WeRead Powered by ReaderPub
Texel cover

Texel

Chapter 4: II. WAAL EN BURG
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

A personal, observational account of island life that blends natural history, travel writing and memoir to sketch dunes, beaches, polders and tidal flats alongside their plants and birds. The author records seasonal rhythms, species identification tips and everyday fieldwork, while describing encounters with local people, school life and traditional pursuits like egg‑searching. Short, anecdotal chapters alternate with focused descriptions of habitats and species, offering practical notes, reflective asides and vivid landscape portraits that encourage close attention to the small, changing details of coastal nature.

[Inhoud]

II. WAAL EN BURG

Wij zijn nu al jaren gewoon, om met de vierde klas van de meisjesschool „Het Kopje” in het laatst van Mei of in het begin van Juni een dag of vier door te brengen op Texel. In den regel is het dan prachtig weer en de planten- en dierenwereld zijn op hun mooist. Wij logeeren dan in het dorpje Koog in het badhotel, waar in dien tijd uit den aard der zaak nog niet veel gasten zijn. Meestal hebben wij met ons gezelschap het rijk alleen en dat is natuurlijk heel prettig en geriefelijk. Van te voren hebben we op school eenige weken lang ons bezig gehouden met de dieren- en plantenbevolking van ons dierbaar eiland en daar we jaar op jaar dezelfde wandelingen doen, zijn we van te voren al tamelijk goed op de hoogte van wat we kunnen beleven. Voor de meeste jongelui is het ’t eerste bezoek en het is dan voor mij een bijzonder groot genoegen om telkens weer te zien, hoe de nieuwelingen dadelijk verrast worden door de wonderlijke en vreemdsoortige schoonheid van het Noordzee-eiland.

Nu is de reis zelf er eigenlijk heelemaal op berekend, om de aankomst op het eiland tot een vreugde te maken. We zijn dan eerst met den trein heel Noord-Holland doorgerammeld van Bloemendaal naar Den Helder en hoe mooi onze Provincie ook mag zijn, in ’t volst van de lentepracht [22]wordt zoo’n reis ten slotte toch een beetje benauwd, vooral in de beruchte boomlooze streek benoorden Schagen. We voelen het dan ook echt als een nieuw hoofdstuk, wanneer we in Den Helder onze fietsen bestijgen en in enkele minuten rijden naar de haven, waar de flinke stoomboot „De Dageraad” of „De Marsdiep” al op ons ligt te wachten.

Daar zijn we al dadelijk thuis. De bemanning van de boot beschouwt onze komst reeds als een gewoon geregeld wederkeerend natuurverschijnsel, zoo iets als de lammerenmarkt of de lijstertrek en ze zien nauwelijks, dat het ieder jaar weer andere meisjes zijn. We komen altijd tijdig genoeg aan, om plaatsen te vinden op het bovendek.

Er zijn weinig plekken op de wereld waar ik liever ben, dan op het bovendek van De Dageraad, gaande naar Texel, hetzij op mijn eentje, hetzij in gezelschap van vrienden, geestverwanten of leerlingen. De boot glijdt langzaam de haven uit, links het Wierhoofd, rechts de bazaltglooiingen en de metalen pantserkoepel van het fort De Harssens. Een visschermannetje, een barkas van de marine, een oorlogsschip op stroom geven een passende stoffeering in het water-landschap. Groote meeuwen glijden her en der en als we over de verschansing in ’t water kijken, dan zien we er de mooie doorschijnende groote kwallen, lichtgroene, blauwe en bruine, meegevoerd door den stroom of zich voortbewegend met rhythmische spanning en ontspanning van hun zwemklok.

Maar reeds zijn we de haven uit en nu opent zich naar links het vergezicht door het Marsdiep regelrecht naar de Noordzee. We kijken even naar den zwaren dijk, die hier de Noordpunt van Noord-Holland beschermt en wel mag hij breede glooiïngen hebben, bekleed met zware steenblokken, want het gaat hier steil omlaag tot een diepte van meer dan veertig meter. Die geul van het Marsdiep zet zich binnenwaarts voort als Texelstroom en dat is ons vaarwater naar Oude Schild heen. Naar rechts zijn we gauw uitgekeken, daar ligt in de verte het eiland Wieringen, dat geen eiland meer is en wij probeeren namen te geven aan de boomgroepjes en kerktorens die daar in de nevelige verte op de zee rusten. Wat is nu eigenlijk Hippolytushoef? Een groezelige rookstreep heel in de verte schrijven we toe aan Keileembaggermolens van de Zuiderzeewerken.

Ondertusschen zijn we ook op den uitkijk naar Bruinvisschen. Die ontbreken haast nooit op den Texelstroom en het duurt dan ook niet lang of we zien een spitse rugvin het water doorklieven en weldra draait ook de vettig glimmende rug boven de golven uit. Daar komt een tweede en een derde. Een ervan is een zeer levendig heer, die springt totaal uit het water en ploft weer neer in schuim en spatten. We zijn nu al ter hoogte van ons eiland zelf en kunnen elkaar nog even Onrust aanwijzen, het eenzaam duin, dat eerst een eilandje was, maar nu door een groote zand- en schelpenvlakte met Texel is verbonden. Misschien wandelen we er eens heen. Texel breidt zich tegenwoordig zuidwaarts uit en heel in ’t zuiden groeit op het strand een nieuw duin aan, de kleine Pannekoek, dat ik ieder jaar bezoek, om te kijken hoe het vordert. Nu zijn we dwars voor de Mok, een diepe baai met aan de zuidzijde de groote loodsen van het vliegkamp. Aan de Mokduinen sluit zich de [23]Prins Hendrikpolder aan met het Horntje, een zorgelijke plek, want hier schuurt de Texelstroom vlak langs de kust, zoodat de zeewering onophoudelijk behoed moet worden tegen ondermijning.

Over den vlakken polder heen komt nu het binnenland te zien. Wij wijzen elkaar Den Hoorn met zijn hoogen, slanken kerktoren, die een belangrijke baak vormt voor de scheepvaart. Daarachter ligt de lange reeks van de Noordzeeduinen, met de hooge schermbaak van Koog en daarvoor strijkt nu het halve eiland aan ons voorbij met de flauwe glooiïngen van Zuid-Haffel en Noord-Haffel, de hoogte van de leemkuilen, de Hooge Berg met zijn miniatuur beukenwoud, het dorp Den Burg met zijn beide kerktorens en als wij daar nog druk mee bezig zijn, draait onze boot al naar de haven van Oude Schild (B). De torentjes en de daken van dit lange dorp kijken net boven den zwaren zeedijk uit. Nu gaat het door den nauwen ingang naar de havenkom, de bedrijvigste plek van het heele eiland met zijn molen en pakhuizen, garnalenkokerijen en scheepstimmerwerven.

Het duurt dan ook nog al een poosje, eer we allemaal op de fiets zitten. Eindelijk draaien we om de haven heen, laten den grooten weg naar Den Burg links liggen en slaan den landweg in, die ons over De Waal en door den polder Waal en Burg naar De Koog zal brengen. Aanvankelijk rijden we door het lage gedeelte van Oud-Texel, venig land en kleiig land, vol slooten en plassen en hier en daar met kale slibplekken. Hier zitten we dadelijk volop in de vogels. De roodbeenige Tureluurs (83) laten hun welluidende loktonen en waarschuwingskreten hooren, deze geluiden van „tjo, tjo” en „tuutuutuut” zullen ons blijven begeleiden al de dagen, die we op Texel zullen doorbrengen en een goed deel van de nachten ook. De Kieviten en de Grutto’s laten zich ook niet onbetuigd en schreeuwen ieder om het hardst hun eigen naam, maar hoe ze zich ook weren, de alomtegenwoordige Tureluur blijft hun altijd de baas.

L. W. R. WENCKEBACH  DE WAAL

C

Ook rijden we nog geen drie minuten of we krijgen onze eerste Kluten (81) te zien in het natte land links van den weg, eigendom van de Vereeniging tot Behoud van Natuurmonumenten. Daar liggen twee bezittingen van „onze” [24]vereeniging. Een daarvan is ons aangeboden door de zustervereeniging „Tot Bescherming van Vogels” en heet „Büttikofers Mieland”. ’t Is een herinnering aan een ouden grijzen Zwitser, die nu weer in Bern woont, maar meer dan een halve eeuw in Nederland gewerkt heeft. De Rotterdammers kennen hem heel goed, want hij is daar jaren lang Directeur geweest van de Diergaarde, goed vriend van mensch en dier. Maar wij gedenken hem hoofdzakelijk als bestuurslid van de Vereeniging tot Behoud van Natuurmonumenten en President van de Vereeniging tot Bescherming van Vogels en als zoodanig heeft hij nu hier zijn weliswaar modderig, maar bloemrijk en vogelrijk gedenkteeken.

We stijgen hier even af, om op ons gemak naar de Kluten te kijken. Ze zijn in ’t geheel niet schuw. Op hun lange loodgrijze pooten waden ze door de plassen en langs de slootkanten. Als ze naar den anderen oever willen gaan, zwemmen ze doodbedaard door het diepe water heen en dat gaat heel goed, want ze hebben flinke zwemvliezen aan hun voeten. Wat een mooie vogels en hoe eenvoudig van kleur: het gevederte niet anders dan sneeuwwit en pikzwart. Ook de lange, merkwaardig gevormde, omhooggebogen snavel is zwart. Het is een lust, ze te zien rondstappen in het ondiepe water, rustig op hun lange beenen, den hals vooruit en omlaag gestrekt en dan maaien ze met hun snavel door de weeke modder, waarin allerlei gedierte huist, voornamelijk bescheiden verwanten van Kreeften, Krabben, Garnalen en zulk gedoe. Dit is wel een van de merkwaardigste vogels van ons land en alleen reeds een reisje naar Texel waard. We zullen die Kluten vinden over het heele eiland heen, aan de stranden, zoowel als in het binnenland en je krijgt hier den indruk dat het een heel gewone vogel is. Dezelfde ervaring doe je op aan het eilandje bij den Hoek van Holland, in het Voornsche duin en op een paar plekjes op Schouwen. Hier en daar langs de Zuiderzee broedt hij ook wel, maar dat is dan ook alles. In Engeland broedt hij niet meer, in Duitschland aan de Oostzee heel zelden, maar wel veel in Jutland, in Zuid Spanje, langs de Middellandsche zee en door heel Azië (met zijn brakke meren) heen tot in Japan. Hij zit dus hier op een voorpost en wij mogen hem wel in eere houden. Dat doen we dan ook.

Nu opstappen weer en in den reinen lenteavond dwars door het eiland naar het verre duin, dat ons zijn schaduwzijde toekeert. Daarboven welft zich de blanke lucht en rondom ons heen tierelieren de Leeuweriken (63). Vlak bij ons zien we ze de hoogte ingaan of neerdalen en met hen jodelen en jubelen al de langbeenige waadvogels, op een enkele na. De lammeren spelen op de walletjes—voor zoover die niet met prikkeldraad bezet zijn, terwijl hun flegmatieke mamma’s liggen te herkauwen tusschen de boterbloemen. [25]

25

HELM

26

STRANDWINDE

27

ZANDHAVER

28

ZEERAKET

29

BIESTARWEGRAS

30

ZEEKRAAL

C. ROL

[26]

31

GEWONE ZEGGE

32

WATERRANONKEL

33

PLUIMZEGGE

34

BLOEMBIES

35

GRASKLOKJE

36

VELDBIES

C. ROL

[24]

Langs de pastorie komen we De Waal (C) binnen, maar langs de herberg en de smederij rollen we er meteen uit, even rechts langs den Ouden Slaperdijk en dan linksaf den beroemden lijnrechten weg in, dwars door den polder Waal en Burg en zoo op De Koog (7) aan. Heel aan ’t eind zien we hoog op het duin het Scherm van De Koog, de baak voor de scheepvaart en rechts daarvan ons badhotel [27]Juliana. Zoo’n lange lijnrechte polderweg lijkt wel vervelend, maar inderdaad is er geen mooier en onderhoudender weg in heel Nederland en misschien ook daar buiten, dan de rechte hoofdweg door den polder Waal en Burg. Daar zullen we morgen wel meer van beleven. Nu trappen we flink voort, want we willen den eersten avond den besten de zon zien ondergaan in de zee. Weldra hebben we het eind van den polderweg bereikt. Daar ligt een klein meertje. Meteen maakt de weg een bocht en we gaan wat omhoog. We zijn hier weer op het oude eiland, op den Pijpersdijk, in den Texelschen volksmond bekend als „Pupelikediek”. Hier begonnen vroeger de heerlijke Mientegronden al en er ligt nog een klein stukje hei, maar overigens is alles ontgonnen, veranderd in weiland en bosch. En daar zingt nu de vogel, die vijfendertig jaar geleden aan mijn geluk op Texel ontbrak, de blijde Nachtegaal. Sedert een jaar of tien is die op Texel komen broeden, eerst, merkwaardig genoeg in het Oude Eiland in de omgeving van den Hoogen Berg, maar later gaf hij de voorkeur aan de nieuwe bebossching en de oude boschjes langs den binnenvoet van het duin. Een aardige schadevergoeding voor het vele natuurschoon, dat we hier door bebossching en ontwatering hebben verloren.

Weldra rollen we door het dorpje, klauteren omhoog naar ons hotel en snappen werkelijk na het avondeten de zon nog net op ’t oogenblik, dat ze wegduikt. Op hetzelfde moment beginnen de vuurtorens van Eijerland en van Kijkduin te lonken en te flonkeren, want je zit daar op Texel zeer genoeglijk tusschen twee belangrijke kustlichten, heel geriefelijk, als je ’s nachts eens de goede richting mocht verliezen.

Den volgenden morgen heel vroeg zit ik al boven op het duin. Eigenlijk is er bij De Koog maar één hooge duinenrij (4), maar die is dan ook flink hoog. Naar de zeekust komt dan nog een lage, tamelijk breede zeelooper, van den hoofdrug gescheiden door een lange smalle duinpan, die zelf op verscheidene plaatsen weer dicht bezet is met heuveltjes, allemaal begroeid met duindoorns. Het hooge duin zelf is grazig tot op den top, met hier en daar een waaigeul, maar overigens bedekt met viooltjes, vleugeltjesbloem, eereprijs, walstroo en soms heele plakkaten van eikvarens. Op de minder begroeide plekken staan de kleine roode kandelaartjes (41) en de uitgebloeide voorjaarsvroegelingetjes, die hun zaden reeds hebben gestrooid. Natuurlijk kijk je ’t eerst naar de zee en de breede rijen van de witte branding tegen de strakke strandlijn. Aan den horizon kruipen een paar stoombooten. Soms kaatsen hun lichten en patrijspoorten het schijnsel van de lage morgenzon juist terug naar onzen duintop en de groene golftoppen doen evenzoo. Vogelleven lijkt er weinig op en langs de zee te zijn, maar de verrekijker toovert ons toch Meeuwen te voorschijn op de zee en op het strand, ook Scholeksters en klein onduidelijk gedoe; dat moeten wel Bontbekpleviertjes zijn. Nu keeren wij ons om en zien het eiland aan. Ge kent wel het prachtig vergezicht vanaf het terras van het hotel Berg en Dal bij Nijmegen? Welnu, het vergezicht van het Koogerduin is minstens even mooi. Vlak onder ons ligt het dorpje De Koog, met zijn ééne groote boerderij en eenige kleinere. [28]Naar rechts zien we langs den binnenvoet van ’t duin de nieuwe bosschen en heel in de verte wat er nog overblijft van de Fonteinsnol. Het heele eiland is bespikkeld met boerderijen en boetjes en daartusschen groent en geelt het van weide en hooiland en boschjes. Heel in ’t Noordoost de molen van het Noorden en ’t dorp Oostereind, rechts daarvan De Waal, de Hooge Berg, Oude Schild en de waarlijk mooie en forsche oude kerk van Den Burg. Bij gunstig licht komt ook de Zuiderzee te zien, we merken dat we op een eiland zijn.

Intusschen is het in onze onmiddellijke omgeving druk van vogelleven in de zwarte dennen en in de duindoorns. Het vroolijk gekraai van de Kneutjes (61) is niet van de lucht en we behoeven maar even langs de toppen van de lage dennetjes te kijken en daar zien we de prachtige man-kneu al, het Robijntje met zijn roode schedelkap, zijn roode borst, bruinen rug en met wit gezoomden staart. Wat een prachtig vogeltje, zijn houding is al even flink en fier als zijn gezang, dat telkens en telkens herinnert aan een fanfare en soms zoo zuiver en gearticuleerd klinkt, dat je het in notenschrift zoudt kunnen opschrijven. Voor de tijden der bebossching nestelden ze ’t meest in de duindoorns, levende of doode, en nu hebben ze partij leeren trekken van de veilige dichtheid der jonge dennetjes.

Uit de duindoorns wiekt van tijd tot tijd een grijsbruin vogeltje omhoog, al zingend, zijn witte keeltje heelemaal opgezet. Lang houdt hij het niet uit; na een seconde of acht fladdert hij weer neer in de dorens en sluipt door de twijgen, met geluidjes van boosheid en angst: „tak, tak”, „watsj, watsj”. Dit is de Grasmusch en die vindt ge op Texel overal, waar duindoorns groeien. Beneden langs den zeelooper wemelt het ervan en daar heb ik gisteravond ook nog een ander vogeltje gehoord, den Sprinkhaanrietzanger (97), dien we liever een anderen naam wilden geven. Jan Verwey wilde hem Duinsnor noemen, wat wel een heel aardige naam is, maar het diertje komt ook veel voor in Brabant en Gelderland op de vochtige heiden. Ik heb den naam Krekelzanger bedacht, maar voel wel, dat die niet erin zal komen, wellicht wel wegens Bilderdijk. Zoo zal hij dan wel vijflettergrepig blijven. Behalve bij De Koog hebben wij hem ook gehoord in de duinvalleien van den Zuidwesthoek.

Na zoo een poosje genoten te hebben van de onmiddellijke omgeving van het hotel, zoeken wij het nu verder weg. Onze fietsen rollen met een vaartje naar beneden het dorpje door en weer over Pupelikediek naar Waal en Burg. We spreken af om langzaam door te rijden en alleen hier en daar op een afgesproken teeken af te stijgen. Aan den ingang van Waal en Burg hebben wij rechts een klein meertje, dat heet Overtoomswaal en dat is een herinnering van een doorbraak van den voormaligen zeedijk uit den tijd toen Waal en Burg nog buitendijks lag, dus een kwelder was. Die voormalige zeedijk is nu voor ’t grootste deel vergraven, maar al wordt hij geheel met de omgeving gelijk gemaakt, dan zullen toch dergelijke meertjes de plaatsen aanwijzen, waarlangs hij verliep.

D

J. VOERMAN JR.
HARLEKIJNSORCHIS

Die krijgen we nu niet te zien, want we blijven den middenweg houden, genietend van de bloemen [29]en de vogels. Het is in ’t begin van Juni. Alles bloeit hier wat later dan in Holland en zoo zien we dan de meeste grassen pas in bloei schietend, de koekoeksbloem in vollen fleur heele plekken rose kleurend en overal troepjes van het mooie Orchideetje, dat bij ons het eerst in bloei komt, de Harlekijnsorchis (D) (Orchis morio). Zijn bloeiaar heeft niet veel bloemen en ziet er daardoor bevalliger uit dan de stijve aren van de handekenskruiden. Ze bloeien zelfs vlak langs den weg en we verlustigen ons in de verscheidenheid van tinten, die ze vertoonen, van donkerpaars en bruinig rood af tot licht rose en we zoeken met vlijt naar een witte, want daar is een premie mee te verdienen. De roode Klaver komt net in bloei en ook het rose Engelsch Gras (20) en groote plekken zien heelemaal geel van de Ratelaars, de mooie leeuwenbekachtige planten, die niet in de pas staan bij den veehouder, want ze zuigen het voedsel uit de wortels van het gras; ’t zijn zoogenaamde half-parasieten. Dat wil zeggen ze onttrekken aan de graswortels het ruwe voedsel en bereiden dat dan in hun groene bladeren tot suikers en eiwitten en wat dies meer zij. Geen wonder, dat het gras kwijnt, waar de Ratelaars tieren. Intusschen helpen zij dapper mee, om bonte weiden te vormen.

Nu is het een lust, om in die kleurige wei de blijde vogels te zien dartelen. Het spreekt van zelf dat de lucht vol hangt met tierelierende Leeuweriken en Piepertjes. Ook zien we telkens Leeuweriken vechten tusschen de bloemen en zelfs midden op den stoffigen weg en ik ken weinig grappiger voorvallen uit het vogelleven, dan dat die Leeuwerikjes, verhit door hun vechtpartij, met gehavend [30]gevederte en opgestoken kuifje zingend een poos rondloopen en pas later bedenken, dat ze eigenlijk behooren te vliegen, als ze zingen zullen op zoo’n mooien zomerdag. Ze zijn niet de eenige luchtzangers. Dikwijls genoeg gaat nu nog met vroolijk gejodel zoo’n roodsnavelig roodpootig Tureluurtje de hoogte in en als hij een meter of dertig hoog is gekomen, dan daalt hij op neerwaarts gespreide vleugels langzaam neer, steeds fluitend. Hier en daar schermt en buitelt en schreeuwt een Kievit, maar we zien ze ook kalmpjes rondstappen tusschen de bloemen en het wit-pluizige wollegras. ’t Is of al die vogels weten, dat een voorwerp, dat voortrolt op den rechten, door slooten begrensden polderweg, hen niet kan deren en wij zien die Kieviten (84) van zoo nabij, dat we kunnen genieten van de purperen en groene staalglanzen op hun gevederte en de parmantige houding van hun wapperende kuif. De Grutto (79) komt dicht genoeg bij ons, om zijn aardig gevormden rossen schedel te vertoonen en zijn rossen hals en zwart met witten staart. Kalmpjes stapt hij op zijn lange beenen door de wei en met zijn langen snavel slaat hij hier of daar een torretje van de grassprietjes af, want al die modderkrabbers houden op hun tijd toch ook wel van zoo’n harden insectenbout. Dezer dagen zit ’t gras vol met Kniptorren en daar eten ze nu allemaal van: de Grutto’s, de Kieviten, de Tureluurs, de Scholeksters, de Piepers, de Leeuweriken. Van de Scholeksters (80) weten we zeker, dat die ook uit den grond de larven van die kniptorren opdelven, dat zijn de beruchte ritnaalden, die door hun geknaag aan de wortels zoo’n groote schade toebrengen aan het grasgewas.

Nu uitkijken, want we naderen de Kemphaanplek. Lang voor de weg bestond, hadden de Kemphanen (83) hier een kampplaats en die zijn ze trouw gebleven tot op dezen dag. Jawel, daar zijn ze al. We kunnen de fietsen neerleggen op den wegberm en dan langzaam nadertreden, totdat we een meter of vijftien van de vogels stil houden. Met paard en rijtuig of met een auto kun je wel vlak bij de vechtersbazen komen, zonder dat ze zich laten storen. Het zijn er acht: twee grijskragen, een zwartkraag, drie met roodbruine kragen en dan nog twee met zeer zonderling blauwig rood en zwart gespikkelde veeren. Daar komt nog een zwartkraag aanvliegen en met, dat hij neerstrijkt zetten de acht andere zich in postuur en nu rennen ze op elkaar in; het steekspel is begonnen. ’t Is maar een schermutseling. Spoedig staat ieder weer op zijn eigen plaats. Maar hoe verschillend zijn hun houdingen. De een staat trotsch en fier met zijn kop hoog in den wind, zijn halskraag neergestreken. Een andere daarentegen houdt met een gebaar van diepen ootmoed kop en snavel recht omlaag en zijn kraag heeft hij uitgespannen zoover hij kan, ja voorwaarts omgeslagen. En alle veertjes aan hem trillen. Er zijn roode rauwe vlekjes aan zijn kop. Je zoudt denken, dat hij die met vechten opgedaan heeft, maar ze hebben ze allemaal zoo, dat hoort bij het kostuum. We kunnen wel probeeren een foto van ze te nemen, langzaam naderen, één oog op de vogels, één oog op den zoeker, de vinger aan den afsluiter. Pats, dat is gebeurd, maar nu vliegen ze ook alle negen op. Let er op, hoe ze onder het vliegen door hun dikke halskragen een heel ander figuur hebben, dan welk andere vogel dan ook. En ze hebben geen kik gegeven. Terwijl al die andere vogels nacht en [33]dag roepen en fluiten en jodelen, blijft de Kemphaan zoo stom als een visch. Niet heelemaal stom, soms krieuwelt hem wel eens wat in zijn keel. De wijfjes hebben geen kragen, dat zijn mooie grijze slanke vogeltjes met geelachtige pootjes en snavel en je zou ze voor bleeke Tureluurtjes kunnen houden als je niet wist, dat de veeren van hun rug en vleugels veel eenvoudiger gevlekt zijn, dan die van de Tureluur met hun ingewikkeld patroon. Nu we weer hoog op de rijwielen zitten en over de weiden kijken, zien we, dank zij onze pas opgedane ervaring, nog hier en daar groepjes van Kemphanen en als we nog eens willen fotografeeren, dan slaan wij maar even den volgenden zijweg rechts in, want daar is ook alweer een clubterrein. Daar worden we ook meteen aangerand door de zwarte Sterntjes (94), dezelfde soort van vogeltjes, waarvan we in het Naardermeer de nesten gevonden hebben op drijvenden rommel. Hier echter bouwen ze op den vasten grond, al houden ze er van, dat die dan toch altijd nog vochtig is. Nu die zwarte sterntjes zoo’n drukte maken wordt de heele buurt onrustig, er vliegen een paar Grutto’s op met luid gejammer en een stel Tureluurs maken nu heel andere geluiden dan tijdens hun vreugdevlucht. Waarschijnlijk hebben ze hier jongen rondloopen. Dat is zoo aardig in het begin van Juni, je vindt dan zoowel jonge vogels als eieren. [31]

37

JENEVERBES

38

STRUIKHEIDE

39

GALIGAAN

40

KRAAIHEIDE

41

KANDELAARTJES DRIEVINGERIGE STEENBREEK

42

ZEEPOSTELEIN

C. ROL

[32]

43

KLEINE RUIT

44

ZANDBLAUWTJE

45

DOPHEIDE

46

MUURPEPER

47

WATERDRIEBLAD

48

GEEL WALSTROO

C. ROL

[33]

Nu keeren we terug naar den hoofdweg en komen aan een hek en daar staat een koddebeier op ons te wachten. We zijn namelijk allemaal lid van de Vereeniging tot Behoud van Natuurmonumenten en hebben ons de permissie verschaft, om de beroemde meeuwenbroedplaats van De Staart te betreden, onder geleide van den bewaker. We leggen de fietsen in de bloemen en volgen onzen geleider naar een tweede hek, dat rijkelijk is opgetuigd met prikkeldraad en hangsloten, wat natuurlijk het genot van het toegelaten worden, zeer verhoogt. We betreden een laag stuk land, deels kaal en slijkerig, maar voor ’t grootste deel begroeid met dik, donkergroen gras. Er liggen ook enkele slooten in, sommige met riet begroeid en in de verte blinkt een grooter water, de Rommelpotskil, een oude kreek, die naar rechts zich verbreedt tot een flink meertje en dat is dan de Kil bij uitnemendheid. Eerst is het tamelijk rustig, maar als we verder gaan, komt er een zwartkopmeeuw (85) kokkerend op ons aanvliegen en dan nog een en nog een en ’t duurt niet lang of de lucht is vervuld met duizenden tierende Meeuwen. Je staat je daaronder te verwonderen in het wijde veld. Heel op den achtergrond ligt de lange rij der duinen, achter ons in de verte het dorpje De Waal met zijn boomen, voorts hier en daar een stolp of een boetje en verder niets anders dan gras en bloemen en vogels. Nu duurt het ook niet lang, of we zien de eerste nesten en weldra wordt het geraden, om goed uit te kijken, anders zou je misschien de eieren vertrappen. In het gras maken die meeuwen maar kleine en lage nesten. Op de kale plekken en langs de kanten van de slooten en de greppels daarentegen bouwen ze wel een halven meter hoog en er liggen vaak wel zes of tien van die nesten op één rij, samen een walletje vormend van gestapeld riet. In sommige nesten liggen twee eieren, in andere vier, in de meeste drie. Ze zijn zoo groot als kip-eieren, dof bruingroen met donkerder vlekken. Sommige zijn blauwig, sommige licht, andere donker, ook de vlekkigheid loopt zeer uiteen. Wij zoeken al ons [34]best naar roodbruine eieren, want die zijn heel zeldzaam en ik moet hier het eerste altijd nog vinden. ’t Lukt vandaag dan ook alweer niet, maar wel zijn we bij menig nest getuige ervan, dat het jong bezig is, zijn eischaal te verbreken en nu al vast door een klein gaatje het levenslicht aanschouwt. Eigenlijk zie je van het diertje weinig anders dan de snavelpunt met daarop het harde witte, beenige spitse uitsteeksel, de „eitand”, waarmee de schaal wordt bewerkt. Je zoudt zoo’n diertje wel willen helpen, maar ’t is toch beter, dat niet te doen. Ook hoeft hij niet de heele schaal rondom te behakken, als hij maar eenmaal een derde deel bewerkt heeft, dan breekt de rest gauw door en dan komt het diertje te voorschijn met sluik nat dons en dadelijk al grooter dan het ei was. In korten tijd drogen de veertjes op en de jonge meeuw wordt een alleraardigst bolletje van dons, lichtbruin met donkerder vlekken. Ze groeien heel snel en nu in Juni vinden we er ook, die al echte pennen en veeren hebben, doch niet wit en zilvergrijs en zwart als de ouden, maar bruinig en gelig en kaneelkleurig. In dit eerste jeugdkleed zie je ze nog weinig buiten de broedplaatsen. Ze krijgen al heel gauw een tweede jeugdkleed en daarin kunnen we ze bewonderen, als ze overwinteren op de grachten van onze steden. Dat zijn dan echter geen vogels van Texel, want die trekken in ’t najaar naar ’t Zuiden, naar Frankrijk en Spanje en wellicht naar Zwitserland, terwijl dan inboorlingen van Denemarken en Pruisen en verder hier bij ons den winter komen doorbrengen.

L. W. R. WENCKEBACH  DE SLIKKEN BIJ DEN EENDRACHTDIJK

E

De lucht is nog altijd vol vogels, maar we zien er nu toch ook al eenige op hun nesten zitten, hun broedinstinct heeft de vrees voor ons overwonnen. Dat is een aanwijzing voor ons, om nu maar het terrein te verlaten. Op een guren dag zouden wij er niet eens heen gegaan zijn, want wij zouden toch niet willen, dat de broedsels mislukten om onze weetgierigheid of nieuwsgierigheid. We retireeren dus in de richting van ons prikkeldraadhek en komen nu nog even langs een perceeltje waar de slanke vischdiefjes (86) nestelen. Die hebben veel kleiner nesten en veel kleiner eieren dan de Meeuwen, maar van hetzelfde type. Deze vischdiefjes hebben de gewoonte, om uit de lucht niet [35]vlak op het nest neer te dalen, maar een eindje er vandaan en dan verder te kuieren. Dat doen ze zoo dikwijls en zoo geregeld, dat elk nest het eindpunt is van drie of vier duidelijke paadjes, die door het gras slingeren. Nergens heb ik dat zoo mooi en duidelijk gezien, als hier op ons natuurmonument de Staart.

Wie scherpe oogen heeft, mag probeeren uit te maken, of deze Sterntjes, die hier broeden gewone of Noorsche zijn. Die lijken heel veel op elkander en zijn ook zoowat even groot, maar het Gewone Sterntje heeft aan zijn rooden snavel een zwarte punt, terwijl de bek van de Noorsche Stern heelemaal rood is. Het zijn werkelijk twee geheel verschillende soorten. Heel in ’t Noorden broeden niet anders dan Noorsche Sterns (92). De Engelschen noemen ze zelfs Pool-Sterns. Zuidelijker dan ons land broeden alleen de Gewone Sterns, maar hier bij ons vinden we ze broederlijk bij elkaar. Die broederlijkheid sluit niet uit, dat ze wel eens met elkander harrewarren, maar ik heb het toch wel gezien, dat een Noorsche Stern rustig zat te broeden tusschen de Gewone en ook wel omgekeerd. Bij die gelegenheden zat ik verborgen in een schuiltentje midden in de Sternenkolonie en dan zie je alles heel pleizierig van dichtbij. Dat was echter niet op Texel, maar op Rottum.

Tusschen al die Meeuwen en Sterntjes is op de Staart haast geen plaats meer voor andere vogels, maar als we ons hek eenmaal weer achter ons hooren sluiten, dan ontmoeten we op het voorstuk weer de Tureluurs en de Grutto’s. Een paar Kieviten schreeuwen zich schor boven ons en gedragen zich zoo woest en angstig dat we al dadelijk gaan uitkijken naar jongen. Voor een nest met eieren zouden ze zulk misbaar niet maken. Nu zijn we met zijn twintigen en kunnen dus om zoo te zeggen grassprietje voor grassprietje onderzoeken, maar toch duurt het geruimen tijd eer we wat vinden. Die kleine Kievitjes hebben donker dons, maar een spierwit nekje, dat ze echter intrekken, zoodra er gevaar dreigt en als ze zich nu maar doodstil houden, is het vrijwel onmogelijk ze tusschen het gras van den donkeren slibgrond te onderscheiden. Ongetwijfeld zaten er zoo drie of vier verscholen, doch wij hebben er maar één gezien. Die was wellicht wat zenuwachtiger dan de andere en hield ’t niet langer uit. Hij verhief zich op zijn lange beenen, strekte zelfs den verraderlijken hals, rende rechtuit naar de grenssloot en sprong pardoes te water. Het was een breede, heldere sloot, nog al diep en ’t was bladstil, zoodat de blauwe hemel er volmaakt in weerspiegeld werd. En daar zwom nu het kleine donzige Kievitje alleen in de oneindigheid. Hij roeide met zijn looppootjes en schoot maar langzaam op, want daar zitten maar kleine vliesjes tusschen de teenen. Eindelijk bereikte hij goed en wel den overkant en klauterde onder luide toejuichingen tegen den vrij steilen oever op. Geen wonder, dat de heele buurt in opstand raakte en zelfs de Meeuwen ook nog hun deel van de pret kregen. Nu weer op de fietsen, want we willen onze boterhammen eten bij de Slikken achter de Eendracht. Gelukkig is het nog vóór elven. Alleen op Texel is het mogelijk, dat je op een paar morgenuren al zooveel moois en belangrijks kunt beleven. Het Kievitje is nog gefotografeerd ook, maar die opname heeft geen ander nut gehad, dan de bevordering in ’t algemeen van den handel in foto-artikelen. [36]