I. DE EERSTE KENNISMAKING
Toen ik, nu zevenendertig jaar geleden, op Texel ging wonen werd ik oprecht beklaagd door mijn Amsterdamsche vrienden en collega’s. Wat was er nu op zoo’n schapeneiland te beleven? Maar ik wilde spoedig een „positie” hebben, en nu kon ik kiezen tusschen Wormerveer, Texel en Sint Petersburg. Mijn leven lang zal ik er mij over blijven verheugen, dat ik Texel heb gekozen, en—al heb ik er maar twee en een half jaar gewoond, Texelaar zal ik blijven tot het eind.
Het zou wel meevallen, dacht ik. Texel is even groot als Walcheren en er is meer verscheidenheid van grond dan op de parel der Zeeuwsche eilanden. Ook kreeg ik van mijn goeden vriend en leermeester Kerbert een aardig boekje cadeau, dat handelde over de Flora der Noordzee-eilanden. Dit proefschrift van den helaas jong gestorven botanicus Holkema was toen al een jaar of twintig oud, maar nog volmaakt bruikbaar, want destijds waren de veranderingen op Texel van geenerlei beteekenis. Onder het lezen van dat boekje werden mijn oogen al grooter en grooter, want wat daarin staat van duinen en duinvalleien, van stranden en slikken, van heuvels en heiden is wel geschikt om een vierentwintig jarig natuurvriend in geestdrift te doen ontsteken en te [6]vervullen met ongeduld. Ik weet niet wat er gebeurd zou zijn, als er een dergelijk werkje over de vogelwereld van het eiland had bestaan, want die is er nog feestelijker dan de flora. De meeste voor het ongewapend oog zichtbare planten en dieren van Nederland kende ik al. Die had ik gevonden in de omgeving van Amsterdam, in den vierhoek Monnikendam, Muiderberg, Abcoude, Zandvoort. In de laatste veertig jaren is in dien vierhoek al veel natuurschoon verloren gegaan, maar nog groeit en leeft er genoeg, om rijke voldoening te schenken aan ieder, die genoegen vindt in het aanschouwen van het leven van planten en dieren. Ja, op het bevoorrechte Texel komen niet eens zoo heel veel planten en dieren voor, die ook niet in dien vierhoek zijn te vinden. Toch bestaat er hemelsbreed verschil.
Na een kil zeereisje op de ranke „Ada van Holland” zette ik voet aan wal in de haven van Oude Schild (B) op een druilerigen namiddag in Januari 1890. Het kwakkelde wat, de wegen waren modderig. Het was drie kwartier loopen naar de hoofdplaats van het eiland. Het weer was niet slecht genoeg, om de gele diligence noodig te maken en ik kuierde welgemoed langs den grooten weg, want de bijwegen moest ik nog ontdekken. Trouwens die groote weg was nog smal genoeg. Eerst ging het over en langs den Zuiderzeedijk en toen landwaarts in langs een paar vervallen schansen, die vroeger de Texelsche ree moesten verdedigen. De weg ging nu eerst langs lage hooilanden, toen tusschen hooger grond waar schapen, dicht in hun vacht, knabbelden aan het korte gras of lagen te herkauwen in de luwte van een walletje. Hier in het hooge land zijn geen slooten, maar de weiden worden begrensd door walletjes van meter hoog tot manshoog, al naar de gesteldheid van den grond. Die „tuunwoaltjes” worden opgebouwd van dikke graszoden. Een nieuwe wal kan er keurig uitzien, maar na een paar jaar gaat hij aardig verzakken en vallen er hier of daar gaten in tot groot genoegen van de tapuiten die er hun nesten in maken. Soms is de wal nog versterkt met een prikkeldraad op korte paaltjes. Ik herinner mij nu nog goed, dat de eerste tuunwoaltjes die ik ontmoette dicht begroeid waren met groote rosetten van reigersbek en propperige pollen van Engelsch gras. Meer was er op ’t oogenblik niet te ontdekken.
De weg ging tegen den Hoogen Berg op langs een boerderij, die zeer terecht den naam voerde van Panorama. Hier kijk je over de heele zuidhelft van het eiland heen, meerendeels golvend hoogland, rechthoekig ingedeeld door tuunwoaltjes, links een lage polder, de Prins Hendrik, recht vooruit de slanke toren van Den Hoorn en in een wijden boog daarachter de duinen langs Marsdiep en Noordzee. Dichterbij naar rechts lag Den Burg in hoog geboomte en daar stapte ik na een kwartiertje binnen, gastvrij ontvangen door mijn nieuwen collega, het hoofd van de dorpsschool. Mijn „positie” was namelijk die van hoofd van de school met uitgebreid leerplan, kortweg ook wel genoemd de Fransche school.
Den volgenden morgen ging ik naar die school toe en kwam net aan op het oogenblik dat de grootste jongen, een zestienjarige reus, een van de kleineren in de dakgoot zette, zoo lang was die [7]jongen en zoo laag die dakgoot. Het was maar een klein schooltje en ik verdenk de muren ervan, dat ze maar halfsteens waren. Er was een luchtige zoldering en de groote ramen keken deels uit op het kerkhof, deels op het park en in den zomer zat daar een Spotvogel (106), die zong den heelen dag. De jongens noemden hem Bastaardnachtegaal en wisten dat hij de mooiste eitjes heeft van alle zangvogeltjes, behalve de Wielewaals, maar dat was weer niet de Wielewaal, doch de grauwe Klauwier. Ze hadden eigenlijk onder elkaar zoo maar die namen bedacht. Met de waadvogels en zwemvogels vergisten ze zich nooit en ze konden weergaasch goed een abnormaal dof en groenig tureluurei onderscheiden van een abnormaal glanzig kievitsei. Velen van hen waren bezig om eierenverzamelingen aan te leggen, wel een beetje al te hevig en dat heb ik toen trachten te temperen, door met elkaar een schoolverzameling te maken. Dat ging uitmuntend en door die gemeenschappelijke bemoeiingen werden we heel goede vrienden, temeer daar ik onvermoeid in ’t loopen was en met een aanloop over breedere slooten kon springen dan de beste van hen. Met den polsstok waren ze me de baas.
A
Dat polsstokspringen ligt in de natuur van de Texelsche en Friesche jongens. In de steden volgt op het schaatsenrijden de knikkertijd, daar op Texel komt in Februari de polsstok voor den dag en dat polsspringen is de natuurlijke voorbereiding voor het eieren zoeken, dat al vroeg in Maart begint, want dan zijn er al „eendseier”. Het eerste kievitsei wordt omstreeks 15 Maart gevonden en dan volgen zes weken van wettig eizoeken. Sommigen doen dat om den broode en allemaal doen ze het als een bijzonder soort van sport. Ik heb wel oude heeren van vijfenzeventig jaar een stuk land zien afstappen, om toch nog eens het genoegen te hebben van een legsel eieren van kievit of marel of tureluur te vinden. De jongens namen mij graag mee „te eizoek” en dat was heel goed, want nu kon ik ze beter begrijpen en beoordeelen. „Och, mijnheer”, zei er een, toen zijn Duitsche thema krioelde van de fouten [8]„als ik de marels en tjerken zoo boven de school hoor roepen, dan moet ik wel eens minder goed opletten.” Nu, met dat Duitsch is dat wel in orde gekomen en de vent is later nog millionnair geworden ook. Ze hadden heldere koppen, die Texelsche jongens en ze zijn haast allemaal goed terecht gekomen. Ze hadden een bijzonder goed gevoel voor mooi weer, zoowel in den winter als in den zomer en waardeerden het altijd, wanneer ik (op hun milden aandrang) met hen het luchtig schooltje verliet om buiten te gaan teekenen, om waterwerken te maken aan de Fonteinsnol of aan het strand, of op de schaats heen en terug naar Cocksdorp te rijden. We genoten samen den strengen winter van 1890 op 1891 en als we elkaar nu nog in de wereld ontmoeten, dan hebben we het nog wel over de groote sneeuwvesting, waar we vier dagen aan gewerkt hebben met zoowat de heele jeugd van het dorp en dat eindigde met een bestorming, die me nog in verbeelding de handen naar de ooren doet brengen. De ouders vonden mij wel een raren Franschen meester, want de vorige mesjeus waren nog al mannen van gewicht geweest. Ze hadden echter goed vertrouwen en slechts éénmaal heeft er een ingezonden stuk in de Texelsche Courant gestaan over de ruwe bende van mijnheer Thijsse. En dat over jongens en meisjes, die op school zoo mak waren als de lammetjes, waaraan het eiland zijn welvaart te danken heeft.
Al mijn vrijen tijd besteedde ik aan de ontdekking van het eiland en het duurde niet lang, of ik zette mij er aan, om het eens heelemaal rond te loopen. Als je wilt dan kun je dat wel op één, maar dan ook heel langen, dag klaarspelen, want de omtrek langs de hoogwaterlijn en de zeedijken bedroeg toen ± 60 K.M. Tegenwoordig, nu Onrust aan Texel is vastgegroeid, is de afstand iets grooter.
Ik heb het in tweeën gedaan, op een paar dagen in ’t laatst van April. Den eersten dag ging ik van Den Burg naar De Koog en toen noordwaarts om en over Oude Schild weer naar huis, den tweeden dag over Oude Schild zuidwaarts om en over de Koog weer naar Den Burg. Zulke dingen doe ik uit een soort van aardrijkskundige stijfhoofdigheid en om eens iets compleets te verrichten.
Beide dagen had ik prachtig weer. De weg van Den Burg naar Koog was toen iets mooier dan nu, want je had tegenover het kerkhof toen nog de mooie oude hoeve De Bogaart met aardig geboomte. Daar is nu natuurlijk een nieuwe wijk gekomen. Bij Buitenlust nam ik natuurlijk het landpad. Dat is het aardige van de wandelingen op Texel, dat je op heel veel plaatsen korte paden door de weiden vindt met stapsteenen om over de hekken te komen. De schapen en lammeren zijn al lang aan de wandelaars gewend en je loopt daar dan heel prettig. Uit een drinkkolk vliegt af en toe onverwacht de een of andere vogel op, leeuweriken en piepers zijn niet van de lucht af. Bij Hermanshoeve komen we weer op den grooten weg en die gaat dan vrijwel recht op De Koog af. Hermanshoeve met zijn groote schuur is eigenlijk geen typische Texelsche boerenplaats. De echte, dat zijn de vierkante stolpen (A) met hun hooge pyramidale daken. Die stolpen hebben haast geen bijgebouwen; het hoofdgebouw bevat woonhuis, stal en hooizolder tegelijk. Halfweg de Koog [11]ontdekte ik tot mijn vreugde een paar boschjes en verder naar rechts, achter een paar boerderijen, nog een tamelijk groot boschje, de Nieuwe Aanleg, in dien tijd het voornaamste bosch op Texel. Menigeen meende destijds dat de zeewind op het eiland de bebossching onmogelijk zou maken, een meening, waarin je wel versterkt werd, als je de scheefgewaaide, dakvormig plat gegroeide meidoornhagen (M) zag bij sommige boerderijen. Vijf jaar later zouden we wel andere dingen daarvan beleven. [9]
|
1 DE DESOLATIE VAN HET ZUID-WESTERSTRAND |
2 DE SLUFTER |
|
3 HET MEER VAN DE MUI |
4 DE DUINZOOM BIJ DE KOOG |
|
5 HET NIEUWE LANDSCHAP VAN DE STAATSBEBOSSCHING |
6 DUINWOESTIJN IN „DE WESTEN” |
| L. W. R. WENCKEBACH | |
[10]
|
7 DE KOOG |
8 DE COCKSDORP MET DE ROGGESLOOT |
|
9 DEN HOORN VAN HET ZUIDEN GEZIEN |
10 BOETJE MET LAMMEREN EN WALLETJES |
|
11 DE ZEEWIND IN DE BOOMEN |
12 DE ZANDKUIL AAN DEN HOOGEN BERG |
| L. W. R. WENCKEBACH | |
[11]
Een klein half uurtje voor De Koog begon de hei, daar zijn nog een paar brokjes van over. Het aardig dorpje met zijn uitheemsch aandoend kerkje ligt vlak tegen het hooge duin, dat in strijd met de boeken aan de landzijde lang zoo steil niet is als aan den zeekant. De duinen zijn hier maar smal, na een ploeterpartijtje door het rulle zand van enkele minuten bereiken we het breede strand en de groote zee en nu hebben we nog precies dertien kilometer te wandelen langs de branding. Wie van strand en zee houdt beschouwt dat als een groot genoegen en heeft niet eens de afwisseling noodig van de dieren of van de verrassingen van het aanspoelsel. Toen, op mijn eerste ontdekkingstocht was er zelfs een zeer levendige stoffeering; er zat bij de kleine Slufter (2) een groote katoenboot op het strand, nog al hoog en die was men druk bezig te lossen. Strandingen en strandvonderij, strandroof en al wat daar bij hoort zijn vroeger op de eilanden heel gewone dingen geweest, maar sinds de vermeerdering en versterking van vuurtorens en bebakening is daar de klad in gekomen. Toch kun je geen week op Texel zijn, of je wordt weer strandjutter en ik kon de jongens (en meisjes) van de school geen grooter feest aanbieden dan een gemeenschappelijke jutpartij, al vonden wij meestal niet anders dan kurken en bamboestokken.
Al heel in de verte zag ik het wrak liggen, duidelijk weerspiegeld in het heldere water. Maar dat was in het geheel geen water, maar wat je noemt een luchtverheveling of fata morgana. Op deze breede stranden krijg je dezelfde uitwerkingen van licht en warmte als in de woestijn. Het is heelemaal geen zeldzaamheid om aan den voet van het verre duin een spiegelgladde plas te zien, die er niet is. Ook kringen om de zon, bijzonnen en lichtzuilen zijn op onze eilanden vrij gewone verschijnselen.
Bij ’t wrak moest ik landwaarts in, want de Slufter was toen nog een vrij belangrijke geul, die hier de duinenrij afsneed. De strandlijn bleef dezelfde, maar de duinenrij week bijna twee kilometer binnenwaarts en zoo sta je hier dan voor een zandvlakte van dezelfde uitgestrektheid als een heide in Drente of op de Veluwe. Maar ’t is effen zand, hier en daar een plasje, rechts de rechte duinenrij van den Eijerlandschen zanddijk en vooruit kleinere en grootere duingroepjes, die zich eindelijk aaneensluiten tot de vuurtorenduinen. Al uitwijkend voor de Slufter kwam ik al heel dicht bij den Zanddijk en daar vond ik een zoetwaterplas aan een dwarsdam met een duiker. Door dien duiker stroomde de afwatering van de ontginning De Nederlanden, destijds de eenige in het duin. De omgeving van de plas was begroeid met gras en ook de lage duintjes in de onmiddellijke omgeving hadden een dicht kleed van gras en kruiden. [12]
Hier kreeg ik een van mijn voornaamste vogelkundige nieuwtjes te genieten. Langs het water liepen een aantal vogels zoo groot als een kievit, maar met langer pooten en ze hielden hun hals hooger. Het leken dieren uit een andere wereld. Hun onderkant en keel en wangen waren pikzwart en daar ging een spierwitte streep omheen. Nek en rug zilvergrijs met donkere vlekken. Zulke vogels had ik bij Amsterdam nog nooit gezien en ik was dus met deze „goudkieviten” niet weinig in mijn schik. In de boeken heetten ze zoo, maar we zijn bezig dezen naam te vergeten en hem te vervangen door zilverplevier (90), een naam die een beter begrip geeft van het uiterlijk en de verwantschap van die mooie vogels. Ze broeden in de Poolgewesten en we zien ze hier ieder jaar in groot aantal op den doortocht, zoowel op den voorjaars- als op den herfsttrek. Enkele blijven zelfs den heelen zomer hier en bij dat dammetje achter den Slufter mis ik ze zelden.
Nu ging het noordwaarts over de groote zandvlakte. Van de zee was niets meer te zien. Ik zwierf maar voort van duintje naar duintje. Die lagen verstrooid over de woestijn, sommige aangroeiend, andere werden door den wind weer uiteengeblazen, doordat er op de een of andere manier een opening was gekomen in hun helmkleed. Ook lagen hier weer enkele plasjes en daar scharrelden weer vogels rond en wel de prachtige bergeenden (76), negen paren bij elkaar. In de verte maken ze den indruk van zwart en wit, maar als je dichterbij komt bewonder je de roode pooten, den rooden snavel, den groenen kop, den bruinen halsband; och wat een mooie vogels en wat een fiere houding heeft het mannetje. Ze vlogen op en zetten koers naar het duin, waar ze hun nesten hebben in de konijnenholen.
Bij een andere plas liep ook weer zwart en wit gedoe, maar kleiner dan die bergeenden. Hun kop is zeer grillig geteekend, wit, met allemaal zwarte dwarsbanden en teugels, net of ’t beest gemuilband is. Oranje snavel, oranje pooten, bruin op de vleugels. Als ze opvliegen komt een breede witte rugstreep te zien en witte strepen op de vleugels. Dat zijn steenloopers (69), ook doortrekkers, die hier niet broeden. Er is misschien een heel klein kansje, dat ze ’t ook eens bij ons zouden kunnen probeeren, want ze broeden al aan de Oostzee. De naam steenlooper is alweer niet erg gelukkig want ze loopen meer op slib en zand dan op de steenen. In de andere talen heeten ze ook al Steinwälzer, Turnstone, Tourne-pierre en dat wijst er op dat ze steenen of ook wel schelpen omkeeren, om de diertjes te bemachtigen, die daaronder zijn verscholen. Toch durf ik niet voor te stellen om ze steendraaiers te gaan noemen. Ook deze vogels waren een groot nieuwtje voor mij.
Nu ging ik weer zeewaarts, ofschoon de vuurtorenduinen er aantrekkelijk genoeg uitzagen. Deze vormden vroeger een afzonderlijk eiland met de groote slibbank Eijerland als aanhangsel. Door het aanleggen van den stuifdijk en den grooten Eijerlandschen dijk is de slibbank tot een vruchtbaren polder gemaakt, al is het er met de eieren wat minder op geworden. Het strand bij de vuurtorenduinen bleek in ’t eerst nog zeer breed en zeer rijk aan schelpen, schelprijker dan elders op Texel. Op zoo’n gunstig plekje is van alles te verwachten: Amerikaansche Boormossel (126), [13]Groote Strandschelp (122), Kokkels (123), Mesheften (121), Nonnetjes (125), Stevige Strandschelp (124), Teere Strandschelp (125), Tepelhoorn (127), Witte Boormossel (126), Wulk (128), van alles en nog wat. Misschien is dat al wel langen tijd zoo, tenminste de vuurtorenduinen zijn over ’t algemeen zeer dicht begroeid, hetgeen wijst op tamelijk vruchtbaar, kalkrijk zand. Daar had ik toen echter nog niet veel erg in. Ik vond het interessanter om zoo spoedig mogelijk de noordelijkste punt van mijn eiland te bereiken en stond weldra aan het Eijerlandschegat op een plek zoo woest en verlaten, dat een Amsterdammer er naar van zou worden. Bovendien was het April, in ’t volst van den trektijd en nu wemelde het hier van steltloopertjes op weg naar de Noordpool of dichterbij. Daar waren drieteenige strandloopertjes (72), zoo wit alsof ze pas uit een meelzak kwamen, en bontbekpleviertjes (68) met oranje snaveltjes en pootjes en aan den kop en keel ook al met zoo’n zwart-met-wit hoofdstel als bij den strandlooper, maar regelmatiger en meer rechtlijnig. Ook liepen er Kanoeten, mooi in ’t roode zomerkleed en nog een massa klein gedoe. Het is net alsof die trekvogels bij zoo’n zeegat graag vertoeven. Ik heb dat later nog dikwijls opgemerkt. Het is alsof een klein troepje den overtocht niet aandurft en of ze nu wachten op meer en meer, totdat eindelijk een bende van duizenden den overtocht wil wagen. Het was daar op dien verlaten uithoek dus nog zeer levendig. Van Vlieland was weinig te zien, de Vliehors is niet eens zoo heel ver weg, hoogstens een paar kilometer, maar die ligt zoowat gelijk met het water. Heel in de verte lagen de Meeuwenduinen als een grijs nevelvlekje aan den horizon.
Nu oostwaarts om en nu werd opeens het strand heel smal, want de eb- en vloedstroom, door het Eijerlandschegat, hoewel niet sterk, knaagt hier bijwijlen den oever af, het eene jaar sterker dan het andere. Hier vond ik ook een klein poldertje, dat heet niet te onpas „de Volharding” want telkens weer slaat er een gat in den dijk of de zee slaat over den dijk en dan begint de eigenaar maar weer van voren af aan om het weer droog te leggen. Op dezen Aprildag lag het vroolijk te groenen en te bloeien en eigenlijk was de polder half overdekt met Kieviten, eenige duizenden, die ook alweer wat verderop moesten. Het gekste was wel, dat temidden van deze reizigers de Hollandsche Kieviten er al hun nesten met eieren hadden. Van de Volharding is het nog maar een klein eindje naar De Cocksdorp (8), een lang dorp van een dubbele rij huizen, nog al aardig in de boomen en het ziet uit op een zeer schilderachtige waterpartij, de Roggesloot, een oude slenk van het Eijerlandsche gat, die bij de inpoldering is blijven bestaan. In het Hotel-Restaurant van Cocksdorp—waar twee uitmuntende logeerkamers zijn—bracht ik een half uurtje door met het bekijken van een zeer merkwaardige kaart van Texel, waarop al de gestrande schepen van de laatste tientallen jaren waren geteekend. De hotelhouder, een beroemdheid op het gebied van strandingen en reddingwezen en bezitter van ik weet niet hoeveel medailles, wist daar natuurlijk heel wat van te verhalen.
Nu begon de dijkwandeling. Eerst een stukje Eijerlandsche dijk en dan de dijk van den polder [14]de Eendracht, die hier tegen Eijerland is aangeplakt. Buiten den dijk ligt hier een uitgestrekte kwelder, doorsneden met kreken en die gaat weer over in een onmetelijke zand- en slibbank, de vlakte van Kerken. Eventjes van den dijk af de kwelder op en daar had je het lieve leven gaande. Daar vlogen honderden witte vogeltjes op, zoo groot als musschen. Ze hadden gele snavels en waren niet heelemaal spierwit, maar hadden nog wat rossig en gelig en bruin aan kop en vleugels en staart. Ook alweer reizigers naar Noorwegen. Misschien ook naar Schotland of Lapland, deze aardige Sneeuwgorzen. Ik kende ze goed, want ze overwinteren ook aan de kusten van de Zuiderzee bij Amsterdam. Die slikken achter de Eendracht (E), daar heb ik later nog wel millioenen vogels gezien van allerlei soorten, maar nooit vergeet ik die prachtige vlucht van sneeuwgorzen op mijn eerste ontdekkingsreis.
B
Zuidwaarts van de Eendracht kwam ik op den grooten nieuwen dijk van den Polder het Noorden. Die was nog niet lang geleden drooggemaakt en lag er woest en verlaten, want de grond was nog niet goed voor bebouwing geschikt. De mooie molen (G) leek werkelijk overtollig. Westwaarts kijkend zag je niets dan een vlakte met groote plassen en kreken en daartusschen hier en daar wat plukjes grasland. Maar vogels! lieve hemel wat een vogels. Ze liepen in de kreken, stonden te dutten langs de oevers, zaten in het gras en vlogen her en der. Het was een gejodel van Tureluurs, een geschreeuw van Scholeksters en geroep van Kluten, een tierelieren van Leeuweriken en Piepers en zoowaar ook al gekrijsch van Vischdiefjes, de eerste, die waren aangekomen en die spoedig door nog duizenden zouden worden gevolgd. Men meende toen in 1890, dat de droogmaking van dezen polder op een mislukking zou uitloopen en dat men liever de oesterbanken had moeten behouden. Maar als vogelland was die plek onovertreffelijk en alleen wie in die jaren het noorden gezien heeft kan gelooven hoe wonderrijk en talrijk zelfs bij ons in Nederland een vogelvestiging kan zijn. Nu verder langs de Zuiderzee, altijd maar langs den hoogen dijk, die wat amusanter is dan de rechte [15]dijken, die ik tot nu toe volgde. Hij ligt met allerlei bochten, is aan de buitenzij bekleed met zware steenblokken, aan de binnenzij begrensd door een breede dijksloot. Daarachter liggen de hooge weilanden en de lage hooilanden en in deze laatste wemelt het van Marels of Grutto’s, de langhalzige, langsnavelige, langbeenige, luidruchtige steltloopers, die zoo klagelijk kunnen schreeuwen. In de dijksloot zwommen hier en daar Waterhoentjes en Koeten en er dook een klein vlug Hagelzakje of Dodaars. Ook grijs met witte oeverloopers, de steltloopers die in vlucht en manieren zoowel lijken op Zwaluwen als op Kwikstaartjes gaven veel vertier langs die dijkslooten. Je ziet ze op Texel in groot aantal gedurende een groot deel van het jaar, maar we hebben ze er nog nooit broedend gevonden. Het eenige oeverloopernest, dat in Nederland is gevonden, lag in de buurt van Nijmegen. De kaap van Oosterend geeft nog eenige afwisseling, vooral doordat er een paar aalscholvers bovenop zaten. Op een vooruitstekend punt van den dijk, waar het nog al steil naar beneden ging, zaten onder water een groep kleurige Zeeanemonen vastgekleefd op de steenblokken, ook nog al een aardige vondst. Zoo kwam ik heel tevreden in Oude Schild aan en vandaar was het nog drie kwartier naar huis, heel prettig over den Hoogen Berg heen.
De tocht zuidelijk om was al even prettig en mooi. Ik ging bij den Burg het zandwegje in naar het kerkhof van Oude Schild, een weg tusschen hooge tuinwalletjes. Deze heele buurt, Noord-Haffel en Zuid-Haffel is er een van hooge walletjes en paden in allerlei richting en als ik nu eens dicht bij huis buiten wou gaan zitten lezen of niets doen, dan vond ik hier altijd bij elken wind een veilige beschutting. Ook waren deze wallen dicht begroeid en vooral in April en Mei zagen sommige plekken blauw van de Grasklokjes (35) en Zandblauwtjes (44). Afzonderlijk in de laagte lag een eendenkooi, daarvan had je er destijds een stuk of vier op Texel en later heb ik bevonden dat die kooi in ’t voorjaar dicht begroeid was met wilde Hyacinthjes. Langs een smalle hooge kade komen we eindelijk bij Ceres en hier begint de dijk van den Prins Hendrikpolder. Die was toen al 15 jaar oud en raakte al aardig begroeid, maar hij zat toch ook nog vol met vogels, net als het Noorden. Ook was er een molen die is sedert verdwenen. Aan ’t eind van de Prins Hendrik is het Horntje, dat heeft van de zeestroomen nog meer te lijden dan de Volharding. Nu komt de mooie baai van de Mok, die doodloopt tegen slijkvelden en kortgegraasde weiden en hier wemelde het weer van vogels, zoowel aan de Mokzijde als aan den noordkant van ’t duin, waar een vierkant meertje in bezit was van een paar honderd kluten. Nu naar ’t zuidelijk Mokduin, daarvoor moest ik over de Moksloot springen, want ik had geen erg in het bruggetje hooger op. Dan ’t duin over en ik stond op een breed strand waar jonge duintjes aan het groeien waren. De jongens hadden me gewaarschuwd dat deze zuidkust nog al veel inhammen had en daarom moest ik maar liefst niet te ver van den duinvoet gaan. Dat heb ik dan ook braaf gedaan, maar kon ’t toch niet laten om zoover mogelijk te loopen in de richting naar Onrust, dat toen nog een eiland was. Met gevoelens van gepasten eerbied stond ik dan eindelijk ook aan den oever van het smalle Noordergat, waarlangs eenmaal Johan de Wit de [16]Hollandsche vloot naar buiten heeft geloodst. Het Zuid-Westerstrand (1) was hier onafzienbaar breed en rijk aan schelpen. Verderop naar ’t westen, werd het al smaller totdat het eindelijk heel smal werd, geen twintig meter van duinvoet tot hoogwaterlijn. Dit zijn de duinen achter De Westen (6) en bij springvloeden en zware stormen worden die soms loodrecht afgesneden door de woeste golven.
Van hier naar De Koog wordt het strand weer gaandeweg breeder. Ik herinner mij nog goed hoe ik mij op dat stuk geamuseerd heb met een viertal strandloopertjes dat jacht maakte op Strandspringers. Dat zijn witte Schaaldiertjes, ze lijken wel wat op de zoetwatergarnalen, die je uit de slooten schept, als je naar Stekeltjes of Watertorren vischt. Deze strandspringers vertoeven het meest in de lange lijn van het strand-aanspoelsel. Als je daar langs loopt springen ze vaak voor je voeten uit. De Strandloopertjes nu stommelden met hun snaveltjes even in dien rommel en als er dan een strandspringer weghuppelde dan holden zij hem na en in tien van de tien gevallen werd hij opgepeuzeld. Het was nog een heel eind naar de Koog en driemaal was ik in de verleiding om door een „slag” in het duin regelrecht naar huis te gaan, maar vanwege de aardrijkskundige stijfhoofdigheid en den zin voor het volledige bleef ik doorzetten en zoo mag ik dan beweren, dat ik het eiland Texel geheel heb rondgeloopen, zevenendertig jaar geleden in twee dagen. Na dien tijd heb ik het nooit meer gedaan, ofschoon ik natuurlijk alle deelen van dien omtrek nog wel heb bezocht, sommige twee of drie maal, andere verscheidene malen.
Daarna volgden de ontdekkingsreizen in het binnenland. De schapenweiden waren gauw genoeg bekeken, maar verspreid daarin lagen allemaal kleine boschjes en die hielden mij voortdurend in hun betoovering. Daar had je dicht bij den Burg eerst de Boogaart en dan Bakkersboschje, Meijerboomsbosch, De Blauwe Poort en de Zeshonderd, allemaal in hoofdzaak elzenhakhout. Bakkersbosch was bij de kinderen beroemd om zijn wilde Hyacinthjes, maar Meijerbooms was mij het liefst. Het bestaat gelukkig nog. Het was aan de vier zijden omgeven door slooten; die aan den hoogen kant was meestal half droog, de andere hadden een flinken rietgroei. Behalve Elzen en Esschen groeiden er ook veel Berken en Waterwilgen en Lijsterbes met vooral aan de westzijde ondoordringbare Bramen en Kamperfoelies (57). Een groot deel was dicht begroeid met hooge stekelvarens, verwanten van de Mannetjesvarens (58), de grond was daar echt boschveen, decimeters diep, wat wel getuigt van den grooten ouderdom van deze boschjes. Uren en uren heb ik in die varens gezeten, luisterend naar de vele vogeltjes van het bosch en van de rietzoomen. Daar zong de Spotvogel (106) onvermoeid en ook de Boschrietzanger (99), die zooveel op hem lijkt. Daar huisden tevens Fluiters en Grasmusschen, Kneutjes en Klauwieren en eenmaal maakten er Eksters een nest in een laag berkje, niet hooger dan manshoog. En als je kroop naar den rand van ’t boschje, dan kon je uitzien over de weiden en hooilanden en zien hoe die Kieviten en Tureluurs naar hun nesten stapten, of hopen dat je den Kwartelkoning te zien zou krijgen die hier tergend luidruchtig maar steeds ongezien zijn „peersneers” ten beste gaf. De Blauwe Poort lag nog gunstiger, maar een beetje verder van huis. [17]
|
13 GENTIANA CAMPESTRIS. DE VELDGENTIAAN |
14 PIROLA |
15 GENTIANA AMARELLA. DE BITTERE GENTIAAN |
|
16 PARNASSIA |
17 GENTIANA PNEUMONANTHE. DE KLOKJESGENTIAAN |
18 ORCHIS INCARNATA. HET VLEESCHKLEURIG HANDEKENSKRUID |
| L. W. R. WENCKEBACH | ||
[18]
|
19 SUAEDA |
20 ENGELSCH GRAS |
21 LIMOENKRUID |
|
22 OBIONE |
23 ZEEMELKKRUID |
24 ZEEALSEM |
| L. W. R. WENCKEBACH | ||
[19]
En dan de Westen, de Fonteinsnol, de Mient en de groote duinvalleien, die ik genoemd vond in het boekje van Holkema: de Bollekamer, de Bieschbosch, het Piet Rozenvlak, het Groote Vlak. De Fonteinsnol was een wonder, een hoog duin, dat uit de groote duinenreeks bij wijze van schiereiland in de vlakte vooruitsprong. Een eindje tegen de helling op, aan de noordoostzij ontsprong een bron, een echte bron, een holte in het witte zand, waaruit het klare water opwelde en dat stroomde omlaag, zich telkens vertakkend door kussens van veenmos en kwam eindelijk terecht in de vlakte van de Mient, die uit andere duinen nog meer water kreeg en zoo een allermerkwaardigst landschap was, half heide, half moeras en vol van de mooiste bloemen en de aardigste vogels. Maar het allermooist en rijkst was toch de bron aan de Fonteinsnol en zijn onmiddellijke omgeving. Daar groeiden groote blauwe Klokjesgentianen (17) in alle schakeeringen van wit of bijna wit tot het diepste donkerblauw. Daar stonden dicht opeen de geurige witte Nachtorchissen, het Rondbladig Wintergroen, Parnassia en Duizendguldenkruid en lagen aan de beek de ongelooflijk mooie bloempjes van de tengere Bastaardmuur Anagallis Tenella. En als je dan om die Nol heen ging of er over heen en weer omlaag, dan kwam je in die valleien en daar groeiden al die planten weer, met nog mooie Jeneverbesstruiken (37) („fakkel” zegt de Texelaar) en op de moerassige plaatsen het hooge stekelige Galigaan (39). Daar broedden de Wulpen en de Duinpiepers en daar had ook de groote aschgrauwe Kiekendief zijn nest. Vroeger is het daar nog veel rijker geweest, maar reeds na 1839 door het graven van de Moksloot zijn die valleien ontwaterd, zoodat de Roerdompen en Roode Reigers en Lepelaars, die er broedden, moesten verdwijnen.
Ook ben ik helaas een der laatsten geweest, die genoten hebben van de heerlijkheid van de Fonteinsnol en de Mient, want reeds in 1895 of nog eerder zijn bron en beek vergraven en vergreppeld, als eerste maatregel voor de bebosschingen op Texel. Nu groeien daar Zwarte Dennen en Witte Elzen en dat is allemaal in sommige opzichten heel goed en nuttig, maar er is een landschap verdwenen, zoo mooi en leerzaam als er geen tweede in ons land was te vinden. Ongelukkig was in dien tijd Texel maar bitter weinig bekend en de plantenkenners dachten meer aan de afzonderlijke plantjes dan aan het samenstel van een merkwaardig geheel. Tegenwoordig zou men stellig zoo iets moois op alle mogelijke manieren trachten te behouden.
Er is veel veranderd sedert ik voor ’t eerst voet aan wal zette te Oude Schild. Behalve de Fonteinsnol zijn er nog een paar merkwaardige plaatsen verdwenen. Maar wat er overblijft behoort nog tot het beste, wat er in Nederland te zien is. In de volgende hoofdstukken zal ik U wat vertellen van den huidigen staat van het eiland. En hoe meer vrienden het krijgt, des te meer waarschijnlijkheid, om niet te zeggen zekerheid, komt er, dat het zal blijven de parel der Noordzee-eilanden, wereldberoemd. [20]
[21]