Sooneck
De blinde schutter
Op het rotsnest Sooneck, viert Siebold, de vermetelste der roofachtige arenden van den Rijn een losbandig feest. Op de rustbanken in de staatsiezaal liggen lichtzinnige vrouwen met gekrulde haren en geblankette wangen in de armen van dronken feestgenooten. En terwijl de muzikanten speelden en gevulde wijnkannen het kostbare maal bespoelden, sprak de burchtheer met een door den drank verhit gelaat en glimmende dronkemansoogen aldus:
“Veeledele vrouwen (hier bulkten de wellustige drinkebroers het uit) en veelvrouwige edelen! (brutaal gichelden de hetaeren.) Na spijs en drank genoten te hebben, zou de gastheer u gaarne zooveel mogelijk verstrooiing bezorgen. Ik zal u dus een gevreesd dier uit mijn kerker doen aanschouwen.”
Terwijl de vrouwen angstig in hun kussens wegdoken en de mannen vol verwachting den spreker aanzagen, gingen de deuren der zaal open. Door twee knechten geleid, schreed een Bladzijde 78man met verwaarloosde haren en baard in een harig gevangenisgewaad over den drempel. Een angstig gefluister deed zich onder de dischgenooten hooren, en aller blikken vestigden zich op het gerimpeld gelaat, waarin men achter de moe neergeslagen oogleden de ledige oogkassen ontwaardde. Weder begon de burchtheer op overmoedigen toon: “Aanminnige vrouwen en ridderlijke mannen! Eens was Hans Veit von Fürsteneck de beste schutter van den geheelen Rijn. Met hem vocht ik in een hevigen strijd op leven en dood. Hij dolf het onderspit.”
“Zonder helm, met gespleten schild en gebroken zwaard lag ik, uit dertien wonden bloedende, voor je en wachtte moedig den laatsten lanssteek af,” mompelde de gevangene met een stem, die uit een graf scheen te komen. En angstig zwegen alle aanwezigen.
“Ik had te veel medelijden met hem om hem dood te steken,” riep Siebold von Sooneck lichtzinnig uit, “en daarom liet ik hem slechts de beide oogen uitsteken en plaatste de beste schutter van den Rijn bij mijn andere rariteiten.”
“Mijn uitgestoken oogen zien je spotternij,” sprak de gevangene streng.
“En toch heerscht er nog een ridderlijke geest op Sooneck,” verklaarde de burchtheer.
“Zoo hoor dan: mijn knechten hedden mij Bladzijde 79meegedeeld, dat gij, zelfs blind zijnde, in staat zijt een uw opgegeven mikpunt met den pijl te treffen. Indien gij hiervan het bewijs kunt leveren, dan is de vrijheid uw loon.” Donderende bijvalsbetuigingen der gasten begeleidden deze woorden.
“De dood zou mij aangenamer zijn dan het leven,” mompelde de blinde. Toen verlangde hij, terwijl de uitdrukking van zijn gelaat eensklaps veranderde, pijl en boog. In een hoek, tegen elkaar aan gedrukt, sloegen de gasten zijn bewegingen gade.
De heer van Sooneck had een beker ter hand genomen en gelastte den gevangene op het geluid af op dat voorwerp te schieten. Met een zilveren klank valt in het volgend oogenblik een beker op den grond. “Schiet op nu,” klinkt Siebolds stem—en een pijl treft hem doodelijk in den mond. Rochelend als een slachtdier zonk, de aan den dood overgeleverde, ter aarde. Zwijgend en stil met de oogholten gapend geopend, stond de blindgemaakte man daar, het verwilderde hoofd op de onstuimig ademende borst gebogen. Als een zwerm opgejaagde kraaien stoven de heeren en de bevallige vrouwen uit elkaar, en bij het verstijfde lijk van Siebold van Sooneck prevelden de knechten en edelknapen een stil gebed. Bladzijde 80
Lorch
De vrouw van den Wispermolenaar
In den ouden tijd heeft in het woeste dal achter Lorch, dat de Wisperbeek doorstroomt, een molen gestaan. Eens, toen de molenaarsvrouw, een opgewonden jonge vrouw aan het werk was, moet haar een stem toegefluisterd hebben, dat ze naar den Kammerberg moest opstijgen en den schat halen, die in den toren verborgen lag; de sleutel bevond zich in de kist. De molenaarsvrouw keek verschrikt om, maar toen ze niemand zag, kwam ze tot de overtuiging, dat de een of andere onzichtbare grappenmaker haar voor den gek gehouden had. Den volgenden dag echter, toen zij aan de beek de wasch spoelde, fluisterde haar wederom een zachte stem in het oor: “Ga naar den Kammerberger toren en haal den schat. De sleutel ligt in de zwarte kist.”
Siegfried bij den lijkbaar
Naar het schilderij van Emil Lauffer.
Toen heeft de vrouw de wasch laten liggen, en haar man het tooversprookje, zooals zij het Bladzijde 81vernomen had, medegedeeld. Deze echter heeft haar voor een domme vrouw uitgemaakt en schertsend gezegd, dat in zijn meelkast een vertrouwbaarder schat lag, dan in de zwarte kist.
De molenaarsvrouw kon de woorden, die haar ingefluisterd waren maar niet vergeten, en steeds heviger maande de verlokkende stem van het spreukje, totdat zij haar geheel in haar macht had.
Den volgenden morgen, toen de molenaar uitgereden was om een lading meel naar Lorch te brengen, heeft zijn vrouw den molen verlaten, en is met haar jongste kind op den arm den weg naar den Kammerberg opgegaan. Toen zij boven aan de ruïne kwam, is het haar wel angstig te moede geworden, en was zij gaarne omgekeerd, maar wederom klonk de fluisterende stem aan haar oor, die haar mededeelde, dat haar niets deren zou, slechts spreken mocht ze geen syllabe. Wanneer ze zich hieraan hield, dan zou de schat haar eigendom zijn.
Moedig is de vrouw toen het donkere torengewelf binnengetreden, heeft haar knaapje buiten voor den ingang neergezet en de zwarte kist opgezocht. Zij heeft haar ook gevonden, evenals den sleutel, die daarin lag. Hiermede heeft ze de grootere kist geopend, die achter Bladzijde 82in het gewelf stond en toen ze het zware eikenhouten deksel oplichtte, straalde haar een hoop schitterende goudstukken tegen.
Met begeerige handen tastte de vrouw toe, opeens echter begon het knaapje angstig kermend: “Moeder, Moeder!” te roepen, want een slang ritselde naast hem in het met bloemen versierde gras. De vrouw wendde zich om en riep wrevelig uit: “Wat is er, jongen?” Op hetzelfde oogenblik ratelde een donderslag, die de gehurkt zittende vrouw op den grond wierp en vreeselijk weergalmde het nu door het gewelf: “Wee mij, dat gij gesproken hebt! Wederom moet ik honderd jaren onbevrijd blijven! Wee mij en u!”
Tegen den middag is de molenaar teruggekomen en heeft de molen leeg gevonden. Zijn knecht heeft hem medegedeeld, dat de molenaarsvrouw ’s morgens den Kammerberg opgegaan was, met haar jongste kind op den arm. Een droevig voorgevoel is bij den molenaar opgekomen en als ging hij op vleugelen is hij den Kammerberg opgesneld. Rustig was het in den ouden burcht. In het gras zat zijn knaapje te spelen en strekte juichend de armen naar den vader uit. Toen hij op het kind toesnelde, Bladzijde 83hoorde hij zacht kermen in de gewelven van den toren en toen hij ontzet naar binnen vloog, vond hij zijn vrouw op den grond uitgestrekt liggen.
Een bleeke man is in den molen van Wisperbach weergekeerd. Drie dagen daarna heeft het molenrad stil gestaan. Op het Lorcher kerkhof heeft men toen de vrouw van den Wispermolenaar aan de aarde toevertrouwd. Sedert dien tijd heeft niemand het gewaagd, den schat te verkrijgen. Bladzijde 84
Ruine Fürstenberg
De geest der moeder
Hoewel de burchtheer Lambert von Fürstenberg een levenslustig en genotzuchtig ridder was, zoo toch was hij zijn zachtzinnige gemalin Wiltrud, die van het geslacht der Florsheimers afstamde, zeer genegen, vooral nadat deze hem een zoontje geschonken had. Op een dag echter heeft het ongeluk zijn intrede in het kasteel gedaan in de gedaante van een jonkvrouw, Luckharde genaamd. Zij was de eenige, plotseling wees geworden, dochter uit een geslacht, waarmee de Fürstenbergers sedert oudsher bevriend geweest waren, een ontluikende vrouwelijke schoonheid, die niettegenstaande haar achttien lentes reeds een statig meisje en een verleidelijke schoonheid voor de mannen was.
De zachtzinnige burchtvrouw meende argeloos, dat Luckharde, die zij vol liefde in haar kring opgenomen had, haar, die sedert de geboorte van haar knaapje ziekelijk was, bij de huiselijke bezigheden gaarne behulpzaam zou Bladzijde 85zijn en zusterlijke liefde met wederliefde vergelden zou. Maar Luckharde’s geest hield zich meer bezig met beuzelarijen en vermaak, dan met huiselijkheid en vrouwelijke bezigheden. Hoe meer de maanden verstreken en haar verderfelijke schoonheid zich gelijk een donkere roos ontwikkelde, des te meer gelukte het haar, het hartstochtelijke hart van den burchtheer voor zich te winnen.
Onmerkbaar, doch geleidelijk kwam de ridder steeds meer onder de betoovering van de schoone vrouw, totdat de dag aanbrak, waarop vrouw Venus hen geheel in haar macht had.
Wiltruds oogen waren niet blind voor de goddelooze handelingen van den trouweloozen echtgenoot; maar door haar langdurige ziekte vond zij niet de kracht, de zonde met vlammend zwaard te bestrijden. Intusschen kwam door de heerschzucht en het verterende vuur der liefde het duivelsche plan in Luckharde’s hoofd tot rijpheid, om de gemalin van den heer Lambert uit den weg te ruimen. Op een nacht sloop de zondige vrouw in de kamer der burchtvrouw, naderde gelijk een kat de legerstede der sluimerende en verstikte de benijde Wiltrud, die te laat en zonder resultaat zwijgend weerstand bood, koelbloedig met haar kussen.
De droefheid over de meesteres, die volgens Bladzijde 86iedereen aan een gebroken hart gestorven was, was vooral onder het dienstpersoneel van den graaf zeer groot, doch bij hem zelf uiterst gering. In de armen van de zwartgelokte minnares vergat de heer Lambert spoedig zijn gemalin, en reeds na eenige weken nam Luckharde de plaats van de overleden burchtgravin in. Het knaapje, dat Wiltrud den ontrouwen echtgenoot nagelaten had, was de tweede vrouw tot ergernis. Zij wees den door genot willoos geworden Fürstenberg op de kinderen, die zij hem hoopte te schenken en zette het door, dat de eerstgeboren, natuurlijke zoon van den ridder in een afgelegen kamertje van den burcht aan de zorg van een brommige oude vrouw toevertrouwd werd.
Op een nacht, toen de oude plotseling ontwaakte, zag ze, dat zich een vrouwengedaante in een wit golvend kleed over het bedje van het knaapje, dat naast haar sliep, vol zorg boog en hem zegende. De oude heeft toen een kruis gemaakt en tot de veertien beschermheiligen gebeden. In alle vroegte, met de kenteekenen van den doorgestanen angst op haar gelaat, is zij naar de burchtvrouw gesneld, en heeft haar met bevende lippen de gebeurtenis verhaald, lachend heeft de lichtzinnige Luckharde het ongeloofelijke sprookje aangehoord, maar is Bladzijde 87toen op eens nadenkend en ernstig geworden. Zij heeft de oude vrouw bevolen zich den eerstkomenden nacht een legerstede bij het andere dienstpersoneel te bereiden, het kind echter in de torenkamer te laten. In haar met schuld bevlekte ziel was de veronderstelling opgekomen, die daarop als lood drukte, dat deze nachtelijke geest wellicht Wiltrud in eigen persoon kon zijn, die men bij vergissing voor dood gehouden had.
Zonder angst of gewetenswroeging bereidde ze zich tegen het aanbreken der duisternis een legerstede in de torenkamer. Een moorddadigen dolk hield haar rechterhand omklemd, en vastberaden zag de zondares den nacht tegemoet. En wederom vertoonde zich tegen middernacht de vrouwengestalte in het witte golvende gewaad, die de legerstede van den sluimerenden jongen naderde, hem verzorgde, kuste en zegende.
Terwijl Luckharde met starende oogen, bewegingloos bleef liggen, werd de nachtelijke verschijning steeds grooter, tot in het oneindige. Al dichter boog ze zich tot de liggende over, en het doodsbleeke gelaat van Wiltrud staarde met levenlooze verwijtende oogen de zondige vrouw aan. Het scheen deze, alsof een overhangende rots op haar hijgende borst nederstortte om Bladzijde 88haar te verstikken. Met een laatste krachtsinspanning gaf zij de verschijning een steek met haar dolk; maar het was, alsof het wapen een nevelachtig omhulsel doorboorde, en Luckharde bespeurde met steeds toenemend afgrijzen, dat de wezenlooze gedaante de geest van de vermoorde burchtvrouw was.
Geheel verpletterd door het besef van haar begane schuld, hoorde zij een stem, die uit een andere wereld scheen te komen, haar toeroepen: “Doe boete, doe boete!”
Den volgenden morgen wachtte de heer Lambert tevergeefs op zijn gemalin. In plaats van haar, vond hij een reep perkamentpapier, waarop Luckharde hem in berouwvolle woorden beleed, hoe zij zich in toomeloozen hartstocht aan zijn eerste vrouw vergrepen had, en hoe haar de geest van de overledene dezen nacht verschenen was, om haar aan den omvang van haar zonde te herinneren. De rest harer dagen wilde zij haar schuld in een klooster boeten. Zij verzocht haar vroegeren minnaar hetzelfde te doen.
De heer Lambert von Fürstenberg werd door deze mededeeling diep getroffen. Ook hij kwam tot inkeer, vertrouwde het slot en kind aan de zorg van den jongeren broeder toe en trok zich, tot aan het einde van zijn dagen, als kluizenaar in de eenzaanheid terug. Bladzijde 89
Bacharach
Burcht Stahleck
Het oude Bacharach heeft ook eenmaal schoone tijden gekend. Reeds lang voordat de vurige Bacharacher wereldberoemd werd—het was in het tijdperk, toen de grootvader de grootmoeder nam—werd hij door buitenlandsche wijnkenners in Romeinsche en Etrurische bokalen met liters tegelijk gedronken. Destijds hebben de dankbare drinkebroers ter eere van hun Wijngod op een rotsblok, dat zich tusschen een eiland en den rechteroever uit den vloed verheft, een altaar opgericht, en de Romeinen hebben ter eere van Bacchus, den lieftalligen knaap, de stad den naam gegeven, dien hij nu nog draagt. Al zijn ook de opschriften sedert langen tijd onleesbaar geworden, zoo weten de inwoners van Bacharach thans de oorspronkelijke beteekenis van den “Elterstein” (altaarsteen) nog zeer goed, en nog altijd verkleeden de schippers in overmoedige scherts een stroopop als Bacchus—evenals de boeren van Mecklenburg Bladzijde 90in den oogsttijd hun Wodan—plaatsen hem op den Elterstein en varen al zingende om hem heen.
Iets hooger dan Bacharach ligt de ruïne van de vesting Stableck. Ten tijde van Koenraad, den eersten keizer der Staufen, woonde daar een jong, eerzuchtig ridder, Paltsgraaf Herman. Hij was de neef des keizers en trotsch op deze hooge verwantschap, streefde de onbezonnen strijder naar uitbreiding van zijn paltsgraafschap. Hij begeerde niets minder, dan zich de bezittingen van de beide aartsbisschoppen van Mainz en Trier, die aan zijn gebied grensden, gedeeltelijk toe te eigenen. Hij beriep zich hierbij op rechten, die hij meende te bezitten. De naijver, die destijds onder de geestelijke en wereldlijke machthebbenden bestond, maakte, dat zich vele naburige ridders als bondgenooten aan hem opdrongen, en vermetel begon de paltsgraaf zijn strijd met de bestorming van de Moezelvesting Trier, die bij de Triersche parochie behoorde.
Adalbert von Monstereil, een moedig man, voerde destijds de heerschappij over de bisdommen Trier en Metz. Hij verzamelde dadelijk al zijn mannen, om den vermetelen roover van den wederrechtelijk veroverden burcht te verdrijven. De stoutheid van den paltsgraaf had Bladzijde 91hem overbluft, en de overmacht van zijn tegenstander stemde hem tot nadenken. Maar de aartsbisschop Adalbert was een verstandig man; op den morgen, dat de zijnen den burcht wilden bestormen, hield hij met het kruis in de hand een geestdriftige rede tot de ruiters. Hij deelde hun mede, dat de aartsengel Michaël hem in den afgeloopen nacht verschenen was, hem dit kruis overhandigd had en een zekere overwinning toegezegd had, indien elk strijder, in het vaste vertrouwen op de onzichtbare hulp van boven den vijand aantastte.
De redevoering van den aartshertog bracht zijn krijgslieden in geestdrift en wekte hen op tot woeste dapperheid. Geleid door hun veldheer, die met het kruis in de hand allen voorging, bestormden zij den burcht en versloegen het leger van den paltsgraaf. In hulpelooze vlucht stoven zijn troepen uit elkaar, en diep vernederd moest de eerzuchtige Stableck van de voortzetting van den strijd met den Trierer aartsbisschop afzien.
Zeer krenkte hem de smadelijke nederlaag, die hij geleden had. Met nog grooteren haat dacht hij aan zijn geestelijken buurman. Uit verbleekte Bladzijde 92documenten meende hij op te maken, dat hij werkelijk recht had op een gedeelte van het welvarende land, dat de bisschop van Mainz bezat, en hij liet niet na bij den bisschopsstoel te Mainz zijn aanklacht in te dienen. Met kouden spot werd zijn verzoek door den ernstigen Amold von Solnhofen opgenomen.
“Ik zal met dat paltsgraafje even gauw klaar zijn als met de stijfhoofdige inwoners van Mainz, waarvan velen het berouwen, dat ze zich tegen hun bisschop en kerkvoogd verzet hebben.”
Dreigend moet Arnold deze woorden uitgeroepen hebben, terwijl hij het verzoekschrift van den paltsgraaf verscheurde. Stableck werd deze uitspraak medegedeeld en weenend smeekte zijn jonge vrouw hem, niet ten tweede male de hand tegen den gezalfde des Heeren op te heffen. Hij echter keerde zich boos van haar af en zwoer zich op hem, die zoo schandelijk vermetel was zijn bezwaarschrift te verscheuren, te wreken. Het was hem bekend, dat von Solnhofen zich bij de inwoners van Mainz door zijn machtig regiment zeer gehaat gemaakt had, en hiermede wilde hij rekenschap houden, om den somberen tegenstander van land en kroon te berooven.
Wederom rustte Stableck, vereenigd met verscheidene Bladzijde 93moedige ridders zich uit tot den strijd tegen een kerkedienaar. In Mainz gistte het onder de burgers, en daarbuiten rukte de paltsgraaf met zijn mannen aan. De aartsbisschop was buiten zich zelf van woede, en in zijn duistere ziel smeedde hij een vreeselijk plan. Door twee gehuurde landsknechten werd de paltsgraaf verraderlijk vermoord. Groot was de droefheid van zijn ongelukkige gade.
De oproerige inwoners van Mainz hebben den wreeden landvoogd spoedig daarna afgezet, nadat ze zijn paleis stormenderhand genomen hadden. Met gloeiende wraak in het hart is hij teruggekeerd. Te vergeefs waarschuwden zijn vrienden hem, tevergeefs schreef Hildegard, de beroemde profeten hem uit het klooster Rupertusburg bij Bingen: “Keer terug tot den Heer, dien gij verlaten hebt: uw uur is geslagen.” Hij wilde daar niet naar hooren en zoo werd hij in de abdij bij den Jakobsberg voor de stad, waar hij toen verblijf hield, door de oproerlingen vermoord. Bladzijde 94
Burcht Gutenfels
Op een rots bij Kaub stond in de middeleeuwen de burcht van den heer van Falkenburg. Omstreeks het midden der dertiende eeuw werd hij door graaf Philip met zijn zuster Guta bewoond. De jonge gravin Guta was een buitengewoon lieftallige verschijning en vele ridders dongen om haar hand. Maar geen een had succes gehad; de jonkvrouw had volstrekt geen verlangen, het gezellige samenwonen met haar geliefden broeder, voor dat met een anderen man te ruilen.
Eens werd in Keulen een prachtig tournooi gehouden. Uit alle plaatsen van het rijk, zelfs uit Italië en Engeland waren ridders overgekomen. Ontelbaar was de menigte toeschouwers, groot het aantal van hen, die hier om den prijs, welken zij uit een schoone hand ontvangen zouden, met de wapenen streden. Onder hen bevond zich ook een ridder uit Engeland, die vooral door zijn flinke houding en Bladzijde 95prachtige wapenrusting opviel. Hij streed met gesloten vizier en werd door de commissie van het tournooi als de leeuwenridder afgeroepen, want een gouden leeuw versierde zijn schild.
Spoedig ook baarde de Brit door zijn meesterlijke wijze van strijden opzien, en toen het hem gelukte zijn tegenstander, een der meest gevreesde duellisten, met den lans uit den zadel te lichten, ging er een luid gejuich op. Onder de toeschouwers bevond zich ook de ridder van Falkenstein met zijn zuster. Ook Guta had met groote belangstelling den vreemden ridder gedurende het tournooi gadegeslagen, en het speet haar zeer, den gemaskerde niet in het aangezicht te kunnen zien.
Deze gelegenheid deed zich echter spoedig voor, toen de Brit als overwinnaar uit het strijdperk getreden was. Een zeldzaam gevoel, zooals ze vroeger nooit gekend had, kwam over de jonkvrouw, toen ze het mannelijk schoon gelaat van den Engelschman, nu onbedekt, voor zich zag. Haar verwarring steeg nog meer, toen men haar verzocht, den overwinnaar den prijs, een gouden lauwerkrans te overhandigen.
Of de ridder op het gelaat der bekoorlijke jonkvrouw las, wat deze te vergeefs trachtte te verbergen? Of er op het oogenblik, waarop hij voor het bevallige meisje neerknielde en Bladzijde 96zij met bevende hand den krans op zijn hoofd legde, een vonk van de vlam, die plotseling haar binnenste verteerde, flikkerend in zijn ziel gevallen was?
Wie weet het? Hierover zwijgt de sage.
Toen zij echter later tegenover elkaar stonden en verlegen met elkaar spraken, hij haar verstolen bewonderend, en zij haar gevoelens nauwelijks meester, kwam de liefde zacht aangeslopen. En toen ’s avonds de dansmuziek in de feestzaal weerklonk en de schoone Brit niet van Guta’s zijde week, kwam de liefde schroomvallig aangeslopen, eerst verlegen, totdat zij zich eindelijk met gloeiende woorden over de bevende lippen drong, en deze elkaar bekenden, wat de oogen reeds lang verraden hadden.
De trotsche vreemdeling had Guta om haar wederliefde gesmeekt en haar bezworen, hem trouw te blijven. Binnen drie maanden zou hij uit het vaderland, waarheen dringende plicht hem riep, wederkeeren. Eerst dan zou hij openlijk op den burcht haars broeders om haar hand dingen en zijn naam noemen, want een tevoren afgelegde belofte verbood hem dien thans mede te deelen.
Heinrich Frauenlob
Liefde brengt gaarne elk offer; ook Guta nam gewillig de woorden van den geliefden man Bladzijde 97aan, en onder beloften van wederkeerige trouw scheidden de gelukkigen.
Vijf maanden waren sedert dien tijd verstreken. Over het onbeheerde Duitsche rijk was het keizerlooze, verschrikkelijke tijdperk gekomen. In het Zuiden, in Italië stierf Koenraad, de laatste regeerende vorst uit het huis der Staufen en in het Noorden, in Friesland versloegen oproerige boeren zijn tegenkoning Willem van Holland. Weer weerklonk bij de daarop volgende verkiezing van een keizer de kreet: Hier Welf! Hier Waiblinger! En terwijl aan dezen kant Alfons van Castilie tot koning uitgeroepen werd, kozen ze aan gene zijde Richard van Cornwallis, den ridderlijken broeder van den koning van Engeland. Eerstgenoemde Spanjaard is steeds een vorst van het Schimmenrijk gebleven en heeft nooit het land opgezocht, waar men hem een troontje bereid had. Daardoor kreeg Richard nog meer aanhangers, en in Aken werd hij plechtig gekroond. Vanuit de oude keizerstad maakte hij een reis door het Rijnland om de plaatsen, waaraan hij voornamelijk zijn verkiezing te danken had, te begroeten.
De lente had haar intrede in het Rijndal gedaan, en de vloed, de bergen en burchten werden door de heldere zon beschenen. Alleen Bladzijde 98op het gelaat der lieftallige jonkvrouw, die treurig in haar kamer in de vesting van Falkenstein zat, wilde geen zonnestraal verschijnen. Stil verdriet had daarop zijn stempel gedrukt, en sedert twee maanden werden de wangen van de jonkvrouw al bleeker en bleeker. Gedurende dien tijd had het verdriet, haar trouwe metgezel haar zeer dikwijls het beeld van den geliefden man in de meest verschillende gedaanten voor oogen getooverd. Nu eens zag ze hem in een bloedigen veldslag stervende met haar naam op de lippen, dan weer verscheen hij in haar verbeelding schertsend en lachend, met een meisje van het eiland aan den arm, op luchtigen toon spottend over zijn liefje aan den Rijn.
En steeds vervolgden haar deze gedachten, en steeds sterker kwam zij tot de overtuiging, dat de eerste, dien zij haar jonkvrouwelijke liefde geschonken had, haar vreeselijk bedrogen had. Steeds meer stond het verdriet op haar smal gezichtje te lezen, en te vergeefs trachtte Falkenstein zijn zuster op te vroolijken en te verstrooien.
Van den straatweg klonk trompetgeschal, en een groot aantal ridders hield stil voor den burcht. Guta bemerkte den stoet en trad van het venster terug, waar ze met beschreid gelaat Bladzijde 99gezeten had. Met ridderlijke gastvrijheid ontving de graaf de gasten en geleidde hen in de staatsiezaal.
Groot was zijn verbazing, toen hij in een heer van het schitterend gevolg den statigen Brit herkende, den overwinnaar van het tournooi te Keulen—plotseling schoot Falkenstein het bloed naar de wangen—den ontrouwen, in het geheim verloofde van zijn geliefde zuster Guta. De vriendelijkheid, die op zijn trekken lag, maakte plaats voor sombere ontstemdheid. De andere scheen dit te bemerken; hartelijk drukte hij de hand van den burchtheer en zeide tot hem:
“Ik ben Richard van Cornwallis, tot Duitsche keizer gekozen en hierheen gekomen, om u de hand te vragen van uw zuster Guta, die zich vijf maanden geleden te Keulen met mij verloofd heeft. Ik kom mijn belofte wel laat, maar met dezelfde trouw, na. Ik verzoek u, haar mijn aankomst te melden, zonder mijn naam te verraden.”
Diep boog de graaf van Falkenstein zich voor den doorluchtigen gast, en eerbiedig ver wijderde het gevolg zich uit het vertrek. Met onrustigen tred liep de bezoeker op en neer. Daar gingen de vleugeldeuren open en een bekoorlijke gestalte verscheen op den drempel, het Bladzijde 100fijne gelaat door opwindmg hoog gekleurd. Met een zachten kreet wierp Guta zich in de armen van den geliefden man. Minuten van stil geluk verstreken.
Onbemerkt was Falkenstein binnengetreden, die zijn zuster nu mededeelde, wien zij als toekomstigen echtgenoot omarmd hield. Toen kleurden de wangen van de lieftallige jonkvrouw zich door verlegenheid nog donkerder en bedeesd en aarzelend vlogen haar blikken naar den geliefde. Deze echter sloeg de armen om haar heen en verzekerde haar, dat zij alles, dus ook den troon met hem deelen moest.
Eenige weken later werd de bruiloft van koning Richard met keizerlijke pracht op den burcht aan den Rijn gevierd, dien de overgelukkige Falkenstein, ter eere van zijn geliefde zuster Guta, den naam van Gutenfels gegeven had. Bladzijde 101
De Palts
Onder Kaub ligt op een rotsachtig eiland in den Rijn een mooie vesting, sedert eeuwen bekend onder den naam van de Palts.
Eenmaal had de liefde, die uit een koninklijk paleis verdreven was, in de donkere kamertjes van deze prachtige, met torens versierde vesting op het eiland een geheime samenkomst. Dat is echter reeds lang geleden. Het was ten tijde van Roodbaard. Destijds leefden als bannelingen op het door water omringde kasteel paltsgraaf Koenraads eigen vrouw en wettig kind, zijn aanvallig dochtertje Agnes.
En dit was aldus gekomen. De hemel had den paltsgraaf geen zoon geschonken, en dus moest de dochter erfgenaam der goederen worden. Machtige vorsten van het rijk hadden reeds om de hand van de sierlijke dochter van den paltsgraaf gedongen, en onder hen waren zelfs een hertog van Beieren en de koning van Frankrijk. Maar het meisje had reeds een keuze gedaan. De gelukkige was de jonge ridderlijke Bladzijde 102held van Brunswijk. Agnes had hem haar geheele hart geschonken en was zoo gelukkig, dat haar moeder dit verbond goedkeurde. Den paltsgraaf kon dit niet verborgen blijven, en deze ontdekking ontstemde hem zeer. Hertog Hendrik was een Welf en dus een rechtstreeksche vijand van zijn broer, den beheerscher der Staufen. De verwantschap met Brunswijk was daardoor onmogelijk, te meer, omdat de keizer reeds lang het plan koesterde, de dochter van den paltsgraaf aan een lid van zijn huis uit te huwelijken, opdat het paltsgraafschap voor de Waiblingers behouden bleef.
Met oprechte bezorgdheid herinnerde de paltsgraaf zich, dat de hertog van Brunswijk niet alleen een der schoonste mannen, maar ook een der moedigste strijders van de Duitsche ridderschap was. En zoo liet hij op een dag, nadat hij tot laat in den nacht over de netelige zaak nagedacht had, de Palts geheel opknappen, de donkere vertrekken, meer op hokken dan op kamers gelijkend, reinigen en in, orde brengen en verklaarde toen aan zijn gemalin en dochter Agnes, die hij beiden tot een tocht naar het eiland overgehaald had, dat hier nu voor onbepaalden tijd hun woonplaats zou zijn.
De waardige paltsgravin beklaagde zich zeer Bladzijde 103over de onrechtvaardige strengheid van haar heer gemaal en de schoone Agnes vergoot bittere tranen. Op verstandige wijze deelde Koenraad hun waarschuwend mede, dat zoolang zijn dochtertje niet van den Welf afzag, hij zijn noodzakelijk voornemen niet veranderen kon. Toen is hij zeer voldaan vertrokken, meenende een buitengewoon schrander plan uitgevoerd te hebben. De zalige jeugd lag echter reeds te ver achter hem, want anders had hij zich moeten herinneren, dat de liefde der jeugd—om een volstrekt niet dichterlijke vergelijking te gebruiken—evenals de spijker in den muur is: hoe meer men hem slaat, des te vaster houdt hij! Hij had zich ook te binnen moeten brengen, wat Salomo reeds in zijn Hooglied gezegd heeft: “De gloed der liefde is een vlam, die noch door stortbuien, noch door stormen uitgedoofd kan worden.”
En evenals de wind de vlammen aanwakkert en slechts de vonken uitdooft, zoo ging het ook hier met de scheiding der liefde; wat haar een hinderpaal moest zijn, dat werd haar juist ten voordeel. Beschut door de duisternis van den nacht bezocht de vermetele hertog der Welfen verkleed de vesting op het eiland. Agnes weigerde den geliefden man den toegang niet. Met vurige smeekbeden bestormden zij de moeder, Bladzijde 104opdat deze hun liefdesgeluk niet in den weg zou staan. De paltsgravin kon hieraan geen weerstand bieden.
Den volgenden dag, tegen het vallen van den avond, kwam er onbemerkt een priester op het eiland, die de hand van den Welf in die van de Staufin legde. In het lage vertrek van den burcht werd bij het bleeke schijnsel der kaarsen het huwelijk voltrokken. In het eenzame kamertje van de Palts hield de liefde, de onoverwinnelijke triomfeerend haar intocht.
Maanden van ongestoord, stil geluk waren Verstreken. Dagen waren echter in aantocht, die de paltsgravin, nog meer dan de jonge vrouw met zorg tegemoet zag. Het was hu dringend noodzakelijk den paltsgraaf hetgeen gebeurd was, mede te deelen. Op een dag, toen hij voor het eerst na langen tijd op het kasteel verscheen, viel zijn dochter hem te voet en onthulde hem een dubbel geheim. Eerst moet de waardige paltsgraaf als een steenen beeld gestaan hebben, maar toen in alle hem bekende talen geraasd en getierd hebben, totdat zijn zachtzinnige gemalin hem met zachte, vleiende woorden smeekte zijn dochter te ontzien, die Bladzijde 105wel bijzondere zorg noodig had. Toen is de vreeselijke toorn bedaard, en daar zijn trouwe echtgenoote hem nu zeide, dat hij zelf onbewust medegewerkt had, om een bitteren geslachtshaat door zijn geliefd kind te doen eindigen, toen ontspanden zijn harde trekken zich. Geleidelijk werden ze zacht en zachter, en eindelijk heeft de paltsgraaf zich tot zijn dochter overgebogen, haar zeer teeder bij den naam genoemd, en op de door water omringde vesting op het eiland is zacht de engel der verzoening nedergedaald.
Paltsgraaf Koenraad is aan het hof van keizer Roodbaard te Speyer verschenen en heeft zijn keizerlijken broeder met een zuurzoet gezicht het voorgevallene meegedeeld. De oude Roodbaard heeft daarbij geglimlacht en den edelen heer Koenraad gedankt, dat hij een middel gevonden had om de Welfen en Staufen nader tot elkaar te brengen. Ook bood hij aan, peet te worden over het kindje, dat verwacht werd.
Vervolgens is in de Palts een prachtig feest gevierd, en eenigen tijd daarna, heeft in het eenvoudige kamertje van den burcht, waar Bladzijde 106eenige maanden geleden de liefde, de onoverwinnelijke triomfeerend haar intocht had gehouden, de eerste kreet van een kind de gelukkigste moeder in verrukking gebracht. Dit alles geschiedde volgens den wensch van den paltsgraaf.
Nog altijd toont men den bezoekers dit kamertje van de Palts als herinnering aan deze gebeurtenissen. Bladzijde 107
Oberwesel
De zeven jonkvrouwen
Op een hoogte bij Oberwesel liggen de puinhoopen van een ridderburcht. Hij heette Schönburg en moet dezen naam te danken hebben aan zeven jonkvrouwen, die daar eenmaal gewoond hebben, en wier schoonheid ver door het Rijnland beroemd was. Zij waren zich hun bekoorlijkheid wel bewust, en toen het slot en bosch na den dood van den vader hun eigendom werden—door verdriet moet hij vroegtijdig gestorven zijn, daar de hemel hem geen zoon geschonken had—kwamen er vele vereerders opdagen, om naar de hand van een der zeven schoonheiden te dingen.
Maar de inborst der al te vroeg wees geworden zusters was zeer slecht, en de zwakke tucht van een oude tante vermocht hun overmoedigen, onvrouwelijken aard slechts ten deele te beheerschen. Toen nu ook dit familielid stierf, die bij hen de plaats der moeder bekleed had, brak de verderfelijke zucht naar Bladzijde 108vrijheid bij de levenslustige meisjes nog meer los.
Van de trotsche, schoone zusters van den burcht Schönburg bij Oberwesel deden vele vreemde verhalen de ronde, hoe ze uitreden en woeste jachtpartijen, ja zelfs de valkenjacht meemaakten, hoe ze menig knap ridder, die van een der jonkvrouwen de hand vroeg, eerst voor den gek hielden en hem door hun schandelijke behaagzucht in verrukking brachten, om den verliefden aanbidder ten slotte met spot en hoon af te wijzen.
Vervuld van schaamte en toorn heeft menig ridder den burcht bij Oberwesel verlaten en met verontwaardiging en verachting de namen der sirenen uit zijn gedachte verbannen, die eerst aan het oprecht gemeende aanzoek met gehuichelde bedeesdheid gehoor gaven, om dan den overgelukkigen minnaar met spottenden lach te verklaren, dat zij de vrijheid veel te lief hadden, dan dat ze die voor een man opofferen wilden.
Ongelukkigerwijs waren er toch altijd dwaze lieden, die deze praatjes niet geloofden en op den naam en manieren afgingen en hun geluk bij de zusters beproefden. Bij allen eindigde deze proefneming treurig. Geen aanbidder was het tot nu toe gelukt het hart van een dezer Bladzijde 109preutsche schoonen voor een dieperen indruk vatbaar te maken. Sedert eenige jaren hadden zij reeds hun laag spel gespeeld.
Eens heerschte er wederom luidruchtige vroolijkheid in de staatsiezaal van het slot. Een schaar ridderlijke figuren waren om de schitterende tafel gezeten, en onder hen waren ook in het volle bewustzijn van hun zegevierende schoonheid de zeven jonkvrouwen, die elkaar nog overtroffen in overmoedige scherts.
Een onaangenaam voorval bedierf voor een oogenblik de feeststemming; twee ridders hadden om een der zusters twist gekregen, en de hevige ijverzucht wond de jeugdige gemoederen steeds meer op. In hevige spanning volgden de anderen den woordenstrijd van de twee medeminnaars. In den beginne scheen men behagen te scheppen in den ridderlijken strijd, maar later, toen ze reeds van de zwaarden gebruik wilden maken, trok men de jongelingen van elkaar.
Een gelukkig woord vond een der dischgenooten om de opgewonden menigte te kalmeeren. Men zou, om de herhaling van een dergelijken twist te voorkomen, er op aandringen, dat de jonkvrouwen eindelijk een beslissing namen, opdat elk der pretendenten—want ze bekenden allen dit te zijn—eindelijk zou weten, waaraan hij zich te houden had. Deze Bladzijde 110voorslag werd zeer toegejuicht, alleen de burchtfreules waren ontstemd en keurden dezen aanmatigenden wensch zeer af.
Met alle behaagzieke kunsten bestormden zij de minnaars, zoodat ieder van hen dacht, dat hij de uitverkorene was, en eindelijk werd een der zusters wankelmoedig. Haar volgde een tweede, en eindelijk, nadat ze lang zacht met elkaar gefluisterd hadden, verklaarden ze allen met lachenden mond en veelbelovende gelaatsuitdrukking, dat ze den volgenden morgen over het lot van hun aanbidders beslissen zouden.
Het afgesproken uur brak aan, en in de staatsiezaal van het slot verzamelden de ridders zich in afwachting. Aller oogen hingen vol spanning aan de deur, waardoor de schoone meesteressen verschijnen zouden. De vleugeldeuren openden zich en een dienstbode meldde den ridders, dat de jonkvrouwen beneden in den tuin aan den oever van den vloed wachtten.
Snel begaven ze zich daarheen. Ontzettende verbazing teekende zich op hun gezichten af, toen zij beneden gekomen, de zusters in een boot aantroffen, die zacht aan den oever van den Rijn Bladzijde 111schommelde. Met een vreemdsoortig glimlachje wenkten zij de aankomenden; toen hief de oudste zich in de boot op en riep ver verstaanbaar:
“Geeft uw hoop op; want geen van ons zou het ooit invallen u te beminnen en te huwen. Wij hebben de vrijheid veel te lief, dan dat we die voor een man willen opofferen. Op een familiegoed in de buurt van Keulen denken we nog vele verliefde minnaars te ontnuchteren, evenals wij u gedaan hebben, edele heeren. De boot brengt ons daarheen. Vaarwel!”
Een spottend lachen besloot deze schimprede, en, terwijl het scheepje zich in beweging zette, weerklonk zevenmaal een spottende afscheidsgroet. Sprakeloos van schaamte en toorn stonden de bedrogen ridders daar. Op eens verhief zich een geweldige storm op de rivier. De boot wankelde en het lachen der zeven jonkvrouwen veranderde in gillend angstgeschreeuw. Het werd overstemd door het loeien der golven, die zich van de boot meester maakten en haar met haar inzittenden in de draaikolk begroeven.
Op de plaats, waar deze jonkvrouwen, wier harten zoo hard als rotsen waren, in de diepte verdwenen, verhieven zich zeven rotspunten uit Bladzijde 112het water. Nog heden steken deze zeven steenen, de zeven preutsche jonkvrouwen van die streek, waarschuwend uit den vloed omhoog.
Bisschop Willigis in den Kloosterschool
Rheinfels
De Georgslinde
Boven het liefelijke stadje St. Goar ligt Rheinfels, een der meest grootsche ruïnen van den Rijn. In het midden der dertiende eeuw werd deze buitengewoon versterkte vesting door graaf Dietherr, die tot het beroemde geslacht der Katzenelnbogen behoorde, gebouwd. Reeds na verloop van een tiental jaren heeft zij bloedige gevechten voor haar onneembare muren gezien; toen zes en twintig steden aan den Rijn haar gedurende vijftien maanden, te vergeefs belegerden en duizenden strijders voor haar wallen den dood vonden.
Vervolgens heeft sedert eeuwen de vlag van den Hessischen landgraaf van haar tinnen gewapperd. Ten tijde der Fransche revolutie, die op de mogendheden, welke hun tusschenkomst wilden verleenen, haar woeste troepen afzond, werd zij door Gallische krijgswoede in puin geschoten.
Even weemoedig als de geschiedenis van dezen meest indrukwekkenden Rijnburcht is de Bladzijde 114sage, die uit den tijd, dat nog ridders en schildknapen de vertrekken vulden, aan dezen burcht verbonden is. De graaf van Rheinfels bezat een allerliefst dochtertje. Onder de vele pretendenten, die de jonkvrouw ten huwelijk vroegen, bevond zich ook Georg Brömser uit Rüdesheim, en aan hem had ze haar hart geschonken. Niemand was daarover meer vertoornd, dan de ridder van Berge. Hij behoorde weliswaar tot een geslacht, waaruit eenmaal een Keulsch aartsbisschop gesproten was, maar hem ontbrak, behalve aardsche goederen ook in hooge mate een ridderlijk gemoed.
Daarom had de burchtheer van Rheinfels zich wel gewacht, zijn lieftallige dochter met haar aanzienlijken bruidschat aan van Berge toe te vertrouwen. Dit was de jonkvrouw volstrekt niet onaangenaam, want zij gevoelde voor den onstuimigen minnaar met zijn ruwe manieren niet de minste toeneiging. Daarentegen hing haar hart met innige liefde aan den ridder van Brömser.
Zoo werd, nadat de gebruikelijke engagementstijd verstreken was, de bruiloftsdag bepaald. Op een morgen echter, bij het aanbreken van den dageraad is de heer van Brömser op Rheinfels aangekomen, nadat hij den ganschen nacht op zijn dampend paard gezeten had. Hij Bladzijde 115bracht slecht nieuws. Zijn keizerlijk gebieder, Albrecht genaamd, had de ridderschap, die hem toegedaan was, ten strijde tegen de eedgenooten opgeroepen, die hun trouweed geschonden, de keizerlijke beheerders verjaagd en hun leenheer den oorlog verklaard hadden. De edelen van den Rijn hadden van den keizer een dringende oproeping gekregen ter bestrijding van dezen hooggaanden opstand. Als trouw vazal had de heer van Brömser geen minuut over de beslissing geaarzeld.
Hij troostte de verdrietige bruid met liefdevolle woorden. In het vertrouwen op God berustte het meisje in haar treurig lot, en de graaf van Rheinfels prees de vastberadenheid van den schoonzoon. Voordat deze wegreed, nam hij een lindeboompje, dat hij buiten in een boschje ontworteld had, woelde met zijn zwaard den grond om en plantte het twijgje daarin.
Toen sprak hij tot zijn bruid:
“Verzorg de ontspruitende linde, die ik hier ter eere van mijn beschermheilige plant. Zoolang zij groen is, moet gij mij trouw blijven. Indien zij eens verdort—Sint Georg moge het genadiglijk verhoeden—dan moogt ge mij vergeten; want dan ben ik dood.”
Weenend wierp de bruid zich in de armen van den ridder. Met de rechterhand hield hij Bladzijde 116haar teeder omvat, met de linker hief hij zijn zwaard op en verzocht haar, het sprookje, dat daarin gegraveerd was, dagelijks op te zeggen. Het luidde:
hilf got, du ewigs wort,
den leib hy, der fele dort,
hilf ritter sant georg.
Vervolgens begaf hij zich in den ochtendnevel langs den boschweg naar het keizerlijke leger, terwijl vele vurige wenschen en niet minder bittere tranen hem op zijn weg vergezelden.
De eene maand na de andere verstreek. In Duitschland vernam men met zorg, dat de strijd van den keizer tegen de Zwitsersche boeren een ongunstigen keer nam. Toen kwam het bericht van een vreeselijke nederlaag van het trotsche keizerlijke leger. Deze had bij Moorgarten plaats: een eenvoudig held, Arnold van Winkelried genaamd, heeft toen met opoffering van zijn eigen leven, voor zijn landgenooten den weg der vrijheid gebaand. Het stoffelijk overschot van vele graven en baronnen werd in die dagen aan de Zwitsersche aarde toevertrouwd, en in vele Duitsche burchten werden treurige tijdingen ontvangen.
Op Rheinfels bevond zich een liefhebbende jonkvrouw, die in angst en zorg over den beminden Bladzijde 117man verkeerde van wien geen boodschapper bericht bracht.
De treurige krijstocht tegen de oerkantons aan het Vierwoudstedenmeer was reeds lang geëindigd, en de hoop van de bruid van Rheinfels om haar bruigom ooit terug te zien, vervloog steeds meer.
Op een dag liet zich een vereerder van vroeger, Dietrich van Berge, de geldzuchtige bandiet bij haar aandienen. Hij was gekomen, om wederom de hand der begeerenswaardige dame te vragen, daar de heer Georg Brömser algemeen voor dood gehouden werd. Met treurige woorden antwoordde het meisje den hebzuchtigen aanbidder, dat zij haar verloofde altijd trouw zou blijven, zooals ze hem bij de linde voor de burchtpoort beloofd had. Slechts wanneer het aan Sint Georg gewijde boompje verdorde, was zij van haar belofte ontheven.
Knorrig nam van Berge afscheid. Op hetzelfde oogenblik begaf hij zich naar het bosch en zocht daar een verdorden lindeboom, die bijzonder op de groene linde aan de burchtpoort geleek. Den volgenden nacht sloop hij heimelijk naar den burcht, trok het lindeboompje uit de aarde en wierp het met een ruwen vloek in het stille water van den Rijn. Bladzijde 118Op dezelfde plaats plantte hij het verdorde stammetje.
Den volgenden morgen overschreed de dochter van den slotheer den drempel van den burcht en begaf zich in Gods heerlijke natuur, waar de lente in aantocht was. Daar ontdekte ze den verdorden lindeboom en een zachte smartkreet ontglipte haar. De volgende dagen en nachten heeft ze vele tranen vergoten. En na eenigen tijd kwam wederom, vervuld van leedvermaak, de ridder van Berge op Rheinfels en dong met begeerige blikken naar de hand van de dame, die thans vrij en van haar trouweed verlost was. Vol medegevoel, maar vastberaden wees deze wederom den zich opdringenden pretendent af, omdat zij haar bruigom, zelfs in den dood, trouw wilde blijven.
Toen vervoerde de toorn den afgewezene tot een schandelijke daad: Vervuld van haat trok hij zijn zwaard en stiet het de standvastige jonkvrouw in de borst.
Toen snelde hij, te laat tot bezinning gekomen, vol afschuw over de begane misdaad weg. Evenals vroeger de onzalige discipel des Heeren, beging hij zich in het donkere dennen boschje een ongeluk.
Op Rheinfels treurde men algemeen om haar die als onschuldig offer van haar trouw gevallen Bladzijde 119was. Midden in al deze ellende werd er een bezoeker aangediend. Hij kwam uit Zwitserland. Op het slagveld bij Moorgarten had een braaf landman den ridder tusschen een hoop dooden gevonden en hem, die uit vele wonden bloedde en vreeselijke pijn aan een beenbreuk leed, naar zijn boerenhutje medegenomen. Daar heeft de heer Georg Brömser vele maanden ziek gelegen, langzamerhand genas hij echter, maar moest nog lang veel pijn aan zijn been lijden. Eindelijk was hij, na veel uitgestaan te hebben, als een der laatsten naar den Rijn teruggekeerd, met den naam der bruid op de lippen, haar beeld in het hart.
Zwijgend wees de burchtheer van Rheinfels op het graf van zijn kind. Voor den verschen aardhoop hielden de oude en de jonge man elkaar innig omarmd. Vervolgens heeft de laatste den verdorden lindeboom van de burchtpoort in den Rijn geslingerd en het graf zijner overleden bruid met witte lelies beplant. Georg Brömser heeft voor den tweeden keer niet meer bemind, maar is de doode trouw gebleven tot aan het einde van zijn leven. In den omgang met ridderlijke zangers zocht hij vergetelheid voor het leed, dat hem getroffen had. Later heeft hij menig schoon lied gemaakt. Een daarvan is sedert eeuwen bewaard gebleven en is Bladzijde 120eerst in onzen tijd met de zangwijze in een oud manuscript gevonden; het is een even eenvoudig als roerend lied. Aan den Rijn kunt ge het nog dikwijls hooren zingen. Het luidt aldus:
Es steht eine Linde in jenem Tal:
O Gott, was tut sie da?
Sie will mir helfen klagen,
Dass ich mein Lieb verloren hab!