WeRead Powered by ReaderPub
Specialiteiten cover

Specialiteiten

Chapter 15: MXIII.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

A collection of satirical essays and sketches interrogates the commonplace idea that placing the right person in the right post alone ensures good governance, arguing that clichés and fashionable jargon conceal deeper institutional flaws. Through wry portraits of complacent officials, critiques of referees and the press, and observations on shifting buzzwords, the author exposes social hypocrisy, bureaucratic mediocrity, and the moral laziness of public opinion. The pieces blend polemic, anecdote, and stylistic play to urge clearer judgment and more honest civic conversation.

* * * * *

Is 't met ons Rechtswezen beter gesteld! Ik heb gezegd my te zullen verantwoorden over de ruimte die dat treurig onderwerp hier inneemt. Helaas, 't moet wel! Zou 't ons niet vergund zijn, lezer, by mangel aan speciale kennis van de «Rechten»—ongelukkigen die we zyn!—aanmerking te maken op vonnissen waarin onhandigheid en onkunde worden aangenomen als verontschuldiging van poging tot moord? Moet men dan juist «Meester» in allerlei soorten van «Recht» wezen, om zulk Onrecht bespottelyk en infaam te vinden? En de dwaasheden die in de zaak van 't echtpaar JUT werden ter-markt gebracht[27] moeten ze voor extrakt van wysheid worden gehouden door ieder die niet de eer heeft «jurist» te zyn? Maar, eilieve, 't zijn immers juist juristen van wie al die zotterny uitging, en 't is waarlyk niet van hèn te verwachten dat zy de afschuwelyke verbastering van rechtsbegrippen waartoe hun speciaalstudie geleid heeft, zullen erkennen, gispen en brandmerken, veel minder nog dat zy de hand zullen uitstrekken tot genezing eener kwaal waarmee ze zyn opgegroeid, en die ze lief kregen als bron van aanzien en welvaart. Het verzet moet immers wel uitgaan van den leek, van den opmerkzamen, niet tot scheefzien afgerichten beschouwer die ongaarne gevaar loopt z'n dierste belangen overgeleverd te zien aan de beslissing van mannen uit dezelfde school als waaruit rechters voortkwamen die zulke vonnissen begingen, advokaten die zich schuldig maakten aan zulke pleitery? Hoe kan 'n burger van den Staat vertrouwen stellen in de toegezegde veiligheid van personen en goederen, wanneer hy dagelyks 't oordeel over Recht en Onrecht ziet opdragen aan personen, wier rechtsgevoel tot in 't monsterachtige werd verwrongen door zeer speciale studien in ongerymdheid? Welken grond heeft de bewering der advokaten, dat ze verdedigers zijn van «weduwen en wezen,» van «verdrukte onschuld» enz.,[28] wanneer elke verdrukte weduw of wees, die in rechten wordt aangevallen, haar bespringers dapper ziet bystaan door … 'n advokaat? Welke slotsom moeten we halen uit de opmerking dat we na sedert drie eeuwen leerstoelen voor studie in de «Rechten» te hebben gehad, nog altyd niet in 't bezit zyn van 'n oorspronkelyk-inheemsch, met den aard en de behoeften des Volks overeenstemmend Wetboek? Dat het uitleggen van de Wet—die helder als kristal wezen moest!—'n winstgevend beroep is?[29] Wat hebben we van die uitlegging te verwachten, wanneer de jongelui die als volleerde «juristen» aan de Maatschappy worden afgeleverd, zich maar zeer zelden duidelyk en korrekt weten uittedrukken? Taal en styl van onze rechtsmannen zyn gewoonlyk ellendig, en ver beneden 't peil waarop 'n hulponderwyzer behoort te staan om geen gek figuur te maken by z'n kollegaas of zelfs in de school. Men meene toch niet dat dit byzaak is. Het kan niet te dikwyls herhaald worden dat zuiverheid van uitdrukkingen—ook vooral omdat daartoe veel arbeid vereischt wordt—'n kenmerk is van moraliteit. Wie zich niet bekommert over de juistheid van 'n woord, geeft blyk van onverschilligheid voor de zuiverheid zyner denkbeelden, en neemt het dus niet zeer nauw in 't onderscheiden van goed en kwaad. In dit opzicht vooral is 't poëtiek samenvatten van schynbaar ongelyksoortige gegevens van toepassing, dat ik (blz.106, 107) (hoofdstuk MVIII, n. v. tr.) als hulpmiddel tot ontwikkeling van ware zedelykheidsbegrippen voorstelde. «De taal is gansch het Volk» is er gezegd. Wel zeker! De geheele Mens kan beoordeeld worden naar de moeite die hy zich geeft om z'n woorden tot den zuiveren spiegel zyner gedachten te maken, en deze opmerking dwingt ons tot medelyden met ieder over wiens wel of wee door mannen van de Wet moet beslist worden, tot deernis vooral met «Weduwen en Weezen» die beklemd raakten onder de bescherming van zekere advokaten. Rechtbanken, parket en pleitbezorgers … komen, om niet alleen te staan met m'n ongunstige meening over die specialiteiten, wil ik ditmaal eens m'n opinie behandelen als 'n verdrukte weduw. Ik stel haar onder bescherming van wetmannen, van … alle advokaten die ooit 'n proces verloren, van alle publieke-ministerien die zich door pleiters en rechtbanken behandeld zagen als 'n overvragend marktwyf. Hoe is 't oordeel van die heeren over de rechtbank die maar niet tot besef te brengen was van 't «Recht» dat zy verdedigden, van de gegrondheid hunner «Eischen?» Welken indruk maakt het op den advokaat die by A of B zweert—de man méént het, want hy zegt er uitdrukkelyk by dat-i dezen keer eens geen «praatje» verkoopt—wat heeft hy te denken van de Rechtenkennis—en de eerlykheid!—zyns tegenstanders die z'n leven te-pand geeft—liever: z'n advokateneer: niemand moet meer wagen dan-i zonder schade missen kan!—voor de gegrondheid zyner meening dat de zaak in kwestie X, Y of Z heet? Ook die tegenstander houdt zich niet met «praatjes» op—godbewaarme!—en van weerskanten is de goede trouw van den geachten confrère boven allen twijfel verheven. Ligt de schuld dan aan den rechtsprofessor die—in oogenblikken van Romeinsche distraktie, zeker—meer dan één «Recht» tegelyk gedoceerd heeft? Of had misschien een der advokaten z'n studien gemaakt vóór, en de ander nà de dagen toen de:

«doode kennis (?) van de uitspraken van het Romeinsche Recht vervangen was door de herleving van de Romeinsche methode van rechtsvorming en rechtsbeoefening, en toen het niet alleen de vraag werd wat recht is geworden, maar inzonderheid hoe het recht ontstaan is?»

Volgens het stuk, waaraan deze aanhaling ontleend is, worden sedert eenigen tyd—juicht, verdrukte weduwen!—de leerlingen in rechtskennis niet meer gevormd:

«naar het model van oude elegante rechtsgeleerden, die er hun werk van maakten om de rechtregels van hun tyd door geleerde aanhalingen, door byzonderheden uit de Latynsche schryvers op te sieren, zonder over 't wezen der zaak iets meer licht te verspreiden.»

Er schynen alzoo volgens den schryver van die regelen—in vroeger tyd natuurlyk!—inderdaad rechtsgeleerden geweest te zyn die geen licht verspreidden. Wel jammer dan van al de studien dien ze ten-koste legden aan duisterheid. En niet heel aangenaam ook voor kliënten die er weleens belang by hadden dat hun zaak tot helderheid werd gebracht, en daarvoor betaalden. Gelukkig echter dat men van methode veranderd is! Die heuchelyke ommekeer heeft plaats gehad … niet by de stichting van Rome, lezer. Ook niet by de oprichting der Leidsche akademie, maar … weinig jaren geleden eerst, en wel by de benoeming van den heer GOUDSMIT tot hoogleeraar. We moeten dus aannemen dat de duizenden juristen welke onder 'n vroeger gehuldigd stelsel werden uitgebroeid, zich met «doode kennis» behielpen en hun verdrukte weduwen in 't donker lieten zitten. Thans evenwel, na dien heuchelyken ommekeer, onderzoekt men … wat Recht is, meent ge? Eisch toch 't onmogelyke niet, onbescheiden leek! Men zal voortaan onderzoeken «hoe 't Recht geworden is»—wel verbazend!—«en hoe de Romeinen … maar genoeg daarvan.[30] We waren bezig met die twee advokaten wier «studien» misschien dagteekenden van zóó onderscheiden tydperken dat ze tweeerlei begrip opdeden van Recht tweeerlei sleur van rechtspraktyk. De een gebruikt «elegantie» met «doode kennis» terwyl de ander volgens de nieuwe methode zich liever bezighoudt met … met … wie zal ons zeggen waarmee! Ik kan er waarachtig niet uit wys worden! En dit behoeft ook niet, als we maar inzien dat die twee heeren niet zeer veel méér eerbied dan ik kunnen hebben voor elkanders juridische rechtgeloovigheid en dus kostbare getuigen zyn in m'n aanklacht tegen het «vak» dat zy als specialiteiten vertegenwoordigen. De advokaat die 't zeldzaam voorrecht genoot ridderlykheid in JUT te ontdekken, moet woedend zyn over 't lasterlyk vonnis waarin z'n held wordt uitgemaakt voor 'n tuchthuisboef. En—nòg meer bondgenooten!—de rechters die KRISTIEN niet beminnelyk genoeg keurden om de Maatschappy langer door haar tegenwoordigheid te versieren, kunnen onmogelyk gunstig oordeelen over de bekwaamheid—of de integriteit?—van den advokaat wiens advies luidde dat men die dame met rust moest laten.

* * * * *

Voor heden goddank genoeg van de juristery, schoon 't onderwerp ver van uitgeput is. M'n verantwoording over de onevenredig-groote plaats die ik aan dat onderwerp inruimde, ligt in de uitgebreidheid en 't gevaarlyke van de kwaal. Ik moest den lezer opwekken en den weg wyzen tot het berekenen der gevolgen die ze na zich sleept. Hy houde daarby vooral in 't oog dat de onzedelyke verwringing van rechtsgevoel die door de hier behandelde specialiteiten fachmässig beoefend wordt, zich geenszins tot eigenlyk-gezegde rechtszaken bepaalt. De zieke dringt ongehinderd, jazelfs onder bescherming van 'n gunstig vooroordeel tot schade van allen, in Lands-en Stadsbestuur door. Niet het minst, helaas, strekt ze ten-verderve van 't zoo misdadig-verslonst INSULINDE! Door kooplieden, zeelui en krygsvolk werd het gewonnen … door advokatery zal 't voor Nederland verloren gaan: de Van Twisten hebben eer van hun werk! Parasieten van die soort nemen alle eereplaatsen in, matigen zich alles aan, voeren overal 't hoogste woord, dringen zich overal op, maken zich van alles meester. Het wemelt in alle vergaderingen en korporatien van juridische beunhazen in bitjara kossoeng, die maar al te gemakkelyk met hun «Romeinen» en hun «elegantie»—och arm!—toehoorders en Volk in den waan brengen dat zy iets degelyks te-koop veilen. Het algemeen belang, altyd samengaande met ware zedelykheid, eischt dat daaraan 'n eind kome, of althans dat er perken worden gesteld aan 't dóór-kankeren eener kwaal welker naam aldus geschreven wordt: specialiteit in 't prostitueeren van Waarheid Recht, en … Volksbelang!

Mochten wellicht sommige advokaten met dit hoofdstuk niet tevreden zyn, ik smeek om een genadig vonnis. De heeren gelieven te bedenken dat ik nooit in doode kennis studeerde, en dus wel beschouwd het rechte verstand niet hebben kan van een vak dat sedert de benoeming van den heer GOUDSMIT zoo loffelyk achteruitging in Romeinsche elelantie.

MXIII.

Sommigen zullen 't misschien vreemd vinden dat ik tot-nog-toe één soort van specialiteiten met stilzwygen voorbyging, die meer dan alle anderen een nadeeligen invloed uitoefenen op de geheele Maatschappy. Ik bedoel de mannen die 't precies-weten van de dingen welke zyzelf erkennen niet te begrypen, tot hun «vak» kozen, de specialiteiten van 't «Geloof.» Het kwam me voor, dat ik ditmaal die heeren mocht overslaan, gedeeltelyk omdat ik op zoo véél plaatsen van m'n werken op 't schadelyke van hun invloed gewezen heb, doch hoofdzakelyk omdat de eigenaardige kleur der godkundige bespiegelingen zóó heeft afgeverfd op het denkvermogen van de menigte, dat men stiptgenomen—en vooral met het oog op de definitie die bladz. 19 (hfdst. I, n. v.d. tr.) versiert—de verkondigers van goddelyke dingen niet onder de rubriek Specialiteiten rangschikken mag. Wat 'n professor of doctor in de H. Theologie eigenlyk leeraart, is my 'n raadsel. Zyn niet al z'n hoorders even goed als hyzelf doorkneed in de dingen die hy te vertellen heeft? Zóó meende ik altyd, en de kornuitjes van juffrouw LAPS die zich niet ontzien hun dominees duchtig op de vingers te tikken, zyn gewis van myn gevoelen. Wel verneem ik nu-en-dan dat er … 'n nieuw licht ontstoken wordt, waarmee men de donkere mysterien zal helder maken die sedert de «Openbaring» schitterden van duidelykheid (zie byv. IDEE 271) maar iets nieuws, iets ongekends kan toch, denkt me, niet geleverd worden op 'n gebied waar men den gewonen sterveling z'n wuftheid verwyt, noch in 'n wetenschap—noem ik 't goed? —die zich tot taak stelt den wispelturigen wereldmens van die fouten te genezen. God, Christus, Onsterfelykheid staan als rotsen.

Het «Geloof» in die rotsen is … 'n rots. Eilieve, wat valt er nu verder op al die rotsen te ploegen, te eggen, te zaaien en te wieden? Zonder al dien arbeid immers—en dit is juist de prettige eigenschap van 'n behoorlyken rotsgrond—zal de oogst, om me nu eens heel matig uittedrukken, wonderbaarlyk groot zyn. Waarom dan zich zooveel moeite getroost om dien edelmoedigen bodem omtespitten, te bemesten, te omheinen? Ik mag 'n rots worden als ik 't begryp. Maar deze onvolkomenheid van myn denkvermogen verandert niets aan de waarheid dat de Opzichters over 't onnoodig gewurm waaraan zoo véler handen meewerken, niet behooren tot de rubriek Specialiteiten die ik me voorstelde in dezen bundel te behandelen. Veeleer zouden de suppoosten der goddienery aanspraak kunnen maken op 'n monografie in 'n werk dat aan 't behandelen van algemeene volksdeugden gewyd was, en waarin we dan tevens 'n behoorlyke statistiek van 't jeneververbruik zouden aantreffen, en jubelzangen over de vlucht die de industrie der vervalsching van levensmiddelen met Gods hulp in onze dagen genomen heeft.

Ik erken dat deze opmerking niet van stipte toepassing is op de katholieke geestelyken die meer onmiddellyk—men zou byna zeggen: met meer rondborstigheid—het standpunt innemen waarvan zy de heidensche priesters verdreven. De uitsluitende eigenaardigheid van hun werkkring en bevoegdheid, de kracht van hun invloed bovenal, stempelen die heeren inderdaad tot specialiteiten, tot meer dan dat: tot 'n kaste. Doch juist hierom zou 't behandelen van dat zeer byzonder standpunt òf ontaarden in 'n gewone of huis-fysiologie vol brandstapels, gifmengende monniken, verkrachte nonnen van beiderlei geslacht, en dergelyke kloosterplechtigheden meer, òf uitdyen tot beschouwingen die voor m'n tegenwoordig kader te breed zyn. Ik behandel in deze studien —en nog maar voornamelyk met het oog op onzen tyd—maatschappelyke toestanden, geenszins zaken van algemeen historisch gewicht. Wie 't woord «pastoor» of «R.C. Priester» uitspreekt, heeft katholicismus gezegd, d.i. hy noemde een der merkwaardigste verschynselen in de wereldgeschiedenis. Zooiets behoort niet tehuis in 'n werkje waarin de schryver zich den tyd gunde over professers in de dubbele-e-kunde te lachen.

Na 't oversteken van die breede Westerschelde, ben ik wel genoodzaakt op z'n staart te trappen. Ik mag namelyk niet onopgemerkt laten dat er sedert eenige tientallen een nieuwe soort van specialiteiten is opgestaan, die … die … hoe zal ik ze noemen? Ik bedoel de gewezen dominees die overgingen in de schryvery. Hun arbeid blyft rieken naar den kansel, alsof ze betaald werden voor 't wáármaken der Latynsche spreuk over den eenmaal van zeker geurtje doortrokken pot. Zalf laat zich nooit gewillig onbetuigd, en wie haar in deze specifiek-theologische hebbelykheid tegenwerkt, ziet z'n pogingen verydeld juist door de middelen die hy aanwendde om den verraderlyken pot te reinigen. De meest gebruikelyke remedien zyn gemaakte fermeteit, nagebootste flinkheid, linksche jacht op iets ondeftigs, alles overgoten met 'n sausje van zoeterig-vieze gemoedelykheid—liefst in Wandsbecker-Bote-manier, of iets van dien aard als 't maar terdege namaak is—waardoor slechts onnoozelen zich laten foppen, 't geen nu juist niet zeggen wil dat het publiek van die heeren byzonder klein is. Wel mogen wy 't er voor houden dat O.L. Heer aan den afval van de meesten niet veel verloren heeft, doch hierin ligt maar 'n schrale troost by de bedenking hoe weinig er aan den anderen kant door de Letteren, Beschaving en Zedelykheid aan die overloopers werd gewonnen. Uitzonderingen bestaan er ongetwyfeld, maar typisch gesproken is 't geschryf van de meesten 'n onsmakelyk kostje: servat odorem!

Voor ik van dit onaangenaam onderwerp afstap, 'n kleine opmerking ten-behoeve van 't nobele suum cuique. We hebben hier te doen met personen die met en door «God» zich 'n redelyk plaatsjen in de Maatschappy wisten te veroveren, en daarvan wel eens gebruik maakten om de arme drommels aan wie hun God zich niet had gelieven te openbaren, uittemaken voor slecht volk. Naar de mode van den tyd lieten zy, zoodra 't met hun belang kon worden overeengebracht, dien God varen, en langs meer of min omwegen—altyd zooveel slagen om den arm houdende als maar eenigszins mogelyk was[31]—namen ze dienst onder de vrydenkers. Hun vroegere meeningen? Wel, ze waren tot beter inzicht gekomen. Dit kan waar zijn. Maar zyn ze dan niet vòòr alles eenig herstel van eer schuldig aan de mannen die zy gedurende hun theologische loopbaan verketterden en uitscholden? Aan de mannen die dan toch blyk gaven van helderder inzicht, van eerlykheid en moed, toen zy nog in hun vermolmde preekkasten stonden te zwetsen op de alleen-zaligmakende kracht van hun leer? Dit zou billyk zyn, dunkt me, en 't gebeurt dus niet. Men moet zich schikken. Maar nu van een hunner te vernemen—lach niet, lezer! dat «geen enkele vorm van studie, als instrument (?) tot veelzydige ontwikkeling, de aan alle talen rakende (?) de wysbegeerte (!) en geschiedenis (?) in zich opnemende (?) vry (?) beoefende theologie» overtreft, dat gaat de schreef van 't verdragelyke voorby: Ik protesteer!

In die twee laatste woorden vat ik voorloopig samen wat verontwaardiging over de onbeschaamde reklame van den gewezen theologant BUSKEN HUET my in de pen gaf. Mr. Josse heeft zich verhangen uit spyt zich zoo voorbygestreefd te zien. Toch moet ik erkennen dat m'n bydrage tot karakterizeering der schryvery van gewezen dominees juist op het werk van den heer HUET-zelf het minst van toepassing is. Wat hy uit den preekstoel meenam, draagt voorzeker 'n geheel anderen naam dan zalf of balsem, en verspreidt 'n byzonder-persoonlyken geur. Ik zou me dan ook wel gewacht hebben z'n naam te noemen—daar ik wanbegrippen en geen individuen bestryd—indien hy me hiertoe niet had gedwongen door die brutale ophemelary van z'n kollegaas in godgewezenheid. Die kermisbluf mocht niet onbestreden blyven—niet onaangeroerd althans—in 'n werkje dat tegen den verkeerden invloed van zekere specialiteiten waarschuwt.[32]

Het bestryden van alle verkeerdheden waaronder we gebukt gaan door 't blindstaren op 'n bepaald punt, gaat m'n bestek tebuiten. Zoowel in belangryke als in meer dagelyksche zaken stuiten we telkens op de hoofdigheid en bekrompenheid van speciaal-mensen. Wie zich niet voldoende ergert aan de tevredenheid van 'n apteker over 't groot aantal zieken, kan tot oplettendheid worden gespoord door 't zuurkyken van de huismeid die 't zeer ongepast vindt dat er bezoek komt nadat zy zoo-even den gang heeft geboend. Men had háár specialiteit—waarin de stumpert 'n instrument tot veelzydige ontwikkeling meent te zien—moeten eerbiedigen, pruilt zy, en ze vindt 'n lydensgenoot in 't Raadslid dat te-vergeefs 'n aangewaaid dilettantisme scheikundig trachtte te verbinden aan z'n slecht begrepen roeping als schoolopziener. Door slordigheid en onbekwaamheid geeft de werkman schyn van billykheid aan de wreede terugzetting, waarover hy—overigens dikwyls ten-rechte—zoo bitter klaagt. Hyzelf verstaat z'n vak evenmin als de plichtvergeten volksvertegenwoordiger die den toestand van den arbeider geen aandacht waard keurt. Krantenfabrikeurs wedyveren met leveranciers van vervalschte levensmiddelen in 't bedriegen van hun publiek. «Moralisten»—zoo noemen zich die heeren—geven aanhoudend blyk van de vuilste onzedelykheid door 't kwajongensachtig uitpluizen en nasnuffelen van alkoofgeschiedenissen.[33] De geschiedkundige yvert voor SPARTAKUS, maar glimlacht minachtend als men hem spreekt van den boerenkryg … die voor de deur staat. Ginds hooren wy een zanger … zingen. Dit zy zoo, mits hy zich van spreken onthoude. O gewis, de denker schept beelden uit klank, maar uitsluitende beoefening der toonkunst bederft het denkvermogen. Elders zien wy 'n schoolmeester die meent dat de jongeluî trouwen om hèm leerlingen te bezorgen. De diplomaat, de staatsdienaar …

    Hem is de Staat zyn zetel, zyn carrière,
    Een speelplaats voor de heeren van het hof
,
    Een draaibank van fortuintjes. Een fabriek
    Van Neurenberger eerzuchi-duikelaars_ …

Wie na dit alles nog niet overtuigd is van de noodlottige gevolgen dier eenzydigheid, trachte den stumpert te zien te krygen, die tusschen den Haag en Delft «levenslang» schuiten door de vaart trok. Alsof de natuur der dingen ons waarschuwen wilde door 'n vreeselyk en luidsprekend voorbeeld der gevolgen van 't specialismus: die man is paard geworden, hy hinnikt![34]

Hinneken nu, doen onze staatslieden, schoolmeesters, advokaten en broodbakkers niet. Zelfs in hun speciaalvak brachten ze 't niet zóó ver als die species equus van 't genus homo sapiens. Des te erger! Ze zyn in hun halve krankzinnigheid minder oprecht dan dat tweebeenig trekdier in z'n volslagen razerny en, laten ons in den gevaarlyken waan dat wy te-doen hebben met mensen.

* * * * *

De lezer kan uit IDEE 269 weten dat ik me gewoonlyk onthoud van 'n professoraal fabula docet. Ik laat liever het opmaken der slotsom over aan hemzelf.

Het kan evenwel ditmaal noodig zyn, zoo-al geen koncluzie te geven, dan toch iets als handleiding tot het samenvoegen en vaststrikken der divergeerende draden van m'n betoog. Het uiteenloopende myner bewysvoering, en de schynbare afwykingen die ik me veroorlooven … moest, om natuurlyk te zyn, geven misschien tot die behoefte aanleiding.

Om alzoo den knoop toetehalen, het komt me voor dat we 't onderzoek naar de waarde der specialiteiten kunnen splitsen in twee hoofdvragen?

1. Welk gebruik moet de Maatschappy van hen maken? 2. Hoe werkt het specialismus op de waarde van den individu?

Tot het beantwoorden der eerste vraag ligt aanleiding in de vraag-zelf. Hoe men specialiteiten behoort te gebruiken? De Maatschappy moet hen gebruiken d.i. zy stelle ze niet aan haar hoofd. De specialiteit is ambachtsman die 't bestelde vervaardigt, maar geen stem heeft in 't bestellen. Hy levere z'n vakkennis waar die gevorderd wordt. Aan anderen blyve de beoordeeling in-hoeverre het geleverde bruikbaar is, en hoe 't moet worden aangewend. Een specialiteit zy als de expert voor 'n rechtbank. Hy legt, zonder zich om gevolgen of strekking te bekommeren, z'n verklaring af omtrent de byzondere zaak die hem werd opgedragen, en waarvan hy verondersteld wordt—dikwyls 'n fiktie! —verstand te hebben. Wil hy de grens zyner bevoegdheid overschryden en zich bemoeien met de toepassing van z'n expertise op 't proces, dan verwyst hem de Voorzitter naar z'n vak en naar de speciale taak waartoe hy geroepen werd. In deze schynbare terugzetting ligt niets vernederends. Wie inderdaad in eenig vak uitmunt, stelt zich met de erkenning van die uitstekendheid tevreden, maar zou 't zelfs onaangenaam vinden, indien men hem wilde gebruiken tot iets anders. Hy bezit in zyn specialiteit den meestergraad, of streeft daarnaar, en wil zich dus niet laten aanwerven als leerling in anderen werkkring. Dikwyls zelfs pronkt hy met z'n onbedrevenheid in zaken van algemeen belang, om te doen in 't oog vallen hoever hy 't in zyn byzonder streven gebracht heeft. «Van de dingen aan-wal heb ik geen verstand!» beduidt dan: ik ben 'n flink zeeman. «Met zulke belangen hield ik me nooit bezig» kan beteekenen: ik ben door-en-door soldaat. «Die wereldsche zaken liggen buiten m'n bemoeienis» zal wel zooveel willen zeggen als: ik voel me perfekt thuis in den hemel. Enz.

Dat het beoefenen van 'n bepaald vak niet volstrekt de bruikbaarheid tot iets anders uitsluit spreekt vanzelf, vooral waar zoodanig vak slechts beroep is, middel van bestaan. Doch dan houdt het specialismus op. Ik, byv. ben geen specialiteit in schryvery, godbewaarme! SPINOZA was 't niet in brillenslypen, al sleep hy brillen om zich in 't leven te houden. In zulke gevallen is 't bedryf dat men uitoefent, geen levensinrichting, en dus juist afwyking van de specialiteit der persoon.

Ik vergeleek den specialist by 'n ambachtsman die te-werk gesteld wordt. Dit te-werkstellen geschiedt door anderen, door niet- specialiteiten, van wie verondersteld wordt—ook dikwyls maar konventie, helaas!—dat ze ruimer veld overzien dan de werkman, en tevens dat ze bekwaam zyn tot beoordeeling en goede aanwending van 't geleverde. Deze staan tot den leverancier van speciaal-kennis in verhouding als de fabriekheer tot den arbeider. Wie zich levenslang bezig hield met gaatjes-prikken (IDEE 553, nieuw nummer: 788) past niet aan 't hoofd der zaak en, omgekeerd, de bestuurder van de fabriek zou niet the right man zyn om den ambachtsman te vervangen.

De statistikus, de geschiedvorscher, de land-ekonoom, de geneesheer, de zeeman, de militair, de staathuishoudkundige, de jurist, de ambtenaar … al deze specialiteiten behooren gebruikt te worden door wie aan 't hoofd staan eener Maatschappy, of van 'n deel daarvan. Zy allen leveren in verslagen, rapporten, opgaven en adviezen de vruchten van hun arbeid, en de autokraat, de wetgever, de uitvoerende of beslissende macht … wat kan van hèn gevorderd worden?

Welke eigenschappen behooren den fabriekheer te versieren, om den arbeid van z'n ondergeschikten behoorlyk aantewenden?

Het antwoord op deze vraag zou tehuis behooren in 'n verhandeling over niet-specialiteiten.

De spreuk de minimis non curat Praetor bevat 'n goede les, doch wordt zooals veel spreuken misbruikt. Onthouding van bemoeienis met zoogenaamde kleinigheden, sluit in zich de verplichting tot zorg dat ze behoorlijk worden behartigd zònder die bemoeienis, en deze plicht is waarlyk géén kleinigheid. Dat er tot de hiertoe onmisbare organizatie en tucht bekendheid met dat kleine noodig is, spreekt vanzelf. Vóór zich de Praetor straffeloos kan onthouden van onmiddelyke aanraking met het geringere, behoort hy blyk te geven niet daar-beneden te staan. Wie dit verzuimt, verliest in de oogen van z'n ondergeschikten—specialiteiten die zonder uitzondering vyanden van den meester zijn—de zedelyke bevoegdheid om 't geheel te regeeren, en uit deze storende minachting zou dan ook inderdaad 'n betrekkelyke onbekwaamheid voortvloeien.

Eén ding staat vast: tot wèl overzien van dat geheel, is vóór alles noodig 'n geoefend verstand en veel hart. Deze twee hoedanigheden vertegenwoordigen het kunnen en het willen, en sluiten evenzeer bekrompen vooroordeel uit, als ze borg staan voor rechtvaardigheid en praktischen zin. Van den niet-specialist is te vorderen dat hy den arbeid zyner onderhoorigen wete te regelen, te beoordeelen, te schiften en te gebruiken. Jazelfs er behoort 'n tyd te komen dat hy dit alles—met uitzondering van 't ál te stipt-ambachtelyke—gelyk TIBERIUS den medicynmeester, ontberen kan.

Het streven naar deze onafhankelykheid is zyn specialiteit.

Ik vrees te moeten gelooven dat nooit eenig vak slordiger beoefend werd, en 't zal dan ook wel hieraan te wyten zyn dat we overal aan byzondere bekwaamheden den rang zien toekennen die in 't algemeen belang de belooning wezen moest van harmonische ontwikkeling op universeel gebied. Waar 't uitstekende ontbreekt, speelt het ordinaire den meester, en zoolang alle ruimte wordt ingenomen door den soldaat, blyft er voor maarschalken geen plaats.

* * * * *

Wat nu vervolgens den invloed van 't specialismus op de waarde van den individu aangaat, ieder begrypt dat het niet gemakkelyk is den juisten grens te bepalen tusschen algemeene en byzondere verplichtingen. Dat verdeeling van arbeid in zekeren zin voordeelig werkt, mag niet ontkend worden, doch 't overschryden van de juiste maat dezer verdeeling geeft aanleiding tot ongerymdheid als waarop ik herhaaldelyk gewezen heb. Er behoort daarby vooral te worden acht geslagen op juiste waardeering der uiteenloopende aanspraken van rechtstreeks en indirekt oordeel. Het zou kunnen zyn dat de handigheid zich ontwikkelde ten-koste der bekwaamheid, en dat we ten-laatste ónbekwaam werden de vruchten van die handigheid te genieten. De Maatschappy zou dan beginnen te gelyken op 'n letterzetter die zóó mechanisch-vlug leerde werken dat-i 't lezen verleerde. Men bedenke dat onevenredige toepassing onzer gaven—ook zelfs uit 'n industrieel oogpunt—niet praktisch is, daar byv. de behoefte aan letter vervallen zou als er niet meer gelezen werd.

Het kretinizeeren der individuen kan nooit gunstig werken op het geheel. Wie op beperkt terrein meer tyd en ziel uitgeeft dan in verhouding tot z'n algemeen-menselyke roeping gepast is, werkt nadeelig op de som van algemeen welzyn, en schaadt tevens zich-zelf daar geen uitstekendheid in 'n bepaald vak opweegt tegen de vernedering als Mens.

En dit is niet genoeg gezegd. Zelfs in dat vak bereikt hy z'n doel niet. Het is te betwyfelen of die Haagsche paardman beter schuiten- leepte dan andere mannen. Maar beter dan andere paarden zeker niet! Wie met werktuigen en dieren konkurreert, zal ervaren dat hy z'n menselyke waardigheid à pure perte wegwierp, en daarvoor geenszins wordt schadeloos gesteld door 't behalen van 'n prys op 't lager gebied dat hy tot werkplaats koos. De geschiedenis levert voorbeelden in menigte, dat speciaal-mannen in hun eigen vak overtroffen werden door personen die zich op dat vak niet uitsluitend hadden toegelegd. En meer nog: alle voorgangers in elke kunst in elke wetenschap, in elk bedryf, op elk gebied van menselyke ontwikkeling, waren leeken. Wat in hen 'n gunstig samenvallen was van in-en uitwendige roeping, werd door hun opvolgers vervormd tot beroep. (IDEE 498 en 499. Voorts, nieuwe nummering: 921.)

Dit nu kan niet vermeden worden. Ten-allen-tyde werden school, reglement, methode, aangewend als surrogaat voor 't genie dat hyzelf onbewust in sleur verstikte … door de maatschappy: als surogaten voor de genien die ze doodmartelde uit afgunstige baldadigheid.

Hoe dit zy, de behoefte aan die plaatsvervangende middelen bestaat, en daarom moeten wy ons schikken in zekere beroepsgewyze verdeeling van den arbeid. Wie zich tot het overzien van 'n ruim veld ongeschikt acht, doet wel zich te bepalen tot enger gebied, doch hy vergist zich in de meening dat-i op 't door hem gekozen terrein nuttiger bezig is naarmate hy de grenzen daarvan nauwer beperkte. De Staatsdienaar die 't heil der Mensheid verwacht van z'n papierkraam of diplomatie … de babbelaar die frazen voor daden geeft … de koopman die z'n winkeltjen of kantoortjen als 't centrum van 't Heelal beschouwt … de militair die by al z'n redeneeringen 'n kazernig «by ons» op den voorgrond stelt … de filoloog die de beoefening der letteren inkrimpt tot 'n bespottelyke studie in letters … de huisvrouw die meent dat «huishouden» hoofdroeping is van moeder en echtgenoot … de publieke aanklager die aan de eer van z'n funktie meent schuldig te zyn, elken beklaagde voor 'n monster uittemaken … zy allen die hun specialiteitje willen doen voorkomen als 't «instrument» by-uitnemendheid ter veelzydige ontwikkeling, ze vergissen zich in de meening dat ze door die uitsluitingstheorie blyk gaven van uitstekendheid in hun eigen «vak». Het verkrachten van waarheid, het verwaarloozen der juiste verhouding onzer verplichtingen, levert nooit goede vrucht. Tot het wel beoefenen van elk onderdeel van kennis of wetenschap is noodig dat wy 'n open oog houden voor andere zaken die tezaam genomen onze fakulteiten behooren bezig te houden. Hierdoor wordt onze waarde als mens bepaald. Dezelfde bekrompenheid die ons een al te klein onderdeel tot doel aan ons streven deed kiezen, zal ons weldra onbekwaam maken tot bereiken van dat nietige doel-zelf. Een huismoeder die niets dan huishoudster wil zyn, is geen goede huishoudster. Ze maakt noch echtgenoot noch kinderen gelukkig. De krygsman die z'n gansch gemoed weggaf aan de kazernedienst, wordt onbruikbaar tegen den vyand, en is zelfs in vredestyd een nietig voorwerp. De mannen van de dubbele o, die waarachtig geen meesterstukken leveren in wezenlyke letterkunde, zyn daarom in hun speciaal-vakje niet uitstekender dan de eerste de beste die zich nooit met zulke nietigheden bemoeide. Een liefhebbery-chemicus verhoogt geenszins de kans op 't ontdekken eener nieuwe brandstof, door 't slecht vervullen van z'n ambt als opzichter over 't onderwys. De staatsman die niets is dan staatsman, niets dan diplomaat … arm Volk!

In al die speciaal-mensen is iets dors, iets ongenietbaars, iets dat in tegenspraak is met de veelzydige, ryke, gulle natuur. Zy bemoeit zich niet met verdeeling van arbeid en studie. Háár weten en werken is algemeen. Scheikunde, mathesis, statika, sterrekunde, geschiedenis, hartstocht, ontbinding, groei, kristallizatie … alles heeft zy in haar oneindig magazyn, alles wendt ze aan, alles beheerscht ze, alles brengt ze voort door gelyktydige en harmonische toepassing van haar krachten. Een harmonie die zóóver gaat, dat we gedurig de ontdekking te-gemoet zien dat ze dit alles te-weeg brengt volgens één wet, door één kracht, met slechts één soort van stof!

Het afwyken van deze algemeenheid der natuur, is ongehoorzaamheid aan den wenk dien ze ons geeft, en moge in zekeren zin een vergeeflyk gevolg wezen van onze zwakheid, het blyft een fout die afwyking te verheffen tot stelsel. Wel weet ik dat de inrichting onzer Maatschappy hiertoe aanleiding geeft, maar de eene verkeerdheid verontschuldigt de andere niet. Juist door dat al te mechanisch onderverdeelen van roeping, is die maatschappy geworden wat zy is. Een verstompende verdeeling van den arbeid moge in zekere gevallen noodig zyn om niet ondertegaan in den bloedigen Kampf um's Dasein, de wysbegeerte ontleent haar voorschriften niet aan de door nood tot fouten geperste industrie. Het is juist háár roeping middel te vinden tot het verbeteren van die fouten, en mocht er ooit blyken dat het bereiken van dit doel onmogelyk is, toch blyft altyd het streven daarnaar de taak van 't beter deel der Mensheid. Gelyk 'n boosaardige TARQUINUS, scheert, schaaft en snoeit het specialiteiten-systeem alles af wat uitsteekt, en verlaagt daardoor tevens gaande-weg het reeds zoo diep gezonken peil der middelmatigheid-zelf. Wat middelmatig genoemd wordt, zou veelal slecht heeten indien we ons in oprechtheid afvroegen wat goed is. Hoe langer hoe meer gaan de individuen op in hun «vak» en 't mens-zyn wordt uitzondering.

Dit is treurig!

Qui trop embrasse mal étreint, zeker! Ik verdedig geen onberaden verbrokkeling van gaven. Wie te veel omvatten wil, zou zich maken tot 'n specialiteit van wanbegrip. Maar evenzeer is 't waar, dat men niet tot de juistheid van oordeel geraakt door 'n idioot staroogen op 'n àl te gering deel van wat ons omgeeft. Op geestelyk en stoffelyk gebied beide, staat al wat is in verband met iets anders, onmiddellyk met het naastliggende, middelyk met het verwyderde. By 't waarnemen van den aard der dingen, is het achtslaan op dat verband onmisbaar. Wie slechts met 'n loupe de steenen van 'n gebouw beschouwde, zal hoogstens eenig oordeel kunnen vellen over de soort van 't materiaal, het gebouw als zoodanig heeft hy niet gezien. Daartoe wordt wyder gezichtshoek vereischt, meer ruimte van blik.

Cest mal étreindre que d'embrasser trop peu sla ik voor als weerklank op de aangehaalde spreekwys. De juiste grenslyn tusschen te veel en te weinig moge niet te trekken zyn, er zal toch wel geen wysheid liggen in 't najagen van het àllergeringste. We kunnen wel-is-waar geen zonnestelsel omvatten, maar 'n zandkorl evenmin. De zeloten voor 't nietige, de aanbidders der afgodinne BEUZELARY zyn—ook zelfs naar den maatstaf van hun eigen bekrompen streven—even ver van Waarheid en van 't praktisch nuttige, als de verongelukte hoogvlieger die dan toch noch altyd 'n weemoedig in magnis voluisse kan aanvoeren ter vergoelyking van z'n misslag. Wie te veel wil, bereikt niets, wordt er gezegd. Dit is onjuist. Dat willen-zelf is 'n iets, en 't verachtelykste niet. Het medelyden met den gevallen adelaar sluit geen eerbied uit, maar 'n struikelende schildpad is bespottelyk.

Ons leven is te kort om op alles te letten, zegt men.

Ons leven is te kort om «alles» te verwaarloozen, is m'n antwoord. Juist de aanhoudende pogingen om 't verband tusschen alles en alles te vatten—ziehier het punt waar POËZIE en WIJSBEGEERTE ineensmelten—zyn noodig om ons iets van de onderdeelen te doen begrypen. Zedelyke en verstandelyke ontwikkeling—identisch met arbeid, genot en deugd—is gevolg en belooning van aanhoudende kritische vergelyking der feiten die de Natuur ons te aanschouwen geeft. Wie den blik van dat schouwspel afwendt, die punten van vergelyking geen aandacht waard keurt en alzoo de harmonische ontwikkeling zijner gaven veronachtzaamt, krimpt in tot 'n dier, tot 'n machine, tot 'n zaak.

De steen ligt. Dat is alles wat-i kan … zyn Specialiteit! We willen meer zyn dan zoo'n steen.

Het rad draait. Het kan niet anders … zyn Specialiteit! We willen meer zyn dan 't werktuig dat zich zoo dom eentonig beweegt.

De plant groeit bloeit, verdort en sterft zonder genot, leed of besef … haar Specialiteit! We willen meer zyn dan zoo'n plant.

De koe eet gras, herkauwt, eet weer gras en herkauwt weder tot ze geslacht wordt. Dat is háár Specialiteit

Excelsior, Excelsior:

De roeping van den mens is Mens te zyn.

NOTEN:

[1] Wel zeker! «Hy is op die plaats de rechte man» of: «die plaats is voor hem de rechte.» Zóó zou zich iemand uitdrukken, wiens denkvermogen zich de weelde van eigen equipage kan veroorloven en dus niet met huurfrazen behoeft te ryden.

[2] «Ik weet het niet.»

[3] Een citaat is het, en wel 'n historisch. «Ietoe andjieng belanda bakkelahi sama tahi!» riepen de Jakartanen. By eigen ervaring weet ik dat de in dat verwyt gekenschetste nationale hebbelykheid nog altyd in volle kracht is blyven bestaan.

[4] Er zyn er nu 'n dozyn meer, maar gemakshalve zal ik ze septuaginters blyven noemen. «Elf-en-dertigers» zou ook 'n goede benaming zyn.

[5] Noot van 1878, Tot m'n verdriet voel ik me genoodzaakt deze bemoedigende premisse intetrekken. Gedurende de zes, zeven jaren die er sedert het schryven van dit werk verliepen, ben ik door nauwkeurig achtslaan op de verschynselen en ingespannen nadenken tot de overtuiging gekomen, dat onze scholen—lage, middelbare en hoogere—inderdaad slecht zyn. De pas verschenen Onderwyswet—'n hoogst onvryzinnig-liberalistisch prul—zal de kroon zetten op 't spelletje van bederf, dat sedert jaren door ministers van allerlei wankleur, geholpen door kamerleden van gelyk allooi—liefst Specialiteiten!—in den Haag gespeeld werd.

[6] Noot van 1878. Slechts zeer onopmerkzame lezers zullen deze bemoediging voor iets anders dan ironie hebben gehouden. Als zoodanig slechts behoeft ze dan ook niet te worden ingetrokken. De toestand in Indië is erbarmelijk. De zaken gaan er zoo hard achteruit als 'n Fransche maarschalk loopen kan.

[7] Noot van 1878. Het openlyk en loyaal verkoopen van plaatsen in de Vertegenwoordiging van Stad of Land, aan den meest-biedende, zou nog beter zyn. Voor dat stelsel laat zich veel aanvoeren, vooral wanneer men het beschouwt in tegenstelling met het tegenwoordige dat even onzedelyk als onstaatkundig is.

[8] Historisch.

[9] Noot van 1878. De hier geleverde schetsjes van de werking der distriktskiezery stellen de zaak te gunstig voor. Ik geef daarin nog toe dat de kiezers zeker voorwendsel zouden kunnen aanvoeren, waardoor hun keuze wel niet gerechtvaardigd, maar toch eenigszins verklaard wordt. In de werkelykheid echter meent men zelfs dat voorwendsel te kunnen missen. Niemand die de onlangs verschenen brochure van den heer Van Vloten: Kiezersindrukken, te boek gesteld tot waarschuwing en opwekking van ieder naar ware vryzinnigheid strevend Nederlander, aandachtig leest, zal durven beweren dat ik my te sterker uitdrukte, toen ik in m'n Pruisen en Nederland zeide: «wie 't oog slaat op de keukens waar de parlementspoppen gebakken worden, is er misselyk van». Ook de t.z.p. aangehaalde woorden van LOUIS REYBAUD—den eerlyken en scherpzinnigen auteur van Jerôme Paturot—roep ik by dezen in 't geheugen van ieder die de publieke zaak met gezond verstand en goede trouw wil behandeld zien.

[10] Overal namelyk waar de toeschouwer zich niet juist op de loodlyn bevindt, die op 't midden van een der zyden valt, en. deze gunstige kans is oneindig-klein. Van alle andere punten gezien, is 't ding scheef. De specialiteit-bouwheer schynt niet geweten te hebben dat de ellipsvorm voor koepeldaken ongeschikt is.

[11] Noot van 1878. Men beweert dat er in 't bouwontwerp van dat reusachtig «Volksvlytpaleis» niet op 'n trap gerekend was, en dit komt gelooflijk voor als men 't spiraaltje beschouwd dat nu als zoodanig moet dienst doen. De schuld zal aan de Grieken liggen, die verzuimd hebben ons voorbeelden van wenteltrappen in harmonie met 'n gebouw natelaten. Zoodra 'n specialiteit geen «modellen» vindt, staat hy met de handen verkeerd.

[12] «Forsch» vind ik voorgeschreven in 'n boekje van de letterspecialiteiten D.V. & T.W. Als superlatief pryzen die heeren «forscht» aan. Jongelui die by zulke handleidingen tot wèlschryven geen litterarische meesterstukken leveren, verdienen gesmoord te worden tusschen de drukproeven van 't Woordenboek der Nederlandsche taal.

[13] «We hebben gemeend» dat te moeten doen, staat er. Gemeend … wel verbazend! Zulke apenkool wordt met allen schyn van ernst door vakmannen opgedischt, en de onnoozele leek doet zonder protest z'n maal met die kost. Als ik my den tyd gunde, zou ik nog zotter staaltjes van specialiteiten-wysheid op dit gebied kunnen aanvoeren, o, in menigte.

[14] Uit schaamte voor de drukkery heb ik de vryheid genomen de woorden van den advokaat in 't Hollandsch overtezetten. Hy drukte zich aldus uit:

«En zeer zeker is het een aardige aanwyzing, werpt het een eigenaardige blik in het karakter van den beschuldigde, als men leest het inschrift … enz.

Ziedaar 'n «het» dat «een blik werpt als men leest». We komen niet te weten wie die «het» is, en wat Z.Ed. werpt als men niet leest. Ter-schadeloosstelling voor deze gaping evenwel wordt ons hier—als men leest—gelegenheid geboden een niet-aardigen blik te werpen op de wèl-eigenaardige onzuiverheid van uitdrukking die oorzaak, gevolg en kenmerk is van begripsverwarring en onzedelykheid (Zie IDEE 692, in de latere uitgaven: 1057).

[15] Een dergelyk voorbeeld van verstandsverkrachting of misselyk hofmaken aan bygeloof, vindt de lezer in IDEE 606 (nieuwe nummering: 908) en onlangs vernamen wy uit de troonrede, dat we—onder 't «liberaal» ministerie-Kappeyne!—dit jaar (1878) zullen geregeerd worden «met Gods hulp.» Mag ik den heer Kappeyne doen opmerken, dat die God 'n landverrader is? Om nu van z'n intieme relatien met zeer veel Buitenlandsche Mogendheden niet te spreken, is het 'n uitgemaakte zaak dat hy in byzonder-vriendschappelyke verstandhouding staat met de Atchinezen, een volkje dat hem fanatiek vereert en zich brutaal durft beroepen op zyn bescherming.

[16] Bij de behandeling dezer zaak heb ik gebruik gemaakt van het werkje: «Rechtsgeding tegen HENDRIK JACOBUS JUT en zyne huisvrouw CHRISTINA GOEDVOLK beschuldigd … enz. door B. DE VRIES. sGravenhage by H.C. SUSAN, C.H. ZOON, 1876». 't Is me niet bewust dat de delinkwenten—ik bedoel hier de moordenaars niet—tegen den inhoud van dat boekje geprotesteerd hebben, en ik meen dus me daaraan te moeten houden. Mochten de heeren rechtenmeesters die zich verbeelden JUT en KRISTIEN verdedigd te hebben, ontevreden zyn met m'n oordeel over hun arbeid, ik ben niet ongenegen tot nadere toelichting. De stof is rijk.

[17] Over DE VLETTER heb ik roerende mededeelingen te doen, die in de Noten en Toelichtingen zullen worden opgenomen zoodra de staat myner gezondheid me zal toelaten die gereed te maken voor de pers. Ik bezocht den armen man herhaaldelyk in de gevangenis te 's Gravenhage, en ontying vele brieven van hem uit het tuchthuis. Zyn veroordeeling was 'n misdaad.

[18] Quia triumviralie supplicio adfici virginem inauditum habebatur zegt die geschiedschryver. (Annales V. cap. 9)

[19] De lezer sla eens IDEE 279 op. Hy zal in dat nummer 'n aardig staal vinden van akademisch-geleerde rechtskrankzinnigheid.

[20] Ik kende het woord Actuaire niet, en heb 't opgezocht in LITTRÉ, die 't dan ook 'n néologisme noemt en 't eerst in z'n Supplément heeft opgenomen. Ziehier wat hy er van zegt: «mathématicien chargé de contrôler d'après le calcul des probabilités les bases des contrats viagers ou d'assurances». Men ziet alzoo dat de beteekenis van 't woord Actuaire louter konventioneel is. Iets anders moet men dan ook niet zoeken by LITTRÉ, 'n specialiteit—in Fransche onwetendheid—op 't gebied van etymologie en algemeene taalkennis.

[21] Vgl. in den IIIn bundel IDEEN, de nummers die over kunst en kritiek handelen.

[22] «Als de schoone Amalia uit haar bedwelming ontwaakt, is de bekoorlyke Emilia neergezegen» enz. Er zijn meer dergelyke oud-nieuwe snufjes in omloop, waarover bygelegenheid 'n woordje.

[23] Ik had hier honderd andere veldheeren kunnen noemen. De krygsgeschiedenis is er vol van. De specialiteit van dien MAURITS was: door brandschatten en plunderen z'n beurs te spekken. En daar SPINOLA hem hierin niet te-keer ging, mag men 't er voor houden dat die twee specialiteiten in krygskunde tot hetzelfde gild behoorden. Het wordt tyd dat men de «Geschiedenis» eens bestudeere in àndere werken dan onze schoolboekjes, specialiteiten gewoonlyk in chauvinistische vervalsching!

[24] IDEEN, bundel II, vyfde druk, blz. 59.

[25] IDEE 322.

[26] Zie nummer 19 der Noten in de laatste uitgaaf van den Max Havelaar.

[27] Ik spreek hier nog niet eens van de armzalige rol die de specialiteiten van politie en justitie in deze zaak hebben gespeeld voor zy de ware schuldigen ontdekten en in hechtenis namen. De daarin tentoon-gespreide onbekwaamheid gaat in 't ongeloofelyke over!

[28] Een koddig staal van dien advokatenbluf vindt men in BILDERDIJK'S brief aan juffrouw WOESTHOYEN, van 22 April 1784. (Bilderdyks Eerste Huwelyk, enz. Leiden by E. J. Brill.)

[29] Zie de parabel van den bruggeman in IDEE 340.

[30] De aangehaalde zinsneden zyn ontleend aan 'n allerzotst artikel in Eigen Haard, waarin de schryver zich verbeelt den heer GOUDSMIT 'n eerzuil te stichten. De achtenswaardige man zal er niet mee ingenomen zyn. Komiek-onhandig is de verwaandheid waarmee die christelyke jurist den heer GOUDSMIT wel vergeven wil dat-i maar 'n Israëliet is. Het model van dien flater zal zeker uit de pandekten gehaald zyn, maar elegantie is wat ànders, dunkt me.

[31] Zie de parabel van de pasteibakkers in nummer 453 van de IDEEN.

[32] By-gelegenheid 'n schoofje stalen van de ontwikkeling die de heer HUET aan de wondervolle werking van het door hem uitgevonden «instrument» te danken heeft. Ik zal dat niet dan met weerzin leveren, maar nu eenmaal in m'n VIn bundel IDEEN 't ongeluk gehad hebbende z'n kritische methode aantepryzen—in-tegenstelling namelyk van 't gebruikelyke ongemotiveerd mooi-of leelyk-vinden—moet ik me waarborgen tegen de verdenking dat ik party-trek voor z'n taal, z'n wyze van uitdrukking, z'n betoogtrant, z'n meeningen over Kunst, Letterkunde, Moraal, Poëzie en … meer nog, helaas, al noemde ik veel. Het meeste werk dat de heer HUET in den laatsten tyd geleverd heeft, is kopie for the million, en zelfs als zoodanig vry slecht.

[33] Zie de polemiek over VAN HAREN, en vgl. IDEEN II, 5e dr. blz. 11.

[34] Ik zag hem voor 'n twaalftal jaren. 't Is te hopen dat de arme krankzinnige overleden zy. Doch ook in dat geval zullen vele inwoners van Delft en 's Hage de zaak kunnen bevestigen. Voor 'n aalmoes of 'n stuk brood dankte hy trappelend en brieschend. Snyender satire op 't specialiteiten-systeem is niet denkbaar.