WeRead Powered by ReaderPub
Sagen van den Rijn cover

Sagen van den Rijn

Chapter 20: Ingelheim
Open in WeRead

About This Book

The collection gathers short Rhine-region legends and folk tales centered on castles, river-related mysteries, and local saints and heroes. Individual narratives recount supernatural encounters, tragic romances, moral lessons, and feats linked to landmarks such as towers, cathedrals, and ruins. Many pieces rework familiar medieval motifs, including ghosts, devils, enchanted clocks, and bewitched figures, while others preserve oral traditions about place names and customs. The arrangement alternates concise retellings with more elaborate, picturesque stories, using evocative descriptions of landscape and architecture to tie regional memory to popular imagination.

Ingelheim

Eginhard en Emma.

I.

Het is een oude treffende geschiedenis, die ik U zal vertellen, waarde lezer, die bij de andere voorheeft, dat ze een greintje historische waarheid bevat.

In Ingelheim, een mooi stadje in den met druivengezegenden “Rheingau” verhief zich eens een trotsch marmeren paleis, de lievelings verblijfplaats van Karel, den Grooten. In deze heerlijke eenzaamheid, ver van de wereld, trok de groote keizer der Franken zich dikwijls terug. Slechts zijn trouwe dienaren en familieleden vergezelden hem. Onder de uitverkorenen ontbrak nooit Eginhard, secretaris des keizers. Hoewel hij nog jong was, zoo toch stond hij door zijn omvangrijke kennis in hoog aanzien bij Karel en verheugde zich in de bijzondere gunst van zijn gebieder. De vlijtige geleerde, wiens ernstig, zacht jongelingsgezicht dubbel afstak bij de schaar stoere krijgslieden, behaagde de vrouwen aan het keizerlijke hof niet minder. Bladzijde 40

Karel had den geheimschrijver in zijn familie ingeleid en hem opgedragen zijn lievelingsdochter Emma, die toen bekend stond als de schoonste dame van haar tijd, te onderwijzen. Zij was de dochter van Chismonda. Uit haar oogen, die donker als de vleugels van de raaf waren, sprak het bloed van haar Italiaansche moeder. Spoedig ontvlamde het hart van den jongen leeraar door de gloedvolle blikken van de zuidelijke schoone en de schrijf, en leeslessen veranderden in vertrouwelijke minne uurtjes.

II.

Elk van hen beminde en werd wederbemind.

Het was hun eerste liefde.

Had Karel de Groote zulk een afloop slechts kunnen gissen, toen hij het dochtertje met de gloedvolle fluweelen oogen aan de zorg van den jongen geleerde met het meisjesachtige gezicht toevertrouwde. Had hij zulks kunnen gissen.

In het doodstil nachtelijk uur als iedereen sliep, sloop Eginhard in het vertrek van zijn geliefde. Dan luisterde de dochter van Karel den Grooten naar de zoete vleierijen van den dichterlijken geleerde. Zij voer onder de betoovering der liefde met hem op een zee van Bladzijde 41zalige verwachting, welks klippen haar jeugdige onbezonnenheid niet zag.

Eginhard bezat een vurig hart, maar toch was de vlam zijner liefde voor de dochter van zijn heer rein, als het licht der sterren; geen toomelooze lage hartstocht verduisterde haar kuischen glans.

Maar het lot was niet met hen.

Op een herfstnacht bevond Eginhard zich weder bij zijn geliefde. Het groote paleis was in duister gehuld. Geen ster was er aan den hemel, die het geluk der minnenden kon verraden. De uren der liefde gaan snel voorbij. Op het oogenblik, dat Eginhard het vertrek verlaten wilde, bemerkte hij, dat een sneeuwkleed beneden de plaats overdekt had.

Het was onmogelijk haar te overschrijden zonder voetstappen achter te laten. En toch moest hij zijn kamer aan de overzijde bereiken. Wat nu te doen?

De liefde is vindingrijk.

Na kort nadenken kwamen beiden tot het besluit, dat later tallooze dichters bezongen hebben. (Was ik dichter, dan zou ik het ook doen.) Het teedere meisje nam de geliefde op den rug en ging met hem, de witte plaats over. In de schitterende sneeuw teekenden zich de sporen van twee allerliefste voetjes af. Bladzijde 42

Karel de Groote was op dit uur nog wakker. Drukkende zorgen over zijn reusachtig rijk verdreven hem den slaap. Hij leunde aan het venster en keek, ernstig voor zich uit in den duisteren nacht. Daar zag hij een schaduw over de plaats glijden. Hij boog zich voorover en zag Emma, zijn meest geliefde dochter, die op den rug—Karel opende wijder de oogen—een man droeg, en deze man—een zachte kreet kwam over Karels lippen—was Eginhard, zijn gunsteling. In het gemoed des keizers streden smart en woede met elkaar. Hij wilde naar beneden snellen om de ongelukkigen te dooden, maar hij bedwong zich, want de schande zou te groot geweest zijn, indien de dochter des keizers op haar liefdetocht met den schrijver door den gebieder over milioenen overvallen werd.

Een diepe zucht steeg uit zijn breede borst op. Hij trad achteruit in zijn kamer en de kleine vlokken, die om de ruiten dwarrelden, zagen nog lang zijn door smart verwrongen gelaat.

III.

Den volgenden morgen riep Karel de Groote de wijze raadsleden bijeen. De oude getrouwen ontstelden bij zijn aanblik. Rimpels doorploegden Bladzijde 43zijn voorhoofd en verdriet lag op zijn afgematte trekken te lezen. Vooral Eginhard, die een voorgevoel had van wat er komen zou, beschouwde zijn gebieder met schuwe blikken. Karel verhief zich en sprak: “Wat verdient een koninklijke princes, die ’s nachts een man in haar vertrekken ontvangt?”

De raadsheeren keken elkaar sprakeloos aan. Eginhards gelaat werd bleek als van een doode. De aanhangers des keizers zochten niet lang naar den naam van deze vorstendochter.

Verlegen beraadslaagden zij een tijdlang, toen nam een van hen het woord:

“Majesteit, voor misdrijven door de liefde begaan wordt de zwakke vrouw nooit gestraft.”

“En wat verdient een gunsteling des keizers, die ’s nachts in de vertrekken van een koninklijke princes sluipt?”

Met fonkelende oogen wendde de ijzeren Karel zich tot zijn secretaris. Eginhard beefde eenigszins en zijn meisjesachtig gezicht werd nog bleeker. Verloren! mompelde hij. Toen zeide hij, terwijl hij zich fier oprichtte:

“Den dood, mijn Heer en Keizer!”

Karel de Groote beschouwde den jongeling met bewondering. Bij deze zelfaanklacht en innig berouw smolt de toorn in zijn binnenste en maakte plaats voor zachtere gevoelens. Bladzijde 44Eenige oogenblikken later gaf de keizer den raadsleden hun afscheid. Eginhard wenkte hij, hem te volgen.

Zwijgend ging Karel hem voor in zijn studeerkamer, daar werd de tweede deur geopend en Emma, door haar vader geroepen, trad binnen. Zij begreep dadelijk alles en met een doordringenden smartkreet viel zij voor haar vader op de knieën.

“Genade, genade, vader! Wij beminden elkaar zoo innig!” En de groote omfloersde oogen keken smeekend omhoog.

“Genade!” mompelde ook Eginhard en boog de knie.

De keizer bleef eerst zwijgen. Toen begon hij te spreken, eerst streng en ernstig, doch geleidelijk, door het snikken van zijn innig geliefd kind, werden zijn woorden zachter.

“Daar gij elkaar bemint—hij legde bijzonder den klemtoon op dit woord—wil ik u niet scheiden. Een priester zal u vereenigen en voordat de volgende morgen aanbreekt, zijt gij van hier vertrokken.”

De deur sloot zich achter hem.

Door smart overweldigd, den inhoud van het gesprek slechts half begrijpende, knielde het schoone meisje terneder. Een zachte stem Bladzijde 45deed haar opschrikken. Teeder trok Eginhard haar aan zijn borst.

“Ween niet, geliefde,” fluisterde hij, “door dat je vader, mijn gebieder je van zich stiet, heeft hij ons voor eeuwig vereenigd.”

Heviger vloeiden haar tranen.

“Kom,” ging hij bewogen voort, “de liefde zal ons geleiden.”

Den volgenden morgen verlieten twee jeugdige pelgrims het slot te Ingelheim en begaven zich in de richting van Mainz.

IV.

Jaren zijn verstreken.

Karel de Groote heeft in Saksen overwinningen behaald en ook de Romeinsche kroon verworven, zoodat zijn roem wijd en zijd verkondigd werd, maar niettegenstaande dat is zijn haar vergrijsd en zijn gelaat verouderd. Een aandoenlijk schoon beeld leefde sedert jaren in zijn gedachten, en hij was niet bij machte dit te verbannen.

’s Avonds wanneer de ondergaande zon in de marmeren zuilen van het koninklijk slot weerspiegelden en haar laatste stralen hun gouden schijnsel in het hooge vertrek van den beheerscher der Franken wierpen, dan zagen zij Bladzijde 46hem dikwijls onbeweeglijk op zijn rijk gebeeldhouwden stoel zitten, het diepdenkende hoofd in de handen verborgen.

De keizer was in treurig gepeins verzonken. Hij dacht aan vervlogen dagen. In zijn verbeelding zag hij een jongen man, wiens zacht karakter en meisjesachtig gelaat zeer afstak bij de schaar stoere krijgslieden. Met welk een vuur had hij steeds de heerlijke heldenzangen voorgedragen, alsook de roerende volksliederen, die de keizer zoo ijverig verzamelde. Als hij dan voorgelezen had uit het grauwe perkament, dat hij zelf met sierlijke letters geschreven had, dan was er dikwijls een meisje met donkere oogen tegenwoordig geweest, de lievelingsdochter van Karel den Grooten.

Tegen vaders knie aangevleid, luisterde zij naar de zachte stem van den voorlezer en in haar helder oog blonk dikwijls een traan van ontroering.

V.

Jachtfanfares klonken door de eenzaamheid van het Odenwoud. Karel de Groote en zijn getrouwen beoefenen het edele jachtvermaak. De oude keizer, die overal vergetelheid zoekt heeft de speer ter hand genomen om de herten van het woud te treffen. Bladzijde 47

Hij heeft zich van zijn begeleiders afgezonderd en vervolgt juist een trotsch hert met zestienpuntig gewei. De zon staat reeds hoog aan den hemel als het vervolgde dier de richting van den Main uitsnelt welks water door de takken glinstert. Hij ontdekt den vloed, staat een oogenblik onthutst stil, maar stort zich dan, door de nabijheid van den vervolger opgejaagd, in de rivier, welks overkant hij zwemmende bereikt. De keizer verschijnt en staat uitgeput aan den oever. Nu eerst bemerkt hij, dat de avond hem onmerkbaar overvallen, en de streek, waarin hij zich bevindt, hem geheel onbekend is.

Voor zich heeft hij den vloed, achter zich het woud. De eerste sterren schitteren reeds aan den hemel. Tevergeefs zoekt Karel den rechten weg langs de rivier te vinden. Het woud, dat hij zooeven doorsneden heeft, schijnt nu ondoordringbaar. Volslagen duisternis omgeeft hem.

Daar schittert onverwachts een licht in de verte. De keizer ziet het en richt met blijde verrassing zijn schreden daarheen. Vlak bij den oever ontdekt hij een hutje. Door het verlichte venster ziet de koninklijke bespieder een armoedig vertrek.

Wellicht is dit de kluis van een vroom man, Bladzijde 48denkt hij en klopt aan de deur. Een man met blonden baard verschijnt. De keizer deelt, zonder zich bekend te maken, mede in welk een verlegenheid hij zich bevindt en vraagt huisvesting voor den nacht. Bij den klank zijner stem ontroert de man hevig. Hij laat den keizer binnentreden. Een jonge vrouw zit op een laag stoeltje en wiegt een kind op haar knieën. Als zij den keizer ziet, glinstert haar donker oog en wordt haar gelaat wit als marmer. Snel begeeft ze zich in de aangrenzende ruimte om haar snikken te verbergen. Karel neemt plaats en steunt, terwijl hij iedere verfrissching, die zijn gastheer hem aanbiedt, weigert, het moede hoofd in de handen.

Minuten verstrijken.

Slaapt hij?

Neen, hij is in treurig gepeins verzonken.

De laatste Hohenrätier

Naar een schilderij van E. Stückelberg.

Hij denkt aan vervlogen dagen. In zijn verbeelding ziet hij een jongen man, wiens zacht karakter en meisjesachtig gelaat zeer afstak bij de schaar stoere krijgslieden. Met welk een vuur had hij steeds de heerlijke heldenzangen voorgedragen, alsook de roerende volksliederen, die de keizer zoo ijverig verzamelde. Als hij dan voorgelezen had uit het grauwe perkament, dat hij zelf met sierlijke letters geschreven had, dan was er dikwijls een jong meisje met donkere Bladzijde 49oogen tegenwoordig geweest, de lievelingsdochter van Karel den Grooten. Tegen vaders knie aangevleid, luisterde zij naar de zachte stem van den voorlezer en in haar helder oog blonk dikwijls een traan van ontroering.

De keizer slaakte een diepen zucht.

Een zilveren kinderstem deed hem uit zijn overpeinzingen opschrikken. Een meisje van ongeveer vijf jaar, meer op een engel dan op een aardsch wezen gelijkend, naderde hem bedeesd en bracht den vreemden gast den nachtgroet van haar moeder. Getroffen keek de keizer op het kindje neer, dat hem het witte handje toestak. Dubbel bekoorlijk kwam de onschuldige schoonheid in de schramele omgeving uit: een pastelteekening in een donkere lijst.

“Hoe heet je, kleine?” vroeg de keizer.

“Emma,” antwoordde het kind.

“Emma!” herhaalde Karel en een traan gleed over zijn wangen. Hij trok het engelachtige kind naar zich toe en drukte een kus op haar rein voorhoofd.

Toen hoorde men gedruisch. Aan de voeten van den keizer lagen de man met den blonden baard en de jonge vrouw en smeekten snikkend om vergeving.

“Emma, Eginhard!” roept Karel met trillende Bladzijde 50stem en omarmt hen weenend. “Gezegend zij de plaats, waar ik u weergevonden heb!” Boven de eenzame hut zweeft de engel des vredes.

VI.

Emma en Eginhard keeren met veel praal aan het hof van den keizer terug. Karel schonk hun het prachtige slot te Ingelheim, en gevoelde zich door het bijzijn zijner kinderen veel jeugdiger. Op de plaats, waar hij hen wedergevonden had, liet hij een klooster oprichten en later ontstond daar een stad, tot op heden Seligenstadt (d.i. stad der zaligen) genaamd.

In de kerk te Seligenstadt bevindt zich het graf van Eginhard en Emma. Volgens hun wensch werd hun stoffelijk overschot in dezelfde sarcophaag bijgezet. Bladzijde 51

Rüdesheim

De Brömserburg

In den hoogen Dom te Speyer stonden duizenden mannen in ridderlijke wapenrusting te luisteren. Aan het altaar zat Koenraad de Staufe in den koningsstoel, de handen op het gevest van zijn zwaard gevouwen, luisterende naar de geestdriftige redevoering van Bernard van Clairvaux over de gruwelijke verwoesting van de heilige plaatsen van het beloofde land. Toen de heilige monnik zijn rede eindigde met op indrukwekkende wijze een beroep te doen op den moed der belijders van den christelijken godsdienst, weerklonk door de gewelven van den Dom uit duizenden monden tegelijk als ware het één kreet: “Op, naar Jerusalem!”

Ontelbare ridders boden den vromen keizer in den kruistocht tegen de heidenen hun diensten aan. En onder hen bevond zich ook Hans Brömser, heer van de Niederburg bij Rüdesheim, de laatste afstammeling van zijn geslacht. Niets weerhield hem; zijn gemalin rustte onder Bladzijde 52de aarde, en de eenige telg uit hun huwelijk Mechtilde zou den vader onder de hoede van de naburige familie Falkenstein evenmin missen, als hij dit het aankomende meisje in het Syrische land zou doen.

Zoo trokken de vrome strijders naar de moeilijke wegen van dat land, waar onze Heer geleefd en geleden heeft. De oogen van vele edellieden zijn daar in den strijd tegen de Saracenen voor eeuwig gesloten; velen trof een nog treuriger lot, zij waren levend dood, daar zij vol smaad in de gevangenissen der ongeloovigen versmachtten. Ook ridder Brömser viel, na een verloren slag, in handen der Turken en zat in een afschuwelijken onderaardschen kerker gevangen. Gelijk een dier liet de pacha den ridderlijken vijand een molensteen in beweging houden. Dag op dag verging, en met steeds heviger smart verdroeg de ridder den smaad zijner vijanden. Toen legde hij in een uur van de bitterste wanhoop voor den Heer de volgende plechtige belofte af: “Schenk mij de vrijheid weer en ik beloof u, dat mijn eenig kind Mechtilde den sluier aan zal nemen.”

En hij herhaalde den heiligen eed nog eens en ten derde male.

Toen gebeurde, wat geen der wapendragers ooit had durven hopen: De dappere kruisvaarders Bladzijde 54bestormden het Turksche slot in de zandwoestijn te Syrië en bevrijdden hun geloofsgenooten uit de vernederende gevangenschap. Uit dankbaarheid jegens God leende Hans Brömser zich op nieuw voor de heilige zaak. Toen keerde hij terug naar het vaderland aan den Rijn.

Op het met mos begroeide slotplein omhelsde Mechtilde hem lang en zwijgend. Naast de zeventienjarige stond de jonker van Falkenstein, die zich diep voor den teruggekomen heer boog en hem zacht begroette met de woorden: “Welkom, vader!” Toen kwam er plotseling een herinnering bij den ridder op, die de vreugde van het weerzien vergalde.

In de rijk versierde staatsiezaal vierde Hans Brömser, omringd door zijn getrouwen, zijn gelukkigen terugkeer. Luide loftuitingen weerklonken in den kring der kruisvaarders; iedereen luisterde, toen de gevaren, die de helden doorleefd hadden, verhaald werden. Hoe hij voor het geloof gestreden en in gevangenschap der heidenen geleden had, vertelde de ridder met geestdrift aan de luisterende schaar.

Daarop liet hij zijn stem dalen, en met plechtige woorden deelde Hans Brömser de verzamelde menigte zijn belofte mede, die hij in het heilige land in de grootste wanhoop afgelegd Bladzijde 54had. Toen weerklonk een gil door het ruime vertrek en het dochtertje van den ridder, nog witter dan het tafellaken, zonk bewusteloos ter aarde. De jonker van Falkenstein verhief zich met vlammende oogen en roode wangen, en sprak met vaste stem: “Mechtilde behoort mij, ze heeft in een plechtig uur beloofd, mij voor eeuwig te zullen toebehooren!”

Met gefronst voorhoofd legde de burchtheer de fluisterende gasten het zwijgen op: “Mechtilde behoort den hemel toe en niet jou, knaap. Dezen eed deed de laatste Brömser en hij zal hem ook houden!” Met ingehouden toorn riep de ridder dit uit en in bedrukte stemming gingen de gasten uiteen.

Mechtilde lag in woeste smart in haar kamer. Flikkerend wierp de kleine lamp aan het crucifix haar schijnsel op de liggende, die de voortkruipende uren van den nacht in liefdesmart doorbracht. De met tapijten behangen muren, van het in schemerlicht gehulde vertrek, leken het jonge meisje drukkende kerkermuren.

Zij ijlde, met het lichtje in de bevende hand, den hoogen wenteltrap op naar den zolder en vertrouwde het harde leed van haar jonge ziel den kalmeerenden nacht toe.

Geleund tegen een der schietgaten in den muur, staarde zij naar de tegenovergelegen Bladzijde 55Felsenburg waar de welgemoede minnaar, aan wien ze zich voor eeuwig verbonden had, vertoefde.

“Geliefde!” klonk het snikkend in den nacht. Aan den hemel waren geen sterren: een ruwe herfststorm begeleidde den hartestorm van de jonkvrouw en blies plotseling met een hevigen rukwind om de vesting.

Toen weerklonk er een gil, kort en schel. Was het de loeiende wind of een menschelijke kreet? In de stilte van den nacht stierf hij weg. Van het hoogste punt van de Brömserburg stortte het lichaam eener vrouw in de af grijselijke diepte en werd door het stroomende water van den Rijn verzwolgen.

Een prachtige herfstmorgen volgde op den stormachtigen nacht. Tevergeefs zocht men boven in de Brömserburg naar Mechtilde, het dochtertje van den burchtheer. Beneden echter hebben ze in alle vroegte een meisje uit het water gevischt, waarvan de oogen reeds gebroken waren. Een sombere stoet bewoog zich toen naar den burcht, waar de smartkreten van velen weerklonken over de vroeg geknakte bloem, de laatste spruit van den Brömserstam. Hans Brömser heeft zich op het lijk geworpen en zijn gebaard gezicht lang en zwijgend in de Bladzijde 56plooien van het sneeuwwitte gewaad verborgen. Geen traan hing aan zijn wimpers.

Voor de zielsrust van de dochter, die den sluier niet wilde aannemen, legde hij in de grootste treurigheid opnieuw een belofde af; hij zou een kerkje laten bouwen op den heuvel tegenover zijn vesting. Toen heeft hij zich in zijn vertrek opgesloten en in droevig gepeins de verdere dagen doorgebracht, totdat frisch groen op het graf van zijn onzalig kind ontlook.

Sedert dien tijd zijn er maanden verstreken, maar nog is er niet aan de beloofde boetkapel begonnen. Verbitterd heeft Hans Brömser zich steeds meer van de wereld afgezonderd en zich in de treurige eenzaamheid teruggetrokken. Toen is er eens een knecht met de beeltenis van de moeder Gods bij hem gekomen.

Een stier had dit bij het ploegen op den heuvel tegenover den burcht opgeworpen, en de knecht heeft driemaal “Not Gottes!” hooren roepen. Toen heeft Hans Brömser zich zijn belofte herinnerd en terstond het kerkje, dat hij den Heer beloofd had, laten bouwen voor de zielsrust van Mechtilde. “Not Gottes” heeft hij het genoemd en zoo heet het nog heden. Bladzijde 57

Bingen

De Muizentoren

Onder Bingen ligt midden in den vloed op een eenzaam eiland een vesting in den vorm van een toren, de Muizentoren genaamd. Sedert eeuwen is hieraan de naam van een aartsbisschop uit Mainz op sornbere wijze verbonden. In de sage wordt deze slechte Hatto van een vreeselijke misdaad aangeklaagd, waardoor hij in de heele Rijnstreek en nog veel verder veroordeeld is geworden.

Een eerzuchtig, harte- en trouweloos mensch moet hij geweest zijn, een wreed heer voor zijn onderhoorigen. Hooge belastingen perste hij hun af, liet hen tol betalen en verzon tallooze belastingen om aan zijn heersch- en pronkzucht te voldoen. Tusschen Bingen en Rüdesheim liet hij in den Rijn den stevigen toren bouwen en hief van alle schepen, die stroomaf voeren, tol.

Spoedig daarop was de oogst in het land van den Main mislukt. Bladzijde 58

Droogte en hagel vernielden het toch reeds schaarsche graan en de duurte van levensmiddelen werd nog vermeerderd, daar de aartsbisschop Hatto groote hoeveelheden graan opgedaan en op zijn zolder afgesloten had. De hongersnood was spoedig verschrikkelijk; maar de ongelukkigen smeekten den wreeden heer tevergeefs, den prijs van het graan, dat hij op zijn zolders had, te laten dalen. Wel drongen zijn raadslieden er op aan, dat hij medelijden met de ongelukkigen zou hebben, maar Hatto bleef ongeroerd, en toen de stijgende ellende en de hardvochtigheid van den gebieder verbittering te weeg brachten en oproerige stemmen zich onder het volk, dat zoo zwaar beproefd was, deden hooren, zette Hatto de kroon op zijn wreedaardige handelwijze.

Eens drong een bedelende menigte jammerend in het aartsbisschoppelijk paleis en smeekte den aartsbisschop, die juist aan zijn overdadigen maaltijd zat, om voedsel.

Hij had juist tot zijn dischgenooten op knorrigen toon gezegd, dat het beter zou zijn als dat ellendige volk op de een of andere manier van de wereld verdween; dan zou het van alle zorgen verlost zijn en ook hij zou dan niet meer door hen lastig gevallen worden. Toen nu de in lompen gehulde menigte, mannen, vrouwen Bladzijde 59en kinderen met holle oogen en bleeke gezichten voor hem neervielen en om brood schreeuwden, kwam er plotseling een flikkering in zijn oogen. Hij wenkte hen met gehuichelde welwillendheid, beloofde hun koren en liet hen in een schuur voor de stad brengen, alwaar ze zooveel graan zouden krijgen als ze noodig hadden. Vol blijdschap en van dank vervuld, ijlden de ongelukkigen weg; toen zij echter allen in de schuur waren, liet Hatto de deur sluiten en de schuur aansteken.

Vreeselijk was het gekerm van de ongelukkigen. Tot aan het paleis van den bisschop moet het geschreeuw doorgedrongen zijn. De wreede Hatto riep echter spottend tot zijn getrouwen: “Hoort hoe de korenmuizen piepen? Nu is het gebedel uit. De muisjes zullen mij bijten, als het niet waar is.”

Verschrikkelijk echter trof hem de straf des hemels. Uit de brandende schuur slopen duizenden muizen naar het paleis, vulden alle vertrekken en vielen zelfs den aartsbisschop aan. In ontelbare scharen sprongen zij door zijn kamers, en hoewel zijn bedienden tallooze gulzige knagers verdelgden, zoo toch werd hun aantal steeds grooter en hun vraatzucht steeds heviger. Afgrijzen vervulde den aartsbisschop, en daar hij een voorgevoel van Gods Bladzijde 60oordeel had, ontvluchtte hij per schip de stad om zich aan de woedende beten van zijn vervolgers te onttrekken. Maar de onverdelgbare schaar zwom hem in legioenen na, en toen hij vol vertwijfeling den toltoren bereikte, meenende in de, door water omgeven, vesting veilig te zijn, vervolgde het grijze muizenleger hem ook hierheen, knaagde met de scherpe tanden een toegang tot den toren en bereikte spoedig hem, dien het vervolgde.

Hij heeft ook het onderspit gedolven, de afschuwelijke. Eindelijk moet hij vol wanhoop zijn ziel aan den duivel beloofd hebben indien deze zijn lichaam verloste, en de duivel moet in het helsche vuur tusschenbeide gekomen zijn, het schokkende lichaam bevrijd hebben en de ziel op den derden dag voor zich genomen hebben.

Dit deelt de sage mede. Maar zachter oordeelt haar zuster, de geschiedenis, over Hatto, den strengen aartsbisschop van Mainz. Zij laakt slechts een ding in hem: zijn heerschzucht. Hierdoor verkreeg de Mainzer zetel die wereldlijke macht, waardoor hij later de eerste bisschopsplaats van het rijk werd. Al vonden de burgers van Mainz dit niet onaangenaam, Bladzijde 61zoo toch was de trotsche, despotische geest van hem, die haar verworven had, zeer gehaat, en daar hij bovendien den slottoren in de rivier had laten bouwen, van waar uit hij alle voorbijvarende schepen voor de belasting onderzoeken liet—doorsnuffelen, “müsen” zeiden de Duitsche voorvaderen en zegt de “Rhein-lander” nog heden—zoo mag deze Muizentoren, waarbij ook nog de haat van een onderdrukt volk kwam, deze vreeselijke sage in omloop gebracht hebben. Bladzijde 62

Aszmannshausen

De Klemenskapel

Een treurige geschiedenis is er aan de stichting van de Klemenskerk verbonden, die meer stroomafwaarts dan de burcht Rheinstein aan den oever van den Rijn ligt. Eerst in den lateren tijd is zij door de milde hand van de burchtvrouw van Rheinstein op nieuw verrezen.

Het was ongeveer in den tijd waarop door de flinke regeering van Rudolf van Habsburg een einde gemaakt werd aan de buitensporigheden der roofridders, die vooral in den keizerloozen tijd aan den Rijn zeer huisgehouden hadden. De roofridders beantwoordden met openlijken hoon de ernstige waarschuwingen des keizers, en meer dan ooit voerden ze op den smallen straatweg, die zich aan den Bovenrijn tusschen de rotsen en de rivier uitstrekt, hun roofachtig bedrijf uit.

Gevangen roofridder

Naar het schilderij van Konrad Weigand (Bij de sage: De Klemenskapel).

Daar verscheen de vertoornde keizer zelf met een sterke macht en hield een vreeselijk strafgericht onder de adellijke roovers. Als schurftige Bladzijde 63honden wilde hij hen en hun geheelen aanhang uitroeien. Hiermede had hij de bespotters van den heiligen landvrede gedreigd, en hij voerde zijn bedreiging uit. Brandende burchten waren zijn wegwijzers aan den Bovenrijn. De bewoners van het dal zagen met ontzetting de vlammen uit de vestingen van de Reichensteiners, Sooneckers, Heimburgers en andere gevreesde roofridders opstijgen, en talrijke leden van adellijke geslachten werden door den strop van den beul ter dood gebracht. Toen hoorde men menigen schoonen mond jammeren en weeklagen over de strenge rechtvaardigheid van den keizer. Door de vreedzame kooplieden echter werd zij vol dankbaarheid geprezen.

Voor de overblijvenden waren de lichamen van huns gelijken, die stuiptrekkende aan de boomen langs de rivier hingen een vreeselijke waarschuwing.

Schuwe gestalten zijn toen, beschermd door de duisternis van den nacht, naar de gerechtsplaats geslopen; vol droefheid hebben de betrekkingen van de ter dood veroordeelden de lijken afgenomen, om ze voor smadelijke vernietiging te bewaren. Heimelijk werden de ongelukkigen in gewijde aarde begraven. Maar de gedachte aan een vergelding hiernamaals Bladzijde 64liet de achterblijvenden geen rust; want menigeen, die zulk een smadelijken dood gestorven was, had zijn wapen met het bloed zijns naasten bevlekt.

Men heeft dus op raad van een verstandig, vroom dienaar Gods het hout van de boomen genomen, waaraan zij gehangen hadden, en een boetkapel gebouwd op de eenzame gerechtsplaats aan den Rijn. Ook van de rookende puinhoopen der afgebrande burchten heeft men steenen genomen voor het boetehuis bij Aszmannshausen evenals voor de hut van den beschermer, den kluizenaar.

Toen de dag aanbrak, waarop zich voor de eerste maal het woord van den priester aan het altaar zou doen hooren, zijn er booten met dooden en treurenden stroomop en afwaarts gevaren—in het schip der kerk hebben zij de lijkkisten neergezet—en met plechtige woorden heeft de aartsbisschop van Mainz de dooden van hun zonden ontheven en de armezondaarskerk haar bestemming doen bereiken. Daarop heeft men de nu gezegende lijken ten tweede male in het gemeenschappelijke graf ter aarde besteld. Vele tranen moeten er toen in de nieuw gewijde kerk gestort zijn.

Het reuzenspeeltuig

Naar het schilderij van Cnopf.

Dit had plaats in het einde der dertiende eeuw. Eeuwen achtereen hebben de geloovigen Bladzijde 65en de priesters in dit kerkje bij Aszmannshausen voor de arme zielen der veroordeelden gebeden.

Boven in de burchten zijn ondertusschen vele geslachten uitgestorven, de trotsche burchten zijn vervallen en beneden zijn veelbewogen tijden voorbijgegaan. En de tand des tijds, die boven aan de burchten knaagde, is ook beneden aan het kerkje zijn verwoestingswerk begonnen, heeft het dak vernietigd en de muren afgebrokkeld.

In lateren tijd is er weer een kerkje in de plaats der ruïne ontstaan, en evenals voor zeshonderd jaar klinkt het woord van den priester weer aan het altaar van de Klemenskerk. Bladzijde 66

Rheinstein

Het huwelijksaanzoek

Op Rheinstein heeft een ridder gewoond, die buitengewoon strijdlustig was. Hij heette Diethelm. Van een rooftocht had hij eens als buit een mooi meisje, Jutta genaamd, mede naar huis gebracht. Evenals teedere klimop zich om den knoestigen eik slingert en zijn ruwen bast in glanzend fluweel verandert, zoo ook heeft deze jonkvrouw met haar vrouwelijk karakter uit den ruwen krijgsman na jaar en dag een braaf ridder gemaakt, die afstand deed van rooftochten en feestgelagen en de schoone Jutta, als belooning voor haar deugd en lieftalligheid, de hand reikte.

De eerste vrucht der jonge liefde kostte de teedere moeder het leven; maar Gerda, het evenbeeld der afgestorvene, groeide op tot een volmaakte schoonheid, zoodat vroegtijdig de minnaars van heinde en ver kwamen, en het aankomende meisje tot echtgenoote begeerden. Maar de ridder van Rheinstein was zeer lastig Bladzijde 67in zijn keus omtrent een pretendent en menigeen trok bedroefd, met een weigerend antwoord af.

Een was er echter, dien het meisje en ook de oude heer gaarne mochten lijden. Hij heette Helmbrecht en was de oudste afstammeling op Sternburg. Het was den jongeling gelukt het hart der jonkvrouw te veroveren, en eens, toen hij voor de tournooispelen op Rheinstein vertoefde, en Gerda met de met ringen versierde rechterhand de ridders op het burchtplein aanmoedigend den dank der vrouwen toezwaaide, deelde Helmbrecht haar zijn liefde mede. Eenige dagen daarna droeg hij, zooals de ridderlijke etiquette voorschreef, zijn oom Gunzelin von Reichenstein op zijn aanzoek over te brengen. Maar Gunzelin was niettegenstaande zijn rijperen leeftijd arglistig en valsch. In plaats van voor zijn neef, deed hij voor zich zelf aanzoek bij Gerda’s vader, en deze aarzelde niet den ridder uit een oud geslacht met aanzienlijke goederen zijn jawoord te geven.

Tot beider verbazing wilde de dochter van den rijken minnaar niets weten. Haar hart behoorde den neef, niet den oom. De toorn in het binnenste van graaf Diethelm groeide steeds aan, en door de hevige woede der laatste dagen, zwoer hij, dat de met goederen gezegende makker uit zijn jeugd zijn dochter zou bezitten, Bladzijde 68en dat de arme stakker von Sternburg haar nooit naar het altaar zou voeren.

In haar stille kamer weende het troostelooze meisje hartverscheurend, maar haar tranen vermochten de ijskorst om het hart van den vader niet te doen smelten. Tevergeefs smeekte de in’t geheim beminde bij den ouden heer toegelaten te worden, deze echter beriep zich op zijn ridderlijk woord, dat hij den heer von Reichenstein op handslag gegeven had.

En zoo brak de dag aan, waarop Gunzelin met het meesmuilend welbehagen van een ouden wellusteling, wien in den herfst de liefelijke lente toelacht, de schoonste jonkvrouw van den Rijn in zijn trotschen burcht zou binnenleiden. Gerda, die het zachte karakter van haar overleden moeder bezat, had zich in het onvermijdelijke geschikt.

De bruidsoptocht

Naar het schilderij van L. Herteridi (bij de sage van de Burcht Rheinstein).

Op een mooien zomermorgen begaf de bruidsstoet zich van de slotpoort van Rheinstein naar den nabij gelegen heuvel, waarop de Klemenskapel stond. Fanfares schetterden, bazuinen schalden. Op een sneeuwwitten telganger zit, het schoone hoofd treurig gebogen, de doodsbleeke bruid. Zij denkt aan den geliefde, die ver van haar is en even als zij door smart verteerd wordt. Daar vliegt opeens een zwerm gonzende paardenvliegen uit de Bladzijde 69struiken. Een daarvan steekt in den buik van het paard, dat de liefelijke vrouwenlast draagt, zoodat het dier, steigerend uit den bruidsstoet springt. De bruigom, op zijn prachtig opgetuigden hengst gezeten, springt moedig het schichtige paard na, maar daar de weg zoo smal is, doet hij een missprong en stort met zijn ros in de diepte. Stervend werd hij door de ontstelde bruiloftsgasten in den burcht gedragen.

De oude Diethelm was bij de poging, om het paard zijner dochter tot staan te brengen, even ongelukkig geweest; het woedende dier had hem het scheenbeen gebroken en dienstvaardige bedienden droegen den steunenden grijsaard voorzichtig naar het slot terug.

De heelmeester had de volgende weken, toen hij de gevolgen van een hevigen trap van het paard behandelde, geen gemakkelijke taak, bij den vloekenden burchtheer. Bij de eerst volgende kromming van den weg had zich echter een man voor het hollende paard geworpen, die het trillende dier tot staan gebracht en de bewustelooze bruid in zijn armen opgevangen had. Treurig gestemd, wilde hij, verborgen door de struiken, den bruidsstoet volgen en was zoodoende de redder geworden van haar, die alleen hem beminde. De heer van Bladzijde 70Rheinstein is, toen hij dezen afloop vernam, tot nadenken gekomen en heeft den geliefden zijn zegen gegeven. Hun stoffelijk overschot rust onder den steen voor het altaar van de Klemenskapel tegenover Aszmannshausen; burcht Rheinstein is hersteld en prijkt even schoon als weleer op de steile rotshelling. Bladzijde 71

Falkenburg

De Waldburg

De steeds opgeruimde slotheer van Falkenburg was in den heiligen oorlog tegen de Turken in de heete steppen van Phrygië voor de heilige zaak gevallen. Zijn vrome weduwe bewoonde met haar eenig kind Dietlinde den vaderlijken burcht. Deze jonge dame was bijzonder lieftallig en had een aantrekkelijk karakter, zoodat er vele edellieden waren, die de allerliefste jonkvrouw van Falkenburg, die het prachtige vaderlijke slot mede ten huwelijk zou brengen, tot echtgenoote begeerden.

Onder hen, die om de hand van het meisje dongen, was ook Guntram, een ridder uit een oud adellijk geslacht gesproten. Hij was de gelukkige veroveraar van Dietlindes hart.

Daar hij ook de moeder goed beviel, stond niets de vereeniging der beide geliefden in den weg. Onverwachts echter, toen alles reeds voor de bruiloft gereed was, kreeg Guntram een oproeping van den Paltsgraaf om in zijn residentie Bladzijde 72te komen. Daar kreeg de jonge ridder van zijn leenheer de eervolle opdracht zich met een gezantschap naar den hertog van Bourgondië te begeven.

Met een beklemd hart onderwierp Guntram zich aan dit bevel, man dapper afscheid van de weenende bruid en aanvaardde zonder oponthoud de reis.

Zoo snel, als ging hij op vleugelen, ving hij na verscheidene weken den terugtocht aan. Daar trof hem het ongeluk, dat hij op een onbegaanbare plaats in het bosch, van zijn gezelschap gescheiden werd en verdwaalde. Totdat de zon onderging zocht hij naar zijn geleiders zonder hun spoor weer te vinden. Na vele uren tevergeefs gezocht te hebben, ontdekte hij in de nachtelijke duisternis een licht, dat hem naar een eenzamen burcht in het woud leidde. Een grijsaard met zilveren haren heette hem welkom. Zacht waren zijn trekken, en de klank zijner stem evenals de uitdrukking zijner oogen waren treurig en vermoeid. Een rijkelijk maal sterkte den verdwaalden ridder, en een gemakkelijke rustplaats bood hem verkwikking voor het overige gedeelte van den nacht aan.

Toen Guntram met een vroom Ave Maria en met de gedachten vol trouw aan zijn verre bruid de oogen sluiten wilde, klonk uit een aangrenzende Bladzijde 73kamer een zacht, welluidend, en tevens verlokkend gezang.

Luisterende, hoorde de gast, dat een vrouwenmond een vurig minnelied zong. En de nieuwsgierigheid dreef hem, het wezen, te zien, dat aan den stillen nacht haar meisjesklachten toevertrouwde. Hij vond in de aangrenzende kamer een jonkvrouw, een zeldzaam bekoorlijk schepsel. Getroffen door zulk een vreemdsoortige vrouwelijke schoonheid sprak Guntram haar aan, die bij zijn binnentreden plotseling met zingen opgehouden had.

Hij ontving geen antwoord op zijn woorden en toen hij zijn toespraak herhaalde, ontmoette hij den zwijgenden blik van twee vurige oogen.

Toen hij naderbij komend voor de derde maal begon en teedere woorden van bewondering fluisterde, werd er plotseling, omgeven door verblindend licht, een marmeren plaat aan den muur zichtbaar, waarop in schitterend vlammenschrift de woorden stonden:


Musz dauernd schweigen;
Darf nicht mich zeigen.
Der Liebe Wesen
Kann mich erlösen.

Met de hand wees de jonkvrouw daarop. En de booze betoovering der liefde, droeg Bladzijde 74Guntram als op vleugelen in het land der bedwelming. Hij vatte onstuimig de sneeuwwitte hand en drukte zijn lippen op den mond der minzaam glimlachende sirene. Op zijn knie gezeten, zong zij zacht met liefelijke stem smachtende liederen aan de liefde gewijd.

Toen het twaalf uur sloeg, ontrukte zij zich uit zijn omarming en verdween. Een ring had zij in zijn hand achtergelaten. In zijn kamer teruggekeerd, las hij de daarop gegraveerde woorden: “Gij zijt de mijne.” Opeens stond het luid kloppende hart van den ridder seconden lang stil, toen hij tot besef van zijn trouwelooze handelwijze kwam. De rest van den nacht bracht hij, geheel ontnuchterd in wakenden toestand door. Met een haastige, doch hartelijke dankbetuiging aan den ouden gastheer, verliet hij tegen het aanbreken van den morgen den eenzamen burcht. Geen blik wierp hij achter zich. Een vriendelijk herder geleidde hem naar den straatweg. Uit diens mond vernam Guntram, terwijl hij doodsbleek werd, het geheim van deze afgelegen Waldburg:

De bejaarde ridder, die hem gastvrij ontvangen had, was eens de vader van een dochter, Gerlinde genaamd. Zij was zoo schoon als een engel, doch niet zoo braaf als een engel. Zij had van de vele minnaars, die om haar hart Bladzijde 75dongen, in zondige vermetelheid de meest ongehoorde daden geëischt, die hun allemaal het leven gekost hadden. Toen is er eens een troostelooze moeder van een van deze onzalige jongelingen voor het goddelooze meisje getreden en heeft de vloek des hemels over haar zondig hoofd afgesmeekt. En voordat het weer volle maan werd, haalde de dood ’s nachts de jonkvrouw uit de Waldburg. Sedert dien tijd dwaalde haar geest in het slot rond, teneinde elken mannelijken gast door haar vroegere bekoring te betooveren. Slechts de man, die aan haar verzoeking weerstand kon bieden, kon haar verlossen. Wie zich daarentegen door haar verlokken liet, stierf binnen driemaal negen dagen. Toen Guntram, bleek van schrik, deze boodschap uit den mond van den herder vernomen had, reed hij ontsteld weg. Op Falkenburg verwachtte zijn kuische bruid hem vol verlangen. Op dringend verzoek van den bruigom werd de bruiloft op den volgenden dag bepaald. In de feestelijk versierde burchtkapel stond Guntram met de allerliefste dochter van den ridder van Falkenburg voor het altaar. Toen echter de priester beider handen in elkaar wilde leggen, trad, slechts zichtbaar voor den bruigom, de spookachtige jonkvrouw van de Waldburg tusschenbeide en legde haar ijskoude hand in Bladzijde 76de zijne. En Guntram zonk, van zijn zinnen beroofd, op den steenen vloer neer.

Met teedere toewijding verzorgde de bekommerde bruid den geliefden man. Toen hij de oogen weer opsloeg, bekende hij haar berouwvol zijn wederwaardigheden op de Waldburg. Dietlinde’s liefde was zoo groot, dat zij den berouwvollen geliefde alles vergaf. De priester werd nogmaals geroepen en verbond hen in den echt. En, nadat ze driemaal negen dagen van zalig geluk doorgebracht hadden, ging graaf Guntram liggen en ontsliep vol berusting in de armen van zijn trouwe gade.

Dietlinde treurde aan de zijde harer moeder zeer om den verloren echtgenoot en bad veel voor de eeuwige rust van zijn ziel. Zij schonk het leven aan een zoon dien zij ook Guntram noemde. Zij voedde hem op in liefde voor zijn vader, dien hij nooit gekend had. Bladzijde 77