WeRead Powered by ReaderPub
Sagen van den Rijn cover

Sagen van den Rijn

Chapter 52: Rhense
Open in WeRead

About This Book

The collection gathers short Rhine-region legends and folk tales centered on castles, river-related mysteries, and local saints and heroes. Individual narratives recount supernatural encounters, tragic romances, moral lessons, and feats linked to landmarks such as towers, cathedrals, and ruins. Many pieces rework familiar medieval motifs, including ghosts, devils, enchanted clocks, and bewitched figures, while others preserve oral traditions about place names and customs. The arrangement alternates concise retellings with more elaborate, picturesque stories, using evocative descriptions of landscape and architecture to tie regional memory to popular imagination.

St. Goar

De Lorelei

I.

Boven Koblenz, waar de Rijn zich een weg baant door met druiven begroeide heuvels, verheft zich een steile rots: de Loreleirots. Als de boot van den schipper bij het vallen van den avond over het water glijdt, ziet hij met angst en eerbied naar den onmetelijk hoogen rotsachtigen top op. Evenals praatzieke kinderen fluisteren de nimmer moede golfjes elkaar wonderlijke sprookjes toe, terwijl de sage den grijzen top verheerlijkt en vreemde verhalen vertelt van een schoone, valsche nimf, die eens daar boven op den berg gezeten en zachte sirenenliederen gezongen heeft, totdat zij door een treurig voorval voor altijd verdreven werd.

Lang, zeer lang is het geleden! Of het waar is, wie zal het zeggen?

Destijds, als de nacht in een donker gewaad van de met druiven beplante heuvels neerdaalde en zijn stille gezellin, de bleeke maan, haar zilveren brug van schitterende arabesken Bladzijde 122over den groenachtig gouden vloed spande, dan klonk van de rots een wonderlijk vrouwengezang en een vrouw van goddelijke schoonheid verscheen op den top. Evenals een koningsmantel golfde haar goudblond haar over haar volle schouders en viel in fraaie lokken op het sneeuwwit prachtgewaad, dat haar trotsche gestalte in een lichte wolk scheen te hullen.

Wee den schipper, die op dit uur—waarop moegewerkte oogen zich sluiten en levenslustige harten zich openen—de rots passeerde. Evenals eens de dwalende held der Grieken, werd ook hij door het gezang betooverd. In zalige verrukking vergat hij alles om zich heen, zoodat zijn oog, even verblind als zijn ziel, geen acht op draaikolken en klippen sloeg. Maar de teedere vrouwelijke bloem, wier bekoorlijkheid hem boeide, bloeide op een graf. Terwijl hij, beroofd van zijn zinnen, op haar af stuurde, reeds droomende van haar bezit, maakten de afgunstige golven zich van zijn schip meester en slingerden het op het laatste oogenblik verraderlijk tegen de rots, die het, evenals de Magneetberg in het Noorden meedoogenloos aan haar harde borst verpletterde.

De doodskreet van het slachtoffer overstemde het woeste kabbelen van den Rijn. Nooit zag men den ongelukkige weer. Bladzijde 123

De jonkvrouw, die nog nooit door iemand van nabij gezien was, ging elken avond voort met zingen, zacht en verleidelijk, totdat de nacht door de kus van den aanbrekenden morgen verdreven werd, en de stralende dageraad den grijzen morgennevel uit de dalen verdreef.

II.

Ronald was een fier jongeling en een der vermetelste strijders aan het hof van zijn vader, den paltsgraaf van den Rijn. Ook hij hoorde van het goddelijke wezen. Zijn hart brandde van verlangen om haar te zien. Nog voordat hij de jonkvrouw aanschouwd had, vereerde hij haar reeds.

Hij verliet het hof en ging schijnbaar ter jacht. In werkelijkheid bracht hem een oud, ervaren schipper naar de rots. In het Rijndal brak de schemering reeds aan, toen de boot den reusachtigen berg naderde. Laag stond de ondergaande zon achter de bergen.

Daar verschijnt op eens een flikkering aan het blauwe uitspansel: de avondster. Heeft de beschermengel van den droomende jongeling deze zooeven aan den hemel geplaatst om den verblinde te waarschuwen? Bladzijde 124

Hij ziet omhoog, voor een oogenblik afgeleid.

Een zachte kreet van den ouden man aan zijn zijde.

“De Lorelei!” fluistert hij angstig, “ziet haar, de toovenaarster?”

Ronald antwoordt niet. Reeds zag hij haar. Ook hem ontglipte een zachte kreet. Met wijd opengesperde oogen keek hij omhoog. Daar stond de Lorelei. Ja, zij was het. Een stralend godenbeeld in een donkere omlijsting. Een welriekende wonderbloem, uit een ruïne gesproten. Dat was haar goudlokkig haar, dat was haar wit golvend gewaad.

Aan den rand van den afgrond zit zij en brengt haar goudblond golvend haar in orde. Een stralenkrans omgeeft het edele hoofd en laat, niettegenstaande de duisternis en den verren afstand, haar bekoorlijkheid zien. Heimelijke begeerte straalt uit twee vochtige, groote oogen, op twee zacht gekleurde wangen ligt een betooverende blos, en twee zwellende purperen lippen, rood gelijk een kers, openen zich om te zingen of te verhalen. Nu klinkt er gezang door de stilte, zacht en klagend, verleidelijk evenals de heerlijke nachtegaalslag in den stillen zomernacht.

Dan zwijgt zij.

In nadenken verzonken zit zij daar en tuurt Bladzijde 125mijmerend in het blauwe verschiet. Dan ziet ze naar den vloed onder haar en een schitterend oogenpaar rust lang in den starren blik van den jongeling. Haar oogen gelijken een paar zonnen, waarvan een verterend vuur uitgaat.

Een lichte rilling gaat door het lichaam van den jongeling. Nog steeds rust zijn blik op de trekken van de demonische vrouw, en geheel bedwelmd leest hij daarop het teedere sprookje van de liefde. Rots, vloed, alles smelt met den grootschen hemel samen, zijn oog ziet slechts haar aan den rotswand; slechts de blankheid van haar golvenden boezem, de saffieren van haar schitterende oogen. Te langzaam kruipt de bark door den vloed. Hij houdt het niet meer uit in de boot. Hij meent haar stem te hooren, onuitsprekelijk zacht en verleidelijk. De smeulende vlam wordt een verterend vuur.

Evenals een losgebroken veulen stort hij zich in den vloed.—De oever wenkt.

“Lore!”

Een doodelijke gil weerklinkt en overstemt den kreet der liefde.

Klagend weerkaatste de echo het geluid door de rotsen.

De golven zuchtten en lekten liefkoozend het ongelukkige slachtoffer. De oude schipper stiet een klaagtoon uit en maakte een kruis. Op Bladzijde 126dit oogenblik dreef een bliksemstraal de wolken uiteen, en doffe donderslagen dreunden door de bergen. Beneden fluisterden zacht de golven, en van de hoogte klonk opnieuw, dezen keer treurig en gelijk een zucht wegstervend, het spookachtig gezang der Lorelei.

III.

De paltsgraaf ontving spoedig de treurige tijding. Zijn vaderhart was vervuld van smart en toorn. Hij beval de valsche toovenaarster dood of levend bij hem te brengen. Op den namiddag van den volgenden dag zeilde een goed bemande boot den Rijn af. Vier schippers roeiden, stoere, door de zon gebruinde mannen. Somber ziet het oog van den stuurman onder de borstelige wenkbrauwen naar de rots, die ernstig en zwijgend wenkt. Smart en toorn staan op het gelaat van den breedgeschouderden man te lezen. Hij had verlof gevraagd de duivelsche verleidster, van den top der rots naar beneden in de golven te mogen werpen, waar haar een wisse dood wachtte—want haar tooverkunsten konden wellicht de gevangenen van hun boeien en kerker bevrijden. De paltsgraaf had het wraakplan goedgekeurd. Bladzijde 127

IV

De eerste schaduwen der schemering gleden schuchter over de slapende aarde. Rondom de rots stonden gewapende mannen. Met moeite beklom een der aanvoerders met drie flinke strijders de hoogte. Een licht gouden wolk omhulde den top van den berg. De mannen dachten, dat dit het avondrood was. Het was echter het magische licht, dat de jonkvrouw omgaf, die juist aan den rand van de rots verscheen. Droomerig keek zij voor zich uit en maakte met een gouden kam haar lokken in orde. Nu nam zij het parelensnoer van haar boezem en met welbehagen bevestigde de smalle witte hand dit boven haar voorhoofd in haar kapsel. Daar bemerkt zij de vertoornde mannen. Een wolk van misnoegen zweeft over haar trekken.

“Wat zoeken de zwakke zonen der aarde op deze hoogte?” Verachtelijk plooiden zich haar volle lippen.

“U, toovenaarster!” schreeuwde de aanvoerder toornig en met een spottenden lach voegde hij er bij: “U! Om U op den bodem van deze rivier te zien neerstorten.”

Een welluidend lachen weerklonk door de bergen. Bladzijde 128

“O, de Rijn zal zelf komen, om mij te halen!” riep de jonkvrouw uit. Ver over den afgrond, die onder haar gaapt, buigt zich haar lichaam. Haar hand rukt het lint, dat zij om het voorhoofd draagt, af en slingert het triomfantelijk in den vloed. Dan klinkt zegevierend van haar lippend het gezang:


“Vader, gezwind, gezwind!
Stuur de witte paarden aan uw kind!
Zij wil rijden op golven en wind!”

Daar verhief zich de storm, de Rijn begon bruisend te koken, en sneeuwwit schuim bedekte den oever. En twee golven met schuimende koppen, gelijkende op twee sneeuwwitte paarden, stegen uit de diepte tot aan de hoogte van de rots op en trokken de nimf in de bodemlooze diepte. Over haar heen brandden zij schuimend voort.

V.

Doodelijk verschrikt keerden de Bedienden van den paltsgraaf terug en deelden ontsteld het vreemde verhaal mede.

Ronald werd zeer betreurd. Bij zijn lijk, dat door een golf aan den oever gespoeld was, weerklonken de smartkreten van tallooze menschen.

Vanaf dien dag zag men de Lorelei nooit Bladzijde 129weer. Maar wanneer de nacht in een donker gewaad van de met druiven beplante heuvels nederdaalt, en zijn stille gezellin, de bleeke maan, haar zilveren brug van schitterende arabesken over den groenachtig gouden vloed spant, dan klinkt er een wonderlijk vrouwengezang, zacht en klagend, verleidelijk evenals de heerlijke nachtegaalslag in een stillen warmen zomernacht.

Zij verdween, de Lorelei, maar haar betoovering bleef.

Gij kunt haar aanschouwen, toerist, in de schitterende oogen, op de zachte wangen en op de rozenlippen van de meisjes van het Rijnland.

Gij zult haar daar aan den Rijn bespeuren, stralend van vreugde en geluk.

Wapen uw hart, bedwing uw gevoelens enl sluit uw oogen!

Hoe was toch de waarschuwing van den wijzen dichter van den Rijn?

“Mijn zoon, mijn zoon! Ga niet naar den Rijn...”

Zij verdween, de Lorelei, maar haar betoovering bleef. Bladzijde 130

Liebenstein en Sterrenberg

De vijandige broeders

In de middeleeuwen was slot Sterrenberg boven Boppard gelegen, een der schoonste burchten aan de oevers van den Rijn. In den tijd waarop onze geschiedenis speelt, werd hij bewoond door een oud paladijn van Koenraad, den Staufenkeizer, tengevolge van de verkiezing op de vlakte van Oppenheim bij Mainz. Twee zonen stonden den bejaarden krijgsheld ter zijde. Zijn vrouw sluimerde reeds lang onder de aarde. Sedert dien tijd klonk er zelden vroolijk gelach door de hooge gewelven.

Eens kwam er een lieftallige gast op het eenzame slot. Met haar kwam er een zonnestraaltje in de donkere vertrekken. Een verre neef uit het geslacht der Brömsers van Rüdesheim was gestorven en op zijn sterfbed vertrouwde hij zijn eenig kind, een bloeiend meisje, aan de zorg van zijn bloedverwant, den heer van Sterrenberg—Brömser toe. Bladzijde 131

De blonde Angela—zij verdiende dezen naam—werd spoedig aller lieveling op het slot. Zij vereerde den grijsaard als haar vader en beloonde de welwillende vriendelijkheid van de beide jongelingen met zusterlijke genegenheid. Wat eeuwen geleden gebeurde en nog altijd gebeurt, had ook hier plaats; de vriendschap der jeugdige ridders veranderde spoedig in liefde. Beide broeders dongen naar de gunst der jonkvrouw.

De bejaarde burchtheer bemerkte het, en een treurig voorgevoel maakte zich van hem meester. Hoewel hij voor beide zonen dezelfde liefde koesterde, zoo toch beviel hem het zachtzinnige, van zijn moeder geërfde karakter van zijn eerstgeboren kind beter, dan de vurige geest van Koenraad, den jongsten zoon.

Reeds vanaf het eerste oogenblik, dat de jonge wees op zijn familieslot gekomen was, had hij den wensch gekoesterd, dat de sierlijke jonkvrouw in het huwelijk zou treden met zijn lievelingszoon Hendrik, die den naam zijns vaders droeg en eenmaal den familieburcht bezitten zou.

In stilte beminde Hendrik Angela steeds vuriger. Zijn broeder echter maakte geen geheim van de hartstochtelijke liefde, die hij voor de jonkvrouw gevoelde en spoedig bemerkte de Bladzijde 132grijsaard met droefheid, dat het jonge meisje de genegenheid van dezen ridder beantwoordde. Ook den broeder bleef het geluk der beide jongelieden niet verborgen, en diepbedroefd begroef hij zijn liefde, een schuw kind, dat wellicht tot sterven veroordeeld was, omdat de spraak hem niet vroegtijdig gegeven was. En Angela? Wel ontging haar de zwaarmoedigheid niet, die op de trekken van den oudsten broeder te lezen stond. Zij ontroerde, toen ze eens bemerkte, dat zijn stem beefde als hij haar naam noemde; maar de zonneschijn van haar jonge liefde verblindde haar zoozeer, dat ze de wolken niet bemerkte, die een schaduw over de trekken van den ridder wierpen. Terzelfder tijd kwam Bernard van Clairvaux uit Frankrijk aan den Rijn en predikte over een nieuwen kruistocht tegen de ongeloovigen. Duizenden werden in geestdrift gebracht door de bezielende rede van den heiligen monnik. Ook op de vesting Sterrenberg werd zijn oproeping vernomen. Hendrik besloot aan den kruistocht deel te nemen. Hij kon niet langer op den burcht blijven, waar zij vertoefde, die hij hopeloos beminde. Maar ook de naar roem dorstende geest van den jongsten ridder werd zeer opgewonden door de onbekende bekoorlijkheid, die een kruistocht in het sprookjesachtige Morgenland Bladzijde 133aanbood. Zijn jeugdige kracht, die jarenlang op een afgelegen vesting in toom gehouden was, dorstte naar avonturen, die de vermetele kruisvaarders ver weg onder de Oostersche palmen in de woeste Levant wachtten. Nutteloos waren de smeekbeden en tranen van de liefhebbende jonkvrouw, nutteloos de smart zijns vaders, die hem smeekte, hem niet te verlaten.

Wanhopig was de grijsaard over het onwrikbare besluit van zijn zoons.

“Wie blijft op den burcht mijner voorouders, als gij hem verlaat om daar nooit terug te keeren?” riep hij smartelijk uit. “Ik smeek u, mijn oudste zoon, evenbeeld uwer moeder, heb erbarmen met het witte haar van uw vader! En u, Koenraad smeek ik, heb medelijden met de tranen van uw verloofde.”

Zwijgend stonden de broeders daar. Toen vatte de oudste de hand van den grijsaard. “Ik zal u niet verlaten, vader,” sprak hij aangedaan.

“En gij, Angela?” vroeg de jongste op trotschen toon aan de weenende jonkvrouw, gij zult het offer der scheiding brengen en een laurierboompje planten om mij daarvan een krans te maken als ik weerkom. Bladzijde 134

II.

Den volgenden dag verliet de jonge ridder den vaderlijken burcht.

Het jonge meisje scheen in het eerst ontroostbaar van smart. Zij schreide om den afwezigen geliefde en sliep toen in als een moegeweend kind. En toen ze ontwakend om zich heen keek, kwam de toorn, die den verloofde zacht beschuldigde en het beeld van hem, die zich om ijdelen roem van haar gescheiden had, eenigszins uit haar herinnering verdreef.

Meer dan vroeger bleven haar blikken op den fieren jongeling rusten, die een meisjesachtig gelaat op mannelijke schouders droeg, en die gedwongen was, onder een dak met zijn verloren geliefde te wonen. Zij bewonderde hem, die door ontelbare bewijzen van reine vriendschap haar leed trachtte te verzachten. Veel, wat haar vroeger ontgaan was; zijn groote moedigheid op de jacht, zijn bedrevenheid in het hanteeren der wapenen, vond zij thans bewonderenswaardig.

Het scheen, dat hij haar ontvluchtte, als vreesde hij de geesten der doode liefde te wekken, die in zijn ziel sluimerden. Angela echter voelde zich steeds meer tot den ridder aangetrokken. Zij trachtte hem duidelijk te maken, Bladzijde 135dat haar liefde voor den jongsten broer niets geweest was, dan een voorbijgaande jeugdige hartstocht, die gelijk met den persoon zelf verdween. Zij gevoelde zich ongelukkig, toen zij bemerkte, dat hij, dien zij verkelijk lief kreeg, voor haar slechts broederlijke genegenheid scheen te koesteren. En toch zou ze hem voor een woordje van liefde haar rijk, gevoelvol hart hebben gegeven.

De verandering van haar gevoelens was den ridder niet verborgen gebleven, maar trotsch en mannelijk verstikte hij elk opkomend gevoel voor de verloofde van zijn broer.

De grijsaard was hoogst bevredigd, toen Angela hem eens haar hart uitstortte. Hij bad God, de twee geliefde menschen bij elkaar te brengen, die volgens zijn inzicht een paar in den geest des Heeren zouden worden. In zijn droomen zag hij Angela reeds met een knaapje op den schoot, met blauwe oogen en blonde haren, evenals zijn overleden vrouw en zijn eerstgeboren zoon. Dan dacht hij plotseling aan den opvliegenden jongeling, die als kruisvaarder in het Heilige Land vertoefde en snel brak hij zijn droomen af.

Tegenover zijn familieburcht liet hij een indrukwekkende vesting bouwen. Hij gaf haar den naam van Liebenstein en bestemde haar Bladzijde 136voor zijn tweeden zoon, als hij van den kruistocht terugkeerde. Nauwelijks was de burcht voltooid, toen de grijsaard stierf.

Eenigen tijd later was de kruistocht afgeloopen. De heeren van den Rijn, die terugkeerden, brachten de vreemde tijding mede, dat graaf Koenraad een schoone voorname Grieksche vrouw mee zou brengen, waarmede hij in het Morgenland getrouwd was.

Toen de broeder dit vernam, fonkelden zijn oogen. De mededeeling leek hem onmogelijk. Hij berichtte de jonkvrouw de spoedige aankomst van haar verloofde. Haar lippen bewogen zich, maar zij was niet in staat een woord uit te brengen. Dikwijls ging zij naar den toren en richtte haar blikken naar het Zuiden.

III.

Eens, op een namiddag vertoonde zich een groot schip op den Rijn. Vreemde vlaggen woeien van de masten. Angela zag het vanaf de platform en riep den broeder. Het schip kwam naderbij; men hoorde het roepen van de stuurlieden en kon de gezichten van de bemanning onderscheiden.

Plotseling stiet de jonkvrouw een vreeselijken kreet uit en wierp zich weenend in de armen Bladzijde 137van den ontstelden ridder. Deze kromp ineen. Somber staarde hij naar het schip. De ridder, die daar in schitterende wapenrusting aan boord stond, was zijn broer. Een schoone vrouw vlijde zich tegen hem aan.

Het schip legt aan.

Het eerste springt Koenraad aan wal.

De twee personen op de platform waren verdwenen. Een schildknaap naderde den ridder en berichtte hem, dat het nieuwe slot, hem door zijn vader vermaakt, zijn eigendom was.

Denzelfden dag kondigde hij zijn bezoek op Sterrenberg aan. Toen hij voor de opgehaalde brug wachtte, liet zijn broeder hem zeggen, dat hij den trouwelooze, die zijn verloofde verlaten had, slechts met het zwaard in de hand ontmoeten wilde.

De beide burchten werden in schemering gehuld. Op den smallen weg, die de vestingen scheidt, stonden twee broeders in een strijd op leven en dood.

Dat was een verschrikkelijke broederstrijd.

Rechtvaardige toorn en gekrenkte trots deden de blanke wapenen kruisen. De beide tegenstanders, wier hoofden, uit de pantserhemden gloeiden, hadden dezelfde kracht, denzelfden moed. Rood druppelde het bloed uit de armplaat van den oudsten. Bladzijde 138

Daar gingen de struiken uiteen. Een wit-gesluierde jonkvrouw, met doodsangst op het gelaat, wierp zich tusschen de strijders. Het was Angela. Wanhopig klonk haar smeeken:

“In naam des Heeren, die u ziet, houdt op! In naam van uw zaligen vader, stuit den broedermoord. Degene, waarvoor gij de zwaarden trekt, gaat op dit uur nog in het klooster en zal God voortdurend bidden, u, ridder Koenraad uw trouwbreuk te vergeven en u te zegenen, evenals uw broeder.” De beide broeders lieten de wapenen zakken, Koenraad boog het hoofd diep en hield de hand voor de oogen. Hij waagde het niet de vrouw te aanschouwen, die hem zwijgend aanklaagde en in haar volle waardigheid voor hem stond. Hendrik vatte de hand der weenende jonkvrouw.

“Dank, zuster,” fluisterde hij. “Kom, de trouwelooze verdient je tranen niet.”

Door de schaduwen der boomen werden zij onzichtbaar. Zwijgend tuurde de ridder in de richting, waarheen zij gegaan waren. Een ongekend gevoel kwam over hem. Hij bedekte het hoofd en weende.

IV.

Op een afstand van een uur gaans ligt in het dal het klooster Marienburg. Achter zijn Bladzijde 139muren vond Angela rust. Tusschen Sterrenberg en Liebenstein verhief zich na verloop van eenige maanden een dikke muur, als stil bewijs van de vijandschap der beide broeders.

In het nieuwe slot volgde het eene feest op het andere. De mooie Grieksche vrouw vierde daar, te midden der ridders van den Rijn, de triomfen harer schoonheid.

Op burcht Sterrenberg heerschte diepe droefheid. Het was den ridder niet gelukt het besluit der jonkvrouw te veranderen. Sedert haar verdwijnen verminderden zijn krachten. Aan den voet van den berg liet hij een klooster bouwen en trok de monnikspij aan. Weinige maanden daarna ontsliep hij. Op denzelfden dag, zoo beschikte het lot, dat hen gescheiden had, luidden, de doodsklokken van het klooster Marienburg en verkondigden den dood van de verloren geliefde.

De heer van Liebenstein mocht zich niet lang in een duurzaam geluk aan de zijde van de verleidelijke vrouw verheugen. De hartstochtelijke Grieksche vrouw schond de echtelijke trouw en vluchtte met haar geliefde, een bevriend ridder, die gastvrijheid op Liebenstein genoten had. Overstelpt van smart en schaamte, stortte de burchtheer zich van de tinnen van zijn vesting in de diepte. Bladzijde 140

De burchten vervielen aan den ridder Brömser van Rüdesheim. Kerk en klooster staan nog altijd in het dal en worden jaarlijks door duizenden pelgrims bezocht. De beide vestingen zijn reeds lang vervallen. Terwijl beneden in het klooster Bornhofen dagelijks de klokken luiden en de plechtige gezangen van de bedevaartgangers weerklinken, heerscht boven tusschen de verlaten ruïnes, nog heden in de volkstaal “de Broeders” genaamd, treurige rust. Slechts dan, zoo heeft de Lorelei ons verraden, wanneer de volle maan in den zomernacht haar bleeke stralen werpt, hoort men op den smallen weg, die de vestingen scheidt, de zwaarden van de vijandige broeders kletteren. Bladzijde 141

Boppard

Klooster Marienburg

Op zijn burcht te Boppard woonde graaf Koenraad Bayer, die tot een hoogadellijk Rijnsch geslacht behoorde. Hij was nog jong, vol levenslust en dikwijls beheerscht door jeugdige onstuimigheid en gevaarlijke dartelheid, maar niet ontaard. Ongelukkigerwijs verkeerde hij in zeer slecht gezelschap, en de verderfelijke invloed, die deze lieden, waarmede hij drinkgelagen hield en ter jacht ging, op den jongen ridder hadden, verstikte menige goede kern, die in zijn ziel sluimerde.

Op een dag had hij de jonkvrouw van een naburigen burcht leeren kennen, en de betooverende lieftalligheid van de jonkvrouw had hem het besluit doen nemen om haar hand te dingen.

Hun vaders waren zeer bevriend geweest en gaarne ontving men den ridderlijken jongeling op het slot. Ook Marie de burchtjonkvrouw leerde hem achten en hoewel de buitengewoon Bladzijde 142krachtige mannelijkheid van den ridder het zachtzinnige meisje niet aangenaam aandeed, zoo toch koesterde zij een innige genegenheid voor den vermetelen jager en ridderlijken aanbidder.

Toen hij dus haar hand vroeg, gaf ze hem gaarne haar jawoord en verheugde zich er in zijn verloofde te zijn. Gelijk met de nieuwe maan zou de bruiloft plaats hebben en vol hoop op de toekomst bracht het lieftallige meisje de volgende weken van haar verlovingstijd door.

Minder vroolijk was de zielstoestand van haar bruigom. Op spottenden toon hadden zijn drinken jachtgenooten hem gelukgewenscht. Zij vonden het allen onaangenaam, dat het dolle jonggezellenleven in den burcht van den gastvrijen vriend zoo niet eindigen, dan toch zeer beperkt worden zou. En terwijl de een hem voorspiegelde van welk een heerlijke vrijheid hij lichtzinnig voor altijd afstand deed, trachtten anderen hem schertsend en spottend te overtuigen welke drukkende ketenen hij zich in den bloei zijner jaren vrijwillig op den hals wilde halen. In den beginne hoorde de ridder hen rustig glimlachend aan. Het beeld zijner verloofde verdrong de treurige tafereelen, die de welbespraakte heeren hem voor oogen stelden, doch toen zij steeds voortgingen met hem over Bladzijde 143te halen, werd hij besluiteloos. Trots en jeugdige overmoed kookten sterker dan ooit in zijn binnenste en verdrongen alle edele gevoelens.

Eens, toen de jonkvrouw den ridder verwachtte, kwam hij niet. In zijn plaats kwam er een brief, en bij het lezen daarvan viel ze in zwijm. Hij bevatte de verklaring van graaf Koenraad Bayer, dat hij zich nog niet rijp voelde, om het huwelijksjuk te dragen, en dat hij haar haar woord teruggaf.

II.

Weken waren verstreken.

Graaf Koenraad reed door het woud, dat tot zijn bezitting behoorde. In gedachten verzonken—hij was niettegenstaande de verhoogde vroolijkheid der drinkgelagen steeds treurig gestemd—had hij niet bemerkt, dat een ridder met gesloten vizier hem tegemoet draafde. Verrast hield hij hem aan en vroeg zijn naam en wat hij wenschte.

“Mijn wapenschild antwoordt u,” zeide de ridder met een bijzondere stem. “Maria’s wreker ben ik, die u van laffe trouwbreuk beticht en Gods oordeel over u en mij zal laten beslissen. Maak u gereed tot den strijd.” Deze trotsche uitdaging prikkelde den toorn van den ridder Bladzijde 144zeer. De klank van de gedempte stem had hem zeer opgewonden, het wapen van het schild behoorde tot het geslacht van zijn vroegere verloofde. Het moest haar broeder zijn, die in het Morgenland vertoefde, overlegde hij bij zich zelf, en gaarne had hij het tweegevecht vermeden.

Maar reeds reed de tegenstander voor. Het was een korte strijd. De zwakke arm van den vreemdeling was ongeoefend, door een forschen stoot van ridder Bayer, die zich door zijn pantser heenboorde, zonk hij zonder geluid te geven ter aarde. De overwinnaar snelde toe, om den helm los te maken. Een kreet van ontzetting kwam over zijn lippen.

In de handen hield hij het hoofd zijner verlaten bruid, uit een gapende wond vloeide bloed.

“Door uw hand zocht ik den dood, sedert uw trouw voor mij gestorven is.” Zij fluisterde dit met brekende stem, terwijl de wanhopige ridder zich over de stervende heen boog.

Sedert dien dag was in het slot te Boppard de feestvreugde voor altijd verstomd; stil werd het ook in het woud, waar vroeger dikwijls Bladzijde 145jachthoorns en hondengeblaf weerklonken hadden. Op deze plaats in het bosch heeft men een klooster gebouwd, Marienberg genaamd (nog steeds draagt het dezen naam), en daaraan heeft ridder Koenraad Bayer, de stichter, al zijn goederen vermaakt om zijn schuld te boeten. Hij zelf is naar het Heilige Land gegaan, waar de vrome kruisvaarders met de ongeloovigen vochten over het bezit van de Heilige plaatsen. Zonder pantser heeft hij gevochten—men zegt, dat hij steeds opzettelijk het strijdgewoel opzocht—en wonderen van dapperheid heeft hij in het leger der kruisvaarders verricht. Daar trof hem, bij de bestorming van Ptolomeus een vijandelijke lanssteek.

Hij stierf in het vertrouwen op God en met den naam van zijn ongelukkige verloofde op de verbleekte lippen. Bladzijde 146

Rhense

Keizer Wenzel

In de omstreken van Koblenz, niet ver van den oever van den Rijn, staat op een bloemenrijke weide de historische Koningsstoel. Hier op Rhenser grond, waar het gebied van de drie groote bisschoppen van Keulen, Mainz en Trier aan elkander grenst, verzamelde het vorstelijke zevental zich, om den nieuwen gebieder van het heilige Romeinsche rijk te kiezen. Hier werd als eerste bij de vrije vorstenverkiezing Karel de Vierde, de vader van Bohemen en de stiefvader van Duitschland gekozen; hier koos ook het zevental Wenzeslaus, den zoon van den Luxemburger tot Duitschen keizer. Bij zijn leven had de keizer reeds veel moeite gedaan, dat zijn oudste zoon verkozen werd, en was in hoogst eigen persoon met hem naar Rhense aan den Rijn getrokken, alwaar in den beroemden Koningsstoel de kanselier van het rijk, de aartsbisschop van Mainz dikwijls gewichtige Bladzijde 147conferenties hield met de bisschoppen van Trier, Keulen en den paltsgraaf.

Destijds was Wenzeslaus van Bohemen verrukt over den Rijn en zijn heerlijken wijn, en toen hij later werkelijk, minder door eigen verdienste, dan door de bemoeiingen van zijn vader en de genade van den keurvorst, keizer van Duitschland werd, terwijl zijn broeder Sigismund het onvruchtbare Brandenburg erfde, heeft hij den Rijnwijn meer eer aangedaan dan eenig drinkebroer. Het goud der druif trok hem meer aan dan dat der kroon, en daar een lekker glas wijn nergens zoo goed smaakt als aan de bron zelf, zocht hij zeer dikwijls den braven paltsgraaf van den Rijn op, die in den gezegenden “Rheingau” woonde en meer fusten in zijn kelder had dan er heiligen in het jaar zijn. Den hoogedelen Ruprecht van de Palts was dit bewijs van ’s keizers vertrouwen volstrekt niet onaangenaam, en door buitengewone gastvrijheid trachtte hij zijn keizerlijken gast steeds genadiger voor zich te stemmen.

De slimme Ruprecht zou niet ongaarne het paltsgrafelijke kroontje voor de keizerskroon verruild hebben, en als zijn vorstelijke gast, door den wijn in een vroolijke stemming gebracht, hem mededeelde hoe lastig de keizerlijke praal voor den drager daarvan was, dan Bladzijde 148gaf de paltsgraaf hem uit den grond van zijn hart gelijk. Hij liet ook niet na zijn gebieder mede te deelen, hoe weinig de wijze keurvorsten over het nalatig bestuur van het rijk gesticht waren, en hoe verheugd ze over zijn mogelijk aftreden zouden zijn. Keizer Wenzel hoorde dit, zittende achter zijn volle bokaal met ijzige kalmte aan en dronk onderwijl het eene glas na het andere uit.

Eens zat de keizer weder met zijn mededrinkers bij den Rhenser Koningsstoel en algemeen heerschte er een vroolijke geest, want de paltsgraaf schonk vurigen Aszmannshäuser in groote bokalen. Met welbehagen proefde Wenzel den edelen drank en de overige drinkers hadden geen woorden genoeg, om het edele vocht te prijzen.

En terwijl de bekers rondgingen en vroolijke melodiën in de koningshal weerklonken, verhief de keizer zich plotseling van zijn zetel, en door den wijn overmoedig gestemd, zeide hij tot den paltsgraaf:

“De kroon, die men mij op het hoofd gezet heeft, zou u niet lastig zijn. Welnu, ik bied haar u aan, indien gij mij en den anderen gasten een wijn schenkt, die nog beter smaakt, dan deze Aszmannshäuser.”

Toen knipte de paltsgraaf zeer vroolijk met de oogen, wenkte daarop zijn schildknaap en Bladzijde 149na een poosje sleepten de knechts een bestoven vat naar binnen, waaruit dadelijk de bekers gevuld werden. En de paltsgraaf verhief zich en bood de eerste bokaal den keizer aan.

“Dit is mijn Bacharacher, edele Heeren! Proeft hem; ik onderwerp mij zonder vrees aan uw oordeel.”

En men hoorde een welbehaaglijk slurpen en zag vele voldane gezichten. De vurige Bacharacher vond algemeenen bijval, en keizer Wenzel verhief zich en gaf hem luid de voorkeur boven den Aszmannshäuser. Hij kon het edele druivensap niet genoeg prijzen en proeven.

“De wijn is meer dan kronen waard,” sprak hij na elke ferme teug.

Hij heeft ook woord gehouden. De heer Ruprecht van de Palts kreeg de koningskroon en schonk keizer Wenzei uit dankbaarheid zes groote vaten Bacharacher wijn. Bladzijde 150

Burcht Lahneck

De tempelier van Lahneck

Tegenover Koblenz boven Lahnstein verheft zich op den vijfhoekigen Bergfried, Lahneck, een der weinige burchten, die uit ruïnen tot goed bewoonbare kasteelen herschapen zijn. Aan Lahneck, dat in hetzelfde jaar als het Heidelberger slot door de horden van Lodewijk den Dertienden neergeschoten werd, is een treurige sage verbonden. Door de tempeliers, wier ordehuis in Jerusalem stond, moeten deze vestingen gebouwd zijn, waarvan de wachttoren dertig meter boven de kamers uitstak.

De rijkdom der tempeliers bracht hun ongeluk te weeg. De lage koning der Franschen Philipp, die den bijnaam van den Schoone had, bewerkte bij den paus, op grond van gefungeerde zware beschuldigingen, dat de veel gesmade orde opgeheven werd, en haar grootmeester met vijftig volgelingen op den brandstapel gebracht werden. Overal werden de veroordeelde ridders op gruwelijke wijze uitgeroeid, waarbij Bladzijde 151verbeurdverklaring hunner aanzienlijke goederen meer dan de geloofsijver tegen de vermeende ketters en zondaars de drijfveer was.

Op het trotsche Lahneck, dat twaalf tempeliers met dienstpersoneel herbergde, richtten zich de begeerige blikken van Peter van Aspelt, den aartsbisschop van Mainz. Tegen zijn bevel, dat hij op grond van hun zoogenaamde afkeurenswaardige levenswijze uitvaardigde, om den burcht te ontruimen en den witten wapenmantel met het roode kruis voor de boetende monnikspij te verruilen, verzette het twaalftal zich als ridders zonder vrees of blaam.

Dit hitste de hebzucht en toorn van den bisschop nog meer aan. Van den Hoogepriester, dien hij, toen deze te Avignon zwaar ziek lag, met goed gevolg verpleegd had, verkreeg Peter van Aspelt een bijzonderen vrijbrief, die hem de macht over de bezittingen en het leven der bannelingen te Lahneck gaf. Hij trok dus met vele vazallen en soldaten den Rijn af en gaf den tempeliers het pauselijk geschrift over, met bevel zich te onderwerpen. Indien zij weigerden te gehoorzamen, zou de burcht stormenderhand genomen worden, en de bewoners als onboetvaardige zondaars door de handen van den beul een smadelijken dood sterven.

De oudste der twaalf ridders, een grijsaard Bladzijde 152met zilveren haren, legde in naam van zijn broeders de verklaring af, dat ze vast besloten waren tot den laatsten druppel bloed te strijden; eveneens waren ze bereid, evenals hun broeders in Frankrijk folterkwelling en ketterdood te verdragen.

Zoo begon de strijd van de overmacht tegen de minderheid. Met bebloede hoofden werden zij, die tot de partij van den keurvorst behoorden, door de ridders en hun getrouwe schildknapen teruggedreven; maar steeds zond de vertoornde aartsbisschop andere mannen in het strijdperk. Het aantal der verdedigers slonk met den dag. Onder hen blonken in dezen strijd van man tegen man de heldenfiguren der twaalf tempeliers in den witten mantel met het bloedroode kruis uit. Daar zonk een der twaalf ridders met brekende oogen naast de met leeuwenmoed verdedigde muur onder het verbrijzelde schild neder; de tweede volgde hem en toen de derde. De anderen, die uit vele wonden bloedden, verdubbelden met de weinig overgeblevene burchtlieden hun dapperheid; maar onbarmhartig maaide de dood in hun midden.

Toen op den avond na de hevigste bestorming de belegeraars de overwinning behaald hadden en hun vlag op de veroverde tinnen plaatsten, stond de grijsaard met het zilveren Bladzijde 153haar, die voorheen het woord gevoerd had, als laatstovergeblevene met zijn met bloedbevlekt zwaard tusschen de lijken van zijn gevallen broeders.

De bisschop, getroffen door zooveel heldenmoed, beval hem zich over te geven.

Hij echter vervloekte den hebzuchtigen kerkvoogd en ging met hoog opgeheven zwaard op zijn vijanden af. Hun slagen deden ook den laatst overgeblevene van het twaalftal vallen, en over het lijk van dezen held drongen de Mainzers in den thans onbeheerden burcht.

Peter van Aspelt maakte Lahneck tot verblijfplaats van den baljuw van het Keurvorstendom Mainz en benoemde tot eersten hoofdschout Hartwin van Winningen. Zoo behoorde de burcht ruim driehonderd jaar tot het Keurvorstendom Mainz; maar de treurige geschiedenis van de twaalf tempeliers op Lahneck is steeds in die omstreken bewaard gebleven. Bladzijde 154

Stolzenfels

Het dochtertje van den kamerheer

De heer Koenraad van Isenburg, keurvorst van Trier, was een zeer hebzuchtig man. Toen de bisschop van Mainz, niettegenstaande het machtwoord van den keizer, dat hij niet bevoegd was, den vrijen doortocht op den Rijn te belemmeren en belasting van de reizigers te heffen, de Rijnbelasting invoerde, deed hij hetzelfde. Bij den burcht Stolzenfels, dien hij op een boschachtigen bergtop gebouwd had, liet hij een sterk tolhuis bouwen. Het beheer hiervan gaf hij in handen van zijn kamerheer Gerhard Frundsberg.

Deze slotvoogd was nog hebzuchtiger dan zijn heer. De drukkende tolgelden, die hij op Stolzenfels hief, waren haast ondragelijk, zoo gebruikte hij b.v. speciaal daarvoor afgerichte honden, die de rondtrekkende joden moesten opspeuren en wanneer die hun smokkelarij ontdekt hadden, moesten ze dubbel tol betalen. Bladzijde 155

De beheerder Frundsberg beging hierbij het groote schelmstuk het aartsbisdom voor een gedeelte van de belastinginkomsten te berooven, en door zijn steeds grooter wordende rijkdom werd zijn hebzucht nog meer aangewakkerd. Een rondtrekkend Italiaan, Lionarde genaamd, die door zijn geheimzinnige kennis van de planeten bij ridders en geestelijken voordeel zocht te behalen, hoorde van de schraapzucht van den Stolzenfelser slotvoogd. Hij verzocht den heer Frundsberg om een vertrouwelijk onderhoud en beroemde zich er toen op, dat hij in de raadselachtige kunst der alchimie het onmogelijke tot stand kon brengen. Volgens zijn zeggen was hij een adept, dat is iemand, die de wonderbaarlijke kunst verstaat met de beide geheime middelen, zooals de steen der wijzen en elixir alle onedele metalen in zilver en goud te veranderen, ook kon hij met den eersten, Grootelixir of Panacée des Levens genaamd maken, dat verdund als vloeibaar goud alle gebreken genas, den ouderdom verjeugdigde en het leven verlengde.

Met lichaam en ziel gaf de hebzuchtige administrateur zich aan den Italiaanschen adept over. Hem ontging in zijn eerzuchtige verblindheid, dat het den valschen man alleen om zijn vermogen te doen was, en in afwachting van Bladzijde 156de hem Voorgespiegelde schatten, liet hij zich meer dan ooit tot lage verduistering van hetgeen aan het Keurvorstendom behoorde, verleiden. Handenwringend smeekte Gertraud, zijn lieftallig dochtertje, hem, zich niet in het verderf te storten. Maar haar smeeken vond bij den verstokten vader geen gehoor.

Daar verscheen op een dag de heer Koenraad van Isenburg op Stolzenfels, om van zijn kamerheer Gerhard Frundsberg rekening en verantwoording omtrent de Rijnbelasting te ontvangen. En met angst zag de ontrouwe rentmeester het uur van de afrekening tegemoet.

In haar doodsangst smeekte Gertraud den alchimist om redding in den nood. En terwijl zijn oogen begeerig schitterden, deelde Lionardo haar mede, dat alleen de zelfopoffering van een jonkvrouw in staat zou zijn den vader te redden. Door zulk een offer zou hij ontelbare koninklijke schatten en eer verwerven, later een gelukkigen ouderdom, kortom al het aardsche geluk zou hem beschoren zijn. Zwijgend hoorde het meisje deze woorden aan en verklaarde zich toen bereid, haar jong leven terwille van den innig geliefden vader te geven, hetgeen, volgens zeggen van den Italiaanschen toovenaar de geheimzinnige machten der alchimie eischten.

Tegen het aanbreken van den volgenden Bladzijde 157nacht begaf zij zich naar de afgelegen torenkamer, die Lionardo als meest afgezonderd vertrek voor zijn goudmakerskunsten gebruikte. Over een groote tafel in het midden van de kamer was een purperen kleed gespreid; een schaal stond daarop, en daarnaast lag een dolk. Op een drievoet, die daarbij stond, kronkelden blauwachtige vlammetjes omhoog en hulden het lage vertrek in een benauwend schemerlicht.

De goudmaker reikte het doodsbleeke meisje een blinkend wit linnen laken over en beval haar vervolgens haar kleeren af te leggen, zich op het purperen kleed op de tafel uit te strekken en haar jonkvrouwelijk lichaam met het laken te bedekken.

Terwijl het opofferende meisje in droefgeestige stemming aan haar onzaligen vader dacht en deed wat haar bevolen was, boog Lionardo zich over de offervlam, verbrandde daarin een stukje hout, afkomstig van het gebergte Libanon, en mompelde in zijn puntbaart onverstaanbare woorden. Vervolgens trok hij, terwijl de jonkvrouw de oogen van schaamte gesloten hield en haar reine ziel den Heer aanbeval, snel het omhulsel van haar af en zwaaide, terwijl hij met fonkelende oogen zijn tooverformulier ten einde prevelde, den dolk in de opgeheven Bladzijde 158rechterhand in de richting van het hart van het meisje.

Op hetzelfde oogenblik werd de deur geopend. Met een ijzeren greep omklemde een hand den opgeheven arm, en een slag deed den toovenaar als een slachtdier ter aarde storten. Over Gertraud, die blozend het laken om haar kuische leden hulde, boog jonkheer Reinhard van Westerburg, de jeugdige hoofdman van de keurvorstelijke bezetting op Stolzenfels zich met gepasten eerbied. Het opofferende meisje beleed hem alles, wat er gebeurd was. Hij echter deelde haar mede, hoe hij, door haar zonderling gedrag van dien avond verschrikt, angstige voorgevoelens had gekregen en het sedert langen tijd in stilte beminde meisje totaan het uur, waarop zij den drempel van deze kamer overschreed, gade geslagen had. Hoe dan een hoogere macht hem op het laatste oogenblik ingegeven had, hier binnen te dringen, en een gruwelijke euveldaad te verhinderen, waarvoor hij den Italiaanschen goochelaar morgen aan den beul van den keurvorst zou overleveren. Bij deze laatste woorden sprong de goudmaker, die op den grond lag, alsof hij dood was, als een sissende slang overeind, stiet een gruwelijken vloek uit en ontvluchtte. Bladzijde 159

Den volgenden morgen is jonkheer Reinhard van Westerburg tot den heer van Frundsberg gegaan en heeft dezen verzocht hem zijn lieftallige dochter Gertraud tot gemalin te geven. Toen de kamerheer van den keurvorst den hooghartigen ridder verward meedeelde, dat zijn dochtertje, hoewel rijk aan lieftalligheid en deugden, zulk een met goederen gezegenden heer onwaardig was, verklaarde de heer van Westerburg, dat hij aan zijn aanzoek slechts een voorwaarde verbond: De vader van zijn bruid moest van hem zonder dralen de som aannemen, welke de vreemde bedrieger, die dezen nacht door den duivel gepakt was, hem afgeperst had.

Terwijl de heer Gerhard Frundsberg bij het hooren van deze dubbelzinnige woorden verbleekte, kwam er een stalknecht naar binnen gestormd, die mededeelde, dat ze beneden bij een uitstekende rots den Italiaanschen toovenaar met gespleten schedel gevonden hadden; hij had waarschijnlijk bij nacht en nevel den weg gemist en een doodelijken val gedaan. Toen heeft de slotvoogd een kruis gemaakt. Jonkheer van Westerburg hield steeds de handen van den sidderenden oude in de zijne en drong er nogmaals op aan hun schatten met elkaar te ruilen.

Tegen den middag kwamen de Trierers in Bladzijde 160gala op Stolzenfels aan. De heer Koenraad van Isenburg heeft nauwkeurig afgerekend en alles in de beste orde bevonden. Na verloop van eenige dagen heeft hij het deugdzame dochtertje van zijn trouwen kamerheer aan den hoofdman van zijn Stolzenfelsche bezetting toevertrouwd, en de hoogeerwaarde heer verheugde zich zeer, zijn vesting Stolzenfels nu in dubbel goede handen te weten.