WeRead Powered by ReaderPub
Romeo en Julia cover

Romeo en Julia

Chapter 2: Personen:
Open in WeRead

About This Book

The play follows two young members of feuding households whose sudden love leads them to marry in secret with the help of confidants; a series of miscommunications, duels, and impulsive decisions escalate the feud and culminate in both lovers' deaths, which finally reconciles their families. It juxtaposes passionate romance with civic violence, examines fate, youthful impulsiveness, and the destructive costs of longstanding enmity, and alternates moments of lyric poetry, comic relief, and rising tragedy across tightly structured acts and scenes.

Romeo en Julia.

  • Personen:

  • Escalus, vorst van Verona.
  • Paris, een jong edelman, bloedverwant van den vorst.
  • Hoofden van twee vijandelijke huizen.
    • Montague,
    • Capulet.
  • Een Oom van Capulet.
  • Romeo, zoon van Montague.
  • Mercutio, bloedverwant van den vorst, vriend van Romeo.
  • Benvolio, neef van Montague, vriend van Romeo.
  • Tybalt, neef van gravin Capulet.
  • Broeder Lorenzo, een Franciscaner.
  • Broeder Johannes, van dezelfde orde.
  • Balthazar, dienaar van Romeo.
  • Dienaars van Capulet.
    • Samson,
    • Gregorio,
    • Peter.
  • Abraham, dienaar van Montague.
  • Een Apotheker.
  • Drie Muzikanten.
  • Chorus.
  • Een Page van Paris.
  • Een Burger van Verona.
  • Gravin Montague.
  • Gravin Capulet.
  • Julia, dochter van Capulet.
  • De Voedster van Julia.
  • Burgers van Verona; mannelijke en vrouwelijke Verwanten van beide huizen; Gasten van Capulet; een Page van Mercutio; Gemaskerden, Wachters, Bedienden van Capulet en verder Gevolg.

Het tooneel is in Verona, alleen in het begin van het vijfde bedrijf te Mantua.

Proloog.

Chorus.

Bij twee geslachten, even groot in macht,

In ’t schoon Verona, waar we thans u brengen,

Barst de oude haat weer uit met nieuwe kracht,

En doet den burger ’t bloed van burgers plengen.

Uit dezer haters lend’nen is gesproten

Een minnend paar, ten ondergang gewijd;

Het noodlot heeft hun vroegen dood besloten,

En in hun groeve rust der vaad’ren strijd.

Het hoogste heil van ’t paar, hun bitt’ren nood,

Der oud’ren wrok en ’t al te laat berouwen,

Door niets gewekt dan door der kind’ren dood,

Zult ge in een tweetal uren nu aanschouwen.

Wat ook ontbreek’, verleent ons toch uw gunst;

Die schenkt ons moed en betert onze kunst.

Eerste Bedrijf.

Eerste Tooneel.

Verona.Een marktplein.

Samson en Gregorio komen op, met zwaard en schild gewapend.

Samson.

Op mijn woord, Gregoor, wij moeten niets langs onzen kant laten gaan.

Gregorio.

Zeker niet, want dan krijgen wij er langs.

Samson.

Neen, maar dan zal ik mijn kantje wel keeren en van leer trekken.

Gregorio.

Neen, vriend, je houdt je leêren kolder wel aan, daar ken ik je voor.

Samson.

Pas op, als ik eens aan den gang kom, gaat het er op los, alsof ik den kolder in den kop had.

Gregorio.

Zoo? maar je komt niet gauw aan den gang.

Samson.

Een hond van het huis Montague kan me al aan den gang brengen.

Gregorio.

Aan den gang gaan is te gaan loopen, en een kerel, die een hart in ’t lijf heeft, houdt stand; dus, als je aan den gang gaat, loop je weg. 13

Samson.

Een hond van dat huis beweegt mij om stand te houden; laat komen wie wil, dienstman of dienstmaagd van Montague, ik houd hen aan.

Gregorio.

Dat doet je alweer als een zwakken bloed kennen; want de zwakste houdt zich aan alles vast.

Samson.

’t Is waar, en daarom moeten vrouwen, die de zwakste vaten zijn, aan het vasthouden gelooven;—daarom wil ik de dienstmannen van Montague aanpakken en wegjagen, en zijn dienstmaagden aanpakken en vasthouden.

Gregorio.

De twist is tusschen onze meesters en ons, hun dienstmannen.

Samson.

Dat doet er niet toe, ik wil mij een tyran toonen; als ik de mannen heb afgemaakt, wil ik wreed zijn en aan de dienstmaagden beginnen.

Gregorio.

Wilt gij die ook afmaken?

Samson.

Ja, ik wil ze afmaken of maagd-af maken; neem het op, zooals gij wilt.

Gregorio.

Ik wil er niets van hebben; laten zij het opnemen, die het moeten voelen.

Samson.

Mij zullen zij voelen, zoolang ik een kerel van stavast ben; en ’t is bekend, dat ik nog al een stevig stuk vleesch ben.

Gregorio.

Gelukkig, dat je geen visch bent, want dan was je al lang gebeukte leng.—Trek nu maar je stuk ijzer, want daar komen er van het huis van Montague. 38

(Abraham en Balthazar komen op.)

Samson.

Ik heb al getrokken; maak nu maar twist, ik zal je den rug dekken.

Gregorio.

Wat, mij den rug keeren en wegloopen?

Samson.

Wees maar niet bang.

Gregorio.

Ik bang voor jou? nu nog mooier!

Samson.

Laat ons het recht aan onze zij houden, laten zij beginnen!

Gregorio.

Ik zal een boos gezicht zetten, als ik langs hen ga, dan kunnen ze dat opnemen zooals zij willen.

Samson.

Neen, zooals ze durven. Ik zal op mijn duimnagel tegen ze bijten; ’t is een eeuwige schande voor ze, als ze ’t verdragen.

Abraham.

Bijt je tegen ons op je duim, kerel?

Samson.

Ik bijt op me duim, kerel.

Abraham.

Bijt je op je duim tegen ons, kerel?

Samson

(tot Gregorio). Hebben we ’t recht aan onzen kant, als ik ja zeg?

Gregorio.

Neen. 56

Samson.

Neen, kerel, ik bijt op me duim niet tegen jou; maar ik bijt op me duim, kerel.

Gregorio.

Zoek je ruzie, kerel?

Abraham.

Ruzie, kerel? Neen, kerel.

Samson.

Zoo je anders ruzie zoekt, dan ben ik je man, ik dien een even goeden heer als jij.

Abraham.

Geen beet’ren, zeker.

Samson.

Wat meen je?

(Benvolio komt onopgemerkt op; Tybalt in het verschiet, door Gregorio en Samson ontwaard.)

Gregorio.

Zeg maar gerust, een beet’ren; daar komt een neef aan van onzen heer.

Samson.

Ja wel, een beet’ren.

Abraham.

Dat is gelogen.

Samson.

Trek, als je ’t hart hebt.—Gregoor, denk aan dien fameuzen uitval van je.

(Zij vechten.)

Benvolio.

Gij dwazen, uit elkaar!

Steekt op uw zwaard; gij weet niet wat gij doet.

(Hij slaat hun zwaarden neder.)

(Tybalt komt op.)

Tybalt.

Wat! handgemeen met hazen zonder hart?

Benvolio, hier! en zie uw dood in ’t oog.

Benvolio.

Ik noop hen tot den vreê; steek op uw zwaard;

Zoo niet, gebruik ’t met mij, om deez’ te scheiden.

Tybalt.

Het zwaard ontbloot en vrede! ’k gruw van ’t woord,

Als van de hel, van uw geslacht en u.

Hier, lafaard, hier!

(Zij vechten; van verschillende zijden komen Dienaars en Aanhangers van de beide huizen toeschieten en nemen deel aan den strijd; dan komen Burgers en Gerechtsdienaars met knuppels en hellebaarden, die zich tusschen de strijdenden werpen.)

Eerste Burger.

De hellebaarden voor! steekt, houwt ze neer!

Weg met die Capulets en Montagues! 81

(De oude Capulet komt op, in huisgewaad, gevolgd door Gravin Capulet.)

Capulet.

Wat is dat voor rumoer?—Geef mij mijn zwaard!

Gravin Capulet.

Wat roept gij om uw zwaard? roep om uw kruk!

Capulet.

Mijn zwaard! Daar is die oude Montague,

En dreigt mij sarrend met de ontbloote kling!

(Montague komt van de andere zijde op, door zijn Vrouw gevolgd.)

Montague.

Laat los, laat los!—Vervloekte Capulet!

Gravin Montague.

Neen, ’k duld niet, dat ge een voetstap verder zet!

(De Vorst komt op, met Gevolg.)

Vorst.

Oproerige onderdanen, vredehaters!

Die ’t staal bevlekt, ontwijdt door ’s buurmans bloed,—

Wat! hoort men niet?—Gij mannen, wilde dieren,

Die weer ’t verterend vuur van uwe woede

Met purperstroomen uit uw aad’ren bluscht,—

Op folterstraf, werpt uit de onzaal’ge handen

Die waap’nen neêr, tot euveldaad gestaald!

Gij hebt uw vorst gekrenkt! geeft acht op ’t vonnis!

Driemaal heeft oproer, door een vluchtig woord

Verwekt van u, bejaarde Capulet

En Montague, de rust der stad verstoord,

Zoodat Verona’s oudste burgers, zich

Van ’t statig kleed van hunnen rang ontdoend,

Met oude handen oude zwaarden zwaaiden,

Van vredes roest doorknaagd, om u te scheiden,

Wien lange haat de harten heeft doorknaagd.

Stoort ge ooit de rust op nieuw, uw beider leven

Is dan verbeurd door ’t breken van den vreê.—

Gij andren, gaat, voor ditmaal, uwes weegs;

Gij volgt mij, Capulet; u, Montague,

Verwacht ik na den middag op mijn slot,

Om daar mijn wil te hooren en gebod.—

Nog eens, op straf des doods, een ieder ga!

(De Vorst en zijn Gevolg, Capulet, Gravin Capulet, Tybalt, Burgers en Dienaren af.)

Montague.

Wie bracht die oude veete op nieuw ter bane?

Spreek, waarde neef, waart gij ook bij ’t begin?

Benvolio.

De dienaars van uw weêrpartij en de uwe 113

Vond ik hier reeds in fel gevecht, en trok

Het zwaard, om hen te scheiden; daar verscheen

De vuur’ge Tybalt, met ontbloote kling,

En zwaaide, met verderf en dood mij dreigend,

Ze boven ’t hoofd en kliefde de ijle lucht,

Die, hierdoor niet gedeerd, hem fluitend hoonde.

Toen volgden meen’ge stoot en houw; daar kwamen

Er meer en meer, en vochten met elkaar;

Toen kwam de vorst en scheidde ons van elkaar.

Gravin Montague.

O, waar is Romeo? zaagt gij hem?—Mij is ’t

Een groote vreugd,—hij was niet bij deez’ twist.

Benvolio.

Meer dan een uur, voordat de heil’ge zon

In ’t oosten door zijn gouden venster gluurde,

Joeg de onrust van mijn geest mij in het veld,

En, in de dreef van wilde vijgeboomen,

Ginds westlijk van de stad, zag ik uw zoon

Zoo vroeg reeds aan het dwalen. ’k Nam mijn weg

Om hem te ontmoeten, maar hij merkte mij,

En was weldra in ’t dichte bosch verdwenen;

Ik, die zijn wenschen afmat naar mijzelf,

Die plekjes opzocht, waar ik niemand vond,

Die voor mijzelf, vermoeid, reeds één te veel was,

Volgde eigen luim en liet hem gaarne alleen,

Die even gaarne mij te ontwijken scheen.

Montague.

Reeds meen’gen morgen werd hij daar gezien,

Nog tranen voegend bij den morgendauw,

De wolken meerd’rend door zijn diepe zuchten;

Maar nauw begint de zon, die ’t al verheugt,

In ’t uiterst oosten van Aurora’s koets

Het schaduwig behangsel weg te schuiven,

Of Romeo sluipt somber weg van ’t licht,

En sluit zich eenzaam in zijn kamer op,

De luiken dicht, den blijden morgen buiten,

En schept kunstmatig zich een donkre nacht.

Die zwarte stemming moet noodlottig blijken,

Zoo de oorzaak niet voor goeden raad wil wijken.

Benvolio.

En, oom, weet gij volstrekt de reden niet?

Montague.

Ze is me onbekend, hij wil mij niets ontdekken.

Benvolio.

Gij drongt toch bij hem aan, om ze te weten?

Montague.

Niet ik alleen, maar andre vrienden ook.

Doch hij, die zelf zijn eigen neiging raad geeft,

Is voor zichzelf,—ik zeg niet, hoe betrouwbaar,—

Maar zoo geheimnisvol en zoo gesloten,

Zoo ver van zich te onthullen en te ontplooien,

Als ’t knopje, waar een booze worm aan knaagt,

Eer ’t in de lucht zijn geur’ge blaadjes spreiden,

Of aan de zon zijn schoonheid wijden kan.

O, wisten wij, van waar zijn leed ontstaat,

Wij vonden door die wetenschap hem baat.

(Romeo komt op, in de verte.)

Benvolio.

Hij komt!—Gaat heen; ik vraag hem naar zijn leed,

En laat niet los, aleer ik de oorzaak weet. 163

Montague.

O, kreegt ge door uw toeven dit gedaan,

Dat hij u waarheid biechtte!—Kom, wij gaan.

(Montague en gravin Montague af.)

Benvolio.

Mijn waarde, goeden morgen!

Romeo.

Mijn waarde, goeden morgen! Wat! nog morgen?

Benvolio.

’t Is negen uur.

Romeo.

Ach, tijd valt lang door zorgen.—

Was ’t niet mijn vader, die met haast daar ging?

Benvolio.

Hij was ’t.—Wat zorg maakt u den tijd zoo lang?

Romeo.

Dat ik niet heb, wat mij dien korten zou.

Benvolio.

Verliefd?

Romeo.

Ach, verre—

Benvolio.

Ver van verliefd?

Romeo.

Ver van de gunst der schoone, die ik min.

Benvolio.

Ach, dat de Min, zoo lieflijk zacht in schijn,

In waarheid zulk een wreed tyran kan zijn!

Romeo.

Ach, dat de Min, schoon hem een sluier blindt,

Toch naar zijn doel zoo goed de paadjes vindt!

Waar eten wij?—Wee mij!—Wat twist was hier?—

Neen, zeg ’t maar niet; ’k heb alles reeds gehoord.

Veel zorg baart hier de haat, maar liefde meer;—

Twistzieke liefde en liefdevolle haat!

O, al wat is, geheel uit niets ontstaan!

O zware luchtheid! ernstige ijdelheid!

Misvormde chaos van recht schoone vormen!

Loodveder, lichtsmook, ijsgloed, kranke welstand,

Steeds wakk’re slaap, die rust zoekt door gewoel,

Zoo voel ik min, maar min niet wat ik voel!

Nu lacht gij niet?

Benvolio.

Neen, vriend, eer zou ik weenen.

Romeo.

Waarom, mijn vriend?

Benvolio.

Waarom, mijn vriend? Dat zooveel wee u griefde.

Romeo.

Mijn waarde vriend, zoo grieft de pijl der liefde.

Mijn eigen leed ligt mij reeds zwaar op ’t hart,

Uw leed om mij vermeerdert nog mijn smart;

Gij toont, hoe gij een ware vriend wilt zijn,

Maar voegt meer leed bij de overmaat van ’t mijn.

Liefde is een nevel, saamgevloeid uit zuchten;

Zij straalt als vuur, wanneer die neev’len vluchten,

In ’t oog der minnenden; wordt zij te zeer,

Te wreed verdrukt, dan wordt ze een tranenmeer.

Wat is zij verder? Waanzin vol verstand,

Verfrisschend koeltje en felle zonnebrand.—

Vaarwel, mijn vriend! 201

(Hij keert zich af, om heen te gaan.)

Benvolio.

Vaarwel, mijn vriend! Neen, neen, ik ga met u;

Miskenning is ’t, toont ge u voor mij zoo schuw.

Romeo.

Mijzelven ben ik bijster; hier ben ’k niet;

Neen, vriend, ’t is Romeo niet, dien gij hier ziet.

Benvolio.

Kom, zeg me in ernst, wie is ’t, die gij bemint?

Romeo.

Het is een droevige ernst, verlangt gij tranen?

Benvolio.

Neen, zeg ’t in ernst, en niet in tranen.

Romeo.

Neen, zeg ’t in ernst, en niet in tranen. Zeg

Een zieke in ernst, zijn zaken te beschikken;

’t Is kwade troost, den lijder te verschrikken!—

In ernst dan; ’k min een vrouw.

Benvolio.

In ernst dan; ’k min een vrouw. Dat heb ik wel

Getroffen, vriend, toen ’k uw verliefd-zijn giste.

Romeo.

Voortreff’lijk schutter!—En ze is schoon, die ’k min.

Benvolio.

Het schoonste wild is ’t eerst in ’s jagers macht.

Romeo.

Thans treft gij ’t niet; zij tart Cupido’s macht,

Daar ze evenals Diaan zijn pijl belacht;

Der kuischheid pantser maakt haar onbedwingbaar,

’t Is voor zijn kinderschoten ondoordringbaar.

Zij slaat den storm van liefdebeden af;

Geen blik dringt in haar hart; geen schat op aard,

Die heil’gen zelfs verleidde, kan haar winnen;

O, zij is rijk in schoon, maar, als zij sterft,

Is ze arm; haar schoon vergaat, en geen, die ’t erft.

Benvolio.

Zij zwoer, voor zich haar schoonheid te bewaren?

Romeo.

Ja, maar een groote spilzucht is dat sparen;

Die strengheid doet haar schoon voor niet versmachten,

En rooft dat schoon aan komende geslachten.

Ze is te overschoon en wijs, dan dat ze denkt,

Dat mijn ellende zaligheid haar schenkt;

De liefde zwoer zij af; en door dien eed

Ben ’k levend dood, slechts klaag ik nog mijn leed.

Benvolio.

Hoor dan mijn raad; vergeet aan haar te denken.

Romeo.

O! leer mij dan, het denken te vergeten.

Benvolio.

Geef aan uw blik de vrijheid weer en sla

Ook andre schoonen gade. 234

Romeo.

Ook andre schoonen gade. Dan voorwaar

Noem ik haar uitgelezen schoon het hoogst.

’t Gelukkig mom, dat, zwart, een blank gelaat

Mag kussen, stelt de blankheid meer in ’t licht;

De blindgeword’ne kan den dierb’ren schat

Van ’t licht, dat hij moet derven, nooit vergeten.

Toon mij een vrouw, uitnemend schoon; wat is

Haar schoonheid meer, dan een vermaan aan haar,

Die de uitgelezenste overtreft? Vaarwel;

Gij wilt mij doen vergeten; ijdel streven!

Benvolio.

Ik doe ’t, of blijf uw schuld’naar heel mijn leven.

(Beiden af.)

Tweede Tooneel.

Een straat.

Capulet, Paris en een Dienaar komen op.

Capulet.

Maar Montague is met dezelfde boete

Als ik bedreigd, en ons, die oud zijn, kan ’t

Zoo zwaar niet vallen vrede te bewaren.

Paris.

U beiden noemt een ieder eerbiedwaardig;

’t Is te betreuren, dat deez’ veete u scheidt.—

Maar, eedle graaf, wat antwoordt ge op mijn aanzoek?

Capulet.

Hetzelfde, wat ik vroeger heb gezegd:

Mijn kind is nog een vreemd’ling in de wereld;

Geen veertien lentes heeft zij nog aanschouwd;

Een tweetal zomers prijk’ nog en verdwijn’,

Eer ze als een bruid in vollen bloei verschijn’.

Paris.

Zelfs jong’ren smaken reeds de moedervreugd.

Capulet.

Die ’t zoo vroeg doen, betreuren vroeg hun jeugd.

Ze is de een’ge hoop, die de aard niet van mij eischte,

De hoopvolle erfgenaam van al mijn goed.

Maar, jonge vriend, beproef, of gij haar wint;

Mijn wil is met den haren eensgezind;

Als gij haar hart, haar woord verwerven kunt,

Dan is volgaarne ook mijn stem u gegund.

Deze’ avond is te mijnent feest, een bal,

Zooals ik jaarlijks geef; ik noodde een tal

Van lieve gasten; gij behoort er bij;

Hoogst welkom is ’t mij, schaart ge u in hun rij.

Mijn need’rig huis wordt heden door ’t gewemel

Van aardsche sterren tot een lichten hemel;

Genot, zooals een blijde jongling smaakt,

Wanneer April, in al zijn schoon ontwaakt,

Den kreup’len winter voortdrijft, zulk een vreugd

Wacht u bij mij, als gij de ontloken jeugd

Der schoonste knoppen ziet; kom, zie en hoor,

En dat alsdan de minn’lijkste u bekoor’!

Ook mijn kind neem’ daar, onder velen één,

Een plaatsjen in, al tell’ zij nog voor geen.—

Kom, ga met mij.—Hier, knaap, neem gij dit blad

En draaf eens rond bij allen in de stad,

Die hier geschreven staan, en zeg: zij zijn

Te mijnent hartlijk welkom op ’t festijn. 37

(Capulet en Paris af.)

Dienaar.

Gaan ronddraven bij die hier geschreven staan? Er staat geschreven, dat de schoenmaker zich bij zijn el moet houden, en de kleermaker bij zijn leest, de visscher bij zijn kwasten en de verver bij zijn netten; maar ik word rondgestuurd om de menschen te gaan vragen, wier namen hier geschreven staan; maar dat kan ik niet zonder te vragen, welke namen de schrijver hier geschreven heeft. Ik moet geleerde lui hebben.—Ha, dat treft goed!

(Romeo en Benvolio komen op.)

Benvolio.

Kom, vriend, het eene vuur kan ’t andre dooven,

Een oude pijn neemt af door nieuwe smarten,

Een tegendraai komt duiz’ligheid te boven,

Een nieuwe hartwond heelt verwonde harten;

Een nieuw vergif grijp’ thans uw oogen aan,

De kracht van ’t oude is dan te niet gedaan.

Romeo.

Een weegbreeblad zal wel voldoende zijn.

Benvolio.

Waarvoor dan, vriend?

Romeo.

Waarvoor dan, vriend? Voor een geschaafde scheen.

Benvolio.

Wat, Romeo, zijt ge dol?

Romeo.

Niet dol, maar als een dolleman in banden,

Gekerkerd en door honger afgemat,

Gestriemd, gemarteld;—goeden avond, vriend!

Dienaar.

Hetzelfde, heer.—Ik bid u, kunt gij lezen?

Romeo.

Ja, ’k lees mijn noodlot in mijn diepe ellend’.

Dienaar.

Dat hebt gij misschien zonder boek geleerd, maar ik bid u, kunt gij ook lezen, wat gij geschreven ziet?

Romeo.

Als ik de letters en de taal maar ken.

Dienaar.

Dat zegt gij wèl; ik groet u, heer.

Romeo.

Geef op maar, ik kan lezen, knaap.

(Hij leest.)

„Signor Martino, met zijn vrouw en dochters,

Dan graaf Anselmo met zijn schoone zusters,

Mevrouw de weduwe Vitruvio,

Signor Piacenzo en zijn lieve nichten,

Mercutio en zijn broeder Valentijn,

En Capulet, mijn oom, met vrouw en dochters,

En Rosalind, mijn schoone nicht, en Livia,

Signor Valentio en Tybalt, zijn neef,

En Lucia met de lieve Helena”.—

Een schoon gezelschap, waar komt dit bijeen?

Dienaar.

Boven. 76

Romeo.

Waar zoo?

Dienaar.

Op ’t avondfeest in ons huis.

Romeo.

In wiens huis?

Dienaar.

In ’t huis van mijn meester.

Romeo.

Daar had ik maar het eerst naar moeten vragen.

Dienaar.

Nu, ik zal het u wel vertellen, zonder dat gij ’t vraagt. Mijn meester is de groote, rijke Capulet, en als gij niet van het huis der Montagues zijt, kom er dan gerust een roemer wijn doodslaan.—Leef gezond!

(Dienaar af.)

Benvolio.

Op dit festijn van Capulet verschijnt

Met alle schoonen, die Verona roemt,

Uw Rosalind; bezoek het, vergelijk

Met held’ren blik eens haar gelaat met andre,

Die ik u wijs; en met een ommezwaai

Verklaart gijzelf uw zwaan dan voor een kraai.

Romeo.

Verloochnen zoo mijn oogen hun geloof,

Mijn tranen mogen dan in vuur verkeeren,

Dat aan die ketters ’t levenslicht dan roov’,

Die vocht zoo vaak bedolf en nooit kon deren.

Een schooner maagd! De zon, die alles ziet,

Zag sinds de schepping haars gelijke niet.

Benvolio.

Gij zaagt slechts haar alleen, en in uw oogen

Werd ze enkel met haarzelve steeds gewogen;

Maar weegt gij in die zelfde held’re schalen

Haar eens met and’ren, die ge op ’t feest ziet stralen,

En die ’k u wijzen wil, dan blijkt u ras,

Dat zij, die ’t best u scheen, slechts taam’lijk was.

Romeo.

’k Ga mee,—maar weet, dat dit u nooit gelukt;

Zij blijft mijn zon, wier luister mij verrukt.

(Beiden af.)

Derde Tooneel.

Een kamer in Capulets huis.

Gravin Capulet en de Voedster komen op.

Gravin Capulet.

Waar is mijn dochter, voedster? Roep haar eens.

Voedster.

Nu, bij mijn onschuld, toen ik twaalf jaar oud was,

’k Heb al geroepen.—Zeg, mijn lam, mijn poetje;—

Bewaar!—Waar zit ze toch?—Hé, Julia!

(Julia komt op.)

Julia.

Wie roept mij daar?

Voedster.

Wie roept mij daar? Uw moeder.

Julia.

Wie roept mij daar? Uw moeder. Nu, hier ben ik,

En tot uw dienst. Wat is uw wensch?

Gravin Capulet.

Ik zal ’t u zeggen. Minne, ga eens heen;

’k Wil een geheim gesprek.—Wacht, minne, blijf;

’k Bedenk mij daar, gij moogt het mede hooren.

Ge weet, mijn dochter krijgt nu haast de jaren.

Voedster.

’k Weet op een uur precies hoe oud of ze is.

Gravin Capulet.

Geen veertien nog. 12

Voedster.

’k Verwed wel veertien tanden,—

Ach, tien te veel, ik heb er nog maar vier;—

Dat zij geen veertien is. Hoe lang is ’t nog

Tot Pieters-banden?

Gravin Capulet.

Veertien dagen ruim.

Voedster.

Nu, ruim of krap, maar op dien dag van ’t jaar,

Op Pieters-banden, ’s avonds, is ze veertien.

Mijn Suze en zij,—vrede allen Christenzielen!—

Ze waren even oud;—nu, Suze is lang bij God;

Ze was te goed voor mij;—maar, als ik zeide,

Op Pieters-banden, ’s avonds, wordt ze veertien;

Dat wordt zij, inderdaad, ik weet het goed.

De aardbeving, ja, is elf jaar nu geleên;

Ze werd toen juist gespeend,—’k vergeet het nooit,—

Ja, juist dien dag van ’t jaar, dien eigen dag;

Want ik had alsem op mijn borst gelegd,

En zat in ’t zonnetje aan de duiventil;—

De graaf en gij waart toen naar Mantua,—

Ja, òf ’k onthouden kan!—zooals ik zei,

Toen ’t kind den alsem aan mijn tepel proefde

En bitter vond, wat was dat kleine ding

Balsturig en hoe boos was ze op de borst!

Krak, zei de duiventil, en ’t was, geloof me,

Niet noodig mij te zeggen: pak je weg!

En ja, dat is elf jaren nu geleên;

Ze stond toen goed alleen, ja, bij mijn ziel,

Ze liep en dribbelde door ’t huis, want, ja,

Den dag te voren viel ze een buil aan ’t voorhoofd;

Ja, en toen nam mijn man,—God hebb’ zijn ziel,—

Hij was een grappenmaker, ’t kind op de’ arm;

„Wel”, zei hij, „kind, wat! valt gij op ’t gezicht?

Gij valt wel achterover, als gij wijs wordt;

Niet, Juultje?” En zoo waar ik leef, het kind

Hield op met haar geschrei en zeide: „ja”.—

En kijk, nu komt het uit, zooals hij ’t zei;

’k Verzeker u, al word ik duizend jaar,

’k Vergeet het nooit; „niet, Juultje?” zei hij; en

Het kleine nest werd stil en zeide: „ja”.

Gravin Capulet.

Genoeg hiervan, ik bid u, minne, zwijg. 49

Voedster.

O, ’k zwijg, maar ’k moet toch lachen, als ik denk,

Het kind hield op met schreien en zei: „ja”.

En toch, het schaap had op haar voorhoofd, links,

Een buil, zoo groot wel als een duivenei,

Een grooten bult, en ’t huilde van geweld.

„Wel”, zei mijn man, „wel! valt gij op ’t gezicht?

Gij valt wel achterover, als gij groot zijt;

Niet, Juultje?” En ’t kind werd stil en zeide: „ja!”

Julia.

Wees gij ook stil nu, minne, zeg ik na.

Voedster.

O, ’k heb gedaan, dat God u gunstig zij!

Gij waart het liefste zoogkind, dat ik had;

Als ik ’t beleefde u nog getrouwd te zien,

Dan waar’ mijn wensch vervuld.

Gravin Capulet.

In trouwe, trouwen is nu juist de zaak,

Waarvan ik spreken woû. Mijn dochter Julia,

Zeg mij, wat zoudt ge van een huwelijk denken?

Julia.

Ik heb van zulk een eer nog niet gedroomd.

Voedster.

Een eer! ware ik uw min niet, ’k zeide, dat

Gij wijsheid met de melk hadt ingezogen.

Gravin Capulet.

Nu, denk dan thans aan ’t huw’lijk. Jong’ren nog

Dan gij zijn in Verona achtb’re vrouwen,

Ja, moeders zelfs; ik was te nauwernood

Zoo oud als gij nu zijt, toen ik alreeds

Uw moeder was. Genoeg, verneem in ’t kort:

De wakk’re Paris wenscht u tot zijn vrouw.

Voedster.

Dat is een man, mejonkvrouw, dat ’s een man,

Er is ter wereld,—o, een man van was!

Gravin Capulet.

Verona’s zomer heeft geen bloem als hij.

Voedster.

Een bloem! Gewis, hij is een ware bloem.

Gravin Capulet.

Wat zegt gij, kind? kunt gij den graaf beminnen?

Gij ziet hem dezen avond op ons feest;

Lees dan het boek van zijn gelaat, en zie

Daar met de pen der schoonheid vreugd geschreven;

Beschouw er iedren enklen trek en vind,

Hoe de eene met de andre lieflijk zich verbindt.

Waar ’t schoone boek u duister blijven moog’,

Het randschrift ter verklaring geeft zijn oog.

Dit kostlijk boek, waar liefde in is te lezen,

Mist slechts een band, om waarlijk schoon te wezen;

Hij leeft als ’t vischje vrij; ’t brengt luister aan,

Zoo schoonheid slaagt het schoone in boei te slaan;

En ’t boek wint hooger waarde in veler oogen,

Welks gouden kern op gouden slot mag bogen.

Zoo hebt gij deel aan alles wat hij heeft,

En wordt niet minder, schoon ge uzelf hem geeft.

Voedster.

Niet minder, neen, eer neemt gij door hem toe. 95

Gravin Capulet.

Spreek, hebt ge zin aan Paris’ zij te leven?

Julia.

’k Heb zin te zien, of ’t zien mij zin kan geven.

Doch dieper zendt mijn oog geen liefdeschicht,

Dan naar de klem, waarmede uw wil ze richt.

(Een Bediende komt op.)

Bediende.

Mevrouw, de gasten zijn er, het maal wordt opgedischt, uw edelheid wordt geroepen, de jonkvrouw in de zaal gewenscht, de voedster in de keuken verwenscht, en alles is op het tipje. Ik moet oogenblikkelijk heen om te gaan bedienen. Ik bid u, kom dadelijk.

(Bediende af.)

Gravin Capulet.

Wij komen.—Julia, laat den graaf niet wachten.

Voedster.

Ja, voeg bij schoone dagen schoone nachten.

(Allen af.)

Vierde Tooneel.

Een straat.

Romeo, Mercutio, Benvolio met 5 of 6 Maskers, Toortsdragers en Anderen komen op.

Romeo.

Verschoonen we onze stoutheid met deze aanspraak,

Wat denkt ge er van? of gaan we zoo naar binnen?

Benvolio.

De tijd is uit van zulke omslachtigheid;

Geen liefdegod, die ons naar binnen brengt,

Geblinddoekt en als een Tataar gewapend,

Met een geverfde lat voor boog, die als

Een vogelschrik de dames weg doet vluchten!

Geen toespraak hij onze intreê, half geleerd,

En opgedreund, terwijl een ander voorzegt!

Neen, nemen zij het op zooals zij willen,

Wij nemen ’t luchtig op en dansen meê.

Romeo.

Geef mij een toorts, ik houd niet van dat springen,

’k Ben zwaar te moê en draag dus liefst het licht.

Mercutio.

Neen, dansen moet gij, beste Romeo.

Romeo.

Ik niet, geloof me toch. Gij, zieltjes zonder zorg,

Hebt lichte zooltjes voor den dans; mijn ziel,

Zij is bezwaard, gedrukt; met looden zool

Gaat dansen niet; ik kwam niet van den grond.

Mercutio.

Gij zijt verliefd, leen dus Cupido’s wieken,

En vlieg er hooger mee dan een, die springt.

Romeo.

Zijn pijl vloog mij te zwaar in ’t hart, om met

Zijn luchte wiek te vliegen, en ik kan

Niet springen over ’t wee, dat voor mij ligt;

De zware last der liefde drukt mij neer. 23

Mercutio.

Veeleer moest gij uw liefde nederdrukken,

Schoon gij een teeder ding dan zwaar belast.

Romeo.

Is liefde een teeder ding? Ze is veel te ruw,

Te scherp, te onstuimig, en als doornen steekt ze.

Mercutio.

Is liefde ruw met u, wees ruw met haar;

Steek weder, als zij steekt, en gij blijft boven.—

Geef mij nu zoo’n foed’raal voor mijn gezicht.

(Hij doet een masker voor.)

Een mom nog voor een mom! Wat scheelt het mij,

Wat scherpziend oog mijn leelijkheid hier monstert?

Dit puilend voorhoofd bloze nu voor mij.

Benvolio.

Kom, klopt nu aan; naar binnen! zijn wij daar,

Dan geve een elk zijn beenen flink te doen.

Romeo.

Voor mij een toorts; dat dart’len, licht van hart,

’t Gevoelloos strooibies kitt’len met de voeten;

Voor mij, ik houd me aan ’t oude en ware woord:

„Wie ’t licht te dragen heeft, zie rustig toe;”

Hoe mooi het spel moog’ wezen, ik ben ’t moe.

Mercutio.

Ja, dat zegt elk, die in de modder spartelt.

Zijt gij ’t nu moe, wij brengen koord en trekken

U uit dat minneslijk, waarin ge steekt

Tot over de ooren toe.—Wij branden licht bij dag.

Romeo.

’t Is ver van dag.

Mercutio.

’t Is ver van dag. Verzuimen wij het feest,

Ons licht ware, als bij dag, voor niet geweest.

Kom mee, wij meenen ’t goed, stel dit op prijs,

Veel meer dan onzen geest, dan doet gij wijs.

Romeo.

’t Zij goed van mij, met u naar ’t feest te gaan,

’t Is toch niet vroed.

Mercutio.

’t Is toch niet vroed. Hoe moet ik dit verstaan?

Romeo.

Ik had van nacht een droom.

Mercutio.

Ik had van nacht een droom. Ik ook.

Romeo.

Ik had van nacht een droom. Ik ook. En wat?

Mercutio.

Dat droomen leugens zijn.

Romeo.

Dat droomen leugens zijn. Geloof me, ik had

Er een, zóó waar, dat ik niet twijflen mocht.

Mercutio.

O zoo, ik zie, fee Mab heeft u bezocht.

Ze is de elfenkoningin, die droomen brengt;

Zij komt, niet grooter dan het beeldje op

De’ agaatsteen in den ring eens aldermans,

En rijdt, met een gespan van zonnestofjes,

Over den neus van menschen in hun slaap.

De raderspeeken zijn van spinnebeenen,

Van fijne sprinkhaanvleugels is de kap,

Van ’t web der kleinste spinnen zijn de teugels,

Van maanschijnstralen is het tuig; de zweep

Is van een krekelscheen en biezepluis; 63

Haar voerman is een mug, in ’t grijs gekleed,

Niet half zoo groot als ’t ronde wormpje, dat

In ’t vingertopje huist van luie meisjes;

Haar rijtuig is een holle hazelnoot,

Gemaakt door meester Eekhoorn of baas Wurm,

Van oudsher reeds der elfen wagenmakers.

En met dit span bezoekt ze nacht op nacht

Het brein van minnaars, die alsdan van liefde,

De knie van hoov’lingen, die dan van buigen,

De hand van procureurs, die dan van kosten,

Den mond van meisjes, die van kussen droomen;

Maar deze straft vaak Mab in toorn met puistjes,

Wijl snoeperij haar adem heeft vervalscht.

Soms galoppeert zij op den neus eens hoov’lings,

Die speurt dan droomend nieuwe gunstbewijzen.

Soms neemt zij ’t staartje van een bigge en kittelt

Een zielenherder in zijn slaap den neus,

Dan droomt hij daad’lijk van een vetter kerspel.

Soms draaft zij op den hals van een soldaat,

Die meen’gen vijand dan den hals doorklieft,

Van bressen, hinderlagen, Spaansche klingen,

Van drinken uit een reuzenpokel droomt;

Dan hoort hij vlak aan ’t oor een trom, springt op,

Ontwaakt, en vloekt een schietgebed of twee,

En slaapt weer in. Dit is dezelfde Mab,

Die ’s nachts de manen van de paarden vlecht,

En slordig haar dooreenwart tot een vilt,

Waarvan de ontwarring tal van rampen spelt;

Dit is dezelfde heks, die meisjes drukt,

Als ze op den rug gaan liggen, en haar zoo

Aan ’t dragen went, waardoor zij vrouwen worden

Van veel gewicht; ’t is—

Romeo.

Van veel gewicht; ’t is— Stil, Mercutio, stil!

Gij praat van iets, dat niets is.

Mercutio.

Gij praat van iets, dat niets is. Ja van droomen,

En die zijn kindren van een spelend brein,

Verwekt door niets dan ijle fantaisie,

Die lucht van wezen is gelijk de lucht,

En wisselzieker dan de wind, die nù

Zijn heil zoekt aan de ijskoude borst van ’t noord,

En dan, verbolgen, heensnelt met een storm,

’t Gelaat gekeerd naar ’t zoel, dauwdropp’lend zuid.

Benvolio.

Met al dien wind blaast gij ons af van ’t doel;

’t Maal is voorbij; zoo komen wij te laat.

Romeo.

Ik vrees te vroeg; ik heb een voorgevoel:

Een onheil, dat nog in de sterren zweeft,

Is op het punt verschrikk’lijk los te breken

In deze feestnacht, en van ’t haatlijk leven,

In deze borst besloten, mij te ontslaan

Door ’t laag vergrijp van een te vroegen dood.

Maar Hij, die op mijn vaart de roerpen houdt,

Richt’ mij mijn zeil!—Vooruit, met lust, mijn vrienden!

Benvolio.

Kom aan! de trom!

(Allen af.)

Vijfde Tooneel.

Een zaal in Capulet’s huis.

Muzikanten staan gereed. Bedienden komen op.

Eerste Bediende.

Waar is Braadpan, dat hij niet helpt afnemen? Hei! bordenwiss’laar! hei! bordenschraap!

Tweede Bediende.

Als het voor de netheid aankomt op een paar menschenhanden, en die zijn bovendien ongewasschen, dan ziet het er treurig uit.

Eerste Bediende.

Weg met de vouwstoelen, op zij met die aanrechttafel, let op het zilvergoed!—Zeg, vriend, bewaar een stuk marsepein voor mij, en als je mij een pleizier wilt doen, zeg dan aan den portier, dat hij Suze Slijpsteen en Leentje binnenlaat.—Hei! Teunis en Braadpan!

Tweede Bediende.

Ja zeker, kerel; in orde.

Eerste Bediende.

Er wordt naar je uitgekeken, naar je geroepen, naar je gevraagd, naar je gezocht, in de groote zaal.

Tweede Bediende.

We kunnen toch niet te gelijk hier wezen en daar.—Met lust, jongens, vlug wat; de langstlevende krijgt alles.

(De Bedienden af.)

(Capulet komt op, met zijn Echtgenoote en Dochter, een Oom en andere Gasten; evenzoo de Maskers.)

Capulet.

Weest welkom, heeren! ziet, wie van de dames

Geen likdoorns heeft, doet gaarne een dans met u.—

Wel, schoone dames! spreekt! wie van u allen

Zou nu niet willen dansen? ’k Zweer, wie hier

Zich nuffig toont, heeft zeker eksteroogen.

Nietwaar, ik heb ’t getroffen?—Welkom, heeren,

O, ’t heugt me, dat ook ik een masker droeg

En menig streelend woord mijn schoone in ’t oor

Gefluisterd heb; dat is voorbij, voorbij!

Weest welkom, heeren!—Kom, muziek, muziek!

Ruim baan, ruim baan! Komt, meisjes, rept den voet!

(Muziek en dans.)

(Tot de Bedienden.) Meer licht, gij droomers! klept de tafels op!

Weg met het vuur, ’t is hier al veel te warm!—

Waarachtig, die verrassing komt van pas!

Oom Capulet, laat ons er bij gaan zitten;

Voor u en mij is ’t dansen wel voorbij;—

Hoe lang zou ’t zijn, dat gij en ik voor ’t laatst

Een masker droegen? 35

Oom Capulet.

Een masker droegen? Vast wel dertig jaar.

Capulet.

Kom, man, zoo lang is ’t niet, zoo lang is ’t niet.

’t Was op de bruiloft van Lucentio;

Als Pinksteren weer in ’t land is, laat het dan

Een vijf en twintig jaar zijn, meer toch niet.

Oom Capulet.

’t Is meer, ’t is meer; zijn zoon is ouder; ja,

Die is wel dertig.

Capulet.

Die is wel dertig. Wat vertelt ge daar?

Kom, kom, voor twee jaar was hij nog vervoogd.

Romeo

(tot een Bediende). Wie is die schoone jonkvrouw, die de hand

Van gindschen ridder siert?

Bediende.

Van gindschen ridder siert? Ik weet niet, heer.

Romeo.

O, zij eerst leent den toortsen gloed en pracht!

Het is als rustte ze op de wang der nacht,

Gelijk in ’t oor eens moors een rijk juweel;

’t Is schoonheid, voor deze aard te rijk en te eêl!

Een duif, sneeuwwit, bij ’t kraaienvolk verdwaald,

Straalt zooals zij bij haar genooten straalt.

Ik nader haar na dezen dans; de druk

Dier hand schenke aan de mijne ’t zoetst geluk.

Beminde ik ooit? Mijn oog zegg’ neen! want, ziet!

Wat ik ooit zag, was de echte schoonheid niet.

Capulet.

Wat hebt ge, neef? Wat dolle razernij?

Tybalt.

Een vijand, oom, een Montague is hij,

Een schurk, die, achter ’t masker, onbevreesd

Hier komt, ons hoont, beschimpt op ’t plechtig

feest.

Capulet.

’t Is jonge Romeo?

Tybalt.

’t Is jonge Romeo? ’t Is Romeo, die schurk.

Capulet.

Bedaar, mijn waarde neef, laat hem met vreê;

Hij toont zich steeds een wakker edelman;

En, waar is waar, Verona boogt op hem,

Wijl hij een braaf, bescheiden jong’ling is.

’k Zou voor de schatten onzer stad niet willen,

Dat hier in huis hem hoon wierd aangedaan;

Verdraag hem dus, bemoei u niet met hem.

Ik wil dit zoo; hebt ge eerbied voor mijn wil,

Wees vriendlijk; neen! toon op ’t gelaat geen wrevel,

Want dat is iets, wat op een feest niet past.

Tybalt.

Het past, dringt zulk een schurk zich in als gast;

Ik duld hem niet. 78

Capulet.

Ik duld hem niet. Ik wil, dat gij hem duldt;—

Wat, jonge heer!—Ik zeg, het moet!—kom aan!

Ben ik hier baas of gij?—Ik zeg ’t, kom aan;

Gij duldt hem niet?—Wel, bij mijn zaligheid,

Zoudt gij hier tweedracht stoken? Wil uw haan

Hier koning kraaien? Gij de man hier zijn?

Tybalt.

Maar oom, ’t is schande!

Capulet.

Maar oom, ’t is schande! Wel, komaan, komaan!

Gij ingebeelde knaap, gij zegt, ’t is schande?

Ik peper ’t u wel in; ik zal ’t onthouden.

Gij mij weerstreven? Nu voorwaar, ’t is fraai!—

Goed zoo, mijn vrienden!—Hoor, waanwijze knaap,

Pas op, of ik....!—Meer licht, meer licht!—Ik zal ’t

U wel verleeren!—Goed zoo, goed, mijn vrienden!

Tybalt.

Gedwongen dulden en verwoede spijt,

Zij doen mij trillen door hun fellen strijd!

Ik ga; maar ’k zweer, het zoet, dat hem dit bal

Verschafte, wordt hem bitterder dan gal!

(Tybalt af.)

Romeo

(tot Julia). Ontwijdt deez’ hand vermetel dit altaar,

’t Zij zonde, ja, maar wil ’t vergeeflijk achten;

Mijn mond wil met een blozend pelgrimpaar

Door teed’ren kus dien ruwen druk verzachten.

Julia.

O goede pelgrim, smaad uw hand niet langer;

Wèlpassend eerbetoon bewijst ge aldus;

Een heil’ge gunt zijn hand den beêvaartganger,

En hand in hand is vrome pelgrimskus.

Romeo.

Maar hebben heil’gen niet ook lippen?

Julia.

Maar hebben heil’gen niet ook lippen? Ja,

Als pelgrims, voor het murm’len van gebeden.

Romeo.

Dan doen, wat handen deden, lippen na;

Zij smeeken, spaar mij wanhoop, hoor mijn eeden!

Julia.

Stil staat een heil’ge, al staat hij beden toe.

Romeo.

O sta dan stil, nu ’k dus mijn bede doe.

(Hij kust haar.)

Zoo is mijn mond door uwen mond ontzondigd.

Julia.

Zoo heeft mijn mond dus zonde voor zijn gunst?

Romeo.

Van mij een zonde? O misdrijf, zoet verkondigd!

Geef mij mijn zonde weer!

Julia.

Geef mij mijn zonde weer! Gij kent de kunst.

Voedster.

Jonkvrouw, uw moeder vraagt, waar gij toch blijft. 113

Romeo.

Wie is de moeder van de jonkvrouw?

Voedster.

Haar moeder is de vrouw des huizes, jonker!

En ze is een goede en wijze en vrome vrouw,

En ik, ik was de minne van haar dochter,

Met wie gij spraakt; en ’k zeg u, die haar krijgt,

Die krijgt nog wel een aardig duitje er bij.

Romeo.

Een Capulet! Wat pandbrief! Ja, mijn leven

Heb ik als schuld mijn vijand prijs gegeven.

Benvolio.

Komt, laat ons gaan, genoten is de lust.

Romeo.

En ’k vrees, voor goed vervloten mijne rust.

Capulet.

Komt, heeren, gaat nog niet, er staat voor u

Wat vruchten, wijn, zoo’n kleinigheid gereed.—

Is niets er aan te doen?—Dan dank ik u;

Ik dank u zeer, mijn’ heeren; goede nacht!—

De toortsen bij de hand!—Kom dan, naar bed;

’t Is wèl geweest, voorwaar, het is al laat,

En ik verlang naar rust.

(Allen af, behalve Julia en de Voedster.)

Julia.

Kom, minne, hier.—Wie is die heer daar ginds?

Voedster.

Tiberio’s een’ge zoon en erfgenaam.

Julia.

En hij, die daar nu juist de zaal verlaat?

Voedster.

Dat is Petruccio, zoover ik zie.

Julia.

En die nu volgt, en die niet dansen wou?

Voedster.

Dien ken ik niet.

Julia.

Ga ’t even vragen.

(De Voedster gaat naar den uitgang.)

Ga ’t even vragen. Is zijn hand niet vrij,

Dat dan het graf mijn huwlijkssponde zij!

Voedster

(terugkeerend). Zijn naam is Romeo; ’t is een Montague,

En van uw grooten vijand de een’ge zoon.

Julia.

Mijn een’ge liefde ontsproot mijn een’gen haat!

’k Zag onbewust te vroeg, ik wist te laat!

O! had mij ’t lot voor zulk een min behoed,

Dat ik mijn ergsten vijand minnen moet!

Voedster.

Wat zegt ge daar?

Julia.

Wat zegt ge daar? Een rijmpje, dat ik pas

Daar van een danser leerde.

(Achter het tooneel wordt geroepen:) Julia!

Voedster.

Kom, ieder is nu weg; wij komen;—ja.

Chorus treedt op.

Chorus.

Zoo ligt nu de oude hartstocht op de baar,

En jonge liefde smacht, zijn schatten te erven;

Bij Julia verbleekte ’t schoon van haar,

Die Romeo deed zuchten, schier deed sterven.

Betoov’ring sloeg hun beider hart in boeien!

Die liefde wekte, is zelve in liefde ontbrand;

Zijn schijnb’re vijandin doet hem ontgloeien,

En zij plukt liefdes bloem aan de’ afgrondsrand.

Daar hij als vijand geldt, staat hem niet vrij,

Haar met een eed van eeuw’ge min te groeten;

Nog minder is, hoe echt haar liefde ook zij,

Het haar vergund, dien minnaar ooit te ontmoeten.

Maar min geeft kracht, en tijd gelegenheid;—

Zoo mengt zich met vertwijfling zaligheid.