WeRead Powered by ReaderPub
Romeo en Julia cover

Romeo en Julia

Chapter 13: Derde Tooneel.
Open in WeRead

About This Book

The play follows two young members of feuding households whose sudden love leads them to marry in secret with the help of confidants; a series of miscommunications, duels, and impulsive decisions escalate the feud and culminate in both lovers' deaths, which finally reconciles their families. It juxtaposes passionate romance with civic violence, examines fate, youthful impulsiveness, and the destructive costs of longstanding enmity, and alternates moments of lyric poetry, comic relief, and rising tragedy across tightly structured acts and scenes.

Tweede Bedrijf.

Eerste Tooneel.

Een open plaats bij Capulet’s tuin.

Romeo komt op.

Romeo.

Hoe kan ik voortgaan, als mijn ziel hier blijft?

Keer om, nietswaardig stof, en zoek uw ziel.

(Hij klimt over den muur en springt in den tuin.)

(Benvolio en Mercutio komen op.)

Benvolio.

Hé, Romeo, Romeo, kom toch!

Mercutio.

Hé, Romeo, Romeo, kom toch! Hij doet wijs;

Hij sloop naar huis, waarachtig, naar zijn bed.

Benvolio.

Hij liep hierheen en sprong den tuinmuur over.

Mercutio, roep hem!

Mercutio.

Mercutio, roep hem! Ja, ’k bezweer hem zelfs.—

Hé, Romeo! grillen, dolkop, hartstocht, minnaar!

Vertoon u in gedaante van een zucht!

Spreek slechts één rijm, dan laat ik u met vreê;

Roep maar, „wee mij!” en zeg maar „liefde” en „griefde”,

Geef aan vrouw Venus een paar zoete woordjes,

Een aardig spotnaampje aan haar blinden zoon,

Aan ’t jonkske, dat zoo treflijk schoot, toen koning

Cophetua het beed’laarsmeisje minde!— 14

Hij hoort niet, roert zich niet, beweegt zich niet;

Ons aapje is dood, maar ’k wek het.—Ik bezweer

U bij den glans van Rosalinde’s oog,

Haar prachtig voorhoofd, haar kersroode lippen,

Haar kleinen voet, slank been, en malsche heup,

En bij ’t gebied, dat verder hieraan grenst,—

Dat gij in uw gedaante aan ons verschijnt!

Benvolio.

Gij ergert hem, als hij u hoort.

Mercutio.

Gij ergert hem, als hij u hoort. Dit kan

Hem wis niet erg’ren. Erg’ren zou het hem,

Deed ik een and’ren, vreemden geest verrijzen,

Die in den tooverkring van zijn geliefde

Te dringen wist, en wijken wou noch buigen,

Aleer zij daartoe hem bezworen had.

Dit waar’ hem ergernis, maar mijn bezwering

Is goed, betaamlijk; in haar lieven naam

Bezweer ik hier hem-zelf, dat hij verrijz’.

Benvolio.

Kom! hij heeft zich verborgen in ’t geboomt’;

Zijn gril is ’t, in de kille nacht te rillen;

Zijn liefde is blind; het duister past er bij.

Mercutio.

Is liefde blind, dan kan zij ’t doel niet treffen.

Nu strekt hem wis een mispelboom tot dak,

En wenscht hij, dat zijn liefje zulk een vrucht waar’,

Die tot hem riep, „kom, pluk me, pluk terstond!”

O Romeo, waar’ dit zoo! O waar’ dit zoo!

En viel zij maar van zelve u in den schoot!—

Nu, Romeo, goede nacht; ’k ga naar mijn mandje;

Dit veldbed is voor ’t slapen mij wat frisch.

Kom, gaan we?

Benvolio.

Ja, ’t is toch vergeefs gezocht;

Die zich niet vinden laat, wordt niet gevonden.

(Beiden af.)

Tweede Tooneel.

De tuin van Capulet’s huis.

Romeo komt op.

Romeo.

Wie nooit het schrijnen voelde, spot met wonden.

(Julia verschijnt aan het open venster, boven.)

Maar stil! wat licht breekt door het venster ginds?

’t Is ’t oosten daar, en Julia is de zon!—

Rijs, schoone zon! verdrijf de maangodin,

Die bleek en ziek van afgunst is, dat gij,

Haar dienares, veel schooner zijt dan zij.

Verlaat haar dienst, nu zij afgunstig is!

Haar maagden zijn in zieklijk bleek gehuld;

Dat kleed, slechts dwazen dragen ’t; werp het af!—

Zij is het, mijn gebiedster, mijne liefde;

O wist zij, dat zij ’t is!—

Zij spreekt, al zegt ze niets; maar niettemin,

Haar oog spreekt duidlijk, ik wil antwoord geven.— 13

Neen, al te stout; ik ben ’t niet, wien ze toespreekt;

Een tweetal schoonste sterren aan den hemel,

Naar elders afgezonden, smeekt haar oogen

In hare plaats te schitt’ren, tot zij keeren.

Maar waren ginds haar oogen, hier de sterren,

Waar nu haar oogen stralen, o, de glans

Dier wangen zou die sterren diep beschamen,

Als ’t licht des dags een lamp; en aan haar oogen

Ontstraalde van den hemel dan een gloed,

Door ’t voog’lenkoor als morgenlicht begroet!

Zie, hoe zij met de wang leunt op haar hand;

O, ware ik slechts de handschoen aan die hand,

En kuste ik zoo die wang!

Julia.

En kuste ik zoo die wang! Helaas!

Romeo.

En kuste ik zoo die wang! Helaas! Zij spreekt!—

Spreek voort, gij schitt’rende engel! Ja, gij straalt

Zoo heerlijk in de nacht hier boven mij,

Als een gevleugeld hemelbode glanst

Voor de in bewondring ’t wit vertoonende oogen

Der stervelingen, die, teruggezonken,

Hem volgen, als hij op de wolken stijgt,

En, door de lucht gedragen, statig zweeft.

Julia.

O Romeo, Romeo! waarom zijt gij Romeo?

Verloochen uwen vader, uwen naam,

Of, wilt ge dat niet, wees in liefde mijn,

En ’k ben van stonden aan geen Capulet.

Romeo.

Moet ik nog verder luistren, of nu spreken?

Julia.

’t Is slechts uw naam, die vijand is;—gij zijt

Uzelf geheel, geen Montague. Want wat

Is Montague? dat is noch hand, noch voet,

Noch arm, noch aangezicht, noch eenig deel,

Dat van een man is. Wees een andre naam!

Wat is een naam? Het ding, dat roos nu heet,

Geurde, als ’t een andren naam had, even lieflijk;

Ook Romeo zou, waar’ Romeo niet zijn naam,

Zijn eigen, volle, dierbre waarde houden.—

O Romeo, werp af uw naam, en neem

Voor uwen naam, die van uzelf geen deel is,

Mijzelf geheel.

Romeo.

Mijzelf geheel. Ik houd u aan uw woord.

Noem mij uw liefste, op nieuw laat ik mij doopen;

Voortaan wil ik nooit Romeo meer zijn.

Julia.

Welk man zijt gij, die, dus in nacht gehuld,

Hier mijn geheim beluistert? 53

Romeo.

Hier mijn geheim beluistert? Met een naam

Weet ik u niet te zeggen, wie ik ben.

Mijn naam, o schoone heil’ge, is voor mijzelf,

Wijl hij uw vijand is, een haat’lijk woord;

Had ik dat hier, geschreven, ’k scheurde ’t stuk.

Julia.

Nog heeft geen honderd woorden van uw tong

Mijn oor gedronken, toch, ik ken de stem;

Zijt gij niet Romeo, en een Montague?

Romeo.

Neen, lieve, niets van dat, als ’t u mishaagt.

Julia.

Hoe kwaamt gij hier? o zeg mij, en waarom?

Hoog is de muur, en moeilijk te beklimmen;

Denk wie ge zijt; gij waart een kind des doods,

Als een van mijn verwanten u hier vond.

Romeo.

Op lichte liefdevleug’len overzweefde ik

Deez’ muur; geen steenen wal kan liefde keeren;

Wat liefde kan, dat waagt ze ook te beproeven;

En daarom ducht ik uw verwanten niet.

Julia.

’t Is uw verderf, als een van hen u ziet.

Romeo.

Ach, meer gevaar dan twintig van hun zwaarden

Dreigt mij uw oog; straal’ dat mij vriendlijk toe,

Hun vijandschap vindt mij gestaald.

Julia.

Hun vijandschap vindt mij gestaald. O, ’k wensch

Voor heel de wereld niet, dat ze u hier zien.

Romeo.

Het kleed der nacht verbergt mij voor hun oog;

Hebt gij mij lief, zoo laat hen vrij mij vinden;

Maar liever, daadlijk sneven door hun haat,

Dan kwijnend sterven zonder uwe liefde.

Julia.

Wie was ’t, die naar deez’ plaats den weg u wees?

Romeo.

De liefde, die mij aandreef u te zoeken;

Die diende mij van raad, ik haar van oogen;

Ik ben geen zeeman, maar, waart ge ook zoo ver

Als de oever, door de verste zee bespoeld,

Ik waagde toch de vaart voor zulk gewin.

Julia.

Gij weet, de nacht omsluiert mijn gelaat;

Mijn wang bleek anders door een blos geverfd

Om wat deez’ nacht u daar verraden heeft.

Liefst ware ik zedig; liefst, ja liefst, herriep ik,

Wat ik daar sprak; maar, zedigheid, vaarwel!

Bemint ge mij? Ik weet, gij antwoordt, „ja!”

En ik vertrouw uw woord; doch als gij zweert,

Kondt gij wel trouwloos blijken; Jupiter

Lacht, zoo men zegt, om valsche minnaarseeden.

O, dierbre Romeo, bemint gij mij, 94

Zeg ’t eerlijk, trouw, of, als ge denkt, dat ik

Te snel mij winnen liet, wil ik verstoord

En stuursch zien, „neen” u zeggen, als ge aldus

Mij winnen wilt, maar anders, neen, om niets

Ter wereld niet. Voorwaar, mijn Montague!

Mijn liefde is al te machtig; zoo kon ’t zijn,

Dat gij mij in mijn doen lichtzinnig acht;

Maar, o, geloof mij, ik zal trouwer blijken,

Dan die de kunst verstaan, bedeesd te zijn.

’k Had me ook bedeesd getoond, ik wil ’t erkennen,

Hadt gij mij niet beluisterd, eer ik ’t dacht,

Toen ’t innigst harte sprak; vergeef mij dus,

En acht me om ’t uiten dezer liefde, die

De donkre nacht verried, niet licht van zin.

Romeo.

Geliefde, ik zweer u bij die heil’ge maan,

Die aller boomen toppen daar verzilvert,—

Julia.

O zweer niet bij de maan; ze is ongestadig,

En eeuwig wisselt ze in haar schijf; uw liefde

Mocht onbestendig blijken, zooals zij.

Romeo.

En waarbij zweer ik dan?

Julia.

En waarbij zweer ik dan? Zweer ganschlijk niet,

Of, zoo gij wilt, zweer bij uzelf; gij zijt

De god, dien ik vereer, en ik geloof u.

Romeo.

Wanneer de reine liefde van mijn hart—

Julia.

Neen, zweer toch niet; ’k begroet u blij, maar niet

Dat wiss’len van geloften in deez’ nacht;

Dat is te snel, te plotsling, te onberaden,

Te zeer als ’t weerlicht, dat verdwijnt, nog eer

Men zegt: „het licht!” Vaarwel! Deez’ liefdeknop,

Door ’s zomers aâm gekoesterd, is misschien

Een schoone bloem bij ’t volgend wederzien.

Vaarwel, vaarwel, geliefde! Dat deez’ nacht

Uw hart, als ’t mijne, een zoete ruste wacht’!

Romeo.

O, laat ge mij zoo onbevredigd gaan?

Julia.

Wat wenscht gij dan? Wat laat u onvoldaan?

Romeo.

O, schenk me uw mingelofte voor de mijne.

Julia.

Ik gaf ze u reeds, en eer gij er om vroegt;

Maar ’k wenschte, ’t stond aan mij, ze nog te schenken.

Romeo.

Gij wenscht ze weer terug? waartoe, geliefde?

Julia.

Om mild te zijn, en ze u nog eens te schenken;

En toch, ik wensch naar wat ik steeds bezit;

Mijn mildheid is zoo grensloos als de zee,

Mijn liefde is peilloos; deel ik meer u mee,

Te meer blijft me over; beide zijn oneindig.

(De Voedster roept achter het tooneel.)

Ik hoor geroep; hoe gaarne ik toeven zou,

Vaarwel!—Ik kom!—Wees, Montague, mij trouw!—

Toef nog een korte poos; ik kom terug. 138

(Julia af.)

Romeo.

O zaal’ge, zaal’ge nacht! Ja, maar ’t is nacht,

En daarom ducht ik, alles is een droom,

’t Is al te schoon om werklijkheid te zijn.

(Julia verschijnt weer, boven.)

Julia.

Drie woorden, dierbre Romeo,—dan vaarwel!

Als uwe liefde oprecht en edel is,

En gij me als gâ verlangt, geef mij dan morgen

Door een, die ’k tot u zenden zal, bericht,

Waar en wanneer gij ’t plechtig huw’lijk wenscht;

’k Leg al mijn heil dan in uw hand, en volg

U, als mijn gade en heer, de wereld door.

Voedster

(achter het tooneel). Jonkvrouw

Julia.

Ja, ja, ik kom.—Maar meent ge ’t niet oprecht,

Dan smeek ik u,—

Voedster

(achter het tooneel). Mejonkvrouw!

Julia.

Mejonkvrouw! Daadlijk, ja!—

Laat af dan, en laat me over aan mijn smart;

Maar morgen zend ik.

Romeo.

Maar morgen zend ik. Bij mijn eeuwig heil—

Julia.

Goed’ nacht, wel duizend keer!

(Julia af.)

Romeo.

Goed’ nacht, wel duizend keer! Neen, duizend keer

Stikdonk’re nacht, nu ik uw licht ontbeer!

Liefde ijlt tot liefde, als knapen van het leeren,

Maar draalt bij ’t gaan, zooals zij schoolwaarts keeren.

(Hij gaat langzaam heen.)

(Julia verschijnt weer, boven.)

Julia.

H’st, Romeo, h’st!—O, nu den roep, waarmeê

De valkenier zijn edelvalk weer lokt!

Afhanklijkheid is heesch en moet wel fluistren;

’k Scheurde anders de spelonk, waar Echo woont,

En dwong haar galm zich heescher dan mijn stem

Te roepen met den naam van Romeo.

Romeo

(terugkeerend). Het is mijn ziel, die bij mijn naam mij roept!

Hoe zilverzoet klinkt liefdes stem bij nacht,

Als streelendste muziek in ’t luistrend oor!

Julia.

Romeo!

Romeo.

Mijn dierbre?

Julia.

Hoe vroeg zal ik mijn bode morgen zenden?

Romeo.

Te negen uur. 169

Julia.

Te negen uur. Gerust, ik zal het doen.

’t Is twintig jaar wel tot dat uur. ’k Vergat,

Waarom ik, lieve, u heb teruggeroepen.

Romeo.

Laat mij hier toeven, tot ge u hebt bedacht.

Julia.

’k Vergeet het steeds, opdat gij toeven zoudt,

Als ik bedenk, hoe lief me uw bijzijn is.

Romeo.

En ik vertoef, opdat gij ’t blijft vergeten,

En ik vergeet elk ander t’huis dan dit.

Julia.

’t Is uchtend schier; ik wensch nu, dat ge gaat;

Maar verder niet dan ’t vinkje, dat een meisje

Al spelend even van haar hand laat springen,

Een arm, gevangen, vastgebonden dier,

Dat zij met zijden draad terug kan trekken,

Uit liefde angstvallig, dat het vrijheid zoek’.

Romeo.

Ware ik uw vogel!

Julia.

Ware ik uw vogel! ’k Wenschte ’t ook, maar bracht

Door liefde u dood wellicht. Nu goede nacht!

In ’t scheiden is zoo lieflijk wee verborgen,

Dat ik goed’ nacht zou zeggen tot den morgen.

(Julia af.)

Romeo.

Dat slaap op ’t oog u daal’, vrede in ’t gemoed!

Ware ik dan vrede en slaap, dan rustte ik zoet!—

Nu spoedig naar des vromen vaders cel,

Wien ik om hulpe smeek, mijn heil vertel!

(Romeo af.)

Derde Tooneel.

De cel van broeder Lorenzo.

Lorenzo komt op, met een mand.

Lorenzo.

De blonde morgen wenkt de sombre nacht,

En streept het zwerk in ’t oost met lichte pracht;

En als beschonken stort het vlekkig duister

Van ’t pad der zonkar voor dien vuur’gen luister;

Maar eer het oog der zon nog blaak’rend blinkt,

Den dag bezielt, den killen nachtdauw drinkt,

Moet ik deez’ wilgenkorf vol kruiden lezen,

Die giftig zijn, of dienstig tot genezen.

’t Is de aard, die aan natuur het leven gaf,

Diezelfde schoot der aarde is ook haar graf;

Verscheidenheid van kindren van haar schoot

Brengt zij met voedsel van haar boezem groot;

En velen zijn een tal van krachten rijk,

Geen zonder kracht, geen twee geheel gelijk.

O, krachtig is de groote schat van zegen,

In kruiden, steenen, juist erkend, gelegen;

Niets zoo gering van wat op aarde leeft,

Dat niet aan de aarde iets goeds, iets nuttigs geeft;

En niets zoo goed, dat, in verkeerde hand,

Zijn oorsprong niet, door ’t misbruik, maakt te schand; 20

Door misbruik wordt in ondeugd deugd verkeerd,

Door waardig handlen ondeugd soms geëerd.

In ’t fijn omhulsel van deez’ jonge bloem

Woont fel vergif en vindt geneeskunst roem;

Men ruikt, de geur wekt ziel en lichaam op;

Men proeft, en daadlijk staakt het hart zijn klop;

Twee machten zijn, in plant en in ’t gemoed,

Strijdvaardig steeds, de een boos en de ander goed,

En waar de slechte de overmacht verwerft,

Daar knaagt de worm in ’t hart, de boom versterft.

(Romeo komt op.)

Romeo.

Gegroet, eerwaarde vader!

Lorenzo.

Gegroet, eerwaarde vader! Tecum Dominus!

Wie brengt zoo vroeg den broedergroet me aldus?—

Het tuigt, mijn zoon, van een ontroerden geest,

Dat gij zoo vroeg reeds uit het bed verreest.

In ’s grijsaards oog houdt steeds de zorg de wacht,

Dan wijkt de slaap, die nooit bij zorg vernacht;

Maar als vermoeid en onbezorgd een knaap

De leden strekt, dan heerscht de gulden slaap.

Uw vroege komst bewijst me, dat ge uw bloed

Verhit hebt, wat u ’t bed ontvluchten doet;

Of heeft wellicht mijn Romeo de nacht

Niet in zijn bed, maar wakend doorgebracht?

Romeo.

Zoo is ’t; maar dat ik zoeter rust nooit vinde!

Lorenzo.

God helpe u, knaap; waart gij bij Rosalinde?

Romeo.

Bij Rosalinde, neen, mijn vader! weet

’k Vergat dien naam en tevens al zijn leed.

Lorenzo.

Mijn brave zoon! Doch wáár zijt gij geweest?

Romeo.

’k Zeg alles; hoor dan, dat ik op een feest

Ten huize van mijn vijand mij bevond;

Daar heeft mij iemand plotseling verwond

Maar ik die ook; wij beiden wachten nu

Genezing, heul en heil alleen van u.

Het is geen haat, die mij hierheen voert; neen,

’k Vraag voor mijn vijand en mijzelf meteen.

Lorenzo.

Mijn zoon, leg mij ronduit uw wenschen open;

Wie raads’len biecht, kan niets dan raads’len hopen.

Romeo.

Ronduit dan, ’k heb geheel mijn hart gezet

Op de eedle telg van de’ ouden Capulet;

Mijn hart is ’t hare, en ook ’t hare het mijn;

Eenswillend, wenschen we ook vereend te zijn,

Door u in heil’gen echt. Wanneer, hoe, waar

Ik haar ontmoette en zij mij won, ik haar,

Dit alles zij u onderweg gezegd;

Één beê, vereen nog heden ons in de’ echt.

Lorenzo.

Heil’ge Franciscus, welk een ommekeer!

Is schoone Rosalind, nog pas zoo teer

Vergood, alreeds vergeten? ’k Zie, de min

Dringt bij de jeugd het oog, maar ’t hart niet, in.

Jesu Maria! hoeveel tranen vloten

U langs de wang, om Rosalind vergoten! 70

Wat zilte vloed begoot die teêre plant

Der liefde, nu gewied met snelle hand!

Nog heeft de zon de neev’len niet verjaagd

Van uwe zuchten; ’t gonst me, alsof gij klaagt,

In ’t oor nog; ’t is me, als zie ik meen’gen traan

Onafgewischt u nog in de oogen staan;

Waart ge ooit uzelf, en leedt gij liefdesmart,

Dan trof toen smart om Rosalinde uw hart.

Zijt gij nu omgezwaaid? erken het dan:

Een vrouw zij zwak, want krachtloos is de man.

Romeo.

Vaak hebt gij om mijn liefde mij berispt.

Lorenzo.

Niet liefde, maar vergoding werd gegispt.

Romeo.

Ik moest die min begraven.

Lorenzo.

Ik moest die min begraven. In geen graf,

Dat daadlijk aan een andre ’t leven gaf.

Romeo.

Geen blaam! want zij, wier hand ik nu verlang,

Schenkt hart voor hart; ik geef en ik ontvang;

Zoo deed die andre niet.

Lorenzo.

Zoo deed die andre niet. Die zag: uw min

Was oogelust, maar drong uw ziel niet in.

Maar kom, mijn jonge vlinder, laat ons gaan;

Één zaak beweegt me, u hierin bij te staan:

Misschien bekroont deez’ zegen uwen echt,

Dat de oude veeten vreedzaam zijn beslecht.

Romeo.

Kom, vader, kom: elk uur is van gewicht.

Lorenzo.

Al zacht, mijn zoon! wie voortholt, struikelt licht.

(Beiden af.)

Vierde Tooneel.

Een straat.

Benvolio en Mercutio komen op.

Mercutio.

Waar kan toch, voor den drommel, Romeo zijn?—

Kwam hij van nacht niet t’huis?

Benvolio.

Niet naar zijns vaders huis; ik sprak zijn dienaar.

Mercutio.

Dat bloed- en hartloos heksje, Rosalinde,

Maakt door haar koelheid hem in ’t eind nog gek.

Benvolio.

Tybalt, die neef van de’ ouden Capulet,

Heeft aan zijns vaders huis een brief gestuurd.

Mercutio.

Dan heeft hij, op mijn eer, hem uitgedaagd.

Benvolio.

En Romeo blijft het antwoord wel niet schuldig.

Mercutio.

Ieder, die schrijven kan, kan een brief beantwoorden.

Benvolio.

Ja, maar hij zal den briefschrijver antwoorden, hoe hij hem aandurft, als die maar durft. 12

Mercutio.

Ach die arme Romeo! hij is al dood, doorboord door het zwart oog van een bleek heksje; in ’t oor geschoten door een minneliedje; in de roos van ’t hart getroffen door den pijl van het blind boogschuttertje;—is dat nu een man om zich met Tybalt te meten?

Benvolio.

Wel, wat is die Tybalt dan voor een kerel?

Mercutio.

Meer dan de vorst van het kattengeslacht, dat kan ik u verzekeren; hij is de moedige aanvoerder van alle fijne manieren. Hij vecht, zooals gij een liedje zingt; neemt tempo en maat en alles in acht, tot een halve rust toe, en dan één, twee, drie in uw borst; hij slacht een zijden knoop midden door; hij is een duëllist, een echt duëllist; een edelman uit het allereerste huis, een kenner van de eerste en tweede redenen voor een duël. O, die prachtige passado! die punto reverso! die touché!

Benvolio.

Die wat?

Mercutio.

Och, naar de maan met al die bespottelijke, lispelende, gemaakte windbuilen, die nieuwe bauwers van brabbelwoorden!—„Verduiveld, een recht goede kling!—wat een lange kerel!—wat een prachtige meid!”—Is het niet allertreurigst, grootvader, dat wij zoo moeten bezocht worden door zulke uitheemsche goudvliegen, zulke modegekken, zulke pardonnez-moi’s, die zoo staan op het nieuwe, dat zij geen rust meer vinden in het oude. O, al dat bon, bon!

(Romeo komt op.)

Benvolio.

Daar komt Romeo, daar komt Romeo!

Mercutio.

Laat den Room maar weg; ’t is spoeling, wat er is overgebleven! Zoo dadelijk druipt hij door zijn kleeren!—Nu is hij verzonken in sonnetten, waar Petrarca in vervloeide; met zijn schoone vergeleken, was Laura maar een keukenmeid, maar ze had toch een beter lief om haar te berijmen, Dido maar een slons, Cleopatra een zwart heidinnetje, Helena en Hero lompe deerns van geener waarde, Thisbe, nu ja, een aardig bekje met blauwe oogen, maar volstrekt niets om van te roemen.—Signore Romeo, bonjour! zie daar een Fransche salutatie voor uw Fransche hozen. Ge hebt ons van nacht een aardig bad bezorgd.

Romeo.

Goeden morgen beiden! Hoe dan heb ik u een bad bezorgd?

Mercutio.

Begrijpt ge niet? Zijt ge niet ongemerkt afgedropen? 52

Romeo.

Vergeef me, beste Mercutio; als iemand zooveel in zijn hoofd heeft als ik, moogt ge wel een kleine onbeleefdheid door de vingers zien.

Mercutio.

Integendeel, ge zijt al te beleefd geweest, ge zijt ons onder onze handen weggedoken.

Romeo.

Zoodat ik een recht diepe buiging gemaakt heb?

Mercutio.

Juist getroffen, vriend!

Romeo.

Ge legt het zeer hoffelijk uit.

Mercutio.

O, ik hoor aan een hof t’huis.

Romeo.

Zoodat ge een ware bloem zijt?

Mercutio.

Alweer juist.

Romeo.

O, ik ben ook zeer hoffelijk, ik draag rozen op mijn schoenen.

Mercutio.

Gij treft het weer: o treffelijk vernuft; deze geestigheid zal mij bijblijven, tot gij uw schoenen hebt afgesleten; maar als ge door de dunne zool heen zijt, zal geestigheid niet gangbaar meer zijn.

Romeo.

Ach arme ziel! als geestigheid geen opgang meer maakt.

Mercutio.

Help mij, goede Benvolio, mijn geestigheid kan hem niet bijhouden.

Romeo.

Zweep en sporen, zweep en sporen, of ik roep gewonnen!

Mercutio.

Neen, als wij onze geestigheden als wilde ganzen tegen elkaar op laten snateren, dan ben ik verloren; want gij hebt in uw pink meer van een wilde gans dan ik in mijn geheele lichaam, dat is zeker;—erken maar, dat dit raak was, van die gans.

Romeo.

Ik kan er waarlijk niet geraakt om wezen; ik wachtte zoo iets, want als ik met u aan den gang was, heb ik dikwijls aan een wilde gans gedacht.

Mercutio.

Voor die scherts zal ik u in ’t oor bijten.

Romeo.

Neen, bijt niet, goede gans.

Mercutio.

Uw scherts heeft wel wat wrangs, gij wordt scherp als moes van zure appelen.

Romeo.

Komt dat niet goed als toespijs bij een gans?

Mercutio.

Nu wordt het een aardigheid van zeemleer, dat van een duim tot een el breedte wordt uitgerekt. 88

Romeo.

Alleen om u gelegenheid te geven, uw talent als zemelknooper te toonen.

Mercutio.

Kijk, is dit alles niet vrij wat beter dan te grienen om een liefje? Nu zijt ge genietbaar, nu zijt ge Romeo; nu zijt ge weer zooals natuur en kunst u gemaakt hebben; want die dwaze verliefdheid is als een groote nar, die met zichzelf geen raad weet en zich voor een meisje nederwerpt om haar zijn zotskolf op te dringen.

Benvolio.

Houd op, genoeg!

Mercutio.

Wat ophouden! doorgaan is beter, ’t mooiste moet nog komen.

Benvolio.

Dat verhaal zou wat lang van adem worden.

Mercutio.

Geen nood, ik zou er schielijk kortademig van worden, en moeten rusten om weer op mijn verhaal te komen; ik was inderdaad van plan het kort te maken.

Romeo.

Nu, ziedaar wat moois!

(De Voedster en Peter komen op.)

Mercutio.

Een zeil, een zeil!

Benvolio.

Twee, twee; een manshemd en een vrouwehemd.

Voedster.

Peter!

Peter.

Wat?

Voedster.

Mijn waaier, Peter.

Mercutio.

Ja, beste Peter, doe dat om voor haar gezicht te houden, want de waaier is een mooier gezicht.

Voedster.

Goeden morgen, heeren.

Mercutio.

Goeden avond, schoone dame!

Voedster.

Loopt het naar den avond?

Mercutio.

Waarachtig, als ik goed zie, is de koppelachtige wijzer van het uurwerk al vrij wel over den middag heen.

Voedster.

Loop heen, wat zijt gij er voor een?

Romeo.

Iemand, vrouwtje, dien God in zijn toorn geschapen heeft.

Voedster.

Bij mijn ziel, goed gezegd. In zijn toorn, zegt gij?—Heeren, kan een van u mij ook zeggen, waar ik den jongen Romeo vinden kan?

Romeo.

Ik kan ’t u zeggen, maar de jonge Romeo zal ouder wezen, als gij hem gevonden hebt, dan toen gij hem gingt zoeken; ik ben de jongste van dien naam, bij gebreke van slechter.

Voedster.

Goed gezegd.

Mercutio.

Wat, hoe slechter hoe beter? Mooi bedacht, wijs, heel wijs! 132

Voedster.

Als gij het zijt, heer, heb ik u in vertrouwen iets meê te deelen.

Benvolio.

Zij wil hem bepraten voor een avondmaal hier of daar.

Mercutio.

Een koppelaarster! een koppelaarster! waar ik het weet! ho!

Romeo.

Wat hebt gij opgejaagd?

Mercutio.

’t Is geen wild, vriend, geen wild; of het zit in een pastei, die wat oud en schimmelig is, eer zij gebruikt wordt:

„Een wildpastei, die streelt de maag;

„Ze is welkom in de vasten;

„Maar schimmelt ze al, dan vond ik staâg,

„Dat gasten er voor pasten.”

Romeo, ge komt toch naar uws vaders huis?

Wij komen van middag bij u eten.

Romeo.

Ik volg u dadelijk.

Mercutio.

Vaarwel, eerwaarde juffer; vaarwel, mejuffer, juffer, juffer!

(Mercutio en Benvolio af.)

Voedster.

Nu, ook vaarwel.—Heer, zeg mij toch, wat is dat voor een raren snuiter, met al die vrijmoedighedens?

Romeo.

Een man, goede vrouw, die zichzelf graag hoort praten, en die meer zegt in een minuut, dan hij in een maand verantwoorden kan.

Voedster.

Als hij tegen mij begint, zal ik hem wel onder krijgen, als was hij nog joliger dan hij is, ja, en wel twintig zulke apen; en als ik het niet kan, vind ik des noods anderen, die ’t wel kunnen. Zoo’n weergasche losbol! Ik ben geen van zijn kwikstaarten, ik ben geen van zijn kornuiten.—(Tot Peter). En moet jij daar bij staan en toelaten, dat iedere schelm gekheid met mij maakt?

Peter.

Ik heb van dat gekheid maken niets gezien; anders was ik wel dadelijk tusschenbeide gekomen, en had ik er ook het mijne van willen hebben, dat verzeker ik u. Ik trek net zoo goed van leer als een ander, als er wat aan de hand is, en ik het recht aan mijn zij heb.

Voedster.

Nu, bij mijn ziel, ik ben zoo buiten mijzelf, dat er geen lid aan mijn lijf is, dat niet beeft.—Die weergasche losbol!—Maar ik bid u, heer, een woordje met u; en, zooals ik u gezegd heb, mijn jonge meesteres heeft mij gelast u te gaan opzoeken; wat ze mij gelast heeft u te zeggen, zal ik voor mij houden, maar laat ik u eerst zeggen, als gij haar om den tuin wilt leiden, om zoo te zeggen, dat het een heel leelijke manier van doen zou wezen, om zoo te zeggen, want ze is nog een jong ding; en daarom als ge valsch spel met haar zoudt willen spelen, zou het een leelijke streek wezen, om dien aan een jonge dame te spelen, en een valsche manier van doen ook. 181

Romeo.

Voedster, breng mijn eerbiedige groete aan uw jonkvrouw en meesteres over; ik bezweer u—

Voedster.

O beste heer, zeker zal ik haar dit vertellen; Heere, Heere, wat zal ze blij zijn!

Romeo.

Wat zul je haar vertellen, goede vrouw? je laat me niet uitspreken.

Voedster.

Ik zal haar vertellen, dat gij bezweert; en dat is, als ik het wel vat, als een edelman gehandeld.

Romeo.

Bericht haar dit: zij denke een middel uit,

Om deez’ namiddag nog ter biecht te gaan

In Fra Lorenzo’s cel, waar op haar biecht

Het huw’lijk volgen zal. Hier,—dit voor u!

Voedster.

Neen, waarlijk niet, geen penning, heer.

Romeo.

Neem ’t aan, ik wil het; hier!

Voedster.

Deez’ achtermiddag, heer? Zij zal er zijn.

Romeo.

En, voedster, wacht ook aan den achtermuur

Van ’t klooster; binnen ’t uur brengt u mijn dienaar

Een ladderkoord, dat tot den hoogsten top

Mijns heils mij in de stille nacht moet brengen.—

Vaarwel!—Wees trouw, en rijklijk is uw loon!—

Vaarwel, en breng uw meesteres mijn groeten.

Voedster.

Dat u de hemel zeeg’ne, heer; maar hoor—

Romeo.

Wat wilt ge, goede vrouw?

Voedster.

Wat wilt ge, goede vrouw? Uw dienaar, heer,—

Hij klapt toch niet? Gij kent het zeggen wel:

Twee zwijgen nog, de derde geeft gerel.

Romeo.

Ik sta u borg, de man is trouw als goud.

Voedster.

Ach ja, heer; mijn meesteres is de liefste jonkvrouw, die er loopt; Heere, Heere! toen ze nog zoo’n klein snapstertje was;—O! er is een edelman hier in de stad, een zekere Paris, die haar graag aan boord zou klampen, maar ’t lieve kind ziet al zoo graag een pad, een leelijke pad, als hem. Ik plaag haar soms door te zeggen, dat Paris toch eindelijk een knapper slag van een man is; maar ik kan u verzekeren, als ik dat zeg, dan wordt ze zoo bleek als er één tafellaken in de godganschelijke wereld is. Begint niet Roosmarijn en Romeo met dezelfde letter? 220

Romeo.

Ja, voedster, maar wat zou dat? Beide met een R.

Voedster.

Och, spotvogel, dat kan niet! rrr! dat snort zoo; R is goed voor—, neen, het moet met een andere letter beginnen;—en ze heeft er de aardigste zinnetjes of rijmpjes van gemaakt, van u en Roosmarijn, dat het u goed zou doen het te hooren.

Romeo.

Nu, breng mijn groeten aan uw meesteres.

(Romeo gaat heen.)

Voedster.

Ja, wel duizendmaal.—Peter!

Peter.

Hier ben ik.

Voedster.

Peter, neem mijn waaier, en ga vooruit.

(Beiden af.)

Vijfde Tooneel.

De tuin van Capulet’s huis.

Julia komt op.

Julia.

’t Was negen uur, toen ik de voedster zond;

En ’k wachtte binnen ’t uur haar weer terug.

Vond zij hem mooglijk niet? Dit kan niet zijn.

Neen, neen; ze is lam! Der liefde boden moesten

Gedachten zijn, die tienmaal sneller ijlen,

Dan zonnestralen over duistre heuvels

De schaduwen der nacht terug doen gaan.

Daarom zijn ’t lucht gewiekte duiven, die

Der liefde wagen trekken; daarom heeft

Cupido, die den wind voorbijsnelt, vleugels.

De zon heeft van haar weg nu ’t zuidersteil

Bereikt; en ’t zijn van negen uur tot twaalf

Drie eind’looze uren, en nog komt zij niet.

Had zij een hart en warm en jeugdig bloed,

Zij zweefde door de lucht gelijk een bal,

Door mijn woord aan den dierbre toegekaatst,

Door ’t zijne aan mij terug;

Maar menig ouder mensch houdt zich als dood,

Is traag en stromp’lend, zwaar en dof als lood.

(De Voedster en Peter komen op.)

O God, zij komt!—O liefste minne, zeg!

Gij vondt hem immers? Zend uw dienaar weg.

Voedster.

Ga, Peter, wacht mij aan de deur.

(Peter af.)

Julia.

Nu, beste minne,—O God, wat strak gezicht!

Zij ’t nieuws ook droevig, uw gelaat geev’ moed!

Is ’t goed, bederf de zoete wijs van ’t nieuws

Niet door ’t te zingen met een zuur gelaat.

Voedster.

Ik ben doodaf; een oogenblik geduld!

Mijn botten doen mij pijn van zulk geloop. 26

Julia.

Hadt gij mijn botten dan, en ik uw nieuws!

Kom, spreek toch, beste, beste minne, spreek!

Voedster.

God, welk een haast, een oogenblik geduld!

Ziet gij dan niet, hoe ’k buiten adem ben?

Julia.

Gij buiten adem? en gij hebt toch adem,

Dat gij me uw buiten-adem-zijn vertelt?

Verschoont ge aldus het talmen met uw nieuws?

Eer ware ’t nieuws verteld, dan uw verschooning.

Is ’t goed of slecht, uw nieuws? Zeg dit alleen,

Slechts dit, en stel het oov’rige even uit;

Maar zulk een martling niet! Is ’t goed of slecht?

Voedster.

Wel, gij hebt zoo maar eenvoudig weg gekozen; neen, gij hebt geen verstand om een man te kiezen, wel neen! zoo’n Romeo! al is zijn gelaat beter dan van eenig ander, zijn been is mooier dan van alle mannen; en een hand heeft hij, en een voet, en een lichaam!—al valt er eigenlijk niets van te zeggen, zij zijn buiten alle vergelijking; hij is niet het puikje van beleefdheid,—maar, waarachtig, hij is zoo zacht als een lam. Ga uw gang maar, meisje; dank er God voor!—Is er al gegeten hier?

Julia.

Neen;—maar dit alles weet ik lang en breed;

Zeg nu, hoe staat het met ons huw’lijk? spreek!

Voedster.

O God, wat doet mijn hoofd mij pijn! Het klopt,

Als moest het in wel twintig stukken springen.

En hier mijn rug! O, o! mijn arme rug;

Vergeev’ ’t u God, er mij op af te zenden!

Dat draven heen en weer, het is mijn dood.

Julia.

Dat gij niet wel zijt, is mij waarlijk leed;

Maar beste, beste, beste min, wat zegt hij?

Voedster.

Hij spreekt gelijk een waardig edelman,

Een hoff’lijk, vriend’lijk en beminlijk jonkman,

En braaf ook, naar ik denk;—waar is uw moeder?

Julia.

Waar is mijn moeder? vraagt ge. Wel, in huis;

Waar anders? Maar wat zonderling bescheid!

„Hij spreekt, zooals een waardig edelman;—

Waar is uw moeder?”

Voedster.

Waar is uw moeder?” Ach, mijn lieve God!

Welk een gejaagdheid! zie toch eens! Is dit

Een balsem voor die pijn in al mijn leden?

Doe liever zelf uw zaken in ’t vervolg.

Julia.

Wat omhaal toch!—Kom, wat zegt Romeo? 67

Voedster.

Hebt gij verlof, van daag ter biecht te gaan?

Julia.

Natuurlijk, ja.

Voedster.

Ga dan met spoed naar Fra Lorenzo’s cel.

Daar wacht een man, om u tot vrouw te maken.—

Nu stijgt het schalksche bloed u in de wang;

Scharlaken wordt ge fluks bij ieder woord.—

IJl gij ter kerke! ik ga een and’ren kant,

En haal een ladder, die, als ’t donker is,

Uw schat zal voeren tot een vogelnestje.—

Ik zorg en zwoeg en slaaf voor uw geluk;

Maar deze nacht gevoelt gijzelf den druk.

Ga; ’k moet nu eten; spoed u naar de cel!

Julia.

Naar ’t hoogste heil!—Dank, beste min, vaarwel!

(Beiden af.)

Zesde Tooneel.

De cel van Broeder Lorenzo.

Broeder Lorenzo en Romeo komen op.

Lorenzo.

Zoo kroon’ de hemel dit gewijd verbond,

Dat ons de toekomst nooit met hartzeer griev’!

Romeo.

Amen, zoo zij ’t! maar welke zorg ook koom’,

Zij weegt de onnoemb’re zaligheid niet op,

Die één minuut, dat ik haar zie, mij schenkt.

Voeg gij slechts zeeg’nend onze handen saam,

Dan moog’ de dood, de minverdelger, woeden;

Genoeg, zoo ’k haar de mijne noemen mag.

Lorenzo.

Een vreugd, zoo heftig, neemt een heftig eind;

Zij zegepraalt—en sterft, als vuur en kruid

Vergaan door hunnen kus. Het honingzeem

Staat tegen door zijn overmaat van zoet;

’t Genieten gaat verloren door ’t genot.

Die liefde is duurzaam, die bemint met maat;

Te haastig en te traag komt even laat.

(Julia komt op.)

Daar komt de jonkvrouw.—O, een tred, zóó licht,

Slijt nimmer hard gesteente uit; ja, wie mint,

Die kan wel zweven op de zilv’ren draden,

Die fladd’ren in de dartle zomerlucht,

En valt toch niet; zoo licht is de ijd’le jeugd.

Julia.

Ik wensch mijn zielverzorger goeden avond.

Lorenzo.

U danke Romeo voor ons beiden, dochter.

Julia.

’t Geldt hem ook, anders is zijn dank te groot.

Romeo.

O Julia, is de mate van uw heil

Vol als de mijne, en hebt gij meer dan ik

De macht van ’t woord, beziel dan met uw adem

De lucht om ons; uw zilv’ren stem verkonde

In rijke melodie de zaligheid,

Die bij dit samenzijn ons hart doortintelt!

Julia.

’t Gevoel is rijk in schatten, niet in woorden;

’t Is trotsch op wat het is, maar mint geen praal;

Wie weet, hoeveel hij waard is, is een beed’laar;

Mijn echte liefde is rijk, onmeet’lijk rijk;

Ik kan niet schatten, welk een schat ik heb.

Lorenzo.

Komt, volgt me, en spoedig zij de knoop gelegd;

Want zooveel liefde laat ik niet alleen,

Eerdat de kerk u tweeën smolt tot een.

(Allen af.)