Zevengebergte
Het Nachtegaalboschje bij Honnef
Een verrukkelijk plekje aarde is het liefelijke Honnef, dat zich als een mooi, schuw kind aan de voeten van den ouden, beschuttenden Drachenfels aan den Rijnstroom uitstrekt. Alsof het in een schelp ligt, wordt het door den reusachtigen rug van den berg voor den ijzigen adem van den Boreas beschut. Daardoor is de wind in dat dal minder scherp, zoodat het plaatsje den naam van “het Duitsche Nizza” gekregen heeft. Als de bezoeker van den Drachenfels, door de ondergaande zon tot terugkeer gedrongen, door het dal van Honnef afdaalt, teneinde de wachtende boot te bereiken, dan klinkt hem van alle kanten het schoone gezang der nachtegalen tegen. Talrijker, dan ergens in de omgeving zijn deze minnezangers hier bijeen; reeds sedert vele jaren is dit zoo, en de sage deelt ons de oorzaak hiervan mede.
Zeer lang geleden zongen ze op een andere plaats. Het was in de Eifel, in het bosch van de abdij Himmerode. Daar klonk, evenals thans Bladzijde 206in het dal bij Honnef in den stillen zomernacht hun verrukkelijk gezang. Ook tot de ernstige monniken, die in de kruisgangen en kloostertuin in vrome overdenking rondliepen, drong het door. Zelfs de vrome boetelingen, die zich in hun kerkers kastijdden vernamen het. En in hun prevelende gebeden vermengde zich verlokkend het verleidelijke gezang der nachtegalen. Toen zijn in menig monnikshart, dat reeds lang afstand van het wereldsche genot gedaan had, schuw en beschaamd herinneringen opgewekt en in menig oor der vrome broeders hebben zij over heerlijke, zondige dingen gefluisterd.
Daarop is de heilige Bernhard op een dag in de abdij Himmerode gekomen en heeft in de harten der broeders gelezen. Groote droefheid overviel hem, toen hij bemerkte, dat uit menige heilige ziel de goddelijke vrede verdwenen was. De oorzaak hiervan bleef hem niet verborgen. Vervuld van heilige geestdrift trad de godsdienaar in het bosch, dat het klooster omringde en hief met toornig gebaar de hand op tegen de gevederde zangers van het woud. “Verwijder u van hier! Gij zijt ons tot ergernis!”
Dreigend had de heilige man dit uitgeroepen en ziet, in de twijgen ontstond een hevig rumoer, een groote zwerm nachtegalen vloog uit Bladzijde 207de struiken. Nog eenmaal weerklonk het verleidelijke gezang door het woud, daarna stoven zij schuw klappend met de vleugels weg.
In het dal bij Honnef hebben ze zich neergelaten en geen banvloek heeft ze sedert dien tijd daar vandaan verdreven. Zij, die daar in gepeins verzonken alleen wandelen of met hun beiden babbelend door het dal van Honnef gaan, zijn niet, evenals St. Bernhard, afkeerig van de wereldsche vreugde; evenmin als zij, die met glinsterende oogen en een teringachtigen blos op de wangen door den tuin van het sanatorium Hohenhonnef wandelen. Deze en gene hoort den verlokkenden klank van de nachtegalen, nu eens klagend, dan overmoedig. En iedereen legt hem op zijn manier uit. Bladzijde 208
De Drachenfels
I.
Als de reiziger de schoon gelegen Muzenstad Bonn verlaten heeft en per stoomboot den Rijn opvaart, aanschouwt hij spoedig aan zijn linkerhand de schilderachtige toppen van het Zevengebergte. De steile kruin van den voorsten berg wordt thans nog versierd door den toren en de muren van een oud ridderslot. Van dezen toren met den griezeligen naam, waar men in den zomer voortdurend vroolijk gezang en klinken van bokalen hoort, vertelt het volk een aandoenlijke sage.
Bij de kist van Keizer Heinrich IV.
Naar het schilderij van L. Rosenfelder. Bij de sage van Burch Hammerstein.
In de eerste eeuwen na de geboorte van den Verlosser namen de Germanen op den linker Rijnoever gewillig de leer van het kruis aan, zooals de heilige Maternus, een discipel van den Volksapostel, uit Gallië hun die mededeelde. Reeds sedert langen tijd hadden de vrome christelijke zendelingen getracht, de christenleer bij de heidensche stammen van Midden-Germanië Bladzijde 209te doen doordringen, doch zonder gevolg. Zij hielden aan hun heidendom vast en wilden de christelijke priesters uit het vreemde rijk niet in hun landstreken toelaten. Reeds vroeger had dit rijk gepantserde legioenen, onder aanvoering van listige bevelhebbers in de vrije landen gezonden.
Destijds moet er een vreeselijke draak in een hol (nog thans “Drachenloch” genaamd) gehuisd hebben, een draak met een afschuwelijke gestalte, die dagelijks zijn rotshol verliet en in de bosschen van het dal verschrikkelijk te keer ging, terwijl hij menschen en dieren op vreeselijke wijze bedreigde. Menschelijke krachten waren onmachtig tegen dat monster en daar men meende, dat zich een vertoornde godheid in den slangachtigen salamander verborg, bewees men hem goddelijke eer en offerde hem bereidwillig misdadigers en gevangenen.
Een ruwe heidensche stam woonde aan den voet van den berg. Dikwijls ondernamen de strijdlustige mannen verwoestende rooftochten aan den linker Rijnoever. Zij staken alles in brand en vermoordden de christelijke broeders. Op een nacht waren ze wederom naar de andere zijde getrokken en maakten in een verwoeden strijd met de overvallenen vele goederen en gevangenen buit. Onder de laatsten bevond Bladzijde 210zich een jonkvrouw van buitengewone schoonheid. Twee legeraanvoerders, door haar bevalligheid bekoord, verlangden haar te bezitten. De oudste heette Horsrik, hij was een beroemd hoofdman en gevreesd strijder, krachtig als een beer en woest als een tijger, de jongste, Rinbold was minder ruw, doch even dapper.
Huiverend wendde de lieftallige jonkvrouw zich af, toen ze de beide vorsten met vlammende oogen om haar bezit vechten zag. Mannen, overmoedig geworden door de behaalde overwinning, omringen hen. Toch stellen zij nog meer belang in den strijd der aanvoerders, om de gevangen christin, dan in hun eigen verworven buit. De toornige woorden der beide tegenstanders vinden een echo in de harten der omstanders. Als Horsrik, de gevreesde strijder de jonkvrouw voor zich eischt, wordt hij door de omringende mannen aangemoedigd, maar als Rinbold, de jeugdige trotsche legeraanvoerder haar begeert, wordt hij veel meer door de omstanders toegejuicht. Somber staart de andere voor zich uit, terwijl zijn vuist dreigend de strijdkolf omklemd houdt. Daar gaat de kring der omringende mannen uiteen. Tusschen de strijders treedt, met een ernstige uitdrukking op het gelaat, de opperpriester, een grijsaard Bladzijde 211met zilveren haren en harde trekken. Luid weerklinkt de toornige stem van den grijsaard:
“Vervloekt zij deze twist om het bezit van een andersgeloovige. De christin zal geen tweedracht zaaien tusschen de edelsten van onzen stam. De dochter van hen, die wij haten zal u geen van beiden toebehooren. De stichteres van dezen onzaligen twist zal den draak geofferd worden. Ter eere van Wodan, dien zij en de haren miskennen, zal zij bij zonsopgang gewijd worden.” De mannen juichten dit plan toe, vooral Horsrik. Met opgeheven hoofd staat de jonkvrouw daar. Smartelijk en vol bewondering rust het oog van Rinbold, de trotsche jeugdige legeraanvoerder op het engelachtige gelaat der jonkvrouw.
II.
Den volgenden dag in alle vroegte, nog voordat de godin van den dag haar stralend hoofd van het purperen kussen in het Oosten ophief, werd het levendig in het dal. Door het woud, dat nog in schemering gehuld was, besteeg een opgewonden stoet de hoogte. Vooraan schreed de priester, in het midden, bleek, maar kalm, de gevangene. Zwijgend had zij het ter wille van den Heer toegelaten, dat de beenige hand van den opperpriester den offerband om Bladzijde 212haar voorhoofd wond en gewijde bloemen in haar loshangend haar vlocht. Menige medelijdende blik uit het volk trof heimelijk het standvastige meisje, ook de blauwe oogen van den jeugdigen, trotschen legeraanvoerder hadden zich smartelijk vertrokken bij den aanblik van de aan den dood gewijde jonkvrouw.
Het vooruitspringende gedeelte der rots was bereikt, dat reeds dikwijls door onschuldig menschenbloed bezoedeld was. Zwijgend wonden de dweepzieke priesters touwen om haar teeder lichaam en bonden haar aan den heiligen, aan Wodan gewijden boom, die den rand van den afgrond beschaduwde. Geen klacht kwam over de bleeke lippen der christin, geen traan blonk er in haar oogen, die verrukt naar het morgenrood aan den hemel opzagen. De volksmenigte ging uit elkaar en verspreidde zich; zwijgend en angstig bleven de heidenen in de verte wachten op hetgeen komen zou.
De eerste zonnestralen wierpen hun schijnsel over den berg. Zij schitterden in de bloemenkroen, die de jonkvrouw in het haar droeg en speelden op haar verheerlijkt gelaat, dat ze met een stralenkrans van licht en glans omgaven. De jonge christin verwachtte den dood evenals een verloofde haar bruigom. Haar lippen bewogen zich zacht als in een gebed. Bladzijde 213
Daar hoorde men in de diepte dof rumoer; de draak kwam snuivend uit zijn hol en stoof over den landweg. Hij ontdekt het offer op de plaats, die zijn bloeddorst kent. Hoogop kromt zich zijn met schubben bedekt lichaam, dat op ver uitgestrekte van scherpe nagels voorziene pooten rust; gruwelijk slaat hij met zijn slangachtigen staart en laat in zijn afschuwelijk gapenden muil zijn doodend gebit zien. Blazend komt het ondier aangekropen, terwijl het begeerig de tong heen en weer beweegt. Uit de bloederige oogen stralen helsche vlammen.
Doodsangst overvalt de jonkvrouw bij den aanblik van dezen afschuwelijken salamander. Sidderend trekt zij een schitterend gouden kruis, dat zij op de borst draagt, te voorschijn en strekt dit afwerend naar den draak uit, terwijl een angstige hulpkreet tot God haar lippen ontsnapt. En, o wonder! Terwijl hij zich hoog, als door den bliksem getroffen, opricht, treedt de draak terug en stort achterwaarts over puntige rotssteenen in de diepte. Onder brullend gehuil en het donderend rumoer van vallende rotsblokken verdween het ondier in de woeste golven van den vloed. Een algemeene gil klonk van de lippen der ter zijde wachtende heidenen. Verbazing en schrik stond op alle gezichten te lezen. Vol berusting, met droomerig gesloten Bladzijde 214oogleden stond de jonkvrouw daar en bad zacht tot Hem, die haar gered had. Daar werd zij van de touwen, die haar vastgebonden hielden, bevrijd, en twee krachtige armen omvatten haar en droegen haar in den kring der verbaasde toeschouwers. Zij hief de oogen op en zag den jongsten der beide legeraanvoerders; zijn ruwe krijgsmanshand vatte de hare. Als voor een hemelsche verschijning boog de jongeling zijn knie en raakte met de lippen de witte vingeren aan. Luide zegenkreten klonken den ridder tegen.
De bejaarde priester trad naar voren en vol verwachting zweeg het volk. Hij vroeg de christin plechtig, wie haar van den wissen dood gered had, en wie de God was, die de zijnen zoo zichtbaar hielp. En zegevierend glinsterden de van gelukstralende oogen der jonkvrouw.
“Dit beeld van Christus heeft den draak verpletterd en mij gered,” riep zij zegevierend uit. “In hem rust het heil der wereld en de welvaart der volkeren!”
Met schuwen eerbied beschouwde de bejaarde priester het kruis van Christus.
“Dat het spoedig uw geest moge verlichten evenals van al deze lieden,” sprak de jonkvrouw ernstig. “Het zal u grootere wonderen openbaren dan dit, want onze God is groot.” Bladzijde 215
Men geleidde de jonkvrouw met de overige gevangenen weer naar haar vaderland. Zij keerde spoedig terug, vergezeld van een christelijken priester. De stem van het geloof en der onschuld richtte wonderen uit in de harten der heidenen. Bij duizenden tegelijk begeerden zij den doop. De oude priester en Rinbold waren de eersten, die hun hoofd voor de nieuwe leer bogen. Vreugde heerschte er onder den stam, toen de jonkvrouw den jeugdigen legeraanvoerder de hand voor het leven reikte. Een christelijke tempel werd in het dal opgericht en bovenop de rots verrees een trotsche burcht voor de jonggehuwden. Wel tien eeuwen bloeiden het machtige geslacht der Drachenburgers in de omstreken van den Rijn. Bladzijde 216
De monnik van Heisterbach
In den ouden tijd stond in een liefelijk dal van het Zevengebergte het klooster Heisterbach. Thans staan nog eenige overblijfselen op het met boomen omgeven grasveld. Niet door den tand des tijds, maar door de barbaarschheid van het oorlogzuchtig tijdperk zijn de kloosterhallen verwoest. Men heeft de monniken verjaagd, de muren afgebroken en de steenen voor het bouwen van vestingen gebruikt. Sedert dien tijd, zoo deelen de landlieden van het Zevengebergte mede, wandelen ’s nachts de geesten van de verjaagde monniken tusschen de ruïnes van het koor en de puinhoopen der zuilen. Zwijgend klagen zij hun vervolgers en de verwoesters hunner cellen aan. Onder hen bevindt zich ook Gebhard, de laatste prior van Heisterbach. Hij dwaalt tusschen de monniksgraven, telt ze en bezoekt ook de graven van de heeren van Löwenburg en Drachenburg. Een graf ontbreekt: bij de laatste verwoesting hebben de kloosterschenders dit geopend. Bladzijde 217
Zeer beroemd waren de geleerde monniken in de middeleeuwen. Menig kunstig afschrift van den Bijbel, menig zeer geleerd geschrift, dat in de wereld verscheen, was afkomstig uit de stille kluis van het klooster aan den Rijn en gaf blijk van de vlijt en kennis der vrome monniken. Een was er onder hen, die boven allen in geleerdheid uitblonk. Hoog stond hij bij allen in aanzien, en zelfs het bejaarde hoofd van den vader prior boog zich deemoedig voor de door God begenadigde geleerdheid van den jeugdigen monnik.
Maar de giftige worm van den twijfel knaagde aan zijn veelomvattende kennis, en de spiegel van zijn geloof werd beneveld door schadelijk gepeins. Dikwijls dwaalde zijn oog onrustig over het geel geworden perkament, waarop het levende woord Gods geschreven stond, en ofschoon zijn kinderlijk deemoedig hart zich onderwierp en smartelijk uitriep: “Ik geloof, Heer, sta mij bij in mijn ongeloof!” zoo toch omzweefden hem dikwijls hoonend de scheppingen van zijn onrustigen geest en de pijnigende gestalten van den verderfelijken twijfel, die zijn ziel tot het tooneel van een smartelijke worsteling maakten.
Eens zat hij bij het aanbreken van den dag weder met gloeiend hoofd over de perkamentrollen Bladzijde 218gebogen. Uren verstreken, en de morgenzon verguldde de hooge zuilengangen met haar gouden glans. Verleidelijk dansten de stralen op de beschreven rol, die de monnik in de handen had. Hij echter zag het niet en staarde voortdurend op de regels, die hem reeds sedert maanden met kwellenden twijfel vervulden: “Duizend jaren zijn den Heer gelijk een dag!”
Reeds maandenlang martelde hij zijn hersenen met dit raadselachtig woord van den apostel. Met geweld had hij de onbegrijpelijke plaats uit zijn gedachten verbannen, en nu dansten haar letters wederom voor zijn moede oogen. Zij werden grooter, de gekrulde teekens, rekten en verlengden zich bovennatuurlijk en werden spottende gestalten, die hem hoonend omzweetden: “Duizend jaren zijn den Heer gelijk een dag!”
Het liet hem geen rust in de muffe cel en trok hem naar de eenzaamheid van den frisschen kloostertuin. Met onrustigen tred ging hij, in kwellend gepeins verzonken, de paden op en neer. Zijn blik vestigde zich op den grond, zijn geest vertoefde zeer ver van de rustige omgeving. Zonder het te weten had hij den kloostertuin verlaten en wandelde op de boschwegen. Vertrouwelijk groetten de vogels in de groene twijgen hem, met groote oogen zagen de bloemen in het zachte mos hem Bladzijde 219aan. Hij echter, de peinzende denker, hoorde en zag niets. Want de twijfel in zijn ziel zag slechts een plaats, hoorde slechts een klank: “Duizend jaren zijn den Heer gelijk een dag!” Vermoeid was zijn dolende voet, afgemat zijn overspannen hersenen. Op een steen zonk de monnik neder en steunde het geplaagde hoofd tegen een boom. Een verzoenende droom voerde zijn geest weg. In door licht omgeven sferen vond hij zich zelf terug; aan den troon van den Allerhoogste. Het water van de eeuwigheid ruischte om hem heen. Alle voortbrengselen der schepping verschenen en prezen het werk zijner handen, welks heerlijkheid de hemelen roemen: vanaf den worm in het stof, dien nog geen sterfelijk wezen heelt kunnen scheppen, tot aan den adelaar, dien Hij vleugels gegeven heeft en het vermogen om van de hoogte op de diepte neer te zien; van de zandkorrel in de zee tot aan den reuzenkegel, die op bevel van den Heer uit den sedert duizenden jaren gesloten vuurmond spuwt. Zij allen spreken slechts een taal, die voor den hoogmoedige onverstaanbaar is en den nederige geopenbaard en duidelijk gemaakt wordt. De taal van Hem, die hen uit het stof te voorschijn riep, zij het in zes dagen, zij het in zesduizend jaren: “Duizend jaren zijn den Bladzijde 220Heer gelijk een dag!” Met een lichte rilling opent de monnik de oogen.
“Ik geloof Heer, sta mij bij in mijn ongeloof!” mompelt hij, zich opheffend. Luisterend staat hij stil. Van verre luidt de kloosterklok. Vesperluiden is het. Het avondrood straalt reeds door de takken. Snel wendt hij zijn schreden naar het klooster. De kerk is reeds verlicht. Door de half geopende deur ziet hij de monniken in hun stoelen. Stil snelt hij naar zijn plaats. Met verbazing bemerkt hij, dat er een andere monnik voor zijn stoel staat. Hij raakt hem met den vinger aan, maar tot zijn verbazing ziet hij een vreemde, dien hij tevoren nooit gezien heeft. Nu heft ook deze en gene zijn hoofd van het boek op en kijkt vragend naar den binnengekomene.
Dan komt er een zonderling gevoel over hem. Slechts vreemde gezichten ontdekt hij. Terwijl hij verbleekt, kijkt hij om zich heen en wacht het einde van den ernstigen psalm af. Verstomd zijn gezang en gebed. Door de rijen gaat een fluisterende vraag. De prior, een eerwaardig grijsaard nadert den binnengetredene. Op zijn hoofd rust de tachtigjarige sneeuw.
“Hoe is uw naam, vreemde broeder?” vraagt hij op vriendelijken, welwillenden toon.
Afgrijzen maakt zich van den monnik meester. Bladzijde 221
“Maurus,” mompelt hij toonloos, terwijl zijn stem beeft. “Bernard, de Heilige, was de abt, die mijn gelofte afnam in het zesde regeeringsjaar van koning Koenraad, dien men den Frank noemde.”
Ongeloof en verbazing teekenen zich op de ernstige gezichten der monniken af. En de monnik heft zijn doodsbleek gelaat tot den prior op en deelt hem met doffe stem mede, hoe hij in het bosch ingeslapen, en niet ontwaakt is, voordat de vesperklok luidde. De prior wenkt een broeder.
“Het is bijna driehonderd jaar geleden, dat St. Bernhard stierf, evenals Koenraad, dien men den Frank noemde.”
De broeder brengt de oorkonden van het klooster. Zij bladeren ver terug: driehonderd jaren tot den tijd, toen Bernhard, de Heilige, leefde. En zoo las de bejaarde prior, wat het perkament verkondigde: “Maurus, een twijfelaar, verdween op een dag uit het klooster en niemand heeft sedert dien tijd vernomen, wat er van hem geworden is.”
Een rilling gaat door de leden der monniken. Dat was hij, deze broeder Maurus, die na driehonderd jaar in het klooster terugkeerde! In zijn ooren weerklonk het laatste woord, dat de prior gelezen had, als bazuingeschal van het Bladzijde 222laatste oordeel: driehonderd jaren! Met opengesperde oogen ziet hij omhoog, hulpeloos tast hij met de handen voor zich uit. De broeders ondersteunen hem en beschouwen hem met heimelijk afgrijzen, want zijn gelaat wordt aschgrauw, als van een stervende, de smalle haarkrans op zijn hoofd wordt eensklaps sneeuwwit.
“Mijne broeders,” prevelt hij met brekende stem, eert steeds het onvergankelijke woord des Heeren en zoekt niet door te dringen in wat Hij opzettelijk voor ons verborgen hield. Voor Hem bestaat er geen tijd. Dat mijn voorbeeld nooit uit uwe gedachten moge verdwijnen. Eerst heden drongen deze woorden van den apostel tot mij door: Duizend jaren zijn den Heer gelijk een dag. Hij, de Heer, zij mij armen zondaar genadig!”
Levenloos zonk hij ter aarde en geroerd baden de broeders bij zijn lijk. Bladzijde 223
Godesberg
Het “Hochkreuz”
Aan den grooten weg tusschen Bonn en het naburige Godesberg verheft zich aan den linker kant uit een donker boschje een hooge steenen zuil; in die streek bekend onder den naam van “Hochkreuz”. Vriendelijk komt de steen uit het schaduwrijke groen te voorschijn, als de toerist daar op den dag voorbij komt. ’s Avonds daarentegen maakt het vervallen, verweerde gedenkteeken, wanneer dit plotseling op den eenzamen weg voor de blikken van den voorbijganger opdoemt, een ernstigen, bijna griezeligen indruk. Deze wordt nog versterkt wanneer men de sage kent, die sedert oudsher—het “Hochkreuz” staat daar reeds vele eeuwen—het grijze gedenkteeken omzweeft.
De sage voert ons terug in den tijd, toen in plaats van de tegenwoordige ruïne nog een trotsch ridderslot vanaf den Godesberg op de heerlijke omgeving van Bonn neerzag. Destijds leefde op den Godesberg een oud strijder, die Bladzijde 224in het Rijnland zeer geroemd werd. Zijn vrouw was gestorven; maar haar beeld leefde in twee finke zonen voort. De oudste was geheel het evenbeeld zijner moeder: hij bezat een zachtzinnigen aard en het gemoed van een kind. Hierdoor kwam het, dat de oogen van den vader met meer welgevallen op hem, dan op den jongeren zoon rustten, die niettegenstaande zijn jeugd reeds menig dol waagstuk en menig onridderlijk avontuur uitgehaald had.
Maar toch was de grijsaard hem daardoor niet minder goed gezind. Hij hoopte, dat hoe onstuimiger de jongeling den genotvollen beker ledigde, hoe eerder hij op den drabbigen bodem zou komen, hetgeen het gevolg van elk bovenmatig genot is. Dan zou hij niet meer afkeerig van ernstigere dingen zijn, en wellicht zou de wensch van de overleden gemalin vervuld worden, die steeds gehoopt had, dat de Keulsche bisschopsring van den heiligen Maternus eens haar jongsten lieveling mocht sieren, terwijl Erich, de oudste, heer van Godesberg zou zijn.
Roland in den veldslag van Roncevalles
Naar het schilderij van A. Guesnet.
Dikwijls kwam deze wensch bij den grijsaard op, en menig vroom gebed voor de verhooring daarvan zond hij ten hemel, wel wetende; dat zijn overleden vrouw zich daar boven met zijn smeekbeden vereenigde. Dikwijls ook sprak hij den jongeling toe en slaakte in stilte Bladzijde 225een zucht als deze zich aan het onaangename gesprek poogde te onttrekken.
Toen verscheen de dood als een droevige gast op den Godesburcht. Hij nam den bejaarden burchtheer mede en voerde hem in het land der droomen tot zijn vrouw. In zijn laatste uur had de ridder nog tijd, datgene te herhalen, wat hij jarenlang als een vurige wensch in zijn binnenste bewaard had. Hij zegende de zonen en smeekte God den eenen op den burcht zijner voorvaderen, den anderen voor het altaar van den Heer Zijn rijken zegen te schenken. Daarop stierf hij, diep betreurd door de armen en verdrukten.
II.
In de hooge zaal van den Godesburcht, keken de portretten der voorvaderen op de beide broeders neer, die zwijgend den maaltijd gebruikten. Treurig gestemd zaten de tegenwoordige burchtheer en zijn jongere broeder tegenover elkaar. Er werd weinig gesproken, maar de enkele woorden, die de jongste uitte, klonken verbitterd en ontstemd. Tevergeefs trachtte de oudste het vertoornde gesprek van den jongeren broeder af te weren. “Ik nam slechts, wat mij als overoud vaderrecht toekomt,” antwoordde hij zacht op de aanklacht van den anderen. Bladzijde 226“Ik ben niet heer, maar beheerder van mijn bezitting en zij, wier beeltenissen op ons neerzien, zouden mij in de andere wereld vervloeken, als ik mijn erfdeel niet goed beheerde. Voor jou echter is een hooger erfdeel voor het altaar van den Heer weggelegd, zelfs een hooge rang zal je bekleeden, zooals je reeds schriftelijk is toegezegd, wanneer jij, de afstammeling van een doorluchtig geslacht, een waardig dienaar van den Heer wordt.”
Maar toornig valt de broeder hem in de rede: “Nooit buk ik mij voor den harden dwang, die den oudsten de wapenrusting, den jongsten de monnikspij oplegt. En al werd mij de bisschopsring en de kardinaalshoed aangeboden, dan nog wil ik geen priesterkleed dragen, maar het ijzeren kleed, dat ik tot nu toe gedragen heb.”
Treurig hoorde de andere hem aan.
“Dat God uw donker hart moge verlichten. Gaarne zou ik met je deelen, maar het gebod onzer voorvaderen laat dit niet toe. Daarom onderwerp je en bedenk, wat hem dreigt, die de heilige gebruiken zijner voorouders veracht.”
Toen werd het stil in de ridderzaal.
III.
Jachtfanfares klonken door het woud, dat zich destijds van den voet van den Godesberg Bladzijde 227tot aan de poort van Bonn uitstrekte en zeer veel edel wild bevatte. Evenals vroeger met hun vader, zoo gingen de beide broeders ook thans gezamenlijk ter jacht. Gaarne had graaf Erich de uitnoodiging van zijn broer aangenomen. Hartelijk verheugde hij er zich over, dat de slechte stemming, die hij sedert verscheidene dagen bij den broeder waargenomen had, verdwenen was. Het scheen, alsof deze tot inkeer gekomen was en het besluit genomen had, den vromen wensch zijner ouders te vervullen. Hij deelde zelfs mede, dat hij plan had, den aartsbisschop in de heilige stad Keulen te bezoeken en hem den brief te overhandigen, dien zijn vader hem als een gewichtig geschrift nagelaten had.
Dat verheugde graaf Erich zeer. Welgemoed doorkruiste hij het dichte struikgewas. Hij was zeer gelukkig op de jacht en had reeds verscheidene groote evers gespietst, ook een groot hert viel hetzelfde lot ten deel. Daarentegen trof de broeder slecht. Zijn hand was onvast, zijn bewegingen verrieden onrust, een zeldzaam vuur schitterde in zijn oogen. Hij was een prachtigen ever op het spoor, en bereidwillig gaf de broer aan den wensch om het dier gezamenlijk te vervolgen, gehoor.
Door heg en struik gingen de jagers, vergezeld van de blaffende honden. Daar ritselt het Bladzijde 228loover, hijgend baant de ever zich een weg door het bosch. Suizend snort de jachtspies uit de hand van den jongsten broer en blijft in de schors van een eik zitten.
“Je hand is meer geschikt om vrome christenen te zegenen,” zegt de oudste schertsend.
“En om mij van lastige broeders te ontdoen,” bromt de andere en trekt bliksemsnel den degen van zijn zijde. Sissend dringt het staal in de borst van den broeder. Een gil klinkt door het woud, in welks duisternis de broedermoordenaar verdwijnt. Ontzet snellen de beide schildknapen toe. Een smartkreet klinkt uit beider mond. De graaf ligt badende in zijn bloed, met de sluier des doods over de oogen.
De schildknapen buigen zich tot den stervende over.
“Mijn broeder!” In een zucht sterven deze woorden weg. Ontsteld worden ze door de schildknapen herhaald, en met leedwezen wordt het bericht, dat de ongelukkige Godesberger door de broederhand gevallen is, in het Rijnland vernomen. Innig verdriet heerschte er in den Godesburcht, waar de jonge slotheer in het graf zijner vaderen bijgezet werd. De burcht bleef verlaten, de naaste verwanten van het adellijke geslacht wilden hun woning in de gezegende “Rheingau” dicht bij de Palts niet voor de onzalige Bladzijde 229vesting verruilen, en zoo woonde daar slechts de poortwachter.
Maar ook hij werd verdreven, want op een nacht sloeg de bliksem in den toren, en voor dat men van beneden hulp kon bieden, had de flikkerende straal alles vernield, alleen de zwart gerookte muren zijn overgebleven. Zoo werd de trotsche Godesburcht een treurige ruïne.
IV.
Jaren zijn intusschen verstreken. Uit het woud te Godesberg is destijds een man geijld, radeloos en angstig, bleek en ontsteld. Gisteren nog koesterde hij het misdadige verlangen naar de erfenis van zijn broeder, en heden droeg hij het Kaïnsteeken van zijn broedermoord op het voorhoofd. Bleek en angstig is hij uit het bosch gevlucht. Het helsche plan om zijn broeder in enkele minuten uit den weg te ruimen, dat hij in koelen bloede gesmeed had, is te niet gegaan, toen het slachtoffer met een smartkreet neerzonk. De moordenaar, wiens hand gesidderd had, werd door booze geesten verdreven.
Jaren zijn intusschen verstreken.
Daar klopte op een dag een vreemde pelgrim aan het klooster Heisterbach, dat de vrome monniken van Bernhard in het dal van het Zevengebergte hadden laten bouwen. Half pelgrim, Bladzijde 230half bedelaar. Het gewaad versleten, het gelaat vaal en vervallen, het lichaam gebroken, zooals wellicht de ziel.
Fluisterend smeekte hij den broeder portier medelijden met hem te hebben. Hij kwam van de heilige plaatsen en zijn voeten wilden hem niet verder dragen.
De broeder deelt dit den prior mede, tot wien hij den vreemden pelgrim geleidt. Zwijgend ziet de prior den man aan, die aan zijn voeten neerzinkt. Dan komt er plotseling een andere uitdrukking op zijn oud gelaat.
“Bij God, zijt gij het, ridder—.”
Verder komt hij niet. Kermend houdt de ridder zijn knieën omklemd en smeekt hem, zich zijner te erbarmen.
“Ik ben het, die twintig jaar geleden den broeder in het Godesberger woud versloeg,” klaagt de ongelukkige. “Reeds tweemaal tien jaar boet ik mijn vervloekte schuld en smeekte als pelgrim aan het heilige graf, als slaaf in de ketenen der ongeloovigen, Godserbarming over mij af. Sedert drie maanden vielen de ringen van mijn handen, en met moeite en zorg ben ik naar mijn vaderland getrokken. Hierheen werd ik gedreven en u, dienaren Gods, die mij als knaap en als jongeling gekend hebt, smeek ik om een plaatsje tusschen deze muren, waar ik Bladzijde 231de ruïne van Godesberg aan den overkant kan zien, en waar ik boete kan doen en bidden, totdat de dood mijn arme ziel wegdraagt.”
Toen legde de prior de handen zegenend op het hoofd van den armen zondaar.
Hij heeft boete gedaan en zeer veel gebeden in de eenzame kloostercel. Vele jaren heeft hij het zondige lichaam gegeeseld en vol berouw de vloekwaardige daad beweend. Toen is ook tot hem de dood gekomen, en hebben de monniken van Heisterbach hem onder het zingen van treurliederen grafwaarts gedragen.
Daar, waar de broedermoord gepleegd is, heeft de aartsbisschop van Keulen een kruispyramide doen oprichten, en hoeveel er eeuwen overheen zijn gegaan, zoo staat het sombere “Hochkreuz” nog steeds op deze plaats. Bladzijde 232
Bonn
De Jonker van Klochterhof
Op den Klochterhof te Friesdorf bij Bonn moet eens een edel jonker gewoond hebben, die in de omstreken van Bonn algemeen als een groot drinker bekend stond. Eens was jonker Erich vol ijver in het bosch, dat den Godesberg omringt, gaan jagen. Het was een warme dag, hij maakte weinig buit, was zeer vermoeid en had een ontzettenden dorst. De avondzon weerkaatste in den Rijn, toen de heer Erich mismoedig het geweer omgespte en met zijn buit, een vet haasje, naar huis draafde.
Jan en Griet
Relief op het Jan von Werth-monument te Keulen.
Destijds stond er aan den zoom van het Godesberger bosch een herberg (thans staan er zeer vele), daar trad de jonker van Klochterhof binnen, gaf de waardin den haas en laafde de dorstige keel met parelenden landwijn. Toenmaals moet het druivensap, dat de zon op de Friesdorfer en Godesberger hoogte deed rijpen, veel beter geweest zijn, dan tegenwoordig. Het sappige wild, door de bekwame hand der Bladzijde 233waardin klaar gemaakt, behaagde den jonker zeer, maar nog meer het edele nat, dat de bedrijvige hand van den waard hem inschonk. Menige bokaal goot de dorstige jonker door de verdroogde keel en menige krijtstreep maakte de waard aan den post van de deur.
De nacht drong den heer Erich tot vertrekken. Aangenaam was het zitten, en moeilijk viel het opstaan; de waard, die als een ruwe klant bekend stond, trok een ernstig gezicht: “Twaalf bokalen: Denk ook aan het betalen, mijnheer de drinker!”
Toen zong de jonker met dubbelslaande tong een oud lied, dat in den ouden tijd reeds de groote Pumpus van Perusia gezongen moet hebben.
“Betalen gaat heden niet, omdat ik het geweer niet met penningen laad.”
De ruwe waard griefde het vroolijke antwoord van den drinkebroer. Hij trok een boos gezicht. “Als gij geen geld meer hebt, dan houd ik uw broek tot pand. Kom morgen terug, mijnheer de drinker, en los uw broek en uw schande weer in.”
Naar den Klochterhof bij Friesdorf wankelde met onvaste schreden een man, die te veel gedronken had. Hij had het warm en tegelijkertijd koud. Hij schreed als in den nevel voort, en de dennen van het woud fluisterden elkaar een Bladzijde 234vreemde geschiedenis toe. Er waren er, die zeer lustig suizelden, maar de bejaarde dennen schudden bedenkelijk hun kruinen, evenals de maagdelijke berken, die blozend den nacht dankten, dat hij de oogen van de kuische bloempjes in het woud gesloten....
Of de jonker van Klochterhof ingelost heeft, wat hij verpandde? De sage zwijgt daarover. Bekwame kroniekschrijvers ontkennen het.
Aan den zoom van het Godesberger woud stond langen tijd een herberg “Zum Junkerhof” genaamd, maar de ondeugende nakomelingen van de vrome voorvaderen verdoopten haar “zur Junkerhose” en vertellen elkaar bij den parelenden wijn, dien de zon op de Friesdorfer en Godesberger hoogte laat rijpen, de geschiedenis van de broek van den heer Erich. Bladzijde 235
Keulen
Richmodis von Aducht
Het was in het midden der vijftiende eeuw. De schaduwen des doods spreidden zich over Keulen uit. Een vrouw in een donker gewaad ging schoorvoetend door de straten: de zwarte pest. Haar giftige adem drong in stulpen en paleizen en vernietigde het leven van duizenden.
Op ontelbare huizen schilderden de doodgravers het zwarte kruis, een teeken, dat het vreeselijke spook daar binnengetreden was. Het aantal dooden steeg zoo zeer, dat velen geen rechtsstreeksche begravenis ten deel viel. Men wierp de lichamen der ongelukkigen in een gemeenschappelijk graf, bedekte het dunnetjes met aarde en plaatste er een kruis op. Het jammeren en klagen in de oude stad Keulen was niet om aan te hooren.
Op de Neumarkt, dicht bij de kerk der Apostelen, woonde in een prachtig patriciërshuis de rijke raadsheer Mengis von Aducht. Ook hem trof het verschrikkelijke noodlot; zijn jeugdige Bladzijde 236gemalin werd door de pest aangetast en stierf.
Het verdriet van den heer von Aducht was grenzenloos. Hij bracht den ganschen nacht bij het omhulsel van de ontslapene, innig geliefde vrouw door, kleedde haar in haar wit bruidskleed, dat zij eenige jaren geleden gedragen had, versierde de kist met welriekende bloemen en liet de doode de schitterende kettingen en kostbare ringen, waarvan ze zooveel gehouden had, mede in de groeve nemen.
De nacht lag treurig over het kerkhof naast de Apostelenkerk, waar Richmodis in haar versch gedolven graf rustte.
Stilte heerschte op den doodenakker. Daar beweegt zich de grendel der kerkhofsdeur. Twee schaduwen sluipen op de teenen langs de donkere rij der graven en richten hun schreden naar een versch gedolven graf, dat hun welbekend is. Zij hebben het zelf gegraven. De beide doodgravers van het kerkhof der Heilige Apostelen zijn het, die de bloeiende vrouw van den raadsheer in den namiddag begraven hebben. Zij sloten het deksel, en terwijl de ridder zich jammerend over de innig geliefde gade heenboog, hingen de begeerige blikken der beide mannen aan de schitterende kettingen en kostbare ringen, die de doode versierden. Bladzijde 237
De grafkransen ritselen in de duisternis en hard klinkt het spitten met de spaden. Geleidelijk wordt het graf leeger, en de aardkluiten daarnaast hoopen zich steeds meer op. Nu hoort men een dof geluid, ze zijn tot aan het deksel der doodkist gekomen. Treurig flikkert het schijnsel eener lantaarn uit het vochtige graf. Zij hebben het deksel opengebroken, terzijde geschoven en buigen zich nu vol hebzucht over de gestalte in het witte gewaad. Schel valt het licht der lantaarn, die de eene man in de hand houdt, op het levenlooze gelaat der vrouw in de doodkist, terwijl de andere man snel de ringen van haar gevouwen handen trekt.
Daar beweegt zich plotseling de gestalte in de lijkkist, de smalle witte vingeren bewegen zich. Bleek van schrik snellen de roovers weg, ze laten de kist open en vergeten de gereedschappen.
Een klagende zucht steeg uit het graf op. Eenige minuten later richtte de levendbegravene zich met moeite op. Met opengesperde oogen beschouwde zij haar omgeving en ontzetting maakte zich van haar meester. Rillend kijkt zij naar de ruimte, die zij verlaten heeft, en naar de plaats, waar ze zich bevindt. Was het een droom, die haar kwelde? Bladzijde 238
Zij roept met zwakke stem. Niemand antwoordt, slechts het ritselende herfstloof en de toppen der kerkhofsboomen, die door den wind bewogen werden. Verder rondom doodsche stilte.
Plotseling begreep ze haar vreeselijken toestand: terwijl ze schijndood was, had men haar als ontslapene begraven. Haar hart dreigde stil te staan van gruwelijke ontzetting. Zij greep de achtergelaten lantaarn en wankelde tusschen de graven door naar den uitgang, dien de roovers vergeten hadden te sluiten.
Verlaten waren de straten. Slechts de sterren zagen de wankelende gestalte in het sneeuwwitte gewaad, die zich gelijk een schim, dikwijls minutenlang tegen de huizen der straten leunend, naar de Neumarkt voortbewoog.
Zwijgend groette het grijze patriciërshuis de weeropgestane meesteres. Een venster was nog verlicht. De arme vrouw beneden kromp ineen. Dat was het vertrek, dat getuige van haar jonge liefde geweest was, waarin zij tijdens de vreeselijke ziekte geleden had, en waaruit men haar als doode gedragen had, om in den vochtigen grafkelder te ontwaken. Wellicht vertoefde haar bedroefde gemaal op het oogenblik in deze kamer, doorliep haar met rustelooze schreden, om dan eindelijk, door verdriet overstelpt, zijn hoofd Bladzijde 239in de onaangeroerde kussens te begraven, met den naam zijner geliefde Richmodis op de lippen.
De vrouw in het doodskleed zuchtte. Zij klopte zoo hard aan de deur als haar zwakke krachten het toelieten. Een oude dienaar stak na een poosje zijn hoofd achter het luik in de eikenhouten deur en in de schemering bemerkte hij met ontzetting het spookachtige wezen.
Richmodis noemde hem bij den naam en beval hem haar te openen. Bij den klank dezer stem kromp de oude ineen. Bleek van schrik snelde hij de treden op en het vertrek van zijn heer binnen, terwijl hij stamelde:
“Heer de dooden staan op! Buiten voor het huis staat onze goede vrouw en wil binnenkomen.”
Maar de raadsheer schudde verdrietig zijn hoofd.
“Richmodis, mijn geliefde gade is dood en keert nooit weder. Nooit komt ze terug,” herhaalde hij vol onuitsprekelijk leed, “eer zou ik denken, dat de schimmels uit de stal naar de torenkamer zouden opstijgen.”
Daar dreunde plotseling donderende hoefslagen op den Innenhof en spoedig daarna op de steenen trappen. Toen de heer van Aducht de deur uitsnelde, zag hij zijn beide schimmels de trappen oprennen. Bladzijde 240
Een oogenblik later keken twee hinnikende paarden over de raamkozijnen in den sterrennacht, beneden echter hield een man lachend en huilend tegelijk zijn geliefde vrouw in de armen gesloten, die het graf hem weergegeven had.
Nog vele jaren leefde mevrouw Richmodis aan de zijde van haar echtgenoot, terwijl een schaar allerliefste kinderen hun gelukkige echtvereeniging volmaakte. Innige vroomheid verhelderde het leven der stille huisvrouw, die sedert dien tijd nooit meer gelachen heeft. Een kunstig misgewaad heeft zij voor de kerk der Heilige Apostelen geborduurd, en de heer von Aducht heeft de gebeurtenis op het kerkhof in de Apostelenkerk in een koornis laten schilderen ter blijvende gedachtenis. De schilderij is thans verbleekt.
Als gij nu, lezer, in Keulen komt en zijn Dom en kerken bewondert, ga dan ook naar de Neumarkt, waar ge twee uit hout gesneden paardenkoppen uit het dakvenster van een ouderwetsch huis zult zien kijken, als herinneringsteeken aan deze gedenkwaardige geschiedenis van Richmodis von Aducht.
Karel de Groote
Naar het schilderij van Albrecht Dürer.
De bouwmeester van den Keulschen Dom
I.
Te Keulen vervoegde zich op den avond voor het feest van Jezus Hemelvaart, een eenvoudig bouwmeester bij den machtigen aartsbisschop Koenraad von Hochstaden en bood hem het ontwerp voor een kerk aan. Op trotschen toon beweerde hij, dat zij een der schoonste kerken van de wereld zou worden. Daar de kerkvorst over de grootschheid van het ontwerp hoogst verbaasd was, droeg hij den vermetelen, bouwmeester de, uitvoering daarvan op.
Spoedig verhieven zich op de ruime, plaats, waar reeds eenmaal tijdens de regeering van den eersten Frankenkoning een Dom gestaan had (Hildebold, de aartsbisschop, had dezen laten bouwen, en de woeste Noormannen hadden hem verwoest), statige hooge muren. Reusachtige zuilen met prachtige welvingen vereenigden zich tot een trotsch godshuis.
Iedereen bewonderde den bouwmeester, wiens scheppende geest binnenkort duizenden handen Bladzijde 242in beweging zette, en meester Gerhards naam werd spoedig in de Duitsche en Waalsche landen met lof genoemd. Het koor was reeds voltooid. Uit alle omliggende plaatsen, zelfs uit verre landen kwamen bedevaartgangers naar den Dom te Keulen om het stoffelijk overschot der drie koningen, die in het koor rustten, te aanbidden. De lofliederen der vrome christenen weergalmden door de trotsche gewelven.
Hij, die echter het meeste reden had, om zich te verheugen, deed zulks niet. In zijn borst, die eerst van vreugde gezwollen had, nestelden zich nu treurige gedachten. Onophoudelijk fluisterde de grauwe zorg, de dochter van het voortdurende getob den schepper van het geheel in het oor, of zijn dagen wel toereikend zouden zijn, om het geheel te voltooien. Of de dood hem niet eens verhinderen zou, den grootsten triomf zijns levens te vieren.
Zijn vrouw sloeg met smart deze verandering gade. Tevergeefs beproefde zij de rimpels van zijn voorhoofd te doen verdwijnen.
Hoe meer deze vermoedens in zijn binnenste wortel schoten, des te meer spoed zette meester Gerhard achter den bouw van den Dom. Men schreef 1252 in den kalender. Reeds verhief zich de noordelijke toren statig omhoog. Met Bladzijde 243meer ijver, dan voorheen begaf de bouwmeester zich van den eenen steiger naar den anderen.
Juist stond hij op de Domkraan. Reusachtige trachietblokken uit het inwendige van den Drachenfels gehaald, heschen de metselaars omhoog. Hoogst vergenoegd ziet de meester toe, de vreugde schittert in zijn oogen. Daar staat plotseling een vreemdeling aan zijn zijde, dien hij niet heeft zien aankomen. Een scharlaken mantel omgeeft zijn rechtopgaande gestalte, een gouden ketting glinstert op zijn borst en lustig fladdert de hanenveer op zijn fluweelen baret. Hij begon zijn aanspraak met den groet der metselaars. Zelf was hij een meester in de bouwkunst, vele jaren geleden had hij een huis gebouwd—terwijl hij dit zeide fonkelden zijn schitterende oogen vreemdsoortig onder de dunne wenkbrauwen—waaraan de tand des tijds tevergeefs knaagde, koningen en keizers, aanzienlijke heeren en prelaten hadden het reeds bezichtigd.
Zwijgend nam de meester den hoovaardigen spreker op. Maar deze begon het reusachtige werk van den bouwmeester van den Dom bovenmate te prijzen.
“Doch lijkt het u van een arm sterfelijk wezen geen vermetele handelwijze, om zulk een werk te beginnen?” vroeg hij plotseling op bijna Bladzijde 244ruwen toon. “De eerste steen had u moeten zeggen, dat een ander oogsten zal, wat gij gezaaid; hebt.”
“Wie zou mij beletten te voltooien, wat ik begon?” vroeg de bouwmeester enigszins angstig het antwoord afwachtend.
“Het leven—of noem het de dood!” antwoordde de andere op scherpen toon. Daarop vervolgt hij spottend: “Zelfs een wurm, kunt gij, arme menschen, niet aan uw wil onderwerpen en reeds vanaf uw eersten ademtocht bedreigt u uw hevigste vijand en zekerste overwinnaar, de dood.”
“Ik zal echter volbrengen, wat ik begon!” roept de bouwmeester eigenzinnig uit. “Ik wil er om wedden, zelfs met den duivel.”
“Hola!” lacht de vreemdeling strijdlustig. “Met iemand, die zoo vermetel is, ga ik gaarne een weddenschap aan. Eer verstout ik mij een beekje van Trier naar Keulen te leiden, wel vijftig uur gaans, waarin eenden zullen zwemmen, dan dat gij uw Dom voltooit.”
“Het zij zoo!” zegt meester Gerhard op somberen toon en slaat verblind toe, als de vreemdeling zijn rechterhand aanbiedt. Deze was ijskoud en een huivering overviel hem.
Toen begon de andere te lachen, spottend en zegevierend. Bladzijde 245
“Prijs der weddenschap je ziel!”
Ontzet krimpt de ontstelde meester ineen.
Reeds heeft de andere den vuurrooden mantel geopend.
“Tot weerziens, vermetele!” Een stormwind steekt op en voert hem huilend weg.
II.
Sedert dezen dag worden de wolken op het voorhoofd van den bouwmeester steeds donkerder. Rusteloos doolt hij op de steigers, rusteloos verricht hij zijn arbeid. Hoe meer hij haar uitbreiding nagaat, des te meer overvalt hem de angst, dat hij haar nooit volbrengen zal. Bij het aanbreken van den dag was hij reeds bij zijn werklieden, en zelfs ’s avonds liep hij rond, de vlijtigen prijzende, de luien berispende. Dikwijls ook staarde hij in de richting van Trier, of daar niets ongewoons te zien was. Met hoopvolle verbazing bemerkte hij, dat zijn tegenpartij volstrekt geen moeite scheen te doen, om de weddenschap te winnen. Niets deed, vermoeden, dat er groote werken in het Trierer land ondernomen werden.
Reeds begon zijn hoop te herleven. Al won hij niet, dan zou hij toch in geen geval verliezen, aldus troostte meester Gerhard zich. Bladzijde 246
Op een dag stond hij op den top van den voltooiden toren. Daar werd een hand op zijn schouder gelegd. Hij wendde zich verschrikt om. Achter hem stond de afschuwelijke bouwmeester. Was hij de duivel zelf of slechts een duivelsche magister van de zwarte kunst?
“Welnu, meester Gerhard, hoe staat het met uw werk? Ik zie, dat gij rustig voortgaat. Gelukkigerwijs heb ik mijn arbeid spoedig volbracht, anders liep ik gevaar mijn weddenschap te verliezen.”
“Ik heb bij me zelf gedacht,” zegt de meester op spottenden toon, “dat gij niet al te veel aarde beweegt, om uw kanaal te graven.’”
“Zoo weet dan, waarde neef, dat ik alleen meer volbreng, dan honderd arbeiders te zamen, en zooals ik u reeds gezegd heb, mijn werk is bijna klaar.” Op lichtgeraakten toon zeide de man in den scharlaken mantel dit.
“Werkelijk?” Meester Gerhards oogen dwaalden onrustig rond. “Ik zou wel eens willen weten, met welke helsche kunsten gij dit klaargespeeld hebt.”
“Zooals ge wilt, Neef! Gij behoeft mij slecht te volgen.” Hij vat den meester bij de hand, beneemt hem de zinnen en voert hem door de lucht. Na eenige minuten betreden zij de aarde. Huiverend herkent de meester het Land van Bladzijde 247Trier. Aan zijn voeten ontspringt een bron en stroomt in een opening der rotsen.
“Kom, oude,” zegt de Satan, lachend en terwijl hij zich buigt, verdwijnt hij onder een rots. Ontsteld volgt meester Gerhard hem. Hij bevindt zich in een grot der rotsen. Het water van de bron stroomt kabbelend in een kanaal, welks begin hij aanschouwt.
“Ziet gij, dat ik niet loog en mijn tijd wel besteed heb,” zegt de duivel zegevierend. “Indien gij wilt, volgen de beekjes mij, en kunt gij zelf oordeelen over datgene, wat ik volbracht heb.”
Nauwelijks had hij dit gezegd, toen een geheimzinnige kracht den bouwmeester aangreep en hem met huiveringwekkende snelheid voorwaarts duwde. De Satan voorop. Bleek als de dood aanschouwde de meester het werk. Geen twijfel was meer mogelijk, hij had de weddenschap verloren. Doffe wanhoop maakte zich van hem meester. Maar zeldzaam! Reeds na korten tijd nam zijn vertrokken gelaat weer een rustige uitdrukking aan, het scheen zelfs of er een onderdrukte glimlach op zijn gelaat speelde.
De uitgang was bereikt: door dezelfde magische kracht, die hem weggedragen had, voelde meester Gerhard zich weer op de aarde teruggevoerd. Bladzijde 248
“Dit is de helft van mijn werk, zeide de Booze, terwijl een grijnzende lach om zijn lippen speelde. Nu zullen wij de beloofde eenden zien, lieve Neef!”.
Driemaal klapte hij in de handen en beval Gerhard op te letten. Thans, bijna vroolijk gestemd, luisterde deze oplettend. Minuten verstreken. Leeg bleef de uitgang van het beekje. Geen eendengesnater werd hoorbaar.
Nogmaals klapje de Satan in de handen, harder dan den eersten keer. Weder wachtte hij te vergeefs. Spottend glimlachte de Domarchitect. Een gillenden kreet stiet de andere uit en verdween, terwijl meester Gerhard mompelde:
“Nooit zal hij zijn weddenschap winnen. Ik, Gerhard von Ryle ken alleen de oorzaak.”
III.
Maar een hevige zwaarmoedigheid was sedert het laatste avontuur over den Dombouwmeester gekomen. Nog meer dan vroeger zag men hem op de steigers en ladders. Geheele uren bracht hij in somber gepeins door. Nu hij zijn tegenpartij, waarmede hij zich vermeten had te strijden, kende—wie zou het anders kunnen zijn, dan de duivel in persoon—was hij zich van het gevaar, waarin hij en zijn onsterfelijke ziel zich bevond, bewust.