De eenvoudigste burgervrouwen te groeten.
Ook voelden de kleine jongens, die nummer één van de klas waren geworden, zich bevrijd van de dwaze waanwijsheid, die hen zoo belachelijk maakte.
Wat deed ons Blondkopje onderwijl?
Na dien prettigen middag was hij aan ’t kibbelen geraakt met het zusje, dat een jaar ouder was dan hijzelf. In zijn hart hield hij veel van haar, maar weet je wat zoo vervelend was? Ze had een gebrekje, waaraan zulke kleine juffertjes wel eens meer lijden... zij was een echt spotvogeltje, dat niets liever deed dan plagen.
Sedert haar broertje een paar maal in haar bijzijn verkondigd had, dat hij dokter wou worden, noemde ze hem niet anders meer en had hem nu ook, gedurende de heele wandeling naar huis, met dit groote woord vervolgd, dat zij uitsprak met haar mond zoo wijd opengesperd als zij maar kon.
“Neen, ik heb er nu geen zin meer in dokter te worden,” zei de arme jongen eindelijk; “ik wil bisschop worden.”
Maar dit maakte de zaak nog maar erger... “mijnheer de bisschop” was immers nog een veel mooiere benaming! Zij maakte er dan ook zoo’n ruim gebruik van als maar mogelijk was en liet ’t “mijnheer de bisschop” regenen op den kleinen jongen.
“Wanneer zal ik “mijnheer den bisschop” om zijn zegen kunnen vragen?” vroeg zij ten laatste en maakte een heel diepe buiging voor hem.
“Dien kan je dadelijk krijgen,” riep Blondkopje, bij wien het nu de spuigaten uitliep, haar driftig toe, terwijl hij een liniaal greep, die juist binnen zijn bereik lag, en er allerlei dreigende bewegingen voor de oogen van zijn plaaggeest mee ging maken.
Deze, die even rap met de hand als met de tong was, had weldra een andere liniaal gepakt. Daar stonden ze nu tegenover elkaar. Als kemphaantjes zetten zij zich in postuur en sloegen er ijverig op los, waarbij zij echter zorg droegen niet de tegenpartij zelf, maar alleen z’n wapen te raken.
Op zeker oogenblik liet Blondkopje de zijne evenwel door een onhandigen slag op de vingers van zijn zusje neerkomen, wat haar een kreet van pijn deed slaken.
Alleen z’n wapen te raken.
Dadelijk was zijn drift bedaard. Hij gooide de leelijke liniaal, die haar bezeerd had, ver van zich af, sloeg zijn armen om haar hals en zei, met tranen in de oogen: “’t spijt me zoo erg, zus; ik zal ’t niet meer doen en hoor eens, je mag me net zoo vaak “mijnheer de bisschop” noemen als je maar wilt.”—
Hun vader, die de beste vader van de wereld was, kwam op ’t geluid van den strijd aanloopen en meende al heel boos te moeten worden.—Hoe groot was echter zijn blijdschap, toen hij, bij ’t binnenkomen, deze hartelijke omhelzing van broer en zus aanschouwde. Hij drukte het tweetal aan zijn hart en prees zich gelukkig, zulke lieve kinderen te hebben.—
Er werden toentertijde groote oorlogen op de aarde gevoerd. De menschen overtroffen elkaar in ’t uitdenken van de vreeselijkste moordtuigen, die allerwegen dood en vernieling moesten brengen. Dezen hadden de samenstelling van ijzeren torens uitgevonden, die zich nog sneller verplaatsen konden dan een galoppeerend paard. Als je daar in zat, was je volkomen tegen elken aanval beveiligd, terwijl je zelf ongehinderd den vijand kon dooden. Genen hadden machines verzonnen, waarmee je brokken steen, zoo groot als halve bergen, mijlen ver weg kon slingeren om er de soldaten van de tegenpartij bij duizenden, als vliegen, onder te verpletteren. Iedere nieuwe uitvinding werd met groote uitbarstingen van geestdrift door de strijders begroet, ’t Was te voorzien, dat er weldra niemand anders meer in ’t leven zou zijn, dan de uitvinders van die moordtuigen,—totdat ’t gezegende oogenblik aanbrak, waarop Blondkopjes liniaal de vingers van zijn zusje trof.
Zoo had er alom een algemeene verbroedering plaats.
Zoo gauw had het kind niet zijn wapen neergelegd, of deze hoog oplaaiende oorlogswoede zakte als door tooverslag ineen. De menschen ontdekten eensklaps, dat zij wel mal waren geweest, elkaar te dooden, om te weten te komen wie gelijk had en besloten zich op ’t oordeel van hen, die den strijd gadesloegen, te beroepen. Zoo had er alom een algemeene verbroedering plaats, van de generaals af, tot aan de soldatenkinderen toe, die elkaar nu niet meer bij ’t uitgaan der scholen van leer gaven, zooals ze het vóór dezen hadden gedaan.
Ons Blondkopje ging dien avond met een tevreden hartje naar bed, na wel duizend liefkoozingen van de gansche familie te hebben ontvangen, en vroeg zich bij ’t inslapen nòg af, wanneer hij toch wel zoo groot en sterk als een man zou wezen.
Op ’t zelfde uur gaf de aarde, nu van Onwetendheid, Ellende, Hoogmoed en Oorlog bevrijd, zich aan de meest geestdriftige uitingen van algemeenen jubel en blijdschap over en op al de bergen, van Noorwegen tot in ’t land der Patagoniërs, werden zulke groote vreugdevuren ontstoken, dat men ze van de maan af zien kon.
Jubel en blijdschap.
De groote toovenaar is er niet meer, kinderen, om zooveel gewicht te geven aan de overwinningen, die jullie op jezelf kunt behalen. Toch is er nog iets van overgebleven: ook tegenwoordig nog—gelooft het maar vrij—zijn de kinderen sterker dan de menschen om het goede te doen. Terwijl je ouders soms verplicht zijn zich geheel op te offeren, om te verhinderen, dat je ongelukkig wordt, kan jullie hen reeds met de kleinste opofferingen volkomen gelukkig maken. Al wordt de wereld er niet eensklaps door veranderd, zooals in Blondkopjes tijd, deze kleine daden van zelfverloochening—weest daarvan maar overtuigd—zullen toch nooit voor haar verloren zijn. Alle druppels water, die er vallen, vinden elkaar in de zee terug.—
III.
BIBI, BABA EN BOBO.
Bibi was een kleine spotvogel,
Baba een kleine smulgraag,
En Bobo een kleine luiwammes.
Op zekeren dag gingen ze in een naburig bosch wandelen, maar.... hielden zich niet aan de van huis meegekregen vermaning: volstrekt niet verder te gaan dan tot een zeker punt. Zij waren op den koop toe alle drie kleine, ongehoorzame dingen, weet je!
Om de waarheid gestand te doen, moet ik er evenwel bij zeggen, dat dìt toch grootendeels Bibi’s schuld was.
Toen zij aan ’t bewuste punt waren gekomen, was Bobo al moe en had dus wel graag willen omkeeren, terwijl Baba, die zich bedacht, dat de boterhammen over een half uurtje thuis zouden klaar staan, er ook niet veel zin in had nog verder te gaan.
Maar Bibi, die zich boven dit alles verheven voelde, lachte wat om zulke bedenkingen. Zij sliepte de twee anderen uit en vierde haar spotlust zoodanig bot, dat zij zich niet tegen haar durfden te verzetten. Bobo schaamde zich over haar luiheid, Baba over haar gulzigheid en zoo volgden ze allebei—hoewel schoorvoetend—’t spotachtige, kleine nest.—
Hieruit zie je, hoe zwak je in je schoenen staat, als je gehoorzamen wilt uit een andere beweegreden dan gehoorzaamheid, want als onze beide kleine meisjes slechts aan ’t verbod van vader en moeder hadden gedacht, zouden zij in haar hartjes hebben gevoeld, dat zij ’t bij het rechte eind hadden en dus niet zoo bang voor spot zijn geweest.
De meisjes plukten bloemen.
Om kort te gaan, zij waren alle drie ongehoorzaam en liepen verder ’t bosch in, dat doorsneden was door prachtige lanen; zóó lang waren die, dat je er haast niet ’t eind van kon zien.
Wat was ’t er mooi en prettig! De meisjes plukten bloemen, rolden met elkaar over ’t mos en luisterden naar de vroolijk kwinkeleerende vogeltjes. Van tijd tot tijd zagen ze een muisje zijn spitse snuitje uit een holletje steken, maar ’t gauw terugtrekken als ze er een van allen te dicht bij kwamen; of wel een groote hagedis maakte de kinderen aan ’t schrikken door plotseling uit ’t gras te schieten en een goed heenkomen op den weg te zoeken, waar ’t vroolijke troepje haar dan achtervolgde. Alles ging goed en plezierig, zoolang zij in de laan bleven, die zoo recht was als een liniaal en dus heelemaal geen gevaar voor verdwalen opleverde. Maar na een poosje stonden ze eensklaps voor een klein, dichtbegroeid paadje, dat zich kronkelend in ’t kreupelhout verloor; Bibi vond het zóó aanlokkelijk, dat zij ’t vastbesloten insloeg.
“Hè neen, laten we daar niet heengaan, we zullen nog verdwalen,” zei Bobo.
“We moeten naar huis, ’t is al zoo laat,” riep Baba. “Toe, laten we nu maar omkeeren.”
“Ik wil enkel tot aan die eerste kromming loopen,” antwoordde Bibi. “Gaan jullie mee! We moeten toch eens zien wat er dan volgt.”
De andere twee hielden zich doof. Toen ging ’t geslepen, kleine nest op den grond liggen.
“O,” riep ze, “wat een heerlijk plaatsje om uit te rusten en wat staan hier overal ’n aardbeien!”
Toen zij dit hoorden, kwamen ze allebei aanloopen: Baba, de smulgraag, om er aardbeien te eten, Bobo, de luiwammes, om er languit op den grond te liggen. Maar ’t “heerlijke” plaatsje was vol steenen en dorre takken en van aardbeien was niets te bespeuren.
Bibi schaterde ’t uit, toen zij de teleurgestelde gezichten van haar vriendinnetjes zag. Ze nam Baba aan de hand. “We zullen verderop nog wel aardbeien vinden,” zei ze en trok haar uit alle macht mee. Bobo moest toen wel volgen, maar ’t ging voetje voor voetje, en ze was op ’t punt van te gaan schreien.
Toen ging ze op den grond liggen.
Na de eerste kromming kwam een tweede, toen een derde.... Daarop splitste het paadje zich in tweeën. Een reuzeneik, die zich ginds, dicht aan den wegkant, in ’t kreupelhout verhief, trok de aandacht van juffertje Bibi. Zonder zich te bedenken liep ze er heen. Steeds verder en verder troonde ze haar vriendinnetjes mee, iederen inval van ’t oogenblik volgend, zoodat, toen er eindelijk sprake van was langs denzelfden weg naar huis terug te keeren, niemand meer wist welken kant uit te moeten gaan.
Groote ontsteltenis was er op de gezichtjes van Baba en Bobo te lezen, maar Bibi hield zich groot. Zij stampvoette ongeduldig, kneep haar dunne lippen op elkaar en keek met een geringschattenden blik naar haar angstige kameraadjes, terwijl er een onvriendelijk licht in haar zwarte oogen schitterde. “Loopen jullie mij maar na, bange, kleine kippetjes,” riep ze uit; “ik zal er wel voor zorgen, dat we weer goed en wel thuiskomen.”
Maar met flink-zijn alleen, ben je niet geholpen, als je anderen tot gids wilt strekken; je moet ook den weg weten!
Na langen tijd geloopen te hebben, waren ze nog net even ver. Ze hadden alle paadjes geprobeerd, waren dikwijls langs dezelfde punten gekomen en hadden eigenlijk in een kringetje rondgedwaald.
Bobo liet zich op den grond vallen en verklaarde schreiend, dat zij geen voet meer kon verzetten. De groote, blauwe oogen van ’t lieve blondje smeekten welsprekender dan haar mondje ’t zou hebben kunnen doen, om ontferming. Een steenen hart zou er zelfs door zijn getroffen. Maar Bibi, dat vinnige, kleine ding, liet zich niet verteederen. Ze schudde haar door elkaar, om haar levensgeesten weer wat op te wekken en poogde haar overeind te trekken. De arme Bobo stribbelde niet tegen, maar liet zich gedurig weer als een zoutzak op den grond neerploffen.
“Jij bent een wandelaarster van ’t jaar nul,” zei Bibi. “We zullen je hier nog alleen moeten laten liggen, als je niet flinker wilt zijn.”
Maar Baba kwam haar vriendinnetje te hulp.
Baba kwam haar vriendinnetje te hulp.
“Maak je niet ongerust, lieve Bobo,” riep zij uit. “Ik laat je niet aan je lot over, hoor! Rust eerst maar uit, dan zullen we samen naar huis gaan.”
Zij boog haar vriendelijk vollemaansgezichtje naar haar toe en omhelsde haar, om haar als ’t ware moed in te spreken.
“Als ’k hier enkel maar een klein stukje brood had,” zei ze toen zachtjes en zuchtte even, “dan zou ’k met alle genoegen zoo lang op je wachten als je maar wilt.”
Bobo keek medelijdend naar haar. Toen viel haar blik op een mooie, roode aardbei, die een paar voetstappen verder groeide. ’t Was de eerste aardbei, die ze op de wandeling ontdekten. Zij vergat haar moeheid, kwam dadelijk overeind en liep op de aardbei af, die ze toen triomfantelijk aan de arme, hongerige Baba bracht.
“O, wat heerlijk!” zei deze, terwijl ze de vrucht in haar mond stak. “Dank je wel, Bobo; wat ben je toch lief!”
Onderwijl had Bibi, in ’t volle besef van haar meerderheid, parmantig met groote stappen op en neer geloopen. Baba’s opgetogenheid stemde haar knorrig.
“Een mooie maaltijd voor iemand, die altijd honger heeft,” riep ze smalend uit. “Daar zal je niet ver mee komen!”
Ongelukkigerwijze was dit maar al te waar. Door Bibi’s ongevoelige woorden werd Baba onzacht tot de werkelijkheid teruggebracht en bespeurde weldra, dat haar eetlust eerder toe- dan afgenomen was na ’t gebruik van ’t frissche, maar weinig voedzame hapje. Haar stemming sloeg eensklaps om en zij smolt weg in tranen.
Bobo hield haar gezelschap en begon ook te snikken. Maar Bibi, dat stoute, kleine ding, deed niets dan lachen.
De koningin der feeën, die juist door ’t bosch kwam, hoorde dit. De andere feeën hadden haar tot koningin verkozen, omdat zij de liefste van haar allen was. Haar goedhartigheid was zoo groot, dat elk verdriet, ook zelfs dat der booze menschen en ondeugende kinderen, haar medelijden opwekte.
Zij vertoonde zich eensklaps aan ons drietal in de gedaante van een vriendelijk, oud vrouwtje,1 dat een takkenbos droeg, en richtte ’t woord tot de beide schreiende, kleine meisjes.

“Wat scheelt er aan, kindertjes?” vroeg zij. “Is er soms iets, dat ik voor jullie kan doen?”
“Och,” zei Bobo, “die arme Baba heeft zoo’n trek!”
“Ja, maar dat is ’t niet alleen,” voegde Baba er aan toe; “die arme Bobo is ook zoo moe. We zijn verdwaald en kunnen den weg naar huis maar niet weer terugvinden.”
Kwam blatend aanloopen.
De goede fee keek de kinderen oplettend aan en bemerkte toen wel waar de schoen wrong.
“Stil maar,” sprak ze; “ik zal jullie hulp zenden!” Meteen brak zij twee takjes van haar sprokkelhout af en wierp die in de struiken.
Een groot, sneeuwwit schaap kwam blatend aanloopen en wreef zijn kop tegen Baba’s roode wangen aan. ’t Was van een aardig eekhoorntje vergezeld, dat zonder complimenten op Bobo’s schouders sprong.
“En jij, klein ding?” zei de oude vrouw toen tegen Bibi; “heb jij niets noodig?”
“Neen, moedertje,” antwoordde juffertje Bibi uit de hoogte; “honger heb ik niet en ’k ben ook niet moe. Ik heb die twee zeurpieten zelfs hartelijk uitgelachen, omdat ze zoo flauw zijn.”
“O, ben je van die kracht!” zei de fee, ontevreden over den toon, dien ’t meisje aansloeg. “Nu, voor een spotvogeltje, dat graag eens lachen wil, heb ik ook nog wel iets.”
Onmiddellijk na ’t uitspreken van deze woorden was ze verdwenen en zagen de kinderen een aapje, dat potsierlijke sprongen om Bibi heen maakte en grijnzend allerlei malle gezichten tegen haar trok.
Bibi was er verrukt over, dat dit grappige diertje haar toebedeeld was. Zij nam ’t in haar armen en overlaadde ’t met liefkoozingen. Maar ’t aapje scheen er niets op gesteld te zijn; ’t liet een nijdig gebrom hooren, dat Bibi echter deed schateren van het lachen. Alles vond ze even komiek van ’t diertje; ze zou ’t hebben kunnen opeten, van louter opgetogenheid.
Maar ondertusschen waren de verdwaalde kinderen toch nog geen stapje dichter bij huis gekomen. Baba stak haar hand in de wollige vacht van haar schaap en droomde met open oogen van een boterham, die zij voor zich uit zag dansen, terwijl Bobo haar eekhoorntje in gedachten over zijn snorbaardje streek.
Baba, die de meeste haast had, verbrak ’t eerst het stilzwijgen. “Hoe komen we nu thuis?” vroeg ze.
Dat Bobo aan den arm nam.
“Maak je niet bezorgd,” sprak ’t schaap; “ik weet den weg.”
En het goede dier zette zich in beweging en liep op een sukkeldrafje den juisten kant uit, gevolgd door zijn meesteresje, dat Bobo aan den arm nam, met de vermaning maar goed op haar te leunen.
Bibi stak den draak met ’t tweetal. ’t Was wat moois, zei ze, om je door een schaap te laten leiden! Zij wou daarom de tegenovergestelde richting nemen, maar daar haar aapje uit haar armen ontsnapte, moest zij ’t wel naloopen. Het diertje bleef de anderen hardnekkig volgen en zoo ging zij tegen wil en dank ook mee met den stoet.—Ze bleef echter in de achterhoede en vermaakte er zich mee haar kameraadjes allerlei mallepraat na te roepen; zij waren “averechtsche” herderinnetjes, zei ze, want zij lieten zich door ’t schaap den weg wijzen in plaats van hetzelf te leiden——zóó dom waren ze, dat zij de dieren moesten volgen.——Bibi was er onuitputtelijk in, allerlei geestigheden over ditzelfde onderwerp te berde te brengen.—
Baba, de smulgraag, die geheel en al door haar verlangen naar een boterham beheerscht werd, deed niets dan klagen en schreien. Ze had toch zoo’n honger, verklaarde ze gedurig. Eindelijk wendde zij zich rechtstreeks tot haar schaap. “Och,” zei ze, “je weet hier zoo goed den weg, kan jij me nu niet ergens wat aanwijzen, dat ik zou kunnen opeten?”
Colas, zoo heette het schaap, antwoordde: “ik kan er je op wijzen, lieve kind, niet zoo gulzig te zijn en je maag ’t zwijgen op te leggen als de maaltijd—zooals vandaag—vertraagd wordt. Wat zou ik wel moeten beginnen als ik niet op m’n tijd honger wist te lijden, ik, dien men langs den rand der wegen leidt om de grassprietjes af te knabbelen, die er tusschen de steenen groeien!”
“Maar je hebt dan toch tenminste iets te eten,” hernam Baba.
“Ja, maar nooit iets naar mijn zin. Doch ik klaag er niet over, omdat het nu eenmaal zoo is. Doe zooals ik en maak het je tot een gewoonte je moedig en flink naar alle omstandigheden te schikken. Als iets moet, dan kan het ook; onthoud dàt, meisjelief!—Je avondeten zal er je des te lekkerder om smaken, nu je tusschen den middag geen boterham hebt gehad.”
Baba was nog wel niet overtuigd, maar zij durfde nu toch niet meer te klagen in de tegenwoordigheid van zoo’n verstandig dier. Zij begon daarom over andere dingen met haar schaap te praten en weldra waren ze samen zoo genoegelijk aan ’t babbelen, dat zij er de verleidelijke boterham, die haar aldoor voor den geest gezweefd en zoo ongelukkig gemaakt had, doordat ze niet te bereiken was geweest, geheel door vergat.
Bobo was ook aan ’t praten geraakt met haar diertje, haar eekhoorntje, dat Cascaret heette, zooals hij haar aanstonds had verteld.—Zij klaagde erg over pijn in de beenen en zei, dat zij groote blaren aan de voeten had en stellig nog ziek van moeheid zou worden.
“Lief meesteresje,” sprak Cascaret, terwijl hij zijn staart als een vederbos boven zijn kopje uitspreidde, “ik geloof, dat je je moeheid minder zoudt voelen, als je er niet zooveel aan dacht. Kijk eens, hoe fijn ik gebouwd ben en wat voor teere pootjes ik gekregen heb; die zien er nog anders uit dan jouw beenen. Toch spring ik behendig en vroolijk van tak tot tak in de hoogste boomen, ’t geen veel vermoeiender is dan kalm over den beganen grond te wandelen. Laten we eens doen wie het eerst bij dien beuk is; je zult zien, dat je moeheid dan over gaat.”
“O neen, neen,” zei Bobo op klagenden toon, “daar geloof ik niets van!”
“Kijk eens wat een mooie noten ginds groeien, en daar staat ook een groote, wilde appelboom. Wat zou hij gauw geplunderd zijn, als hier kleine jongens langskwamen!”
“O, dat is heerlijk!” riep Bobo blij uit. “Och Cascaret, wees eens lief en haal wat appels en noten voor die arme Baba; ze heeft zoo’n honger!”
Cascaret was er dadelijk toe bereid. Met vlugge sprongetjes begaf hij zich op weg en deed daarna nog zooveel reisjes naar den appelboom en zooveel onderzoekingstochten in den noteboom, dat Baba eindelijk verklaarde verzadigd te zijn.
Bobo genoot er zóó van haar te zien smullen, dat zij er bijna haar heele moeheid door vergat en voortwandelde, zonder meer één klacht te slaken.
Toen kreeg Baba op haar beurt een goeden inval.
“Colas,” zei ze tegen haar schaap, “wil je mij een grooten dienst doen?”
“Wel, laat ’s hooren!”
“Je hebt zoo’n breeden rug; toe, laat mijn lieve Bobo daar wat op zitten. Ze zal zoo heerlijk in je dichte, zachte wol kunnen rusten en is zóó licht, dat je er niet moe van zult worden.”
Zat daar als een koninginnetje.
Het schaap was te goedhartig om haar dit te weigeren. Het liet zich op zijn knieën neer, zoodat Bobo gemakkelijk op zijn rug kon komen. Zij hield zich vast aan zijn vacht en zat daar als een koninginnetje. De brave Colas draafde voort, alsof hij niets te dragen had.
Zoo hadden de goedhartige vriendinnetjes elkaar dus geholpen. Nu hadden zij niets meer dat haar hinderde, want vrees voor verdwalen hoefden ze ook niet te hebben, daar Colas immers den weg wel wist. Geen wonder, dat ze den tocht in de vroolijkste stemming voortzetten.
Frisch en blij klonken haar stemmetjes, terwijl ze een aardig liedje aanhieven, dat zóó begon: “Er was eens een herderinnetje.”—
Bibi volgde steeds in de achterhoede. Haar aapje en zij zaten elkaar voortdurend in letterlijken en figuurlijken zin in ’t haar. Hoewel ’t diertje haar soms gevoelig kneep en beet, moest Bibi er toch om schaterlachen; ’t had zulke koddige manieren en maakte zulke malle grimassen.—
Eindelijk kreeg ze er echter genoeg van. ’t Was dan ook wel een ietwat twijfelachtig vermaak, vindt je niet? Zij legde er een stapje op en haalde de vroolijke zangstertjes van lieverlede in.
De mooie, groote noten en gave appels, waarvan zij Baba en ook Bobo had zien genieten, hadden haar in herinnering gebracht, dat ze in lang niets genuttigd had. Hoe graag zou zij nu ook wat te knabbelen willen hebben! Ten laatste besloot zij de hulp in te roepen van haar, die ze daarnet zoo hardvochtig behandeld had.
“Och Bobo,” zei ze, “zou je eekhoorntje voor mij ook niet wat kunnen halen?”
Bobo, wier hartje niet den minsten wrok koesterde, fluisterde Cascaret even een paar woorden in. Toen schoot ’t gewillige diertje als een pijl uit den boog den grooten noteboom in, die op de een of andere manier hier in ’t bosch verzeild was geraakt, en kwam dadelijk daarop met een mooie noot terug. Handig ontdeed hij deze van den groenen bolster, kraakte haar tusschen zijn lange voortanden en bood Bibi de pit toen zoo bevallig mogelijk met zijn rechtervoorpootje aan.
Doch op ’t oogenblik, dat deze de hand uitstak om haar aan te nemen, gritste ’t ondeugende aapje ’t begeerlijke hapje voor haar oogen weg, liep er gauw een eindje mee door en ging toen op zijn achterpootjes zitten om de noot lekker op te knabbelen, terwijl hij schuin met een uittartenden blik naar zijn meesteresje keek. Als ’t maar niet haarzelf gegolden had, zou Bibi zeker in lachen zijn uitgebarsten, zoo potsierlijk liet ’t diertje zijn oogjes rollen; maar nu was zij er niet voor in de stemming.
’t Begeerlijke hapje voor haar oogen weg.
Een tweede noot onderging ’t zelfde lot en toen ’t kleine meisje er ten laatste in geslaagd was een derde te grijpen, rukte de aap haar die uit de handen, voordat zij er nog een stukje van had geproefd.
Zij moest ’t dus opgeven, ’t Scheen, dat zij niet van Bobo’s goedhartigheid mocht profiteeren.
De flinke Bibi was nu toch wel wat in haar wiek geschoten. Daardoor kwam ’t zeker, dat zij nu ook op eens bemerkte moe te zijn. Ze vroeg of ze ook eens op ’t schaap zou mogen zitten.
Colas leende er zich gewillig toe. Hij liet zich nog eens weer op zijn knieën neer en wachtte geduldig, totdat hij een andere berijdster zou hebben gekregen. Maar zij hadden geen rekening met ’t boosaardige aapje gehouden, dat nu eensklaps op ’t vreedzame dier toeschoot en het zoo hard aan de ooren trok, dat ’t geweldige sprongen ging maken. Juffertje Bibi viel zoo lang als ze was op den grond; ze belandde in de dorens en kreeg zulke leelijke schrammen op gezicht en handen, dat ze er volkomen genoeg van had en er niet om vroeg nog eens weer op ’t schaap te mogen zitten. Zij sleepte zich verdrietig voort en was meer geneigd tot schreien dan tot spotten.
Ze belandde in de dorens.
Gelukkig hadden ze nu het einde van ’t bosch bereikt. Colas had een dwarspad genomen en zoo zagen onze kleine meisjes op een oogenblik dat zij het ’t minst verwachtten, eensklaps, dat zij vlak bij huis waren. Baba en Bobo zetten ’t juichend op een loopen en Colas dartelde met Cascaret om haar beidjes heen, om te toonen, dat zij in haar blijdschap deelden.
’t Aapje was aan den boschrand blijven zitten en keek Bibi onafgewend na, die te moe en te verdrietig was om als de anderen te doen en hinkend voortsukkelde. Toen zij ’t diertje niet meer naast zich zag, keerde zij zich om en wou ’t roepen. Daar ontdekte ze ’t aan den zoom van ’t bosch. ’t Zat er doodkalm zijn kopje te krabben en rimpels in zijn neusje te trekken, alsof het Bibi uitlachte.
Boos liep zij op ’t aapje af.
“En nu, juffertje,” sprak de fee.
“Je houdt me voor den mal;—je bent een ondeugend ding, dat nergens anders toe deugt dan om kwaad te doen”, riep ze driftig uit; “pas op, ik zal je wel krijgen.”
Bibi zou ’t diertje hebben geslagen, als zij ’t had kunnen pakken, maar ’t sprong op zij, werd grooter en grooter en veranderde in een schoone, prachtig gekleede vrouw, die een gouden ring droeg, ’t Was de feëenkoningin zelf. Zij had deze vermomming aangenomen om ’t spotvogeltje eens aan den lijve te laten voelen en ondervinden hoe leelijk haar gebrek was.
“En nu, juffertje”, sprak de fee, “begrijp je, hoop ik, hoezeer men in de schatting van anderen daalt, door hen te bespotten en uit te lachen. Je vriendinnetjes hebben óók fouten, die zij moeten verbeteren, maar zij zijn goedhartig en met goedheid is alles te herstellen. Je ziet hoe zij zich uit de moeilijkheden hebben weten te redden, terwijl jij, die je zoozeer boven haar verheven voelde, omdat je flinker en sterker bent, als een stumperd achteraan komt, hongerig en te moe haast, om nog een voet te verzetten. Laat het aapje van zooeven je in de gedachten komen, als je weer eens lust mocht krijgen je meerderheid ten koste van anderen te toonen en denk er dan aan, kind, dat men jou zal verfoeien zooals jij dit boosaardige diertje nu hebt verfoeid, hoewel je er eerst om lachen moest.”
’t Kind was uit ’t veld geslagen, maar nog niet overtuigd. Haar hartje verzette zich uit alle macht tegen het gehoorde en werd hard en onbuigzaam als een klomp ijs. Op dit oogenblik kon zij nog niets anders zien dan de vernedering, die voor haar uit dit avontuur was voortgekomen.—
“Zij hebben elk een mooi geschenk gekregen”, riep ze schreiend uit, “en ik heb niets.”
“Neen, mijn kind,” hernam de goede fee, “maar ik wil je iets geven dat ’t hare duizendmaal te boven gaat”.
Zij nam Bibi in haar armen en drukte haar aan haar hart, dat overvloeide van goedheid. ’t Kleine meisje voelde ’t hare eensklaps smelten als een ijsschots, die men op ’t vuur legt.
Zoo kwam Bibi dus met een geheel veranderd hartje thuis. Moedig en ferm als zij al was, gebruikte ze voortaan haar flinkheid om zwakken bij te staan en te versterken, in plaats van zich, zooals vroeger, op haar kracht te beroemen en den spot met de zwakheden van anderen te drijven. En veel later, toen zij zelf kleine meisjes en jongens had, zei zij meermalen tegen haar kinderen: “ieder heeft zijn eigenaardig gebrek, maar vergeet ’t niet, lieve kinderen, dat van den spotter is misschien nog wel het ergste, daar ’t immers van hardvochtigheid en liefdeloosheid getuigt.”—
1 Zie plaatje omslag.
IV.
DE GROOTE GELEERDE.
Er was eens een jongetje, dat altijd nummer één op school was. Alle prijzen waren voor hem: die voor taal, voor rekenen, voor geschiedenis, voor aardrijkskunde——komt, noemen jullie nog maar eens een paar vakken op!
Na de prijsuitdeeling toog hij dus met een heelen stapel boeken onder den arm naar huis en had zooveel kransen veroverd, dat hij er heelemaal onder bedolven was. De menschen bleven zelfs op straat staan, om naar hem te kijken en den volgenden dag vertelde zijn kindermeid met ophef aan ieder, die ’t hooren wou op de markt, hoe knap haar jongeheer was; ja, hij was al een groot geleerde, beweerde ze.
Dit een en ander maakte ons kereltje wel wat hoogmoedig; dat moet gezegd worden! Zoo kwam hij er dus geleidelijk toe, een hoogen dunk van zichzelf te krijgen.
Er woonde een klein meisje naast hem, dat dikwijls met hem speelde. Zij kon niet zoo gemakkelijk leeren, maar had een heel lief karakter. Tegen iedereen was ze zacht en aardig en nooit zou ze ’s avonds, voordat zij slapen ging, vergeten den goeden God met haar gansche hartje te bidden haar braaf en vriendelijk te maken.
Onze groote geleerde begon weldra op dit eenvoudige vriendinnetje neer te zien. Op zekeren dag bedacht hij bij zichzelf, dat zoo’n klein, dom ding toch eigenlijk volstrekt geen gezelschap voor hem was en ’t niet kwaad zou zijn zich eens op de hoogte te stellen van ’t geen zij eigenlijk wist. Dáárvan zou ’t dan afhangen, of hij haar ook voortaan nog met zijn vriendschap zou kunnen vereeren.
“Ik weet niet, of ik met je kan omgaan.”
Toen ’t kind hem op een keer kwam vragen met haar mee naar huis te gaan, om ’t mooie prentenboek te zien, dat zij van haar petemoei gekregen had, deed hij erg koel en uit de hoogte. ’t Kleine meisje wist niet hoe zij ’t had; zóó had zij haar kameraadje nog nooit gezien!
“Ik weet niet, of ik wel met je kan blijven omgaan,” zei hij; “in ieder geval zou ik eerst wel eens willen hooren, of je in staat bent een gewone breuk in een tiendeelige over te brengen.”
Zij begon te lachen. “O, daar heb ik nog niets van gehad. Ik begin pas aan de deeling.”
”’t Is niet om te lachen. Ik spreek in vollen ernst. Dan moet je mij tenminste het verschil tusschen een volstrekten en een betrekkelijken hoofdzin zeggen.”
“Gisteren hebben we ’t er op school nog over gehad, maar ik weet er niets meer van.”
“Zoo, ’t is wat moois! Dan zal ik je ook wel niet behoeven te vragen in welk jaar Rome gesticht is?”
“Wat een malle vraag; je weet toch wel, dat we daar nog lang niet aan toe zijn.”
”’t Wordt hoe langer hoe fraaier. ’k Zou er haast wat op durven te verwedden, dat je me de Loire-departementen zelfs niet zult kunnen opnoemen.”
Zij hield zich stil. Haar aardrijkskundige kennis strekte zich nog niet tot de omgeving van de Loire uit.
“Och, och,” zei ze eindelijk tegen haar gestrengen examinator, “wat heb jij vandaag toch! Laten we nu alsjeblieft maar uitscheiden; we zijn immers niet op school! Ga maar mee, dan zal ik je mijn boek laten kijken. Er staan verhalen in, die je wel mooi zult vinden.”
“Klein ding,” sprak hij op beschermenden toon, “om zulke verhaaltjes geef ik niets; ’k vind er geen steek aan. Je begrijpt toch wel, dat ik er veel te knap voor ben. Neen, we kunnen niet meer met elkaar omgaan. Dat zou heel niet passen.”
’t Arme, kleine meisje kon geen ander antwoord vinden dan tranen, want zij hield veel van haar geleerd buurtje en vond ’t hard hem, ter wille van de Loire-departementen en den volstrekten hoofdzin, als vriendje te moeten verliezen. Zij kon er maar niet toe besluiten zonder hem naar huis terug te keeren.
Terwijl zij hem nog met een smeekenden blik aan stond te kijken, kwam haar petemoei eensklaps binnen.
Zij was een eerwaardige, oude dame, die tal van deugden in ’t verborgen bezat; ze trad weinig op den voorgrond en dit zal je niet verwonderen, als je haar naam hoort: zij heette fee Nederigheid. Op prijsuitdeelingen, waar kleine kinderen met lauwerkransen op ’t hoofd trotsch en fier, als zegepralende generaals, vandaan komen, had zij ’t niet erg begrepen.
Kwam haar petemoei eensklaps binnen.
Toch wilde zij er niets tegen zeggen, want, al is nederigheid een schoone zaak, in den levensstrijd heeft men ook nog andere wapens noodig en ’t kan zijn nut hebben de kiem van ijver en eerzucht in ’t hart der kinderen te leggen, als men er menschen van wil maken. Zij liet hen dus maar met hun lauweren gaan, wel wetend, dat de nederigheid mettertijd vanzelf zou komen tot hen, die eens waarlijk groot zouden zijn.
Wat den anderen betrof, vond zij ’t wel wat hard hun dit kleine beetje ijdelen roem te ontnemen, dat immers alles was, waarmee zij ’t zouden moeten doen.
’t Verdriet van haar lief petekind ging haar echter na aan ’t hart en daarom kwam zij den onverdragelijken wijsneus, die haar tranen had doen vloeien, eens gauw bestraffen.
“Wat men moet doen om braaf te leven?”
“Je weet dus niets, mijn kind?” zoo sprak zij ’t kleine meisje vriendelijk aan. “Laat ik je ook eens een vraag voorleggen: zou je mij ook kunnen vertellen wat men moet doen om braaf te leven?”
“O, petemoei, dat is niet moeielijk! Men moet den goeden God gehoorzamen en alle menschen liefhebben, zooals Hij.”
“Dat is al iets. Maar ik heb zoo’n idee, dat dit toch niet voldoende zal wezen om ’t kameraadje van zoo’n geleerden bol te zijn.”
Ze nam hem bij de hand.
“Ga eens mee, vriendje,” vervolgde zij, zich tot den jongen wendend. “Je bent te knap om bij kleine meisjes op visite te gaan; ’t gezelschap van geleerden en letterkundigen zal je nu beter voegen.”
Zij nam hem bij de hand.
Plotseling bevond hij zich in een der zalen van het observatorium, waar iemand met een eerbiedwaardig voorkomen, aan een lange tafel, voor een massa papieren vol cijfers, gezeten was.
Deze was voorzeker een groot geleerde.
Hij had aan aardmetingen gewerkt, een arbeid, die nog heel wat meerdere en andere moeielijkheden met zich brengt, dan al de regels van drie te zamen. Hij had het licht, dat 72000 mijl per seconde aflegt, in zijn loop gevolgd en berekend hoeveel jaren ’t noodig heeft om van de sterren, die onze naaste buren zijn, tot ons te komen. Hij woog de zon en de maan met de pen in de hand, als op een weegschaal en kon door zijn berekeningen van te voren de baan, die de hemellichamen door de ons omringende, oneindige ruimten af zullen leggen, bepalen.
Toen fee Nederigheid hem goedendag gewenscht had, glimlachte hij vriendschappelijk en begroette haar als een oude bekende.
“Professor,” zei ze, “hier breng ik u een geleerde, die gaarne een wetenschappelijk gesprek met u wil voeren.”
De professor kende geen grooter genoegen dan zijn kennis mee te deelen aan hen, die dit wenschten. Hij stak den kleinen jongen zijn hand toe.
“Ik maak u mijn compliment,” sprak hij, “een geleerde en dat op uw leeftijd, dat is al heel mooi! Wilt ge mij een komeet helpen zoeken, die wij reeds sinds een maand verwachten? Ik tracht juist op dit oogenblik na te speuren, wat haar onderweg heeft kunnen ophouden. Wij zullen onze nasporingen nu te zamen vervolgen.”
Kometen zoeken! Dit was wel wat te kras voor onzen scholier, die ternauwernood in de juiste termen zou hebben kunnen omschrijven wat een komeet eigenlijk is.
Blozend wees hij ’t voorstel af.
“Wel, dan zullen we eens een vraagstuk op ’t gebied van gezichtkunde, of op dat der klankwetenschap of dat der waterweegkunde behandelen, naar uw keus.”
’t Kind wist zich van verlegenheid en schaamte niet meer te bergen. ’t Werd hem groen en geel voor de oogen.
“Ge kent de logarithmen tenminste?”
“Ge kent de logarithmen tenminste?”
Half schreiend antwoordde onze knappe bol, dat hij die beesten niet kende, maar wel een gewone breuk in een tiendeelige kon overbrengen.
De echte geleerde keek fee Nederigheid verwonderd aan en wilde haar vragen wat voor soort van geleerde zij toch wel bij hem had gebracht. Doch zij liet er hem niet den tijd toe.
“Professor,” sprak ze, “een klein meisje van mijn kennis zegt, dat men om braaf te leven den goeden God gehoorzamen en alle menschen liefhebben moet zooals Hij. Gaat uw wetenschap de hare nu ver te boven?”
“God beware mij er voor, dat ik mij daarop zou durven te beroemen. ’t Lieve kind heeft alles gezegd, wat er te zeggen valt.”
“Laten we verder gaan,” sprak de fee tot haar metgezel. “Je ziet wel, dat ’t hier niets voor je is.”
Weldra traden zij een ruim huis binnen, dat door een groot geschiedkundige werd bewoond. ’t Was niets dan boeken, wat je er zag. Van beneden tot boven waren op alle mogelijke plaatsen langs de muren planken aangebracht, waar ze in lange rijen, als in slagorde, gerangschikt stonden. Er waren boeken van zulke kolossale afmetingen, dat een volwassen man er nog een heele vracht aan zou hebben; ook waren er exemplaren bij, die zoo klein waren, dat hij ze in zijn vestzakje zou kunnen steken. Je zag er staaltjes van al de boekbanden, die de boekbinders, sedert er boeken ingebonden worden, hebben uitgevonden: gele, roode, witte, zwarte, in alle kleuren waren ze vertegenwoordigd. Je hadt er banden van perkament, van kalfsleer, kunstig uitgesneden hout, bewerkt leer, waar figuren ingedrukt zijn, banden met zilveren sloten, banden van met goud doorstikt marokijn——kortom, een rijken overvloed.
Ook waren er zelfs oude boeken uit den tijd der Romeinen bij. Deze zijn van een lang stuk boomschors gemaakt, dat echter een bijzondere bewerking heeft ondergaan, zoodat het aan beide einden over twee groote, houten rollen kan worden opgerold. Naarmate men met zijn lectuur vordert, laat men de rollen in omgekeerde richting loopen.