WeRead Powered by ReaderPub
Specialiteiten cover

Specialiteiten

Chapter 7: V—MV.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

A collection of satirical essays and sketches interrogates the commonplace idea that placing the right person in the right post alone ensures good governance, arguing that clichés and fashionable jargon conceal deeper institutional flaws. Through wry portraits of complacent officials, critiques of referees and the press, and observations on shifting buzzwords, the author exposes social hypocrisy, bureaucratic mediocrity, and the moral laziness of public opinion. The pieces blend polemic, anecdote, and stylistic play to urge clearer judgment and more honest civic conversation.

Hy was by z'n kameraden … «bemind» is 't woord niet, doch daar hy niemand in den weg stond, behoefde niemand zich de moeite te geven hem te haten. Z'n chefs waren over hem tevreden, omdat hy hen nooit door iets buitengewoons lastig-viel met de noodzakelykheid eener byzondere behandeling. Als prachtexemplaar van alleronbeduidendste ordinairheid, was hy juist intelligent genoeg om z'n dienst te doen zooals hy die geleerd had, zonder ooit zich te wagen aan eenig pogen dat hem niet geleerd was. Hy betoonde zich omtrent alles wat niet letterlyk was voorgeschreven, niet onverschilliger dan anderen, zoodat hy zelfs in slordigheid of dienstverzuim zich wist te onthouden van uitstekendheid. Op onderscheiding had hy geen andere aanspraken dan dat-i niet de minste aanspraak maakte op onderscheiding, en tot berisping gaf hy niet meer aanleiding dan noodig was om onschuldig te zyn aan sarrende vlekkeloosheid. Als onnut nummer op den traktementstaat was de goeie jongen zoo onschadelyk als die nutteloosheid maar eenigszins gedoogde, en wie hem 'n «slothout» noemde, zou wèl de waarheid maar niet àl de waarheid gezegd hebben, wanneer-i verzuimd had daarby te voegen: zulke dingen moeten er óók zyn. Kon FRITSJEN 't helpen dat anderen in die behoefte voorzagen, en dat hy dus—ook als zóódanig—wel eenigszins overkompleet was?

In land en volkenkunde bragt onze held het tot den Voyage en Orient van LAMARTINE, om iets te weten te komen van Smirna, toen hy daar voor-anker lag. De oude heer van 't EEN-OF-ANDER was verbaasd over de poëtische kennis, de klassieke belezenheid, en de geleerde poëzie van z'n zoon, die reeds, na slechts één vyg te hebben gegeten, precies wist waar Troje gelegen had en welke indrukken de nabyheid dier plaats in elk rechtgeaard Orient-lezer behoort optewekken. Onze dykgraaf prepareerde z'n kollegaas op 'n verhandeling over den loop van den Simoïs, welks oevers sedert HOMERUS' tyd allermiserabelst bleken verwaarloosd te zyn. Hy was volkomen in-staat, genegen en bevoegd —Specialiteiten vóór!—die zaak tot behoorlyke klaarheid te brengen, want z'n eigen zoon at vygen op de ree van Smirna. Als er nog ééns zoo'n brief van FRITS kwam, zou hy …

Helaas, de Simoïs moest zich getroosten ongedykt te blyven. Juist was de oudeheer bezig z'n vrienden «precies» uitteleggen hoe die zaak in elkaar zat, en met natten vinger—dat wil in onzen tyd zeggen: met z'n rotting in 't zand—aantewyzen …

                                 fera proelia
    Pingit et exiguo Pergama tota mero.
        «Hac ibat Simoïs, hac. est

Och, de moerteekening kwam niet gereed. Onze dykgraaf zou juist overgaan tot het betoog dat die

Priami regia celsa senis

vierkant in den weg stond en onteigend behoorde te worden, toen de postbode berichten kwam brengen uit Konstantinopel, die de kleur droegen van 't romannetje dat LAMARTINE verving, en vóór de oudeheer gereed was met precies-weten wat er haperde aan de gezondheid des Turkschen ryks, leverde Bairout stof tot sterk naar azyn riekende therapeutische beschouwingen over de cholera, afgeschreven uit het quarantaine-reglement dat door 'n stuurmansleerling netjes in 'n lysje was opgehangen in den longroom. Juist begon onze dykgraaf zich heel specialiteitig voortedoen aan den plattelands-heelmeester—jonker FRITS zelf had uit de mars door 'n kyker de lykstatie van 'n slachtoffer der ziekte waargenomen—toen de geest der brieven alweer veranderde, omdat FRITS kiespyn had. De chirurgyn-majoor had den armen jongen naar den tweeden dokter verwezen. Deze naar den derden, geloof ik …

—Ja, de geneeskundige dienst by de marine laat veel te wenschen over, had de heer VAN 'T EEN-OF-ANDER gezegd, na het lezen van FRITSJENS stuk over dit onderwerp. Het stond «op poten!» De oudeheer zou daarvan eens terdege werk maken. Hy was nu in-staat, genegen en bevoegd —Specialiteiten vóór!—die zaak intedyken. Z'n eigen zoon had kiespyn aan boord van 'n oorlogschip. Wat wil men meer?

Lang voor de reorganizatie van den geneeskundigen dienst ter-zee—die uit dit alles niet voortvloeide—lag onze FRITS op de Kommewyne in 'n korjaal te dutten, die hem wiegelde naar 'n plantage waaruit z'n overgrootvader veel suiker, welvaart en welgeslaagde pretensie getrokken had. Uit oude betrekking at en dronk hy daar zeer vergenoegd, en kopieerde 'n paar artikels uit Surinaamsche couranten, over—voor of tegen, dit weet ik niet—over den slavenhandel. Z'n beschouwingen werden afgebroken door taalkundige opmerkingen over 't negerengelsch, en de gemakkelykheid waarmee men zich dat diepzinnig idioom kan eigen maken. Na slechts twee dagen verblijf namelyk wist hy zich met 'n onbeschroomd «mi no sabi»[2] overal verstaanbaar te maken.

Zoo was dan eindelyk de kwestie over den West-indischen Vryen-Arbeid tot staat van wyzen geraakt! De oudeheer VAN 'T EEN-OF-ANDER voelde zich bevrucht van wysheid, en begon nu duidelyk intezien dat:

«het verschil van rassende vrygeboren mensEuropeesch overwichtgraadwydte van den menshoekEngelsche huichelarykonkurrentie van den beetwortel … WILBERFORCE … edel pogen … KAÏN … verstoktheid van die andere partybybelsche oorsprong der slaverny … UNCLE TOM …»

Kortom, hy voelde zich in-staat, genegen en byvoegd—Specialiteiten vóór!—om die zaak allergrondigst te behandelen. Z'n eigen zoon lunchte op 'n plantage aan de Kommewyne, en kon in zuiver negerengelsch verzekeren dat hy iets niet wist. Zou dan de vader niet weten hoe die emancipatiekwestie in elkaar zit? FRITS-zelf had nu 'n footboy met dikke lippen en witte tanden. Zou dan FRITSJENS vader geen verstand hebben van slaverny?

Maar och, 't ging weer als met de indyking van den Simoïs. Lang voor 't slechten of ophoogen der zandlaagjes die de slaverny moesten bedwingen of beschermen—ik verdenk FRITS dat hy, na 't breakfast, brokstukken van tegenvoeters aan elkaar lymde—lang voor de oudeheer gereed was met z'n allerduidelykste uiteenzetting van de zaak, was FRITS te Batavia, waar-i alweer 'n schat van ondervinding opdeed.

In straat Sunda namelyk had 'n zwervende visscher geweigerd zich voor een aan de matrozen geleverd zoodjen ikan kakap te laten betalen met 'n stuk spek en twee verroeste schaatsen. De man was «brutaal» geworden, en daarop door Janmaat geslagen. De arme kadraaier sprong over-boord, en betaalde zich—voor visch en mishandeling niet te duur waarachtig! —met 'n oud wollen hemd dat-i in de vlucht meenam.

Eenige maanden na dit voorval verklaarde zich de oudeheer VAN 'T EEN-OF-ANDER in-staat, genegen en bevoegd—Specialiteiten vóór!—om 't Indisch vraagstuk optelossen. Hy-zelf had nu 'n zoon die perfekt Maleisch verstond. Andjieng belanda! had de vluchtende visscher geroepen. Dit woord stond—met rang van citaat[3]—in FRITSJENS brief, die van 't voorval melding maakte en 't aanbeval als tekst voor 'n verhandeling over Indische toestanden.

—De jongen is vlug! Pas ruikt hy 'n land, en hy verstaat de taal al!
Alzoo:

«MensenrechtNederlandsche beschavingzweet van voorvaderenoogmerken van Voorzienigheid … débouchés voor Enschedésche fabrieken, voor de jeneverstokeryen te Schiedam en andere evangelien_ … handelmaatschappy, konsignatiestelsel, indigo, zeeroof en welmeenendheidheil des vaderlandsverstoktheid van die vervloekte andere partyzeer beminde koningbedrogen raadsleden der kroonen—Specialiteiten vóór!—bevoegdheid

Wel zeker: bevoegdheid! FRITS-zelf immers had 'n Javaan «andjieng belanda!» hooren zeggen.

't Is weer te betreuren dat de rykdom van slof in volgende brieven, den ouden heer VAN'T EEN-OF-ANDER onvruchtbaar maakte door overmaat van bevruchting. Pas had hy 'n zaak goed begrepen, of hy werd zoo specialiteitig beziggehouden met het doorgronden van 'n andere, dat hem de tyd ontbrak daarvan iets meetedeelen op de right place. Toch ging er niets verloren. De Natuur is weldadig. Zy zorgde er voor dat het Meesterwoord bewaard bleef in de gemoederen van de onmiddellyke omgeving des edelen EEN-OF-ANDERS! Wat hy niet kon plaatsen by 't Nederlandsche Volk, werd meegedeeld aan den dorpsbarbier, den tuinman, den notaris en de keukenmeid. De heele omtrek werd aldra doorsuld met kennis van Indische zaken, en toen FRITS eindelyk de kraan zyner openbaringen zóó ver openzette, dat er 'n kistjen Ambonsche-bloemenolie, 'n paar potten atjar bamboe, en 'n «pauwveeren sigarenkoker» uitspoot, die hy-zelf gemaakt had van bamboe … zie verder in voce: Droogstoppel, Havelaar, hoofdstuk zeventien.

* * * * *

—En nu, papa, nu moet ik je zeggen dat ik genoeg heb van dat zwalken en zwabberen op-zee. 't Is 'n hondebaantje. Ik wil m'n onslag vragen.

Met deze woorden heeft FRITS de mededeeling gestoord van 't gesprek dat we zoo-even afbraken om hem acht jaren tyd te gunnen tot schoolgaan en iets-worden.

—Ga je gang, jongen, zei papa. Om 't geld …

De buik werd tot getuige geroepen.

—En bovendien, waarom zou je tegen je zin varen? Je bent nu toch iets, niet waar?

Wèl zeker! FRITS kreeg z'n ontslag, en was …

Een mens moet iets zyn!

FRITS bekleedde op z'n twee-en-twintigste jaar de zeer gewichtige betrekking van gewezen zee-officier die niet langer zwalken en zwabberen wou.

Maar hy wilde nog meer zyn. Hy maakte zich echtgenoot, vader en, na papa's dood, dykgraaf. Daarna … waarachtig, FRITS wèrd een-en-ander!

En, toen dat een-en-ander hem verveelde, als vroeger 't klein eindje zeeleven dat-i byna niet geleid had, toen hy met voorvaderlyke nederigheid begon te bemerken:

dat hy in-weerwil van z'n iets, nog altyd nagenoeg niemendal was,

dat-i de «booien» in den weg liep,

dat z'n vrouw hem aanzag voor 'n keukenpiet,

dat de tuinluî hem lastig vonden,

dat de eerbied van z'n ethnologische kennis van over-zee aan 't verflauwen was,

dat mi no sabi en andjieng belanda zeer gewone stop-en scheldwoorden waren geworden, waarmee men geen bakker meer foppen, geen stalknecht meer beleedigen kon,

dat het prestige van echtgenoot, vader, grondbezitter, dykgraaf en … een-en-ander, begon te slyten,

dat de boeren …

Och! 't was niet uittehouden!

* * * * *

«Van-tyd tot-tyd openbaart zich de behoefte aan specialiteiten op treffende wys. Het vaderland dat op al de krachten zyner kinderen een heilig recht heeft … nogeens: 't vaderland … de ontzaggelyke voorvaderen … geliefd vorstenhuis … de kiezers … de grondwet … de onschendbaarheid des konings … donkere wolken aan den horizon … hoogstopmerkelyke, alle grenzen te-buitengaande, nooit-dagewesene, byzonder-afschuwelyke, eigenaardig-duivelsche, alle goddelyke en menschelyke wetten met voeten trappende, maar au fond door ongeëvenaarde domheid volkomen onschadelyke en slechts belachelyke of deerniswaarde, gemeene àndere krant … juist oogenblik voor alle welgezinden … God en Oranje … vuige belagers van volkswelvaart … zeeleeuwen … worstelstryd … mannen die vaststaan in de uren des gevaars … vertrouwen zyner medeburgers … zeer geacht in 't distrikt welks belangen hy—met edele miskenning altyd der rechten van alle andere kiesdistrikten—alleronpartydigst zal voorstaan … de zoon van een geachten vader die dykgraaf was, en een-en-ander … kleinzoon van 'n gewezen-oud-garde-noble … hoop dat hy zich de keuze zyner medeburgers zal laten welgevallen … dóór-en-door-kundig, fatsoenlyk, doorkneed in alles en een-en-ander … toewyding aan de zaak des dierbaren Vaderlands … verregaande, het fabelachtige voorbystrevende, niet zelden in krankzinnige offerzucht overslaande onbaatzuchtigheid … right man … right place … en vooral de behoefte aan een deskundige in de volksvertegenwoordiging, by de behandeling der zoo vaak en voortdurend verwaarloosde marinezaken

FRITSJE krygt meer stemmen dan er ooit onverstaan wegstierven in de woestyn die maatschappy heet.

FRITS—'n mens moet iets zyn, gelyk z'n zalige vader de dykgraaf baron VAN 'T EEN-OF-ANDER zoo wèl gezegd had—FRITS is iets!

Het bloed der besjeshuizen kruipt waar 't niet wandelen kan: onze
FRITSJEN is iets!

Neen—allen goeien geesten van dooie oud-gewezen garde-noble's in 'n besjeshuis, lof en dank!—FRITS is zelfs méér dan iets!

Hy die zoo kort geleden nog niets, niets, volstrekt niemendal zou geweest zyn, indien hy niet gewezen zee-officier geweest was, die niet langer zwalken en zwabberen wou …

Hy werd op eenmaal: de gids der gidsen, de voorlichter der voorlichters van de natie, de tooveres, de Pythonisse, de Apollo van Endor, Dodena en Delfi, de Jupiter-Ammon van Opper-Egypte, de Velleda van 't Haagsche Binnenhof—met vergunning de uniform te mogen dragen van de korpsen waartoe al die dames en heeren behoord hebben—de hoofd-réverbère op de vuurbaak van 's lands welvaart, de Noordster waarop de hulk van 't zinkend Vaderland den vermoeiden steven richt, en … nog een-en-ander.

FRITSJEN, is als right man on the right place, SPECIALITEIT in de Tweede Kamer!

En zeg nu eens, als ge durft, dat de wegen die Nederland betreedt, niet goed geveegd worden, en dat de Hollandsche broodjes van Staat oneetbaar zyn!

V—MV.

Deze duizend-en-één hoofdstukken worden door den uitgever gesupprimeerd, omdat ze niets behelzen dan vervelende varianten van Fritsjens geschiedenis, met verandering slechts van naam en beroep. We hebben hier te-doen met Fransje die in kavallerie deed, en Cornelis die in-dienst was geweest by de straatslypery. Lukas wordt ter behartiging van 's Lands belang opgeroepen omdat hy verstand heeft van kousenweven, en Steven geniet de eer in hoedanigheid van industrieel-windmolenaar. Kareltje komt op 't kussen om z'n verdiensten als Indisch parvenu … enz. enz.

Nadat de hoofdspecialiteiten door den schryver onder dak zyn gebracht, gaat hy over tot de onderdeelen. We krygen speciaal-Fritsjens van groote vaart en kleine vaart, van stoom-kust-oceaan-rivier-en trekvaart, van kanonneer-glad-driedeks-monitor-en modder-marine, verdeeld in zooveel deelen als de deelbaarheid van den modder, enz. maar eenigszins toelaat, altemaal specialiteiten. Daarop volgden Cornelissen van hoofdstraten en bywegen, van stoepen, trottoirs, stegen, achterbuurten en cul-de-sac's. Fransjens van lichte, zware en middelbare kavallerie, tot en met huurkoetsiers, palfreniers, stalknechts en ezelmelkers … altemaal specialiteiten. We worden voorts onthaald op industrieelen die kousen weven voor heeren en voor dames, voor negers en negerinnen, kousen met en zonder klinken, Japansche kousen met duimen, kousen zonder naad, kinderkousjes, sokken en slaapmutsen in alle mogelyke sorteeringen. Op Lukassen die graan malen, Lukassen die hout zagen, Lukassen die niets malen, en zelfs den wind verwaarloozen waarmee ze niets malen. Daarop volgen de Lukassen van Noordewind, van Zuid- westewind, van N.N.O. t. N. 1/2 Oostewind … kortom, zooveel Lukassen als er stralen schieten uit het middelpunt van de kompasroos. Het spreekt vanzelf dat de Indische fortuin-industrieelen worden onderverdeeld in koffi-suiker-thee-indigo-tabak-en kaneel-parvenus. In-binnenlandsche-buitenpost-en hoofdplaats-parvenus. In juridische, administratieve, militaire en civiele parvenus. In vryarbeids-en kultuurkontrakt-parvenus. In rystopkoop-parvenus. In toko parvenus. In Maleische, Soendahsche, Javaansche, Battaksche Dajaksche, Alfoersche, en Papoeaparvenus … altemaal specialiteiten van specialiteiten, en daarvan de zeer byzonder uitgeknipte onder-specialiteiten.

Indien er voor het weglaten van al deze smakelooze hoofdstukken verschooning noodig waren, zou er ruimschoots te vinden zyn in des schryvers blykbare onkunde, daar hy niet eenmaal schynt te weten dat er in onze Tweede Kamer voor zooveel specialiteiten geen plaats is, een blunder die hem eens-voor-al onbevoegd maakt tot

MVI.

Nu, als de uitgever die hoofdstukken niet wil laten drukken … my wel! Ik heb den lezer in-staat gesteld ze zelf te schryven, en noodig hem daartoe uit.

Maar eilieve, zou er in onze Tweede-Kamer inderdaad geen plaats zyn voor al die kinderen der heeren VAN 'T EEN-OF-ANDER en myner fantazie? Is dit waar?

Zeker! Duizend-en-één individuen kunnen niet geplaatst worden op slechts zeventig orakel-drievoeten.[4]

Welk nut doet dan de enkele dien men daar wèl plaats geven kan?

Heeft de specialiteit meer dan één stem?

Neen!

't Is toch jammer dat het balletje waarmee hy voteert, geen grein zwaarder weegt dan 't kogeltje van z'n buurman die «zich niet zoo heel in 't byzonder heeft toegelegd» op de zaak die aan de orde is. De specialiteit-fabriekheer, al weefde hy nooit iets anders dan slaapmutsen, stemt in marinezaken even onbeschroomd en met gelyken invloed op den uitslag, als de marine-specialiteit over kwestien van industrie, handel of landbouw. Navita de tauris, de ventis narrat arator. De Latynsche spreukspreker was in de war, zooals men ziet, en 't was hoog tyd hem te korrigeeren. Gelyk we doen by dezen.

Zeventig uitverkorenen zullen 't land gelukkig maken. Daartoe is 't wèl behandelen van elke voorkomende aangelegenheid noodig. Die aangelegenheid behoort altyd tot zeker vak, tot zeker onderdeel van menselyke kennis of kunde. In de vergadering bevindt zich 'n individu die in zoodanig vak gediletteerd heeft. Hy moet het weten. Maar … welk nut trekt dan 't vaderland van de andere negen-en-zestig? Zyn ze niet, wel beschouwd, nogal overtollig of zelfs schadelyk? Is 't niet te vreezen dat ze ònspecialiteitig mee-narreerende over winden en koeien—mee-stemmende wat erger is!—den dilettant-specialist zullen óvernarreeren, óverstemmen?

Komaan, ik wil goedig zyn, en al de valsche specialiteiten die m'n uitgever zoo boosaardig supprimeerde, verheffen tot wáre specialiteiten, tot inderdaad kundige, in hun speciaal vak door-en-door bedreven personen … dan zelfs, en dan juist, vraag ik of zy in de volksvertegen- woordiging on their right places zyn?

Ik geloof het niet.

Een goed militair zeeman die tevens de bosse heeft van bevelvoeren en organizeeren, behoort als right man aan 't hoofd van de vloot, en alléén te staan. Men màg zoo'n schat niet bederven, door hem amalgameerend wegtestoppen onder zeventig. Tegen zoo'n alliage is 't edelste goud niet bestand.

De Tweede-Kamer is immers geen kudde wyfjesschapen, waarvan men 't ras verbeteren kan, door 't aankoopen van 'n Thibetbok of Merino?

En zoo'n ingevoerde hamel mag nog 'n flinken bel aan den hals dragen, terwyl de Kammerras-verbeteraar by elke poging tot uitvoering van z'n speciaal mandaat, heel beleefd verschooning en permissie moet vragen aan 't geacht schaap uit een of ander kiesdistrikt, dat hy moeder wil maken van wat kunde.

Die laatste zinsnede is minder scherp dan men meent. Het gebeurt meer dat men den naam dien ik geef aan 'n bestaande zaak, aanstootelyk vindt, terwyl ik beweer dat de aanstoot behoorde gegeven te zyn door de zaak-zelf, die vaak ruwer verwyt meebrengt dan myn woorden. De niet-specialiteiten zien voorby dat zyzelf begonnen zich tot nullen te maken door waarde te hechten aan de meeningen der onnoozele FRITSJEN.

En ook wanneer de speciale kennis van 'n lid inderdaad boven zoo'n armzalig dilettantisme verheven is, volgen er uit de verkeerde toepassing van 't right place-stelsel, allerlei ongerymdheden. Het drukken op de byzondere bevoegdheid van den één immers, sluit de betrekkelyke—soms volsterkte—onbevoegdheid der anderen in zich. De splitsing der intellektueele waardigheid van 'n vergadering, in zooveel onderdeelen als er speciale vakken in die vergadering vertegenwoordigd worden, brengt hare waarde terug tot de opgetelde cyfers der individueele intelligentien die men tot 'n som vereenigen wilde, een poging altoos, waartegen de ongelyksoortigheid der deelen zich logisch—en dus triumfantelyk—verzet.

Gegeven: 'n schaakspeler, 'n kannibaal, 'n schaatsryder en 'n hansworst, die zich vereenigen om viribus unitis iets beters te leveren, dan aan elk hunner in 't byzonder mogelyk was. Meent men dat die Tweede-Kamer van vier leden, beter dan de schaakspecialiteit alleen, 'n nieuwe gambit-kombinatie zal tegenspelen? Dat ze meer personen zal verslinden dan het tweede lid orberen zou wanneer-i zich in eenzaamheid aan z'n vak van menseneten kon toewyden? Dat die leden 't met hun vieren zouden winnen van nummer drie, in 'n kunstig beentjen-over? Dat ze ons hartelyker zouden doen lachen dan de laatste, overgelaten aan z'n invidueele vis comica?

Ik vergis me. De komieke specialiteit moet te-kort-schieten by den kollektieven indruk dien-i maken zou cum sociis!

En meer ongerymdheden! A is bekwaam in zeker vak, en erlangt daarom en als zóódanig 'n plaats in de Volksvertegenwoordiging. Maar, ook vele anderen zyn in dat vak bekwaam, en hebben dezelfde aanspraken al hy. Sommigen zelfs staan als specialiteit hooger aangeschreven in de meening hunner kollegaas die hierover, als zeer speciale specialiteiten immers, het best kunnen oordeelen. Waarom moeten nu al die anderen—z'n erkende meerderen misschien—zwygen waar A spreekt? Waarom geldt hùn stem niet, en wel de stem van A? Ligt er niet iets onbillyks in, één persoon voor officieel-wys te verklaren, en zooveel anderen buiten-te-sluiten, die met gelyk of grooter succes dan hy, het vak beoefenden waarin hem door z'n verkiezing 't meesterdiploom by-uitnemendheid wordt uitgereikt?

We hebben … oorlog—schrik niet, lezer, ik fantazeer—we hebben oorlog met Engeland. De oorzaak ligt in de haringvisschery. Waarom nu één haring-specialiteit in de Kamer? Heel Vlaardingen moet er in. Al wat haring vangt, kaakt, zout, eet, koopt, verkoopt en kuipt.

De scholen—schrik weer niet, lezer, ik ga voort met fantazeeren[5]—de scholen deugen niet. Waarom nu één schoolman in de volksvertegenwoordiging? Is er waarlyk behoefte aan speciale voorlichters op die plaats, dan hoe-meer voorlichting, hoe-meer specialiteit, hoe-beter. Roep dan elken professor binnen, elken magister, elken geleerde, elken msjeu, elken sekondant, elken schooljongen zelfs …

Meent men dat het de moeite niet loonen zou, aan kinderen te vragen wat er aan 't onderwys ontbreekt?

Men bemerkt dat de renommee van 't fabriekmerk der brave Hollandsche boter aan 't dalen is. Alweer fantazie, schrik dus nog niet. De beschreven vaders voelen 'n leegte. Ze betrappen zich op gebrek aan verstand van boter. Het bedreigd voorwerp, schuldig dan of miskend, moet in z'n rang hersteld, ne quid detrimenti … enz. Spoedig 'n boterman! Daar is-i. X heeft verstand van de zaak. Zeer wel. Maar … al de anderen die «in boter doen?» Al de anderen die 't in de vervalsching van dat artikel nog verder brachten dan hy? Waarom niet ook hùn 'n kussen aangeboden? Met 'n plaatsje er by, om er op te zitten, tenzy ze—wat ik niet ongepast vinden zou—daartoe hun botertonnetjes meebrengen, de dingen immers waaraan ze de aanspraak op die kussens te danken hebben.

Indië gaat verloren—er is geen woord van waar, schrik dus nog altyd niet, ik stel maar iets[6]—Indië is in de war … vry-arbeid … kultuurstelsel … algemeene ontevredenheid … ministerieele krises zonder eind … aardbevingen … overstroomingen … echt-liberale meerderheid … allerlei ongelukken. Alzoo Specialiteiten voor!

Daar zyn ze. A kan kassi api zeggen. Hy is dus 'n halve Maleier, en the right man. Maar … B heeft het gebracht tot 'n Soendahsch tjokal sonoh, en C tot 'n ongestameld Javaansch djalook gni.

Is 't nu niet hard voor die twee laatste letters, dat ze A moeten zien plaats nemen in den tempel, terwyl zy worden buitengesloten, zy en 't heele alfabet van de velen die 't nòg verder brachten in speciaal-kennis van Indie? Moest niet eigenlyk ook de kat worden binnengeroepen van de naaister der juffrouw wier grootmama's buurman eens zoo specialiteitig droomde van iemand die op 'n printjen 't portret had gezien van 'n doodgeboren wicht dat er misschien eenmaal aan gedacht zou hebben hoe sommigen naar Indie kunnen gaan … als 't geleefd had?

Dat ik in die duizend gesmoorde hoofdstukken me vergiste in de lokaal-kapaciteit van de Kamer, kan waar zyn. Maar 't blyft even waar dat dit jammer moet worden gevonden door ieder die meent dat zoo'n vergadering, om aan hare roeping te voldoen, behoefte heeft aan Specialiteiten.

En … nog meer ongerymdheid, nog meer schade, nog meer leugen!

Wie in haringzaken de behoefte aan 'n specialiteit staande-houdt, en niet genegen is heel Vlaardingen binnen te roepen, behoort uit de Vlaardingers 'n keus te doen. Wie worden nu met deze keus belast? Experts? Zaakkundigen? Geenszins. De specialiteit wordt uitgekozen door niet-specialiteiten, de bevoegdheid wordt beoordeeld door niet-bevoegden, door kiezers.

Zy die zich in de volksvertegenwoordiging doen voorlichten door vakmannen, vergeten gewoonlyk dat het niet altyd de sommiteiten in zoodanig vak zyn, die door leeken worden waardig gekeurd de algemeene zaak voortestaan. En, dat bovendien juist zy die 'n vak met hart en ziel beoefenen, en 't daarin brachten tot iets uitstekends, den minsten lust voelen hun persoonlykheid, die 'n zeer speciale waarde heeft in gemeenschap van goederen uittehuwen aan 'n vergadering, welke gemiddelder waarde altyd beneden die van 'n middelmatig individu staat. Dit laatste meen ik in m'n IDEE 9 overtuigend te hebben aangetoond.

Dat nu zoodanig uitstekend individu ook wat plicht en roeping aangaat, zich niet zoo onwaardig mag laten gebruiken, valt my in het oog. Maar aan sommige anderen schynt deze waarheid niet zoo duidelyk, en daarom zal ik trachten haar optehelderen door de veronderstelde uitstekendheid by benadering te schatten in geldswaarde of maatschappelyke pozitie. Stellen wy dat er wryving van gevoelen bestaat over Geneeskundige-dienst. Hygiène, enz. en dat men alzoo in de Kamer ernstige debatten over die onderwerpen te-gemoet ziet. By vakaturen wordt gewezen op de «juist thans zoo diep gevoelde behoefte aan 'n specialiteit.» De kiezers zien dit in. Er is'n geneesheer noodig. Geen heil buiten de medicynen alzoo. Een koninkryk voor 'n dokter!

Welken dokter moet men nu kiezen?

Den bekwaamsten, denk ik.

Wie beoordeelt die bekwaamheid?

Iedereen! Maar … niet iedereen kan dit beoordeelen met grond.

Men gaat te-werk naar den roep die er van 'n geneesheer uitgaat, Wie veel praktyk heeft, is bekwaam. De geneesheer zonder praktyk, is niet bekwaam. Dat dit kriterium hoogst-onzuiver is, doet niet ter-zake. Men heeft geen ander. En bovendien, 't mag niet gewraakt worden in kiezerszaken, daar zoodanige zeer inkorrekte waardeering berust op 't zelfde beginsel waarmee de heele kiezery staat of valt, op: meerderheid van stemmen.

De te kiezen specialiteit behoort dus iemand van naam te zyn, niet waar? Een dokter die door velen voor bekwaam gehouden wordt?

Vraag eens aan geneesheeren die tot deze kategorie behooren, of zy hun ryke praktyk gelieven optegeven voor de nogal twyfelachtige eer van 't lidmaatschap der Tweede-Kamer? En ook zonder te spreken van 't geldelyk verlies, het zou al zeer weinig getuigen van liefde voor de wetenschap, indien zy zich op die wyze door 'n kiezersgril lieten aftrekken van 'n beroep dat den welgezinden onder hen, roeping is.

De zeer voorname geneesheer bedankt alzoo. De iets minder voorname —tweepaardig nog altyd!—bedankt ook. De karbriolet bedankt. De chais bedankt. Ach, de goeie lieve arme Tweede-Kamer moet zich behelpen met deze of gene godheid van lagere orde en te-voet, die haar gebruikt om zoo mogelyk langs chais, karbriolet en koets opteklimmen tot wat renommee en praktyk. «M'n zieken zyn wat schaars, zoo redeneert de half- verongelukte, doch als ik 'n deftig M.P. achter m'n naam zet, zullen de patienten wel komen opdagen.» Daar ziet men dan 't specialiteiten-beginsel op z'n kop staan. Niet de geneesheer als zoodanig nuttig in de Kamer, maar 't kamerlid zit als volksvertegenwoordigende specialiteit voor 't ziekbed. Hy licht z'n zeventig kollegaas niet voor met geneeskundige kennis, maar voelt met ambtelyker deftigheid dan vroeger, den pols zyner zieken. Z'n redevoeringen imponeeren de geachte leden niet, al rieken ze naar de school—en dit moet, want met dat doel is-i daar—maar wel maakt hy op z'n patienten hoogmogender indruk dan in de dagen van z'n kamerloosheid. In 't Parlement daalde hy, zonder baat voor iemand, van eenheid af tot 'n zeventigste deel. Met zeventigvoudige waardigheid daarentegen wreekt hy zich op z'n andere lyders … die ook niet genezen, al zyn ze 'r nóg zoo groots op één dokter te hebben met het vaderland.

Laat ons aannemen dat de voor bekwaam gehoudene inderdaad in kennis zoo hoog staat als z'n inkomen schynt aantewyzen, en tevens dat-i vervuld is van liefde voor de algemeene zaak, zóó zelfs dat hy des-noods bereid wezen zou van die hoogere inkomsten afstand te doen, om tennutte des Volks bezig te zyn. Hoe behoort in zoodanig geval deze specialiteit te redeneeren?

«Er is in onze Volksvertegenwoordiging debat op-handen over Hygiéne, Geneeskundige-dienst, Akademisch onderwys in de fakulteit der medicynen, enz. enz. Ik heb my op die zaken toegelegd, en vermeen —liever: en ben overtuigd—in-staat te wezen over dat alles inlichtingen te geven die van nut kunnen zyn voor de beraadslagingen. Men biedt my 'n plaats in de Kamer aan. Is 't nu, in het belang der zaak, m'n plicht die betrekking aantenemen? Wordt de door my verkregen kennis het voordeeligst aangewend in of buiten die kamer? Dàt is de vraag?

Ik beweer dat de bekwame specialist, na zich deze vraag ernstig te hebben voorgelegd, geen annihileerd lidmaatschap aannemen màg. Hy màg 'n kennis niet versplinteren. Hy màg het deel der wetenschap, waarover hy te beschikken heeft, niet onderwerpen aan reglementen van orde, aan konventioneele parlements-usantien, aan wanbegrippen over party-plicht. Hy màg de religie van z'n vak niet blootstellen aan de schande van 'n stryd met onkundigen, waaronder er zyn die op toevallig ambtgenootschap het recht gronden van onbeschaamdheid. Hy màg dit niet, en … 't geschiedt ook niet! Want … wie inderdaad als specialiteit bekwaam is, bedankt. Hy komt, na de vragen die hy zich—altyd in 't belang der zaak —voorlegde, tot de slotsom dat-i z'n talenten, z'n kennis en z'n bekwaamheid het voordeeligst aanwendt door het individueel verkondigen van wat hy ter-zake dienstig oordeelt. Hy biedt de vruchten van z'n arbeid aan volk en vertegenwoordiging beide, en wacht …

Wyst men daarop z'n slotsommen af? Mislukt hem 't gepoogd overplanten zyner denkbeelden? Welnu, dan juist blijkt hem dat hy zichzelf, z'n arbeid, en z'n «Publiek»—in en buiten de Kamer—goed beoordeeld heeft. De specialist die, ongestoord arbeidende met al de kracht eener alleenstaande individualiteit, geen bres beukte in den dikken muur van algemeene onkunde, zou waarlyk dien muur niet hebben omgeworpen, indien hy de kracht van z'n geest had verwaterd door oplossing in een onevenredig-groot aantal deelen … ànderen geest.

Dit laatste beeld is weer onjuist, en te flauw voor de zaak die ik daarmee wil kenschetsen. De invloed namelyk van den specialist wordt niet alleen verzwakt en verlamd door z'n opgaan in een groot heterogeen geheel, maar die invloed wordt door tegenwerking vernietigd, of althans dit kàn 't geval zyn. De mogelykheid bestaat dat 'n nuttige waarheid die kans had op bevruchtend doordringen, voor langen tyd verloren gaat, òf omdat zy 'n lid der Volksvertegenwoordiging tot ontdekker had, òf omdat ze in die Vertegenwoordiging werd verkondigd. En hierop doelde ik eenige bladzyden geleden, toen ik klaagde: nog meer schade, nog meer leugen! Dat immers het smoren van waarheid, leugen in de hand werkt, zal wel betoog behoeven.

Ik verdedig van 't nu volgend voorbeeld alleen de strekking, en geenszins de zeer willekeurig gekozen stelling.

Een geneesheer, inderdaad sommiteit in de wetenschap, heeft zich laten verschalken. Hy verlaat zieken en studeercel, en neemt zitting in de Kamer. Na moeilijke inspanning en veel speciale studie, is hy in het bezit geraakt van een of meer der volgende—door my slechts voor 'n oogenblik als zoodanig aangenomen—waarheden:

dat de volksvoeding slecht is, dat de kazerneering van de militairen veel te wenschen overlaat, dat de hospitalen niet deugen, dat de vaccine nadeelig werkt op de gezondheid, dat er fouten zyn in de wettelyke regeling der prostitutie, of wel dat de heele wettelyke regeling op dat stuk 'n fout is, enz. enz.

Hy was op 't punt de rezultaten zyner wetenschap en ervaring neerteleggen in 'n uitgebreid werk. Daar komt men hem storen met z'n verkiezing. Nu behoorde hy te antwoorden: «lieve mensen, ik heb waarlyk geen tyd voor zulke dingen, voorziet u elders!» Maar we stelden reeds dat het verschalken ditmaal gelukt. Zelfs de goede HOMERUS slaapt nu-en-dan. Onze voorlichter laat zich dus de «keuze zyner medeburgers—waaronder geen enkele is, dien hy 't geringste stemrecht zou toekennen in zyn onderzoekingen!—welgevallen.» Verkeerd redeneerende, hoopt hy z'n verkregen kennis aantewenden in dien nieuwen werkkring.

Maar … die werkkring omvat ook andere zaken dan waarmee hy zich zoo religieus bezighield. Men tracht hem te werven voor—of tegen —tariefsherziening, vry-arbeid, kadaster-revisie, schoolwet, afschaffing tienden, pantser-fregatten, linie-verdediging, kieswet- verandering, enz. enz. Onze arme geleerde voelt dat hy in 'n maalstroom geraakt is, waarby hy de vruchten zyner korrekt-wetenschappelyke nasporingen niet plaatsen kan. Z'n nieuwe omgeving waardeert z'n vorigen arbeid niet. Het is haar niet om waarheid te doen, maar om 'n stem.

Dit is hem wel 'n groote teleurstelling, maar … och, onze naïve onderzoeker beleefde niet geheel ongeschonden de laatste twintig, dertig jaren. De modewoorden, «behoud, liberalisme, reaktie, verblinding der tegenparty—die 't altyd glad mis heeft—ministerieele krizis, periodieke òndergangen van 't vaderland» enz. drongen tot z'n studeervertrek door. Wel stuitten hem vroeger, als ruwe vloeken den vrome, al die vage uitdrukkingen, hem die de godsdienst van 't exakte bekleed, maar men is nooit straffeloos 'n kind van z'n tyd. Hy wyst al die Kamerpraatjes niet af met de minachting die ze verdienen, en die dan ook werkelyk gevoeld wordt door den zeer enkele die trouw bleef of aan gezond verstand, òf aan de vak-religie waardoor by sommigen zoo eigenaardig de rol van 't geweten vervuld wordt. Maar dit zyn uitzonderingen.

In-weerwil van dat alles herinnerde hy zich iets op 't gemoed te hebben. «De volksvoeding, m'nheeren …

Wie luistert naar zóó iets! De kwestie aan de orde is, de dikke yzeren platen waarmee men waarschynlyk onze schepen onbruikbaar maakt, en zéker de marine bederft, uit Engeland of uit Frankryk moet ontboden worden? Dat 's wat anders dan eiwit en proteïne!

Zeer wel. De arme man tracht met geduld en berusting die pantserplaten te doorboren, en zwygt. Neen, erger, hy stemt mee met de clique waartoe hy zich verbeeldt te behooren, omdat ze hem 't uitzicht opende ook eens naar hèm te luisteren. Maar … eerst die pantser-historie Passez nous le rhubarbe, nous vous passerons le séné!

«De kazerneering der troepen …

Lieve hemel, hoort hy dan niet dat we bezig zyn met Eeredienst? De vraag «aan de orde» is, of goddelyke dingen, voortaan te zwak om alleen te staan, by finantien of binnenlandsche zaken moeten worden ingedeeld? De Israelieten beweren, de Katholieken gelooven, de Protestanten protesteeren …

In 's hemelsnaam! De huisvesting der troepen moet wachten tot de res divinae gekazerneerd zyn.

«Maar de hospitalen dan …

Hospitalen hier, hospitalen daar … de heeren zyn bezig met 'n Noorzeekanaal. Dàt is «aan de orde». Hospitalen by 'n volgende gelegenheid.

En onze patiënt—helaas, vroeger was-i zelf geneesheer! moet z'n lydende hospitalen laten wachten.

«Wat de koepokstof aangaat, myne heeren …

Er wordt vandaag niet ingeënt. De Kamer is bezig met de posteryen. «Aan de orde» is de vraag hoe 't stelen van brieven kan voorkomen worden?

De tegenstander der vaccine—hy is dus vooral tegenstander van gedwongen vaccinatie—schikt zich alweer. Hy stelt z'n verlossing uit, en rekommandeert zich voor wat gelegentliche aandacht op de zaken die hy behandelen wil, door zich gedwee te laten inënten met postery.

«Wat de prostitutie aangaat …

Sjt! Over zulke dingen wordt hier niet gesproken. On se respecte!

Daar zit nu de man met z'n kennis, met al z'n geleerdheid, met al z'n specialiteit! Hy betreurt den tyd toen-i alléén was met z'n streven naar waarheid, en geen andere beletselen kende, dan die uit den aard der behandelde zaak voortvloeiden.

Maar … eindelyk toch komt het tydstip waarop hy zoo-lang wachtte. Na 't doorloopen van allerlei kursus in zaken die hem vreemd waren, en waarin-i zoo goed mogelyk zich richtte naar 't voorbeeld van wien hy aanzag voor specialiteiten in hùn vak—de onnoozele! roept men hem op tot verkondiging …

Hy is gereed. «De huisvesting der troepen alzoo …

Alweer mis! Heeft men ooit dommer onbruikbaarder schepsel gezien dan zoo'n geleerde! Daar zou hy waarlyk den minister die gesteund moet worden, 'n brandhout voor de voeten gooien, of: den minister die vallen moet, steunen!

Zoo wordt alles gesmoord, vernietigd. Waarheid, vrucht van gemoedelyk onderzoek, religie der wetenschap, hospitalen, volksvoeding, vaccine, prostitutie … neen, nu zeg ik 'n woord te veel, één woord.

* * * * *

De zaken kunnen zich evenwel anders toedragen. Variis modis male fit. Stellen wy eens dat de thesis die onze specialiteit te bepleiten heeft, ten-laatste wèl «aan de orde» komt, en dat het geoorloofd is haar te behandelen. Hy spreekt. Men luistert naar hem. Men geeft hem de eer die hem als bevoegde toekomt.

Wie geeft hem die eer? Wie luistert?

De Kamer?

Geenszins. Slechts 't gedeelte der Kamer dat de verkondigde nieuwe leer kan gebruiken in 't program van den kinderachtigen partystryd. De waarheid wordt niet ingehaald om haarzelfs-wil, maar om haar opportuniteit als oorlogswapen. De bekwame specialist bedroeft zich over 't misbruik dat hy ziet maken van z'n arbeid, en gevoelt dat elke leugen, wanneer ze maar gelyke partydienst doen kan als de door hem gevonden waarheid, even welkom als deze zou geweest zyn.

Doch, meent men, z'n mededeelingen zyn nu eenmaal aangehoord … ze zullen doordringen?

O zeker. Het staat in de macht van geen Parlement ter-wereld, de waarheid op-den-duur te smoren. Maar ik blyf beweren dat de verkondiging op die plaats haar 't licht doen zien in zeer nadeelige konditien. De onvervalschte verspreiding wordt tegengewerkt en vertraagd door de lokaaltint van pseudo-staatkunde tendance die onafscheidelyk is van elke parlementaire handeling.

Het doet er voor den eisch van m'n betoog volstrekt niet toe, of de wetenschappelyke meening van onzen bekwamen specialist samenvalt met de belangen der meerderheid, of met die van 't ander deel der vergadering. De hulde dergenen in wier kader z'n opinien passen, heeft minder waarde dan wanneer z'n ontdekkingen waren gepubliceerd zonder politieken bysmaak. En … de tegenwerking der andere party is hevig. Dit nu op-zichzelf ware geen schade. Maar die hevigheid openbaart zich ten-koste van de waarheid. En dit schaadt wel!

—Hoe, gebreken in volksvoeding, in kazerneering, in prostitutie?
Onder den minister dien wy steunen? Dat mag niet waar zyn!

—'t Is inderdaad hard, maar … wie zal hem tegenspreken? Hy is 'n alom voor bevoegd gehouden … specialiteit!

—Zooveel te beter! Ook wy weten met zulke dingen te goochelen. En is 'n vakature voor 't distrikt X, Y, Z. Aan specialiteiten is ook aan ònzen kant geen gebrek …

Waarlyk, weinig tyds na z'n optreden ondervindt onze Goliath dat men hier-of-daar 'n Davidje wist optesporen—liefst 'n zeer kleintje—die juist niet altyd behoeft te overwinnen, als hy maar goed genoeg slingert om zeker soort van kampvechters te doen meenen, of gelegenheid te geven tot het voorwenden van de meening, dat hy den reus vlak voor z'n kop heeft getroffen.

Hoe dikker de laag van onbeduidendheid, die men doorboren moest om de nieuwe specialiteit aan 't licht te brengen, hoe onvoordeeliger de toestand wordt van den uit z'n kring gerukten apostel. Hy gevoelt dat men hem verlaagd heeft tot vechthaan, en dat hy zich en spectacle geeft. De leeken staan er by met de handen in den zak, en wedden. Ze voelen niets van de pyn des meesters, die diep gewond wordt, niet door de slagen die hem de leerling toebrengt—ze treffen niet!—maar door 't vernederend besef dat-i zich heeft laten verlokken tot derogeerenden stryd. Hy moet het aanzien dat onbevoegden z'n tegenstander den palm der overwinning toekennen, of—niet minder bitter!—ondervinden dat even onbevoegden wel willen erkennen dat hy dien tegenstander verslagen heeft, en mag eindelyk nog van geluk spreken, indien de parlementaire konvenientie van 't oogenblik hem den byval verzekert van de meerderheid. Maar … ook dit zelfs kan wel eens veranderen na de herkiezingen in Juni!

De specialiteit der 3e, 7e 1001e klasse integendeel, wint altyd, ook al werd-i moralement parlant platgebeukt weggedragen van 't slagveld. Hy die, buiten de Kamer, volgens de schatting der vakgenooten, onwaardig zou geweest zyn de schoenriemen des meesters te ontbinden, geniet nu reeds door den stryd-zelf—hoe ook de uitslag zy—grooter eer dan in gewone omstandigheden het loon eener overwinning wezen zou. Hy hyscht z'n onbeduidenheid aan de hoogte van z'n tegenstander op, die op zyn beurt hem niet mag terugzenden naar de school, omdat hy ditmaal niet te doen heeft met de nietige persoonlykheid van den adept—van den dilettant misschien—maar met die andere nietigheid welke men in de dieventaal der parlementen gewoon is: 't «geacht lid» uit … een-of-ander, te noemen.

Bezit nu 't ad hoc binnengeroepen vechtkuiken de gaaf van «mooipraten» of al ware het zelfs van «goed-spreken» dan is de zaak nog erger. En: dit is meestal 't geval, omdat het uit den aard der zaak voortvloeit. By 't opsporen immers van iemand die de gevreesde bekwame specialiteit moet neutralizeeren, is welsprekendheid—zoo noemen ze dat, en ik zal hierop terugkomen—'n eerste vereischte. Hoe hooger Goliath uitsteekt, hoe meer steentjes onze David-Demosthenes moest kunnen bergen in z'n mond. Hoe minder wetenschap, hoe meer redevoering. Hoe minder kennis, hoe meer misbruik van taal. Hoe minder innerlyke waarde, hoe meer cant.

Ligt het nu niet in de rede, dat onze andere specialiteit, hy dien we voorstelden als inderdaad uitstekend, berouw voelt dat hy zich en z'n waarheidsreligie blootstelde aan zulke vernederingen? Moet hy niet telkens neiging voelen den stryd te ontwyken, als zyner onwaardig? Begrypt men niet, dat hy slechts met moeite zich weerhoudt van het uiten der klacht: «gy, geachte leden die m'n woorden toejuicht of afkeurt, ik wenschte dat ge leerdet wat toejuiching of afkeuring waard is. Voor u allen is plaats op andere banken dan van deze Kamer … ik wacht u by m'n lessen. Wat u betreft, geacht lid uit Snaterburg, die me zoo heel in 't byzonder tegenkakelt, om by die lessen te worden toegelaten, stel ik u voor, een-en-ander afteleeren. En hiermee heb ik de eer de heeren te groeten.»

Wel zeker! Hy gaat naar huis, en zoekt 'n ander veld ter bezajing. Als oprecht waarheidzoeker is hem lof en tegenspraak beide welkom. Maar 't moet de waardige lof zyn die aanmoedigt en kracht geeft tot voortgaan, niet de onbekookte «mooivindery» van bevooroordeelden. De tegenspraak die hy gaarne uitlokt als onmisbaren graadmeter van z'n oordeel, behoort te leiden tot ontwikkeling. Hy voelt zich en z'n zaak te goed voor 'n redeloos gekibbel, dat hem afmat, den indruk zyner redeneeringen uitwischt, en den stand der behandelde zaken verwart. Dit alles moge nu-en-dan voldoen aan de eischen eener zoogenaamd-staatkundige party, 't past gewis niet in 't program van den waarheidzoeker.

Ik laat nu daar, in hoeverre dit alles anders wezen zou, indien … onze parlementen anders waren. Dit behoort niet volstrekt tot m'n tegenwoordig onderwerp, al zy 't dan dat de wanbegrippen over 't nut van specialiteiten het hunne bydragen tot het laag gehalte onze Volksvertegenwoordiging. Daartoe evenwel werken ook oorzaken mee, die tot 'n heel andere kategorie van dwaling behooren, dan waartegen ik in dit geschrift te-velde trek, en die ik dus nu voorbyga.

Men zou me kunnen tegenwerpen dat de bekwame specialist niet juist altyd 'n onwaardigen tegenstander behoeft te hebben, en vragen of er dan ook geen nut te trekken is uit 'n debat tusschen ebenbürtigen?

Elders, ja. Maar in de Kamer niet. De pseudo-politieke atmosfeer bederft al wat haar inademt. De man van wetenschap gevoelt dit, en tracht zich aan dien invloed te onttrekken. Zoodra hy in z'n tegenstander een hem waardigen kampvechter erkent, zal hy hem liever uitnoodigen tot het kiezen van 'n geschikt terrein, dan hem en zichzelf ten schouwspel te geven aan 'n publiek dat het bywonen van den stryd niet waard is. Deze ridderlyke afkeer van dorperheid wordt nog ondragelyker, zoodra de kampioenen het besef opdoen dat hun plebs niet alleen onbevoegd is tot het beoordeelen van de kracht of juistheid der toegebrachte slagen, maar dat het er op aast hun beider eruditie te gebruiken als oorlogsmiddel in 'n stryd waarmee de wetenschap niets gemeens heeft. De vernedering is dan voor beiden onduldbaar, waaruit dus vanzelf volgt dat wy op zoodanig schouwspel zelden—ik durf zeggen: nooit—onthaald worden. En hiermee wordt alzoo de stelling bewezen dat de inderdaad bekwame specialiteit het lidmaatschap in de kamer niet dan onbedacht aanneemt, en in dat geval slechts voor zeer korten tyd behoudt.

De schaarste van uitzonderingen op dezen regel gedoogt niet dat het aanwezen van twee uitstekende specialiteiten in één vak, frekwent kan zyn op de banken der Volksvertegenwoordiging. Doch al ware dit anders, dan nog en dan alweer zou 't getuigen tegen de toepasbaarheid van 't specialiteiten-stelsel, dewyl in zoodanig geval andere speciaal- vakken te schraal zouden bezet wezen.

Aannemende immers dat, byv. de marine door twee specialiteiten werd vertegenwoordigd—hooger aantal zou de onevenredigheid nog doen stygen—dan volgt hieruit dat veel andere vakken van kennis en wetenschap onvoldoende of in 't geheel niet gereprezenteerd worden, en wel om dezelfde reden die m'n uitgever bewoog die duizend vervelende hoofdstukken te schrappen.

Twee zulke marine-specialiteiten zullen gewoonlyk bestaan uit twee … FRITSJENS. Zelden uit één admiraal van de soort als die ik liever aan het hoofd van de vloot zag, met één FRITSJE tegenover hem. En nooit uit twee admiralen van dat gehalte. Mocht dit laatste par impossible 't geval eenmaal wezen, dan kan men verzekerd zyn dat de een met monitors dweept, en dat de ander, op 't voorbeeld van den Amerikaan FERRAGUT, zich schamen zou to fight on the bottom of a teakettle. In één zaak evenwel zullen die heeren 't ééns zyn, in tegenzin elkaar te enteren voor 't plezier van zes dozyn landkrabben die geen marlpriem kunnen onderscheiden van 'n borduurnaald.

Doch, zullen sommigen meenen, het nut der debatten tusschen specialiteiten in de kamer gaat misschien niet geheel te-loor. Ze worden ook buiten de Kamer gehoord …

Niet zoo goed als wanneer ze buiten die Kamer gevoerd waren, in welk geval de onderwerpen grondig, monografisch, en van politieke «smetten vry» konden behandeld worden. Deze drie epitheta namelyk duiden de tegenstelling aan, van de belemmeringen in de Kamer, die ik trachtte te schetsen.

Wie overigens, ter verdediging van het nut der specialiteiten in 'n parlement, zich beroept op de mogelykheid dat niet alles verloren gaat wat ze daar ten-beste geven, heeft toegestemd wat ik bewyzen wilde.

Ik mag dit kapittel niet sluiten zonder de opmerking dat de gegrondheid myner overtuiging op dit stuk, gestaafd wordt door de Geschiedenis. Nooit dan in de tyden van voorbygaande beroering, waren zeer uitstekende mensen—dusgenaamde «groote mannen»—leden eener politieke vergadering. In dit feit ligt de resumtie der oorzaken waarom ook gewoon-uitstekende mensen—vak-specialiteiten—niet op hun plaats zyn in 'n volksvertegenwoordiging. Zoodanig kollegie geeft aanhoudend blijk, niet zoozeer te beantwoorden aan de roeping om kapaciteiten aantewerven—wat dan toch, oppervlakkig beschouwd, de eisch wezen zou—dan wel om te voorzien in de behoefte aan 'n terrein waarop middelmatigheden voor kapaciteiten kunnen doorgaan. Wie veel bezit, associeert zich niet. En wie inderdaad iets is …

—Niet waar, 'n mens moet iets zyn, roept men ons uit den hemel toe …

We herkennen de stem des zaligen Barons VAN EEN-OF-ANDER. En we geven hem volkomen gelyk. Een mens moet iets zyn. Zeker, zeker, men moet iets zyn! Maar juist daarom komt het me voor, dat iemand die inderdaad uit zichzelf iets is, zich geen moeite hoeft te geven schynbaar iets te worden, door 't opgaan in anderen die op hun beurt zich slechts vereenigden om niet, ieder alleen staande, volstrekt niemendal te wezen.

MVII.

Onder de tallooze invloeden die de maatschappy beheerschen, zyn er velen die wy òf in 't geheel niet kennen, òf waarvan wy ons slechts zeer onvoldoende rekenschap geven. De algemeene oorzaak van dit verschynsel zal wel traagheid zyn, maar ik meen de meer onmiddellyke aanleiding te vinden in onze … specialiteit van aardbewoners. We zyn zoo gewoon geraakt aan 't waarnemen of ondergaan van de uitvloeisels, dat we zelden ons opgewekt voelen om onderzoek naar de bronnen te doen. 't Is dus hier alweer—als by die bakkers in Hoofdstuk zooveel—de levenslankheid waarmee wy ons vakje van aardbewoners uitoefenen, die ons van 't nasporen der causae rerum terughoudt, en hierom staat gewoonlyk ons begrip nog lager dan onze kennis, die … ook te wenschen overlaat.

Wanneer een onzer op de maan aanlandde, en daar wezens aantrof die belangstelden in kennis, zoud-i waarschynlyk in z'n nieuwe omgeving doorgaan voor byzonder bevoegd om inlichtingen te geven omtrent aardsche zaken. Maar weldra zou hem blyken dat een seleniet meer vragen kan dan tien telluriers weten te beantwoorden. En dit niet alleen ten-opzichte van inderdaad onoplosbare vraagstukken, of ook van die welke slechts by sommigen voor moeielyk doorgaan, maar zelfs in zaken die geenszins buiten z'n begrip liggen. Telkens zoud-i zich moeten verwyten gedurende z'n vorige loopbaan zoo weinig acht te hebben geslagen op 't verband tusschen oorzaak en gevolg, en by 't minst besef van eerlykheid ware hy werdra genoodzaakt z'n ontslag te vragen uit de betrekking van vraagbaak. De primitiviteit der leeken die hem aanzagen voor professor, zou zich openbaren in allerlei vragen welke hy nooit zichzelf voorlegde niet alleen, maar die hem ook op z'n eigen planeet nooit waren gedaan door onkundigen, vertrouwd en verzoend als ze waren met hun gebrek aan begrip. Een vry algemeene hoofdindruk van zoo'n ontmoeting zou bestaan in de overtuiging dat-i vroeger zeer veel meeningen had aangenomen als op rede gegrond, terwyl hy nu zou moeten erkennen dat ze slechts berustten, of op stilzwygende overeenkomst—konventie—óf op voorbedachtelyke en uitdrukkelyke versiering, op 'n gemakshalve als wáár aangenomen maar onbewezen en vaak onjuiste stelling, in één woord: op fiktie. Onder deze konventien bekleeden onze meeningen over bevoegdheid 'n eerste plaats. By nauwkeurig onderzoek zal gewoonlyk blyken dat we telkens deze hoedanigheid toekennen aan personen die daarop niet veel meer aanspraak mogen maken dan zoo'n verdwaalde aardbewoner die op de maan benoemd werd tot adviseur.

Dat de hier bedoelde onjuistheid van schatting, met al de fouten die er uit voortvloeien, nooit geheel kan vermeden worden, ligt in den aard der zaak. De meeste punten van rechtsbegrip en zedelykheid immers, ja zelfs de meeningen over eigen of algemeen belang, berusten op konventie, en dit zal wel zoo blyven, zoolang 't ons niet gegeven is doortedringen tot de eerste oorzaak der dingen. Altyd stuiten wy in onze nasporingen op 'n stelling die—zooals de axiomaas in wiskunde, maar met minder recht—voetstoots moet worden aangenomen, op-straffe van onmogelykheid om dóórteredeneeren. Dit verschoont evenwel de lichtzinnigheid niet, waarmee wy ook zulke onwaarheden vaststellen, die zeer goed hadden kunnen vermeden worden zonder ons 't verlies van 'n bruikbare konkluzie te veroorzaken. Het is waar dat wy in sommige gevallen aan zeker vertrouwen op konventioneele bevoegdheid behoefte hebben, geenszins omdat dit den wysgeer nader brengt aan waarheid, maar omdat de maatschappelyke orde soms vereischt dat 'n twyfelachtige zaak op wettelyke wys worde vastgesteld. Dit onderscheid tusschen de doeleinden der wysbegeerte en de belangen van de maatschappy, wordt—heel onwillekeurig voorzeker, maar nogal duidelyk—erkend door de Wet. Zy verbiedt den rechter uitdrukkelyk: recht te weigeren, dat is: géén uitspraak te doen in de geschillen die aan z'n oordeel worden onderworpen. Hy moet beslissen tusschen ja en neen, tusschen aanklacht en verdediging, tusschen zwart en wit, plus en minus, zyn en niet-zyn. Hy mag niet twyfelen, mag z'n oordeel niet opschorten, mag niet bescheiden wezen—'t geen hier in veel gevallen zeggen wil: niet eerlyk—hy is eens-vooral veroordeeld tot weten. Op wysgeerig terrein zou deze verplichting 'n ware zotterny wezen, wanneer niet op even wysgeerige gronden kon worden aangenomen dat we behoefte hebben aan zeker soort van dwaling. De natuurkundige dien men vragen zou, waarom alle stof streeft naar vereeniging, mag betuigen dat hy 't niet weet, maar 'n Rechter is verplicht zich te houden voor alwetend en onfeilbaar, of … zich aantestellen alsof hy zich daarvoor hield. Waar-i soms inkompetentie aanvoert, mag en moet ze gegrond wezen op een-of-ander wetsartikel dat z'n jurisdiktie bepaalt, nooit op z'n onwetendheid in 't algemeen, of z'n gebrekkige kennis der byzondere zaak die aan z'n oordeel onderworpen werd. Veel minder nog op z'n zedelyke onvolkomendheid die hem zou kunnen verlokken tot toegeven in partydige liefde of haat. Het is dan ook om redenen van dezen aard dat algemeene wysbegeerte, d.i. 't streven naar waarheid, zoo dikwyls lynrecht tegenover de eischen van een «vak» staat. Maar 't ideaal van volkomendheid dat we moeten trachten te bereiken, noopt ons dit verschil in opvatting zooveel mogelyk te verevenen. Het is daarom onze plicht geen certifikaten van bevoegdheid uittereiken aan valsche specialiteiten, en vooral niemand tot specialiteit uitteroepen, die zeer in 't byzonder ònbevoegd is. Dat 'n Rechter in wiens uitspraak we genoodzaakt zyn te berusten, niet altyd rechtspreekt, is nu eenmaal de verdrietige waarheid, maar onzinnig zou 't wezen, daarom by-voorkeur den zoodanige tot rechter te benoemen, van wien niets of weinig anders ware te wachten dan ònrecht. Onder billardspelers bestaat de gewoonte, by verschil van meening over 't aantal behaalde punten, zich te onderwerpen aan de uitspraak van den markeur «die 't weten moet.» Onze eerbied voor 'n rechterlyke uitspraak heeft geen steviger grondslag dan die «voor bevoegd houden» van 'n droomerig jongetje. Toch verbeeld ik me dat 'n wakkere, oplettende—en vooral 'n intègre!—markeur te verkiezen is boven 'n slaapkop of 'n bedrieger. Wil men deze vergelyking omtrent de kracht en de strekking van konventioneele bevoegdheid verder uitstrekken of hooger opvoeren, dan wys ik op 't zeer rationeele katholieke leerstuk der pauselyke onfeilbaarheid, 'n dogma dat gewoonlyk verkeerd wordt voorgesteld door protestanten en protesteerende katholieken, twee soorten van dissidenten die middel vonden om de ongerymdheid van de geloovery optevoeren tot hoogere machtsverheffing. De tegenwerpingen: «hoe kan een aan allerlei menselyke onvolkomenheden onderworpen mens onfeilbaar wezen?» en: «wat al pausen die dwaasheden beginnen, of zelfs misdaden!» houden geen steek. Het is voor den geloovigen katholiek die de eenheid der kerk bewaard wil zien—en juist dit is de eisch van 't katholicismus—de vraag niet, of zekere persoon dien men paus maakte, dwalen kan, maar: of men niet tot handhaving van dien eigenaardigen eisch der kerk, behoefte heeft aan … 'n markeur, wiens konventioneel gezag den vrede onder de spelers bewaart? De protestantsche wyzigheden op dit punt, komen vry bespottelyk voor in lieden die eerbied hebben voor allerlei apokriefe dokumenten, voor de wartaal van dezen of genen profeet of apostel, en die zich deemoedig buigen onder de uitspraken van CALVINUS, van LUTHER, van den Heidelberger, van de Dorische Synode. «Wy niet roepen hier de modernen, wy erkennen slechts als waarheid wat wyzelf onderzochten en inderdaad voor waar erkennen.» Deze betuiging zou 'n gelukwensch waard zyn, wanneer ze in-allen-opzichte met de werkelykheid overeenkwam, en als ze niet geuit werd door mensen die toch in 't maatschappelijk leven telkens zeer katholiekelyk hun meening onderwerpen aan de opinie van deze of gene specialiteit, zonder nog daarby zich te kunnen beroepen op traditie, op piëteit, op behoefte aan eenheid en tucht, of wat dies meer zy.

De eerste modellen van opgedrongen bevoegdheid waarmee wy in 't leven te doen krygen, zyn natuurlyk de ouders. Zy zyn 't die de kinderboekjes koopen en de onderwyzers kiezen, en worden waarschynlyk dáárom in sommige opvoedkundige werken zoo walgelyk gevleid. De lezer staat verbaasd over al de wysheid en al de deugd van Vader en Moeder, die 'n kind volgens die werkjes in z'n binnenkamer te aanschouwen krygt, en behoorde verwonderd te zyn daarvan zoo weinig waartenemen in de maatschappy. Papa en Mama stelen niet, vloeken niet, liegen niet, twisten niet, lasteren niet en gooien geen glazen in. Of ze de specialiteit van onmenselyke bravigheid zóó ver dryven dat ze niet eten en drinken ook, is me nooit gebleken, maar me dunkt het hoort er zoo by. En … de kunde! Papa weet alles. Hy is de «bevoegde» persoon om alle geheimenissen optelossen, alle duisterheden te verklaren. Niets weet-i niet, precies 'n rechter! Maar, lieve mensen, ziet eens om u heen, en let eens op al de vaders die in hun binnenkamer benoemd werden tot specialiteiten in volkomenheid! Het kind—dat niet om zich heen ziet, en dit dan ook nog niet kàn—schikt zich, en vervalt van de eene specialiteit in de ander. Want weldra neemt de onderwyzer z'n niet zeer bescheiden plaats op den troon der volmaaktheid in. Daarop volgt de dominee, de «bevoegde» persoon alweer om te vertellen wie, wat en hoe God is. Hy weet dit precies, want … hy is specialiteit in onbegrypelyke dingen. 't Is z'n «vak.»

Aldus voorbereid om genoegen te nemen met het leunen op onvaste steunsels, treedt de jonge mens de wereld in, en zou 'n Herkules van zelfstandigheid moeten wezen om vertrouwen te weigeren aan de tallooze voorgangers die hem als «bevoegd» worden aangewezen. Bovendien, wat zou hem tot wantrouwen opwekken? De verkeerde begrippen die hy ontmoet in de Maatschappy, werden ook gedoceerd door de speciaal-bevoegden die deze Maatschappy aan 't hoofd van haar akademien plaatste. De akademien bevestigden wat er onderwezen werd op de school. En die school was redelyk homogeen met de kinderkamer. Zeker, zeker, de specialiteiten in «bevoegdheid» vormen 'n keten die van 't allerlaagste tot het hoogere, hooge en allerhoogste loopt. Bakers, geneesheeren en professors zyn 't volmaakt eens in hun afschuw van de luchtbeweging die ze brandmerken met den vreeselyken naam van «tocht.» De staatsdienaars in hun redevoeringen, en zelfs de Vorsten op hun troon, stellen zich even kundig aan, even edelmoedig, even rechtvaardig en even zedelyk als de heeren Eerhart en Goedman uit de kinderboekjes. Wie aan de praatjes van al die vorsten, bakers, staatsdienaren en dokters geen geloof slaat, is 'n ketter. Maar de jongeling die zoo-even de maatschappy intrad, denkt niet aan de mogelykheid van verzet, ternauwernood aan oorbaarheid van twyfel. Gebiologeerd tot stompzinnig berusten, raakte hy zoo gewoon aan 't meegaan met anderen, dat-i z'n eigen denkvermogen liet braak liggen. De stad zyner inwoning komt voor rekening van Burgemeester en Wethouders, die wel verstand zullen hebben van gemeentebelangen, want … ze zyn de bevoegd-verklaarde personen. De Landsregeering? Wèl, daar is de Koning voor … 'n specialiteit van geboorte. Daar zyn de Ministers voor … specialiteiten van 't goddelyk parvenir. Daar is de volksvertegenwoordiging voor, specialiteit van … ik weet niet wat, maar «bevoegd» is ze, o gewis! Want de Wet verzekert het ons, en die Wet werd gemaakt door specialiteiten van gelyke bevoegdheid als de bevoegd verklaarde vergadering-zelf. Wie dáárna nog twyfelt!

Er blykt alzoo dat wy in dat alles—en in 't laatst genoemde zeker 't minst niet!—te doen hebben met een der fiktien waaraan onze Maatschappy zoo ryk is. Reeds in den aanvang myner IDEEN wees ik op de eigenlyke strekking van 't vertegenwoordigend Regeeringsstelsel. Het tellen van stemmen—iets als 'n zonderlinge poging om intelligentie, kunde, goede trouw, vaderlandsliefde, e.d. te onderwerpen aan den eersten hoofdregel der rekenkunde—zou eigenlyk kunnen beteekenen: «àls we aan 't vechten gingen, zouden wy winnen, want we hebben de meerderheid op onze hand. Laat ons 't vechten voor gebeurd houden, en aannemen dat wy geslagen hebben. Dit wint vermoeienis, tyd, geld en bloed uit.» Zeker! Maar … dan blyft toch altyd de eisch: dat men goed telt, niet waar? En dit doen we met onze konventioneele kiesdistrikjes alweer niet! De fiktie over «bevoegdheid» nu eenmaal niet kunnende missen, behooren wy in die fiktie zoo logisch mogelyk te-werk te gaan. Dat we dit niet doen, meen ik in m'n IDEEN 119, 120, 121, en 133, voldingend bewezen te hebben. Of zou 't er—na eenmaal 'n onjuistheid te hebben aangenomen als punt van uitgang,—niet op aankomen hoe men daarop voortbouwt? 't Is wel mogelyk. Maar dan konden wy onze kiezery vereenvoudigen of, beter nog, geheel achterwege laten, en de beslissing over «bevoegdheid» tot Lands-en Gemeentbestuur overlaten aan 't lot.[7] Dit zou ook hierom misschien de voorkeur verdienen, omdat we dan met gelyke kans op goeden uitslag —waarschynlyk zelfs met grooter kans—tyd en inspanning konden sparen, om nu niet te spreken, van den wrevel, van de zwartmakerij, van al 't onzedelyke dat 'n onvermydelyk gevolg is van onze tegenwoordige kiesmethode. Het heeft er veel van, of de Wetgever bevreesd was dat het Volk hooger zou staan dan z'n gemachtigden, en middel zocht om by 't verlagen van 't peil der Kamer, tevens de burgery te demoralizeeren. En nog beweren sommigen dat de fabrikeurs der achtenveertigste grondwet hun doel niet zouden bereikt hebben! Allons donc!

* * * * *

Men zou kunnen aannemen dat er voornamelyk drie manieren zyn, waarop 'n certificaat van bevoegdheid—dat is 'n aanstelling tot specialiteit—wordt uitgereikt:

1. Door de spontane publieke opinie, mits zich uitdrukkelyk in een niet al te onbelangryk feit openbarende, daar 't anders twyfelachtig blyft wat eigenlyk de opinie van zoo'n publiek is?

2. Door 'n officieel gereglementeerd deel van de publieke opinie, zooals byv. geschiedt naar aanleiding onzer Kieswet.

3. De par le Roi, d.i. door den luim van 'n Minister die z'n eigen gezag te danken heeft aan 'n fiktie omtrent «bevoegdheid

De vraag doet zich op, welke van deze drie manieren 't meest vertrouwen verdient, dat is 't minste wantrouwen. Ik weet 't waarlyk niet.

De kompetentie van 't algemeen, van «Men» werd nogal dikwyls te-schande gemaakt. Wie den loop der «publieke opinie» in de Geschiedenis nagaat, zou byna op 't denkbeeld komen dat ze per se onjuist is. Maar ook dit is 't geval niet, want by de aanhoudende eb en vloed der meeningen, bestaat altyd zekere kans dat «Men» somtyds juist oordeelt, al blyft het gewaagd dat monster daarvoor grooter eer toetekennen dan de kansrekening meebrengt. En … die kans is zeer nadeelig, want het aantal en de kracht der invloeden die de publieke meening 'n verkeerden weg opstuwen, is zeer groot. Onwetendheid en vooroordeel spelen daarby 'n groote rol. Eens zeide iemand die door 't publiek van zyn tyd voor niet-bevoegd verklaard werd om meetespreken —een vermeende onbevoegdheid die zoo ver ging, dat «Men» hem op wreedaardige wys 't zwygen oplegde—JEZUS dan heeft gezegd: «niemand geldt voor profeet in z'n vaderland.» Deze uitspraak is nietvereerend voor de vaderlanden, en te minder omdat er rechtstreeks uit volgt dat zy die in hun vaderland wél geacht, en dus aan 't hoofd der zaken geplaatst worden, geen profeten zyn. Wie dit goed bedenkt en konscientie heeft, zou er tegen opzien de hand te reiken aan een met algemeene stemmen verkozen Gemeenteraadslid, en zeker den moed niet hebben om 'n Kieswet te maken.

Toch hebben oppervlakkige denkers dien moed gehad! Om te weten te komen wie «bevoegd» zyn om 't Volk voortegaan, sloegen zy den weg in, die rechtstreeks op verregaande ònbevoegdheid uitloopt. Als ware het om de kwaal zooveel mogelyk te verergeren, heeft men 't aantal verkeerd oordeelende vaderlanden in kiesdistrikten gesplitst, en alzoo de fouten die zoo'n Vaderland aankleven, zooveel mogelyk vermenigvuldigd. Die fouten immers zyn: onkunde, brood-roem-en opinienyd, in één woord: Klein-städterei. Het ligt in de rede dat de «Vaderlanden» hun kandidaat-profeten van te naby zien, en dat dit gebrek te grooter wordt naarmate men de grenzen van zoo'n vaderland inkrimpt, gelyk by ons Distriktenstelseltje dan ook inderdaad het geval is.

* * * * *

Ik gis dat deze laatste opmerking sommigen zal voorkomen als 'n parafraze van 't bekende spreekwoord over groote mannen en kamerdienaars, en dit noopt me tot de uitdrukkelyke verklaring dat ik hier geheel iets anders bedoel. Om dit verschil van meening duidelyk te maken, moet ik me nu wel even met dien vervelenden deun bezighouden. Na den weerslag dien ik jaren geleden reeds daarop gaf en dien ik voor afdoende hield, (IDEE 689) kom ik daarop niet voor m'n genoegen terug. Maar 't moet wel, omdat me telkens blykt dat er nog altyd 'n gansche bende kamerdienaars heel wanhopig loopt te zoeken naar 'n groot man. Eilieve, als die verweesde lakeien-zelf eens die funktie op zich namen? 't Is waar dat ze dan zouden moeten beginnen met 'n eind te maken aan hun knechts-praatjes. De gaping die daaruit te voorzien was op de programmen van Letterkundige Kongressen, moest dan maar in 's hemelsnaam worden aangevuld met iets degelyks.

Voyons! De grootemannigheid schynt … 'n hoedanigheid te wezen. We slaan de definitie over, en nemen gemakshalve aan, dat de jammerende knechts 't daarover onderling eens zyn. Ook dat ik 't met hen eens ben … wat veel gehoopt is, want: 1. Ik weet niet wat men onder 't woord «groot man» verstaat. 2. Als ik 't wist, zou ik zeker moeite hebben m'n opinie duidelyk te maken aan 't volkje dat gewoon is in 't kleine te wroeten. 3…. maar genoeg! We zullen ons aanstellen, alsof ik, wy, zy, allemaal verstand hadden—en 't zelfde verstand—van grootemannigheid. Deze hoedanigheid dan moet het eigendom, het kenschetsende, de eigenaardigheid wezen van 'n mens, niet waar? Men kan dus zeggen: «A is 'n groot man» even als men verzekeren kan dat B blond is. Van welke kracht nu zou de tegenwerping wezen: niemand is blond voor z'n keukenmeid? Beteekent dit, dat de blondheid van B in twyfel getrokken of ontkend wordt? Me dunkt dat deze twyfel of ontkenning zich anders moest openbaren. Het aanduiden immers van 'n byzondere personensoort die B's blondheid niet waarneemt of erkent, schynt de meening in zich te sluiten dat B wèl blond is voor alle anderen. Wat is hier de bedoeling van 't woordje: voor? Men is iets, of men is 't niet. Wil 't hier zeggen: «in de oogen van?» Maar … de schuld kan aan die oogen liggen, en 't spreekwoord moet dan veranderd worden in: «keukenmeiden kunnen geen blond zien.» Arme keukenmeiden! Of zou de wysheid der volkeren bedoeld hebben dat er geen blonde menschen zyn? Waartoe dan die keukenmeid er bygehaald? Men zou toch niet in 't hoofd krygen te zeggen: «voor die, die of die bestaat er geen cirkelkwadratuur, geen perpetuum mobile» alsof die dingen er wèl waren voor 'n ander.

Een welwillende huisgenoot die me over den schouder ziet, blaast my in 't oor dat ik hier moet afstappen van de letterlyke beteekenis, om overtegaan op den vermoedelyken zin van 't spreekwoord. Goed! Die zin zal wel wezen dat zoo velen—of allen?—die voor groot doorgaan, van naby bezien …

Het doet me leed, hier 't woordje «van naby» te moeten gebruiken, omdat juist in de verondersteld-onjuiste opvatting dáárvan, de oorzaak ligt die me zoo-even deed verklaren dat ik in myn redeneering over de fout van te naby zien, geenszins het oog had op dat armzalige keukenmeiden-spreekwoord. Ik zal dus wel genoodzaakt wezen daarop terugtekomen, en neem voorloopig dat «van naby zien» in den gewonen zin.

«Velen—of allen?—die in de verte groot schynen, blyken van naby gezien niet groot te wezen?»

Is dit de beteekenis van 't spreekwoord? Dan begryp ik 't alweer niet. Met dat «schynen» immers hebben we niets te maken. «In de verte zien» zou dan, beter uitgedrukt, beteekenen: verkeerd zien. En: «van naby beschouwd» had de kracht van: goed beschouwd. De heele zin kwam dan hierop neer, dat 'n zaak, terdege bekeken, zich anders voordoet dan verkeerd gezien. Het is voor de wysheid der volkeren te hopen dat er in dat spreekwoord 'n eenigszins dieper bedoeling ligge. Om met alle welwillendheid die bedoeling optesporen, doen we nu ook van 't ontleden der overdrachtelyke beteekenis afstand, en brengen de zaak over in het stellige, in 't konkrete. De zin van 't spreekwoord zou kunnen zyn: