WeRead Powered by ReaderPub
Sprookjes van Jean Macé cover

Sprookjes van Jean Macé

Chapter 8: II. BLONDKOPJE
Open in WeRead

About This Book

A series of short fairy tales for young readers presents whimsical, domestic vignettes where mischief and kindness meet magical intervention; kindly but resolute supernatural figures correct bad behavior, while helpful creatures and small transformations bring about moral reckonings. Each tale blends lively household and community detail with playful incidents and neat resolutions, emphasizing consequences for actions and rewarding compassion, obedience, or reparation. The collection consistently foregrounds lessons about responsibility, empathy, and the social effects of conduct within accessible, gently didactic narratives.

Waar Grauwbaard een luchtje schepte.

“Och mevrouw,” sprak deze, haast zonder zich den tijd te gunnen haar te begroeten, “och mevrouw, red ons, erbarm u over ons en neem de vreeselijke gave toch terug, die ge mijn kind gisteren geschonken hebt.”

“Ik zie ’t al,” zei de fee, met een zijdelingschen blik op Deugniets ontredderd voorkomen, “hier hebben we een kleinen jongen, die zich niet heeft willen laten opknappen. Nu, hij heeft zijn straf al beet. Des te erger voor hem. Wat ik gezegd heb, blijft gezegd.”

“Och,” hernam Deugniets moeder, “och mevrouw, is er dan geen enkel middel om hem van dezen ban te ontheffen?”

“Er is er wel een, maar dat is hard. Iemand zal zich voor hem moeten opofferen, door gewillig en uit eigen beweging, de straf, voor wat hij misdreven heeft, op zich te nemen.”

“O, is ’t anders niet? Dàt is een kleinigheid. Ik ben er dadelijk toe bereid, mevrouw. Wat moet er met mij gebeuren, opdat hij gewasschen zal kunnen worden en weer een lief, schoon gezichtje zal kunnen krijgen?”

“Om zijn gezichtje weer schoon en lief te maken, heb ik uw mooie gelaatskleur noodig.”

“Neem mijn gelaatskleur, mevrouw, neem haar gerust! Wat zal ik met schoonheid doen, als mijn dierbaar kind altijd vuil en onooglijk zal moeten blijven!”

Nog had zij niet uitgesproken, toen Grauwbaard naar voren kwam. In de eene hand hield hij een schaal van bergkristal en in de andere een Levantijnsche spons, die zoo zacht was als het fijnste batist.

Och, Mevrouw, red ons.

Met één handbeweging had de fee Deugniet gereinigd. Glimlachend keek hij nu in den spiegel, dien Grauwbaard hem voorhield. Hij vond ’t zoo prettig er weer frisch en blozend uit te zien.

Doch de lach bestierf hem op de lippen, toen hij zijn moeder wilde aanzien, om haar op zijn beurt toe te lachen.

Haar schoone koonen waren eensklaps verwelkt en haar eertijds zoo blanke, zachte huid was nu taankleurig en gerimpeld, als die van een stokoude vrouw.

Zijzelf scheen er echter geen verdriet van te hebben; integendeel, haar oogen straalden van blijdschap, terwijl zij naar haar kleinen jongen keek, die er nu weer zoo frisch en aardig uitzag.

“Wat hebt ge van ’t mijne noodig,” zoo vervolgde zij, “opdat zijn mooie krullen gekamd en netjes in orde gebracht zullen kunnen worden?”

“Om zijn krullebol netjes in orde te kunnen brengen, heb ik uw zware haartressen noodig.”

“Neem ze mevrouw, o, neem ze gerust. Wat zal ik met een mooi kapsel doen, als mijn lief kind altijd met wanordelijk haar zal moeten blijven rondloopen.”

Nu kwam Grauwbaard met een diamanten kam aanzetten, waarmee de fee Deugniets krullen in een oogwenk uit de war had gehaald, ’t Kind liet zich helpen, zonder zijn moeder te durven aanzien. Toen hij evenwel klaar was en zich vermande de oogen naar haar op te heffen, kromp zijn hartje ineen. Haar mooie, gitzwarte vlechten waren verdwenen en een paar grijze pieken, die haar wanordelijk om ’t hoofd fladderden, hadden hun plaats ingenomen. Maar zij bemerkte ’t niet eens.

“Wat kan ik u geven, opdat hij weer mooie kleeren zal kunnen dragen?” vroeg zij.

“Om hem mooie kleeren te kunnen geven, heb ik de uwe noodig.”

“O mevrouw, neem ze, neem ze gerust! Wat behoef ik nog fraaie kleeren te hebben, als mijn dierbaar kind er altijd slordig zal moeten blijven uitzien!”

Oogenblikkelijk bracht Grauwbaard de fee een met goud geborduurd, miniatuur heerenrokje van fijn laken, een wit zijden broekje, een fluweelen, met zilver afgezette muts en schoenen, die rijk met edelgesteenten waren versierd. In twee tellen hadden die prachtige kleeren Deugniets verkreukeld en gescheurd huispakje vervangen. Nog nooit was de kleine jongen zoo mooi geweest.

Met een diamanten kam.

Hij kon een kreet van blijdschap niet weerhouden. Helaas veranderde deze heel spoedig in een kreet van smart, toen hij bemerkte, dat zijn moeder in lompen gehuld was, als een bedelares.

In lompen gehuld was.

Zij had evenwel voor niets anders oog, dan voor ’t rijke kostuum van haar zoon en lachte hem toe, waarbij haar witte tanden, ’t eenige overblijfsel van haar vroegere schoonheid, als parels blonken.

“Wat vraagt ge van mij,” zoo sprak zij nu tot de fee, “opdat hij voortaan weer soep zal kunnen eten? De dokter heeft verklaard, dat zijn gezondheid er van afhangt.”

“Opdat hij soep zal kunnen eten, heb ik uw tanden noodig.”

“Neem mijn tanden, ik sta ze graag af, mevrouw. Wat zal ik nog met tanden doen, als mijn dierbaar kind niet het voedsel zal kunnen gebruiken, dat goed voor hem is!”

Waarin de meest smakelijke soep geurde.

Zij had nog niet uitgesproken, toen Grauwbaard reeds met een blad van koralijn kwam aandragen, waar een sierlijke schaal van Japansch porselein op stond. Deze schaal, waarin de meest smakelijke soep geurde, die ooit onder den neus van een kleinen jongen gedampt heeft, bood hij Deugniet aan.

’t Kind, dat in vier-en-twintig uur niets gegeten had, liet zich den lepel niet tweemaal in de hand geven. Zijn verrukking was echter van korten duur. Bij elken lepelvol, dien hij nam, hoorde men een tand op den grond vallen. Niettegenstaande zijn ergen honger zou hij wel dadelijk met eten hebben willen ophouden, maar hiervan wilde zijn moeder, die er van genoot, dat haar kleine jongen, na alles wat hij had doorgemaakt, zulk verkwikkend voedsel kreeg, volstrekt niets weten.

Wat haarzelf betrof, zij hield ’t dapper vol tot aan haar laatsten tand.

“En hiermee is ’t toch, hoop ik, uit?” vroeg de fee. “Meer hebt ge toch zeker niet te vragen?”

“Niet meer?——O, mevrouw——!”

“Maar ongelukkige vrouw, welke opofferingen wilt ge u dan nog meer voor dat ondeugende kind getroosten?”

“Het zijn geen opofferingen. Het maakt mij innig gelukkig hem aan ’t treurige lot, waarin hij zich verwikkeld had, te kunnen ontrukken. Laat eens zien——Wat zult ge van mij moeten hebben, opdat hij in ’t vervolg weer in een bed zal kunnen slapen?”

“Opdat hij in een bed zal kunnen slapen, moet gij afstand doen van het uwe.”

“O, mevrouw, neem mijn bed toch! Waartoe zal ik een bed hebben, als mijn dierbaar kind zijn nachten op den harden grond zal moeten doorbrengen?”

“Is er nog iets, dat ge mij wilt vragen?”

“Ja mevrouw. Wat moet ik doen, opdat zijn boeken niet langer voor hem gesloten zullen blijven en hij er uit zal kunnen leeren?”

“Opdat zijn boeken niet langer voor hem gesloten zullen blijven, moet gijzelf alles geven wat gij weet.”

“Ontneem mij gerust ’t geen ik weet, mevrouw! Wat toch zal ik er mee doen, als mijn dierbaar kind dom zal moeten blijven?”

“Laat dit nu tenminste uw laatste verzoek zijn geweest!”

“O, mevrouw, sta mij in ’s Hemels naam nog één vraag toe! Dezen keer is ’t een bede voor mijzelf.— Wat wilt gij van mij hebben, opdat ik weer ’t geluk zal mogen smaken, hem in mijn armen te drukken?”1

“Opdat gij ’t geluk zult mogen smaken hem in uw armen te drukken, moet gij afstand doen van al uw andere geluk.”

“Neem al ’t andere, dat mij gelukkig maakt, mevrouw! Welk geluk kan er nog voor mij bestaan, als ik mijn lief kind niet zal kunnen omhelzen?”

Op een wenk van de fee wierp de kleine jongen zich nu, bevend, in de armen zijner moeder. Hij huiverde, ondanks zichzelf, toen hij met haar schamel kleed en geel, rimpelig vel in aanraking kwam en had moeite niet terug te deinzen voor de kussen van haar tandeloozen mond. Maar zóóvele bewijzen van liefde waren niet verloren geweest. Juist dit alles wat zijn afkeer opwekte, vervulde hem terzelfder tijd met onuitsprekelijke dankbaarheid en groote bewondering voor de goede moeder, die zich zóó voor hem had opgeofferd. En toch besefte hij er nog niet eens ten volle den omvang van.—

Wat haarzelf betrof, zij gaf zich geheel over aan ’t haar teruggeschonken geluk den kleinen jongen in haar armen te hebben en drukte hem onstuimig aan haar hart, terwijl zij niet moede werd het uit te roepen, hoe goed hij er nu weer uitzag.

Zoo geheel ging zij op in wat hij herwonnen had, dat ze er volkomen door vergat, wat zij er allemaal voor had moeten verliezen.

Eindelijk namen zij afscheid. De gelukkige moeder wist maar niet hoe zij de fee, die ze haar weldoenster noemde, genoeg zou kunnen bedanken.

In de armen zijner moeder.

Grauwbaard, die niet voor niet in dienst bij fee Goed-Hart was, schreide van ontroering.

De fee zelf was ook zeer getroffen. Zij kon zich niet langer inhouden en liep naar haar toe, op ’t oogenblik dat zij de laatste trede van ’t bordes afdaalde, om haar op ’t voorhoofd te kussen.

“Schep moed, edele vrouw, en reken op mij,”—zoo sprak zij.

Moed?—De verheugde moeder achtte zich te gelukkig om dien nog noodig te hebben. Met lichten tred liep zij voort. Eindelijk kon zij haar schat immers weer welverzadigd, gereinigd, ja, zelfs als een prinsje gekleed, bij de hand houden——naar hartelust kon zij hem liefkoozen——wat bekommerde zij zich dan over ’t overige? Met innige blijdschap dacht zij er aan, dat hij vanavond weer in zijn lekker bedje zou kunnen slapen en genoot al bij voorbaat, wanneer zij zich voorstelde, hoe knap en beroemd hij mettertijd zou worden. Zij zag ’t mooie boek, dat hij schrijven zou, als ’t ware al voor zich en verlustigde zich in allerlei droomen, waarin hij, als beroemde schrijver of geleerde, de hoofdrol speelde.——De eerste firma van ’t land had zijn boek op extra zwaar papier gedrukt—’t sprak vanzelf, dat zijn naam met groote letters op den band prijkte.—Zóó lag ’t bij alle boekhandelaren voor de ramen en trok ieders aandacht. De koning liet hem zelfs bij zich ontbieden, om hem er mee geluk te wenschen en de heeren van de Academie der Letterkunde beijverden zich hun kaartjes bij den beroemden schrijver af te geven, als bewijs, hoezeer zij ’t op prijs zouden stellen, hem als lid in hun kring op te nemen.——Zóó droomde de arme moeder, die, helaas, zelf niets meer wist.

Schreide van ontroering.

Dit werd zij gewaar, zoo gauw zij buiten ’t park der fee waren gekomen. Zij was den weg vergeten, ja, herinnerde zich zelfs niet meer welken kant de stad uit lag——nog sterker, zij had de herinnering aan haar huis totaal verloren.

Deugniet besefte nu, beter dan zooeven, hoe groot ’t offer was, dat haar liefde hem had gebracht. Tevergeefs trachtte hij haar tot geleider te strekken. Hij wist zelf den weg niet. Toen zij hierheen kwamen, had hij er, als naar gewoonte, volstrekt geen acht op geslagen. Als een onnadenkend, zorgeloos kind, dat gewend is in alles op anderen te steunen, was hij meegeloopen.——

Zoo dwaalden zij nu den heelen dag buiten rond, zonder kans te zien de stad weer te bereiken.

Zoo dwaalden zij nu.

Hoe meer de zon daalde, des te angstiger werd de kleine jongen; zijn moeder voelde echter niets anders dan geluk over de bevrijding van haar kind uit al zijn ellende.

Tegen den avond werden zij eindelijk, nog ronddolend, door de bedienden van het huis aangetroffen, die door Deugniets doodelijk ongerusten vader waren uitgezonden, om zijn op zoo raadselachtige wijze verdwenen vrouw en kind te zoeken.

Eerst herkenden zij hen echter niet, zóó waren ze allebei veranderd. Misschien zouden ze ’t tweetal niet eens hebben opgemerkt, als Deugniet, die naar alle kanten uitkeek, den koetsier niet in ’t oog gekregen en hem bij zijn naam geroepen had. Op zijn zeggen wie hij was, betoonde de man zich heel verheugd hem terug te zien, maar vroeg tevens, op een toon van verbazing, wie dan toch wel de oude bedelares was, die hem zoo ver van huis had meegetroond.

“Wel, ’t is moeder!” riep hij uit.

De koetsier en ook de andere bedienden begonnen ongeloovig te lachen, maar de politie-agent, die de leiding van de expeditie had, gaf het kind een ernstige berisping over zijn ongepaste aardigheid. Hoe kon hij zulken zottepraat uitslaan, sprak de man; was ’t al niet erg genoeg, dat hij zoo maar met een wildvreemde vrouw van ’t minste allooi was weggeloopen? Moest hij haar nu ook nog voor zijn moeder uitgeven? Hoe kon hij zóó den naam der brave, edele vrouw, die werkelijk zijn moeder was, door het slijk sleuren.—

Gaf het kind een ernstige berisping.

—Ieders toorn en verontwaardiging keerde zich nu tot de vreemde bedelares, die den kleinen jongen zeker had willen ontvoeren. Er was zelfs sprake van haar als kinderdievegge naar de gevangenis te zullen brengen.

Zij wist niets tot haar verdediging te zeggen, daar zij immers alles, wat haarzelf betrof, vergeten was. Ze vergenoegde zich er mee, ’t kind in haar armen te drukken onder herhaalde betuigingen, dat hij haar zoon was, haar dierbaar kind, dat zij aan zijn ongeluk ontrukt had en dat door niets ter wereld meer van haar zou kunnen worden gescheiden.

’t Was een geluk, dat men haar ten slotte voor iemand met gekrenkte geestvermogens begon te houden. Dit stemde allen zachter jegens haar en zoo werd ’t nu ook oogluikend toegelaten, dat zij Deugniet, die naar zijn vader terug werd gebracht, bleef vergezellen.

Het was bijna nacht, toen zij in de stad kwamen.

Marianne stond in de deur.

“Zoo, ben je daar weer,” riep zij uit, toen ze den kleinen jongen gewaar werd. “Waar heb je toch gezeten, Deugniet? Je vader is zóó ongerust. Juist is hij weer weggereden om de omstreken van den grooten vijver af te zoeken; ’t is al het derde paard, dat hij sedert vanochtend berijdt. Als ’t niet om je lieve moeder was geweest, van wie we allen zooveel houden, zou ik hem misschien wel geraden hebben nu maar rustig thuis te blijven en den Hemel te danken, dat hij van je af was.——Maar vertel me eerst eens gauw, waar je je moeder toch wel gelaten hebt!”

“Moeder is hier,” riep Deugniet, geheel van streek, uit, ontsteld als hij was over den keer, dien de zaken nu schenen te nemen. “Hier is zij; ik ben aldoor bij haar gebleven.”

“Foei, kind, houd dadelijk op met die flauwe grappen! Schaam je je niet, je moeder, op een oogenblik als dit, nu we allen buiten onszelf van ongerustheid over haar zijn, nog zoo te bespotten?——Ga maar gauw naar bed. Je zult wel aan rust toe zijn.”

Toen Deugniets goede moeder over zijn bed hoorde spreken, herinnerde zij zich weer, wat zij met de fee overeengekomen was, en maakte een eind aan de woordenwisseling, door tot haar zoon te zeggen: “ja, ga naar bed, mijn jongen; je weet, dat de fee je dat nu heeft toegestaan. Je zult zoo moe wezen! Slaap zacht. Ik zal hier op je blijven wachten.”

Hij wilde er wat tegen inbrengen, maar waarschuwend hief zij den vinger op en sprak met haar mooie, klankvol en welluidend gebleven stem niets anders dan dit ééne woord: “gehoorzaam!”

Bij ’t vernemen van dit ernstige: “gehoorzaam!” doken tal van schrikwekkende herinneringen voor hem op. Gedwee boog hij ’t hoofd en ging met Marianne mee, die hem wel wat hardhandiger aanpakte, dan noodig was.

Zoo, ben je daar weer?

Toen Deugniet behagelijk warm in zijn lekker bedje lag, moest hij voortdurend aan zijn moeder denken, die buiten op hem wachtte en die om zijnentwil zóó droevig veranderd was, dat niemand haar herkende. Hoe vreeselijk boette zijn lieve moeder toch voor alles, wat hij misdreven had. Met een beklemd hart lag hij te luisteren naar het gekletter van den regen en het gehuil van den storm, die vannacht met buitengewone heftigheid opstak. In het rammelen der ramen, het gieren van den wind en het klepperen van luiken en deuren, meende hij tallooze, verwijtende stemmen te hooren, die hem toeriepen, dat hij een slechte zoon voor zoo’n lieve moeder was.

Tegen den morgen viel hij eindelijk, uitgeput van de doorstane vermoeienis en aandoeningen, in een zwaren, onrustigen slaap en droomde toen van een in lompen gehulde vrouw met grijze haren, die door de politie opgebracht werd, en telkens nog ’t hoofd omkeerde, alsof zij iemand zocht.

Onderwijl was Deugniets vader, verslagen van smart door zijn vruchteloos zoeken, thuisgekomen.

Op ’t vernemen van de blijde tijding, dat ’t kind terecht was, had hij weliswaar een kreet van vreugde geslaakt, doch hoe spoedig had de wanhoop, helaas, weer de overhand over zijn blijdschap gekregen, toen hij moest hooren, dat zijn lieve vrouw er niet bij was. Hij wierp zich, aan de hevigste droefheid ten prooi, gekleed op een canapé en bleef daar, met ’t hoofd in de handen verborgen, liggen, totdat de dag aanbrak.

Toen het licht werd, vermande hij zich en ging naar boven, naar de kamer van den kleinen jongen. Op ’t gezicht van het slapende kind, dat hij reeds voor altijd verloren had gewaand, begon de sterke man te schreien en als een riet te beven. Hij kon zich niet meer inhouden en knielde bij ’t bed neer, terwijl hij den kleinen krullebol met liefkoozingen overlaadde.

Met het hoofd in de handen verborgen.

Deugniet schrikte er van wakker. Eerst keek hij een oogenblik angstig naar het ontroerde, met tranen overstroomde gelaat, dat zich zoo dicht bij ’t zijne bevond, maar weldra herkende hij zijn vader en sloeg de armen om zijn hals, met de woorden: “vader, o, vader, moeder is beneden, zij staat aldoor buiten. Ga toch gauw mee! Zij zal ’t zoo koud hebben!”

Zijn vader keek hem, ten hoogste verwonderd, aan.

“Ja,” hernam het kind, “heusch waar, moeder is beneden. Niemand wou ’t gisteravond gelooven dat zij ’t was, maar u zult haar toch stellig wel herkennen.”

Hij kleedde zich schielijk aan en trok zijn vader toen mee. Buiten voor de deur vonden zij werkelijk de arme vrouw, verkleumd en druipnat terug. Haar gezicht helderde op, toen zij haar kleinen jongen zag. Zij nam hem in haar armen en bewoog zich daarbij met zoo’n gemakkelijkheid, alsof zij zich in haar salon, te midden van haar gasten, bevond.

“Wat beteekent dat?” vroeg Deugniets vader, zich tot den jongen wendend. “Wie is dat vriendelijke, oude vrouwtje?”

”’t Is moeder,” riep het kind uit, “mijn lieve, lieve moeder, die er om mijnentwil zoo uitziet.”

“Kan ’t mogelijk wezen?” sprak hij nu tot de vrouw,—“zoudt gij werkelijk het bekoorlijke wezen zijn, dat ik sedert gisteren zoo diep betreur?”

Maar weldra herkende hij zijn vader.

Zij keek hem aan, zonder hem te herkennen. Toen omhelsde zij haar kind weer en zei: “dit is mijn zoon; wat wilt ge van mij?”

“Maar dan—” zoo hernam Deugniets vader in de grootste verbazing,—“dan ben ik uw man!”

“Gij?——ik weet het niet.”

“Wat moet ik hiervan denken!” riep de ongelukkige man geheel verslagen uit. “Het is wèl de stèm van mijn vrouw, maar ik herken haar niet en zij herkent mij evenmin.”

Daar kwam Marianne aan. Zij had haar mijnheer door het huis hooren loopen en was nu ook vroeg opgestaan.

De stevige meid nam de arme vrouw bij den arm en schudde haar ruw heen en weer. “Ben je daar nog?” zei ze; “pak je gauw weg, kinderdievegge en waag ’t niet ooit weer terug te komen.”

Zij wilde haar de straat op sleepen, toen Deugniet zich, buiten zichzelf van smart en angst, op haar wierp. Zijn hart zwol op in zijn borst. Op dit oogenblik zou hij het tegen een bataljon soldaten hebben kunnen opnemen.

Zij nam hem in haar armen.

“Neen,” riep hij uit, “neen, moeder mag niet weggestuurd worden. Ik wil niets meer houden van wat zij voor mij verkregen heeft. Ik moet vuil zijn, ik moet buiten slapen,—dat heb ik verdiend. Ik wil naar de fee, om haar alles terug te brengen en zij moet ’t weer aan moeder geven!”

Nog had hij niet uitgesproken, toen Marianne door een groote hand bij ’t middel gegrepen en met een sierlijken zwaai op de stoep neergezet werd.—’t Was het werk van Grauwbaard, die plotseling in hun midden verschenen was. Beleefd wendde hij zich nu tot het meisje met de woorden: “een weinig plaats, alsjeblieft, voor mijn meesteres.”

Pak je gauw weg.

Op ’t zelfde oogenblik rees fee Goed-Hart voor hen uit den grond op. Zij legde haar hand op den schouder der moeder en sprak: “uw proeftijd is geëindigd; zij, die u dit heeft aangedaan, komt alles weer herstellen.”

Toen kuste ze Deugniet op beide wangen en verdween met Grauwbaard, een heerlijken geur achterlatend, die nog acht dagen lang duurde.

Nadat Deugniets vader eenigszins bekomen was van zijn verbazing over deze onverwachte verschijning, richtte hij den blik op zijn vrouw en—zag haar weer terug in haar vroegere schoonheid. Haar hoofd was weer gekroond met mooie, zwarte vlechten, haar gelaatskleur was rein en blank en het prachtige kleed van Oostersche zijde, dat hij haar zelf voor den feestdag van gisteren gegeven had, golfde in sierlijke plooien om haar ranke gestalte.

En het prachtige kleed van Oostersche zijde.

Zij zag hem aan.——Toen vielen zij elkaar, onuitsprekelijk gelukkig, in de armen.—


Sedert dien werd de edele vrouw als een heilige door de heele stad vereerd. Ieder ontblootte eerbiedig ’t hoofd voor haar, doch ’t was algemeen bekend, dat men in haar tegenwoordigheid niet over haar opofferingen moest spreken; zij bracht ’t dan dadelijk op een ander onderwerp.

Wat Deugniet betreft, van dien dag af aan werd hij de liefste, kleine jongen, dien je ooit hebt gezien. Hij gehoorzaamde zonder tegenstribbelen en liet onmiddellijk zijn wenschen varen als hij wist, dat hij er vader of moeder verdriet mee deed.

Ieder ontblootte eerbiedig het hoofd voor haar.

Nooit meer hoorde je er hem over klagen, dat het water te koud was, of de kam hem pijn deed. Evenmin dacht hij er over voor soep te bedanken, als er iets anders op de tafel stond, waarvan hij meer hield. Hoe vroeg hij soms ook naar bed moest, hij paste er wel voor op niet tegen te spartelen, daar hij veel te bang was, weer aan zijn woord gehouden te zullen worden. Hij minachtte voortaan zijn boeken ook niet meer, want hij kon nooit vergeten tot hoe hoogen prijs ze hem teruggegeven waren en eindelijk zou hij ’t als een misdaad hebben beschouwd, zijn moeder nog slechts één enkel keertje terug te stooten, wanneer zij haar armen naar hem uitstak.

Hij heette dan ook niet langer Deugniet; die leelijke naam had voorgoed afgedaan. Iedereen noemde hem nu bij den naam, waarmee hij gedoopt was, en zoo stond hij dus, in ’t vervolg, allerwegen bekend als: de brave, kleine Jan!


1 Zie titelplaat.

II.

BLONDKOPJE

Er was eens een lief kind, dat wel iedereen gelukkig zou willen maken. Hij had groote, blauwe oogen en zulk mooi, blond haar, dat men hem in ’t heele land niet anders dan Blondkopje noemde.

Dikwijls was hij er verdrietig over, dat hij nog niet groot en sterk genoeg was, om nuttig te zijn en wanneer hij er naar verlangde een man te worden, was ’t alleen, om de macht te hebben veel goeds te doen. Hij zou de wereld bewogen hebben, als hij ’t gekund had.

Zulke kleine kinderen zijn er niet veel, dat is waar! Tòch ontmoet men ze wel eens; als een bewijs hiervan kan ons Blondkopje gelden.

In die dagen leefde er een groot toovenaar, met wien de goede feeën zeer bevriend waren. Zij schreven hem brieven uit alle oorden der aarde. Deze briefwisseling ging al heel gemakkelijk in z’n werk. Je moet weten, dat de feeën ieder in ’t bezit waren van een tooverdoos met een gaatje er in; zij schreven nu op een stukje papier, wat zij den toovenaar te zeggen hadden, lieten het door ’t gaatje in de doos glijden en—hiermee was de zaak afgeloopen. Het stukje papier kwam vanzelf op zijn bestemming aan; niemand had er verder iets voor te doen. Je kunt denken, hoe geriefelijk dit voor de feeën was en hoe gemakkelijk ook voor den toovenaar, om op de hoogte te blijven van wat er in alle landen voorviel.

Het stukje papier kwam vanzelf op zijn bestemming aan.

Hij vernam op deze manier ook wat Blondkopje hinderde en werd er zóó door getroffen, dat hij zich beter voelde worden—dat wil zeggen: machtiger, want hij behoorde tot de toovenaars, wier macht wies met hun goedheid.

“O, o,” zei hij, “daar hebben we nu een kind, dat machteloos meent te zijn en mij toch al veel sterker heeft gemaakt dan ik was. Ik moest hem maar eens een beetje te hulp komen.”

Hij bracht zijn kijker, waarmee hij op tweehonderd mijl afstands kon zien, in de juiste richting en begon met een blik in ’t huis van den kleinen jongen te slaan.

’t Was maar een gewoon huis, dat zich door niets van de andere huizen der lange straat onderscheidde en dus geheel in de massa opging. De straat zelf verdween in de uitgestrektheid der groote stad, die toch niet eens de belangrijkste van het land kon genoemd worden en het land, aanmerkelijk groot als ’t was, scheen op zijn beurt toch maar een stipje op den aardbol te zijn. Je kunt je dus zoo eenigszins voorstellen, wat voor een plaatsje ons arm, klein ventje daar op innam.

Begon met een blik in ’t huis van den kleinen jongen te slaan.

Hij zat op dit oogenblik geheel alleen in de kinderkamer voor een boek, dat hem niet erg scheen te boeien. Je zag ’t hem aan, dat zijn aandacht telkens afdwaalde en hij zich veel liever bij zijn zusjes zou hebben gevoegd, die bezig waren een groote schaal aardbeien van de steeltjes te ontdoen. Moeder zou gelei maken: een gebeurtenis van belang voor ’t heele gezin en niet ’t minst voor de kinderen.

Aardbeien van de steeltjes te ontdoen.

Om je de waarheid te zeggen, was Blondkopje wel wat lui. De toovenaar bemerkte dit dadelijk aan de manier, waarop hij zijn boek heen en weer draaide, zoodat ’t meest ondersteboven vóór hem kwam te liggen. Zijn gedachten waren klaarblijkelijk meer bij de gelei, dan bij zijn les. Daarbij kwam nog, dat ’t kind vlugge beentjes had, die ’t geen minuutje in rust konden uithouden. Op een keer hadden de groote-menschen het er in zijn bijzijn over gehad, dat men vogeltjes en kleine kinderen maar vrij moest laten rondspringen, daar dit een wet van den goeden God is. Nu, dit was bij hem aan geen doovemans oor gezegd. Hij paste het op de ruimst mogelijke wijze toe en zag er dan ook hoegenaamd geen bezwaar in, ieder oogenblik even weg te wippen van dat vervelende lessenboek, om een bezoek aan twee vroolijke sijsjes te brengen, die even lustig door hun groote kooi sprongen, als hij door de kamer.

Of wel, hij liet zijn boek in den steek, om eens naar zijn “tuin” te gaan kijken, een pot vol aarde, waarin hij op een winter, met zijn zusjes, sinaasappelpitten had geplant. ’t Waren nu al heele “boomen” geworden van drie duim lengte, die duizendmaal meer gekoesterd werden, dan die der vorsten in hun orangerieën.

Dit alles zou echter niet veel tot den loop der wereld kunnen toe- of afdoen.——

“Ik zal dat lieve ventje de meest belangrijke persoonlijkheid op aarde maken,” sprak de groote toovenaar. “Telkens als hij een overwinning op zichzelf zal behalen, zullen alle menschen desgelijks doen.”

Met pruiken op, vergaderd.

Hij bracht zijn kijker nu weer in een andere richting en ging eens zien, wat er in zeker koninklijk paleis voorviel. Daar was een groote menigte staatslieden met pruiken op, vergaderd, om er plechtig en breedvoerig over te beraadslagen, van welke kleur de japon zou zijn, die de vorstin op den kroningsdag zou dragen.

Ons Blondkopje hield dus, van nu af aan, zonder het te weten, het lot van ’t gansche menschelijke geslacht in zijn handjes.

Hij leerde er zijn les echter niet beter om.

Toen hij bemerkte, dat zijn dierbare sinaasappel-“boomen” min of meer droog stonden, gaf hij hun, druppelsgewijs, een glas water te drinken, ’t Was een toer dit zonder morsen te doen en zoo heel vlug kon hij ’t ook niet klaarspelen. Dit vond hij evenwel niet erg; zijn boek liep immers niet weg?

Nog was hij met zijn tuin bezig, toen een lieve, kleine fee, die ’t op zich had genomen een man van hem te maken, zonder kloppen de kamer binnentrad.

“Wel jongeheer,” zei ze, wat ontevreden, “leeren we zóó onze les?”

“O, maar ik kon mijn sinaasappelboomen toch niet laten verdrogen. Ze hadden zoo’n ergen dorst.——Ik heb al een heel eind van mijn les geleerd.”

“Zeg dat dan eens op!”

Blondkopje probeerde ’t, maar stond weldra met zijn mond vol tanden.

“Kind, je doet mij verdriet,” sprak de kleine fee en ging heen, terwijl ze een traan wegwischte.

Blondkopje keerde beschaamd naar zijn boek terug en begon nu met ernst te leeren. Hij deed zijn best niet meer aan andere dingen te denken en zijn beentjes in rust te houden. De sijsjes sprongen nog lustig heen en weer, maar zij waren er ook niet voor geschapen om wat te leeren, die arme, kleine diertjes!

Een kwartier later kende Blondkopje zijn les en prompt ook. Hij was dolblij en liep de goede fee achterna om ’m voor haar op te zeggen.

“Leeren we zóó onze les?”

Onderwijl had er een groote ommekeer op de heele aarde plaatsgehad. Al de kleine straatjongens, die langs de wegen zwierven, hadden daar hun knikkers en steenhoopen laten liggen, om, zoo hard ze konden, schoolwaarts te loopen. Al de menschen, die in hun jeugd weinig of niets hadden geleerd, waren met schaamte tot inzicht van hun onwetendheid gekomen, zoodat de boekverkoopers, op ’t onverwachtst overvallen door een ongeduldige, weetgierige menigte, er mee verlegen waren welke boeken ze te voorschijn zouden halen, om aan zoovele verschillende aanvragen tegelijk te kunnen voldoen.

Zoo hard ze konden, schoolwaarts te loopen.

Zij, die niets wisten, voelden zich door een onweerstaanbaren leerlust aangegrepen en zij, die iets wisten, door den drang tot meer studie. De grootste sterrekundigen zag je b.v. haastig naar de boekwinkels loopen, om er naar allerlei handboeken over aardrijkskunde te vragen.

Het was een algemeene omwenteling, en een gelukkige, in het rijk des geestes en dit alles had Blondkopje alleen bewerkt door zijn les goed te leeren.

Als persoonlijke belooning kreeg hij een flinken kus op iedere wang en mocht, toen ’t uurtje voor ’t vesperbrood was gekomen, aan een feestelijk onthaal deelnemen, dat uit een grooten stapel boterhammen met de aardbeien, die aan de vruchtenpan waren ontsnapt, bestond. Een dame, die veel belang in de kinderen van dit gezin stelde, had er hun, tot opluistering, een heelen pot room bij gestuurd.

Er ging een gejuich op, toen zij deze traktatie zagen.

Niets geeft je meer trek, dan flink te hebben gewerkt.

Had laten meedeelen.

Blondkopje, die niet precies een gulzigaard was, koos met zorg een lekkere boterham uit—een met knappende korstjes, waarvan hij zooveel hield. Hij was toch zoo blij, dat hij zijn les goed had gekend en babbelde vroolijk, tusschen de hapjes door, terwijl hij zijn mooiste aardbeien bedachtzaam op zij legde, om ze met den room voor het laatst te bewaren.

Zijn jongste broertje, wiens eetlust geen grenzen kende, had reeds alles op, toen hij ternauwernood halverwege met zijn portie was gekomen. Het ventje keek eerst met een begeerigen blik naar de rest van de lekkere boterham, de dikke aardbeien en het schoteltje room en wou er toen volstrekt wat van hebben. Daar hij er vreeselijken trek in had, zou er stellig een huil- en schreeuwbui op gevolgd zijn, als de oudste geen medelijden met het hongerige kereltje had gekregen en hem goedhartig had laten meedeelen.

’t Zou Blondkopje anders niets geen moeite gekost hebben alles alleen op te eten. Hij had ’t zoo met zorg en overleg klaargemaakt en ’t smaakte hem zoo heerlijk.

De moeder der kinderen was onderwijl binnengekomen; zij verblijdde zich over ’t geen zij zag en glimlachte tegen haar jongen, die daardoor ruimschoots voor zijn opoffering beloond was.—

Met levensmiddelen beladen.

Maar hij kreeg daarenboven nog een heel andere belooning. Terzelfdertijd maakten de menschen, in alle landen van de wereld, zich eensklaps ongerust over hen, die honger zouden kunnen hebben. Iedereen liep naar zijn provisiekamer of kelder en begaf zich dan, met levensmiddelen beladen, op weg, om overal naar hongerigen en nooddruftigen te zoeken.

Je zag niets anders op straat dan groote brooden, schotels vleesch, zakken aardappelen en manden fruit, die men naar de woningen van behoeftige gezinnen wilde brengen. Wie er een ontdekt had, haastte zich er den overvloed binnen te laten treden en werd door de anderen om zijn vondst benijd.

De arme menschen konden hun oogen niet gelooven. Kinderen, die nog niet wisten wat een koekje was, maakten nu kennis met dit merkwaardige product van menschelijk vernuft en, wat nog nooit gebeurd was, niemand ging dien dag zonder eten naar bed.

Wat een triomf voor Blondkopje! Maar hij wist er niets van.

Een groot vraagstuk nam hem op dit oogenblik geheel-en-al in beslag. Blondkopje was een knap kereltje; dit had hij de kindermeid, die hem verafgoodde en dolgraag met hem pronkte, tenminste vaak genoeg hooren zeggen.

Na de feestelijke boterham zouden de kinderen, om de pret te volmaken, naar een speeltuin gaan, die druk door de jeugd van deze stad bezocht werd. Zoo gauw de bordjes dus leeg waren geweest, waren zij naar boven geloopen om zich klaar te maken voor den tocht.

Ons Blondkopje bezat een zwart fluweelen pakje, waarin hij er, volgens ’t oordeel van de kindermeid, uitzag om te stelen. Zij kreeg ’t dan ook bij elke gelegenheid uit de kast om het hem aan te trekken, hoewel ’t feitelijk alleen voor bijzondere feestdagen bestemd was. De kleine jongen liet er zich maar al te graag voor vinden, zoo’n ijdeltuit! Zijn moeder knorde er over, maar het kwaad was geschied—zoo trotsch als een pauw liep hij rond, als hij zijn mooie pakje aan had.

Vandaag haalde de kindermeid ’t ook voor den dag, tot groot plezier van Blondkopje.

Hij had er al één arm in, toen zijn groote zus binnenkwam.

“Blondkopje,” zei ze, “dàt pakje moet je niet aandoen; je daagsche blouse is goed genoeg om er mee in ’t zand te spelen.”

“Daar zit ik haast met mijn ellebogen door,” pruttelde ’t kind; “’k zie er mee uit als straatjongen.”

“Kom, wees nu eens lief! Je weet wel, dat moeder ’t niet graag heeft.”

Hij had er al één arm in.

Toen drong Blondkopje er niet verder op aan. Voor de vrees zijn moeder verdriet te doen, moesten al de bedenkingen van hoogmoed en ijdelheid zwichten. Hij trok dus zijn arm terug en deed gehoorzaam zijn daagsche blouse aan, waarin hij zich straks kostelijk in den speeltuin zou vermaken.

Nauwelijks had hij zijn zuster gehoorzaamd, of onmiddellijk vloog de hoogmoed de wereld uit.

De aanzienlijkste, deftigste dames begonnen, zonder te weten waarom, de eenvoudigste burgervrouwen te groeten. De heeren van het hof voelden zich genoopt in ’t voorbijgaan de boeren, die van de markt terugkwamen, goedendag te zeggen. De menschen zochten in hun hoofd naar de redenen, die zij tot nu toe hadden gehad om op elkaar neer te zien en elkaar te verachten, en.. konden ze niet meer vinden. Je kunt er je geen denkbeeld van maken hoe ’n algemeene verteedering er plaats had.—