omtrekkende beweging, die mogelijk was, doordat de helling hier betrekkelijk zwak was. Ik liet het stuk op een heuveltje plaatsen op ongeveer 1200 meter afstands van het doel; een dozijn kogels waren voldoende om de Moro’s te verjagen uit hunne verschansing, en wij zagen ze weldra weer den berg opgaan en achter de boomen verdwijnen. De vesting werd intusschen eerst tegen den middag bezet, ten gevolge van de natuurlijke hindernissen, die de infanterie ontmoette bij het stijgen door het struikgewas.

Kapitein Köhler zond mij heen, om over dit eerste succes aan den bevelhebber der expeditie rapport te brengen. Ik moest naar het kamp van de colonne Bundy gaan. Na mijn rapport te hebben uitgebracht, gaf de kolonel zijn definitieve instructies. De colonnes Lawton en Bundy zouden den volgenden morgen bij zonsopgang aanvallen; de colonne Rivers zou er zich toe bepalen haar tegenwoordige positie te bewaren. De bevelen van den chef der expeditie deden mij besluiten, mij onverwijld te voegen bij het detachement Bundy, en dadelijk begon ik het steile pad te beklimmen, dat door hem gevolgd was. Met mij ging een afdeeling dragers, die de vechtenden van water en levensmiddelen moest voorzien. De bestijging was zeer bezwaarlijk; men moest bijna voortdurend zijn handen gebruiken en zich aan de wortels vastgrijpen, om naar boven te komen. Hier en daar waren zelfs touwen opgehangen, waar de soldaten zich aan konden optrekken tegen enkele zoo goed als loodrechte einden.

Na twee uur krabbelens voegde ik mij bij den staart van de colonne, die in ganzenmarsch omhoog trok. De voorhoede werd gevormd door inlandsche militie, die met geregelde tusschenpoozen geweerschoten wisselde met de groote afdeeling op den top, die men door het gebladerte kon onderscheiden. Ze vonden daar een groote barricade van een twintigtal meters lengte en een omheining van 2½ meter hoogte. Een minder belangrijke versterking, die iets lager het voetpad versperde, was reeds in de handen der Amerikanen gevallen, maar alle pogingen, om er voorbij te komen, hadden schipbreuk geleden en hadden het leven gekost aan vele soldaten, die door de Moro’s waren getroffen uit de hinderlagen en door de bamboesschietgaten in de omheining.

Bij de ontvangst der laatste bevelen verzamelde commandant Bundy al zijn officieren, om de regeling van den aanval te treffen. Het detachement der inlandsche politie zou voorop gaan, gesteund door twee compagnieën amerikaansche infanterie; twee secties infanterie en het peloton cavalerie zouden in reserve blijven. Toen de laatste voorschriften aldus gegeven waren, ging men over tot het nuttigen van den mondvoorraad, dien ieder van ons bij zich had. Dergelijke maaltijden zijn zelden vroolijk; hoe dapper en hoe opgewekt de aanzittenden ook mogen wezen, zij kunnen niet laten, hun gedachten van tijd tot tijd te richten op het gevecht van den volgenden dag en zich af te vragen, of de maaltijd van dien dag hen weer te zamen zal brengen. De nacht ging zonder incidenten voorbij, ondanks de nabijheid van den vijand, die ons nu en dan eenige schoten toezond uit hun kleine kanonnen, met uitdagingen en scheldwoorden er tusschen.

Den volgenden morgen was ieder bij de hand lang voordat de zon opging, ieder op zijn gevechtspost. Eindelijk gaven vijf kanonschoten uit de vlakte het afgesproken teeken. Kapitein White, chef van de inlandsche compagnie, stelde zich aan het hoofd van den troep en begon onder een zeer levendig vuur de bestrijking van de 50 meter terrein, dat open lag tusschen hem en de versterking. De steilheid van de helling meer nog dan het vuur van den vijand maakte de vorderingen uiterst langzaam; gelukkig werd het pad breeder en wij konden dus een paar man in linie opstellen, om het vuur van de moro’sche schutters te beantwoorden.

Die laatsten, niet tevreden met hun tegenstanders dood te schieten door de schietgaten, klommen weldra op de omheining en schoten erover heen. Van onzen kant werden allen neergeschoten, die zich door hun dweepzucht tot onvoorzichtigheid lieten verleiden. De inlandsche militie leed groote verliezen, en spoedig moesten de beide hulpcompagnieën aanrukken tot steun. Op dat oogenblik was kapitein White aangekomen bij de barricade, die hij ging beklimmen met zijn sergeant majoor en een soldaat; alle drie vielen voor ze den top hadden bereikt. Het amerikaansche voetvolk slaagde er ten koste van groote verliezen in, de steilte te bestijgen met de inlandsche soldaten, die even waren teruggeweken, toen hun chef buiten gevecht was gesteld evenals hun onderofficieren; de stoutmoedigsten waren weer aan den voet der versterking gekomen, toen een twintigtal Moro’s zich met het blanke wapen in de hand tusschen hen stortten en het gevecht man tegen man begon. De bajonetten en pistolen van de officieren weerden dien tegenaanval af; maar toch werd de toestand kritiek voor de Amerikanen; een onafgebroken reeks gewonden begon het pad af te dalen en veel dooden lagen boven op het plateau.

Commandant Bundy liet toen zijn reserve aanrukken, die zich naar de beide hoeken van de gevechtscolonne begaf en den aanval blies. Een kapitein, twee luitenants en een sergeant bereikten het eerst de verschansing; de sergeant werd gedood door een kogel, de beide luitenants vielen ernstig gewond neer; maar kapitein Ryther bleef overeind en schoot zijn revolver op de verdedigers af. De dato Addam, die een kind van enkele maanden op zijn linker arm had, wierp zich op den amerikaanschen kapitein en hief zijn kris op om hem te treffen, toen hij, door vele kogels getroffen, terugviel. De omtrekkende beweging was aan den rechterkant gelukt, en de soldaten, die met hun karabijnen binnendrongen in de versterking, waren er weldra meester van het terrein. Geen van de Moro’s dacht erover te vluchten en allen stierven met de wapens in de hand; de gewonden zelfs hieven zich nog op, om een laatste schot te lossen op den overwinnenden vijand. Er werden 175 lijken geteld in de omheinde ruimte en op de helling aan den anderen kant van den krater.

Nauwelijks meesteres van dit deel van den berg, zag de colonne Bundy zich blootgesteld aan een frontaanval, komend uit de versterkingen bij de beide andere voetpaden, waarvan zij gescheiden was door een diepe kloof. De inlandsche militie, die veel geleden had, werd in veiligheid gesteld, terwijl de Amerikanen zich richtten naar de Moro’s tegenover de colonne Lawton. Door een onverklaarbaar misverstand had deze geen enkele mededeeling van kolonel Duncan ontvangen en bleef werkeloos op bevelen wachten. Eerst tegen drie uur in den namiddag kwam een triomfgeschreeuw ons berichten, dat zij ook haar werk had verricht. Weldra zagen wij onze wapenmakers op den top, terwijl ze met bajonetsteken de Moro’s afmaakten, die ons zooveel last hadden gegeven in de laatst verloopen uren.

Er bleef nu nog slechts een enkele versterking te vermeesteren, namelijk een bastion, het sterkste van alle, op de hoogte van het derde voetpad. Op dat oogenblik werd, ik weet niet hoe, een bergkanon opgeheschen en een mitrailleuse, waarna de artillerie onmiddellijk aan het bombardement van de laatste colta begon, terwijl de rest van onze troepen de gevallen Moro’s begroeven of in den afgrond wierpen, want we waren op vier graden afstands van den aequator en de lijken gingen dadelijk tot ontbinding over.

Het artillerievuur had het garnizoen van de Moro-versterking sterk gedund en toen de verdedigers zagen, dat ze overwonnen waren, besloten ze te sterven. Zij kwamen langzaam naar buiten uit hun citadel, schaarden zich duidelijk in het gezicht op den top en hieven toen, zich het hoofd met hun mantels bedekkend, het doodenlied aan. Het vuur van geweren en mitrailleuses velde de ongelukkigen met één slag; in enkele minuten was alles afgeloopen.

De zon ging onder. Op de hoogte, waar we waren, is het des nachts geducht koud, en daar wij allen onze dekens hadden afgestaan, om er draagbaren voor de gewonden van te maken, konden we niet aan slapen denken. Den geheelen nacht trachtten we te vergeefs ons te verwarmen rondom brandende boomstammen, maar de rook verstikte ons bijna, zonder ander gevolg. Bij zonsopgang begaf het detachement Lawton zich op marsch, om den vijand in zijn versterking te overvallen, maar werd door een onverwacht geweervuur ontvangen. Een dertigtal Moro’s waren binnen in de vesting gebleven, vastbesloten, om nog eenige christenen te dooden, eer ze zelf stierven. Geen van hen had getracht in den nacht te ontvluchten, wat hun gemakkelijk zou zijn gevallen, door gebruik te maken van een vierde voetpad, dat eerst later ontdekt werd en dat niet bewaakt werd, want onze gidsen wisten niets van zijn bestaan af. De tactiek van den vorigen dag herhalend, verlieten die wanhopigen de citadel, om zich met hun krissen op de aanvallers te storten, maar allen stortten dood neer, eer ze de Amerikanen hadden bereikt.

De laatste verdedigers van den berg Dajo waren bezweken, toen wij op den bergtop generaal Wood zagen verschijnen, vergezeld door zijn staf, met het plan het gevecht bij te wonen, waarvoor ze met opzet uit Manilla waren gekomen. Hij gaf aan kleine colonnes bevel, den heelen krater te doorzoeken en ook de hutten en schuilplaatsen, die nog niet verbrand waren. Een uur daarna kwamen de soldaten terug, beladen met trofeeën, krissen, lansen, geweren, zijden stoffen, tabaks- en beteldoozen. Daarna daalden wij den berg af, wat een gevaarlijk werkje was voor de zwaar beladen soldaten.

Bombardement van de barricade door de bergartillerie.

Wij vonden onze paarden in de vlakte terug en sloegen dadelijk den weg naar de stad in. De expeditie was den Amerikanen op het verlies van 90 man te staan gekomen, terwijl buiten gevecht gesteld waren een totaal van 500 man. Bijna al die verliezen waren door de colonne Bundy geleden, daar de twee andere samen maar 20 man uit de gelederen misten. Het zwaarst beproefd was de inlandsche militie, die niet minder dan 30 percent had verloren. Geen der officieren was gedood, maar zeven van hen waren in het hospitaal opgenomen, daar ze meer of minder zwaar gewond waren, onder hen kapitein White, gewond in de kuit. Van den vijand was er niemand ontkomen.

De troepen, die niet thuis behoorden in het garnizoen te Jolo, werden terstond ingescheept voor de posten, waar ze vandaan kwamen. Ook moesten alle gewonden, die vervoerd konden worden, naar Zamboanga worden getransporteerd, want in het hospitaal van Jolo was geen plaats genoeg. Geheel Zamboanga wachtte ons bij aankomst in spanning af, want geen telegraafkabel verbindt die plaats met Jolo en ieder kwam berichten inwinnen van een kameraad of een familielid. Wij konden de familiën der officieren gauw gerust stellen, doordat geen der hunnen in levensgevaar verkeerde. De dokters stonden voor het leven van kapitein White in, daar de bloeding bijtijds gestuit was. De inboorlingen daarentegen klaagden luid en trokken zich de haren uit, naar mohammedaanschen trant.

Generaal Wood scheepte zich met zijn staf dienzelfden avond in naar Manilla; drie dagen later legden wij aan bij dezelfde kade, die ik vijf weken te voren zoo overhaast had verlaten. De tijd, dien ik mij voor de Philippijnen had gegund, was reeds overschreden; ik vertrok dus naar Hongkong, niet zonder leedwezen het mooie land verlatend, waar ik door de vriendelijkheid der autoriteiten zooveel belangwekkends had mogen hooren en waar ik enkele van de meest bewogen uren van mijn leven had doorgebracht.

De Ajita’s of Aeta’s van de Philippijnen.

Wanneer men de Europeanen en de Chineezen uitzondert, kan men de bewoners van de Philippijnen tot twee rassen brengen, de Maleiers en de Negrito’s, de eersten, die uit Malakka en andere zuidelijker streken zijn gekomen, en de Negrito’s, wier afkomst nog niet met zekerheid bekend is. Negrito’s, dat is kleine negers, werden ze door de Spanjaarden genoemd naar hun kleine gestalte en donkere huidskleur.

Ajita-jongen.

Hun eigenlijke naam was op Luzon Ajita’s of Aëta’s. Ofschoon ze vroeger in groot aantal het eiland bewoonden, treft men ze tegenwoordig enkel aan in de bosschen van het binnenland. Ze zijn klein, gemiddeld 1.40 meter groot, zijn goed gebouwd en over het algemeen niet leelijk, alleen is de neus zeer breed en plat. Hun haar is wollig als dat der Papoea’s op Nieuw-Guinea.

De Ajita’s leven van de jacht en van wat het bosch hun aan vruchten levert. Aan landbouw doen ze nog niet, en hun wapens bestaan eenvoudig uit pijl en boog en scherpgepunte lansen. Maar de uitwerking dezer wapens weten ze te versterken door planten-vergiften. In vroeger jaren moeten de Ajita’s in voortdurenden strijd met de omwonende volken hebben geleefd, wat thans niet meer het geval is. Hooge ambtenaren in Manilla hielden vooral een twintig of dertig jaren geleden wel Ajita-bedienden, die flink en ijverig waren, maar het toch op den duur niet in de beschaafde wereld konden uithouden en naar hun bosschen terug verlangden.

Reizigers achten het noodig, voorzichtig te zijn, als ze met de Ajita’s in aanraking komen, maar wat A.B. Piehler in het tijdschrift Globus van hen vertelt, is niet afschrikwekkend. Wanneer men hun vriendelijk tegemoet komt en geschenken meebrengt, zijn ze tot toeschietelijkheid te bewegen. Piehler trok er met een vriend en een tolk op uit, om hun levenswijze te leeren kennen en werd voorkomend ontvangen.

In het bosch zich tusschen boomen en struiken een weg banend, troffen ze plotseling een groep van ongeveer dertig Ajita’s, mannen en vrouwen van verschillenden leeftijd. Zooals ze daar aan den oever van een riviertje om een groot vuur lagen, zagen ze er woest uit. Op aanraden van onzen maleischen tolk traden wij moedig op hen toe, en de tolk wist hen te doen begrijpen, dat we goede bedoelingen hadden. Hij liet hun eenige pakjes sigaren zien, die wij in de hand hielden, om ze te verdeelen. Toen ze dat hadden begrepen, gingen ze op een rij staan en wij verdeelden de begeerde lekkernij op de eerlijkste wijze. Na de verdeeling was de vriendschap gesloten; ze schenen ons te vertrouwen en namen hun plaatsen om het vuur weer in.

In de nabijheid van het vuur hing een gedood hert aan den boom. Het hoofd sneed drie groote stukken er voor ons van af en wierp ze in het vuur, om ze na een oogenblik eruit te halen en ons aan te bieden. Van buiten was het vleesch zeer verbrand en met asch bedekt, terwijl het van binnen nog rauw en bloederig was. Wij vreesden door tegenzin te toonen onze gastheeren te krenken, en daar wij met hen op goeden voet wilden blijven, schikten we ons in het onvermijdelijke en aten ons wildbraad, waarvan per slot van rekening de smaak nog zoo kwaad niet was.

De kleine menschen waren ons nu zeer gunstig gezind en door den tolk vroegen de vreemden naar gebruiken en gewoonten van den stam. Ze leven in groepen van hoogstens vijftig personen onder een hoofd, hebben geen vaste woonplaatsen, maar trekken door de dichte bosschen, waar het wild hen lokt.

Hun hutten zijn uiterst primitief, en steeds brandt er een vuur, waaromheen de ouden en de kinderen zich ophouden, als de anderen op de jacht zijn. De oudste van een schaar Ajita’s is het hoofd, en over het geheel worden de oude lieden vereerd. Elke man heeft slechts één vrouw, en beide echtgenooten hechten veel aan de huwelijkstrouw. Zoodra een jonge Ajita trouwen wil, vraagt hij de ouders van zijn uitverkorene om hun toestemming. Dan zenden dezen het meisje op een vooraf bepaalden dag vóór zonsopgang in het bosch, en een uur later gaat de jongeling ook daarheen, om haar te zoeken. Heeft hij het meisje gevonden en keert hij met haar vóór zonsondergang terug, dan stemmen de ouders toe. In het andere geval, als hij dus alleen terug komt, moet hij van het meisje afzien. Hieruit blijkt wel, dat hier de keus een recht van het meisje is, want zij kan zich gemakkelijk verschuilen, dat ze niet gevonden wordt, of weigeren met hem naar haar ouders terug te keeren.

Ajita-meisjes.

Bij de Ajita’s heerscht nog een eigenaardig gebruik, dat ook op Nieuw-Guinea bij eenige volksstammen voorkomt, wat zou kunnen bewijzen, dat de Negrito’s aan de Papoea’s verwant zijn. Zoodra namelijk iemand sterft, zijn zijn kameraden verplicht, hun wapens op te nemen en het land in te trekken, tot ze een levend wezen ontmoeten, dat ze dan, onverschillig of het een mensch of een dier is, moeten dooden. Als ze op zoo’n vervolgingstocht uit zijn, knakken ze de takken van de boomen op een bijzondere manier en waarschuwen aldus ieder, hen niet in den weg te komen. Zelfs een lid van hun eigen stam zou ontwijfelbaar een kind des doods zijn, als ze hem als eerste ontmoeten na een sterfgeval. Dit gebruik is voor ieder een waarschuwing, voorzichtig te wezen bij het reizen door het gebied der Ajita’s.

Tot aan de grenzen van het oerwoud vergezelden de kleine boschbewoners de duitsche reizigers, die tot afscheid nog een paar braadpannen en twee kleine revolvers cadeau gaven, zoodat de wilden overgelukkig afscheid namen. Toen de Europeanen naar Manilla terug keerden, werden ze daar door allen benijd, daar het tegenwoordig aan niet velen vergund is, met deze boschmenschen in aanraking te komen.

Wat de Chineezen eten.

Vaak wordt gezegd, dat rijst het hoofdvoedsel van de Chineezen is, maar dat is slechts tot op zekere hoogte waar. De rijke en welgestelde klassen van de talrijke bevolking verorberen inderdaad veel rijst en misschien kan die graansoort wel voor hen als hoofdvoedsel gelden, maar de massa van het volk en vooral de plattelandsbevolking, die alleen nu en dan rijst eet, zooals in Europa de armere klassen niet geregeld vleesch eten. Het voornaamste voedsel is er gierst, in water gekookt, dan maïsmeel, tarwemeel en sorghomeel, (ook een korensoort) terwijl eveneens veel groenten worden gegeten, rauw of onvoldoende gewasschen.

De Chineezen eten weinig vleesch behalve in den tijd van het Nieuwe Jaar, de periode van smulpartijen. Daarentegen worden in China ook door de armere klassen der bevolking zeer veel eieren genuttigd, die hard en geconserveerd worden gegeten. Bij dat bewaren worden de eieren tusschen geurige planten gelegd in gebluschte kalk gedurende minstens vijf of zes weken. Soms worden ze jaren bewaard en dan in den aanlokkelijken staat, waarin ze gekomen zijn, toch naar binnen gewerkt.