WeRead Powered by ReaderPub
Texel cover

Texel

Chapter 7: V. NAAR HET ZUIDEN
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

A personal, observational account of island life that blends natural history, travel writing and memoir to sketch dunes, beaches, polders and tidal flats alongside their plants and birds. The author records seasonal rhythms, species identification tips and everyday fieldwork, while describing encounters with local people, school life and traditional pursuits like egg‑searching. Short, anecdotal chapters alternate with focused descriptions of habitats and species, offering practical notes, reflective asides and vivid landscape portraits that encourage close attention to the small, changing details of coastal nature.

[Inhoud]

V. NAAR HET ZUIDEN

Vroeg in den morgen rollen we op onze fietsen de hoogte af, niet regelrecht het dorpje Koog in, maar aan den zoom van het dennenbosch dadelijk rechtsaf. Het Staatsboschbeheer heeft hier, vooral ter wille van zijn eigen ambtenaren, een rijwielpad aangelegd, eenmans breed en daarlangs hopen wij nu op aangename en gemakkelijke wijs het dorpje Hoorn te bereiken. Het eerste deel van ’t pad is mooi hard, dan komt een stuk dat onbegrijpelijkerwijs rul en hobbelig is gebleven en dat hooge eischen stelt aan onze rijkunst. Ik loop daar liever. Verderop wordt het weer heel goed. Aanvankelijk hebben wij rechts nog de duinen, hier wat minder dicht begroeid dan die noordelijk van Koog. Er is ook al in gewerkt voor bebossching en sommige plekken zijn bestoken met jonge dennetjes.

Verderop maakt de weg een bocht en dan komen we in op het eerste gezicht mooie frissche perceeltjes hooiland van de nieuwe ontginning. Voor de aardigheid moet ge eens letten op de slootkanten. Daar ziet ge Ratelaar en Kartelblad, Tormentil, ook een enkele Orchidee en in den nazomer ook wel bloeiende Klokjesgentianen (17), allemaal herinneringen aan den tijd, toen hier een wilde drassige heide lag, de Miente, een tooverland van wilde bloemen en vogels, dat zich uitstrekte [70]van Den Hoorn tot voorbij De Koog. ’t Is nog al aandoenlijk, hoe nog jaren na het begin van ’t ontginningswerk de mooie wilde planten zich weten te handhaven langs wegbermen en slootkanten. Dat kunt ge niet alleen op Texel, maar overal elders in de wereld waarnemen. Met een jaar of tien is al het moois voor goed verdwenen.

Voorbij het hooiland komen we aan een rechte sloot, een der afwateringen van het Mientebosch. De oevers zijn nu begroeid met Dotterbloemen en Vergeetmijnietjes en hier en daar een enkele Waterklaver of Waterdrieblad (47), een van de mooiste oeverplanten van de wereld. Vijfendertig jaar geleden groeide die op Texel langs tal van plassen en waterloopen, nu wordt hij al zeldzamer en zeldzamer. Misschien zal hij zich aan de meertjes van het Muigebied nog wat willen uitbreiden, evenals de prachtige en zeldzame Tengere Bastaardmuur (55), Anagallis Tenella, die vroeger op de Miente in grooten overvloed bloeide en die in de eerste jaren van den bebosschingstijd zich nog op vochtig zand wist te handhaven, tusschen de witte Elzen.

Als wij nu het brugje over die afwatering gepasseerd zijn, komen wij in het bosch op een stuk weg, dat al werkelijk aanspraak zou kunnen maken op de benaming van laan. Iedereen zal op deze plek moeten erkennen, dat er door de Staatsbebossching (5) toch een zeer goed werk is verricht en dat Texel als woonplaats er heel wat aan heeft gewonnen. Bij alle goede dingen, waarop ons eiland trotsch kan zijn, ontbreekt er toch dikwijls één begeerenswaardig iets en dat is luwte. Het waait er haast altijd en de wind strijkt vroolijk over het boomlooze land. En nu is het werkelijk een heel nieuwtje voor ons, oude Texelaars, om hier in het weliswaar nog niet zeer hooge dennenbosch schuilplaats te vinden en intimiteit. Om dit goed te beseffen moet iemand, die Texel voor het eerst bezoekt, juist zooals wij deden, eerst eenige dagen ronddolen over het eiland en eens flink tegen den wind in fietsen door Eijerland en Waal en Burg. Dat helpt prachtig, om dan den derden dag de bebossching te leeren waardeeren. Toen ik in 1890 en 1891 op Texel woonde, werd over de mogelijkheid van bebossching ook al heel druk gesproken. Vooruitstrevende Texelaars van die dagen hadden hun zinnen gezet voornamelijk op vijf dingen: een eigen stoombootdienst, een tram, een kanaal van Oude Schild naar Cocksdorp, een gasfabriek en de bebossching en ontginning van de Mient. Nu de meeste van die wenschen zijn in vervulling gegaan of zelfs door beter dingen vervangen. Practische mannen hadden ook al de bebossching zelf ter hand genomen, hoofdzakelijk met loofhout en daarvan getuigt nog het boschje van den Nieuwen Aanleg tegen de Mient aan. In mijn tijd meende men nog, dat naaldhout niet op Texel kon tieren. Van de velerlei deugden van den Oostenrijkschen of Zwarten Den begon men pas eenig besef te krijgen. Eerst na 1895 kwam er schot in de zaak en thans in 1927 zijn al honderden hektaren beplant. [71]

97

SPRINKHAANRIETZANGER

98

GRASMUSCH

99

BOSCHRIETZANGER

100

SPREEUW IN VOLWASSENKLEED

101

DODAARS

102

SPREEUW IN JEUGDKLEED

SAM VAN BEEK

[72]

103

ALK

104

KLEINE KAREKIET

105

ZEEKOET

106

SPOTVOGEL

107

BLAUWE REIGER

108

DUINPIEPER

SAM VAN BEEK

[70]

Die Zwarte Den komt in hoofdzaak voor in twee verscheidenheden: de Oostenrijksche en de Corsicaansche Den. Vooral de laatste is zeer goed bestand tegen den zeewind en ’t is een lust, om te zien hoe sommige perceeltjes prachtig gedijd zijn. Het is nu al zoover, dat een groot deel van [73]deze bosschen al bloeien en dennekegels voortbrengen. Nog staan de stammetjes dicht opeen en is er geen sprake van dat we buiten de paden door het bosch kunnen dolen. Doch geduld maar, over een jaar of tien wordt dat al anders en dan krijgt Texel een bosch, dat nog eens zal kunnen wedijveren met de beroemde Manteling van Walcheren. Natuurlijk blijf ik betreuren, dat in het begin de onovertreffelijke Fonteinsnol zoo verknoeid is en dat men heeft nagelaten, om sommige daarvoor zeer geschikte plekjes van de Mient in hun oorspronkelijken staat van bloemenweelde te behouden. Ook zou ik het betreuren, als de nu nog bestaande valleien van den zuidwesthoek van ’t duin in ontginning worden gebracht. Maar dit alles neemt niet weg, dat ik met genoegen in ’t Mientebosch vertoef, vooral nu ook de Nachtegaal er zijn tentje heeft willen opslaan.

Wij rijden zeer genoeglijk langs de goede paden. Er is ook voor afwisseling gezorgd, dat hebben de zwarte pijnen wel noodig. Nu eens is het een vroolijk berkenlaantje, dan bloem en plantsoen rondom de woningen van de boscharbeiders, dan een helgroen perceeltje eikenhout, een veldje fel geel van geurige lupine en boschjes van Witte Elzen, waarin zich warempel ook al een enkele varen vertoont. Zoo’n nieuw bosch wordt pas aardig, wanneer op den grond tusschen de boomen zich allerlei wilde planten vertoonen, die er „vanzelf” gekomen zijn en zoodra die nieuwelingen even mooi en merkwaardig blijken als de oorspronkelijke planten, die er door de ontginning zijn vernietigd, dan raken we verzoend met de verandering.

De ongeduldigsten van ons troepje, die heelemaal vooraan rijden, kennen in ’t minst den weg niet en rijden nu te ver, den Bakkenweg voorbij. Het hindert niet erg, over een paar minuten zullen ze wel merken, dat ze verkeerd zijn en dan wachten ze van zelf. Ook behoeven we niet terug te gaan, want er zijn meer wegen, die naar Den Hoorn leiden. Ook kunnen we van de gelegenheid gebruik maken, de fietsen langs het pad neer te leggen en eventjes rechtsaf het duin in gaan, om een van de vele vlakken te bekijken, die hier den zuidwesthoek sieren. Vroeger waren die vlakken nog mooier, ze hebben geleden door ontwatering. Ik hoop, dat er binnen niet al te veel jaren, nog eens een tijd komt, dat men dergelijk woest land om zijn pracht van planten en dieren, om de merkwaardigheid van zijn ontwikkeling, van hooger waarde acht dan schapenwei of ruigtesnijplaats. Hier in deze vlakte groeien nog naast struikhei (38) en dophei (45) en kraaihei (40) en gagel de aardige jeneverbessen, eenige soorten van zonnedauw, Parnassia en Pirola en groote blauwe Klokjesgentianen. Op de natte plaatsen staan mooie Rietgrassen en in ’t bijzonder de groote Galigaan, meterhoog opschietend en met zijn scherpe stekelige bladeren ondoordringbare boschjes vormend, waar de Aschgrauwe Kiekendief (65) in veiligheid zijn jongen groot kan brengen. De Aschgrauwe Kiekendief is de koning van deze valleien. Als we hier rustig eenige uren doorbrengen, dan duurt het niet lang, of we hooren het hoog gefluit van ’t mannetje. Op zijn lange spitse wieken zweeft hij rond en in goed licht kunnen we zijn mooie aschgrauwe kleur bewonderen en de vlekteekening in zijn oksels. Daar komt het wijfje omhoog. Zij heeft haar nest in de galigaan, in den kruipwilg of in de struikhei verlaten en vliegt hem tegemoet [74]om de prooi in ontvangst te nemen, die hij aanbrengt en hoe die in ’t nest aan de jongen wordt voorgediend hebt ge wellicht al wel eens gezien op de wondermooie film, die Burdet van het leven dezer vogels hier heeft weten te maken. Alleen al om Burdet te eeren, moesten deze valleien in hun besten natuurstaat behouden blijven. In die pannen nestelen ook de tamelijk zeldzame Sprinkhaanrietzanger en de zeldzame Duinpieper (108).

L. W. R. WENCKEBACH  DEN BURG (KOOGEREIND)

K

Nu moeten we toch heusch verder, want we hebben nog heel wat te doen. Een weg naar Den Hoorn is gauw gevonden. We stallen daar onze fietsen in Het Loodsmans Welvaren en wandelen het dorp uit naar ’t westen. Het ligt eigenlijk langs een hoogen duinkant. Achter de huizen aan onze linkerhand dalen de duinen snel en ge begrijpt dadelijk, dat het land daar in vroeger tijden zeebodem is geweest. Dat is nog niet zoo heel lang geleden en inderdaad woonden aan Den Hoorn de loodsen, die Tromp en De Ruyter naar zee brachten en het was destijds een zeedorp, evenals nu Oude Schild. Dit is allemaal heel mooi te zien aan het zeer schilderachtige westelijk uiteinde van het dorp. Wij komen hier terecht in een zandweg die zich weldra splitst in tweeën. De rechtsche weg gaat door de duinen naar de zee, ’t is de weg, die de reddingboot moet nemen, als er een stranding is aan de Hors. Links zien we een heel hoog duin, dat is het Loodsmansduin, het hoogste duin van Texel. Wij wandelen er langzaam tegen op, gemakkelijk en aangenaam, want dit duin is alweer dicht begroeid met gras en bloemen, Viooltjes en Eereprijs in overvloed en weldra belanden we op een groot dicht duinroosjesveld (J), waar de eerste roosjes al in bloei komen. Hier en daar staat ook een enkel klein Meidoorntje, maar laag en afgevreten. Ik vraag mij altijd af, of het Texelsche duin nog niet veel mooier zou worden, wanneer de schapen, geiten en konijnen er geweerd werden, al was het maar telkens voor een jaar of acht. In den top van het Loodsmansduin ligt een stuifkuil, dat is wel jammer. Gelukkig is er nog wel bijhouden aan. Was Texel dichter bevolkt en kwam hier meer bezoek, dan zou die top misschien wel aan dezelfde gevaren blootgesteld zijn als de Blinkert [75]en de Blauwe Trappen bij Haarlem en verwoest worden door onnadenkende toeristen en wandelaars. Eigenlijk moet ieder, die in de duinen wandelt, waar dan ook, er op bedacht zijn, dat hij het plantenkleed niet stuk trapt. Ik voor mij let daar altijd bijzonder goed op en ben er vaak om uitgelachen, maar ik geloof toch wel dat ik het bij het rechte eind heb.

Het uitzicht van het Loodsmansduin is wonder mooi. Naar het noorden zien we ons heele eiland, de duinenrij tot aan den vuurtoren van De Cocksdorp, de Molen van het noorden, al de dorpen, de boschjes, de eendenkooien, bekende hoeven. Links blinkt de zee van Texel, de Texelstroom, de Prins Hendrikpolder en De Mok met het vliegkamp. Naar het zuiden hebben we op den voorgrond een warreling van duinenrijen en duinpannen, het groote strand met het duin van Onrust en over het Marsdiep heen de Noordpunt van Noord-Holland: op een rijtje van rechts naar links den hoogen vuurtoren van Kijkduin, de huizen en kerken van Den Helder, de kazernen en paleizen van Nieuwediep en het fort de Harssens. En hier is nu ook de plaats, om eventjes te wijzen op den aanwas van het eiland in de laatste twee of drie eeuwen.

Zooals we hier het dorp Den Hoorn (9) zien liggen blijkt het al heel duidelijk een langgestrekt kustdorp te zijn, evenals thans Oude Schild of liever nog het dorp Vlieland. Dat ligt met zijn achtertuintjes tegen de Waddenzee net als hier de achtertuintjes van Den Hoorn tegen de groene grasvlakte van De Naal, die eenmaal zee was, wat ook buitengewoon duidelijk blijkt uit die vlakke ligging.

Zuidwaarts wordt die Naal thans begrensd door een duinenrij: de Siboes Nollen met hun voortzetting. Die hebben dus voor Den Hoorn een baai gevormd en in die baai is de klei bezonken van de Naal.

Na verloop van tijd vormde zich nu weer ten zuiden van Siboes Nollen een nieuwe duinenrij, waarschijnlijk eerst een duinenlandje bij ’t tegenwoordig Horntje. De mensch heeft een beetje geholpen om de verbinding tusschen Neeltjes Nol en Schilbolsnol tot stand te brengen door den Stuifdijk het Molwerk. Deze duinen vormden de zuidgrens van een baai, die gaandeweg ook alweer is dichtgeslibd en bedijkt. Dat zijn thans de poldertjes van De Kuil en het Hoorner Nieuwland. Weer later ontstond, ook alweer met hulp van vlijtige menschen, de Stuifdijk, die den zuidkant vormt van de tegenwoordige baai De Mok en daar zal mettertijd ook wel een poldertje van gemaakt worden. Zoo stonden de zaken omstreeks 1870 en nu is er na dien tijd op het wijde zuiderstrand nog weer een nieuwe hooge duinenreeks ontstaan en die heeft weer een nieuwe vallei afgesnoerd, dat is de thans al zeer beroemde Geul. Die is slechts korten tijd een baai van de zee geweest, maar al spoedig volgestoven en zelfs aan zijn zuidoostelijken uitgang gedicht, zoodat het regenwater niet gemakkelijk meer naar zee kan afvloeien en nu bestaat die Geul voor een groot deel uit een zoetwatermeer.

Zuidwaarts van de Geul is nu weer een nieuw eilandje aan het groeien, dat is de Pannekoek en ’t is niet onmogelijk, dat van hier uit een nieuwe duinenrij ontstaat naar Paal 8 en we zoodoende [76]zich een vijfde vallei zien vormen. We willen dat allemaal even bekijken en onderdehand een bezoek brengen aan het natuurmonument de Putten of Petten.

Van Loodsmansduin naar de Putten wandelen we misschien het makkelijkst, door eerst schuin door ’t duin naar het Pompevlak te loopen en dan langs de Moksloot oostwaarts. Die Moksloot is eigenlijk een riviertje, waarlangs al het duinwater zeewaarts stroomt van de Bleekersvallei af, dat is zoowat halfweg De Koog. Zij is gegraven in 1839 en voor dien tijd stonden in den winter en ook in eenigszins regenrijke zomers al die duinvalleien vol water, duinmeertje aan duinmeertje en het moet daar in dien tijd fabelachtig mooi geweest zijn van planten en vogels. Jammer genoeg hebben onze voorzaten daar weinig op gelet en nog minder van verteld, maar het moet daar toen zeker op zijn minst even mooi geweest zijn als thans aan het Kwakjeswater, het Zwanewater of in de Muien. Meer wil ik er niet van zeggen.

Het Pompevlak heeft natuurlijk weer een aardige bevolking van Kieviten, Grutto’s, Tureluurs, Scholeksters en in de sloot zien we naast de gewone waterinsecten ook tal van garnaaltjes. Bij hoogtij en stormweer komt het zeewater dikwijls een heel stuk in de Moksloot stroomopwaarts. Eindelijk komen we aan De Mok zelf, klauteren nu naar links over het duin en komen zoo vlak boven het Natuurmonument de Putten, een beroemde broedplaats van Kluten en Sterntjes. Tien jaar geleden hadden de Kluten hier de overhand, thans spelen de Sterntjes de baas. Er zijn echter nog Kluten genoeg, om het de moeite waard te maken, hier een uurtje bovenop het duin uit te rusten en met den kijker het bedrijf van de Kluten en de Sterntjes te aanschouwen. Vlak aan den overkant van de plas ligt een echt typische Texelsche stolp en een eind daarachter ligt breed en rustig ons mooie dorpje Den Hoorn. De sierlijke wit met zwarte Kluten waden door het water, schermen met hun sabelvormigen snavel in de modder naar garnaaltjes en ander klein grut, wagen af en toe nog eens een danspasje of houden een wakend oog op hun jongen, die ook al op hun lange beenen door ’t water waden en op de diepe plekken heel vaardig rondzwemmen. Komt een Kluut te dicht bij een eilandje, dat door Sterntjes bewoond wordt, dan vallen die hem aan met luid gekrijsch.

Telkens komen Vischdiefjes aanzetten met blinkende vischjes in hun bek en wij kunnen van hier nog heel goed zien, dat de broedende vogel op ’t nest of de jongen gevoerd worden. Het is niet noodig, dat wij de broedplaats zelf betreden; we zouden er trouwens zonder zeer speciale en goed gemotiveerde vergunning ook niet worden toegelaten.

Als ’t nu Zondag is of er om een andere reden geen schietoefeningen gehouden worden door de krijgslieden uit Nieuwediep, dan kunnen we nu een aardige wandeling maken naar De Geul en de Pannekoek. We wandelen naar het Pompevlak, trekken over een brug de Moksloot over en belanden over de kortgegraasde slibberige vlakte bij het lage licht op het Zuider Mokduin. We klauteren over dat duin heen en staan nu voor een heel nieuw landschap: voor ons een lange vallei en aan de andere zijde daarvan een blinkend witte duinenrij, maar die toch reeds rijkelijk begroeid is met [79]helm en duindoorn, een jong duin dat binnen menschenheugenis is ontstaan. Op de stafkaart van het jaar 1878 is van dit duin nog geen spoor te bekennen, het bestond toen nog niet. [77]

109

BEHANGERSBIJ

110

DE HARKWESP

111

KEGELBIJ

112

BULTENAARWESP

113

DASYPODA PLUMIPES, DE PLUIMVOETBIJ

114

EPEOLUS VARIEGATA

J. VOERMAN JR.

[78]

115

DOODSHOOFDVLINDER

116

KOLIBRIVLINDER OP ZEEPKRUID

117

WINDEPIJLSTAART

118

DISTELVLINDER

119

AMMOPHILA AFFINIS, DE RUPSENDOODER

120

MIERWESP

J. VOERMAN JR.

[79]

Deze vallei nu heet De Geul. Een jaar of tien geleden had hij naar het oosten nog verbinding met het strand en kon bij hooge vloeden het zeewater er binnen komen. Dat is nu alweer heelemaal anders. Die uitgang is thans versperd door een breeden zandrug. De mensch heeft een beetje geholpen om hier de aanstuiving te bevorderen. En in plaats dat het zeewater thans naar binnen zou komen is nu aan het zoete water de kans afgesneden, om naar buiten te gaan. Zoodoende wordt thans een groot deel van de Geul ingenomen door een duinmeer. Ik zal niet licht vergeten, hoe mooi dat was in den zomer van 1925. Een groot deel van de oppervlakte van het water was sneeuwwit door de overvloedig bloeiende waterranonkels. Ik heb nooit van mijn leven zooveel waterranonkels gezien. De enkele plekken, waar ze niet bloeiden zagen helder blauw, waar ’t water de hemel weerspiegelde en rondom lagen de heuvelen en duinrijen dicht groen begroeid of met bloemen bespikkeld, behalve waar in het jonge duin een nieuwe zandgolf de heuvelkling kwam ophoogen. En langs den waterkant en in het zomersche warme water zaten honderden gestreepte padden (131), die op de eilanden zoo veel voorkomen en gemakkelijk te herkennen zijn aan het fijne heldergele streepje midden over den breeden rug. Ze zaten tevreden te knorren.

Hoogerop, waar ’t water niet komt, heeft de Geul al dezelfde bloemen als de Muien: Orchideeën van allerlei soort, zelfs Sturmia en Herminium, ongewone zeggesoorten en russchen, Parnassia en Pirola en als groote bijzonderheid een bloempje dat in de Muien ontbreekt en in vroeger jaren alleen op Terschelling heette voor te komen, het Gevlekt Zonneroosje (56) Helianthemum Guttatum. ’t Is een rank plantje met smalle blaadjes, een of twee decimeter hoog en bloeiend met heldergele bloempjes, die vroeg in den middag uitvallen of zich sluiten. In 1918 stonden ze in de Geul bij duizenden, dat kan in andere jaren weer anders zijn, vooral op een plek als deze, waar de grondwaterstand aan groote wisselingen onderhevig is. Ik heb van dit natuurmonument nog goede verwachtingen.

Nu stappen we het breede strand op en richten onze schreden naar een heuveltje, dat daar een paar honderd meter van ons af heelemaal alleen uit de vlakte verrijst. Dat is de beroemde Pannekoek, waar ik ieder jaar heen ga, om te kijken hoe hij aangroeit en welke nieuwe planten er zich vestigen. Helaas ontwikkelt hij zich niet ongestoord, want picknickers uit Nieuwendiep vinden het ook een aardige plek, om er te genieten van de eenzaamheid. ’t Is nu een begroeid sikkelduintje met tamelijk spitsen top. De heuvel zelf is begroeid met helm en zandhaver, de voet heeft over een groot deel een dicht dek van Muurpeper (46) en van de Zeepostelein (42), Ammadenia Peploides, een van de knapste zandbinders. Hij maakt in den grond een rijk vertakt wortelstelsel en daaruit schieten loten omhoog, dicht bezet met dikke kruiswijs geplaatste blaadjes. De groenwitte bloempjes zijn nauwelijks zichtbaar, zoo kort zijn ze gesteeld en ze maken bolvormige groene vruchtjes. Het geheel is zeer dicht en samenhangend, zoodat de golfslag er geen vat op heeft. Buiten die mat van Zeepostelein liggen nog [80]weer kleine bultjes, begroeid met het ons reeds bekende Biestarwegras en ik noteer er een paar, waarvan ik vermoed dat ze in een volgend jaar met de Pannekoek zelf verbinding zullen hebben verkregen en deze aldus hebben uitgebreid. In 1922 had er zich nog een aardige plant gevestigd maar die is later weer verdwenen. Dat was de Zeeraket (28) en het zag er heel mooi uit, zoo’n dichte groep van mooie lila bloemen tegen het groene duintje. De bloemen van Zeeraket lijken veel op Pinksterbloemen, ze behooren dan ook tot eenzelfde familie, die der Kruisbloemen of Cruciferen. Zooals met veel planten die op zilte plaatsen groeien, het geval is, heeft deze Zeeraket nog al dikke, eenigszins vettige bladeren. Maar het aardigst zijn zijn vruchten, dikke glanzig gele dingetjes, die in twee stukken breken, elk met één zaad en die brokken drijven op de zee mijlen ver. Zoo komen ze dan terecht aan den voet van jonge duintjes. In tegenstelling met de meeste andere planten van jong duin is deze Zeeraket een eenjarige plant. Zij sterft af, zoodra haar vruchten gerijpt zijn en als al haar zaden wegspoelen, dan komt op dezelfde plaats dus geen nieuwe plant. Wel, ik ben er zeer benieuwd naar, wanneer de Zeeraket weer bij die Pannekoek komt aanwaaien, neen aanspoelen.

L. W. R. WENCKEBACH  TEXELSCH BOERENERF MET DE DRIEWIELDE KAR

L

Nu weer verder, nog even naar het Marsdiep. ’t Best is maar, om even de kousen en schoenen uit te trekken, want er blinken overal kleine plasjes op ’t strand en ’t kan ook zijn, dat we een klein wedloopje zullen moeten houden met den vloed. Vooruit dan. Wat zijn dat allemaal voor kleine bultjes en wormachtige heuveltjes? Ja, we loopen hier door een veld, dat bewoond wordt door Strandpieren, wormachtige dieren, een paar decimeter lang. Die leiden hier hun ondergrondsch bestaan, verzwelgen met hun mond het natte zand en daarmee allerlei kleine levende wezens, die daarin huizen en brengen dan uit hun darm dat zand weer te voorschijn, dat zijn dan die wormachtige hoopjes. Als we eventjes goed toekijken, dan zien we in de buurt van die wormachtige hoopjes wel een klein kuiltje, daar zit de kop van den worm, zijn gewone houding is die van de letter U. Met een flink schepje kun je zoo’n dier wel te voorschijn brengen: een dikken worm met vooral aan het [81]voorste deel van zijn lichaam merkwaardige aanhangsels, die zoowat den dienst verrichten van kieuwen. Die vreterij en het te voorschijn komen van de uitwerpselen krijgt ge ’t best te zien, wanneer de vlakte onder water staat en daarom komt ’t ons nu goed te pas, dat we, aan ’t Marsdiep gekomen net de eerste vloedgolfjes zien opdringen. We wandelen nu met den vloed Pannekoekwaarts en hebben inderdaad het genoegen dat nu hier, dan daar plotseling zoo’n zandstraal omhoog spuit. Sommige meisjes vinden dat griezelig. We bereiken in tijds onze Pannekoek en zonder verdere avonturen ook weer de duinen van de Geul. De afstanden zijn zoo gering, dat er van eenig gevaar, van verrast worden door den vloed geen sprake is. In allerlei boeken worden daarvan zooveel narigheden verteld, dat we wel even op de onschadelijkheid van deze wandeling mogen wijzen.

Nu gaan we niet terug over het Loodsmansduin, maar liever langs de Putten en de kade van het Hoorner Nieuwland. Dat is een heel aardig wandelingetje, want in het lage land aan weerszijden kunnen we weer alle weidevogels te zien en te hooren krijgen tot Kemphaantjes toe.

[82]