Vijfde Bedrijf.
Eerste Tooneel.
Een vlakte nabij Rome.
Lucius, Bevelhebbers en Krijgers der Gothen, met trommen en vaandels, komen op.
Lucius.
Beproefde krijgers en getrouwe vrienden,
Van ʼt groote Rome ontving ik brieven, die
Mij melden, hoe zij daar hun keizer haten
En vol verlangen zijn om ons te zien.
Weest daarom, heeren, als uw titels ʼt zeggen,
Grootmachtig, en geen krenking verder duldend;
En heeft u Rome schade toegevoegd,
Die moge ʼt nu drievoudig u vergoeden.
Eerste Goth.
Gij dappʼre spruit des grooten Andronicus,
Wiens naam, eens onze schrik, nu troost ons is,
Wiens groote diensten en roemruchte daden
ʼt Ondankbaar Rome thans met hoon vergeldt,
Vertrouw op ons; wij volgen waar ge ons leidt,
Als angelbijën, die op ʼt heetst des zomers
De koningin naar bloemenbeemden voert;
En wreek u op de vloekbʼre Tamora.
Alle Gothen.
Wat hij zegt, allen zeggen wij ʼt met hem.
Lucius.
Ik dank hem needʼrig en ik dank u allen.—
Doch wie is ʼt, dien een kloeke Goth daar brengt?
(Een Goth komt op, met Aaron, die zijn Kind op de armen draagt.)
Tweede Goth.
Doorluchte Lucius, ik zwierf af van ʼt leger, 20
Om een vervallen klooster te bezien;
En toen ik op het halfvernield gebouw
Mijn oog aandachtig vestte, hoorde ik eensklaps
Daar onder ʼt muurwerk ʼt schreeuwen van een kind.
ʼk Ging af op het geluid, maar hoorde dra
Het schreeuwend wicht bekijven met de woorden:
“Stil, donkʼre schelm, half mij en half uw moeder,
Verried niet fluks uw kleur, wiens welp gij zijt,
Had u natuur begaafd met moeders uitzicht,
Dan, schurk, hadt gij een keizer kunnen worden;
Maar bij spierwitte kleur van stier en koe,
Wordt nooit een kalf, dat koolzwart is, gefokt.
Stil, deugniet, stil!”—zoo keef hij op het wicht,—
Ik moet u brengen naar een trouwen Goth,
Die, kent hij u als ʼt kind der keizerin,
U om uw moeders wille lief zal hebben.”
Ik trok mijn zwaard en sprong fluks op hem toe,
Verraste hem en breng hem thans tot u,
Opdat gij met hem doet naar welgevallen.
Lucius.
O wakkʼre Goth, dit is die bare duivel,
Die Andronicusʼ dappʼre hand hem stal,
De parel, die de keizerin bekoorde,
Dàt van zijn vuige min de lage vrucht.—
Waarheen, witoogig monster, gingt gij ʼt brengen,
Dien jeugdigeʼ afdruk van uw duivelstronie?
Kunt gij niet spreken? doof dus? wat! geen woord?
Een strik, mijn krijgers! hangt hem! daar! gezwind!
En aan zijn zij dat zwarte basterdkind!
Aaron.
Roer ʼt kind niet aan; het is van vorstlijk bloed.
Lucius.
ʼt Lijkt op zijn vader en wordt nimmer goed.
Hangt eerst het kind; hij moogʼ het spartʼlen zien;
ʼt Verhoogt de smarten zijner ziel misschien.
Vlug, brengt een ladder!
(Een ladder wordt gebracht en Aaron gedwongen die te bestijgen.)
Aaron.
Lucius, spaar het kind!
En zend het aan de keizerin van mij.
Als gij dit doet, meld ik u wondʼre zaken,
Waarvan het weten u veel voordeel brengt;
Wilt gij dit niet, ʼk laat alles mij gevallen,
En spreek niets meer; maar wraak verdelge u allen! 58
Lucius.
Zoo spreek dan; en behaagt mij wat gij zegt,
Dan blijft uw kind gespaard, ja, ʼk voed het op.
Aaron.
Zoo ʼt u behaagt! neen, Lucius, wees verzekerd,
Het zal uw ziele grieven, wat gij hoort;
Ik moet van doodslag spreken, moord en schennis,
Van daden, zwart gelijk de nacht, afschuwʼlijk,
Van samenspanning, schurkerij, verraad,
Voor ʼt hooren wreed, toch deerniswaard volvoerd;
Wat alles in mijn dood begraven wordt,
Tenzij, naar uwen eed, mijn kind blijft leven.
Lucius.
Spreek, wat gij weet; ik zeg, uw kind blijft leven.
Aaron.
Neen, zweer het eerst; terstond begin ik dan.
Lucius.
Waarbij? voor u, die aan geen god gelooft?
Is dit zoo, kunt gij dan een eed gelooven?
Aaron.
Stel, ik doe ʼt niet;—en zeker, ʼk doe het niet,—
Doch wijl ik weet, dat gij geloovig zijt,
In u een ding hebt, dat geweten heet,
Met twintig papenfratsen en gebruiken,
Die ik u nauwgezet volbrengen zag,
Daarom eisch ik uw eed;—(Ter zijde.) dewijl ik weet,
Dat menig nar zijn zotskolf voor een god acht,
En de eeden houdt, gezworen aan dien god,
Eisch ik zijn eed;—(Overluid.) daarom zult gij beloven
Bij uwen god,—wat god het dan ook zij,—
Dien gij aanbidt en diep vereert, dat gij
Mijn knaap zult sparen, voeden, groot zult brengen,
Zoo niet, weet dan, dat ik u niets ontdek.
Lucius.
Ik zweer u bij mijn god, dat ik dit doe.
Aaron.
Weet eerst, ik won hem bij de keizerin.
Lucius.
O onverzaadʼlijk geil, wellustig wijf!
Aaron.
O Lucius, stil! dit was een liefdedaad,
Bij wat gij aanstonds van mij hooren zult.
Haar twee zoons waren Bassianusʼ moordʼnaars;
Zij kapten uwer zuster tong en handen,
Zij schonden haar en tooiden haar zoo op.
Lucius.
Onzaalʼge schurk! noemt gij dat opgetooid?
Aaron.
ʼt Was wasschen, kappen, tooien dus, en ʼt was
Een tooipret voor de twee, die ʼt stuk volvoerden.
Lucius.
Beestachtig ruwe schurken, als gijzelf!
Aaron.
Nu ja, ik was de meester, die hen leerde.
Hun geilheid was een gave van hun moeder,
Zoo zeker, als de hoogste kaart in ʼt spel;
Hun lust in bloed, ja, leerden zij van mij,
Zoo zeker als een bloedhond weet te pakken.
Nu, geevʼ mijn doen getuigʼnis van mijn waarde.
Ik lokte uw broeders naar ʼt bedrieglijk hol,
Waarin het lijk van Bassianus lag; 105
Ik schreef den brief, dien toen uw vader vond;
Verborg, met Tamora en haar twee zoons
Verbonden, ʼt goud, dat in den brief vermeld was.
Ja, was er iets, dat gij bejammʼren moet,
Waar ik de hand niet in had, u tot onheil?
ʼk Heb door bedrog uws vaders hand erlangd,
En toen ik die eens had, ging ik ter zij,
En kreeg een lachbui, dat mij ʼt hart schier berstte.
Ik tuurde door een muurspleet, toen hij voor
Zijn hand de hoofden kreeg van zijn twee zoons;
Ik zag zijn smart en moest zoo hartlijk lachen,
Dat mìjn oog even nat was als het zijn;
En toen ik Tamora de grap beschreef,
Viel zij van louter pret bijna in zwijm,
En gaf mij voor ʼt verhaal wel twintig kussen.
Eerste Goth.
Kunt gij dit alles zeggen zonder blozen?
Aaron.
Ja, als een zwarte hond, naar ʼt spreekwoord zegt.
Lucius.
En doen die gruweldaden u geen leed?
Aaron.
Ja, dat ik er niet duizend meer bedreef.
Zelfs nu vloek ik den dag,—maar toch ik meen,
Niet vele zijn er door mijn vloek te treffen,—
Waarop ik geen opmerkʼlijk kwaad bedreef;
Geen man versloeg of niet zijn dood beraamde;
Geen maagd verkrachtte of ʼt plan er niet toe smeedde;
Geen eerlijk man betichtte en meineed zwoer;
Geen haat ten doode bij twee vrienden zaaide;
Het vee van armen niet den nek liet breken,
In schuur en schelf bij nacht den brand niet stak,
En deʼ eigʼnaars toeriep: “Bluscht hem met uw tranen!”
Vaak groef ik dooden uit hunne graven op,
En zette ze aan de deuren van hun vrienden
Rechtop, juist als het leed schier was vergeten,
En sneed, gelijk in boomschors, in hun huid
Dan in Romeinsche letters met mijn dolk:
“Uw droefʼnis sterve niet, al ben ik dood.”
O meer dan duizend gruweldaden deed ik,
Zoo lucht van hart als iemand vliegen doodt;
En niets doet mij zoo innig leed, dan dat
Ik niet er nog tien duizend meer kan doen.
Lucius.
Omlaag weer met dien duivel, want hem wacht
Een erger dood; het hangen is te zacht.
Aaron.
ʼk Wilde, als er duivels zijn, een duivel wezen,
En leven, branden in ʼt onbluschlijk vuur,
Had ik slechts uw gezelschap in de hel
Om u te martʼlen met mijn bittʼre tong. 150
Lucius.
Stopt hem den mond en laat hem niet meer spreken.
(Een Goth komt op.)
Goth.
Daar is een afgezant uit Rome, heer;
Hij wenscht bij u te worden toegelaten.
Lucius.
Hij trede voor ons.
(Æmilius komt op.)
Welkom, Æmilius, wat is ʼt nieuws uit Rome?
Æmilius.
U, Lucius, en u, oversten der Gothen,
Groet de Romeinsche keizer door mijn mond;
Hij, hoorend, dat gij in de wapens staat,
Vraagt in uws vaders huis een mondgesprek;
En zoo gij vordert, dat hij gijzʼlaars stelt,
Dan worden zij terstond u toegezonden.
Eerste Goth.
Wat zegt ons legerhoofd?
Lucius.
Æmilius, zoo de keizer aan mijn vader
En mijn oom Marcus goede borgen zendt,
Dan komen wij.—Trekt voort!
(Allen af.)
Tweede Tooneel.
Rome. Het voorplein van Titusʼ huis.
Tamora, Demetrius en Chiron komen op, vermomd.
Tamora.
Aldus, in deze vreemde, sombʼre dracht,
Bezoek ik Andronicus nu, en zeg,
Dat ik de Wraak ben, uit de hel gezonden,
Om voor zijn jammer met hem recht te doen.
Klopt aan zijn boekvertrek; daar toeft hij, zegt men,
En broedt op plannen, vreemd en woest, van wraak;
Zegt hem, de Wraak kwam hier, om saâm met hem
Verderf op al zijn haters uit te storten.
(Zij kloppen aan.)
(Titus komt op, boven.)
Titus.
Wie stoort mij in mijn overdenking? Is dit
Een kunstgreep om mijn deur mij te doen oopʼnen,
Opdat mijn wraakbesluiten zoo vervliegen,
En al mijn peinzen zonder werking blijvʼ?
Gij dwaalt, want wat ik voorgenomen heb,—
Zie hier,—ik schreef het neer met bloedig schrift;
En wat ik schreef, zal worden uitgevoerd.
Tamora.
Titus, om u te spreken kwam ik hier.
Titus.
Neen, neen, geen woord! hoe kan ik sierlijk spreken,
Nu ik een hand voor mijn gebaren mis?
Gij zijt te zeer in ʼt voordeel, dus niets meer.
Tamora.
Zoo gij mij kendet, zoudt gij met mij spreken. 20
Titus.
Ik ben niet dol; ik ken u al te goed;
Dit tuigʼ deze arme stomp, dit roode schrift,
De voren hier, die leed en zorg mij groeven,
Dit tuigʼ de moede dag, de lange nacht,
En al mijn jammer, dat ik goed u ken
Als Tamora, de trotsche keizerin.
Is ʼt om mijn andʼre hand, dat gij hier komt?
Tamora.
Neen, weet, bedroefde, Tamora ben ʼk niet;
Zij is uw vijandin, ik uw vriendin.
Ik ben de Wraak, die, uit de hel gezonden,
Den gier, die aan uw harte knaagt, zal stillen,
Uw haters straffen zal met strenge wraak.
Kom af, en heet mij welkom aan het daglicht;
Pleeg over moord en doodslag met mij raad.
Geen schuilplaats is er en geen diepe grot,
Geen tastbaar duister en geen dompig dal,
Waar vloekʼbre moord of vrouwenkracht, vol angst,
Zich bergen kunnen, of ik vind hen daar;
En galm mijn schrikbʼren naam hun in het oor:
Wraak, die den boozen zondaar siddʼren doet.
Titus.
Zijt gij de Wraak? en hier tot mij gezonden
Ter martelstraf voor wie mijn vijand is?
Tamora.
Ik ben het; kom dus af en heet mij welkom.
Titus.
Doe mij een dienst dan, eer ik tot u kom.
ʼk Zie Moord en Vrouwenkracht daar aan uw zijde;
Zoo toon mij nu, dat gij de Wrake zijt:
Doorsteek hen of verplet hen met de raadʼren
Uws wagens, en ik kom en word uw waagʼnaar,
En jaag met u onstuimig door ʼt heelal.
Schaf u twee schoone rossen aan, gitzwart,
Om uw wraakgierʼgen wagen vaart te geven
En moordʼnaars in hun holen op te sporen;
Is dan uw wagen van hun hoofden vol,
Dan stijg ik af en draaf ter zij van ʼt wiel,
Gelijk een lage knecht, den ganschen dag,
Van Hyperions opkomst in het oosten,
Tot hij verzinkt, verdwenen is in zee;
En dag op dag doe ik dit zware werk,
Verdelgt gij hen daar, Vrouwenkracht en Moord.
Tamora.
Zij zijn mijn dienaars, volgen mij alom.
Titus.
Uw dienaars? zij? en hoe is dan hun naam?
Tamora.
Zij heeten Vrouwenkracht en Moord, want weet:
Zij nemen wraak op zondaars van dien aard.
Titus.
Ach, ik dacht hen de zoons der keizerin,
En u hun moeder; doch wij aardsche wezens
Zien met armzaalʼge, dwaas bedriegende oogen.
O, lieve Wraak, thans kom ik tot u af;
En zoo ééns arms omhelzing u volstaat,
Dan wil ik u terstond er mee omarmen. 69
(Titus boven af.)
Tamora.
Zóó met hem om te gaan past bij zijn waanzin.
Wat ik nu uitdenk voor zijn dolle vlagen,
Steunt gij dat, zet het voort door wat gij zegt;
Want hij gelooft nu vast, dat ik de Wraak ben;
En daar die waan hem lichtgeloovig maakt,
Doe ik hem Lucius, zijnen zoon, ontbieden;
Is bij een feestmaal die in mijn bereik,
Dan vind ik wel een sluwe list om fluks
De licht verdwaasde Gothen te verstrooien,
Of wel, hen tot zijn vijanden te maken,
Daar komt hij, ziet; nu speel ik weer mijn rol.
(Titus komt weder op, beneden.)
Titus.
Lang was ik raadʼloos en alleen om u.
Wees welkom, Furie, aan mijn weevol huis!—
Gij, Vrouwenkracht en Moord, weest ook recht welkom!—
O, wat gelijkt gij op de keizerin,
Gij op haar zoons! Een Moor alleen ontbreekt;—
Kon heel de hel zooʼn duivel u niet leevʼren?
Want als de keizerin een voet verzet,
Dan heeft zij,—ʼk weet het goed,—een Moor steeds bij zich;
En zoo gij haar naar waarheid voor wilt stellen,
Dan moet er zulk een duivel bij u zijn.
Maar toch ook welkom zoo! Wat valt te doen?
Tamora.
Wat, Andronicus, wilt gij, dat wij doen?
Demetrius.
Wijs mij een moordʼnaar; ʼk reken met hem af.
Chiron.
Wijs mij een schurk, die vrouwenkracht bedreef,
En ik ben hier, opdat de wraak hem treffʼ.
Tamora.
Wijs mij een duizendtal, dat u gekrenkt heeft,
En ik neem op hen allen felle wraak.
Titus.
Zie dan in Romeʼs booze straten rond,
En vindt ge een man daar, die op u gelijkt,
Doorsteek hem, lieve Moord; hij is een moordʼnaar.—
Ga gij met hem;—en hebt gij het geluk,
Dat gij een ander vindt, die u gelijkt,
Doorsteek hem, Vrouwenkracht; ʼt is een verkrachter.—
Ga gij met hen; gij vindt aan ʼs keizers hof
Een keizerin, verzelschapt van een Moor;
Aan uw gedaante kunt gij licht haar kennen,
Want zij gelijkt van top tot teen op u;
Ik bid u, breng hen gewelddadig om;
Zij deden mij geweld aan en de mijnen.
Tamora.
Uw voorschrift was recht goed; wij zullen ʼt doen. 110
Maar thans behage ʼt u, goede Andronicus,
Naar Lucius, uwen dappʼren zoon, te zenden,
Die tegen Rome een Gothenleger aanvoert,
En hem ten feestmaal in uw huis te nooden;
Dan wil ik, als hij neerzit aan uw disch,
De keizerin er brengen met haar zoons,
Den keizer zelf, elk, die uw vijand is;
Zij zullen knielend u genade vragen,
En dan stilt gij aan hen uw toornig hart.
Wat antwoordt Andronicus op dit voorstel?
Titus.
Marcus, mijn broeder!—de arme Titus roept.
(Marcus komt op.)
Ga, lieve Marcus, naar uw neef, naar Lucius;
Vraag bij de Gothen, waar hij is, en zeg hem,
Dat ik hem spoedig bij mij wensch te zien,
Verzeld van enkʼlen der voornaamste Gothen;
Hij leegʼre zijne krijgers waar zij zijn.
Meld, dat de keizer, met de keizerin,
Eet in mijn huis, en hij met hen moet spijzen.
Doe dit om mijnentwil; zoo doe ook hij,
Als hem zijns ouden vaders leven lief is.
Marcus.
Ik zal het doen en spoedig ben ik weer.
(Marcus af.)
Tamora.
Nu ga ik weg van hier, maar tijg terstond
Voor u aan ʼt werk, en neem mijn dienaars mede.
Titus.
Neen, neen, laat Vrouwenkracht en Moord bij mij;
Of anders roep ik nog mijn broeder weer,
En houd mij voor mijn wraak alleen aan Lucius.
Titus
(ter zijde). ʼk Heb hen herkend, al wanen zij mij dol,
En ik verstrik hen in hun eigen plannen,
Die vloekbʼre twee helhonden en hun moêr.
Demetrius.
Het zij zoo, moeder; ga en laat ons hier.
Tamora.
Vaar, Andronicus, wel; de Wrake tracht,
Wat vijand is, te leevʼren in uw macht.
Titus.
Ik weet, dit doet gij; lieve Wraak, vaarwel!
(Tamora af.)
Chiron.
Spreek, oude man, welk werk hebt gij voor ons?
Titus.
Geduld maar! ik heb werks genoeg voor u.—
Publius, kom hier! komt, Cajus, Valentinus!
(Publius en Anderen komen op.)
Publius.
Wat is uw wensch?
Titus.
Spreek, kent gij deze twee?
Publius.
Ik meen, het zijn de zoons der keizerin,
Demetrius en Chiron. 155
Titus.
Wat, Publius! o foei, foei! nu dwaalt gij zeer;
Deze een heet Moord, die ander Vrouwenkracht;
En daarom, boeit hen, beste Publius, boeit hen;
Gij Cajus, Valentinus, grijpt hen aan;
Dit uur, hoe vaak hebt gij ʼt mij hooren wenschen!
Nu is het daar; dus boeit hen stevig; stopt
Den mond hun, als zij schreeuwen willen.
(Titus af.—Publius en de Overigen grijpen Chiron en Demetrius en boeien hen.)
Chiron.
Schurken,
Laat af, wij zijn de zoons der keizerin.
Publius.
Juist daarom doen wij, wat bevolen werd.—
Stopt hun den mond, dat zij geen woord meer spreken.
Is hij geboeid? Zorgt, dat gij stijf hem knevelt!
(Titus komt terug, met Lavinia, hij met een mes, zij met een bekken.)
Titus.
Lavinia, zie, geboeid zijn uw belagers.—
Stopt hun den mond, dat zij geen woord mij zeggen,
Maar zelve luistʼren naar mijn schrikbʼre taal.—
Gij schurken, Chiron en Demetrius,
Dit is de bron, door u met vuil besmet,
De lieve zomer, door uw vorst bedorven.
Gij dooddet haar gemaal, en voor die wandaad
Verloren twee van hare broeders ʼt hoofd,
En ik de hand; een scherts, waarom gij lachtet.
De tong en beide handen, en,—wat kostbʼrer
Dan tong of hand is,—de onbevlekte reinheid,
Ontmenschte schurken, hebt gij haar ontroofd.
Wat zoudt gij zeggen, als ik u liet spreken?
Gij kondt uit schaamte geen genade vragen.
Hoort, schurken, hoe ik u te martʼlen denk.
ʼk Hield één hand om uw kelen af te steken,
Terwijl Lavinia met haar stompen ʼt bekken
Zal houden, dat uw schuldig bloed ontvangt.
Gij weet, uw moeder wenscht bij mij te spijzen;
Zij noemt zich Wraak en mij houdt zij voor dol.—
Hoort, schurken! uw gebeentʼ maal ik tot stof,
En ʼk meng daarvan en van uw bloed een deeg,
En uit dit deeg maak ik pasteienkorsten,
En bak van uwe hoofden twee pasteien;
Dan zal die slet, uw eervergeten moeder,
Als de aarde doen, verslindend wat zij voortbracht.
Dit is het feestmaal, waar ik haar op noodde,
Dit het gerecht, waaraan zij smullen zal.
Mijn kind leed erger smaad dan Philomela,
En erger zij mijn wraak dan Procneʼs wraak.
En nu, hier met uw kelen!—
(Hij snijdt hun kelen af.)
Kom, Lavinia;
Vang gij dit bloed nu op, en als zij dood zijn,
Wil ik hun beendʼren malen tot fijn stof,
Het mengen met dit walgʼlijk nat, en dan
Laat ik hun hoofden bakken in dat deeg.—
Komt, komt, dat nu een elk volijvʼrig zij
Voor dit onthaal, dat gruwʼlijker moogʼ blijken
En bloediger dan der Centauren feest.
Vlug, draagt hen binnen; ik speel nu voor kok,
Opdat zij klaar zijn, als hun moeder komt.
Derde Tooneel.
Aldaar. Een open gebouw in Titusʼ tuin.
Lucius, Marcus en Gothen komen op, met Aaron als gevangene. Er staat een tafel gereed voor een feestmaal.
Lucius.
Oom Marcus, daar mijn vader het verlangt,
Dat ik naar Rome kom, vind ik dit goed.
Eerste Goth.
En wij met u; geschiede wat er wil.
Lucius.
Goede oom, bewaar dien woesten Moor hier binnen,
Dien fellen tijger, dien gevloekten duivel.
Laat hem geen voedsel reiken; kluister hem,
Tot hij voor ʼt oog der keizerin gevoerd wordt,
Om van haar booze daden te getuigen.
Draag zorg, dat de verholen vrienden sterk zijn;
De keizer heeft niets goeds voor, naar ik vrees.
Aaron.
Een duivel fluistʼre vloeken mij in ʼt oor,
En helpʼ mijn tong, dat zij met kracht het gif
Van mijn door wrok gezwollen hart moogʼ uiten!
Lucius.
Van hier, bloedgierʼge hond, vervloekte schurk!—
Gij mannen, helpt onzeʼ oom; voert hem naar binnen!—
(De Gothen met Aaron af.—Trompetgeschal.)
Dat schallen meldt, dat daar de keizer is.
(Saturninus en Tamora komen op, met Tribunen, Senatoren en Anderen.)
Saturninus.
Wat! heeft de hemel meer dan ééne zon?
Lucius.
Waar dient het toe, dat gij uzelf de zon noemt?
Marcus.
Gij Romeʼs keizer, en gij neef, laat af;
Wat u verdeelt, moet kalm besproken worden.
Het gastmaal is gereed, dat zorgvol Titus
Heeft aangericht tot goed en eervol einde,
Voor Romeʼs eendracht, vrede, vriendschap, heil;
Treedt, bid ik, nader, neemt uw plaatsen in.
Saturninus.
Dat zij zoo, Marcus.
(Muziek van hoboʼs. De Gasten nemen plaats.)
(Titus komt op, als kok gekleed, verder Lavinia, gesluierd, de jonge Lucius, en Anderen. Titus plaatst de schotels op tafel.)
Titus.
Wees welkom, vorst; wees welkom, keizerin; 26
Welkom, krijgshafte Gothen; welkom, Lucius;
En welkom, allen! Zij ʼt onthaal eenvoudig,
ʼt Zal voedzaam zijn; ik bid u dus, tast toe.
Saturninus.
Waarom in zulk een kleeding, Andronicus?
Titus.
Ik wilde zeker zijn, dat mijn onthaal
U en uw keizerin zou waardig zijn.
Tamora.
Wij zijn, goede Andronicus, u recht dankbaar.
Titus.
Dit waart gij wis, vorstin, zaagt ge in mijn hart.
Mijn heer en keizer, zeg mij eens uw oordeel:
Was ʼt wèl gedaan, dat eens Virginius heftig
Met eigen rechterhand zijn dochter doodde,
Wijl zij verkracht, onteerd was en bezoedeld?
Saturninus.
Ja, Andronicus.
Titus.
En uw reedʼnen, heer?
Saturninus.
Zoo overleefde zij haar schande niet,
Vernieuwde door haar leed niet steeds zijn jammer.
Titus.
Een sterke, machtige en voldoende grond;
Een voorbeeld, een vermaan, een ware volmacht
Voor mij, onzaalʼge, om evenzoo te doen.—
Sterf, sterf, Lavinia, en uw smaad meteen;
Vaarʼ met uw smaad uws vaders kommer heen!
(Hij doodt Lavinia.)
Saturninus.
Wat doet gij daar, gij onmensch, meer dan wreed?
Titus.
Haar doodde ik, om wier lot ik blind mij kreet.
ʼk Ben even weevol als Virginius was,
En heb wel duizendmaal meer grond dan hij
Tot zulk een wandaad;—en ze is nu gedaan.
Saturninus.
Wat! werd ze onteerd? O meld mij, wie dit deed!
Titus.
(tot Saturninus). Neem nog wat spijs!—
(Tot Tamora.) Ga voort, uw hoogheid, eet!
Tamora.
Waarom versloegt ge uw eenʼge dochter dus?
Titus.
Niet ik, ʼt was Chiron met Demetrius;
Die hebben haar onteerd, de tong ontrukt;
Door hen ging ze onder naamloos wee gebukt.
Saturninus.
Ga, haal hen, stel hen voor ons, en terstond.
Titus.
Zij zijn daar beideʼ in die pastei; hen vond
Hun moeder pas een lekkʼre spijs; zij at,
Wat ze in haar schoot eens droeg, heeft liefgehad.
ʼt Is waar, ʼt is waar, dit tuigʼ mijn scherpe dolk.
(Hij doodt Tamora.)
Saturninus.
Sterf, dolle schurk; die vloekdaad krijgʼ haar loon! 64
(Hij doodt Titus.)
Lucius.
Daar vloeit mijns vaders bloed; dat duldt geen zoon!
Hier hebt gij dood voor dood en loon voor loon!
(Hij doodt Saturninus. Groote opschudding. Marcus, Lucius en Anderen bestijgen de trappen voor Titusʼ huis.)
Marcus.
Ontstelde mannen, Romeʼs volk en zonen,
Verstrooid door ʼt oproer als een vogelzwerm,
Dien wind en stormgeloei uiteen doen spatten,
Laat mij u leeren, die verspreide halmen
Op nieuw tot ééne garve saam te voegen,
Die stukgereten leden tot één lijf,
Opdat niet Rome een vloek zij voor zichzelf,
En zij, voor wie zoo groote rijken buigen,
Niet, als een arm verstootʼling, zonder hoop,
Tot eeuwʼgen smaad de hand sla aan zichzelf.
Doch zoo mijns winters sneeuw, mijn diepe groeven,
Eerwaarde borgen voor mijn rijpe ervaring,
U niet bewegen naar mijn woord te luistʼren,—
(Tot Lucius.) Spreek, Romeʼs vriend, als onze stamheer eens,
Toen hij met plechtigeʼ ernst aan ʼt luistʼrend oor
Der ademlooze, liefdekranke Dido
ʼt Verhaal deed van die gruwelnacht des brands,
Waarin der Grieken sluwheid Troje nam;
Meld, welke Sinon ʼt oor ons heeft betooverd,
En wie ʼt noodlottig werktuig hier bracht, dat
Ons Troje, ons Rome burgerwonden sloeg.
Mijn hart is niet uit staal of steen gevormd,
En al ons bitter wee kan ik niet uiten;
Een tranenvloed zou mijne taal verdrinken,
En mijne stem zou breken, ja, juist dan,
Als zij u smeeken moest goed toe te luistʼren
En uwe zachte deernis ons te schenken.
Hier staat een veldheer, die ʼt verhaal moogʼ doen;
Uw hart zal snikken, weenen als gij ʼt hoort.
Lucius.
Dan, eedʼle hoorders, zij u thans bericht:
Die vloekbʼre Chiron en Demetrius,
Zij waren ʼt, die des keizers broeder moordden,
Zij waren ʼt ook, die onze zuster schonden.
Voor hunne gruwʼlen stierven onze broeders,
Werd onzes vaders diepe smart gehoond,
Hem door bedrog die brave hand ontfutseld,
Die staâg voor Romeʼs roem gestreden had,
Haar vijanden ten grave had gezonden,
En eindʼlijk ik, ikzelf, met smaad verbannen,
En Romeʼs poorten weenend uitgedreven,
Om hulp bij Romeʼs vijanden te zoeken,
Die hunnen haat verdronken in mijn tranen,
Met open armen mij als vriend omhelsden.
En ik ben ʼt, de uitgestootʼne,—weet dit, vrienden,— 109
Die Romeʼs welzijn redde met mijn bloed,
En ʼs vijands zwaard afkeerde van haar borst,
Zijn staal een scheê gaf in mijn waagziek lijf.
Gij allen weet, dat ik geen pocher ben;
Litteekens mogen stom zijn, toch getuigen
De mijne, dat ik zuivʼre waarheid spreek.
Doch stil! mij dunkt, te verre dwaal ik af,
Mijn luttel doen zoo roemend;—o, vergeeft,
Elk prijst, is hem geen vriend nabij, zichzelf.
Marcus.
Nu is ʼt aan mij, te spreken. Ziet dit kind;
Aan dezen knaap schonk Tamora het leven;
De telg is ʼt van een godvergeten Moor,
Den hoofdontwerper, smeder dezer jammʼren.
De booswicht is in Titusʼ huis nog levend,
En moet getuigen, dat dit waarheid is.
Gij, oordeelt nu, wat reden Titus had
Om al dit onuitspreekʼlijk leed te wreken,
Dat meer is, dan een mensch ooit dragen kan.
En nu gij alles weet, spreekt nu, Romeinen:
Is iets door ons misdreven? Toont ons dit,
En van de plaats, waar gij ons hier ziet staan,
Zal ʼt luttel overschot der Andronici
Voorover, hand in hand zich nederstorten,
Op ʼt ruw gesteente zich het brein verplettʼren
En saam een einde maken aan hun stam.
Romeinen, spreekt! en is ʼt uw welgevallen,
Ziet mij en Lucius, hand in hand, hier vallen.
Æmilius.
Neen, kom! eerwaardige Romein, en stellʼ
Veeleer uw hand ons onzen keizer voor,
Den keizer Lucius; want ik weet, met mij
Roept elk, als ik: “Dat Lucius keizer zij!”
Allen.
Heil, Lucius, heil! heil, Romeʼs eedʼle keizer!
(Lucius, Marcus en de Overigen dalen af.)
Marcus
(tot eenige Dienaars). Gaat thans in ʼt rouwhuis van den ouden Titus,
En sleur dien godvergeten Moor hierheen,
Opdat een ongehoorde marteldood
Als straf bepaald zij voor zijn gruwʼlijk leven.
(Eenige Dienaars af.)
Allen.
Heil, Lucius, heil! heil, Romeʼs eedʼle keizer!
Lucius.
Romeinen, dank! en, goden, hoort mijn beê,
Dat ik genezing brenge en heil na wee!—
Doch lieve vrienden, gunt mij thans nog rust;
Eerst eischt natuur van mij een zwaren plicht.—
Wijkt gij terug;—maar, oom, treed nader, pleng
Meê vrome tranen dezen doode.—Ontvang
(Hij kust Titus.)
Mijn warmen kus op uw koudbleeke lippen,
Op uw bebloede wang mijn weemoedsdruppels,
Als laatste trouwe hulde van uw zoon.
Marcus.
O traan voor traan en liefdekus voor kus
Biedt hier uw broeder Marcus aan uw lippen;
O waarʼ hun som, die ik betalen moest,
Ontelbaar, eindloos, toch betaalde ik die! 159
Lucius.
Kom, knaap, kom hier, en leer van ons, hoe liefde
In tranen smelt. Grootvader had u lief,
En vaak liet hij u dansen op zijn knie,
Zong u in slaap, zijn trouwe borst als kussen;
En vele dingen heeft hij u verteld,
Geschikt en juist gekozen voor uw jonkheid;
Herdenk dit en vergiet, als minnend kind,
Dan eenʼge droppen uit uw teedʼre bron,
Want vriendlijk heeft natuur als wet gesteld,
Dat in het leed een vriend zijn vriend verzelt;
Zeg hem vaarwel, vertrouw hem aan zijn graf,
Bewijs dien liefdeplicht en neem dan afscheid.
De jonge Lucius.
Grootvader! ach, grootvader! o, hoe gaarne
Stierf ik, zoo gij dan weer herleven mocht!
O god! door ʼt weenen kan ik niets meer zeggen;
Ik stik in tranen, open ik den mond.
(De Dienaars komen terug, met Aaron.)
Een Romein.
Staakt, treurende Andronici, thans uw rouwklacht!
Maar spreekt het vonnis van den onverlaat,
Die al deezʼ gruweldaden heeft verwekt.
Aaron.
O, waarom zouden wrok en woede zwijgen?
Ik ben geen kind, dat ik met laf gebed
De gruwʼlen zou betreuren, die ik deed.
Tien duizend ergʼre dan ik ooit bedreef,
Zou ik begaan, zoo ik naar lust kon handʼlen;
En deed ik één goed werk in heel mijn leven,
Dan is het dit, wat mij van harte rouwt.
Lucius.
Den keizer mogen trouwe vrienden halen
En in zijns vaders graf ter aard bestellen.
Mijn vader en Lavinia voeren wij
Terstond naar ʼt grafgewelf van ons geslacht.
Aan Tamora, de felle tijgerin,
Wordt uitvaart, noch gevolg in rouwgewaad,
Noch klokgebrom gegund; werpt haar in ʼt veld
Aan ʼt wild gedierte en ʼt roofgevogeltʼ voor.
Beestachtig was haar leven, zonder deernis;
Zij vinde na den dood bij niemand deernis.
Voert Aaron nu ter straf, den vloekʼbren Moor,
Die de oorsprong was van al ons naamloos wee;
Dan reegʼlen wij den staat, zoodat voor goed
Een ramp en nood als deze zijn verhoed.
(Allen af.)