WeRead Powered by ReaderPub
Sprookjes van Jean Macé cover

Sprookjes van Jean Macé

Chapter 12: INHOUD.
Open in WeRead

About This Book

A series of short fairy tales for young readers presents whimsical, domestic vignettes where mischief and kindness meet magical intervention; kindly but resolute supernatural figures correct bad behavior, while helpful creatures and small transformations bring about moral reckonings. Each tale blends lively household and community detail with playful incidents and neat resolutions, emphasizing consequences for actions and rewarding compassion, obedience, or reparation. The collection consistently foregrounds lessons about responsibility, empathy, and the social effects of conduct within accessible, gently didactic narratives.

Zij gingen eerst naar een groote zaal.

Nu, zij, die in deze boeken hebben gelezen, kunnen er zich op beroemen geleerden te zijn; dàt kan je maar gerust gelooven!

Zij gingen eerst naar een groote zaal, die aan de geschiedenis der Egyptenaren, Pheniciërs, Babyloniërs en Perzen gewijd was.

Om de boeken te lezen, die hier te vinden waren, had de eigenaar dezer bibliotheek Hebreeuwsch, Arabisch, Oud- en Nieuw-Perzisch en nog een heeleboel meer talen, waarvan ik den naam vergeten ben, moeten leeren. Hij kon ook de hieroglyphen ontcijferen, die men op de Egyptische obelisken vindt, dat spreekt vanzelf, maar dit alles was hem nog niet voldoende; hij kon er maar niet overheen komen, dat hij geen Chineesch geleerd had,——verbeeldt je!

Dan volgde de zaal der Grieksche geschiedenis; natuurlijk kende de geschiedkundige Grieksch.—Dan de zaal der Romeinsche geschiedenis; ik behoef je niet te zeggen, dat hij Latijn kende, en niet enkel het Latijn, dat men op ’t gymnasium leert, maar ook het oude Latijn der vroegste tijden.

Van hieruit zag men nog een heele reeks andere zalen, die alle afzonderlijk aan de geschiedenis van een volk gewijd waren, en op de andere verdiepingen waren er nog veel meer.

Zij gingen echter niet verder.

De geschiedkundige zat in de zaal der Romeinsche geschiedenis in een dik, Duitsch boek verdiept, dat een ander misschien vervelend zou vinden, maar hem zeer scheen te boeien, daar hij de tegenwoordigheid zijner bezoekers niet gewaar werd, voordat zij vlak bij hem stonden.

Geheel en al in de war gebracht door ’t gezicht van zooveel boeken, had de kleine jongen de fee gesmeekt hem niet als geleerde voor te stellen;——hij had immers hoogstens nog maar den inhoud van schoolboekjes in zijn bolletje.

Toen de groote geschiedkundige ’t hoofd opheffend fee Nederigheid zag, schoof hij zijn boek weg en stak haar haastig beide handen toe, alsof hij een oude vriendin begroette.

Alsof hij een oude vriendin begroette.

“Welkom, welkom,” riep hij uit; “ik weet maar al te goed, hoezeer ik u noodig heb!”

“Professor,” sprak zij, “hier is een jongen, die nog wel geen geleerde is, maar toch weet in welk jaar Rome gesticht is.”

Hij glimlachte even.

“Ben je heel zeker van het jaartal, vriendje?”

“O ja, heel zeker. Gisteren heb ik die heele bladzijde nog opgezegd, zonder een enkele fout te maken.”

“Zoo, dan ben je knapper dan ik, want ik voel er me niet volkomen zeker van. Er zijn zelfs menschen, die er door hun studie toe gekomen zijn te beweren, dat Romulus nooit heeft bestaan. Ik geloof echter, dat zij te ver gaan.”

Daar ’t gezichtje van het kind de grootste verbazing uitdrukte, wees hij naar de boeken in ’t rond, die zich als bergruggen tot aan de zoldering der zaal verhieven. “Als je slechts het vierde deel der dwalingen en leugens kende, die daarin staan, zou je je minder over mijn woorden verwonderen, mijn jongen. Zij, die niets weten, zijn de eenigen, die nergens aan twijfelen.”

“Professor,” sprak de fee toen, “ik ken een klein meisje en zij zegt, dat men om braaf te leven den goeden God gehoorzamen en alle menschen liefhebben moet zooals Hij.—Twijfelt gij ook hieraan?”

“De Hemel beware mij er voor! Er valt niet te twijfelen aan ’t geen dat lieve kind gezegd heeft.”

Onze jeugdige geleerde begon zich o, zoo klein te voelen.

“Ik zie ’t wel, vriendje,” zei de fee met een schalksch glimlachje, “dat je in ’t gezelschap van professoren toch niet erg op je plaats bent. Nu zal ik je bij de grootste auteur van den tegenwoordigen tijd brengen; die zal je stellig minder vrees inboezemen. Je kunt je hart dan eens aan een gesprek over taalregels ophalen.”

De grootste auteur van dien tijd was een vrouw. Zij ontving fee Nederigheid zoo hartelijk mogelijk in een salon, dat op alle andere salons in de wereld geleek.

Onze kleine baas voelde zich aanmerkelijk verlicht in de tegenwoordigheid van zoo’n eenvoudige dame, die geen enkel bijzonder kenmerk had, of ’t zouden haar groote, zwarte oogen moeten zijn, waarin vonken schitterden. Zijn beide vorige nederlagen hadden hem evenwel beschroomd gemaakt; hij durfde niet ’t eerst te spreken.

“Mevrouw,” zoo begon de fee, “hier is een kind, dat zijn taalregels goed geleerd heeft en er wel eens met u over zou willen praten.”

“Ik zie ’t wel, vriendje.”

De dame, die de welwillendheid zelve tegenover kinderen was, begon te lachen.

“Dat wordt dan een gesprek, waarin ik niet erg zal uitblinken,” antwoordde zij. “Ik schrijf maar, zooals ’t mij voor den geest komt en houd mij niet precies aan de regels. Doch als je er plezier in hebt, beste jongen, ga dan je gang maar. Waarover wou je praten?”

“Over ’t verschil dat er bestaat tusschen een volstrekten en een betrekkelijken hoofdzin.”

Zij lachte nog meer.

“Toen ik klein was, hoorde je nooit van deze termen. Ik weet niet eens goed wat zij willen zeggen en kan er trouwens ook best buiten.”

De jongen wist niet meer hoe hij kijken moest. De fee, die zijn verlegenheid wel zag, kwam tusschenbeide en sprak: “mevrouw, ik ken een klein meisje, dat zegt: om braaf te leven, moet men den goeden God gehoorzamen en alle menschen liefhebben zooals Hij.—Denkt u, dat men hier ook buiten kan?”

“Waarover wou je praten?”

“Er zijn ongelukkig genoeg veel menschen, die dit meenen, maar zij worden er op de een of andere manier toch altijd voor gestraft. Als zij hier was, zou ik dat lieve, kleine ding eens hartelijk omhelzen. Wat zij gezegd heeft, is iets, waar wij ’t geen van allen buiten kunnen stellen.”

“We hebben vooralsnog wel weinig succes,” hernam de fee, terwijl zij zich tot den verbijsterden taalkundige wendde, “maar wij willen daarom den moed toch niet verliezen. We zullen ’t heele rijtje van je vakken volgen.

Laat eens zien——nu is dus de aardrijkskunde aan de beurt.”

Dadelijk voelde hij zich als door een hevigen warrelwind opgeheven en meegevoerd.

Door een hevigen warrelwind opgeheven.

Toen hij weer tot zichzelf kwam, bevond hij zich in een groote, fraai gebouwde zaal, waar overal kaarten aan den wand hingen. Ons vriendje herkende wel in ’t algemeen den omtrek en vorm der landen, maar vond er geen der geographische verdeelingen, waaraan zijn oog gewend was, op terug.

“Waar zijn wij?” vroeg hij aan de fee.

“In ’t hartje van Afrika, kind, in het meest beschaafde land, dat er op dit oogenblik op de aarde te vinden is. Deze zaal is een der schoollokalen van dat land. Je ziet mij verbaasd aan! Ja, mijn jongen, we hebben een heel tijdperk overgesprongen, tweeduizend jaren liggen er tusschen nu en ’t oogenblik, waarop je zooeven leefde.”

Terwijl zij nog sprak, gingen de deuren open en traden de scholieren binnen; de kleine jongens kwamen van dezen, de kleine meisjes van genen kant ’t lokaal in. Er waren blondjes en bruintjes, blozende en bleeke, kleine en lange, bedaarde en drukke kinderen bij, precies zooals tegenwoordig,—en allen hadden een blanke huid.

“Ik dacht, dat hier enkel maar zwartjes woonden,” zei ’t kind tegen de fee.

Een lange, deftig gekleede mijnheer.

”’t Is al heel, heel lang geleden sinds het blanke ras zich van de heele aarde meester heeft gemaakt. Wat je in je aardrijkskundeboek over de verschillende menschenrassen hebt gelezen, is dus nu van geenerlei beteekenis meer.”

De meester verscheen op zijn beurt.

’t Was een lange, deftig gekleede mijnheer, die twee ridderordes op de borst droeg; het ambt van onderwijzer was n.l. een der meest eervolle, die men in dit land kende en mannen van de grootste verdienste en beteekenis stroomden in menigte te zamen, als er een plaats vacant was. Zij, die er voor in aanmerking wenschten te komen, hielden dan beurt om beurt school en werden door de kinderen gekozen of wel verworpen.—

De les begon. Onze kleine vent had er zich al op voorbereid er niets van te zullen begrijpen en keek daarom heel verwonderd op, toen hij den meester Fransch hoorde spreken. Weliswaar hielp hem dit nog niet veel, daar al de aardrijkskundige namen veranderd waren en er groote steden, beroemde rivieren en bloeiende gewesten werden opgenoemd, waarvan hij nog nooit had hooren spreken.

De fee, die wel bemerkte hoe verbluft hij keek, nam nu ’t woord.

“Meester,” zei ze, “leert ge den kinderen de departementen van ’t Loire-gebied niet?”

De fee wendde zich tot een klein meisje.

De onderwijzer, die een man van groote verdienste was, boog voor fee Nederigheid, want dat is de gewoonte van verdienstelijke mannen door alle tijden heen.

“Loire, zegt u? Ik heb dien naam wel eens in een heel oud aardrijkskundeboek vol dwaalbegrippen gelezen, waarin zich trouwens ook al de onkunde van dien tijd verraadt, want er staat volstrekt niets in over het groote land, dat wij bewonen, maar de departementen, waarover u spreekt, bestaan al lang niet meer. ’t Heele land is tijdens de aardbeving van ’t jaar 2500 in den schoot der aarde verzonken en er zwemmen nu visschen over de hoofdsteden dier oude departementen.”

De fee wendde zich hierop tot een klein meisje, dat de les zoo aandachtig mogelijk volgde. “Mijn kind,” sprak ze, “zou jij me wel kunnen zeggen wat men doen moet om braaf te leven?”

“Men moet,” zoo gaf het kind ten antwoord, “den goeden God gehoorzamen en alle menschen liefhebben zooals Hij.”


Ternauwernood had zij deze woorden gesproken, of onze geleerde vriend bevond zich weer thuis, in gezelschap van de fee en zijn verstooten buurtje, dat hem smeekend aankeek.—

“Vindt je nu niet, beste jongen, dat haar kennis die van jou ver te boven gaat?” vroeg de fee. “Je hebt nu zelf de waarde kunnen peilen van wat jij weet en deze menschen van groote beteekenis, tegenover wie jouw kennis in ’t niet zonk, bogen zich eerbiedig voor de hare. Niemand weet iets, dat hierboven gaat, niemand twijfelt er aan, niemand kan ’t er buiten stellen——en dit zal zoo blijven—onwrikbaar vast—duizenden bij duizenden jaren nà ons.”

“Zoo,” sprak de kleine jongen wat gemelijk, “als dat alles toch niets beteekent, behoef ik me dus op school ook niet zoo in te spannen.”

De kleine jongen omhelsde het kleine meisje.

“Hoor me zoo’n schelm eens aan,” riep de fee lachend uit. “Ik wist ’t wel, dat je die gevolgtrekking zoudt maken! Neen, mijn kind, zoo moet je niet redeneeren. De professoren, wier wetenschap je overweldigde en verschrikte, wisten niets meer dan jij nu, toen ze op jouw leeftijd waren. Als zij toen ook niet zoo flink hadden gewerkt als jij nu doet, zouden zij nooit zoover zijn gekomen. De eenige weg tot geleerdheid is studie, volhardende studie.—En de dame, wie de taalkundige termen, die jij hebt geleerd, onbekend waren, heeft in haar schooltijd weer andere geleerd, die ’t zelfde beteekenden! De namen zijn veranderd, maar de zaken zelf niet. ’t Zal nog te bezien staan welke wijze van uitdrukking feitelijk de beste is.—Voorts is ’t ook niet een reden om niets meer aan aardrijkskunde te doen, dat de aarde, die je bewoont, na jouw tijd zal veranderen. Al je vrienden veranderen, jijzelf ook——vindt je dit een beletsel om nu als kameraden met elkaar om te gaan?——Neen, neen, ik heb je alleen willen doen inzien, hoe dom en verkeerd ’t van je was hoogmoedig op je kleine beetje kennis te zijn en dit nog wel hooger te stellen dan de kennis, die men niet in ’t hoofd, maar in ’t hart bewaart, de eenige, waarbuiten men niet kan, de eenige zekere, de eenige noodige, de eenige, die nooit verandert.—Geef mijn lief petekind nu een kus en ga dan haar prentenboek bekijken; dat heb je wel verdiend.”

De kleine jongen omhelsde het kleine meisje, dat hem beide armpjes om den hals sloeg. Daarop ging hij de mooie platen bekijken en las ook de verhalen, die hem nog allerlei soort van dingen leerden, waarvan hij nooit gedroomd had, en later, toen zijn kindermeid weer in zijn bijzijn herhaalde, dat hij een groot geleerde was, zei hij tot zichzelf, dat er slechts één enkele wetenschap is, zoowel voor kleinen als voor grooten:

Den goeden God gehoorzamen en alle menschen liefhebben zooals Hij.—

V.

DE WAARHEIDSKETTING

Er was eens een klein meisje, dat jokte alsof het gedrukt stond.

Sommige kinderen jokken zonder blikken of blozen. Een leugentje, desnoods een groote leugen, schijnt hun de meest gewone zaak van de wereld toe en de meest gëoorloofde ook, als zij er maar door geholpen worden; ontheffing van een lastigen plicht of straf, ’t verkrijgen van een pleziertje, streeling van hun eigenliefde,——dat zijn allemaal dingen, waarvoor ze dadelijk zoo’n jokken bij de hand hebben.

Ons kleine meisje was daar ook heel sterk in. De waarheid bestond eenvoudig niet voor haar; alle uitvluchten waren wettig, mits zij ze ingang kon doen vinden. Langen tijd namen haar ouders alles voor goede munt aan, wat zij hun verkoos te vertellen, doch toen hun oogen er eindelijk voor gëopend werden, dat zij hun maar wat op de mouw speldde, hadden zij niet meer ’t geringste vertrouwen in haar. ’t Is wel treurig als ouders geen geloof meer aan de woorden van hun kinderen kunnen hechten. Wat een verdriet moet dit voor hen zijn en wat een zorg ook voor de toekomst! Want hoe gaat ’t met leugenaars? Zij vervallen van kwaad tot erger. Een klein, oogenschijnlijk onschuldig jokkentje is misschien ’t begin, maar wie zal zeggen tot welke grove ondeugden ’t mettertijd voert? Hoe vreeselijk voor ouders zich dan voor hun kinderen te moeten schamen!—Hoe ontzettend toch, als kinderen schande over hun ouders brengen.——

Vruchteloos trachtten de vader en de moeder van deze kleine jokkebrok haar van haar gebrek te genezen. Na allerlei—helaas zonder gevolg—te hebben aangewend, besloten zij met haar naar den alom beroemden toovenaar Merlin te gaan, wiens waarheidsliefde spreekwoordelijk was.

Van alle kanten werden er kleine leugenaars en leugenaarsters naar hem toegebracht, om door hem van hun ondeugd afgeholpen te worden.

Toovenaar Merlin woonde in een glazen paleis, waarvan al de muren doorschijnend waren. Nooit kwam ’t hem in den zin een enkele zijner daden te verbloemen of, ’t zij door spreken, ’t zij door zwijgen, een titteltje van de waarheid af te wijken.

Je weet immers wel, dat je ook kunt jokken door te zwijgen, als je zoudt hebben moeten spreken?

Hij kon leugenaars al op een mijl afstands ruiken; denkt eens aan—en toen ’t kleine meisje zijn paleis naderde, werd hij zoo onpasselijk, dat hij azijn moest branden, om de lucht te zuiveren.

De moeder van onze kleine jokkebrok begon met een hevig kloppend hart, blozend van schaamte, een vrij verward verhaal. Zij wilde hem uitleggen door welke treurige kwaal haar dochtertje aangetast was, doch geraakte zoo onder den indruk van de schande, die daarin lag, dat zij haar gedachten haast niet onder woorden kon brengen.

Azijn moest branden om de lucht te zuiveren.

Toovenaar Merlin viel haar echter al aanstonds in de rede.

“Ik weet er reeds alles van,” sprak hij. “Een uur geleden rook ik haar al; ’k heb het er door te kwaad gehad——dat is een eerste leugenaarster!”

De ouders van ’t kleine meisje bemerkten, dat de faam zijn kundigheden niet overdreven had. ’t Kind zelf wist zich van verlegenheid niet te bergen en trachtte zich in de plooien van den rok harer moeder te verschuilen. Deze wilde haar maar al te graag een schuilplaats geven, verschrikt als zij was door de wending, die ’t onderhoud nam, en haar vader ging vóór haar staan om haar, zoo noodig, te kunnen verdedigen, want het gelaat van den toovenaar scheen niets goeds te voorspellen. Zij wilden allebei wel graag, dat hij hun kind van haar gebrek afhielp, maar ’t moest op een zachte manier gebeuren en kwaad mocht hij haar niet doen.

“Stelt u gerust,” zei Merlin, die hun angst zag, “ik gebruik geen geweld voor dit soort gebreken. Staat mij slechts toe ’t juffertje een geschenk aan te bieden, dat haar wel naar den zin zal wezen.”

Hij opende een kast en haalde er een prachtig halssnoer van onvergelijkelijk schoon gezette amethisten uit, dat door een agrave van diamanten van ’t zuiverste water, welker schittering verblindend was, gesloten werd.

Toovenaar Merlin deed het kleine meisje dit sieraad om den hals, terwijl hij haar ouders met een welwillend gebaar hun afscheid gaf.

“Weest verder niet bezorgd,” zei hij, “uw dochtertje neemt een zekeren waarheidswachter mee.”

Met een kleur van plezier wilde ’t kind hen volgen, verrukt als ze was er zoo goed afgekomen te zijn, doch Merlin riep haar terug.

“Over een jaar kom ik naar mijn ketting kijken,” sprak hij en zag haar aan met oogen, die geen gekheid verstonden. “Tot zoo lang moet je hem onafgebroken dragen. Wee over je, als je ’t waagt hem ook maar voor een enkele minuut af te doen; ’t ongeluk is dan niet te overzien.”

“O, ik wil hem veel te graag altijd om houden; hij is zoo mooi!”

Deed het kleine meisje dit sieraad om den hals.

Je moet weten, dat dit halssnoer niets meer of minder dan de beroemde waarheidsketting was—in oude boeken wordt hij meermalen genoemd—die ’t vermogen heeft alle soorten leugens te ontmaskeren.

Toen onze leugenaarster thuis was gekomen, moest ze den volgenden dag weer naar school en daar ze lang afwezig was geweest, kwamen al de andere kleine meisjes schielijk op haar af en overstelpten haar met vragen, zooals ’t bij jullie op school in zoo’n geval zeker ook gaat.

Er was maar één roep over dien prachtigen ketting, dat kan je begrijpen!

“Wat ben je mooi! Hoe kom je daaraan? Waar ben je toch zoo’n tijd geweest?” weerklonk ’t van alle kanten.

Moest ze den volgenden dag weer naar school.

Jokkebrok paste er wel voor op haar kameraadjes te vertellen bij wien ze geweest was. Als je in dien tijd zei, dat je een bezoek aan toovenaar Merlin had gebracht, wist ieder dadelijk hoe laat het sloeg, want zijn vermaardheid als geneesheer der leugenaars was wijd en zijd verbreid.

“Ik ben lang ziek geweest,” gaf ze daarom brutaalweg ten antwoord, “en toen ik beter was, heb ik dezen mooien ketting gekregen.”

Er ging één kreet uit alle monden tegelijk op.

De diamanten van de agrave, die zooeven nog zoo prachtig fonkelden en schitterden, waren eensklaps glansloos geworden, en veranderden nu in stukjes waardeloos glas.

“Jazeker, ik ben ziek geweest. Vinden jullie dit zoo vreemd, dat je zoo’n misbaar maakt?”

Op deze herhaling van haar leugen veranderden de amethisten op hun beurt in leelijke, geelachtige keisteentjes.

Een nieuwe kreet weerklonk er. Aller blikken waren op het halssnoer gericht.

Nu keek zij er zelf ook naar en beefde van schrik.

“Ik ben bij toovenaar Merlin geweest,” zei ze, in haar schulp gekropen, want zij begreep hoe de vork in den steel zat en durfde haar leugen dus niet langer vol te houden.

Nauwelijks had zij de waarheid bekend, of de ketting vertoonde zich weer in zijn vorige pracht, maar ’t gelach, dat rondom haar opsteeg, prikkelde haar zoo, dat ze er behoefte aan voelde dien vernederenden indruk zooveel mogelijk uit te wisschen en zich weer in haar eer te herstellen.

“Jullie behoeven niet zoo te lachen!” riep zij uit; “wat denk je toch wel? Hij heeft ons vorstelijk ontvangen, dàt zeg ik je; hij had ons zijn rijtuig reeds naar de naburige stad tegemoet gezonden om ons af te halen en wàt een mooi rijtuig was ’t, dat kan je maar gerust gelooven! Zes witte paarden, en kussens van roze satijn met gouden eikels er aan,—zonder nog van den koetsier—een bepoederden neger—en de drie deftige lakeien, die achterop stonden, te spreken. Toen wij aan zijn paleis kwamen, dat geheel van jaspis en porphyr opgetrokken is, zagen wij, dat hij al in de vestibule op ons stond te wachten. Hij liep ons tegemoet en geleidde ons naar de eetzaal, waar ons een keur van gerechten werd voorgezet, waarvan ik je de namen maar niet eens zal opnoemen, omdat je er stellig toch nooit van hebt hooren spreken. Eerst was er——”

Al langer en langer geworden.

De lachbuien, die de kinderen, sedert ’t begin van dit mooie verhaal, al met moeite onderdrukt hadden, barstten op dit oogenblik met zoo groote luidruchtigheid los, dat zij plotseling midden in haar zin bleef steken. Onwillekeurig richtte zij den blik op den ongeluksketting en beefde weer van schrik en ontsteltenis. Bij iedere bijzonderheid, die zij verzonnen had, was hij, zonder dat zij ’t bemerkt had, al langer en langer geworden, zoodat hij nu reeds tot haar voeten kwam.

“Je maakt er een heeleboel bij!” riepen de kleine meisjes, gierend van pret, uit.

“Nu ja, stil maar; we zijn te voet gekomen en er maar vijf minuten gebleven.”

Het halssnoer nam onmiddellijk weer zijn gewone afmeting aan.

“En de ketting, de ketting, hoe kom je daaraan?”

“Toovenaar Merlin heeft hem mij, zonder iets te zeggen, present gedaan; waarschijn——”

Zij had geen tijd er meer bij te voegen. Het noodlottige halssnoer kromp in, werd nauwer en nauwer, zoodat haar keel er door toegeknepen werd en zij ’t erg benauwd kreeg.

En zij ’t erg benauwd kreeg.

Zij haastte zich daarom, er, terwijl ze ’t nog kon, deze woorden uit te stooten: “hij heeft gezegd, dat ik een eerste leugenaarster ben.”

Aanstonds bevrijd van den druk, die haar bijna had doen stikken, vervolgde zij, schreiend van schaamte en verdriet: “Daarom heeft hij mij dezen ketting gegeven; ’t is een waarheidswachter, zei hij.—Ik was er nog wel zoo blij mee! ’t Is me wat moois!”

Haar kameraadjes hadden nu toch medelijden met haar. Lieve meisjes als ze waren, verplaatsten zij zich in haar toestand, en vonden de gedachte nooit meer een titteltje van de waarheid af te kunnen wijken, toch wel iets benauwends hebben.

Kunnen jullie daar ook voor voelen, of sta je zoo vast in je schoenen, dat je nooit, nooit een jokkentje gebruikt? “Je bent wel mal,” zei de slimste van het troepje.

“Als ik je was, hield ik den ketting niet om, hoor! Hij is wel mooi, maar ook vreeselijk hinderlijk. Wie belet je hem af te doen en weg te stoppen, dan heb je er geen last meer van.”

’t Arme jokkebrokje hield zich stil.

Dadelijk begon ’t halssnoer te dansen, zóó te dansen, dat de amethisten en diamanten tegen elkaar aansloegen en een leven van belang maakten.

“O, je verzwijgt stellig iets!” riepen de kinderen, die weer opnieuw begonnen te lachen, ’t Was ook zoo’n koddig gezicht, die dansende ketting!

Al woester en woester werd de dans der edelsteenen.

“Och, ik heb er nu eenmaal geen zin in hem af te doen.”

Al woester en woester werd de dans der edelsteenen.

“Neen, neen, dat is de ware reden niet! Biecht ’t eens eerlijk op!”

“Nu, vooruit dan maar; ’t geeft toch niets of ik ’t al probeer iets voor jullie verborgen te houden. Hij heeft me streng verboden hem af te doen. Als ik ’t toch waag, zal er een groot ongeluk gebeuren.”

Oogenblikkelijk hing de ketting weer zoo stil als te voren.

Je begrijpt nu wel, dat ’t, met zoo’n metgezel, die veranderde, als men de waarheid verdraaide, langer werd, als men er wat bij maakte, inkromp, als men er wat afliet en begon te dansen, als men wat verzweeg, een metgezel bovendien, van wien men zich niet kon ontdoen, zelfs voor de ergste leugenaarster niet meer mogelijk was, niet recht in den weg der waarheid te wandelen.

Kwam hij ’t halssnoer dus halen.

En toen zij er eenmaal maar goed van doordrongen was, dat elke leugen nutteloos zou zijn en op ’t oogenblik zelf reeds ontdekt zou worden, kostte het haar niet al te veel moeite geheel met haar slechte gewoonte te breken.

Wat was er ’t gevolg van? Na eenigen tijd geregeld de waarheid te hebben gesproken, omdat ze er toe gedwongen werd, ging zij weldra de leugen ook om haarzelfs wil verfoeien. Zij bevond er zich zoo goed bij, niet meer te jokken, haar geweten was zóó verlicht en haar hart zóó rustig, dat zij ook uit zichzelf graag op dezen weg wilde voortgaan. Het werk van den ketting was hiermee dus afgedaan.—

Toovenaar Merlin wist dit, anders zou hij geen toovenaar geweest zijn, nietwaar? Hoewel ’t jaar nog niet verstreken was, kwam hij ’t halssnoer dus halen, om ’t voor een ander leugenachtig kind te gebruiken.——

Wat er van dezen merkwaardigen ketting der waarheid geworden is, heeft niemand mij kunnen zeggen. Na den dood van den grooten Merlin is hij verdwenen; men meent, dat de erfgenamen van den toovenaar, bang voor de verwoestingen, die hij op aarde zou kunnen aanrichten, hier de hand in gehad hebben, ’t Is mogelijk! Voor vele menschen en kinderen zou ’t stellig een ramp zijn, als men hun dit halssnoer eens ging om doen.—’t Praatje loopt, dat Afrika-reizigers, het om den hals van een negerkoning, die niet kon liegen, gezien hebben, maar zij hebben dit nooit kunnen bewijzen. Wat er van aan is? Ik weet ’t niet—men is er nog altijd op uit den waarheidsketting te zoeken en als ik een kleine jokkebrok was, zou ik geen gerust oogenblik meer hebben, want, verbeeldt je, dat men hem eens weer terugvond!

INHOUD.

Blz.
I. De kleine Deugniet 5
II. Blondkopje 56
III. Bibi, Baba en Bobo 75
IV. De groote geleerde 94
V. De waarheidsketting 115

GEHEEL IN DEZELFDE UITVOERING VERSCHEEN IN:

“ONS SCHEMERUURTJE”

BIBLIOTHEEK VOOR HET KIND:

1. Ida Heijermans, VERTELLINGEN.

2. Gebrs. Grimm, SPROOKJES.

3. H.C. Andersen, SPROOKJES.

4. ONZE OUDE VERSJES.

5. Ida Heijermans, UIT TANTE’S JEUGD.

6. TIJL UILENSPIEGEL.

7. Ida Heijermans, ZOO MOOI ALS ZONNESCHIJN.

8. Jean Macé, SPROOKJES.

No. 1–4 à 60 cts. ing., 75 cts. geb.

No. 5–8 à 70 cts. ing., 85 cts. geb.