WeRead Powered by ReaderPub
Sagen van den Rijn cover

Sagen van den Rijn

Chapter 60: Andernach
Open in WeRead

About This Book

The collection gathers short Rhine-region legends and folk tales centered on castles, river-related mysteries, and local saints and heroes. Individual narratives recount supernatural encounters, tragic romances, moral lessons, and feats linked to landmarks such as towers, cathedrals, and ruins. Many pieces rework familiar medieval motifs, including ghosts, devils, enchanted clocks, and bewitched figures, while others preserve oral traditions about place names and customs. The arrangement alternates concise retellings with more elaborate, picturesque stories, using evocative descriptions of landscape and architecture to tie regional memory to popular imagination.

Tournooi te Keulen

Bladzijde 161

Koblenz

Riza

Toen in het begin der negende eeuw Lodewijk, de Vrome, zoon van Karel den Groote, aan de oevers van den Rijn met zijn verdorven zoons om de keizerskroon streed, werd in Koblenz, ter eere van den godsvruchtigen Kastor, die in het land van de Moezel het christendom verbreid had, een godshuis gebouwd. Aan een vertakking van den Rijn werd het van vier torens voorziene gebedenhuis gebouwd.

Destijds verhief zich op het hoogste zuidwestelijke punt van Koblenz het Frankische Koningshof, een voormalig Romeinsch kasteel, en daarnaast een, aan den heiligen Kastor gewijd nonnenklooster. Hierin heeft Riza, een dochter van Lodewijk den Vrome, die reeds vroegtijdig afstand van de wereld deed, haar vroom leven gesleten. Elken dag ging de koningsdochter Bladzijde 162aan de andere zijde van de rivier in de Kastorkerk naar de mis. De Heer schiep zulk een groot welbehagen in Riza, dat zij, evenals voorheen zijn discipel over het meer van Genezareth, met droge voeten over den Rijn wandelde, om deel te nemen aan de heilige offerande in de St. Kastorkerk.

Eens, zoo deelt de vrome sage verder mee, was de vloed door den storm zeer woest. Voor het eerst was de jonkvrouw angstig, toen haar voet de golven betreden zou. Uit voorzorg trok ze een stok uit een nabijzijnden wijnberg en nam hem als staf mede op haar wandeling over de waterstraat; maar evenals voorheen Petrus, zonk ook zij, na eenige angstige schreden gedaan te hebben, in het water.

In haar doodsangst werd zij zich vol berouw haar gebrek aan vertrouwen op God bewust. Zij slingerde den stok ver weg, hief de armen ten hemel en vertrouwde zich aan de bescherming van den Allerhoogste toe. Daar dook ze weer op uit de golven, en evenals vroeger bereikte ze met droge voeten den tegenover gelegen oever. Sedert dien tijd beijverde Riza, de heilige dochter van den vromen Lodewijk, zich meer dan ooit in werken, die God welgevallig waren. Zij stierf tusschen de kloostermuren en haar stoffelijk overschot werd naast Bladzijde 163dat van den heiligen Kastor in zijn kerk bijgezet. Het marmeren monument van Riza, die door het volk heilig verklaard is, kan men nog in de noordelijke zijvleugel van de Kastorkerk te Koblenz zien. Bladzijde 164

Andernach

Genoveva

I.

In de omstreken van den Rijn wordt de naam van de deugdzame gemalin van paltsgraat Siegfried met vereering genoemd. Zij, die eens het grootste kleinood van het hart, niettegenstaande gruwelijke beproeving en nameloos verdriet standvastig en ongeschonden bewaarde, werd door het volk de heilige Genoveva genoemd. In den tijd, dat Karel, de naamgenoot van zijn voorvader, den grooten keizer der Franken, het land der West-Franken regeerde, stond in den “Mayenfelder Gau” ten westen van de oude stad Andernach, het slot van den paltsgraaf. Zeer gelukkig en eendrachtig leefde de jonge paltsgraaf met zijn liefelijke gemalin.

Doch het eerste wolkje kwam aan den horizon van hun huwelijksgeluk. De gevreesde Arabieren waren uit Spanje gekomen en in Gallië binnengedrongen en baanden zich moordende en alles verbrandende een weg naar het Noorden. Bladzijde 165Een hevige schrik verspreidde zich door het christelijke Frankenland. De vijand van het christendom moest uitgeroeid worden, wilde het Westen niet hetzelfde lot van het door de halve maan beschaduwde Afrika ondergaan. Ook in den burcht van den paltsgraaf drong de oproeping van den gebieder tot deelneming aan den strijd door. Toen trok de heer Siegfried de wapenrusting aan, kuste zijn weenende vrouw en nam afscheid van den burcht zijner voorvaderen. Zwaar viel hem het scheiden van de heerlijke “Mayenfelder Au”, waar hij det hoogste geluk zijns levens gesmaakt had, maar nog zwaarder viel hem het afscheid van de bedroefde gade. Zijn slotvoogd Golo droeg hij op, goed voor zijn beminde vrouw te zorgen, en haar verzocht hij, dezen haar volle vertrouwen te schenken.

De dagen der scheiding van haar geliefden echtgenoot waren voor de paltsgravin zeer smartelijk. Hevig drukte haar de eenzaamheid in den grooten burcht, en zeer miste ze Siegfrieds nabijheid, den klank zijner stem en de veiligheid van zijn tegenwoordigheid. Tot den man, die door hem als haar beschermer aangesteld was, kon ze niet spreken als tot een vriend. Haar rein vrouwenoog schrok van den hartstochtelijken gloed, die uit de sombere blikken Bladzijde 166van Golo straalde. Het scheen haar, dat deze blikken heimelijk haar bewegingen bespiedden en met een uitdrukking, die haar kinderlijk gemoed niet begreep, op haar rusten bleven.

Dubbel miste zij dan den afwezigen gemaal. Dikwijls trad ze naar buiten en gaf zich in het tuintje onder den vlierboom aan aangename droomen over. Terwijl haar oogen verlangend in het schemerachtige, blauwe verschiet staarden, dacht Genoveva aan het zalige oogenblik, waarop ze den heer Siegfried terug zou zien; hoe zij, het hoofd aan zijn borst geleund, hem het zoete geheim mede zou deelen, dat de aanstaande moeder reeds bij voorbaat zoo gelukkig maakte. Misschien zou de oorlog tegen de heidenen lang duren, en zou zij den terugkeerenden echtgenoot het pand hunner liefde hier op de burchtplaats toereiken. Dan klaarde het lieve gelaat der paltsgravin op, en een glans van geluk kwam over haar trekken. Dikwijls steeg zij dan op naar de platform en droomde van toekomstig geluk, terwijl haar oogen verlangend in het schemerachtige verschiet staarden.

De heimelijke vrees, die de paltsgravin voor den slotvoogd koesterde, was niet ongegrond. De engelachtige schoonheid van Genoveva had in het jeugdig gemoed van Golo een verboden Bladzijde 167vuur doen ontgloeien, dat hij niet in staat was te verstikken; integendeel werd door het vele samenzijn met de lieftallige paltsgravin, die tegen hem, evenals tegen alle ondergeschikten vriendelijk was, het vuur van den verderfelijken hartstocht nog meer aangewakkerd, totdat hij op een dag zich zelf niet meer meester was en zich aan de voeten van de begeerlijke, teeder beminde vrouw wierp. In zondige hartstochtelijke taal smeekte Golo de vrouw van zijn meester om haar wederliefde.

Genoveva was zeer ontsteld door deze schandelijke bekentenis. Met verontwaardiging en verachting wees zij den vermetele af. Zij verbood hem, die zijn plicht zoo grenzenloos verzaakt had, ooit weer voor haar aangezicht te verschijnen en dreigde hem, dat zij hem bij haar man zou aanklagen. Toen kwam er een sombere flikkering in Golo’s oogen, en een blik van doodelijken haat trof de schoone vrouw, die hem zoo streng terecht wees. Vergeving was niet te hopen van de verontwaardigde meesteres; zijn vernederde trots verlangde die ook niet, maar dorstte naar wraak. Nu moest er verder gegaan worden op den eenmaal ingeslagen weg, teneinde Siegfrieds toorn, waarmede hij gedreigd was, te ontgaan.

De haat en wraak deed een vreeselijk plan in Bladzijde 168Golo’s, binnenste rijpen. Hij ontsloeg de onderhoorigen en stelde nieuwe bedienden in den burcht aan. Toen trad hij op een dag, ten aanschouwe van het geheele dienstpersoneel, op de ontstelde paltsgravin toe en beschuldigde haar met fonkelende oogen, dat zij zich tegenover haar afwezigen echtgenoot op schandelijke wijze aan trouwbreuk schuldig gemaakt had, door met een gewonen knecht, die haar merrie zadelde in ongeoorloofde verhouding te staan, waarvan zij de vrucht onder het hart droeg. Schaamte en verontwaardiging beroofden Genoveva van haar zinnen. Golo deelde den ontstelden bedienden, die zwijgend toehoorden, mede, dat hij den paltsgraaf reeds van de schuld van zijn trouwelooze gade en haar ontvluchten dienaar Drago onderricht had en als tegenwoordig burchtbeheerder beval, de trouwelooze in een kerker te brengen.

In een vochtige onderaardsche gevangenis van den burcht ontwaakte de ongelukkige paltsgravin uit haar bezwijming. Diep bedroefd verborg zij het hoofd in de handen en smeekte Hem, die haar deze vreeselijke beproeving opgelegd had, haar in het tegenwoordige leed en in de aanstaande gebeurtenis bij te staan. Smartelijke uren stonden Genoveva te wachten. Zij bracht een knaapje ter wereld. Zij doopte hem Bladzijde 169met haar tranen en gaf hem den naam Tristan, dat beteekent: rijk aan smarten.

II.

Acht maanden was paltsgraaf Siegfried reeds afwezig. Als een held had hij in menig hevig gevecht gestreden. Met woesten geestdrift vochten de dweepzieke Mahomedanen, die de Pyreneeën overgestoken waren, om ook het overige Westen met vuur en zwaard aan de leer van hun profeet te onderwerpen. In vele gevechten hadden de Franken voor hun overmacht moeten zwichten. Reeds stonden de teugellooze Horden in het midden van Gallië en drenkten hun paarden met het water van de Loire. Daar verscheen Karel, de eerste paladijn van den zwakken koning der Franken, en mat zich in een bloedig gevecht bij Tours met de Arabieren. Vanaf het aanbreken van den dag tot aan het vallen van den avond streden hier het kruis en de halve maan om Europa’s lot. Nooit genoeg heeft men dezen strijd tegen de Mooren tusschen Tours en Poitiers gewaardeerd, toen Karel Martel als met een hamer de ongeloovigen op het hoofd sloeg, evenals voorheen Judas deed, dien ze Maccabeeus, dat beteekent: “de hameraar”, genoemd hebben. Aan de Bladzijde 170zijde van den legeraanvoerder streed Siegfried, de paltsgraaf. Hij vocht als een leeuw, en God beschermde hem tot aan het einde van den strijd. Dienzelfden avond echter werd de dappere paltsgraaf door de lans van een vervolgden Saraceen getroffen. Het was geen doodelijke steek geweest, maar gedurende maanden was hij tot werkeloosheid gedoemd. Mistroostig lag graaf Siegfried op zijn legerstede, en vol droefheid dacht hij aan de geliefde gade in het mooie Rijndal.

Toen kwam er op een dag een bode uit den “Mayenfelder Gau”, die den paltsgraaf een perkament bracht, door Golo den slotbewaarder geschreven. Ontzet heeft graaf Siegfried de krullende, zwarte teekens aangestaard, als wilde zijn blik ze van het blad uitwisschen; maar hoonend hebben ze voor zijn oogen gedanst, en in zijn ooren heeft de ontzettende tijding geklonken: “je vrouw heeft de trouw gebroken met Drago, den weggeloopen stalknecht.”

Woedend hebben de vingers van den held het geschrift omklemd, een steunen drong uit den bleeken mond. Op hetzelfde uur heeft hij zich met eenige wapendragers op weg begeven en is somber en ontstemd de richting van de Ardennen ingeslagen. Hij heeft niet gerust voor dat de Paltsburcht voor zijn oogen opdoemde. Bladzijde 171Op de platform stond een man, die onderzoekend in de verte tuurde. Toen hij in de nabijheid stofwolken zag opwaaien en een kleine schaar ruiters ontdekte, kwam er een zegevierende blik in de donkere oogen.

Daar rent een statig ridder voor de anderen uit. Donderend dreunt de met ijzerbeslagen hoef van het strijdros op de ophaalbrug. Voor den somberen paltsgraaf, die snel van zijn paard afgesprongen is, staat Golo met gehuichelde ontroering. Opnieuw deelt hij met gekunstelde smart mede, hetgeen de ridder reeds door den koerier vernomen heeft.

“Waar is de boosdoener, opdat ik hem, die de eer van mijn huis bezoedelde, verplettere!” riep de paltsgraaf vol vertwijfeling uit.

“Heer, ik heb den ellendeling gruwelijk gestraft en hem vervolgens met zweepslagen uit het slot verdreven,” antwoordde Golo met krachtige stem.

De paltsgraaf zucht diep. Zwijgend wenkt hij Golo, en een straal van duivelsche vreugde schittert in het oog van den valschaard.

Ook in de onderaardsche gevangenis was het geluid van paardengetrappel en van het toeloopen der bedienden doorgedrongen. Zich hoog oprichtend, luistert Genoveva in haar kerker. Een dierbare naam en een bede tot God komt Bladzijde 172op haar lippen. Nu moest de vreeselijke beproeving een einde nemen, en haar deugd zegevierend de plaats der smaad verlaten en de doornenkroon verwisseld worden voor den zegekrans.

Daar wordt de grendel weggeschoven, harde voetstappen weerklinken. Aan haar borst trekt zij het sluimerende knaapje. De vleugeldeur wordt opengeworpen, en den geliefden echtgenoot toont zij het aanvallige kind, het pand hunner liefde en juichend klinkt de naam van den dierbaren gemaal van haar lippen. Maar plotseling veranderen haar woorden in een luiden smartkreet. Hij slingert haar van zich af, als hamerslagen treffen zijn aanklachten haar onschuldig hoofd, en kermend valt Genoveva in onmacht. Den volgenden morgen bij het aanbreken van den dag brachten twee knechten de ongelukkige naar buiten in het bosch. In koelen bloede moesten zij de vrouw dooden, die haar gemaal op schandelijke wijze ontrouw geweest was, terwijl deze zijn leven aan de heilige zaak gewijd had, en met haar moest tevens het kind der schande sterven. De vertoornde paltsgraaf had bevolen, hem de tongen te brengen, als bewijs van het uitgevoerde bevel.

Hardvochtig sleepten de knechten de ongelukkige naar het meest woeste deel van het Bladzijde 173woud, waar slechts het schreeuwen van een roofvogel of de kreet van een dier uit het bosch de stilte verbrak. Reeds hadden ze de messen getrokken. Daar wierp de paltsgravin zich vol vertwijfeling aan de voeten van de mannen, hield weenend haar knaapje in de hoogte en smeekte hun, zoo niet haar, dan toch het onschuldige kind te sparen. Medelijden maakte zich van de mannen meester en ontwapende hun hand, die het moordwapen vasthield. Nog dieper in het woud brachten ze moeder en kind, keerden zich toen snel om en lieten de slachtoffers aan hun lot over.

Twee reetongen brachten de mannen den paltsgraaf en deelden hem mede, dat ze zich getrouw van hun opdracht gekweten hadden.

III.

Genoveva’s bestaan was hoogst treurig. Geheel opgaande in haar smart, doolde zij dood vermoeid door het onbekende woud rond. De honger kwam en deed zijn rechten gelden. Zacht kermde het knaapje op haar arm, en een innig gebed zond de vertwijfelde moeder ten hemel. Het drukkende harteleed loste zich op in een vloed van tranen, die haar eenigszins verlichtten. De knaap was, nadat ook hij lang geschreid had, ingeslapen. Eensklaps zag Genoveva, Bladzijde 174als door den hemel, dien ze aangeroepen had, gezonden, een hol voor zich, dat haar een schuilplaats en toevluchtsoord aanbood. En, als wilde God haar toonen, dat hij harer welwillend gedacht, kwam er een witte hinde in het hol, die zich vertrouwelijk aan de voeten van de verlatene neervlijde. Haar uiers waren gevuld met melk; zij moest eenige dagen geleden jongen gekregen hebben. Gewillig liet het zachte dier toe, dat de vrouw haar kindje laafde. Ook den volgenden morgen kwam de hinde weder, en Genoveva dankte God uit den grond van haar hart. Zij vond wortels, bessen en kruiden, waarmede ze zich in het leven kon houden. Het makke dier kwam elken dag in het hol en bleef eindelijk voortdurend bij haar.

Zoo verliepen er dagen, weken en maanden. Door de onveranderlijke vroomheid der zwaar beproefde vrouw was de hevige smart in zachten weemoed overgegaan. Na verloop van tijd kon zij haar echtgenoot, die haar onschuldig veroordeeld had, vergeven, evenals hem, die zich meedoogenloos op haar deugd gewroken had. Wel waren haar liefelijke wangen smal geworden, maar de gekruide boschlucht veranderde de bleekheid, die de kerkerlucht daarop verspreid had in een zacht rood. Meer nog nam de knaap in beterschap toe, daar hem niet zooals Bladzijde 175zijn moeder dat verterende leed aan het hart knaagde. Een bloeiende twijg aan een geknakten stengel.

IV.

Sedert deze treurige gebeurtenis was het verdriet een trouw bezoeker op het slot van den paltsgraaf. De hevige toorn was in knagend hartzeer overgegaan. Dikwijls, wanneer hij onrustig door de kamers dwaalde, waaraan zooveel herinneringen verbonden waren en doodsche stilte hem omringde, waar vroeger de zachte stem van de geliefde vrouw weerklonken had, dan overweldigde hem de smart. En het berouw kwam en fluisterde hem met gloeiende woorden in het oor: of de gruwelijke straf, die hij opgelegd had, niet te zwaar geweest was—of hij niet te snel het vonnis uitgesproken had en of hij niet had moeten overwegen, wat tot verzachting der ontmaskerde zonde had kunnen bijdragen.

De Lorelei

Naar het schilderij van C. Begas.

Als deze vermanende stemmen hem vervolgden, dan werd het slot en de eenzaamheid den paltsgraaf te veel, en hij snelde naar buiten met de keffende honden en het gevolg, om door jachtfanfares en hondengeblaf de innerlijke aanklagers tot zwijgen te brengen. Maar het gelukte Bladzijde 176hem slechts zelden, en ook buiten zag steeds een doodsbleek vrouwengezicht tot hem op, om dan in een stralenkrans weg te smelten. Golo had wel bemerkt, hoe het met den zielstoestand van zijn meester gesteld was, en dubbel drong de sluwe man zich aan den paltsgraaf op, huichelde steeds grootere onderdanigheid en zorg voor diens welzijn. Een hongerige neemt zelfs het brood aan, dat een bedelaar hem biedt: Siegfried meenende, dat de slotvoogd hem in zijn eenzaamheid wilde troosten, nam deze bewijzen van genegenheid minzaam aan en beloonde ze met welwillendheid, hoewel hij in zijn binnenste vertoornd was op den man, die hem den treurigsten dienst zijns levens bewezen had. Eens ging de paltsgraaf weer op de jacht. Slechts een klein gevolg begeleidde hem. Ook Golo was onder hen. Dieper dan gewoonlijk was Siegfried het bosch ingegaan. Een sneeuwwitte hinde was voor hem opgesprongen, en als een goed jager rende de paltsgraaf over heg en struik, om het zeldzame dier neer te schieten. Reeds had zijn speer het dier aangeraakt, toen het plotseling in een hol verdween. En een vrouwelijke gestalte met een knaapje aan de hand trad plotseling in de opening tusschen de rotsen. De hinde, die bescherming bij haar zocht, vlijde zich tegen haar aan. Zij Bladzijde 177bespeurt den jager en werpt met een blos van schaamte haar rijke mantel van blond haar over het armoedige gewaad. Maar een siddering overvalt haar, onbeweeglijk staren de groote vermoeide oogen den jager aan. Een kreet klinkt van haar lippen, half juichend, half kermend en zij werpt zich aan de voeten van den paltsgraaf. En van de lippen, die maandenlang slechts vurige gebeden gepreveld of het verlaten kind zoete vleierijen toegefluisterd hebben, stroomen nu betuigingen van onschuld en aanklachten tegen haar vervolgers. Als vuur dringen haar woorden in de ziel van den paltsgraaf, als vuur, dat verlicht, loutert en ontvlamt.

Plotseling tot bezinning gekomen, trekt hij zijn wedergevonden vrouw aan zijn borst, kust haar traan voor traan van de wangen weg en werpt zich dan zelf aan haar voeten, terwijl hij berouwvol om vergeving smeekt. Den knaap drukt hij aan zijn hart en geeft het miskende kind duizend teedere namen.

Dan blaast hij op den jachthoorn. Het gevolg nadert; ook Golo. De paltsgraaf trekt hem uit den kring der ontstelde wapendragers en sleurt hem vlak voor Genoveva.

“Kent gij haar?”

Als door geeselslagen getroffen, kromp de ellendeling ineen, en omklemde voortdurend Bladzijde 178de knieën van zijn meester, die hem verachtelijk van zich stiet. Hij biechtte zijn misdaad en smeekte om genade. Siegfried schudde treurig het hoofd, liet hem boeien en wegbrengen. Een smadelijke dood was, niettegenstaande de voorspraak van de vrome paltsgravin, Golo’s loon.

De zon van nieuw geluk bestraalde weer paltsgraaf Siegfried en zijn engelachtige vrouw. Met dubbele teederheid schonk de paltsgraaf zijn liefde aan de trouwe gemalin en zijn bloeiend knaapje. In het bosch, waar de hinde hem het spoor naar het hol gewezen had, liet hij, uit dankbaarheid aan God, een kerk bouwen. Dikwijls ging de vrome paltsgravin in dit godshuis bidden en prees Gods goedheid, die haar tranen in vreugde had doen veranderen.

Op een dag werd haar omhulsel onder groote droefheid weggedragen en in deze kerk bijgezet. Nog heden staat de oude Vrouwenkerk te Laach in de “Mayenfelder Au”, nog heden laat men den bezoeker het grafteeken, den toren, waarin zij smachtte, het rotshol, waarin zij leed, zien, en er is niemand in het Rijnland, die de deugdzame gemalin van paltsgraaf Siegfried, de heilige Genoveva niet kent. Bladzijde 179

Hammerstein

De met dochters gezegende ridder

Boven Rheinbrohl staan op den somberen Grauwackenfels de duizendjaar oude, vervallen ruïnes van de rijksvesting Hammerstein. Een der eerste bezitters was Wolf van Hammerstein, een trouw onderdaan van keizer Hendrik den Vierde, wiens kroon door eigen schuld en die van anderen met doornen omwonden was. Op den onvergetelijken boetetocht naar Canossa heeft graaf Hammerstein hem vergezeld, doch door de gebreken van den naderenden ouderdom heeft hij daarna zijn burcht niet gaarne meer verlaten. Slechts uit de verte drong het trompetgeschal der wereld tot hem door.

Zes dochters waren uit het huwelijk van den heer Wolf van Hammerstein met zijn sedert jaren ontslapen echtgenoote geboren, liefelijke jonkvrouwen, die voor den bejaarden vader groote vereering koesterden. Hun kinderliefde viel echter bij den ruwen krijgsman in verkeerde aarde. Dat hem geen zoon beschoren was, Bladzijde 180kwelde hem zeer. Gaarne had hij voor een stamhouder het halve dozijn meisjes gegeven. Dit bleef de zes jonkvrouwen niet verborgen, en door groote liefde en toewijding trachtten zij den norschen vader met zijn lot te verzoenen.

Op een avond, terwijl buiten de wind als een krassende raaf om den burcht gierde, zat ridder Wolf, door jicht geplaagd, binnen aan den warmen haard en was niettegenstaande de rouwelijke opmerkzaamheden in een slecht humeur. Evenals schuwe duiven keken de sierlijke meisjes naar den vertoornden ouden heer.

Daar dient de slotbewaker in het late uur nog twee gasten aan. Zij zijn in ridderlijke wapenmantels gehuld. Niettegenstaande zijn podagra verheft de gastvrije burchtheer zich van zijn zetel. In het verwarmde vertrek treden bibberend van koude twee vermoeide reizigers, die om een onderkomen voor den nacht smeeken.

Bij den klank der stem van den eenen vreemdeling heeft de ridder zich luisterend opgericht, en toen deze het vizier ophief en den mantel terugsloeg, is Wolf van Hammerstein eerbiedig op de knieën aan zijn voeten neergevallen, heeft zijn beide handen gegrepen, zijn gebaarde lippen daarop gedrukt en uitgeroepen: “Hendrik, mijn Heer en Koning!”

De keizer heeft vervolgens zijn voormaligen Bladzijde 181strijdmakker met trillende stem medegedeeld, dat hij vluchtende was voor hem, die hem den koningsmantel van de schouders en de kroon van het hoofd gerukt had. En toen de ridder bevende van opwinding vroeg, wie deze eeren goddelooze booswicht was, fluisterde de keizer met gebogen hoofd op klankloozen toon: “Mijn zoon!” Hij bedekte het gelaat met de handen. Onbeweeglijk als een marmeren beeld stond de ridder daar, terwijl hij, als door een bliksemstraal, die in zijn ziel viel, tot inzicht werd gebracht.

Teeder voelde hij zich door de armen zijner, dochters omvat, en toen hij de handen naar hen uitstrekte, als wilde hij door de teederheid van een oogenblik al het onrecht van vele jaren vergoeden, voelde hij tranen daarop neerdruppelen. De keizer sprak diep geroerd tot den ridder:

“Benijdenswaardige wapenbroeder, de trouwe harten van je dochters kloppen voor je tot over je graf en geen verdorven zoon, die je dood niet kan afwachten, jaagt je eens met grijze haren van je geboortegrond! Wee mij, die morgen met de weinige getrouwen, die mij gebleven zijn tegen mijn eigen bloed ten strijde moet trekken.”

Terwijl de ongelukkige koning tegen middernacht Bladzijde 182in de gezellig ingerichte kamer in een onrustigen slaap viel, overlaadde de diepbewogen burchtheer zijn dochters met ongekende liefkoozingen. Hij heeft God vergeving gevraagd voor den wrok, die in vroeger dagen bij hem opgekomen was, omdat hij geen zoon had. Bladzijde 183

Rheineck

De wijnkeuring

Onder het stadje Brohl verheft zich op een rotsachtige hoogte, waar vroeger reeds een Romeinsch slot gestaan heeft, de twintig meter hooge, vierhoekige wachttoren, als laatste overblijfsel van den burcht Rheineck. De sage, die aan den eenzamen toren verbonden is, vertelt ons een vroolijk verhaal van een ridder, een bisschop, een jonkvrouw en den wijn van Aszmannshausen. De ridder heette Kunz van Schwalbach en was een vermetele bandiet, die vooral het vuistrecht in de omstreken van de Ahr met veel ijver en niet minder gevolg uitoefende. Zijn gemalin, die wellicht een goeden invloed op hem had kunnen uitoefenen, rustte reeds sedert jaren in de burchtkapel. Een bevallig meisje, een vroeg wees geworden kind van een broeder van den heer Kunz, Adelgonde genaamd, bestuurde sedert dien tijd de huishouding op Rheineck.

Destijds was de vrome, maar ook strenge heer Anselmus bisschop van Keulen. Daar hij Bladzijde 184hooge belasting en tollen hief, waren de burgers van Keulen zeer vertoornd op hem, en toen hij weer een nieuwe belasting invoerde, was een hevig oproer hiervan het gevolg, zoodat Anselm gedwongen werd, met eenige getrouwen ijlings zijn residentie te verlaten. Naar aanleiding van hun bedeesde vraag “waarheen?” herinnerde de heer Anselm zich den burcht Rheineck, die tot het aartsbisdom behoorde en die den Schwalbachers voor langen tijd ter leen gegeven was. Daarheen wilde de aartsbisschop in ballingschap gaan, totdat zijn verdwaalde schaapjes hem weer terug zouden roepen.

“Ridder Kunz, de oom van mijn zedige pupil is wel is waar een groote schelm,” meende de vrome heer. “Hij bidt weinig en rooft veel. Daarbij wordt hij verdacht de brutale bandiet te zijn, die in den herfst van ons aartsbisdom de lading wijn weggekaapt heeft. Aszmannshäuser was het,” zeide de heer Anselm bij zich zelf, terwijl hij met gefronste wenkbrauwen naar de kielvoren van zijn scheepje keek.

Bij den heer Kunz, die zich in stilte te goed deed aan het heerlijke druivensap van den geurigen Aszmannshäuser, trad jonker Jörg, de hoofdman zijner lansknechten, binnen en berichtte, dat er beneden een schip met de Keulsche Bladzijde 185bisschopsvlag voor anker lag. Vertoornd rees de ridder van zijn eikenhouten stoel op, en minutenlang kwelde hem zijn kwaad geweten. Toen echter zegevierde zijn luchthartigheid en met vroolijke onderwerping beval hij den heer uit het heilige Keulen naar behooren te ontvangen. Den heer Anselm en zijn gevolg viel dus een waardige ontvangst ten deel. Door ridderlijke gastvrijheid moest de hoogeerwaarde leenheer en edele voogd van jonkvrouw Adelgonde zooveel mogelijk voor het geleden onrecht schadeloos gesteld worden.

Naarmate het later werd, verbeterde de stemming van den aanzittenden gast. Nadat de aartsbisschop reeds de noodige hoeveelheid van het edele vocht, dat zijn gastheer hem bood, met verstand geproefd had, vroeg hij terloops: “ridder Kunz hebt ge niet tot besluit een beker Aszmannshäuser, want sedert jaren gebruik ik dit vocht als een goed bekomende slaapdrank.” En ridder Kunz moest toen met oprecht leedwezen bekennen, terwijl zijn oogen als die van een vroom schaap flikkerden, dat zijn kelder wel Walporzheimer, Ingelheimer, maar helaas geen druppel Aszmannshäuser bevatte, aangezien die, zooals iedereen wist, van het domein van den aartsbisschop was.

De heer Anselm scheen er zich in geschikt Bladzijde 186te hebben, dat hij zijn lievelings- en slaapdrank op Rheineck missen moest. Maar op een avond ging hij, door een plotseling invallende gedachte gedreven, langs verschillende afgelegen trappen en gangen naar den kelder van den burcht. Wat voor waarde had het woord van een Kunz? Geen cent. Wat eigen overtuiging? Misschien een scheepslading Aszmannshäuser. Aldus bij zich zelf redeneerend, ging de heer Anselm tastende langs de muren—en hield op eens een schoon gelokt vrouwenhoofd in de uitgestrekte handen.

Daar een onderdrukte angstkreet door de lange gang weerklonk, fluisterde vader Anselmus geruststellende woorden en drukte een bemoedigenden kus op twee nabijzijnde vrouwenlippen. Vervolgens trok hij de beschaamde Adelgonde bij het flikkerende licht aan het einde van den trap.

Hoog blozend biechtte de jonkvrouw den voogd, dat ze jonker Jörg zeer genegen was, en dat ze hier nog zedig een nachtgroet met hem gewisseld had.

“De smaak van den jonker is goed,” bevestigde de geestelijke voogd. (Nog heviger bloosde Adelgonde.) “Je Jörg laat zich den Aszmannshäuser goed smaken! Hm, zeg eens, waar ligt het vat? Je bent verbaasd over mijn alwetendheid, Bladzijde 187kind? Je mond heeft je verraden: toen ik hem zooeven toevallig in donker aanraakte—hierbij hief vader Anselm de oogen vroom hemelwaarts—bemerkte ik een aroma zoo fijn, als slechts de Aszmannshäuser bezit en de mond van je ridder heeft dat op jou overgebracht.”

De jonkrouw was zoo verlegen, dat ze gaarne door den grond had willen zinken. Bereidwillig toonde ze haar voogd het groote vat, dat in den uitersten hoek van den kelder verborgen was. Hoe lang hij daar vertoefd heeft, zullen we maar wijselijk verzwijgen. Den volgenden morgen had de mis van den heer Anselm niet plaats. Tegen den middag verschenen afgevaardigden van de burgers van Keulen, die hun aartsbisschop namens de stad vergeving vroegen voor het plaats gehad hebbende oproer en opnieuw den trouweed aflegden voor de gezamenlijke onderdanen. Genadig besloot Anselmus tot onmiddellijker terugkeer. Bij het afscheid nam hij nogmaals het woord en zei onomwonden met een strakke gelaatsuitdrukking:

“Zooals mij juist medegedeeld wordt, beweert elke geestelijke en leek in Keulen, dat hij, die in den herfst de wijnlading, toebehoorende aan het stift, op goddelooze wijze gestolen heeft, niemand Bladzijde 188anders dan de eigen leenman van het bisdom, Kunz van Schwalbach op Rheineck is!”

De heer Kunz hield zijn onschuld vol en betuigde zijn onderdanige trouw, maar de aartsbisschop stond op de voorloopige inbeslagneming en beval den ridder zich binnenkort met den notaris en getuigen naar het college te Keulen te begeven en zich te zuiveren van de verdenking van den kerkroof. Vervolgens liet hij het kolossale vat verzegelen en vervoeren en keerde toen met zijn onderhoorigen huiswaarts.

Onderwijl stiet de heer van Schwalbach ontelbare vloeken uit. Jonker Jörg troostte hem en ridder Kunz beloofde zijn vertrouweling met vele ridderlijke eeden, dat, zoo hij in Keulen het leven er af bracht, zijn bevallige nicht de vrouw van den jonker zou worden. In opgewonden stemming vernam Adelgonde dit van ridder Jörg.

In de strafzaal te Keulen zaten twaalf waardige heeren op het gestoelte. Adelgonde, die er voor zorgde den verschuldigden eerbied tusschen oom en voogd te verdeelen, bood den heeren volgens den wensch van den heer Anselm twaalf zilveren bekers van den betwisten Bladzijde 189wijn aan. Terwijl hij een beroep deed op hun kennis en onomkoopbaarheid, gebood de bisschop het twaalftal hun oordeel mede te deelen of het vat Moselblümchen. Affentaler, of Aszmannshäuser inhield.

Bedenkelijk brachten de rechters de bekers aan de lippen, namen een slokje, vertrokken de mondhoeken, proefden nogmaals en schudden allemaal het hoofd over dezen allerakeligsten drank. Eenparig verklaarden zij, dat deze zure wijn geen Aszmannshäuser was. Boetvaardig stond de heer Anselm daar, zegevierend ridder Kunz en opgetogen jonkvrouw Adelgonde en jonker Jörg.

Eenige weken daarna werd er op Rheineck een vroolijk bruiloftsfeest gevierd. Toen ridder Jörg met zijn jonge gemalin op de feestelijk opgetuigde paarden het slot verlaten had, om Adelgonde in den vaderlijken burcht binnen te leiden, zat de geestelijke voogd, die zich verwaardigd had, het paar te trouwen, eendrachtig met den heer van Rheineck bij de blinkende kan. En in verhoogde feeststemming drong de bisschop er bij den ridder op aan, hem te bekennen, hoe hij het klaargespeeld had, den verzegelden Aszmannshäuser in dezen ellendigen zuren wijn te veranderen. Daarvoor zou hij hem meedeelen, hoe hij destijds in den kelder van den burcht Bladzijde 190den Aszmannshäuser ontdekt had. Lachend wenkte de heer Kunz zijn schenker, deze bracht fluks een wijnkan, schonk de heeren drinkers hiervan in, en opnieuw dronk de heer Anselmus zijn lievelings- en slaapdrank.

Plechtig verklaarde hij: “ridder Kunz, dit is de wijn, welks ligging Adelgonde haar voogd gehoorzaam verried.”

Toen dreunde de vuist van Kunz op de eikenhouten tafel, zoodat de kannen rammelden, en hij voer hevig uit tegen de valschheid van zulk een slang. Maar de bisschop wees hem op zijn goddeloozen toorn, aangezien het vrome kind slechts gehoor gegeven had aan den geestelijken aandrang. Hoofdschuddend sloeg de heer Kunz de handen in elkaar.

“Een vroom kind, dat uw geleerde rechters de proefbekers met absint en azijn vulde.”

Een tijdlang zweeg Anselmus, vervolgens schudde hij zijn eerwaardig hoofd. Dan lachten beiden, de ridder en de bisschop. Maar toen de ridder den bisschop de helft van het vat als avonddrank, die bevorderlijk voor den slaap was, aanbood, reikte de heer Anselmus hem zijn hand als leenheer, waarbij de heer Kunz vrijwillig de belofte aflegde, in het vervolg alles, behalve den bisschoppelijken Aszmannshäuser te rooven. Bladzijde 191

Rolandseck

Ridder Roland

I.

Keizer Karel de Groote werd door een menigte sterke helden omgeven. De eerste dezer paladijnen was de neef van den koning der Franken, Ronald van Angers. Geen naam, die in den slag of bij het tournooi meer uitblonk, dan de zijne. Hij werd door het zwakkere geslacht vereerd, door zijn vrienden bewonderd en door zijn vijanden geacht. Zijn ridderlijke geest verzette zich tegen het weelderige genotvolle leven. Het voortdurende verblijf aan het keizerlijke hof bevredigde hem niet, en zoo wendde hij zich tot zijn keizerlijken oom met verzoek hem toe te staan een reis naar het machtige Frankische rijk te ondernemen, dat hem tot nu toe onbekend was gebleven. Daar hij zich zijn jeugdige kracht bewust was, verlangde hij naar ridderlijke avonturen en gevaren. Karel de Groote zag den dapperen krijgsheld met weemoed van zijn hof vertrekken; ongaarne voldeed hij aan zijn verzoek. Bladzijde 192

En zoo verliet dus de ridderlijke held, slechts vergezeld door eenige getrouwe schildknapen, bij het aanbreken van den dag het keizerlijk paleis aan de Seine, en sloeg de richting naar het Oosten in; de Vogezen waren het eerste doel van zijn tocht. Op den burcht Niedeck bij Haslach nam hij eerst zijn intrek en vervolgens bij Attich, hertog in den Elzas.

Siegfried torst een beer het kamp in

Naar een lithografie van Peter Cornelius.

Steeds verder trok Roland, en toen hij op een avond de helling van het Vogezenwoud afreed, begroette hem uit de verte het glinsterende water van den Rijn. Breed wierpen de ontboeide golven zich links en rechts over de bedding van den stroom, de vlakte meedoogenloos bespoelend. Weinig bekoorlijkheid bezat de rivier hier in zijn grenzenlooze woestheid. Maar de ridder wist, dat het schouwspel spoedig veranderen zou. Hij trok Rijnafwaarts, waar de groote bergreuzen den ruischenden stroom omsluiten. Zegevierend staat hun voet in den vloed, slechts zelden wijken ze eenigszins ter zijde en laten een smalle strook land vrij, nauwelijks breed genoeg, om reizigers en voertuigen te laten passeeren. Op hun hoogten prijken trotsche koninklijke burchten, die den voorbijganger beneden den roem van voorname geslachten verkondigen. Dit alles zag Roland op zijn vroolijken Rijntocht. Hij bezocht menige Bladzijde 193sagenrijke en herinneringsvolle plaats, de steile Loreleirots, waar ’s nachts de waternimf zong, het vriendelijke plaatsje, waar St. Goar geleefd en gewerkt heeft, ten tijde van Childeberts den Merowinger (deze wonderlijke heilige zond kortelings den keizerlijken oom van Roland een dichten nevel na, omdat keizer Karel de Groote op zijn tocht van Ingelheim naar Koblenz verzuimd had zijn knie voor de heilige kapel te buigen, zoodat hij genoodzaakt werd in het vrije veld te overnachten), en ook de Mayenfelder Au bij Andernach, waar Genoveva de deugdzame gemalin van paltsgraaf Siegfried geleefd heeft.

En nu kwam Roland aan de plaats, waar de vloed, aan het einde van het Rijndal gekomen, omringd wordt door trachietreuzen, waarvan de toppen met geweldige burchten gekroond zijn, evenals de zeven gekroonde paladijnen, die in lateren tijd den heiligen persoon van den Duitschen keizer vol wijding omringden. Een boschrijk eiland verheft zich hier uit den zacht blauwen vloed. De gouden avondzon schittert over de bergen. Op den bergrug tallooze druivenstokken, links de liefelijke beukenboschjes, tot aan de steile kruin opstijgend, rechts de murmelende golfslag, aan de overzij, ver zichtbaar op de sagenrijke rots, waar eens een afschuwelijke draak gehuisd heeft, de muren Bladzijde 194van een ridderslot. Hoog boven alles de nacht in gouden sterrengewaad. Zwijgend stond de ridder stil. Zijn blik rustte bewonderend op het prachtige landschap. Onrustig stampte de hoef van het paard op den grond, bezorgd keek de getrouwe schildknaap naar den steeds donkerder wordenden hemel. Bedeesd herinnerde hij zijn heer er aan, dat het tijd werd, nachtlogies te zoeken.

“Daar boven zou ik het gaarne vragen,” antwoordde Roland, terwijl hij voor het eerst zeldzaam week gestemd werd. Hij gebood zijn schildknaap den schipper, die juist zijn bootje voor de nachtelijke vangst losmaakte, den naam van het slot te vragen.

De vesting behoorde aan de Drachenburgers, graaf Heribert woonde daar op het oogenblik. Zoo luidde het antwoord, en vreugde straalde uit Rolands oogen. Vele groeten en boodschappen waren hem door ridderlijke vrienden aan den Bovenrijn en elders aan den ouden graaf op de Drachenburg opgedragen. Roland talmde niet langer met zijn besluit. Weldra voer een boot door den donkeren vloed.

II.

Middelerwijl was het nacht geworden. De schitterende maan lichtte hen door den donkeren Bladzijde 195boschweg. Zeer vriendelijk heette graaf Heribert, een statig ridder op gevorderden leeftijd, den ridderlijken neef van zijn keizerlijken heer welkom op zijn burcht. Totdat het twaalf uur sloeg, voerden ze in het gezellige vertrek van den slotheer een onderhoudend gesprek.

Den volgenden morgen stelde graaf Heribert zijn dochtertje Hildegonda aan den ridder voor. Vol bewondering hing Rolands oog aan de lieftallige jonkvrouw. Tot nu toe had vrouwelijke lieftalligheid geen diepen indruk op hem gemaakt. Naar wapenroem en heldenwaagstukken, naar spel en strijd had zijn ziel steeds gedorst, nu echter had de tooverstaf der liefde den vermetelen strijder opeens aangeraakt. Hij, die gevreesde tegenstanders onversaagd in de oogen gezien had, boog het onvervaarde hoofd in meisjesachtige schuchterheid voor de betoovering van Hildegonda. Maar ook zij stond, het gelaat met een purperen blos overtogen, voor den gevierden held, wiens naam een goeden klank aan den Boven- en Benedenrijn had.

De oude ridder verbrak onmerkbaar de gedrukte stemming. Met een schertsend woord sneed hij het gesprek der verlegen jongelieden af en geleidde den gast door de hooge vertrekken van het slot. Bladzijde 196

Roland bleef langer op de gastvrije Drachenburg, dan hij ooit op eenig ander slot vertoefd had. Met sterke banden werd hij op den verrukkelijken burcht gehouden. De liefde ontvlamde in zijn hart en ook in Hildegonda’s reine ziel wierp zij haar verterend vuur, en op een dag—de schemering spon reeds zilveren draden over de met linden beschaduwde bank—liet zij hand in hand, oog in oog en mond op mond rusten en omzweefde juichend, als een zegevierende koningin, hen, die ze verbonden had.

Gaarne vertrouwde graaf Heribert zijn allerliefst dochtertje aan den gevierden paladijn toe. In het vooruitzicht van een vroolijke toekomst maakte hij den verlovingstijd van zijn eenig kind zoo aangenaam mogelijk. Een burcht zou op de rots tegenover de Drachenburg verrijzen. Als een trotsche wachttoren zou de toekomstige Rolandsburg van de steile rots in het prachtige Zevengebergte neerzien. Reeds stegen haar muren omhoog en dagelijks stonden de verloofden op de platform van de Drachenburg en keken naar den overkant, waar vlijtige werklieden timmerden en metselaars hamerden, en de mooie Hildegonda smeedde schoone plannen voor de toekomstige woning, waar ze den aan Bladzijde 197avonturen gewenden ridder en held door trouwe liefde boeien wilde.

Op een dag echter verscheen er een bode op de Drachenburg, gezeten op een met schuim overdekt paard. De afgevaardigde kwam van het keizerlijke Worms en berichtte, dat de oom van den ridder, de keizer, tot de kruistochten tegen de ongeloovigen achter de Pyreneeën besloten was. Karel wenschte den beproefden paladijn onder zijn legeraanvoerders te zien optreden. Zwijgend ontving Roland de boodschap van den hoogen gebieder. Hij keek naar Hildegonda, die mee doodsbleek gelaat naast hem stond, en een hevige smart kwam over hem. Maar hij moest zijn plicht nakomen. Hij zegt den koningsbode in het keizerlijke leger aan te kondigen, dat hij over drie dagen verschijnen zal. Met somber gelaat wendt hij zich af. Hildegonda werpt zich snikkend aan zijn borst.

III.

Verwoed streden in Iberië het kruis en de halve maan om de heerschappij. Hevige gevechten werden geleverd, veel bloed werd door de christenen en de ongeloovigen vergoten. Bloedige overwinningen behaalden de moedige paladijnen van den koning der Franken, het Bladzijde 198dapperste echter streed Roland. Zijn zwaard baande den keizer den zegetocht, het dekte het leger van den keizer, toen het zegevierend in het onbekende vijandelijke land trok. Het was in Ronceval, in dat dal, dat naderhand zoovele dichters in het Duitsche en Waalsche land bezongen hebben. Gescheiden van het hoofdleger, trekt Rolands dappere achterhoede, tegen het vallen van den avond, langs den boschweg. Daar klinkt plotseling woest geschreeuw van de hoogten, verwoed vallen de laffe Mooren het troepje Franken aan. Met heldenmoed vechten zij. Gelijk een koningsarend vliegt Rolands strijdros Brilliador nu hier, dan daar heen, en menige schedel der Saracenen wordt door zijn machtig zwaard Durando gespleten. Maar de overmacht overwon de dapperheid. Steeds kleiner wordt de schaar der Franken, en nu wordt ook Roland door een lanssteek van een reusachtigen Moor getroffen. Over hem heen woedt de woeste strijd. Toen de nacht treurig zijn donkeren mantel over het slagveld uitspreidde, hadden de ongeloovigen hun afschuwelijk werk volbracht. De Franken waren verslagen. Slechts eenigen waren aan den dood ontkomen.

Waar is Roland? klonk de angstige vraag. Hij was niet onder de geredden. Waar is Roland? vroeg Karel de Groote ontsteld aan de Bladzijde 199vermoeide boden. Door het geheele rijk weerklonk het antwoord: Roland de held viel in den strijd tegen de Saracenen. Overal verwekte deze treurige tijding oprechte droefheid.

Ook aan den Rijn werd zij vernomen. Op een dag verschenen er koningsboden op de Drachenburg, die de treurige boodschap overbrachten en tevens de deelneming van den keizer betuigden. Smartelijk zuchtte de oude Heribert, terwijl hij de oogen met de hand bedekte. Hildegonda stiet een vreeselijken gil uit. Hartverscheurend was haar verdriet. Voor het beeld van de Moeder Gods lag ze snikkend op de knieën en smeekte om bijstand in haar groote smart. Dagenlang sloot ze zich in haar kamertje op, en zelfs de woorden van troost, die de vader haar bood, vermochten het ontzettende leed niet te verzachten.

Nadat er weken verstreken waren, trad het bleeke meisje, op een dag het vertrek van den ridder binnen, kalmer dan voorheen. Een bovenaardsche glans lag over haar ernstige trekken. En toen de vader de knielende naar zich toe trok, deelde zij hem het besluit mede, dat in haar zwaarbeproefde ziel gerijpt was. Smartelijk hebben de oogen van graaf Heribert haar aangezien. Vervolgens heeft hij een kus op haar rein voorhoofd gedrukt. Bladzijde 200

Toen is de dag aangebroken, waarop de klokken beneden op het eiland Nonnenwerth plechtig luidden. Voor het altaar knielde gesluierd een nieuwe novice, de lieftallige dochter van graaf Heribert. In de heilige stilte van het klooster zocht zij den vrede, dien zij in den vaderlijken burcht niet vond. Met een laatsten snik had ze den naam van den geliefde uit het hart verbannen, de vlammen van de treurende liefde uitgedoofd, en nu moest haar ziel vervuld zijn van het heilige vuur van reine godsvereering. Te vergeefs hoopte de geknakte vader, dat de ongewone eenzaamheid van het klooster het besluit van de geliefde dochter aan het wankelen zou brengen en zij aan het einde van het proefjaar in zijn armen terug zou keeren. Integendeel; de godsvruchtige jonkvrouw smeekte den bisschop, die aan het geslacht van den vader verwant was, de goedheid te hebben haar geen proefjaar op te leggen en haar reeds na korten tijd toe te staan, de onherroepelijke belofte voor Hem af te leggen, aan wien ze haar leven gewijd had. Haar vurige wensch werd vervuld. Toen er een maand verstreken was, vielen de gouden lokken van Hildegonda’s hoofd en door een heilige belofte verbond de lieftallige dochter van den heer van de Drachenburg Bladzijde 201zich voor eeuwig aan den almachtigen God.

IV.

Maanden waren er sedert dien tijd verstreken. De lente was voorbij en de schooven stonden reeds op de velden. Op de plaats, waar de vloed, aan het einde van het Rijndal gekomen, door zeven trachietreuzen met door burchten gekroonde hoofden omringd wordt, houdt de ridder met zijn gevolg stil. Het is nog niet lang geleden, dat hij ver in het Zuiden, waar de Iberische zon het dal van Ronceval bestraalt, in een armoedige herdershut ziek gelegen heeft. Daarheen had de trouwe schildknaap zijn meester, die door een lans van een Moor in de borst getroffen was, gesleept. Hier had de dappere held en legeraanvoerder weken- en maandenlang op het ziekbed gelegen en met den dood geworsteld, totdat zijn krachtige natuur de overwinning behaalde. Roland herstelde door de liefdevolle verpleging, terwijl hij in het Frankenland als een doode betreurd werd. Nu was hij teruggesneld naar de plaats, waarheen hij met geweld getrokken werd. Een boschrijk eiland verheft zich groetend uit den lichtblauwen vloed. De gouden avondzon schittert over de bergen. Op den bergrug tallooze druivenstokken, Bladzijde 202links de liefelijke beukenboschjes, tot aan de steile kruin opstijgend, rechts de murmelende golfslag, aan de overzij, ver zichtbaar op de sagenrijke rots, waar eens een afschuwelijke draak gehuisd had, de muren van een ridderslot. Hoog boven alles de nacht in gouden sterrengewaad.

Zwijgend staat de ridder stil. Zijn blik rust bewonderend op het prachtige landschap, evenals maanden geleden, wordt hij week gestemd.

“Hildegonda” fluistert Roland en ziet op naar den met sterren bezaaiden hemel.

Evenals destijds vaart wederom een schip door de donkere water. Op den boschweg, die naar de Drachenburg leidt, schrijdt Roland, door zijn schildknaap vergezeld.

Met doodsbleek gelaat staart de oude slotbewaker naar de late gasten. Hij maakt een kruis en ijlt in het vertrek van zijn heer. Daar wankelt een manlijke gestalte, door ouderdom en verdriet gebogen. De ridder snelt hem tegemoet. “Roland” klinkt het als een steunen van de verbleekte lippen van den burchtheer. Zwijgend houdt de late bezoeker den snikkenden ouden heer in de armen gesloten. Toen Roland maanden geleden wegging, vond zijn verdriet geen tranen, nu vloeiden zij rijkelijk over zijn door smart ingezonken wangen. Bladzijde 203

Roland maakt zich uit de omarming van den ridder los.

“Waar is zij?” (Gillend uit hij deze vraag.) “Dood?”

Vreeselijk treurig ziet graaf Heribert hem aan.

“Hildegonda, de bruid van den voor dood gehouden Roland, werd de bruid des hemels.”

Bij het hooren van deze woorden steunde de held luid en verborg vol smart het hoofd in de handen.

Tegen het aanbreken van den dag heeft hij den burcht verlaten, gelijk een koningseik, die door den bliksem getroffen is. In den tegenover gelegen burcht op den rotswand, die door de hoopvolle liefde in de lente opgebouwd werd, heeft hij zijn intrek genomen, en daar heeft hij de wapenrusting voor altijd afgelegd. Uitgedoofd waren de sterren in zijn borst, gestorven de begeerte naar roem. Dag aan dag heeft hij daar boven gezeten en zwijgend naar het groene eiland in den Rijn gestaard, waar de non Hildegonda elken morgen in den kloostertuin tusschen de bloemen wandelde. Soms scheen het hem, alsof ze zich groetend boog en dan werd het bleeke gelaat van den ridder door het avondrood van het vroeger stralende geluk opgeklaard. Bladzijde 204 Daarna werd hem ook dit geluk ontnomen. Op een dag bleef de geliefde uit, en toen klonk het doodsklokje klagend op het stille eiland. Hij ziet daar beneden een lijkkist naar het kerkhof dragen en hoort de treurzangen en gebeden der nonnen. Hij ziet ze allen, slechts eene ontbreekt. En de held bedekt het gelaat met de handen. Hij weet nu, wie ze daar grafwaarts dragen.

De herfst kwam en verdorde bladeren woeien over het graf van de non Hildegonda. Nog altijd zat Roland daar boven en tuurde elken morgen naar het kerkhof op het eiland. En zoo werd hij op een dag door zijn schildknaap levenloos gevonden, het gebroken oog op de plaats gericht, waar de verlorene geliefde sliep.

Nog vele eeuwen versierde de trotsche Rolandsvesting den berg, die nog steeds Rolandseck heet. Dan viel ook zij in puin evenals de grootsche Drachenburg, waarvan de toren nog steeds omhoog steekt. Een halve eeuw geleden viel op een stormachtigen winternacht de laatste boog van de Rolandsvesting in puin, maar door prijzenswaardige piëteit is zij weer opgebouwd, en evenals voorheen prijkt de Rolandsboog op de steile rots, op het schoonste punt van het heerlijke Rijndal, ten einde de tegenwoordige geslachten aan de trouwe liefde uit den riddertijd te herinneren. Bladzijde 205