Gebrek aan oorspronkelykheid is alweer de hoofdoorzaak van deze armoede. In-stede van te grypen in de volle ryke natuur, meent men iets te bereiken door toewyding aan 'n bepaald vak, d.w.z. door 't volgen van voorgangers die zoodanig vak geprofesseerd hebben—liever nog, die er in professerden—en op hun beurt kopiisten waren van andere brekebeenen, of al ware het van 'n meester. Dat deze inkrimping van terrein soms, en nog volstrekt niet dikwyls, iets ten-gevolge heeft als de handigheid die ik op blz. 28 (hfdst. II, n. v.d. tr.) wel wilde toekennen aan 'n bakker van beroep, kan waar zyn. Maar dat die nauwte van blik nog gevaarlyker werkt op de voortbrengselen van den geest dan de sleurfouten der bakkers op ons brood, is ook waar. In dat brood is dan toch nog meel. Vermengd, vervalscht, verknoeid, er is meel in. Onze letterspecialiteiten durven 't Volk als spyze voorzetten wat geen spys is. Ze geven als voedsel wat niet voedt. En wie er over klaagt, krygt ten antwoord dat de eigenaardigheid van 's mans vak meebrengt dat-i zulk brood levere en geen ander. De leek moet dan zwygen, en verwyt zich dat hy ten-onrechte meende geestelyk onverzadigd te zyn. De fout heet dan te liggen aan hemzelf die 't hoog gewicht van 't speciaal-vak miskende. Zoodra hy op de hoogte wezen zal die noodig is om de waarde daarvan te schatten …
Intusschen professert en professeert de specialiteit voort …
Twee treurige indrukken tegelyk dringen zich hierby aan ons voorstellingsvermogen op. De eerste is medelyden met het arme Volk dat naar zielespys hongert …
Laat ons vlug heenstappen over dit onderwerp. Hongeren is 'n afgezaagd thema.
Liever stel ik u 't vermaak voor, lezer, om te vermeien in andere smart, in specialiteiten-smart. Ge kent die niet? Ge wist niet op welk veld dat doornig onkruid groeit? Ge weet niet hoe de schedelplaats heet, waar de navorschers van 't ontmetelyk-kleine gekruizigd worden? Ik zal u den weg wyzen.
Misschien moest ik, zooals de specialiteiten van den Nederlandschen Helikon, beginnen met 'n fors[12] «wat bralt ge, o Rom es!» of 'n melankoliek: «'t is voor u niet dat ik zing!» om dan na 't minachtend doorloopen van allerlei andere smart, ten-laatste triumfantelyk neertekomen op 't onderwerp onzer complainte, en den lydenspalm uittereiken aan den martelaar die my den treurzang in de pen gaf. Niets van dat alles. Tegen alle school, gewoonte en deftigheid aan, toon ik u terstond het uitgeteerd gelaat van den armen speciaal- professer die gestruikeld is over 'n speciaal eigenschapje van 'n speciaal-atoom zyner specialiteit.
Werelden vergaan of vergaan niet, 't is hem om 't even. De zon valt, hy bekommert zich daarover niet verder, dan om 't verschrikt mensdom te berispen over den ontaalkundigen geslachtsverkrachtenden uitroep: daar gaat-i! De geschiedenis van wereldwording, mensheid en beschaving boezemt hem geen verder belang in, dan noodig is om natesporen of de eerste lichtstraal z'n naam wel behoorlyk met 'n ch schreef, en of er taalfouten waren in de tien geboden. Paus JOHANNA interesseert hem eenigszins, doch daar dat individu—vrouw of man dan—in beide gevallen toch slechts 'n mens was, kan hy aan z'n hoedanigheden niet zooveel aandacht wyden, als-i—en met zielewellust zeker!—zou besteed hebben aan 'n klank. Van z'n kroost en huisgezin weet onze professer genoeg om de overtuiging te koesteren dat al z'n meisjes onzydig zyn en dat z'n vrouw soms mannelyk is. Z'n liefde tot de wetenschap, hoe gloeiend ook, is omtrent dit alles voldaan, tevreden en in rust. Maar helaas … daar nadert het vreeselyk woordje leur, en dondert den ongelukkige de vraag toe: «welk geslacht kent ge my toe? Antwoord of … leef, en schryf 'n woordenboek!» Het baat niet of de ongelukkige dien geslachteloozen inkwiziteur van-voren beziet en van-achter om te onderzoeken of ze wellicht eene groot-inkwizitrice, dan wel—wie weet!—'n heftig inkwizitorium is? Alles te-vergeefs! Die paus JOHANNA op 't gebied der taalkunde heeft de boosaardige verstoktheid gehad zich nooit te vertoonen—ik citeer—«met een bepalend woord, waaruit haar geslacht zou kunnen blyken.» Sedert eeuwen wandelt hy, zy, het, de wereld rond, zonder floddermuts of helm, zonder broek of schort, en toch—of juist daarom—kan men maar niet te weten komen of 't deern of 'n jongetjen is? Hoe vreeselyk, niet waar, voor geleerden die hun heele leven toewyden aan 't geslachtsleven van de klanken? Welke barbaar zou niet geroerd wezen … enz.
Men schreeuwt tegenwoordig overal om gelykheid. Ik ben er tegen, en beweer dat het zeer billyk is dat de werkster die de vloer boent voor professers studeerkamer, eerbiedig ruimte maakt als de man, zwanger van … teleurstelling over de ware sekse van z'n leur, zich op den drempel vertoont. Dus: werkster, op-zy! Ik zelf zou uit den weg gaan als ik 't ongeluk had me in de buurt van zoo'n studeervertrek te bevinden.
Honneur au courage malheureux! Dat het vruchteloos belegeren van de geheimzinnige leur-vesting niet aan lafhartigheid mag worden toegeschreven, kan bewezen worden uit 'n ander feit, dat ik te liever aanhaal omdat de vermelding me gelegenheid geeft tot 'n welgemeend meâ culpä. In m'n Divagatien over zeker soort van Liberalismus nam ik de vrijheid heel ongepast uittevaren tegen de kleingeestige schoolmeestery die onze letterkunde beheerscht, of liever: die in ons land zoo onbeschaamd de plaats der letterkunde inneemt. Onder andere voorbeelden wees ik op 't woord schildwacht dat in myn jeugd vrouwelyk wezen moest. «Of dit nog zoo is, schreef ik er by, weet ik niet». Welnu, bladerende in D.V. & T.W.'s handleiding ter letterkundige zaligheid, ontwaar ik dat die zotterny wel degelyk met wortel en tak is uitgeroeid. Die twee letter-doktoren hebben den schildwacht hersteld in z'n mannelyke eer, en vergunnen hem tegenwoordig allervrindelyks zyn geweer op zyn schouder te dragen. Wie den moed heeft zulke nieuwigheden intevoeren, mag waarlyk niet beschuldigd worden van gebrek aan geestkracht. Toch zullen sommigen beweren dat er zoo'n hooge maat van genie niet noodig is, om intezien dat er verschil bestaat tusschen 'n persoon die zich loopt te vervelen voor 'n schilderhuis, en de hem opgedragen funktie om heraus te roepen als er 'n kolonel komt aanryden. Het onderscheid tusschen een onstoffelyk begrip en 'n man van vleesch en been, is nogal te vatten, en daarom ligt dan ook de verdienste die ik roem, niet zoozeer in dat vatten als in den moed van 't verkondigen. De geschiedenis meldt niet of de dappere apostelen van des schildwachts viriliteit door 'tafgodendienend Volk zyn verscheurd of verbrand geworden. We willen daarvan 't beste hopen. Bloed en brandstapels zyn wel 't zaad der taalkunde, maar … er is hooger eer te behalen in 't strydperk der welschryvery. Een onbesuisd omwerpen van de afgoden der menigte moog getuigen van oprechtheid en overtuiging, de gematigd- welmeenende boodschapper van 't ware nieuwe is niet afkeerig van eenig beleid, en zoekt middelen om zoolang mogelyk onverscheurd en onverbrand te blyven. Evenals PAULUS, die te Athene zich meester maakte van den «onbekenden God» om dat nevelachtig spook heel handig te vereenzelvigen met den zynen, hebben de heeren D.V. & T.W. voor ze hun hermafrodiet bekleedden met den mannelyken toga, omgezien naar 'n bondgenoot. En waar denkt ge dat ze dien vonden, lezer? Eilieve, raad niet, ge zoudt uwe scherpzinnigheid vruchteloos op de proef stellen. Met bescheidenheid meenen zy te mogen aandringen op de mannelykheid des schildwachts: «omdat men in andere talen, bijv. in het Zweedsch, ons hierin is voorgegaan.» Zoo-iets geeft inderdaad courage. De ware moed immers mag toch niet in dolzinnigheid ontaarden? Met heel omzichtig beleid alzoo …
Zie eens, indien onze woorden-apostels zich onnadenkend te vroeg hadden laten verbranden, zouden zy den tyd niet gehad hebben ons nog veel andere dingen te leeren, o.a. dat men aan kuiter, wyfjesvisch, het vrouwelyk geslacht wel zou mogen toekennen[13] en dergelyke wetenswaardigheden meer. Kater, uil, professer, e.d. zyn mannelyk, naar we vernemen, en wie vroolyk met één o schryft is 'n dwaas.
Is 't genoeg, lezer? En is 't nog noodig u voortehouden wat de gevolgen zyn van zoodanige krachtsverspilling? In uw huishouding, in uw beroep, zoudt ge toch spoedig inzien … ik zeg niet: dat het groote geschaad wordt indien ge u te veel toelegt op het kleine, maar dat het degelyke te-loor gaat—van welk geslacht is dat loor, o goden!—door 't stelselmatig beoefenen van nonsense. LAROCHEFOUCAULD schynt aan zoo-iets gedacht te hebben, toen hy de maxime schreef: ceux qui s'appliquent trop aux petites choses, deviennent ordinairement incapables des grandes. Ik, die weet hoe moeielyk het is zich juist uittedrukken, maak hem geen verwyt van z'n «trop» dat de trop is. «Te veel» werkt altyd en overal schadelyk, dit weten we. Ook begryp ik dat z'n uitspraak hinken zou als men dat overbodige trop er uit liet. Hy gaf zich evenwel zeer veel moeite om exakt te zyn, en ik weet by ervaring te goed hoe afmattend dat eerlyk streven is om me niet verplicht te rekenen tot 'n welwillend nasporen van wat-i bedoeld heeft. Petites choses zyn er niet, en de door LAROCHEFOUCAULD gemaakte fout ligt niet in de kleinheid der dingen-zelf, maar in 't wanbegrip over hun opportuniteit. Een kok, die 't souper laat aanbranden omdat-i zich buiten de keuken bezig-houdt met den ring van Saturnus, heeft juist om 't zoogenaamd-groote het zoogenaamd-kleine verwaarloosd en dus, stipt gesproken, een tegenovergestelde fout begaan die evenwel in werkelykheid op 't zelfde neerkomt, want de soep is er niet smakelyker om. De tegenstelling was dan ook slechts schynbaar. Een speld die te-pas komt, is in zedelyk-logischen zin grooter dan 'n heel zonnestelsel, wanneer dat het nasporen van waarheid, het beantwoorden aan roeping, het plicht-doen, in den weg staat.
Zou LAROCHEFOUCAULD gedacht hebben aan onze professers in de dubbele o of e, toen-i waarschuwde tegen 't verwaarloozen van de dingen die wel te-pas komen? Of was z'n welwillende bedoeling, U te waarschuwen, PUBLIEK, tegen 't voortdurend genoegen nemen met het aangebrand souper van onze letterkoks, die zich waarachtig niet op het grandioze van hun nevelringen mogen beroepen om de oneetbaarheid te verontschuldigen van de gerechtjes waarop ze 't publiek onthalen. Om nu eens by de prouesses van die dubbele-omensen te blyven, hebt ge er nooit aan gedacht, lezer, dat zoo'n woordenboek de plaats inneemt van iets degelyks? Smart het u niet dat uw kinderen met verwaarloozing van beter dingen al de wysheid in zich moeten opzwoegen, die daarin voorkomt? Hebt ge wel eens berekend hoeveel tyd, inspanning, geheugen, geest, zy en gyzelf besteden moeten om behoorlyk op de laagte te blyven van al die wetenschap, zegge: Wetenschap? En mocht u dit alles onverschillig zyn, denk dan aan 't geld dat ge uitgaaft om zulke dingen te koopen, aan de belasting die ge opbrengt om de lieden te bezoldigen die zich bezighouden met die voddery, levenslang natuurlyk, want ze zyn Specialiteiten, de par le Roi benoemde Specialiteiten!
En nog iets. Denkt ge dat één Hollandsche stad zich zal verdedigen tegen de Pruisen, indien de prys der heldhaftigheid wordt uitgereikt in de zonderlinge gedaante van 'n akademie waar men zulke wetenschap doceert? Is 't niet om alle poorten wagenwyd voor den vyand open te zetten?
* * * * *
Intusschen zyn onze straten nog altyd vuil. Indien wy eens …
—Groote goden, ge wilt toch onze professers niet aan 't straatvegen zetten?
Wees bedaard. Ja, in alle bescheidenheid wou ik dat, behoudens 'n onbegrypelyke massa eerbied voor andersdenkenden voorslaan. Na 't gebeurde met EPAMINONDAS en de Freule VON STEIN—twee personen die niets misdaan hebben—is myn voorstel zoo vreemd niet, en in geen geval beleedigend. Ik erken dat er 'n gegronde bedenking zou liggen in de vrees dat de modder de overhand nemen zou. Misschien zullen de heeren, slecht vegende, zich beroepen op hun specialiteit als professoren in de litteratuur, en verzekeren dat zy in dàt vak … op dàt terrein … right man … right places …
Nu ja, op dàt terrein schryven ze Woordenboeken van de Nederlandsche
taal, of verheffen 'n kip tot zoogdier … ik stem voor 't vegen!
Baat het dan onze straten niet, de letterspecialiteit rust 'n beetje.
Dit is iets gewonnen.
MX.
Alles roept om emancipatie. Er wordt door sommigen beweerd «dat we geen slaverny geduldiger dragen dan dezulke welker afschaffing in onze macht staat», waaruit volgen zou dat het verzet tegen tirannie niet zoozeer voortspruit uit afkeer van dwingelandy, als uit lust in oppozitie. PHILIPS en ALVA zyn weggejaagd, maar heel 't schryvend Nederland buigt zich gedwee onder 't sic volo sic scribas van 'n paar mensen die nooit het minste bewys gaven dat ze met 'n taal weten omtegaan, of liever die duidelyk toonden dit niet te kunnen.
Misschien wachten wy op 'n Spaansche Armada, voor we ons verzetten tegen de tiende penning die er nu dagelyks wordt geheven van ons gezond verstand. Lag er wellicht 'n karakterkundige fynheid in den onwil van de Regeering om de «nieuwe spelling» vasttestellen by de wet? Voorzag men dat het volk liever buigen zou onder niet bevolen zotterny, dan gehoorzamen aan bloedplakaten?
Hoe dit zy, we schikken ons in: vroolykheid, en zien met minachting neer op onze groot-ouwelui die 'n tydlang ogen en zo schreven. Thans vind ik die spelling zoo gek niet, maar toen ik kind was, gruwde ik van zoo'n verregaande onkunde. Huiverend vroeg ik mezelf hoe men tegelyker-tyd grootvader en zoo dom wezen kon? Een schryver die 'n levenloos voorwerp hy of zy noemde, in-plaats van dezelve, was in myn tyd 'n ondeftige knoeier dien ik met al de kracht myner schooljongens-rechtzinnigheid «verachttede.»
Maar ik ben oud geworden, en heb nagedacht. Tot nadenken wensch ik nu ook anderen optewekken, zoo mogelyk vóór ze oud geworden zijn, of te oud althans.
De gissing van zoo-even dat de leek liefst dan protesteert als 'n wet hem wil dwingen tot gehoorzaamheid, wordt evenwel geenszins bevestigd door de vyftigjarige regeering van SIEGENBEEK, die gehoorzaamd werd in-weerwil van 't gezag dat men hem officieel toekende. Al zy dus die meening niet geheel-en-al verwerpelyk, de regel schynt toch niet algemeen doortegaan, en dit blykt vooral indien we 't oog slaan op 'n ander specialismus dat veel strenger wordt gehandhaafd door de kracht der legaliteit, en waarin we even goedig berusten als in de schoolmeestery.
Ik bedoel: de Rechten!
Wat MOLIÈRE, die doktoren, savantes en markiezen zoo havende, weerhouden heeft de advokaten te bedenken met 'n welverdiende tentoonstelling, is my een raadsel. Of versmaadde hy dit omdat de taak hem te gemakkelyk voorkwam? Was 't onderwerp te afgezaagd voor 'n publiek dat van-oudsher gewoon raakte z'n glossen op rechters en advokaten zèlf te maken, omdat het non satyram facere hier onmogelyk is?
Op bladzy 96 (hfdst. MVII, n. v.d. tr.) werd over 't zoogenaamd wèl- spreken van die heeren reeds iets gezegd, ik mag dit alzoo nu voorby-gaan, vooral daar ik thans niet zoozeer de preek-en pleit- specialiteit bedoel, als wel juristery. De mannen van parket en balie meenen aan de eer van hun «vak» schuldig te zyn, de van-buiten geleerde Rechten boven het RECHT te stellen. Het eenvoudig-ware is hun niet mooi genoeg zoolang het 'n deftig precedent ontbeert, of niet gestaafd wordt door zoogenaamde rechtsprincipes. Indien we dit laatste woord mochten opvatten in letterlyke beteekenis, zou de zaak gezond wezen. Maar, o hemel, zóó bedoelt het niet de geschoolde jurist! Waarheid is hem niet wat inderdaad is, maar wat overeenkomt met de uitspraak van dezen of genen voorganger. Gelyk D.V. & T.W. op 'n Zweed, wacht de rechtsman op 'n CAJUS, op 'n GROTIUS, op 'n DIEPHUIS, op 'n I.D. MEYER, of 'n ander van die soort voor-i zich verstout een opinie te hebben. Hij vraagt niet zoozeer wat er geschiedde, als wat er door dezen of genen gezegd en geschreven is over iets dat op het gebeurde gelykt. Feiten zijn hem byzaak, 'n woord is hem alles. Akten gaan voor aktie. En waar hy zich niet op personen beroepen kan, klemt hij zich aan 't behoudsplankje van 'n «regel in rechten.» Wees verzekerd dat er op die rechten en op dien regel gewoonlyk iets volgt dat niet regelrecht en dikwyls nogal héél krom is. Want—en hier komen we terug op de klacht in 't eerste hoofdstuk—zoo'n regel waarmee door de rechts- specialiteiten geschermd wordt, is veelal 'n dicton, 'n scie, 'n fiktie, 'n juridische deun, 'n «formule die onder valsch voorgeven van overbodigheid der redeneering, de aandacht van onjuist redeneeren moet afleiden.»
De meeste rechtsregels zyn stellingen, die gemakshalve als waar worden aangenomen, maar die voor den denker bewys noodig hebben. Deze neemt ze dan ook gewoonlijk niet aan, voor er wèl en deugdelyk bleek dat het aangevoerd dicton, ten-eerste: op-zichzelf beschouwd aannemelyk is, en ten-tweede: dat het van volle toepassing geacht kan worden op de behandelde zaak. Dit laatste is zelden 't geval, omdat het verschil der omstandigheden oneindig, en ons uitdrukkingsvermogen beperkt is. Maar de rechts-specialiteit is zoo keurig niet. Z'n «vak» noopt hem tot eerbied voor klanken die door gewoonte worden verheven tot afgoodjes, en dezelfde man van wien men in 't dagelyksch leven eenig verzet zou mogen verwachten tegen ongerymdheid, neemt genoegen met de grofste absurditeit, wanneer ze zich maar in de gedaante van zoo'n «regel in rechten» of dergelyk door 't gebruik geykt vooroordeel weet te vertoonen. Ik heb de voorbeelden voor 't grypen doch zal me aanvankelyk vergenoegen met 'n paar die nog al sprekend zyn.
In Frankryk, waar de juristery vooral niet minder welig dan elders bloeit, was onlangs 'n man beschuldigd van kerkroof. By gebrek aan bewys werd-i vrygesproken. Eenigen tyd daarna meende de justitie den waren schuldige in-handen te hebben, die alzoo voor de rechtbank werd gebracht. Onder de getuigen à décharge verscheen de vrygesprokene. Hy bewees de onschuld van den beklaagde door de volledig geadstrueerde bekentenis … dat hijzelf de dader was. Hy had de goedheid, allerduydelykst uitteleggen hoe hy 't voornemen had opgevat, hoe hij zich had weten te verschuilen in de kerk, daar de armbus open te breken, en z'n roof in veiligheid te brengen. Roerende openhartigheid! Men liet hem dan ook ongedeerd gaan. Niet uit erkentelykheid evenwel voor die gratis voorgedragen handleiding in 't stelen werd-i vrygelaten, o neen, de brave man was onschendbaar omdat hy, eenmaal vrygesproken, onder bescherming stond van den fanatieken eerbied voor de rechtsfetiche: non bis in idem. Of de rechtbank hem behoorlijk bedankt heeft voor de genomen moeite in de zaak van dien ander—z'n compère, denk ik met de Gazette des Trabinaux waaraan ik dit voorval ontleen—is me niet gebleken. Ook niet of er 'n civiele aktie is ingesteld tot teruggave van z'n buit. Zeker is 't dat men den dief in de gelegenheid stelde z'n handwerk voort te zetten.
Zulke misdadige zotterny is alleen mogelyk in personen die «levenslang» hun gezond verstand kluisterden aan de eischen van 'n «vak».
Een ander voorbeeld. Onlangs in Londen bestelt zeker echtpaar by 'n voornaam juwelier eenige kostbaarheden, en maakt van de gelegenheid, dat 'n bediende een grooten voorraad juweelen aan hun keus komt onderwerpen, gebruik om dezen te bedwelmen, te binden, met den dood te dreigen, enz. De vrouw speelde in dit drama de voornaamste rol. Haar gemaal wist met het gestolene aan de nasporing der policie te ontsnappen, maar zy, gevangen genomen en voor 'n rechtbank gebracht, werd … vrygesproken door de jury, na 'n schoone redevoering van haar verdediger die zich beriep op 't goddelyk en menselyk voorschrift dat de vrouw haren man onderdanigheid verschuldigd is. De trouwe ega had den koopmansbediende van-achter overvallen, hem by de keel gegrepen, 'n doek met aether tegen neus en mond gehouden, ze had geholpen aan 't knevelen, aan het zoekmaken van 't gestolene … alles wáár, doch: ze deed het op bevel van m'nheer haar gemaal, en alzoo …
Maar, zegt men, het was 'n jury die haar vrysprak … eilieve, 't was 'n rechtsman, 'n advocaat, die in z'n pleit-jargon daartoe de motieven leverde! Ik neem noch die jury, noch onvoorwaardelijk 't jury-stelsel in bescherming, doch beweer dat in dit geval de schande der vryspraak niet grooter is dan de misdaad van 't vrypleiten. Zou 't iemand die niet was opgegroeid in 't speciaal-vak van rechtsverdraaien, in 't hoofd komen de voorgeschreven onderdanigheid van de gehuwde vrouw aantevoeren als verontschuldiging voor gewelddadigen roof? Tot zulke afdwaling leidt alleen de speciaal-studie. Alleen 't specialismus geeft den moed tot zulke misdaad? Den moed? Och, die behoeft zoo groot niet te zijn, want waar ieder ander zich schamen zou met zoodanige praatjes voor den dag te komen, kan de jurist dit ongestraft wagen niet alleen, maar zelfs oogst-i by zeker deel van 't Publiek lof in met z'n impudentie. «Dàt is 'n advokaat, zegt Kappelman. Onder zyn handen is geen zaak reddeloos, hy sleept er door wat-i wil!» En Kappelman neemt zich voor, dien pleiter in den arm te nemen zoodra hyzelf er iets zal hebben «doorteslepen» waarmee dan ook het doel van den praatman, dien 't om voordeelige klandizie te doen is, wel bereikt zal zyn. Of evenwel het belang van den kliënt meebrengt, z'n zaak met 'n stempel van wantrouwen te besmetten door haar optedragen aan iemand die byzonderen roem inoogstte als pleiter, schynt twyfelachtig. Oppervlakkig gezien immers, zou men meenen dat ieder die van zyn goed recht overtuigd is, volkomen tevreden moet zyn met 'n eenvoudige voorstelling van feiten, en zelfs dat het hem tegen de borst stuiten moet, z'n rechtvaardige zaak door 'n pleitman by-uitnemendheid te zien gebruiken als terrein voor 'n wedstrijd in chicane en kwasi-handige kunstjes. Hy legt zich de vraag voor, of niet het kiezen van een zoo «byzonder knappen advokaat» op den rechter 'n ongunstigen indruk maken moet? Zoo redeneert gewis de eenvoudig-eerlyke man van gezond verstand. We mogen dus aannemen dat de meesten anders redeneeren, en die «meesten» hebben wel eens gelyk, al weten zyzelf gewoonlijk niet waaraan ze soms den triumf van hun arglistig onverstand te danken hebben. Het kiezen van een «beroemd advokaat» en de slenters waarmee deze een zaak verdedigt, maken op den Rechter alleen hierom geen walgelyken indruk, wyl hy evenals de mooiprater-zelf bedorven is door de specialiteit van 't «vak».
Toen BERYER, le prince des orateurs—d.i. naar myn overzetting: 'n knoeier van de ergste soort—in één zitting voor en tegen dezelfde zaak pleitte, kwam 't den voorzitter zeker niet in de gedachte dat het eigenlyk zyn plicht was dien oneerlijken man de deur te wyzen. Integendeel. Zelf afgericht tot specialiteit in advocatenkunstjes, moet hy de schelmery van dien allemansbabbelaar heel aardig gevonden hebben. Ze werd dan ook in 'n levensschets van BERYER voorgesteld als byzonder verdienstelijk, gelyk ik reeds hier-of-daar in m'n IDEEN met de noodige verontwaardiging heb opgemerkt.
Slimmigheidjes, zei ik, en iets vroeger spraken we van kwasie-handigheid. Wel zeker, 't is er ver vandaan dat zulke advokaterige debatteerkunstjes op logisch, rhetorisch, wysgeerig of inderdaad-rechtskundig gebied, waarde hebben … zouden, indien zoo'n praat-specialiteit iemand tegenover zich had, die met eenvoudig gezond verstand en ongekreukt rechtsgevoel begaafd was. De zoodanige slaat, zonder de minste inspanning en met de kracht der waarheidzelf, door 't webje heen, waarin een oneerlyke tegenparty hem poogt te vangen. Maar—heel gelukkig voor den beoefenaar dier bekwaamheid van lage verdieping, en den bloei der advokatery—de in den grond ònbekwame mooiprater kan ongestoord z'n methode volhouden omdat hy te doen heeft met tegenstanders en rechters, die—de eersten soms in den schandelyk-strikten zin, doch beiden altyd in slechts weinig gunstiger beteekenis van 't woord—z'n compères zijn. Als specialiteiten immers van wat die heeren «de Rechten» gelieven te noemen, doorliepen zy denzelfden akademischen kursus van verstands- en gemoedsbederf als hy, en hieraan heeft de pleiter te danken dat z'n auditorium in rechtbank, parket en balie, zich door de grofste vergrijpen tegen Recht en Rede niet gestuit voelt. Al dat volkjen eerbiedigt, zooals zakkenrollers op de kermis, vice-versa de eigenaardigheden van 't «vak». Ze worden hierin gesteund door zeker gedeelte van 't publiek, dat blyk van zaakkennis meent te geven door 't wegstoppen van z'n gebrek aan begrip. Indien ieder die zich behoorde te ergeren aan ongerymdheden in wezen, vorm en incidenten van onze rechtspleging, oprecht of moedig genoeg was om z'n oordeel uittespreken, zou 't met dat bespottelyk toejuichen van «knappe advokaten» en den «eerbied voor 't geslagen vonnis» spoedig gedaan zyn. By misbruiken als de hier gelaakte, hebben de vakmannen altyd 'n trouwe bondgenoot in het verstandelyk en zedelyk minst-ontwikkeld gedeelte van de menigte, een kategorie waartoe zyzelf dan ook —grootendeels juist ten-gevolge van hun akademische leiding —gewoonlyk behooren. Als om de maat van ongerymdheid voltemeten —schoon de zaak zeer makkelyk te verklaren is—ziet men dagelyks dezelfde rechters die de onbeschaamdste zottepraat geduldig aanhoorden, in de beslissing der zaak blyk geven dat ze op de aangevoerde verdedigingsgronden bitter weinig acht hebben geslagen, of zelfs dat die «gronden» 'n geheel anderen indruk maakten dan de beschuldigde zeker recht had te verwachten. De Fransche advokaat LACHAUD draagt den bynaam van grand sauveur, en juist hierom kan men den ongelukkige die hèm tot «verdediger» kiest, reeds vóór 't vonnis als veroordeeld beschouwen. Wie meent hèm noodig te hebben, verklaart zich ryp voor 't schavot. Het is immers nu eenmaal van algemeene bekendheid dat die niemand- reddende redder de specialiteit van ongerymde stellingen beoefent, en dat 'n certifikaat van onschuld uit zyn mond, vrywel gelyk staat met 'n bekentenis van moord en doodslag. Ook waar dat bekennen niet meer noodig is, blyft altyd de naam LACHAUD 'n wichtig nummer op 't lystje van verzwarende omstandigheden. Het hem door de publieke opinie toegeschreven talent—hoofdzakelyk alweer bestaande in onbeschaamdheid —benadeelt z'n beschermelingen, en komt dus in den grond, gelyk alle schelmery, op onbekwaamheid neer. Wie dit betwyfelt, vrage zich af wat dàn de invloed is dien de kwasi-handigheid en spitsvindige kunstjes van 'n beroemde pleiter op de rechtbank uitoefenen? Voor de waardigheid der rechterlyke macht is de minst-leelyke veronderstelling dat die invloed … géén invloed is. Een rechter die zich liet òmpraten door 'n advokaat—van 'n saamgeraapte jury spreek ik nu niet—zou by z'n kollegaas-zelf doorgaan voor 'n dwaas, en in deze opmerking ligt het doodvonnis van 'n groot deel der advokatery.
Voor eenige jaren durfden de advokaten van JUT en z'n vrouw, in lange redevoeringen betoogen dat de rechters hun beminnelyke kliënten moeten vry spreken, d.i. men behoorde die moordenaars frank en vry terugtezenden in de maatschappy, op 't gevaar af dat ze daar hun liefelyk handwerk tot eigen vermaak en aanmoediging van anderen zouden voortzetten! Er blykt alweer niet uit de processtukken, dat de voorzitter tot die heeren de vraag richtte: of zy, indien ze de eer hadden rechters te zyn, zoodanig vonnis vellen zouden? Ook niet dat hy hun 't woord ontnam en de deur wees, wat z'n plicht zou geweest zyn. Wel neen, ze waren volkomen in hun recht, want de specialiteit van 't «vak» schreef die schaamtelooze zotterny voor, of althans ze maakte die straffeloos mogelyk. Eenmaal aangesteld als «verdedigers» mochten en moesten zy loochenen en ontkennen, hoe brutaler hoe mooier. 't Stond immers den rechter vry, er geen acht op te slaan? Wat moeten JUT en z'n geliefde KRISTIEN wel gedacht hebben van de integriteit der fatsoenlyke luî, zy die wisten—nu ja, ieder wist het, rechters en publiek zoo goed als de advokaten-zelf, maar zy toch in de eerste plaats—zy die wisten hoe die mannen van de Wet daar stonden te draaien, te huichelen en te liegen? Hebben zy 'n glimlach kunnen onderdrukken, toen ze een hunner «verdedigers» hoorden verklaren dat z'n gunstig oordeel over JUT niet was: «een ex officio gehouden praatje?» Foei, edele rechtenmeester, wie zou op zoo'n denkbeeld komen? Het zou ons heel leelyk staan aan «praatjes» te denken als we van u mogen vernemen dat JUT: «geen slecht karakter bezit» en: «dat men in hem zekere ridderlykheid niet mag ontkennen.» By 't aanhooren van zulke betuigingen mogen wy in ons de verplichtingen niet ontkennen, dankgevoel te bezitten voor die edelmoedige korrektie onzer begrippen over slechte karakters en ridderlykheid, om nu niet eens te spreken van 't lesjen in akademische balie-taal dat we hier zoo onverwacht prezent krygen. Ik vraag u … halt, ook ik wil eens mooipraten: ik wensch gevraagd te hebben, myne heeren, wie de gedachte aan «praatjes» zou kunnen bezitten, als hy ter verdediging van JUT, het inschrift hoort aanhalen, waarmee die preux den bybel zyner welbeminde versierde, kort nadat ze met hun beidjes mevrouw VAN DER KOUWEN en LEENTJE BEELO zoo ridderlyk van alle wereldsche zorgen hadden bevryd? Neen, neen 'n «praatjen» is het zeker niet, als de advokaat—volstrekt niet «ex officio» lezer, godbewaar-ons voor zoo'n lasterlyke meening!—als hy, om eens geheel-en-al voor z'n partikulier genoegen terdeeg nuttig te zyn, ons verkondigt dat hy in dat inschrift zoo'n «aardige aanwyzing» vindt, die ons in staat stelt «een eigenaardigen blik te werpen in het karakter van den beschuldigde».[14] Waar is de onverlaat die—en na pas zoo'n uitstekende les in ridderlykheid ontvangen te hebben, nogal!—waar is de snoodaard, de booswicht, die aan 'n «praatje» durft denken, by zooveel aardige eigenaardigheid van blik? «Vanhier gy die … enz. Een «praatje?» Maar leest het dan, gy vuige belagers van paladyn JUT en advokatenwaardigheid, leest en overdenkt de woorden die hy op 't schutblad van den huwelykspresent-bybel, z'n teedere hartsvriendin toeroept! Leest, en vraagt uzelf af, of zùlke taal 'n pleiter aanleiding geven kan … wat zeg ik, of zulke taal mogelykheid overlaat tot het houden van 'n «praatje?» Wat staat er? Wy lezen:
«Aan mijn geliefde CHRISTINA door H. J. JUT …
Zoo noemt-i zich, de edele ridder, met 'n eenvoud die aan de beminnelyke nederigheid van 'n GODFRIED te Jeruzalem herinnert. De lezer weet immers dat de eigenlyke naam van den held TANKRED-BAYARD is? Aan CHRISTINA dus, door JUT:
… die beiden hoopen in de goedertierenheid …
Van den prokureur-generaal, meent ge? O neen:
… in de goedertierenheid van Jezus Christus.»
Voor J. C. die toch ook jegens Mevr. VAN DER KOUWEN en LEENTJE BEELOO zekere konsideratien heeft in acht te nemen, is 't een moeielyk geval. Maar dat is zyn zaak. Wy hebben hier slechts te doen met de vraag hoe een advokaat, die zich op zoo'n verheven bybel-illustratie beroept, op 't denkbeeld komen kan dat iemand hem zal houden voor 'n praatjesmaker? Men kan de nederigheid te ver dryven. Hoogstens zou deze of gene—ik, by-voorbeeld—in dat alles 'n staal meenen te vinden van de hoogte waarop men 't brengen kan in onbeschaamdheid, als men zich gedekt waant door de specialiteit der advokatery.
Dat er overigens in die fraaie pleidooien nog meer theologie voorkomt, spreekt vanzelf. «God» kan niet buiten spel blyven by dat infaam spekuleeren op de domheid der menigte. Al baat dan die vuile kwakzalvery den kliënt niet—dat is byzaak voor die heeren!—ze rekommandeert den pleiter by 't gemeen, dat verzot is op zulke loopjes.[15] De «verdediger» der edele KRISTIEN verzekert ons «dat er een Hoogere Macht bestaat, die alles tezamen houdt»—wel vreemd dan, dat ze die twee vermoorde vrouwen niet heeft weten heeltehouden—èn aan die spikspeldernieuwe hoepeldogmatiek knoopt hy de zalvende verzuchting «dat deze waarheid zoo dikwerf betwyfeld, en zoo lichtvaardig ontkend wordt.» Och ja, zou juffrouw LAPS zeggen, en ook ik moet ronduit erkennen dat de klacht even gegrond als KRISTIEN- verdedigend en treurig is! Maar volstrekt onverklaarbaar vindt ik de zaak niet. De in dit byzonder geval niet al te best door Hoogere Macht saamgehouden menselyke geest over wiens vervloekte afdwaling de vrome advokaat zich zoo bedroeft, zal opgemerkt hebben hoe dikwyls die Hoogere Macht te-kort schiet in hare pogingen om 't droge zand saamtehouden, waaruit sommige pleitbezorgers hun redevoeringen vervaardigen. A l'impossible nul n'est tenu. Wat overigens ook deze zysprong op theologisch gebied bewyzen moet voor de onschuld der lieftallige KRISTIEN … nu ja, naar logisch verband moet men nu eens- vooral in zulk knoeiwerk niet zoeken. De zaak schynt hierop neertekomen, dat JUT by 't afleggen van zekere verklaring, die in 't kraampje van den pleiter te-pas kwam, «beheerscht werd door goddelyken invloed» en dus de waarheid zei, terwyl men in 't belang der pleitery mocht aannemen dat-i by andere gelegenheden—dan onder den invloed van den Duivel zeker of althans niet behoorlyk tezamen gehouden door Hoogere Macht —terdeeg gelogen had. Hoe men nu kan te weten komen wanneer 'n spreker door z'n tezamengehouden toestand geloof verdient, en wanneer niet, blyft onopgehelderd. Dat zullen we zeker uit 'n volgend pleidooi te weten komen, en niemand ziet naar die theologisch-juristisch-kabbalistische toelichting met meer verlangen uit dan ik, die tot m'n smart erkennen moet dat «God» de duigen van myn begrip gewoonlyk meedogenloos laat omvallen by zulke onderzoekingen. JUT en z'n dierbare KRISTIEN hebben voorzeker de zaak beter begrepen, want ze waren—zooals trouwens àlle misdadigers van die grove soort—beestachtig dom, en stonden dus volkomen op de laagte om zulk geklets heel mooi te vinden. By 'n weinig minder domheid hadden zy de oneerlyke wawelpraat hunner «verdedigers» in hun voordeel kunnen aanwenden. Een zwaar vonnis was nu eenmaal niet te ontgaan, maar 't zou gewis ridder JUT en z'n teedere gade hebben goedgedaan in de publieke opinie, en dientengevolge, waarschynlyk ook by hun aanstaande opzichters in het tuchthuis, als hy 't laf gemaseur der advokaten had afgebroken met den uitroep: «M'nheer 't gerechtshof! Gestolen hebben we, gemoord hebben we, maar neem het niet kwalyk, grootzeerhoogedelachtbare, het knoeierig liegen en slenteren van die … heeren kunnen we niet langer aanhooren, 't zou ons karakter bederven … veroordeel maar toe!» Moeten we in JUT het terughouden van zoodanige uitboezeming niet zoozeer toeschryven aan domheid, als aan de bescheiden vrees dat die zeergroothoogedelachtbaarhedens hem niet-ontvankelyk zouden verklaren in z'n eisch en konklusie, als strydig met de Jurisprudentie van den Hove? Dit kan wel zyn. Het is mogelyk en zelfs waarschynlyk dat JUT—in z'n hoedanigheid van ridderlyk galgebrok beter dan gy en ik, lezer, met den eigenaardigen eeredienst van die «Jurisprudentie» vertrouwd—geweten heeft welk ontzag men den Themispriester schuldig is, en alzoo dat men een liegenden advokaat niet storen-mag in de uitoefening van z'n sacerdotale funktien. Men had immers hèm ook niet in z'n werk gestoord!
De rechtspleging tegen 't echtpaar JUT zou overigens stof leveren tot 'n ganschen bundel specialiteiten-onzin. Ieder begrypt dat de Voorzitter nu-en-dan met «God» schermde, en—tegen 'n JUT!—met «al wat heilig is!» Wat de pleidooien der advocaten aangaat, ze waren akademisch-doctoraal-slecht, zoowel wat taal en styl betreft—hiervan gaf ik reeds 'n paar staaltjes—als ten-aanzien van de systemen waarop ze hun zoogenaamde verdediging meenden te kunnen gronden. Die «verdediging» was, om nu van al die knoeierige oneerlykheid niet meer te spreken, in één woord: belachelyk. Van specialiteiten zou men dan toch, oppervlakkig gezien, kunnen verwachten dat ze bekwaam waren in hun eigen vak, maar dit zyn ze, evenals de bakkers van blz. 29 (hfdst. II, n. v.d. tr.), gewoonlyk niet! Het schynt dat de studie in algemeene onbekwaamheid—beleefdheidshalve «toewyding aan een bepaald vak» genoemd—niet zeer gunstig werkt op de ontwikkeling dan die toch ook voor de beoefening van dat enge vak-zelf altyd eenigszins noodig blyft. Wie slechts advokaat is, is 'n slecht advokaat.[16]
* * * * *
In het begin van dit hoofdstuk maakte ik melding van 'n paar in het buitenland geslagen bespottelyke vonnissen, doch we behoeven waarlyk niet zoo ver van huis te gaan, om voorbeelden te vinden van de krankzinnigheid waartoe 't specialismus van die zoogenaamde Rechten leiden kan. Onlangs werd in ons land 'n ontslagen burgemeester, die met duidelyk te kennen gegeven moorddadig opzet, 'n geweer had afgeschoten op z'n plaatsvervanger, ontslagen van rechtsvervolging, omdat … omdat … ja, waarom? Niemand weet het. Men mag aannemen dat er in die zaak deze of gene ondoorgrondelyk-aanbiddelyke jurisprudentie van den Hove in 't spel geweest is. Minder geheimzinnig was dezer dagen de vryspraak van zeker vrouwspersoon, dat zich had schuldig gemaakt … ik vergis me, die, zonder de minste schuld dan, en slechts tot tydverkorting, zich vermaakt had met 'n poging tot vergiftiging. Het «Hof» had bij die gelegenheid de goedheid z'n benevolentie ook voor den armen leek begrypelyk te maken, door ze te omkleeden met jurisprudente redenen welke allerpleizierigst luiden voor ieder die 't vooruitzicht heeft, ooit ofte immer by die dame in de kost te komen. Dat de poging tot vergiftiging had plaats gehad … nu ja, dit was niet te loochenen, maar de arme vrouw had zich vergist in de taxatie der hoeveelheid fosfor die tot haar welwillend doel noodig was, en alzoo liet men haar loopen, zeker om door wat studie in warenkennis en toxikologie, nauwkeurig te leeren berekenen hoeveel luciferkoppen van de ware soort er noodig zijn om met goed succes z'n evenmens voortelichten naar de eeuwigheid. Leve de Jurisprudentie van den Hove!
En den braven DE VLETTER—pedant, vervelend, koppig en lastig was-i, o ja, maar 'n braaf mens toch! zond men naar het tuchthuis. Nogeens: leve de Jurisprudentie van den Hove![17]
Waar zou ik eindigen indien ik voortging stalen te leveren van de misdadige zotterny waartoe de verkeerd-begrepen speciaal-studie van de zoogenaamde Rechten dagelyks aanleiding geeft? Reeds de meervoudige vorm van dit woord verraadt de onlogische—en dus: onzedelyke— beteekenis. De grondslagen van die Rechten zyn meerendeels ellendig. Het «romeinsch-recht» liet gruwelen toe, schreef gruwelen voor, en kan in geen geval 'n deugdelijken grondslag zijn voor ònze rechtspleging. Waar de tegenwoordige toestanden met die van de Romeinen overeenstemmen, hebben we hùn voorlichting niet noodig om te weten: wat Recht is? En waar die toestanden verschillen—zooals byna doorgaands het geval is —vervalt de behoefte aan hun barbaarsche lessen en voorbeelden vanzelf. Gesteld eens dat onze wetten het ombrengen eener jonkvrouw uitdrukkelyk verboden, zoodat, byv. het wurgen van 'n onmondig kind, het maagdelyk dochtertje van een in ongenade gevallen staatsdienaar, niet geoorloofd was, dan hebben onze rechtspraktikanten waarachtig de lessen van hun Romeinsche voorgangers in chicane niet noodig, om 'n middeltjen uittevinden waardoor de eerbied voor Wet en Jurisprudentie behoorlijk gehandhaafd wordt. Men belast in zoo'n geval—ik, goddank geen specialiteit in de «Rechten» erken dat ik zonder die Romeinsche les niet op 't denkbeeld komen zou, en van harte wensch ik den lezer 't zelfde gebrek aan rechtenkennis toe—men draagt in zoo'n geval den beul op, z'n slachtoffertje, vóór 't wurgen … rechtens-geschikt te maken voor 't schavot! Het geschiedde laquem juxta, zegt TACITUS. Wel zeker, de strop lag er naast, en het kind … maar genoeg daarvan, we weten de hoofdzaak: de legaliteit was gered! Men zou de vraag kunnen stellen, of niet de hier aangehaalde gruwel meer aan de zeden dan aan rechtsbegrippen in strikten zin te wyten is, doch ze wordt voldoende beantwoord door de opmerking dat de wetten van de Romeinen oorspronkelyker-inheemsch waren dan de heterogene rhapsodie—zegge: de verwarde rommel—waarmee de moderne maatschappyen zich behelpen, en dat ze dus veel meer dan bij ons het geval wezen kan, met die zeden overeenstemden. Het is waar dat TACITUS, noch by 't noemen van de oorzaak die aanvankelijk het vermoorden van dat meisje scheen te beletten[18] noch bij de vermelding van 't rechtsmiddel(!) waarmee men dat beletsel uit den weg ruimde, van eigenlijk gezegde Wet spreekt. Des-te-beter voor de kracht van m'n betoog! Er blykt dan dat we hier te doen hebben met deze of gene onbeschreven Jurisprudentie van den Hove, juist de bron alzoo waaruit al die stoplappen voor de luie onkunde—in de dieventaal van Rechtbank en balie: «Regels in Rechten» genoemd—voortsproten. Mocht men in-weerwil van deze opmerking, het aangehaald voorbeeld niet klemmend vinden, dan ben ik bereid ook door het aanhalen van uitdrukkelyke Wetten, staaltjes te leveren van dat liefelyke en voor onze maatschappy in onze dagen zoo byzonder praktisch-bruikbare Romeinsche Recht.
Maar die vuile bron is niet de eenige modderpoel waaruit onze rechtsmannen—uit armoed van geest en luiheid alweer: het navolgen en samenlappen is makkelyker dan 't scheppen!—zich veroorloven te putten. De oorsprong der latere «Rechten» is waarlyk niet van zuiverder aard. Om nu niet stil te staan bij 't boek Levitikus—'n Codex waarin de Jurisprudentie van den «Heer» in hoogsteigen persoon schynt vervat te zyn, en dat dus nog altijd voor 'n groot deel van kracht is—stel ik de vraag, uit welken tyd de ambtelyke Rechtsbegrippen stammen, waardoor de moderne maatschappyen zich laten beheerschen? Onze wetten, en vooral de omslachtige rechtspraktyk, zyn nog altyd gegrond op—of althans, zonder oordeelkundige leiding voortgevloeid uit—de gewoonten, sprookjes, wanbegrippen en vooroordeelen, die voor wysheid doorgingen in de donkerste dagen der middeleeuwen. Ze dagteekenen grootendeels uit den tyd … maar we behoeven zoo héél ver niet terugtegaan. De «Wetenschap van de Rechten» stond reeds, of nòg, of alweer, in vollen bloei, toen de Jurisprudentie van alle mogelyke Hoven zich vermaakte met het biologeeren, gek-maken, betasten, ontharen, wegen, martelen en verbranden van ouwe vrouwtjes. Wat is dat voor 'n Beschaving die zich niet verzet tegen zulke gruwelen, wat is dat voor 'n Wetenschap, die tot zulken onzin de hand leent?[19] Nog dagelyks hooren we Rechters en advokaten zich beroepen op de opinie van personen die gewoon waren 'n groot deel hunner wysheid te zoeken in de ingewanden van 'n vogel, in den stand van 't firmament, of in de wartaal van dezen of genen Heilige. In den Staat der Intelligenz by-uitnemendheid—d.i. Pruisen. Ik moet er dit wel byzeggen, omdat men 't zonder hulp misschien niet raden zou—in Pruisen bestaan nog altyd wetten tegen Gotteslästerung, en ook over de Heilige Maagd mag men zich in dat land niet al te oneerbiedig uitlaten. De heer WENZELBURGER te Delft, die zich in 'n Duitsch tydschrift-artikel aan iets van dien aard had schuldig gemaakt, werd voor 't gerecht geroepen om zich over die snoodheid te verantwoorden. Hy is vrygesproken, nu ja, maar is de vryspraak zooveel minder zot dan 'n veroordeelend vonnis zou geweest zyn? Bovendien, anderen die zich aan gelyksoortige vergrypen schuldig maakten waren minder gelukkig—misschien lieten zy zich «verdedigen» door 'n advokaat—en dagelyks blykt er dat er in dat zoo byzonder- intelligente land rechtsmannen worden gevonden, Doctores Juris, die zich kwasie-ernstig bezighouden met zulke zotterny. Vanwaar zouden zy den moed halen zich zoo bespottelyk aantestellen, indien ze zich niet gedekt waanden door de specialiteit van 't vak? Zoo heeft de fachmässige beoefening van «de Rechten» ten-allen-tyde en overal schade gedaan aan het Recht.
En de heeren juristen weten het wel. Om hun afgodery met jurisprudentie- deuntjes en specialiteiten-sleur te verontschuldigen, te vergoelyken of optehelderen, trachten zy den leek tevreden te stellen met 'n expresselyk ad hoc gekomponeerd ander deuntje: summum jus, summa injuria. Nu, dit is juist wat ik bewyzen wilde. Dit, en dat het tyd wordt aan de zotte heerschappy van dat summum specialiteiten-jus 'n eind te maken. Als hulpmiddel stel ik met gepaste schroomvalligheid voor:
eerbied voor billykheid en gezond verstand te verheffen tot … 'n «regel in rechten» en tot den grondslag der «Jurisprudentie» in 'n beschaafde maatschappy.
MXI.
Sommigen zullen meenen dat ik door in 't vorig hoofdstuk aan de advokatery wyder plaats interuimen dan waarop die ziekte, inverband met het belang van andere onderwerpen aanspraak heeft, in dezelfde fout verviel als die we dagelyks in de geheele Maatschappy zien begaan. Straks zal ik me over dat schynbaar gebrek aan evenredigheid verantwoorden, doch eerst wil ik my eenige oogenblikken bezighouden met de vraag—ik zeg niet: met de beantwoording van de vraag—wie we voor gerechtigd mogen houden tot het uitreiken van diploom als specialiteit?
Bij nauwkeurig onderzoek zal er blyken dat het wantrouwen op de drie kategorien die ik noemde op blz. 72 (hfdst. MVI, n. v.d. tr.) gegrond is. Noch de spontane publieke opinie, noch 'n willekeurig afgesneden brokstuk daarvan, noch 't rechtstreeksch gezag in Lands-of Stadsbestuur, leveren den minsten waarborg dat zulke aanstellingen niet worden weggeschonken aan brekebeenen. Door één hoofdfout worden in nagenoeg gelyke maat die drie kategorien beheerscht. Door deze: dat gewoonlyk, òf rechtstreeks òf langs 'n omweg, aan ònbevoegden 't oordeel over bevoegdheid wordt opgedragen of overgelaten.
De roem van 'n geneesheer, byv.—spontane publieke opinie—grondt zich op de meening van allerlei mensen die niet studeerden in geneeskunde.
De leden van Stads-en Landsbestuur worden gekozen door 'n willekeurig deel van 't algemeen, door personen alzoo, die noch door oefening noch door ondervinding te weten kwamen wat er tot wèl-besturen van Stad of Land vereischt wordt.
Officieele aanstellingen in verreweg de meeste vakken, gaan uit van waardigheidsbekleeders—de par le Roi, alzoo—die in deze vakken vreemdelingen zyn.
Hieruit vloeit de ongerymd voort dat zeer veel specialiteiten hun prestige ontleenen aan 't zelfde beginsel dat alle specialismus voor overbodig verklaart. Om tot het uitoefenen van zekere funktie te worden toegelaten, moet men bekwaam verklaard zijn door personen die òf géén diploom van bekwaamheid kunnen overleggen, òf zoodanig dokument aannamen uit onbevoegde hand. En al ware dit laatste niet rechtstreeks het geval, al bestond de keten waarmee tenslotte de toepassing verbonden is aan 't punt van uitgang, uit eenige schakels méér, byna altyd toch loopt zy uit op onbevoegdheid. Alweder dus bevinden wy ons hier in de buurt der fiktien, der gemakshalve als waar aangenomen stellingen die ten-allen-tyde zooveel kwaads stichtten. Dat zulke punten van uitgang niet geheel kunnen worden gemist, levert geen reden om 't onderzoek naar de stevigheid van den grond waarop men voortbouwt, te verzuimen.
Het is nu eenmaal waar, dat we in de praktyk dikwyls genoodzaakt zijn genoegen te nemen met 'n axioma dat in 't afgetrokkene voor den wysgeer nog altyd bewys noodig hebben zou. In de werkelykheid echter moet men zich vaak—altyd misschien—tevreden stellen met eenige kans op juistheid, en in zekeren zin ligt dat berusten evenzeer in de roeping der wysbegeerte, daar zy wel degelyk verplicht is rekening te houden met het feitelyk bestaande. Het verschil tusschen haar en de onnadenkende praktyk, ligt slechts hierin dat zy—vooral niet minder praktisch dan de «mannen van zaken» gebruik makende van 't bekende en voor wáár aangenomene—voortdurend zich beyvert om door nauwkeurige berekening de kans op waarheid zoo voordeelig mogelyk te maken. De theoretikus weet even goed als de gewone werkman dat er by 't bewerken van materialen iets verloren gaat aan uitdamping, aan spaanders, aan afslag, aan zaagsnee, enz. Ook weet hy dat de kracht, die 'n machine in beweging brengt, niet onverminderd wordt overgebracht op den last. Juist het wèl achtslaan op 't verlies aan tarra en door wryving, maakt 'n voornaam deel van z'n theorie uit. En dit geldt almede omtrent de bruikbaarheid en opportuniteit der gevonden waarheden. Wie by 't berekenen van den inhoud eens cirkels de evenredigheid zou uitdrukken in 'n groot aantal decimalen, ook daar waar de rede 7:22 voor 't beoogd doel voldoende is, zou in zeer veel gevallen evenzeer zondigen tegen wysgeerige waarheid als wanneer-i 'n geheel verkeerde verhouding tot grondslag had aangenomen. Maar nog grover zou de zoogenaamde praktikus dwalen, die z'n benaderings-waarheid wilde toepassen op berekeningen welke door zeer wyde strekking behoefte hebben aan meer nauwkeurigheid dan voor dagelyksch gebruik noodig is. Het zou er slecht uitzien met astronomie, indien afstand, inhoud en loop van hemellichamen werden berekend naar den maatstaf die 'n kuiper gebruikt om te weten hoe groot de bodem wezen moet van 'n vat, welks veelhoekige omtrek door 'n gegeven aantal duigen van zekere breedte bepaald wordt. Maar, zegt men, de kuiper is tot sterrekundige waarnemingen niet geroepen. Dit is waar. Doch wèl is in de zaak die we hier behandelen—onderzoek naar bevoegdheid van specialiteiten—elk lid der Maatschappy geroepen tot beoordeeling van de stevigheid der gegevens, waarop voor 'n groot deel het welzyn van die maatschappy gegrondvest is. Ik wil deze stelling betoogen door 'n voorbeeld uit het dagelyksch leven.
Wie getuige is van 'n beenbreuk, is verantwoord door 't inroepen van de hulp eens heelmeesters, en wel van de eerste de beste persoon die volgens de wet gerechtigd is het vak van heelmeester uitteoefenen. Op dàt oogenblik 'n onderzoek intestellen naar de wys waarop dat diploom verkregen werd, zou zeker heel onpraktisch gehandeld zyn. En … onwysgeerig evenzeer, want wysbegeerte die de eischen der praktyk over 't hoofd ziet, is valsche, d.i. géén wysbegeerte. Maar de zaak verandert van aanzien, wanneer men tusschen twee even naby wonende heelmeesters 'n keus kan doen, of ook als men grond meent te hebben om aan 'n eenigszins verder wonenden chirurg de voorkeur te geven boven 'n kollega die nader in de buurt is. De embarras de choix wordt grooter—en alzoo de beslissing van meer gewicht voor 't geweten—indien de omstandigheden toelaten een keus te doen tusschen 'n ruimer aantal geneeskundigen. Van nòg meer belang is de uitspraak, zoodra er, zonder periculum in mora, moet beslist worden wie in voorkomend geval, onverschillig waar, by wien, of wanneer, gerechtigd is heelkundige hulp te verleenen? Een gebrekkige methode toch in die wyze van bevoegd-verklaring over 't algemeen, werkt organisch-verkeerd, en benadeelt dus allen, terwyl aan 'n ongelukkige keus van geneesheer in byzondere gevallen, slechts de zieken worden opgeofferd die den zoodanige in handen vallen. De «Wetgever» die 'n verkeerd stelsel van bevoegd-verklaring invoert of handhaaft, is verantwoordelyk voor al de nadeelige gevolgen van dat stelsel. Het doet er niet toe, dat het woord «Wetgever» hier niet altyd kan worden opgenomen in strikten zin. By 't in-stand houden van veel onbeschreven vooroordeelen, treedt de Maatschappy-zelf als wetgeefster op, zonder dat men juist bepaalde individuen voor 't verkeerde verantwoordelijk stellen kan. «Men» is … niemand. Maar alle niemanden te zamen genomen oefenen een macht uit, die zeer dikwyls de beschreven Wet in uitwerking teboven gaat. Volkswaan is 'n monster dat in onrechtvaardigheid, wreedheid en zotterny geen grenzen kent, zelfs niet de grenzen der mogelykheid, want … ook 't ongerymde is hem welkom.
Kan dit verschynsel voldoende worden opgehelderd uit het gebrek aan verantwoordelykheid, waarop ik reeds gewezen heb? Neen. Tot die meening zou men slechts mogen overhellen, als men kon aannemen dat andere autoriteiten dan 'n onpersoonlyke volksopinie, wèl verantwoordelyk waren voor hun vonnissen in zake: bevoegdheid. Maar dit is 't geval niet. Een minister die de schuld draagt dat aan onbekwamen 'n diploom wordt uitgereikt, 'n «Wetgever» die deze fout tot stelselmatigen regel maakt, zy beiden zyn evenmin citabel voor 'n rechtbank als «de man op 't kerkhof» en z'n legio kornuiten die zònder ambtelyke roeping 't hunne bydroegen tot vervalsching van de publieke opinie. Wanneer wy alzoo dieper in de zaak doordringen, blykt er dat hier geen tegenstelling plaats heeft, maar 'n treffende overeenkomst, en dat ook in deze zaak alweer gelyke oorzaken gelyke gevolgen hebben. De officieele beoordeelaars van deugd, verdienste, bekwaamheid en bevoegdheid begaan precies dezelfde fouten als die we dagelyks in de ongereglementeerde volksmeening waarnemen. Waarom zou 't «gezag» dat uit die meening voortsproot, z'n oorsprong verloochenen? Dezelfde mensen immers, die aan kwakzalvers den voorrang toekennen boven bekwame geneesheeren, zullen by stemming over de belangen van den geneeskundigen dienst, blyk geven van gelyksoortige voorkeur, en weldra zal men ontwaren dat de zotterny niet veranderd is van aard, doch dat men slechts 't aantal instantien vermeerderd heeft, waarlangs onzuivere indruk en valsch oordeel uitloopen op gebrekkige toepassing. Zoo meent de onkundige dat-i de kracht eener machine verhoogt, of haar werking verbetert, door toevoeging van onnut—en dus schadelyk! —raderwerk.
Deze laatste vergelijking zou kunnen leiden tot de meening dat de niet-gereglementeerde opinie des Volks—d.i. de gebrekkige beweegkracht zonder omslachtige belemmering—toch altyd eenigszins hooger staat dan die welke buiten en behalve de gelyksoortige fout in den oorsprong, nog bovendien de bedoelde instantien doorloopen heeft. Oppervlakkig gezien ware hier alzoo stof te vinden tot verheerlyking van de Vox Dei, waarvan ik op blz. 102 (hfdst. MVIII, n. v.d. tr.) niet veel goeds gezegd heb. Welnu, die spreekwys zou inderdaad eenigen bruikbaren zin hebben, indien er: 1. kans bestond den volkswil zuiver te leeren kennen, en 2. als niet die wil verbasterd was.
Wat het eerste punt betreft, moet men zich tevreden stellen met de opinie van de meerderheid, en er zou iets gewonnen zyn, indien daaromtrent zekerheid te bekomen was. Ik zeg: iets, want véél was 't niet. De waarde van x/2+a-(x/2-a) kan zeer gering wezen, en de heele goddelykheid van den volksstem moest dan in die onnoozele 2a gezocht worden, die by 'n oneven getal stemmen nog kunnen dalen tot de helft van die waarde, zegge: tot één persoon. Herhaaldelyk wees ik op 't fiktieve van deze methode. Maar ze is nog gebrekkiger dan uit deze redeneering schynt voorttevloeien. Zeer dikwyls namelyk wordt de stem van God tot iets als x/2-a - (x/2+a)en alzoo tot negatieve waarde teruggebracht, omdat het zuiver byeenbrengen van de stemmen 'n onmogelykheid is. We hebben hier alzoo te doen met fiktie in fiktie. Eerst moeten we ons de gewaagde veronderstelling getroosten dat vier mensen meer verstand hebben dan drie, om later in twyfel te geraken of we ons in die onjuiste schatting nog verteld hebben bovendien, zoodat zelfs onze konklusie ook dàn zou te-kort schieten als we, 't vechten eens niet overslaande (IDEE 7) haar lieten afhangen van ruw geweld. Ik stem toe dat zoodanige vergissing niet voorkomt in zeer eenvoudige gevallen die zich oplossen in 'n opiniestryd over slechts twee mogelykheden. Maar in de zaken die we behandelen, is dit nooit het geval. De volksmeening is altyd gesplitst in partyen, groepen en onderverdeelingen, waarvan het aantal schakeeringen dat der individuen vry naby komt. De meerderheid waaraan we goddelyke eerbewyzen, bestaat alzoo nooit uit de grootste helft van 't gegeven aantal stemmers, maar God moet zich vergenoegen vereenzelvigd te worden met de minst kleine van de breuken waarin dat getal verbrokkeld is, en dus ook dan wanneer die breuk op verre na de som der overigen niet bereikt. De zaak komt hier neer op de ongerymdheid dat 1/10 meer gewicht op de schaal brengt dan allerlei breuken met hooger noemer, die te zamen 9/10 bedragen. Wanneer een-en-twintig personen 'n keus te doen hebben tusschen twintig opinien, dan moet noodwendig één van die opinien worden aangekleefd door minstens twee personen. Deze twee vormen alsdan 'n meerderheid tegenover de negentien anderen, in-geval deze negentien over de overschietende meeningen gelykelyk verdeeld waren. In zoo'n geval zou Gods wil slechts voor 2/21 door den wil des Volks zyn uitgedrukt, en de Duivel zou zich in de nogal aanzienlyke meerderheid van 19/21 te verheugen hebben.
En by dat alles lieten we nu nog de zonderlinge rekenfout buiten spel, die ik meen voldoende toegelicht te hebben in den eersten bundel myner IDEEN. (121 en 133).
De uitvinding van 't zoeken naar «volstrekte meerderheid» by herstemming, levert 'n nieuwe fiktie, nieuwe ongerymdheid. Om de verbrokkeling van stemmen tegen-tegaan, en den schyn te leveren alsof we werkelyk met 'n meerderheid te doen hadden, wordt het aantal meeningen waarover beslist moet worden, ingekrompen tot twee mogelykheden. Deze methode kan leiden tot verschynselen als die welker ongerymdheid in 't hier volgend voorbeeld wordt gekenschetst. Gesteld dat twintig personen te kiezen hebben tusschen twee-en-twintig opinien, en dat twee dezer opinien respektievelyk door twee personen worden voorgestaan, dan blyven er achttien personen over wier meeningen over de resteerende achttien mogelykheden kunnen verdeeld zyn. Dewyl er in dit geval niet verkregen is wat men heeft gelieven te doopen met den naam van «volstrekte meerderheid» dwingt men die achttien stemmers party te kiezen voor een der beide meeningen die zich in twee aanhangers mochten verheugen. Van waarheid en juistheid is hier alzoo weer geen spraak. De achttien slachtoffers hunner verdeeldheid worden gedwongen tot medeplichtigheid aan leugen, en de uitslag der stemming die straks zal worden verkondigd is 'n onvervalschte naklank van 't wetgevend onweer op Sinaï, was niets dan 'n armzalig faute de mieux. Wie de meening x, y of z van ganscher harte is toegedaan, werd gedwongen 'n keus te doen tusschen a en b, al ware het ook dat z'n inzichten op staatkundig of godsdienstig gebied hem voorschreven de eerste letters van 't alfabet teverafschuwen. Hy mocht niet stryden voor wat hem voorkwam goed te zyn, maar moet z'n invloed besteden aan de bevordering van iets dat-i voor verkeerd houdt, om in 's hemelsnaam te ontwyken wat in zyn oog nòg verderfelyker wezen zou. Ziedaar alzoo de «stem van God» onderworpen aan 'n belemmering die ons van allen eerbied voor haar heiligheid ontslaat.
By deze aantooning der onnauwkeurige werking van ons kiesstelsel heb ik me tot het allereenvoudigste bepaald, tot opmerkingen die onder de bevatting vallen van elken lezer, en slechts voor-zoo-ver de eisch van m'n betoog meebracht. Wie dieper in de zaak wil doordringen—of, juister uitgedrukt: in een gegeven kant der zaak—wordt verwezen naar 'n zeer belangryke wiskundige studie van den heer D.I. KORTEWEG, in het Journal des Actuaires français[20] t. III, 1874: «Réflexions, calculs et solutions particulières à propos du calcul des probabilités sur les votes. Er is evenwel, om de wetenschappelyke en de praktische strekking van dat werk te beoordeelen, meer wiskunstige voorbereiding noodig dan waartoe ik tot-nog-toe in de gelegenheid was. Waarschynlyk verkeeren sommigen myner lezers in 't zelfde geval, doch ieder kan er uit leeren—en dit is hier hoofdzaak—dat de Vox Dei heel ònalmachtig onderworpen is aan de wetten der waarschynlykheidsrekening en dus 't recht niet heeft hooger toon aanteslaan dan de Aard der dingen toelaat.
Doch dit alles geldt nog slechts de methode volgens welke men tracht tot de kennis van die fameuze Volksstem te geraken. Hoeveel treuriger nog is de uitslag van 't onderzoek, indien we achtslaan op de wyze waarop die volks-meening ontstaat. Ze is verwrongen, vervalscht, bedorven, en zou voor den denker niet het minst gewicht in de schaal leggen, ook al bestond er kans tot het vormen of leeren kennen eener niet-gefingeerde meerderheid. Op het gebied der begrippen geschiedt de voortplanting naar vaste wetten die—behoudens de uit den aard der zaak voortkomende verschillen—vry-wel overeenkomen met de regels die wy in de afstamming van planten en dieren waarnemen. Niemand verwondert zich als-i bemerkt dat uit het zaad eener vrucht 'n boom spruit van dezelfde soort als die waarvan de vrucht geplukt is. Dat ook hierin door bykomende oorzaken afwykingen kunnen plaats hebben—afwykingen die toch evenzeer als de hoofdregel-zelf op vaste wetten berusten—mag ons niet doen voorbyzien dat hoofdwet en afwyking beide van volle toepassing zyn op de geschiedenis der begrippen, meeningen en vooroordeelen, ja zelfs op de waggelingen van den smaak. We hebben echter in dit betoog hoofdzakelyk met den regel te doen. Volgens dien regel kan men zich verzekerd houden dat er fouten worden gebaard door fouten, en wel gewoonlyk gelyksoortige. Het meer of min plotseling overspringen van de ruimte die twee uitersten van elkander scheidt—reaktie—mogen we nu buiten spel laten. Ook dat overspringen, die meestal onverwachte terugslag—veel geregelder- periodiek dan men gewoonlyk meent—is een gemakkelyk te verklaren gevolg van den aard der dingen. De slinger, nu eenmaal niet kunnende stilstaan, moet wel door 't loodpunt heen naar de tegenovergestelde zyde zoodra hy aan den anderen kant de grens van z'n bewegingsvermogen bereikt heeft. Dat veranderen van richting vereischt slechts een oogenblik, 'n tydstip. Maar de beweging-zelf heeft 'n aaneenschakeling van oogenblikken noodig, die een tydperk vormen. Met zoodanig tyds-verloop hebben we by 't beschouwen der wording en voortplanting van volksmeeningen te doen, en de in zulke perioden voortgebrachte wanbegrippen zyn gelyksoortig met hun oorsprong. Dezelfde fouten alzoo die 'n Volk verleiden tot mistasten in de keus van z'n voorgangers, zullen het den verkeerden weg opdryven zoodra er moet worden uitspraak gedaan in vraagstukken van wetenschappelyken, socialen of zedelyken aard. Aannemende dat het denkbeeld a zekere dwaling vertegenwoordigt en dat de persoon A daaraan z'n verheffing te danken heeft, dan is de voortplanting van 't ongelukkig a-begrip—natuurlyk altyd slechts tot op 't oogenblik vanterugslag!—op 'n goeden weg, en de A-dynastie zit voor langen tyd op troon of kussen. Over eenigen tyd—dagen, maanden, jaren, eeuwen, al naar de oorzaken die de perioden der slingerbeweging bedingen—verwondert men zich over het taai bestaan van meeningen die de naneef voor niet levensvatbaar houden zou indien niet de Geschiedenis hem leerde dat men wel werkelijk in zekeren tijd zoo dwaas geweest is! Vindt men deze opmerking banaal, afgezaagd tot vervelens toe? Ik erken dat ze dit is, maar vraag waarom we dan dien naneef zooveel stof leveren om op onzen tijd met minachting neer te zien? Waarom zoo … middeleeuwsch berust in verkeerdheden welker verbetering slechts wacht op de toepassing der voorschriften van 't gezond verstand? Ook die stompzinnige berusting komt me banaal voor. Erger dan dat, ze is onverantwoordelyk.
Maar … wie zal beslissen welk verstand voor gezond mag worden gehouden? Wat is gezond verstand?
Dergelyke vragen zyn te voorzien, en ik hoop ze in 'n volgend hoofdstuk te beantwoorden op 'n wyze die voor ons tegenwoordig doel voldoende is. De lezer houde my ten-goede dat ik hem by die gelegenheid niet onthaal op akademisch-onverteerbare bespiegelingen over «Kritik der reinen Vernunft» en dergelijke valsch-wysgeerige school-praat. Ik veronderstel dat hy zich daarmede niet ophield sedert de dagen zyner kindsheid, toen hy onthutst, angstig en onnoozel naar z'n spaarpot ylde, als 'n sprookjesverteller z'n verhaal gesloten had met de vreeselyke epiloog: «wie 't niet begrypt betaalt 'n duit!»
Ik zou 't billyker vinden die duitenbelasting opteleggen aan 't volkje dat onbegrypelyke praatjes voor wysbegeerte uitgeeft, en aan hen die kwakzalvery in de hand werken door zich als verzadigd aantestellen na 't nuttigen van 'n schoteltje draderige spitsvondigheid.
MXII.
De vraag wie over de welvarendheid der respectieve verstanden beslissen zal, heeft meer schynbare waarde in hoedanigheid van debatkunstje—ook als zoodanig trouwens sedert lang tot op den draad versleten!—dan gewicht in 'n betoog waarin naar Waarheid gestreeft. Op 't verstand van hen die meenen blyk van verstand te geven door voor-te wenden dat ze geen verstand hebben van gezond verstand, wenscht geen verstandig mensch invloed uitteoefenen. Wie er vermaak in schept zichzelf voor krankzinnig te houden, mag 't doen. We geven hem volkomen gelyk. Maar ik spreek in dit stuk tot volwassenen wier geest behoefte heeft aan 'n àndere soort van uitspanning. Van de zoo-danigen verwacht ik dat ze zich ontdoen van den leiband waaraan sedert eeuwen—misschien moest ik zeggen: sedert het bestaan van den Mens—het denkvermogen der menigte is vastgehecht. Wie de zuiverheid van den menselyken geest wantrouwt—er is reden toe!—wie ernstig zoekt naar 'n kriterium van gezond verstand in 't algemeen, van z'n eigen denkvermogen, in 't byzonder—best!—beginne met het gebruiken en oefenen van dat denkvermogen, en voor alles afstand van 't gevaarlyk gemak dat hy putte uit de aanbidding der … weleens heel òngezonde verstanden van anderen. Men behoort uit eigen oogen te zien, en niet voetstoots aantenemen wat deze of gene vakman, al te boud steunende op onze leeken-onkunde voor waar, goed, bruikbaar of zelfs heilig gelieft uitteventen. Zoudt ge alle onderzoek naar de pryswaardigheid van 'n dozyn hemden overbodig achten, indien de verkooper Spécialité de chemises op z'n uithangbord geschreven had, of pronkte met 'n koninklyk wapen?
«Maar, zullen hier sommigen zeggen, tot dat «zelf-oordeelen» is kennis noodig!» Voorzeker. En hierover bedroeven wy ons niet. Juist het tegendeel zou treurig wezen, daar 't streven naar kennis onze roeping is, en de onmisbare voorwaarde van 't benaderen der volmaaktheid. Wat zou er van de Mensheid worden, indien gebrek aan kennis tot geluk leidde, of zelfs indien niet de drang tot het Weten en Kennen ons bestaan verzekerde? (Vgl. IDEE 517.) Zeker, zeker, tot het wel beoordeelen der waarde van vakmannen is kennis noodig! Verwondert men zich over dezen eisch? Ik herinner me niet, ooit op onkunde en onwetendheid te hebben aangedrongen, wat dan ook den ontwikkelden lezer 't recht zou gegeven hebben geen acht op m'n woorden te slaan. Doch juist hierom ook mag men 't nòch vreemd vinden nòch euvel duiden, dat ik op 't vermeerderen onzer kennis aandring, en vooral op den moed om die in toepassing te brengen by 't beoordeelen der personen die ons als uitnemend-bekwaam in een of ander vak worden voorgesteld of opgedrongen.
Een andere vraag is of niet de maat en de veelsoortigheid van kennis die hier vereischt wordt, soms de kracht en de gaven van den leek kunnen te-boven gaan? Dit is ongetwyfeld dikwyls het geval, wanneer men telkens en zonder byzondere aanleiding z'n beoordeeling van de waarde eener specialiteit tot elk onderdeel van z'n vak zou willen uitstrekken. Maar 't bezwaar verliest z'n gewicht wanneer men de ernstig-onderzoekende aandacht vestigt op het onderwerp in 't algemeen, en voor-zoo-ver tot bereiking van 't beoogd doel—hier bevordering van zedelyk en stoffelyk welzyn—noodig is. Wie dezen grondregel met eerlyke omzichtigheid toepast, zal weldra weten waaraan hy zich te houden heeft in 't beoordeelen ook van die zaken welke men te spoedig als «buiten ons bereik liggend» beschouwt. Zeer gelukkig gaat ook hier alweer 't welbegrepen belang hand-aan-hand met zedelyk en verstandelyk plichtsbesef. Het is ons niet geoorloofd schade te lyden door 't huldigen van kwakzalvery, en de mondigheid van oordeel waarnaar we daarom streven, wordt verkregen door de eigenaardige gymnastie van 't gemoed, waarin de ware poëzie bestaat. Ik bedoel de poëzie der werkelykheid die zich oefent in 't samenvatten en oordeelkundig behandelen van àl de gegevens die ze kan machtig worden. De hiertoe noodige arbeid is … niet meer of minder dan onze geheele levensbestemming, hy is ons leven-zelf! Wie dezen eisch te zwaar vindt, zou z'n eigen doodvonnis uitspreken. Dit geschiedt evenwel zelden of nooit, want wat ik hier voorstel als wenschelyk, zien we dagelyks meer of min—hoe gebrekkig dan ook, en veelal onbewust—in practyk brengen. Vanwaar anders 't verschynsel dat millioenen leeken zich veroorlooven RAFAEL en REMBRANDT voor uitstekende kunstenaars te houden, BEETHOVEN en MOZART voor «muzikale geniën?» Waarom durven duizenden verzekeren, dat de onfeilbaarheid van den Paus 'n zotterny is? Anderen weer, dat de zaligheid slechts kan verkregen worden door 't geloof in Jezus Christus? Waarop grondt zich de meening dat de Turksche finantiën slecht beheerd worden, en dat de staatkunde der Engelschen … dit of dat is? Is het te veel gevorderd als we eischen dat zy die den moed hebben tot zùlke oordeelvellingen, en dus op 'n niet geringen graad van kennis aanspraak maken, zich ook verstouten achter de schermen te zien by tooneelvoorstellingen van meer dagelykschen aard, en dat ze vryheid nemen om de geloofsbrieven te onderzoeken, waarop specialiteiten van veel lageren rang dan de zoo stoutmoedig beoordeelden zich beroepen? De vrees tot dit laatste niet gerechtigd te zijn, moge zweemen naar bescheidenheid, ze komt in den grond op traagheid en lafhartigheid neer, en zet 'n wyde deur open voor bedrog. Er bestaan nog andere redenen om die vrees te veroordeelen. Vakmannen die tegen 't oordeelkundige toetsen hunner bevoegdheid protesteeren, zyn verdacht. Waarom zouden we schromen het ongenoegen van dezulken optewekken? En zy die werkelyk op de hoogte staan van de hun opgedragen betrekking of den roep die van hen uitging, zullen dankbaar zyn aan den scherpzinnigen en eerlyken leek die hen wist te onderscheiden van minder waardige kollegaas. Het komt me bovendien voor dat de beoefenaars eener bepaalde afdeeling van kennis, kunst of wetenschap, die den leek 't recht ontzeggen 'n ongunstig oordeel over hun bekwaamheid uittespreken, tevens afstand behoorden te doen van den lof uit den mond van anderen die ze voor even onbevoegd moeten houden, en welken zy zich toch gewoonlyk nogal gewillig laten aanleunen.
Moet ik hier byvoegen dat ik geen party trek voor onbekookte oordeelvellingen, voor plompe boersche ongemotiveerde kritiek? Ik ben zoo vry naar de regels in Vorstenschool te verwyzen, waarin op blyken van rypheid wordt aangedrongen, op 't bewys dat de beoordeelaar gewerkt heeft, en naar zeer veel plaatsen in m'n werken, waar arbeid wordt voorgesteld als graadmeter van moraliteit. Bij 't ontleden van dezen eisch zal er blyken dat goede trouw en welwillendheid—dit woord in stipt letterlyken zin genomen, en niet opgevat als bonhomie—zullen samengaan met de noodige kunde, Het mede-ondergaan der lydensgeschiedenis van den voortbrenger[21] stelt ons niet alleen in-staat het voortgebrachte met zaakkennis te beoordeelen, maar voert ons tevens op tot de zedelyke hoogte die 'n kritikus behoort intenemen om z'n woorden ingang te verschaffen, en zelfs om hem die woorden in den mond te leggen. Hy moet in-staat zyn den beoordeelde te doen gevoelen dat-i zich niet ophoudt … met «praatjes». Wie deze aan de pleitzaal ontleende uitdrukking niet fraai vindt kan gelyk hebben. Hy mag ze vervangen door de stelling dat de leek die specialiteiten beoordeelt, zorgen moet blyk te geven dat hyzelf met eerlyke inspanning zich trachtte te maken tot 'n specialiteit in begrip.
* * * * *
Nogeens terug naar de vraag of 't wèl beoordeelen van zekere specialiteiten misschien de krachten van den oningewyde zou kunnen te boven gaan? Oningewyd? In wat? In de eenvoudigste regels van 't gezond verstand toch niet? Indien de specialist dit veronderstelt, is hyzelf in de eerste plaats te beklagen, daar-i dan z'n gaven slechts ten-bate van onwaardigen gebruiken kan, waaruit voortvloeien zou dat de hem toegekende waarde in omgekeerde rede tot z'n verdiensten staat. Er ware dan aanleiding tot iets als de volgende redeneering: «X, als schilder, bijv. arbeidt voor 'n publiek dat geen verstand van de schilderkunst heeft. Dat publiek vindt smaak in zyn werk, en vereert hem als specialiteit in 't vervaardigen van schoone stukken. Daar na de lof die X inoogst, hem wordt toegekend door onkundigen, heeft ze òf geen waarde, òf ze bewyst dat X 'n slecht schilder is. «Zoo zonderling mag en zal X niet redeneeren, en hy behoort alzoo afstand te doen van 't uitvluchtje dat leeken onbevoegd zyn tot het beoordeelen van zyn werk. In dit byzonder geval zou zelfs de eisch van gegrondheid in die oordeelvellingen niet meer te-pas komen, daar de kunstenaar om niet omtekomen van gebrek, volgens sommigen wel verplicht is z'n arbeid naar den smaak van dit goed of verkeerd oordeelend publiek interichten. In-hoe-ver dit waar, wenschelyk, geoorloofd of … mogelyk is, laat ik nu daar. Het behoort niet tot m'n onderwerp.
Is de leek omdat hy leek is onbevoegd om aanmerkingen te maken op zaken die onder 't begrip vallen van elken welgeschapen mensengeest? Ten wiens behoeve ontsteken dan professers en specialiteiten hun licht? Moet men juist lantaarnopsteker zyn om 't recht te hebben over duisternis te klagen? Is er 'n aanstelling tot kok noodig voor men weigeren mag aangebrande of uitgekookte spys welsmakend en voedzaam te vinden? Er zyn koks en lantaarnopstekers die deze leer wel zouden willen gepredikt zien, maar juist omdat ik daarover anders denk, schreef ik dit boekje. Kom, lezer, help me wieden! Waarlyk, de zaak is niet zoo moeielyk als sommigen u willen wys maken. Ge zult toch niet mogen erkennen dat myn aanmerkingen op de kunde in letters die op onze scholen voor Letterkunde wordt uitgegeven, uw bevatting te boven gaan? Ge meent toch niet dat er 'n diploom als «Doctor» in die «Letteren» noodig is om te walgen van romannetjes die geen andere aanspraak kunnen maken op oorspronkelykheid, dan dat de schryver 't Hollandsche «toen» in 't Duitsche «als» overzet, en de tyden van 'n werkwoord op de ongerymdste wyze door elkaar haspelt?[22] Zou er diepe studie in harmonieleer vereischt worden om optemerken dat er zooveel dieven zyn onder de hedendaagsche toonzetters die hun onhandig- saamgelapte reminiscentien van oude meesters brutaalweg uitgeven voor eigen werk? Mag 'n man die geen militairen rok draagt—ik zeg: 'n man —zich niet ergeren wanneer hy verneemt dat honderdduizenden gewapende mannen als weerlooze schapen zich overgaven aan den vyand? Moet men juist 'n schoolkursus in «krygskunde» hebben meegemaakt om 't vreemd te vinden dat MAURITS en SPINOLA zoo weinig smaak vonden in elkanders omgang, blykbaar uit de hardnekkige nauwgezetheid waarmee ze de hoofdeigenschap van evenwydige lynen poogden natebootsen?[23] Moeten we wachten op 'n aanstelling tot Haagsch bureelkommies voor we ons mogen verwonderen over 'n minister van finantien die niet weet wat de funktien —en de belangen!—zyn van 'n administratiekantoor dat met de uitgifte eener geldnegotie belast is?[24] Of over z'n kollega—finantiespecialeit by-uitnemendheid!—die alarm blaast over honderd-en-dertien zoek geraakte millioenen, zonder in-staat te zyn z'n bewering te staven?[25] Is 't alleen den jockey van 'n legatie-sekretaris geoorloofd, verontwaardiging te voelen over de knutselarytjes van de Schouwalows, Ignatiefs, Salisbury's, Disraeli's en verder volkje van die soort, dat zich door de kranten «Staatslieden» noemen laat, in den grond evenwel slechts 'n bende effektenschacheraars is, en als zoodanig nog valsche spelers op den koop toe, daar zyzelf beschikken over 't ryzen en dalen van den koers? Mag alleen zoo'n jockey ingewyd zyn in de nietswaardigheid van compérage-kongressen die, onder voorwendsel van twistbeslechting, de melkkoe in 't leven houden welke men in 't politiek bargoens doopte met den naam van «oostersche kwestie?» Moet men scheepsjongen, teekenaar by 'n hydrograaf, of bewoner van Sumatra's Westkust wezen, om de moessoens te kennen waardoor de noordelyke reeden van die kust onveilig worden gemaakt in 't derde vierendeel des jaars? Om beter te weten alzoo dan zy die 't weten moesten en blyk gaven dat ze 't niet wisten, dat men tot het uitzenden van oorlogs-expeditien in die gewesten, gunstiger saizoen behoort te kiezen?[26] Is er 'n byzondere opleiding tot kamerbewaarder of parlementslid noodig, om met minachting op onze volksvertegenwoordiging neertezien? Wordt er paedagogiek vereischt tot het besef dat een Onderwyswet … 'n Wet is, en dus met Onderwys als zoodanig niets goeds kan hebben uittestaan? Of, lezer, wilt gy eerst uw vrouw zien vermoorden door 'n Specialiteit in Verloskunde, voor ge 't recht meent te hebben wraak te roepen over den accoucheur die—behoorlyk voorzien natuurlyk van 'n diploom als Doctor in de Obstetrie!—de kraamvrouw die hy verlossen zou, by 't verwyderen der placenta … totum eripuit uterum? De ellendeling die dezen gruwel bedreef—'t geschiedde eenige jaren geleden te Rotterdam—heeft zich uit de voeten gemaakt, maar de fakulteit die hem diplomeerde, is nog altyd daar om de Maatschappy van specialiteiten in Verloskunde te voorzien.