WeRead Powered by ReaderPub
Texel cover

Texel

Chapter 6: IV. MUIEN EN SLUFTERS
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

A personal, observational account of island life that blends natural history, travel writing and memoir to sketch dunes, beaches, polders and tidal flats alongside their plants and birds. The author records seasonal rhythms, species identification tips and everyday fieldwork, while describing encounters with local people, school life and traditional pursuits like egg‑searching. Short, anecdotal chapters alternate with focused descriptions of habitats and species, offering practical notes, reflective asides and vivid landscape portraits that encourage close attention to the small, changing details of coastal nature.

[Inhoud]

IV. MUIEN EN SLUFTERS

Om te beginnen, gaan we bij De Koog het strand op en wandelen dan een half uur ver noordwaarts, langs de branding. De zee is zoo’n goede en gezellige kameraad, dat we mijlen en mijlen kunnen voortwandelen, zonder dat we iets anders begeeren, dan de ruimte en de frischheid en de muziek. Mijlenver krijgen we ook niets anders, want dat strand is nog al arm aan schelpen en het aanspoelsel geeft den strandjutter ook maar weinig vreugde. Voorbij paal 23 wordt de zandvlakte al breeder, er komen ook meer schelpen en hier en daar liggen kleine heuveltjes, niet hooger dan een molshoop, maar breeder en daar wapperen een paar groene grassprietjes uit omhoog. Wanneer we vlijtig zoeken, dan vinden we hier in deze eerste Juniweek ook op dergelijke heuveltjes wel een grasje, dat pas uit ’t zaad ontkiemd is en dat moeten we beschouwen als een zeer belangrijk feit. Zoodra namelijk dit gras op de strandvlakte wil groeien, groeien er ook duintjes. Dat is hier nu benoorden De Koog prachtig te zien, hoe het stuifzand door het gras bijeen wordt gehouden en hoe zoodoende nieuwe duintjes worden gevormd. We vinden er van allerlei leeftijd, jonkies van dit jaar, waar je de pas ontkiemde grasjes nog uit kunt trekken en oudere van vorige jaren, waarvan het zand doorweven is door een dichte mat van [54]wortelstokken. Nog oudere zijn alweer hooger en hebben bovenop al een begroeiing van de tweede en de derde grassoorten, dat zijn de helm (25) en de blauwe zandhaver (27). De grassoort, die het begin maakt, is minder bekend, ’t is het biestarwegras (29), de eersteling der begroeide duinen. Eigenlijk zijn er geen andere dan begroeide duinen; een onbegroeid duin waait weg.

Deze strandvlakte met zijn schelpen en duintjes heeft ook bewoners. Ik heb ze al lang gehoord, eer we ze zien. In de heldere lucht en op het witte zand is het niet eens zoo gemakkelijk, om witte vogeltjes te zien. Maar onophoudelijk hooren we een fel en driftig geschreeuw. In de zee zien we ook witte straaltjes opspatten en eindelijk, nu we wat gewend zijn, krijgen we de kleine schreeuwers te pakken. Het zijn de mooie Dwergsterntjes (93), half zoo groot als de gewone Vischdiefjes. Met razende vlijt zijn ze bezig te visschen tusschen de eerste en tweede bank, boven een school van kleine Puitaaltjes. Ze duiken heelemaal onder en in negen van de tien gevallen krijgen ze hun vischje te pakken en vliegen dan landwaarts, tusschen de kleine duintjes. Nu zijn we met zijn twintigen, allemaal goed gezind en voorzichtig en wakker en daarom wil ik wel even een breed front vormen over een uitgestrektheid van een paar honderd meter en zoo schuin de strandvlakte oversteken door de jonge duintjes tot aan het hooge duin. Als we nu wakker genoeg zijn, dan krijgen we jonge Dwergsterntjes te zien, misschien ook nog eieren en misschien nog wat anders. Wanneer we heelemaal niets zien, dan bewijst dat nog lang niet, dat er ook niets ligt, want de grijze, vlekkige jongen en de doffe, blauwig grijze, vaal gevlekte eitjes zijn, o zoo heelemaal één met het mulle zand. Past daarom dubbel op, om te zien, waar ge uw voeten zet. Het zou zeer onaangenaam zijn, indien de herinnering aan onze reis ontsierd zou moeten worden door de gedachte aan een vertrapt jong vogeltje of verbrijzelde eieren. Het gevaar voor ’t laatste is het grootst. Een jong laat zich niet zoo heel spoedig vertrappen, zie maar, daar loopt er al een. Die heeft stil gezeten totdat het storend bezoek wat te dicht bij hem kwam, en daar gaat hij nu, een dons balletje op rose zwemvoetjes, kop hoog in de lucht op een hals, die veel langer is dan je van zoo’n Sterntje zou verwachten. Intusschen vliegen de ouden boven ons, driftig krijschend. Daar loopt een grooter vogeltje, niet in dons, maar in gladgestreken pluimage, grijs en wit en zwart. Het scherp wit en zwart aan kop en keel, de oranje snavel, oranje pootjes, vertellen ons, dat we met ’t Bontbekpleviertje te doen hebben. Die heeft hier ook wel jongen en eieren. Als we wat verder komen, worden we begroet door grooter vogels, witte Meeuwen met spierwitte koppen, dat zijn de Stormmeeuwtjes. Die hebben hier ook enkele nesten en daar moeten we alweer heel voorzichtig mee zijn, want deze meeuwtjes nestelen maar op een paar plaatsen in Nederland: op Schouwen, aan den Hoek van Holland, bij Callantsoog, op Texel en op Rottum, dus op de beroemdste stranden van Nederland en die hebben dan ook hun beroemdheid voor een groot deel te danken aan die Stormmeeuwtjes. Ze gelijken het meest op Zilvermeeuwen, maar zijn een derdepart kleiner. Het heele jaar door vinden we Stormmeeuwen in menigte langs de stranden, in de havens, op ’t land, zoo oude als jonge, maar slechts weinige willen hier broeden. [57]Het strand zou het strand niet zijn, als hier niet eenige stellen Scholeksters rondliepen en er staat ook een heele troep Zilvermeeuwen te dutten, zoo maar midden op de zandvlakte. Al een poosje lang hebben we aan onze rechterhand donkere rijshorden gezien, daar geplaatst door den Waterstaat, om den groei van het duin te bevorderen. Waterstaat en de Texelaars koesteren al tientallen jaren lang den wensch, om de Sluftervlakte af te sluiten, door de duinenrij te doen voortgroeien tot aan de Slufterbollen. Het is al dikwijls bijna gelukt en in de laatste jaren gaat het ook alweer heel voorspoedig, maar een paar stormdagen en stormnachten, harde Noordwester met springvloed kunnen weer alles terugbrengen tot den toestand van jaren geleden. Wij verlaten nu het strand, gaan landwaarts in tot voorbij de eerste duinrichel en slaan dan scherp rechtsaf, de vallei in, achter die richel langs. Hier komt de zee nog wel eens een enkelen keer een kijkje nemen om het hoekje. Er ligt aanspoelsel van de hooge vloeden en de vallei is hier en daar ook tamelijk slibbig. Er groeit dan ook Zeemelkkruid en Engelsch Gras, Zoutgras, een beetje Lepelblad, Zeespurrie en hoogerop komt Bloembies (34) en zoete grassen, die het mogelijk maken, dat een paar schapen er nog genoeg te eten vinden. In deze vallei nestelen ook al Kieviten en Tureluurs, een enkele Scholekster en de alomtegenwoordige Graspieper (62). Op een nat plekje staat Pluimzegge (33). [55]

73

WILDE EEND

74

SLOBEEND

75

ZOMERTALING

76

BERGEEND

77

ROTGANS

78

KOET

SAM VAN BEEK

[56]

79

GRUTTO EN NEST MET EIEREN

80

SCHOLEKSTER

81

KLUUT EN NEST MET EIEREN

82

KEMPHAAN MET WIJFJE EN JONGEN

83

TURELUUR, NEST MET EIEREN EN JONGEN

84

KIEVIT, NEST MET EIEREN EN JONGEN

SAM VAN BEEK

[57]

We gaan nu tegen het duin op en zijn van plan, om door de duinen terug te wandelen naar Koog. Eerst heb ik bij den boschwachter van het Staatsboschbeheer een klein bezoekje afgestoken, om te hooren of we die wandeling konden maken. Dit duinlandschap is namelijk een Staats-natuurmonument en gedurende den broedtijd der vogels heb je een bijzondere vergunning noodig, om het terrein te betreden. In sommige jaren wordt op sommige stukken zelfs niemand toegelaten. Dat was o. a. het geval in 1924, toen de Lepelaars, een tiental, hun nesten gebouwd hadden in het mooiste en grootste duinmeertje, de Mui (3). Dertig jaar geleden heette dat meertje kortweg de Mui, maar tegenwoordig beginnen we het al Binnen-Mui of Groote Mui te noemen. Er is namelijk in de laatste jaren nog een tweede meertje bijgekomen, dat is de Buiten-Mui en buiten de duinreeks, die vroeger deze Buiten-Mui van het strand scheidde, zijn weer nieuwe duinricheltjes gevormd. Tusschen de oude en de nieuwe richels vormen zich tegenwoordig telkens ook al weer zoetwaterplasjes, zoodat we binnenkort ons zullen verheugen in een Buitenste Mui. Nu, hoe meer hoe liever, want elk duinmeertje wordt, als ’t goed gaat een middelpunt van zeer rijk dieren- en plantenleven.

Als we nu aan den kleinen Slufter het duin in gaan, dan zijn we nog niet zoo heel spoedig bij die Muien. Eerst hebben we nog een kilometer of zoo duinterrein te doorloopen, haast een soort van hoogvlakte, meer heuvels dan dalen en de dalen smal en ondiep. Wie de duinen van Holland kent, verwondert zich over deze Texelsche heuvelen. Wat zijn ze dicht begroeid: Viooltjes, Aardbeitjes, Geel Walstroo (48), Eereprijs tot boven op de toppen. Dichte bosschen van Duindoorns bemoeilijken onzen vooruitgang. Onder en tusschen die Duindoorns worden we verrast door alleraardigste bloemen, die we [58]in grooter aantal ook nog in het natuurmonument der Muien zullen aantreffen: het rondbladige Wintergroen (Pirola Rotundifolia) en het Parnaskruid (Parnassia Palustris). Het Wintergroen (14) staat al ferm in bloei, Parnaskruid (16) vertoont pas knoppen, dat is een herfstbloeier. Er was een tijd, dat het Wintergroen rijkelijk in het wild groeide, midden in het Bloemendaalsche Bosch. Dat is nog geen vijfentwintig jaar geleden. Ook het Kennemer duin stond er vol mee. Sedert den drogen zomer van 1911 is daar het Wintergroen zoo goed als verdwenen en nu moeten wij ons er toch wel zeer over verheugen, dat dit heerlijk mooie bloempje nog zoo veel op Texel groeit en ook op de andere Noordzee-eilanden en het is dubbel pleizierig, dat deze Texelsche duinen nu voor een groot deel tot natuurmonument zijn verheven, d.w.z. dat daar de natuur haar vrijen loop mag hebben en de wilde planten daar groeien mogen, zooals dat hier in deze streken behoort. Als we goed uitkijken, dan vinden we nog andere bijzonderheden, die nog niet in bloei staan, kijk maar hier: smalle groene blaadjes tegen elkaar, een groene bloemtros daar binnen verborgen. Wacht maar, die tros blijft niet groen maar wordt mooi rose, allemaal fijne Orchideeënbloempjes met lange spoor. Tegen de groote vacantie zullen ze bloeien. Dit is de Muggenorchis (49) of Gymnadenia. Onthoud hem ook maar met ’t oog op de omstandigheid, dat ge eens gaat reizen in het bergland, in Zwitserland. In menig opzicht is het verkeer in de duinen van Texel en Terschelling een goede voorbereiding voor een Zwitsersche reis. Nog mooier dan de Muggenorchis is de Moeras-Wespenorchis (53), die hier ook overvloedig groeit.

L. W. R. WENCKEBACH  DE VLAKTEN BIJ DE MUI

H

Ook geven onze duinen een prachtige oefening voor beenspieren en longen. We moeten maar eens even op een hoogen top losstevenen om ons te oriënteeren. Jawel, ik dacht het al, we zijn al druk bezig, om te ver landwaarts in te gaan. Zie, in de richting naar Koog ligt links een lange vallei, westwaarts begrensd door een onafgebroken duinenrij. Dat was nog niet zoo heel lang geleden de zeelooper. De oostgrens van de vallei is een meer afwisselend duinlandschap met hooge toppen [59]en lagere zadels en rechts daarvan zien we een tweede uitgestrekte duinpan. In beide pannen zien we blauwe waterplassen blinken en als we goed toezien, bespeuren we tusschen die plassen velden met riet en biezen en zoo beseffen we, dat we hier staan voor twee vrij uitgestrekte duinmeertjes, de trots en glorie van Texel, van Nederland. Dit zijn nu de beide Muien. De Binnen-Mui is de grootste en belangrijkste en daar mogen we nu in den broedtijd met zoo’n grooten troep niet heen, dat is zoo wijselijk beschikt door het Staatsboschbeheer. Maar wel hebben we een vergunning, om te wandelen langs den westoever van de Buiten-Mui en daar hebben we volop genoeg aan. We willen echter verstandig wezen en er niet regelrecht heen loopen. We zwenken af naar rechts, tot voorbij den zeelooper, loopen dan rustig en stil langs den buitenkant van die heuvelrij een kilometer of zoo zuidwaarts naar een plek, welke ik wel ken en kruipen dan tusschen en door de duindoorns heen, om ongezien den anderen kant te bereiken, waar we een vrij uitzicht hebben over het meer, dat hier zoowat honderd meter breed mag zijn en zich naar links en naar rechts eenige honderden meters uitstrekt.

Het is mij dikwijls gelukt, zoo ongezien een goed uitkijkpunt te bereiken, zonder dat één van de honderden vogels, welke de Buiten-Mui bewonen, er erg in had. Alleen gaat dat natuurlijk veel beter dan met een troepje, want daar zijn altijd licht lui bij, die het wereldkundig moeten maken, als zij een duindoornpunt in hun knie krijgen of zoo iets. Honderden malen heb ik zoo de duinen beslopen. Haast altijd tref je iets aardigs en in zoowat één op de twintig sluippartijen iets bijzonders. Daaronder tel ik een Sperwer, die op den grond bezig was een Tapuitje te plukken, een helling met een twintigtal Konijnen, welke zich zaten te zonnen, ieder voor hun holletje, Fazanten en Patrijzen een stofbad nemend en dan liggend in de zon, twee Egeltjes knorrend en kringspelletje spelend, een oude Hermelijn op jacht met vijf jongen achter zich en meer dergelijks.

Je hebt ook wel eens tegenspoed. Het is mij wel gebeurd, dat ik over de helling komend met mijn neus net terecht kwam boven een laat eendennest en de eend vloog met zooveel spektakel op, dat er een paniek ging over de heele duinvallei.

Nu, ditmaal komen wij wonderwel klaar en de heele Buiten-Mui ligt voor ons in de Junizon, eenzaam en verlaten, alsof er geen mensch bestond op de wijde, wijde wereld. De hooge duindoorns geven ons een uitmuntende beschutting. Er staan een paar vlieren tusschen in. Voor en onder zoo’n vlier zit je nog beter; ik wil voor een volgenden dag straks aan de buitenhelling een paar merkteekens maken, om een andermaal precies bij zoo’n vlier terecht te komen. Het water ligt bladstil, helder blauw. Er is veel meer riet en biezen en russchen dan water, tenminste van hier gezien, maar ik weet dat tusschen de hooge rietbosschen toch ook nog weer genoeg open plekjes zijn. Hier en daar zie je een groote witte vlek, dat zijn allemaal bloeiende Waterranonkels (32), die zullen we elders in nog grootscher pracht aanschouwen. De duindoorns groeien tot in het water en het water dringt door tot tusschen de duindoorns. [60]

Van vogelleven is op ’t oogenblik niets anders te zien dan een paar witte Vischdiefjes, welke boven ’t witte water bidden. Ik schaam mij, te moeten bekennen, dat ik niet weet, welke soorten van visch in deze Muien voorkomen en voor zoover ik weet, is daar ook nog nooit een onderzoek naar ingesteld. ’t Zou een aardig werkje zijn voor jongelui, die hun zomervacantie geheel of gedeeltelijk op Texel doorbrengen, om eens wat te weten te komen omtrent de bewoners van de Muien, de Visschen, de Insecten, de Slakken, de Bloedzuigers enz. Daar is wat meer vlijt en kennis voor noodig, dan voor de vogelarij.

Die Vischdiefjes hebben al gauw wat gevangen en vliegen nu naar ’t zuideind van de Mui, waar ze in het moerassig gedeelte zeker wel hun nesten hebben, misschien een stuk of vier. Het is wel merkwaardig, dat naast de groote kolonies van Vischdiefjes in het Noorden en aan de Petten ook nog overal over het eiland, heel verstrooid Vischdiefjesnesten te vinden zijn, alleen of bij tweeën en drieën. Dikwijls liggen er aan het zuideind van de Buiten-Mui ook nesten van Kokmeeuwen.

Naar links is een der open plassen voor een groot deel bedekt met Eenden, wilde Eenden van allerlei soort. Met onzen kijker bespeuren we al gauw dat het allemaal mannetjes zijn: groenkoppen met witten halsring, dat zijn de gewone wilde Eenden, groenkoppen met buitengewoon grooten en breeden snavel en witte borst, dat zijn de Slobeenden, kleintjes met een groote witte streep over het oog, dat zijn de Zomertalinkjes (75). Met elkaar zijn er een veertigtal en nog verder naar links staan een dozijn zwart-met-witte Eenden, dat zijn de Bergeenden. Als we ze wat dichterbij kregen, zoudt ge zien, dat ze nog heel wat andere kleuren vertoonen dan zwart met wit: een bruinen halsband, een goudig groenen kop, fel rooden snavel, prachtige dieren. Ze hebben hun nest in konijnenholen, over het heele eiland heen en we ontmoeten ze dan ook langs alle stranden, het meest nog wel tusschen De Koog en Cocksdorp.

En ja hoor, daar is ook de Roodkop weer. Als om ons een pleizier te doen vliegt hij op en koerst het heele meer door: een roode kop, een grijze rug en zwarte zijden. Dat is de Tafeleend, een vogel, dien we ’s winters in groote menigte op plassen en rivieren te zien kunnen krijgen, maar die slechts zelden hier en daar bij ons broedt. In Friesland en aan de Utrechtsche plassen zijn de nesten al dikwijls gevonden en nu die vogel zich hier aan de Muien jaar op jaar vertoont, kunnen wij ook wel aannemen, dat hij hier broedt. Hoe aardig vloog hij over de riettoppen: hij hield zijn lichaam wat schuiner dan de gewone wilde Eenden.

Nu komen er achter elkaar drie Blauwe Reigers aanzetten. Ze dalen af naar ons meertje, buigen de lange pooten omlaag en strijken neer in ’t riet. Eén is er zoo dichtbij, dat wij hem tusschen de rietstengels door kunnen zien en als hij zijn snavel neerbuigt, dan kunnen wij zien, dat deze gegrepen wordt door andere snavels. De Blauwe Reiger heeft daar zijn nest met drie hongerige jongen en nu we eenmaal weten, dat daar Reigernesten zijn, hooren we ook wel het merkwaardig honger-gebabbel [61]van de jonge vogels. Gewoonlijk maken bij ons in Nederland de Blauwe Reigers hun nesten in de boomen, maar hier op Texel bouwen ze in ’t riet, juist zooals de Purperreigers en de Lepelaars dat doen in ’t Naardermeer. Nog twee Reigers komen aanzetten en dan nog eens vier en onze eerste Reiger vertrekt al weer, na al zijn huiselijke plichten vervuld te hebben. We kunnen er nu al zeker van zijn, dat hier minstens een dozijn Blauwe Reigers in ’t riet broeden.

I

J. VOERMAN JR.
GEVLEKTE ORCHIS

Ook Koeten huizen er. Hun kort gekef heb ik al gehoord en daar tegen den rietzoom ziet ge een paar van die zwarte vogeltjes voortzwemmen. Nog wat beter toekijken en dan zien we tusschen de beide groote vogels nog een stuk of zes kleintjes, pikzwarte donsvogeltjes met soms wat duidelijk rood aan den kop. De oude Koeten hebben, zooals ge weet, op den snavel een witte plaat, welke ook nog een eind tegen het voorhoofd oploopt. Plots duikt er een en als hij weer boven komt, roeien al de jongen in pijlsnelle vaart op hem af en de buit wordt verdeeld. In het ijle riet kunnen we het Koetennest ook wel te zien krijgen, een bouwsel van riet en biezen, dat een paar decimeter boven het water uitsteekt en bereikt wordt langs een goed onderhouden hellend vlak. Is dat ook een klein Koetje, daar in de biezen? Neen, ’t dier is bruinig, de borst satijnig wit en op het gebied van staart heeft deze vrind nog minder in te brengen dan de Koet. Dat is een Dodaarsje (101) of Hagelzakje. Die heeft zijn nest gewoonweg aan de oppervlakte van ’t water en ik durf wel zeggen, dat hij het heeft opgebouwd uit Bronmos (Fontinalis Antipyretica), een plantje, dat op sommige plaatsen den bodem onzer Muien bedekt met een [62]dicht, ruig, groen tapijt. De vogel heeft altijd een extra hoeveelheid van dit materiaal bij de hand, om, wanneer hij bij gevaar het nest verlaten moet, nog eventjes gauw de bruingele eieren dicht te dekken. Dat doen al zijn familieleden, de Futen. In sommige jaren huizen hier in de Muien ook wel de Geoorde Futen. Die zijn iets grooter dan het kleine Dodaarsje en de mannetjes hebben over de oorstreek een groep van aardige, kleurige veertjes, oranje met bruin. Deze Geoorde Futen broeden graag in troepjes bijeen, vier of zes nesten bij elkaar, maar ze schijnen nog niet een vaste voorkeur voor bepaalde plaatsen te kunnen hebben. Soms maken ze een paar jaar achtereen hun nesten in dezelfde plassen en dan blijven ze weer opeens weg. We hopen ze nog eens tot de vaste klanten van onze Muien te mogen rekenen. Hetzelfde geldt voor de Lepelaars. Ieder jaar hopen we op Lepelaarnesten in de Mui. In 1924 hebben ze in de Groote Mui een tiental nesten gebouwd. Het Staatsboschbeheer heeft er toen zorg voor gedragen, dat de broedplaats zooveel mogelijk met rust werd gelaten en er was toen geen sprake van, dat je in die Groote Mui zou mogen wandelen. Het is toen echter met die broederij niet goed geloopen, niemand weet door welke oorzaak en in 1925 zijn ze toen weggebleven. Wij kunnen echter wel veilig voorspellen, dat ze het binnenkort nog weer eens zullen probeeren, want in het Zwanewater bij Callantsoog, waar bijzonder goed op de vogels gepast wordt, is de Lepelaarbevolking in de laatste jaren zoo toegenomen, dat er wel gebrek aan plaats moet komen. Ze kunnen dan niet beter doen, dan zich weer op Texel te gaan vestigen, hetzij in de Muien, hetzij in het nieuwe duinmeer aan den zuidkant, dat wij morgen hopen te bezoeken.

Daar vliegen opeens al onze eenden op. In een lange rij komen ze aan ons voorbij vliegen. De bewaker van het duin heeft ze opgeschrikt. Nu komen ook uit het riet de Reigers te voorschijn, veertien stuks. Ze gaan de hoogte in, kringen dan rond en strijken de een voor, de ander na, neer op de duintoppen rondom ons meertje en daar staan ze nu onbeweeglijk als schildwachten rondom een bewaakt gebied. Nu kunnen wij ook wel opstappen, de helling af naar den waterkant. Ik weet dat hier een soort van pad naar het zuiden leidt, maar we mogen er altijd wel op bedacht zijn, dat we hier en daar te doen zullen krijgen met weelderig uitgegroeide duindoorns of een plekje van een meer dan gewone graad van drassigheid. Als we opstaan, vliegen er nog eenige Eenden en Reigers op, de dapperen, die door de verschijning van den bewaker met zijn hondje nog niet schichtig waren geworden. Ook schiet er een Watersnip omhoog in zigzaglijn met luid „etsj, etsj” en als zij een eindweegs is opgeschoten gaat zij omhoog vliegen. Nu even stil gestaan, want dat kan aardig worden. Zij vliegt al hooger en hooger, spreidt dan vleugels en staart wijduit, glijdt plotseling omlaag en nu hoor je duidelijk het geluid, dat herinnert aan het blaten van een lammetje. Dit is de lentevlucht en het lentegeluid van de Watersnip en we mogen er op rekenen, dat die nu ook hier haar nest heeft. Daar ben ik heel blij om, want eenige jaren geleden, eer nog de Muien tot natuurmonument waren verklaard is bij den aanleg van wegen ten behoeve van de bebossching een klein, [65]maar zeer mooi valleitje, waar altijd de Watersnip broedde te midden van de mooiste bloemen, met zand dichtgegooid. Zoo iets zou tegenwoordig natuurlijk nooit meer gebeuren, want ofschoon de Watersnip nog broedt door het heele land, wordt zij toch hoe langer hoe zeldzamer, ten eerste doordat de moerassen worden ontgonnen en ontwaterd en ten tweede doordat de jacht op Watersnippen nog is toegelaten in den broedtijd. Gelukkig zijn met goeden wil en inzicht beide euvelen nog wel te verhelpen. Nog is het niet te laat. [63]

85

ZWARTKOPMEEUW

86

VISCHDIEFJE

87

WULP

88

ZILVERMEEUW

89

GOUDPLEVIER

90

ZILVERPLEVIER

SAM VAN BEEK

[64]

91

GROOTE STERN

92

NOORSCHE STERN

93

DWERGSTERN

94

ZWARTE STERN

95

ROSSE GRUTTO

96

REGENWULP

SAM VAN BEEK

[65]

Nu het pad langs. We hebben ook de kleine vogels opgeschrikt, die in de doornstruiken huizen en die vertoonen zich nu allerwege. Daar vliegt er een zingend omhoog, bruin en grijs met een wit keeltje. Hij brengt het niet ver, daalt spoedig weer en zijn schrille liedje is dra geëindigd. ’t Is de Grasmusch (98) en na hem zien we er nog een stuk of zes, want dit zijn wel zeer algemeene vogeltjes. Ook Kneuen huizen hier in groot aantal en het mooie Paapje met zijn roodbruin borstje en de breede, witte wenkbrauwstreep. Die heeft niet bijster veel te vertellen, niet anders dan „utak, utak” en als je hem op het juiste oogenblik treft, dan hoor je hem ook wel eens een klein liedje zingen. Maar wat hem aan zangkunst ontbreekt, wordt goed gemaakt door zijn sierlijk figuurtje, zijn levendige kleuren en aardige maniertjes. Kijk, recht voor ons uit zweeft een vogel op breede wieken en Vischdiefjes staan boven hem te bidden. Eén schiet er neer en de groote vogel draait zijn breede kop afwerend hem tegemoet. Het is een Velduil en die Vischdief behoeft zich niet zoo zenuwachtig te maken, want de Uil kan hier genoeg muizen vangen. Het is voor ons wel een beetje vreemd om dien Uil hier te zien in ’t volle zonlicht van den zomerdag, terwijl we toch op school geleerd hebben, dat de Uilen nachtdieren zijn en de muizen min of meer ook. Je ziet echter op onze eilanden èn de Velduilen èn de Muizen dikwijls genoeg op klaarlichten dag. Het komt er maar op aan, om zelf ook de zomerdagen zooveel mogelijk buiten door te brengen.

Nog weer een tamelijk groote vogel, met langen staart. Een Sperwertje? Neen, ’t is een Koekoek (66). Zie maar zijn platte lichaam en duidelijken snavel.

Dikwijls wemelt het op Texel van de Koekoeken, maar dit jaar zijn er blijkbaar nog niet genoeg, want heele stukken duindoorns zijn kaal gevreten door de rupsen van den Bastaardsatijnvlinder. In vorige jaren is dat ook al gebeurd. ’t Is een naar gezicht, al die doode struiken en daarin nog de overblijfsels van de nesten van de Bastaardsatijnvlinder (59). Er zijn maar weinig vogels, die harige rupsen kunnen of willen eten. De Koekoek is er een baas in en daardoor een der allerbeste vrienden van het duin. ’t Is wel jammer, dat elk koekoeksjong het leven kost aan vier of vijf jonge Grasmuschjes of Piepertjes of Kwikstaartjes enz., doch daar moeten wij in berusten en hopen, dat er van die vogeltjes zooveel kunnen tieren, dat er wel wat af kan. We zouden den Koekoek toch ook niet graag willen missen, niet alleen om de rupsenvreterij, of om zijn zoo dikwijls geprezen en bezongen roep, maar ook om zijn aardige verschijning, al hebben vele menschen hem nooit gezien. Maar wie in Mei en Juni op Texel komt kan Koekoeken te zien krijgen zooveel hij wil. Zij zitten dikwijls genoeg te roepen op de telefoondraden. [66]

Al uitkijkend naar de vogels mogen wij toch ook de bloemen niet vergeten. Er groeit hier nog heel wat meer dan duindoorns en russchen en in den loop der jaren zal het hier nog mooier worden, want de Buiten-Mui is nog betrekkelijk jong. Zij staat al vol met Orchideeën. In Waal en Burg zagen wij hoofdzakelijk de Harlekijnsorchis. Die vinden we in de Mui ook wel, maar nog meer staan er de Handekenskruiden en wel in het bijzonder het Vleeschkleurig Handekenskruid (18). Ook de beide andere Handekenskruiden, het Gevlekte (I) en het Breedbladige (50) ontbreken niet en we vinden er genoeg waarvan niet met zekerheid uit te maken is, tot welk van de drie soorten ze wel behooren en die we dus misschien voor bastaarden moeten houden. ’t Is wel goed om eens op al die verscheidenheid te letten, verscheidenheid in grootte, in aantal en afmeting der bladeren en in de gevlektheid van de bladeren. De kleur der bloemen loopt van wit tot heel donkerpaars en de teekening op de onderlip kan vlekkig zijn of strepig, flauw of forsch en van allerlei kleursterkte. Behalve die kleurige Handekenskruiden groeien hier nog een paar Orchideetjes, welke de gewone wandelaar licht over het hoofd ziet maar die de plantenkenner begroet met ware vreugd. Ze hebben bleekgroene bloempjes. De eene zullen we Sturmia (54) noemen, die heeft een nog al lossen tros met weinig maar nog al tamelijk groote bloempjes. De andere heet Herminium, die heeft een dichter tros, maar de bloemen zijn klein. Beide plantjes groeien alleen op echt wilde ongerepte plaatsen, de Herminium alleen in het duin en ook wel in Zuid-Limburg, de Sturmia ook wel in de prachtige moerassen langs de laagveenplassen, waar ook de Veenbes zijn slingers maakt over de Veenmoskussens en waar de Koningsvaren groeit. Daar wil ook wel als groote zeldzaamheid het Rondbladig Wintergroen groeien, dat we allengs beter kennen onder den naam van Pirola en dat staat hier ook in de Mui bij troepjes, gaarne onder bescherming van de Duindoorns. Dit is een van de bloempjes, waarvan ik toen ik pas op de planten begon te letten, haast niet kon gelooven, dat het zoo maar in het wild kon groeien. De roomig witte wijde klokjes, met de vreemd gevormde meeldraden en de gebogen stijl, bij tientallen vereenigd tot een tros aan loodrechten bloeistengel, lijken op geen andere bekende Nederlandsche bloem. Die stengel komt omhoog uit een rozet van glimmend groene, bijna ronde blaadjes. Meest groeien die Pirola’s troepsgewijs. Ze verspreiden een heerlijken geur en je zoudt denken, dat daar wolken van insecten op af zouden komen, maar in de vele honderden uren, die ik bij Pirola’s heb doorgebracht, zag ik er maar enkele zweefvliegen. In één adem met de Pirola wordt doorgaans de Parnassia genoemd, doch die bloeit later en ’t is al mooi, als we begin Juni wat dikke witte bolvormige bloemknoppen ontdekken. In Augustus staan ze in vollen bloei en dan kunnen we mooi zien, hoe de vijf meeldraden ieder op zijn beurt dag voor dag naar ’t midden van de bloem buigen om daar hun helmknop te openen. En als de vijfde, na zijn helmknop geledigd te hebben, weer buitenwaarts is omgebogen komt de stengel pas tot ontwikkeling. En al dien tijd hebben de buitengewoon sierlijke honigorganen, die tusschen de meeldraden staan met hun glanzige knopjes, de zweefvliegen en bijtjes gelokt, die nog al druk deze [67]bloemen bezoeken. Hier gaan we in den nazomer ook zoeken naar Gentiaantjes, de kleine Bittere Gentiaan, Gentiana Amarella (15) en de veel zeldzamere Veldgentiaan, Gentiana Campestris (13).

L. W. R. WENCKEBACH  DUINROOSJESHELLING

J

Al rondkijkend bereiken wij het einde van het meertje, het einde van de vallei. Dit is nog een alleraardigst stukje duinpan met een groote verscheidenheid van plantengroei, overeenkomend met heuveltjes van geen beteekenis en delletjes, haast zonder diepte en juist daardoor merkwaardig. Want nu kun je zien hoe groot verschil in plantengroei veroorzaakt wordt door enkele centimeters verschil in waterstand. We klimmen nu langzamerhand en ontmoeten nog een paar aardige planten. Vooreerst de Kleine Ruit (43), Thalictrum minus, een allersierlijkste plant, behoorende tot de ranonkelfamilie met mooie, fijn verdeelde bladeren en bloempjes waaraan niet de kelk en de kroon, maar de meeldraden het meest in ’t oog vallen. Deze Kleine Ruit is in ’t Hollandsch duin zeldzaam, op Texel niet algemeen, maar op Schiermonnikoog groeit hij als gras. Naast die Kleine Ruit vinden we misschien hier nog een enkele Jeneverbes, maar die groeit elders op Texel meer. En nog al merkwaardig is de tegenwoordigheid van de Strandwinde (26), Convolvulus Soldanella. Haar bloemen zijn als die van Heggewinde, even groot, maar minder diep en vrij sterk rose gekleurd. De bladeren zijn tamelijk dik en vleezig en rondachtig, niervormig en ze lijken werkelijk wel op die van het beroemde Alpenplantje Soldanella. Deze Strandwinde behoort, zooals haar naam aanduidt, eigenlijk thuis in den zeelooper en daar vinden wij haar ook bij Noordwijk en op Voorne en Walcheren. Dat zij hier groeit zoover in de binnenduinen brengt ons in herinnering, dat dit binnenduin eenmaal werkelijk buitenduin is geweest. De Buiten-Mui was toen strand, evengoed als thans de Sluftervlakte. Wij beklimmen nu het hooge duin en blijven een kwartiertje op den top zitten of eventjes onder den top, als ’t naar onzen zin wat te hard waait. Prachtig liggen nu de beide duinmeertjes voor ons en duidelijk zien we, dat links van de Buiten-Mui, dus naar de zee toe, alweer een nieuwe vallei [68]is afgesnoerd en dat zich daar ook een zoetwatermeertje gaat vormen. Zoo groeit hier het natuurmonument der Muien aan. Rechts van de Groote Mui ligt ook nog een groote vlakte, rijk aan natuurschoon, maar die valt ten offer aan den „landhonger” en wordt ontgonnen tot wei- en hooiland. Ja, je moet weten te geven en te nemen. Nu naar huis en morgen naar de bebosschingen, naar Den Hoorn en naar De Pannekoek.

[69]