WeRead Powered by ReaderPub
Schetsen, Eerste bundel cover

Schetsen, Eerste bundel

Chapter 16: Bloemen.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

A collection of brief sketches that capture small moments of everyday life through closely observed vignettes. The pieces shift between urban streets and intimate interiors, registering encounters with flowers, trams, taverns, households and passing strangers. Tone moves from wry humor to quiet melancholy as narrators dwell on beauty, decay, social difference and private moral hesitations. Many items rely on sensory detail and compact incidents to reveal character, mood and fleeting insight. Varied in length and mood, the sketches alternate anecdote, portrait and mood piece to render ordinary existence with both compassion and ironic clarity.

Proletariërs.

Ze woonde nú in ’n lekker gezellig benedenhuis, dat „hij” voor haar gemeubeld had, ’n huis in het Sarphatipark.

Hij was op reis.

Zij verveelde zich.

Ze verveelde zich altijd, zelfs àls hij er was.

Ze verveelde zich, omdat in haar hoofdje maar een flauw idee van ’t leven was, wat vage begrippen en verlangens naar ’n apathisch bestaan zonder moeite, zonder veel last òm te leven.

Languit lag ze in de mollige causeuse, een cigaret rookend, zonder smaak.

Ze verveelde zich.

Ongeduldig wipte ze een der satijnen muiltjes uit, bengelde met ’t voetje op en neer.

Ze verveelde zich.

*   *   *

Ze was opgestaan, leunde geeuwend tegen ’t vensterkozijn. Voor haar lag ’t park, in zijn lage omrastering van ijzeren spijlen.

Armzalig sprankten jonge, verkilde boomen hun takken in de vervelooze, grauwe lucht. Kegels van ijs, sprieten van sneeuw, spichtige naalden kruisten elkander in een vreemd gelijn, in een netwerk van ragfijne draden. Op straat, voor het hek, was ’t vies, modder en ijs, geplak van zware, zwarte wagensporen en voetstappen.

Niemand was er.

Alleen één man.

Een haveloos wezen, oud van ellende. Een verkleumde gedaante in ’n gore plunje. Een grijsbruine pet met zwarte klep dekte z’n hoofd, hing half op ’t gezicht, dat mager was en bleek, met harde baardstoppels. De sjovele kleeding, vol smerige franje, wapperde, met kletsende bulten en deuken, om ’t ingezakt lijf. Door de vergane schoenen staken z’n voeten.

De man keek naar boven.

Hij zag d’r in den mooien kanten peignoir, wees op z’n bezem, op de modderige straat.

Ze knikte van ja.

Hij begon te werken. Z’n schop bikte ’t vastgevroren ijs los. Eentonig tikte ’t ijzer tegen den grond.

Zij bleef kijken, naar zijn gedoe, naar zijn gebogen lichaam, naar zijn zwoegen, z’n kapotte schoenen.

*   *   *

Terwijl dàcht ze.

Gister had zij ze gezien, de werkeloozen in een langen optocht. Griezelig had ze zich op ’n stoep teruggetrokken, bang voor de vuile kerels, bang voor de tronies, bang voor ’t schuim uit achterbuurten. De heele bende was voorbijgegaan in ’n benauwende stilte, in een geplomp van logge schoenen en klompen op bevroren keien. Sommigen hadden d’r angekeken, met kwaadaardige oogen, oogen van afgunst om d’r warme kleeding. Anderen hadden geloopen, gebukt, de handen in broekzakken, met een uitdrukking van misselijke berusting, met iets van ’n getemd dier in hun doen. Er was geen eind an gekomen. Telkens andere kerels, oòk leegloopers, oòk nieuwsgierigen. Maar vóor alles een stoet van armoe; een ophooping van stumpers, een verkropte ontevredenheid, een pijndoend mengsel van wrok, bitterheid, jammer; de wakkerwording van ’t menschdier door honger.

Zij had op de stoep gestaan, bibberend in haar gevoerde rotonde, meelijdend en sentimenteel.

De stoet was voorbijgetrokken.

Er achter sjokkend, een peleton politie.

En ze was verder gegaan, om inkoopen te doen.

*   *   *

Toen hij klaar was, bleek van ’t werk, trok hij aan de bel.

De meid maakte open. Achter in de gang kwam zij zelf, in haar peignoir.

Ze wroette in ’t beursje, haperde, omdat-ie d’r aankeek.

Ze schrikte van z’n geelbleek gezicht, van dichtbij, dat van ’n teringlijder. En, volgend ’n dwaze impulsie, denkend an de hongerige bende van gisteren, zei ze:

„Heb je geen werk?”

„Nee” ...

„Heb je vandaag wat verdiend?” ...

„’k Heb ... nog niet gegeten” ...

Dat kwam ’r langzaam uit, niet gelogen.

...„Wil je ... hier blijven eten?”

...„O ... ja!”

„Da’s goed” ...

Hij zette z’n bezem, z’n schop in ’n hoek en volgde de dienstmeid.

*   *   *

Dicht bij de kachel, zijn magere beenen hoog op ’n sport van den stoel, had hij gesmuld en gepraat met de meid. Nu zat hij te soezen, zelf niet begrijpend, hoe hij daar zat, gevoed en verwarmd.

Binnen kwam ze.

„Waar woon je?”

... „Nergens” ...

„Je mot dan toch érgens slapen!” ...

„Soms in de Pieter Jacob ... als ik cente heb ... anders bij de pelisie” ...

„Wil je... Wil je... hier blijven vannacht?”...

Versuft keek hij op.

„Wat zei-je?” ...

„Wil je hier blijven?”

„Of ’k wil?... Of ’k wil?” ...

„Goed... Nee, dank nou maar niet.”

En ze ging weer heen, vies van den man, tóch met groot medelijden.

In de keuken bleef hij zitten; begreep ’t niet.

*   *   *

Nacht.

In haar kamer lag ze, in ’t rijke bed. Half wakker. ’t Knetterend kaarslicht kaatste flauw in den spiegel.

Ze had de deur op slot gedaan, bang voor den vreemden man in huis, soesde voor zich heen, triestig, met een huilerig gevoel van onvoldaanheid.

O God! O God!

Plots was ze helder wakker, duwde ’t hoofd in de kussens, snikte zoo hartstochtelijk, dat ’t lichaam in rukken bewoog.

Hoe lang zou ’t leven nog duren, dat ontzettende, laffe, wanhopige leven! Nou had ze geld, véél geld. Nou was ’r weelde. Nou had ze geen gewurm om ’n stuk brood, zooals die vent daar beneden.

O God! O God! Als je me maar dood wou laten gaan... Als je me liet stikken, nou dadelijk... ’k Heb je toch niet om dat lamme leven gevraagd!...

Ze hokte door, tot ze moe was, borg ’t hoofd onder ’t dek, huiverig, benauwd door de stilte in huis.

*   *   *

Ineengehurkt, ’n klit warm vleesch, lag de man op ’t veldbed. Met z’n voeten trapte hij, verkneukelend tegen de deken, wrijvend de magere beenen langs de weeke wol. Hij voelde zich as god in de warmte van ’t bed. Met gesloten oogen van genot, sufte hij zonder ’an iets te denken, dommelde, zonder te slapen. ’t Bed was té lekker. Hij was zóo in zijn geluk, dat hij woelde en draaide van pret. Heelemaal ging de slaap weg. Hij vloekte lachend, zich weelderig voelend. Even zei hij hardop... „Sodeju!”... toen lag hij weer stil, optrekkend de knieën tot an z’n buik. Buiten sloeg ’t drie, héél in de verte. Nog sliep hij niet. De gevulde maag en de goede ligging werkten zoo mal.

Opeens dacht-ie an de vrouw. Zacht grinnikte hij om z’n kemieke ideeën. Telkens zag hij haar weer in d’r mooie japon... met d’r aardige snuitwerk... Onrustig kreunde hij, dee de oogen open, keek naar de bevroren ruiten, waarachter de maan scheen. Stil zat hij op in ’t bed, het hoofd in de handen, hoestte krakend, maar bleef lodderig, met brandende oogen, tobben.

*   *   *

’s Morgens, heel vroeg, stond hij op.

In de keuken was de meid an ’t werk.

„’k Zal nou maar heengaan,” zei de man.

„Natuurlijk,” zei de meid.

Hij ging door de gang. Bij de trap stond hij stil, luisterend. Geen geluid. Met een bons viel de deur achter hem dicht. Met z’n schop en z’n bezem stapte hij verder.

Prinses Colibri.

Ring. De muziek valt in. Het doek gaat op. Uit de linker coulissen komt een bleek meisje met een pop in de armen. Ze is als kind gekleed, met de slappe, lange jurk van een Engelsche danseres. Ze draagt hooge leeren laarzen. Zoo lijkt ze op het tooneel eerder oud vrouwtje en ze begint te zingen.

Het stemmetje is effen, ongevuld. De bewegingen zijn gemaakt en aangeleerd. Het dunne lachje komt telkens bij het refrein terug. Niet vroeger en niet later. Lach en gebaren zijn buiten het kind om. Ze zingt met haar wassen gezichtje zonder de woorden te begrijpen, zonder aandacht voor de oude en jonge heeren, die haar bekijken en dan begint ze te dansen, pervers te dansen, zooals oudere vrouwen het doen, met een vroeg uitgerot schaamtegevoel, stoot er quasi-erotische gilletjes bij uit, balanceert de pop en komt met het altijd wassen onbeweeglijk gezichtje terug bij het voetlicht, wachtend tot zij weer in kan vallen.

Soms bij het opwerpen der rokjes, bij het zingen der zinnelooze liedjes, kijkt ze tusschen de coulissen, waar iemand schijnt te staan.

Als ze gedaan heeft, klappen de kellners, de menschen in het buffet, de andere artisten en een paar heeren in de zaal.

Ze komt terug, zingt nog wat, onverschillig, begriploos, een afloopende Neurenberger pop met wassen gezichtje, zwarte wenkbrauwen, aangezette oogen en vuurrood geverfde lipjes.

Het is half tien.

Na een half uur, waarin andere vrouwelijke „specialiteiten” gezongen, gedanst hebben, klinkt het weer: Ring. Het doek gaat op. Midden op het tooneel is een verhooging aangebracht. Drie kinderen komen op, met een meneer.

Het eene kind is het kind van straks. Ze is geheel in vleeschtricot. Ze heeft niets meer van een pervers oud vrouwtje. Ze is nu mager, tenger meisje van hoogstens 13 of 14 jaar met hetzelfde wassen gezichtje, met dunne armpjes, met magere beentjes. Zij heet Prinses Colibri.

Het tweede kind, hoogstens tien of elf jaar, ook in vleeschtricot is mager en bleek.

Het derde kind, ook meisje, maar iets ouder, veertien of vijftien jaar, lijkt naast de twee andere abnormaal vet, een meisje met vroegrijpe vormen.

De meneer, die met de drie meisjes opkomt heeft niets buitengewoons. Hij is in gewoon wandelkostuum, draagt op de borst een ridderorde. Het is de vader, de voogd, de impresario, de dresseur der kinderen. Hij geeft stoelen en zakdoeken aan en vertoont zijn ridderorde aan het publiek.

Prinses Colibri en de twee anderen wippen vlug op de verhooging. Ze zijn alle drie even lenig, even slangachtig. De dresseur heeft de lichaampjes goed gebroken. Het laat niets te wenschen over. De kinderen wringen zich in de onmogelijkste houdingen. De ruggegraten zijn verwonderlijk elastisch geworden. De hoofden van alle drie kunnen tusschen de beenen gebracht worden. Als ze op de handen staan, bengelen de lichamen er als proppen boven. Ze kunnen alle drie op den grond zitten, met de beenen loodrecht op zij gespreid. Ze kunnen alle drie op een been staan en het andere langs het hoofd strekken. Zij kunnen alle drie op de borst liggend de hielen tegen de achterhoofden brengen. Zij kunnen alle drie de vreemdste houdingen aannemen, alsof de lichamen geen beenderen, geen spieren hebben. De dikste, die van veertien jaar, weet zich op een stoel om te rollen als een hoepel. Het is verbazingwekkend.

De meneer met de ridderorde let op of alles goed gaat.

Alles gaat goed. Niets mislukt. De kinderen lachen niet, lijken niet vermoeid, spreken niet; zij wringen, wringen, wringen als slangen, als wonderkinderen.

De meneer met de ridderorde knikt goedkeurend.

Na tien minuten is het klaar. De kelners, de menschen in het buffet, de artisten in de zaal en zoowat het heele heerenpubliek klappen in de handen, trappen, slaan met stokken.

Ze komen àl terug.

Ze buigen, knikken.

Ze beginnen weer.

De meneer met de ridderorde laat een paar ringen zakken.

De meneer met de ridderorde draagt een stoel aan.

Prinses Colibri springt er op en doet eenige toeren.

Het bleek tienjarig meisje wentelt aan de ringen.

Het dikke meisje vertoont wat kunstjes.

Nu komt een gezamenlijke toer.

De dikke staat op de ringen. Met de beenen om haar heen hangt Prinses Colibri. Aan Prinses Colibri hangt het tienjarig bleeke kind.

„Bravo! bravo!”

Er is werkelijk enthousiasme in de zaal.

En de kinderen werken heel goed.

De meneer met de ridderorde knikt.

Tien minuten werken ze zoo—de kinderen—en draagt de meneer met de ridderorde den stoel heen en weer. Soms tilt hij het jongste meisje bij de ringen.

Eindelijk is het dan toch klaar.

De geheele zaal applaudisseert.

Zulke knàppe kinderen.

„Bravo! bravo!”

Hetzelfde van straks.

Hand aan hand komen de kinderen terug voor het voetlicht, buigen, lachen, lachen.

Maar het is nog niet uit.

De meneer met de ridderorde tilt Prinses Colibri en het tienjarig kind op. Aan de ringen heeft hij haakjes gehangen. Aan de haakjes zijn leertjes bevestigd. Prinses Colibri en het tienjarig kind bijten in de leertjes, bijten er stevig in en blijven zoo aan de gebitten hangen.

De meneer met de ridderorde wacht tot de kinderen goed beet hebben en geeft beiden dan een duw, dat ze aan de ringen heen en weer schommelen.

Net éngeltjes zoo. Met de handen gevouwen en hangend aan de gebitten.

Als ze weer op den grond staan, dreunt de zaal van applaus der kellners, artisten en van het publiek.

Het is nog niet gedaan.

De meneer met de ridderorde tilt Prinses Colibri nog eens omhoog. Ze hangt nu met de magere beentjes in de ringen. Hij reikt haar wat toe. Ze neemt het in den mond. Het is een mooie glinsterende machine, met een leertje er aan, van onder. De meneer met de ridderorde tilt dan het tienjarig kind er bij, dat weer in het leertje bijt, zoodat Colibri haar zusje in den mond draagt.

„Bravo!”

Maar het is nog niet gedaan.

Welnee.

De meneer met de ridderorde doet een riem om de lendenen van het bleek tienjarig kind, tilt het nog eens op en Colibri bijt opnieuw in een leertje dat achter aan den riem vastzit.

De meneer met de ridderorde geeft een duw en... jongen... het tienjarig kind draait als een tol, terwijl Prinses Colibri het bij de tanden vasthoudt.

Daverend applaus.

Het is gedaan.

De muziek begint een nieuwen deun.

Het heeft wel twintig minuten geduurd.

Prinses Colibri is een wonderkind. Ze doet twee nummers op een avond, werkt van negen tot half elf. Zingen, dansen, slangenkunsten, athletiek. Ze is dertien of veertien. Ze kan héél wat worden. Ze heeft een goeden dresseur. Die meneer met de ridderorde. Ze is veel beter gedresseerd dan de honden en katten in den Parkschouwburg, véél beter dan het zwijn bij Carré dat bier drinkt.

Bloemen.

Wel schemerde door het lijkzwart der boomen de éérste donzing van groen, maar de dagen waren koud—hagel en regen kletsten langs de ruiten en de grond bleef zwart.

Vandaag is de zomer gekomen.

Als ik door het raam kijk, is niets veranderd. Boven de tuinschutting staan boomen, oud en levenloos, stil en doodsch, alsof ze nooit weer groen zullen dragen.

Alles ligt dof en uitgeput, als in ontvangst van den winter met zijn sneeuwen mantel. Het uitzicht op dat plekje puingrond, met wat droge, netgelijnde burgertuintjes er naast, is niet opwekkend. Maar je went er aan, zooals je aan alles went en het leven zooals het om je heengegroeid is, het leven zooals de menschen het voor je geluk gekneed hebben, is nu eenmaal een ding, waarin niets meer een groote teleurstelling of een groote verbazing voor je zijn kan. Ik bedoel dat je aan je zelf ten slotte niets vreemds meer vindt, als je je-zelf betrapt, na twee, drie jaar, in hetzelfde huis, voor dezelfde tafel, voor hetzelfde raam, met het uitzicht op het altijd zelfde plekje puingrond, ingemetseld tusschen drie houten wanden. Bij tijden komt er een verwondering over je, een verschrikt gevoel, een angst dat het gegolf der jaren zoo op je aandreunt en je altijd nog burgerlijk en rustig inwoont tusschen de andere menschen met huizen, tafels, ramen en stukjes grond,—bij tijden meen je dat er toch wel plots een verandering zal komen, zoo een heel-groote, wonderlijke, gelukkige verandering, waarnaar je snakt, waarom je bidt met brandende oogen als je soms stil zit, droomend, soezend, ingekeerd tot je zelf als een ziener die niet-te-verhalen visioenen en droomen heeft,—maar dan zijn er weer dagen, schrikkelijk-heldere dagen, waarin je wéét, waarin je op eens klaar wakker bemerkt dat je twee, drie jaar op één plek gewoond hebt, met geen ander doen dan gaan in straten, tusschen hooge huizen door, langs vreemde en bewegelijke menschen en telkens weer je rust vond voor het oude raam, in de ouwe kamer, met het uitzicht op hetzelfde strakke, zwarte, door het Noorden gedoode vierkantje grond. Anderen zijn er die zoo hun geheel leven verleven bij roode en groez’lige dakpannen.

Vandaag is de zomer gekomen.

Ja de zomer moest er zijn.

Zelf heb ik hem niet gezien. Je went er aan den zomer niet te zien. Je went aan je kamer, aan je vier muren, aan je snuisterijen, aan je tabakspijpen, je papieren, je boeken, maar van den zomer zoo ineens, van den wilden, gloeienden, heeten zomer, zou je ziek worden, als ze je zonder overgang uit je stille kamer in het zonlicht zetten.

Toch is vandaag de zomer gekomen. Het heeft me onrustig gemaakt, gejaagd, ongelukkig. Het is weer een van die klaar-heldere dagen geweest, een van dat vaste, zekere, stalen begrijpen van twee levensjaren, zooals de menschen die je opdringen voor je geluk.

Toen ik opstond, liep hij juist te schreeuwen bij zijn wagen, het rimplige joodje. Ontzaglijk oud en vies leek hij achter de dronken kleuren der bloemen. Van alle kanten schoven de buurjuffrouwen uit haar deuren, leien koperen plakjes in de beenige hand van ’t joodje en liepen dan heen met de bundeltjes kleuren.

Drie bouquetjes kocht ik voor een dubbeltje, zette ze in een schaal, deed er water bij en toen was de kamer al vol van dien sterken, zoeten, behaaglijken reuk der hyacinthen.

Nu staan ze voor me, vlak voor me, terwijl ik dit schrijf. Ze hebben me gewaarschuwd niet te lang, niet te dichtbij te ruiken. Maar ik wil nu eens dronken zijn, dronken van het zonlicht dat op en door en tusschen de hyacinthen tuimelt, dronken van het roode purper, van het wit, het blauw, het paars, het roze, het groen, dronken van de openstaande kelken, die als klokken lijken te luien en de geuren, de geuren door de kleine, doffe kamer bengelen. Dit is een festijn, waarvan niemand iets ziet, niemand iets weet, niemand iets begrijpt. Het is een prachtig feest, een bachanaal, een zomersche dag. Ik weet niet wat ik aan die bloemen het mooist, het heerlijkst, het goddelijkst zal vinden. Die karmijnen blaadjes, plooiend over elkander, heet en dorstig naast het gekartelde groen, vind ik om te zoenen,—het wit is om zoo volop met breede handen aan te vatten en op te werpen om het hoofd, om het lichaam als klaterend uit een fontein. Maar er is het roze nog, het wit met bloedende randen, het fluweelige paars, het andere rood, het effene blauw. Het is om je gezicht in te slaan, je mond diep er in om den geur op te halen. Het is om in te plonzen je oogen als ze nog tranen hebben en langzaam bedwelmd in te slapen, zonder smart, zonder woede, zonder verlangen. Het zijn bloemen en kleuren, die aan je ooren rukken en rinkelen, die je het gelaat striemen, die je toegillen als krijschende, hel-oplachende vrouwen, die je aan je keel vatten en schreeuwen dat er heele velden zoo zijn, velden van purper en geel, blauw en wit, velden in het zonlicht, velden in de opene, frissche lucht, velden waar boomen zijn met aanpluimend groen, velden waar vogels het voorjaar, den zomer influiten.

Ja dit is om dronken te worden in je ouwe kamer, voor je ouwe tafel, voor je ouwe raam, voor je zwarte, harde, dooie tuintje, het is om dronken te worden, princelijk gelukkig, princelijk trotsch, princelijk jezelf, het is om bij te zingen, al je ouwe gedoe te vergeten, je buren, die in gevangenisjes naast je wonen, de menschen, het stratenlawaai. Je ziet alleen maar de weelde, de weelde van kleuren, je voelt alleen maar dat ontzettende, groote geluk van het schitterende, schetterende leven vlak voor je, naast je bruine tabakspijp, naast al de muffe, duffe gebruiksdingen, die elk moment door je handen gaan. Je moet er telkens naar kijken, naar het gejoel van het rood en wit en purper en blauw en geel en groen. Je wilt er in zien wat er niet aan te zien is, je loopt in je kamer op en neer en herkent je tafel niet meer. Het is je tafel niet meer. Je ziet alleen de bloemen, het rood, het wit, het gekriel van de kelken, der bengelende kelken, die den reuk, den priklenden, zoeten, bedwelmenden, door de kamer wapperen.

O, dit is een festijn. Een bloemfestijn in je vierkante kamer, waar je twee, drie jaar geleefd hebt, preciesjes geleefd, burger, fatsoenlijk burger, met die en die en die, die je bedienen, waar je van de wereld niets ziet dan een streep van den hemel, licht of flets, helder of donker, al naar ’t verderop is, verderop waar je nooit komt.

Eigenlijk is het om bij te lachen, te schateren van ’t lachen, als je ze ziet de hyacinthen, bleek en rood, paars en wulpsch op den wagen, voortgeduwd door ’t rimplige joodje,—eigenlijk is het om te schudden, te kraken van ’t lachen, als ze je zoo voor wat centen dat purperen bloed, het sneeuwige wit, het domlende blauw in huis dragen. Wat doen ze in de stad? Wat doen ze in de nauwe straten? Wat doen ze in de duffe, benauwde binnenkamertjes? Ze doen er gek en dol, baldadig, en maken je dronken, dronken, dronken èn onrustig. Ja in je dronkenheid kun je maar niet tot bedaren komen. Het is zoo lachwekkend, zoo in-dol, zoo komiek, zoo kemiek! Bij de dranktafels in koffiehuizen zie je de menschen rood worden van ’t lachen. Ze stikken haast, ze hoesten en worden blauw. Zoo lachen ze, zoo gieren ze het uit. Maar dat is nog niets. Dat is kindergelach bij het geschater, dat je doet schudden op je ouwe stoel, voor je ouwe tafel, bij je ouwe raam, als je een klaren dag in je leven hebt, een klaren, grijzen, effenen dag, een dag zooals die van gister, een dag zooals die morgen zijn zal, een onrustigen vreemdlevenden dag, bijna een gaping in je bestaan, als je zoo in je binnenkamer merkt dat de zomer er is, dat er weer bloemen, roode, witte, paarse, purperen bloemen zijn, dat je voor wat centen uit vuile jodenhanden den zomer koopt.

Meissie.

Grijsgrauw de lucht, triestig, kil.

Een fijne, koude motregen.

Stil lag ’t kamp, onzegbaar droevig, onzegbaar ellendig.

Naast elkander de wagens, de lange roode, gele, blauwe kermiswagens; logge, vuile gevaarten verzinkend in slik.

Naast elkander het gore wit der daken.

Rookwalmpjes kronkelden uit kachelpijpstompjes. De nattige wind speelde er mee. Donkergrijs pluksel, blauwig; dikke kolommen, dàn weer verwasemend tot mist, dan vettig-wit.

Voor de wagens ’n pad, zwart, glibberig, smerig; ’n pad van modder met bloemkoolstronken, biezen en slijkige plassen; ’n pad doorloopen, doortrapt.

Links ’n schuur, vermolmd, groenig bemost, ’n planken-kadaver, ’n morsige ruïne.

Ook links ’t veld, onbebouwd, stoppelig, grijs, dampig, toonloos, in de verte wegsmeltend in ’t fletse der wolken.

Ook links stammen van boomen, geknot, met kale, spookachtige grijptakken, bladerloos, dood.

Rechts, stapels van steenen, bakken met kalk, rommel en balken van huizen in aanbouw.

Achter, ’n sloot drabbig, goor water, stinkend, met spattende bellen.

Heel achter: huizen, wit nog van nieuwheid. Metselwerk rood, slijmrig beslagen. Balkonnetjes lief met kleurtjes rose en paars en ramen met gedoe van fatsoenlijke, knusjesdoende burgermenschen.

*   *   *

„Dáár woon ’k,” zei de schilder, lachend bekijkend de meid, en wees met z’n hand naar de huizen.

„Nee,” stotterde ze.

Langzaam schetste hij door in den kermiswagen.

Hij kwam er drie dagen. De oude doove moeder poseerde, voor vijftig centen per keer.

De dochter keek toe dan.

„Als je nou kómt van avond.... ben ik thuis....”

„’k Kom niet....”

„Jezus, wat ben je toch stom!.... Wat heb je hier nou?....”

„’k Durf niet....”

„Ha! Ha! Ha!.... affijn, je mot ’t zelf weten.... ’k vin-je ’n knappe meid.... ’n mooie meid.... Je verdient hier geen cent.... Kom nou poseeren van avond, wil-je?....”

„Nee.... Nee!....”

„’k Zal je geen kwaad doen....”

„’k Kom niet....”

„Goed dan.... uitgepraat!....”

Uit z’n humeur werkte hij door.

Zwijgend ’t hoofd in de handen, zat zij in ’n hoek, kijkend van ’t hoofd der slapende moeder naar ’t penseel.

Ze zag alleen maar zijn handen, blank, met den diamanten ring en zijn breeden rug.

*   *   *

Toen-ie heenging, hield-ie haar hand vast.

„Kom nou van avond...”

„Nee...”

En hij probeerde d’r even te zoenen.

De deur van den wagen viel dicht. Achter bleef ze met de doove moeder, die sliep.

Achter bleef ze in ’t schemerdonker, soezend voor zich heen.

Nat werden d’r oogen, wazig.

Ze wist niet waarom.

Ze had ’t niet kunnen zeggen.

D’r kwam ’n malle, vreemde weemoed, ’n huilerig gevoel van meelij over d’r.

Donkerder werd ’t. Moeder bleef slapen.

De vormen van meubels en kermisgerei, vreemder, vager.

Alleen nog zichtbaar de roode sprei van ’t pronkbed, de glimming van het koper op de kast; onzekere, donkere schaduwen.

Flauw viel ’n schijn door de twee kleine ramen op zij.

*   *   *

Eindelijk was ze opgestaan.

Nog droomend en suffend ging ze naar buiten, leunde tegen den wand van den wagen.

Kinderen, vuil, in ellendige plunje speelden in ’t slijk. Een schreeuwend lawaai van verwilderde rakkers. Ze rolden op en over elkander, onder ’n wagen, gillend en gierend, trappend en krijschend, als ’n rattennest verdierlijkt.

Daarnaast zaten twee schooiers stoelen te matten, gebogen ’t hoofd, om beter te zien in ’t half-schemerdonker. De handen bewogen snel en de biezen gleden geel-streeperig over ’t hout. Beestmenschen, hongerlijders, verschoppelingen.

Weer verder ’n oud wijf, gezakt met ’t lichaam, in lompen, op den rand van ’n mand. Walgelijk dat wijf met ’t bruine gezicht vol groeven van vuil. Beenig de handen en vingers, als van ’n skelet.

Toen ze de meid zag, begon ze te grijnzen.

...„Is-ie weg, zeg, jouw mooie meneer.”

„Dat zie je...”

„Fijn spul, nou! nou!... ’k hè-ze in mijn tijd ook zoo gekend.... Heit-ie je uitgeportretteerd, zeg?”

„Nee... moeder...”

„Geloof ’k geen bliksem van... Ken dat van vroeger... Most je toch schamen, zoo, overdag... Jij bent ’n brutale...”

„Laat me met rust!...”

„Affijn gelijk hè-je... gelijk hè-je...”

Strompelend, krakend-kuchend, ging de voddenraapster naar binnen.

De twee stoelenmatters werkten door, kletsend en spuwend.

De kinderen stoeiden, gillend van pret in de modder.

*   *   *

Alleen in èèn tent was ’n zeurig, blerrend gehuil van ’n zuigeling.

’t Kamp lag in ’t donker. De vormen der wagens leken sombere silhouetten, met klein verlichte ramen.

Zacht motregende ’t.

Over ’t moddrige pad kwam een kerel, groot, ruw. Over z’n schouders bengelden zakken; ’n hoekig vierkant.

„Bè-jij daar?”

„Ja...”

„Wat sta je te slape?...”

„Ik wacht je...”

„Hè-je wat verdiend?... Nou?...”

„Niks...”

De man vloekte razend. Eerst wou-die d’r slaan. Toen scheen-ie te denken. Kwaadaardig smeet-ie de zakken neer:

...„Lui beest!... motte wij voor jou zorge?... Madam!... Luie madam!... Ik loop me poote kapot... Jij vreet alleen... Da’s uit nou!... ’k Heb an moeder genog... Stik voor mijn part!... Lamme beroerling!”

Ziedend van drift, smeet-ie de deur achter zich dicht.

Stil bleef de meid.

Suf keek ze op naar de lucht. Grauw, bijna zwart, ’n dreigende diepte. ’n Peilloos, wanhopig zwart.

In de huizen was licht gekomen.

Gele, stralende vakken in den nacht.

’n Beweging van donkere schimmen.

Ze zag ook dàt venster met roode gordijnen, leuk-rood, vriendelijk, gezellig.

Wezenloos keken haar oogen naar den rozigen schijn. Ze dacht an de handen, blank, met den ring, den diamanten ring.

En ze richtte zich op, gaande mechanisch en dof.

*   *   *

In den laatsten wagen was licht. Daar zat de snijder van houten vogels. Bij ’n walmende lamp kookte die hout. Z’n deur stond open.

„Ga je nog uit, Ko?...”

„’k Ga wèg...”

„Weg?...”

„Vort... ’k heb d’r genog van...”

„Bè-je nou gek!...”

„Zel j’t ze zegge?...”

„Meid... je ben nog zoo jong!... Pas nou op.”

„Zel j’t ze zegge?...”

„Waar ga je na toe?...”

„Da-weet ik... Gaat niemand an...”

„Luister nou eve...”

„Ajuus... ’k Hè d’r genog van...”

Warrem.

Naast elkander lagen ze in ’t gras. Trien snurkte als een verkouden Puckhond. Moeder’s ronde opgebolde rug veerde zachtjes op en neer. De zon blakerde de lichamen, blakerde het gras, blakerde de boomen, blakerde den heeten, grijzen, mullen landweg.

Trien lag met het hoofd op het pak manufacturen. Als een nimbus was het roode haar om het bruine sproetengelaat. Haar neusvleugels leken oesterschelpen, haar welvoorziene boezem ruischte gelijkmatig op het rhythmisch pucken-gesnurk. Moeder lag in bevallige houding, met den breeden dikken opgebolden rug naar den hemel gekeerd. Van boven gezien bood zij het volgend panorama: Eerst een wit gebreid mutsje, door welks gleufjes en gaatjes peperhaar schemerde, dan een korte dikke bruine nek, dan een vettige roodbruine das, dan een wollen omslagdoek, dan een katoenen japon, paf neerhangend om haar lichaam-op-z’n-breedst, dan een paar witte banden van het voorschort, dan een paar zwarte gestopte kousen, ten slotte twee stuk geloopen leeren toffels.

Het was warm. Ja, het was vreeselijk warm. Trien had een kleur als van geroosterd brood. Een grasspriet tikkelde aan tegen haar neus, een vlieg mafte rustig op haar koon. Ze sliep als een dikke blom in het gras.

Het was warm. De zon gloeide neer op den landweg. Dikke logge vliegen bromden tusschen de halmen. Een bij—naast moeder’s linker toffel—gonsde laag langs den grond van de eene kleur in het gras naar de andere. In den stompigen wilg over de sloot zat een vogel slaperig tusschen het groen. Een warme kikker kwekkerde.

Het was warm. Onbewogen pluimde het gras, groen en stoffig. Over moeder’s lichaam-op-z’n-breedst kuierde een groote, bruine kever, gevolgd door een vuurrood torretje. Over het pak manufacturen kroop een duizendpoot; bij Trien’s neus zat wijsgeerig onbeweeglijk een groote spin.

Het was warm. Gerekt-klagerig klonk het kikkergekwek uit de sloot. De vette vliegen bromden. De bij snorde. Het gras lag onbewogen.

Plots duwde moeder een dikken pink in het linkeroor, rukte ’n paar maal nijdig en keek suf-slaperig op.

„Trien!”...

Ze bewoog niet. Beminnelijk snurkte ze voort.

„Tri-ie-ie-n!”

Ze bleef snurken.

„Kom nou, luilak! Kom nou! Zel je wakker worden.”

„Wat is d’r?... Wat mot je?”

„Wor je haas wakker?”

„Ik ben wakker.”

„Slaap nou niet wèer in, hóór je?”

„Nee.”...

Met kleine gezwollen oogjes zat ze eindelijk op tegen het pak manufacturen, keek d’r moeder an, die met wat spoeg ’t peperhaar tegen de slapen plakte.

„Wat hebbe we geslapen, hè?”

„Ja.”

„Kom sla de beesten nou van je schort!... Scheelt d’r wat an?”

„Nee.... Niks.... Alleen maar zoo gek gedroomd.”

„Ik stik, zoo droog as ’k in me keel ben.”

„Ik ook.”

„Kom, wat soes je nou nog!”

„Ik zou zóó zweren dat ’k an ’t hof ben geweest in me droom... ’k Zag den koning met een baard en een kroon, net as op de speelkaarten... allemaal blinkende sabels en gouwe knoope.”

... „Heb ie van goud gedroomd? .... Da’s armoe.”

„’t Was ’n aak’lige droom ... De koning stak naar me met een keukenmes vol bloed.”

... „Heb-ie ’t bloed gezien?”

„Ja.”

„Dat beteekent schande.”

„Kom mensch, ben je gek! Je voorspelt me wat!... Toen ben ik met den koning wezen visschen ... We haalden zoo de snoeken op” ...

„Schei nou uit met je gekles! ... As je van visschen droomt, komt er ’n dooie in de femilie.”

... „Nou! dan ben ik uit vandaag! Armoe, schande en ’n dooie... ’k Wou dat we maar wat zuurballetjes hadden.”

Moeder stond klaar met het pak voor d’r buik, Trien sloeg de plooien uit d’r rokken, nam haar pak op en sjokte naast de andere.

Op den stoffigen, gloeiend-heeten zandweg liepen ze naast elkaar, met de armen om de pakken gewrongen. Moeder zweette en hijgde als een afgebeuld karrepaard, Trien stapte dof en gelaten, met een vuurrood verhit gezicht en met lippen die gloeiden van dorst. Ze spraken geen woord. Om de groote, vierkante mansvoeten puften stofwolken.

De lucht was heet, laaiend-heet. Geen blad an de boomen bewoog. In de weiden stonden de koeien slap en zwaar bij de hekken. Alleen de kikkers schetterden bij het water.

„Zie je den toren nog niet?”

„Nee.”

„Heb-je je niet vergist in den weg?”

„Nee mensch.”

„Ik val d’r bij neer.”

„Klaag nou zoo niet. Ik ben haast onpasselijk van de warmte en je hoort me niks zeggen.”

„Hadden we maar wat zure balletjes gekocht.”

„Ja... hadden we maar! Daar schiet je nou niet mee op.”

De weg maakte een kromming en lei weer rechtuit, lang, lang-rechtuit. Aan weerszijden weiden en koebeesten, slooten en knotwilgen. Geen enkele woning in ’t zicht. Brandend, verschroeiend scheen de zon. Ze liepen achter elkander, om in de smalle strook van schaduw te blijven.

Trien droeg haar pak tegen de linker, moeder haar koopwaren tegen de rechterheup. Midden op den weg lag het stoffige, wegrottende kreng van een raaf. Zwermen zwarte gore vliegen vlogen op, toen de vrouwen voorbijkwamen. In de lichtplas der sloot schoten lichtende, gloeiende stippen.

„Kan je je voeten niet wat hooger oplichten. Ik stik van jouw stof.”

„God, mensch, loop jij dan vooruit.”

Hijgend, zweetend, stond Trien even stil en ging achter moeder loopen. De voeten schepten het stof van den weg. Kousen en schoenen waren vuil-wit beslagen. Elk oogenblik werd het benauwder, broeiender. Aan de overzij der sloot stonden de koeien dichter bijeen. Een dee z’n bek open en loeide pijnlijk.

„’k Mot effen rusten.”

Hurkend naast elkander, de pakken neergesmeten op het gras, hijgend, zweetend, zaten ze.

„’k Zie zoo de sterren voor me oogen,” zei de ouwe.

Trien zat stil, met twee dingen in d’r gloeiende, moeë hoofd waarover ze soesde... water om te drinken of zure balletjes en de komiekigheid van d’r droom.

Toch duidelijk had ze ’m gezien met ’n vierkante kroon op z’n hoofd... z’n vingers vol gouwe ringen en ’t broodmes met bloed... O, o, o wat had ze ’n dorst. Dat slootwater kon je niet drinken. Dat stonk geregeld. God zou ze danken op d’r knieën als ze nou zoo’n kikker was, zoo lekker in ’t kouë water en drinken zooveel as je wou.

Zoo’n kikker had niet te sjouwen met ’n pak onder z’n armen bij zulk beestenweer. Die deê geen negotie.

„Vooruit Trien!”

„Nou laat me nog effen zitten!”

„Vooruit zeg-ik-ie!”

Weèr sloften ze achter elkander in de opgetrapte stofwolken.

Moeder hield nou ’t pak met d’r twee armen voor d’r buik. Trien sleepte ’t op d’r linkerheup. Dat droeg ’t best.

„Hadden we maar wat zure balletjes gekocht!”

„Loop niet te zaniken.”

„Daar komt ’n boer an. Vraag ’m ’s of ’t nog ver is.”

Heel in de verte kwam de boer an-stappen. Je zag alleen maar z’n hoed, z’n beenen, z’n stok en ’n stofwolk.

’t Werd warmer. ’t Was nog geen twaalf uur. De zon stond als een schellichtend oog in den wit-barnenden hemel. Groote vliegen zoemden langs de waterplanten.

In de weiden hoorde je ’t rikkikkikkik der kikkers.

„Binnen we nog ver van de stad af, meneer?”

„Van de stad? Van de stad? Dan loop-ie krek verkeerd... Dan mot je bij de rooie mijlpaal, die je voorbij bent gekommen, links afslaan.”

„Links?”

„Ja links.”

„Zie je nou wel beroerde meid! Ik zei rechts! Nou loopen we al dien tijd voor niks! Lamme meid! Dwarskop! Beroerd stuk vuil!”

„Nou! Nou! Slaat d’r nou niet!... ’t Is toch geen doodzonde!... Met slaan kom je niet terug!”

„Zoo’n stommeling!”

„Zal ik je zoover den weg wijzen?”

Ze liepen den weg weer terug. Moeder voorop met den boer. Zij, achteraan met het loodzware pak langs de rechterheup. D’r oogen gloeiden in d’r hoofd, d’r tong plakte hard en droog tegen d’r verhemelte.

Ze had wel lust om ’t pak neer te smijten, ’t verder te vertikken. Maar ’t most wel. ’t Most wel.

Lang, moordend-heet, oneindig-lang lag de weg. Het stof onder de voeten van moeder en boer dampte op. De vliegen vlogen mee, het water glinsterde. Daar had je weer de dooie raaf op den weg.

Nou kon je nog een half uur terugloopen eer je an de rooie mijlpaal kwam. As ze nou maar wat zure balletjes had, wat zure balletjes.

Moe, heet, versuft sjokte ze vort, wèèr denkend an den koning met z’n gouwe knoopen en z’n rooie keukenmes.

Fondant.

„En breng nou nog ’n voetenbankie.”

De jongen sloft met z’n bloote voeten door het natte zand.

„Wat een prachtige avond—vin u niet?”

„Héérlijk, mevrouw.”

„En wat ’n gladde zee—, geen rimpeltje.”

„Ja, ’t is érg mooi.”

„Dank-ie, jongen.”

Met z’n vieren zitten ze an ’t strand. Erg gezellig. Hij met z’n beenen gekruist, kijkt droomerig naar de zee. Z’n vrouw babbelt met de logées.

„Oom, zit u niet op de tocht?”

„Nee, Cor.”

„Zet toch liever je kraag op, Hendrik. Je ben zoo gevoelig.”

„Nee... Laat me maar rustig zitten. Ik zit heerlijk.”

„Corrie, hou je voeten op ’t bankie. ’t Zand is vrééselijk vochtig ’s avonds.”

„Mag ’k ’s presenteeren, mevrouw?”

Mevrouw grabbelt met de beringde vingers in het toetje.

„Nee, u moet ’n fondant nemen. Die zijn lekker. Proef u wel? Ze zijn van Bensdorp. Cor, jij ook? Die moet je nemen in ’t zilver papieretje.”

„Wat ben jij toch ’n snoepster, Jet.”

„Net of jij ze niet lust. Meneer, mag ik u ook ’s ...?”

„Dank-ie, Jet.”

„Wat ’n heerlijke avond.”

„Goddelijk ... goddelijk.”

Een oogenblik zwijgen ze. Hij rookt z’n sigaar, kijkt de bleeke wolkjes na, die door den avondwind worden stukgeslagen. Zijn vrouw wrijft met de punt van d’r tong de fondant fijn tegen d’r tanden. Corrie kauwt en tipt met d’r parasol zand weg, grijze spikjes, die in ’t water vliegen—Jet frommelt ’t toetje en kraakt ’n suikerboon.

„Weet je wie daar gaat?”

„Die dame met de shawl?”

„Nee, meer naar achter.”

„Nee, tante.”

„Da’s de prinses die hier gelogeerd is.”

„Die daar, in ’t zwart?”

„Ja.”

„Hoe eenvoudig, hè? Dat zou je nou heelemaal niet zeggen.”

„Wat zeg je d’r van? Ze komt ’s middags an table d’hôte en heeft niks bizonders an zich. Gister zat ik naast d’r. Ze heeft van alles gegeten en toen ze opstond zei ze „Mahlzeit.”

„Hoe aardig.”

„Heb u niet met d’r gesproken?”

„Nee. Want ik ken niet zoo goed Duitsch en ik wist niet hoe ik d’r moest anspreken.”

„Prinzessin, natuurlijk.”

„Da’s nog zoo natuurlijk niet. Je spreekt ’n koning toch ook niet met koning an. Nee, ’t is niet zoo makkelijk.”

„Ze komt net onzen weg uit.”

„Hendrik neem je hoed af voor d’r.”

„Oom slaapt.”

„Hendrik!”

„Wat is d’r?”

„Neem even je hoed af voor de prinses.”

„Moet je me dáárvoor wakker maken.

„Wat groette ze lief terug, hè?”

„Ze ziet d’r voornaam uit.”

„Nou, dat kan ik niet vinden. Is dat de prins?”

„Nee, de prins komt eerst morgen.”

„Wil u nog eens gebruik maken, mevrouw?”

„Zijn die bruine ook lekker? Dan zal ik d’r zoo een nemen.”

„Corrie, alsjeblief.”

„Hou ’n beetje dichter bij.”

„Mijnheer, ’n fondant? Toe, neem u d’r nog een.”

„Oom slaapt, Jet.”

„Slaapt-ie àlweer! Hendrik! Hendrik!”

„Laat ’m nou slapen, tante. Hij zal moe zijn.”

„Hendrik, leg dan tenminste eerst je sigaar opzij. Kijk-die nou weer eens knoeien met de asch.”

Tante slaat met d’r zakdoek de asch van oom’s broek. Oom blijft rustig ingedut met z’n hoofd schuin weggezakt tegen den zijwand van den badstoel. Ze ziet niets van ’m dan de punt van z’n bruinen baard, ’n glimmertje van de gouden lorgnet en ’n tip van z’n neus.

„Zoo morst-ie nou altijd met z’n sigaren als-ie na den eten indut.”

„Gaat oom hier wat vooruit?”

„Vooruit? Hij is zoo gezond als ’n visch. Hij beeldt zich alles in ... Hij ’s nog nooit ziek geweest.”

„Toch heeft-ie an pa geschreven, dat-ie zich zoo zwak voelde.”

„Malligheid. Hij is net zoo gezond als ik. Dan heeft-ie hartziekte, dàn weer leverziekte, dàn weer zegt-ie dat z’n ruggemerg ... Allemaal verbeelding.”

„Hij ziet er ook héél goed uit.”

„Nie-waar?”

„Nog een fondant, mevrouw?”

„Strakkies, Jet.”

„Cor, jij?”

„Nee, die niet.... Die ulevel.”

„Is d’r ’n vers bij?”

„Wacht even... Hier heb j’t.”

„Laat ’s lezen? „Bij ’t slaan van elk liefhebbend hart, komt...” Hè hoe jammer... Daar waait ’t weg.”

„Zou ’t vloed zijn?”

„Dat kun je toch wel zien.”

„Dan kunnen we hier ook niet lang meer blijven zitten.”

„O, nog wel ’n tien minuten.”

„Prachtig is de zee, hè, als ’t zoo donker wordt.”

„Zie je dat witte wolk-ie—daar is de zon ondergegaan.”

„In de verte heb je de vuurtoren.”

„Wat ’n licht! Je zou zweren dat ’t vlakbij was.”

„Krijg u ’t koud, tante?”

„Ja, ’t is altijd koel an ’t strand ’s avonds.”

„Jongen, jongen, wat komt ’t water opzetten!”

„Zou oom geen kou kunnen vatten?”

„Welnee. Die dut hier elken avond.”

„Zou z’n sigaar niet kwaad kunnen?”

„Z’n sigaar. Waar is z’n sigaar?”

„Hij heeft ’m laten vallen.”

„Nee, niet meer oprapen, Cor, nou rook-ie ’m toch niet meer.”

„Kijk ’s, daar gaat een jacht. Hoe eng om ’s avonds te zeilen.”

„Hè! Haast met ’t zeil in ’t water. Vreeselijk angstig! Oe! Oe!”

„Oe, oe!”

„Oe!”

Tante en Cor en Jet springen met angstige gilletjes op. De vloed is in eens met zoo’n kracht op komen zetten, dat ’t water tot aan de verlakte laarsjes spat. Maar ’t loopt dadelijk weer terug.

„Zouen we nou maar niet gaan verzitten?”

„Hè, nee, tante!”

„’t Is zoo dol mevrouw, om nog éven te blijven.”

„Jullie bent net kinderen.”

„Vanmiddag heb ik ’n mijnheer aan ’t strand gezien en die bleef nog zitten, toen ’t water ’n heel eind ver was. Toen moest-ie z’n kousen en schoenen uittrekken. Nee, Jet, ’t was om te gillen.”

„Was dat die met de roode snor?”

„Precies-die.”

„Neem u nou nog een fondant, mevrouw.”

„Nou, nog ééntje.”

„Die in ’t goudpapier is heel lekker. Daar zit geglaceerde kastanje in. Proef u wel?”

„Pas op de golf, Jet!”

„Nee, die komt niet zoo ver.... Jij nog, Corrie?”

„Zijn d’r nog van die ulevellen?”

„Nog een.”

„Nou zal ik beter oppassen. Hier heb je ’t papieretje.”

„Waarom lach je zoo?”

„Nee maar, wat ’n onzin! Aa-a-a-a!.... Nee maar ’t is om te gillen:

„Hij die U minnen zal tot aan zijn dood

„Heeft wenkbrauwen en haren rood.”

„Da’s de meneer uit den badstoel van vanmiddag!”

„Kom meisjes, doe toch niet zoo kinderachtig! Zouen we nou maar niet gaan verzitten? Kom Hendrik!”

„Toe tantetje, nog één golf!”

„’t Wordt zoo guur, kinderen.”

„Oe! Oe! Hoera!”

„Hè, dat scheelde weinig!”

„Sta u maar op, tante—wij zullen uw stoel wel verzetten.”

„Roep oom nou ook. Z’n voeten zullen nat worden.”

„Hè, nee! Laat ’m nou eens in ’t water zitten!”

„Nee, nee, nee.”

„Kijk, zóó. Met ’n voetenbank onder z’n voeten kan-ie nog wel een minuut blijven zitten. Als ’t water ver om ’m heen is, zullen we ’m roepen!”

Lachend blijven ze op sterkere golven wachten. Oom zit nog heelemaal droog met z’n voeten op ’t voetenbankje. Ze kunnen alleen maar z’n knieën, z’n opgeschorte broekspijpen, ’n afgezakte kous en z’n bottines zien. Scherp steekt de ronding van den gelen badstoel af tegen de holle, zwarte ruimte der zee. De witte schuimstrepen lijken er op aan te rennen. Maar dichtbij glijden ze effen weg als een mes, dat over een plank slijpt.

„Nou zitten d’r nog drie in ’t zakje.”

„Nee, Jetje, ik wil d’r geen meer hebben.”

„Toe, mevrouw, ’t is nog zoo’n lekkere.”

„Die ’s voor jou Cor.—Zoo, de boel is op.”

„Tante, daar is de prinses weer.”

„Wat blijft ze lang an ’t strand, vin u niet?”

„Ze heeft u gegroet. Heb u gezien? Wat ’n lieve vrouw.”

„Ja, die is nou heelemaal niet trotsch.”

„Hoera! Hoera! Oom zit in ’t water!”

„Hendrik!”

„Hen-de-rik!”

„Oome! Oo-mè! Oo-mè!”

„Hahaha! .... Hij zal niet weten wat-ie ziet als-ie wakker wordt!”

„Hen-de-rik! Hen-de-rik!”

„Meneer Tas!.... Meneer!”

„Oome! Oo-mè!”

„Daar heb je ’t nou! Nou hoor-ie ons niet door ’t leven dat ’t water maakt!”

„Nou, maar ik durf d’r best heen te loopen.”

„Nee. Laat dat nou. Je krijgt natte voeten voor niks. Jongen! Jongen! Loop jij eens even naar mijnheer in den badstoel en zeg dat-ie wakker moet worden.”

„Best mevrouw.”

„Da’s zoo’n goeie jongen, hè. Die doet alles voor je.”

„Wat staat-ie nou te kijken?”

„Meneér wak-ker ma-ke!” schreeuwt Cor tegen den wind in.

„Meneer—slaapt—zoo—va-hast!” schreeuwt de jongen terug.

„Schud ’m maar!” schreeuwt mevrouw, met de fondant in den mond.

De jongen schudt. Ze zien in de schemering den gelen badstoel, de broekspijpen, de opgetrokken knieën en den jongen op z’n bloote voeten, die naar den badstoel buigt, schreeuwt en schudt.

„Hen-de-rik! Hen-de-rik!!”

„Oo-mè!”

Toen kwam de jongen door het water plassen.

„Meneer lijkt wel dood,” zegt-ie: „hij leit heelemaal weggezakt en zoo koud.”

„Wat ’s dat!” zegt tante onrustig. Met d’r verlakte schoenen en nog zuigend op de taaie fondant, loopt ze door het laagje borrelend, schuimend water en begint d’r man te schudden, die met groote, dooie oogen naar de zee ligt te kijken.

„Hen-de-rik! Hen-de-rik! Hein! Hein!”

Oom was stilletjes dood gegaan.