| Eerste Deel |
|
Boek I. |
|
|
I. |
Inleiding, of menu van het feest. |
|
|
II. |
Eene korte beschrijving van den heer Allworthy, en een uitvoeriger berigt omtrent
mejufvrouw Brigitta Allworthy, zijne zuster. |
|
|
III. |
Over eene vreemde gebeurtenis, welke de heer Allworthy eens bij zijne te huiskomst
beleefde. De betamelijke houding van jufvrouw Deborah Wilkins, en eenige zeer gepaste
aanmerkingen over onechte kinderen. |
|
|
IV. |
De lezer loopt gevaar van den nek te breken over eene beschrijving;—hoe hij daaraan
ontsnapt, en de groote vriendelijkheid van mejufvrouw Brigitta Allworthy. |
|
|
V. |
Bevattende eenige zeer gewone dingen, met eene zeer buitengewone opmerking dienaangaande. |
|
|
VI. |
Jufvrouw Deborah wordt (met een mooi beeld) in het dorp gebragt. Een kort berigt van
Jenni Jones, en de bezwaren en ontmoediging, welke jonge meisjes soms te overwinnen
hebben in het zoeken naar wetenschap. |
|
|
VII. |
Bevattende zulke ernstige zaken, dat de lezer het geheele hoofdstuk door niet eens
lagchen kan, ten zij hij welligt om den schrijver lagche. |
|
|
VIII. |
Een gesprek tusschen de dames Brigitta en Deborah, dat onderhoudender maar minder
leerzaam is dan het voorgaande. |
|
|
IX. |
Bevattende verbazende dingen. |
|
|
X. |
De gastvrijheid van den heer Allworthy, met eene korte schets van de karakters van
twee broeders, een geneesheer en een kapitein, die door dien heer onthaald werden. |
|
|
XI. |
Bevattende vele regels en eenige voorbeelden van het verliefd worden, beschrijvingen
van schoonheid, en andere meer degelijke aanleidingen tot het huwelijk. |
|
|
XII. |
Bevattende hetgeen de lezer welligt verwacht er in te vinden. |
|
|
XIII. |
Waarmede het eerste boek eindigt, en dat een voorbeeld van ondankbaarheid oplevert,
hetwelk naar wij hopen, onnatuurlijk zal schijnen. |
|
|
Boek II. |
|
|
I. |
Aantoonende welke soort van verhaal dit is; waarnaar het lijkt, en waar het niet naar
lijkt. |
|
|
II. |
Godsdienstige bezwaren tegen het bewijzen van te veel goedheid aan natuurlijke kinderen,
en eene groote ontdekking, gedaan door jufvrouw Deborah Wilkins. |
|
|
III. |
Beschrijving van een huisselijk bestuur, op regels gegrond, in strijd met die van
Aristoteles. |
|
|
IV. |
Bevattende een der bloedigste slagen, of liever, tweegevechten, ooit in de huisselijke
geschiedenis vermeld. |
|
|
V. |
Bevattende veel om verstand en oordeel van den lezer te scherpen. |
|
|
VI. |
De teregtstelling van Partridge, den schoolmeester, wegens oneerbaarheid; de getuigenis
door zijne vrouw afgelegd; eene korte herinnering aan de wijsheid onzer wetten, met
andere ernstige zaken, die hun het best bevallen zullen, welke ze het best verstaan. |
|
|
VII. |
Eene korte schets van het geluk, dat een wijs gehuwd paar in den haat kan vinden;
met eene verontschuldiging van die menschen, die de onvolmaaktheden hunner vrienden
over het hoofd zien. |
|
|
VIII. |
Een onfeilbaar voorschrift, om, zelfs in de meest wanhopige gevallen, de verbeurde
liefde eener echtgenoote terug te winnen. |
|
|
IX. |
Het bewijs van de onfeilbaarheid van het reeds opgegeven voorschrift, in de klagten
van de weduwe; tegelijk met andere gepaste attributen van den dood, zooals daar zijn:
geneesheeren, enz. en een model-grafschrift. |
|
|
Boek III. |
|
|
I. |
Bevat weinig of niets. |
|
|
II. |
De held van deze geschiedenis treedt onder zeer slechte voorteekens op. Een klein
verhaaltje, zoo gemeen van aard, dat sommige lezers het hunner onwaardig zullen achten.
Een woord of wat aangaande een landjonker; meer over een jagtopziener en een schoolmeester. |
|
|
III. |
Het karakter van den wijsgeer Square en van den heer Thwackum, den godgeleerde, met
een dispuut over—. |
|
|
IV. |
Bevattende eene noodzakelijke verontschuldiging voor den schrijver en eene kinderachtige
gebeurtenis, welke welligt ook eene verontschuldiging eischt. |
|
|
V. |
De gevoelens van den godgeleerde en den wijsgeer omtrent de twee knapen; met eenige
redenen voor hunne meeningen, en andere dingen daarbij. |
|
|
VI. |
Bevattende eene nog betere reden voor de voormelde gevoelens. |
|
|
VII. |
Waarin de schrijver zelf het tooneel betreedt. |
|
|
VIII. |
Een kinderachtig voorval, waaruit men echter het goedaardige karakter van Tom Jones
zien kan. |
|
|
IX. |
Bevattende eene veel schandelijker gebeurtenis, met de aanmerkingen van Thwackum en
Square. |
|
|
X. |
Waarin de jonge heer Blifil en Tom zich in een zeer verschillend licht doen zien. |
|
|
Boek IV. |
|
|
I. |
Bevattende vier bladzijden. |
|
|
II. |
Een gering blijk van hetgeen waartoe wij in staat zijn in den verheven schrijftrant,
en eene beschrijving van mejufvrouw Sophia Western. |
|
|
III. |
Waarin de geschiedenis terug gaat, om eene kleine gebeurtenis te vermelden, die eenige
jaren vroeger voorviel, en hoe gering ook, zekere gevolgen had in de toekomst. |
|
|
IV. |
Bevattende zulke geleerde en ernstige zaken, dat het welligt niet naar den smaak van
sommige lezers zal zijn. |
|
|
V. |
Bevattende zaken meer naar den algemeenen smaak. |
|
|
VI. |
Eene verontschuldiging voor de ongevoeligheid van den heer Jones omtrent de bekoorlijkheden
van Sophia, waardoor wij welligt zijn karakter ernstig zullen benadeelen in de schatting
van die edele en galante menschen, die de helden bewonderen van de meeste onzer hedendaagsche
tooneelstukken. |
|
|
VII. |
Het kortste hoofdstuk in dit boek. |
|
|
VIII. |
Een slag, door de muze in den trant van Homerus bezongen, en die dus alleen door den
klassiek gevormden lezer gewaardeerd zal worden. |
|
|
IX. |
Bevattende zaken van geen zeer vreedzamen aard. |
|
|
X. |
Een verhaal, gedaan door den predikant, den heer Supple. Het doorzigt van den heer
Western. Zijne groote liefde tot zijne dochter, en hoe die vergolden werd. |
|
|
XI. |
Molly Seagrim ontloopt ter naauwernood het gevaar; met eenige opmerkingen, waarnaar
wij in de diepte van het menschelijk hart hebben moeten visschen. |
|
|
XII. |
Bevattende zaken die veel duidelijker zijn; maar welke uit dezelfde bron voortvloeijen
als die van het vorige hoofdstuk. |
|
|
XIII. |
Een verschrikkelijk ongeluk, dat Sophia overkomt. De manhaftige houding van Tom Jones,
en de nog verschrikkelijker gevolgen van die houding ten opzigte der jonge dame,—met
eene korte afwijking ter verheerlijking der vrouwen. |
|
|
XIV. |
De aankomst van een heelmeester. Zijne operatiën en een lang gesprek tusschen Sophia
en hare kamenier. |
|
|
Boek V. |
|
|
I. |
Van den ernst in het schrijven, en waartoe die dient. |
|
|
II. |
Waarin de heer Jones vele vriendschappelijke bezoeken ontvangt gedurende zijne ziekte,
met eenige heel kleine sporen van verliefdheid, die naauwelijks voor het bloote oog
zigtbaar zijn. |
|
|
III. |
Bevattende,—voor allen die geen hart hebben,—veel geschreeuw en weinig wol. |
|
|
IV. |
Een klein hoofdstukje, voor eene kleine gebeurtenis. |
|
|
V. |
Een zeer lang hoofdstuk voor eene zeer gewigtige gebeurtenis. |
|
|
VI. |
Door dit met het vorige hoofdstuk te vergelijken, zal de lezer welligt in staat gesteld
zijn eene door hem vroeger gemaakte verkeerde toepassing van het woord liefde te verbeteren. |
|
|
VII. |
Waarin de heer Allworthy op een ziekbed verschijnt. |
|
|
VIII. |
Zaken bevattende die meer natuurlijk dan aangenaam zijn. |
|
|
IX. |
Hetwelk, onder anderen, strekken kan tot een commentaar op het gezegde van Aeschines,
„dat de dronkenschap den geest van den mensch toont, even als een spiegel zijn ligchaam
weerkaatst.” |
|
|
X. |
De waarheid bewijzende van vele opmerkingen van Ovidius en van andere deftige schrijvers,
die boven alle bedenking bewezen hebben, dat de wijn dikwerf de voorbode der ontucht
is. |
|
|
XI. |
Waarin, in een langen volzin, naar den smaak van den heer Pope, een beeld de beschrijving
vooraf gaat van een der bloedigste gevechten, die geleverd kunnen worden zonder het
gebruik van blanke wapenen. |
|
|
XII. |
Waarin een veel aandoenlijker tooneel gezien wordt, dan het vergieten van al het bloed
in het ligchaam van Thwackum, of Blifil, of twintig dergelijke menschen, kan opleveren. |
|
|
Boek VI. |
|
|
I. |
Over de liefde. |
|
|
II. |
Het karakter van mejufvrouw Western. Hare groote geleerdheid en wereldkennis, en een
voorbeeld van het groote doorzigt, dat zij aan deze hoedanigheden te danken had. |
|
|
III. |
Bevat twee uitdagingen der recensenten. |
|
|
IV. |
Bevattende verschillende wonderlijke zaken. |
|
|
V. |
Waarin verhaald wordt wat er tusschen Sophia en hare tante voorviel. |
|
|
VI. |
Bevattende een gesprek tusschen Sophia en jufvrouw Honour, hetwelk misschien wat van
die aandoening zal verzachten, waarmede de goedaardige lezer het voorafgaande tooneel
bijgewoond heeft. |
|
|
VII. |
Het beeld eener deftige vrijaadje in miniatuur, zoo als dat behoort, en een tooneel
van meer teederen aard levensgroot geschilderd. |
|
|
VIII. |
De ontmoeting tusschen Jones en Sophia. |
|
|
IX. |
Veel onstuimiger van aard dan het vorige hoofdstuk. |
|
|
X. |
De heer Western bezoekt den heer Allworthy. |
|
|
XI. |
Een kort hoofdstuk, dat echter stof genoeg bevat om den goedaardigen lezer te treffen. |
|
|
XII. |
Bevattende minnebrieven enz. |
|
|
XIII. |
Het gedrag van Sophia bij deze gelegenheid, dat door geene vrouw berispt zal worden,
die tot eene dergelijke houding in staat is. Het bepleiten van een moeijelijk punt
voor de regtbank van het geweten. |
|
|
XIV. |
Een kort hoofdstuk, bevattende een kort gesprek tusschen den heer Western en zijne
zuster. |
|
| Tweede Deel |
|
Boek VII. |
|
|
I. |
Eene vergelijking tusschen de wereld en een schouwtooneel. |
|
|
II. |
Bevattende een geschil van den heer Jones met zich zelven. |
|
|
III. |
Bevattende verscheidene gesprekken. |
|
|
IV. |
Portret van een landjonker, naar het leven geteekend. |
|
|
V. |
Sophia’s edelmoedig gedrag ten opzigte harer tante. |
|
|
VI. |
Bevattende allerlei. |
|
|
VII. |
Een vreemd besluit van Sophia en eene nog vreemder list van jufvrouw Honour. |
|
|
VIII. |
Bevattende twisten van geen buitengewonen aard. |
|
|
IX. |
Het wijze gedrag van den heer Western als magistraat. Een wenk voor de vrederegters
omtrent de vereischten van een griffier;—met verbazende voorbeelden van vaderlijke
dwaasheid en kinderlijke liefde. |
|
|
X. |
Bevattende onderscheidene zaken, die welligt heel natuurlijk—maar die ook gemeen zijn. |
|
|
XI. |
De avonturen van een troep soldaten. |
|
|
XII. |
De avonturen van eenige officieren. |
|
|
XIII. |
Over de groote behendigheid van de waardin, de groote geleerdheid van den heelmeester,
en de groote bedrevenheid van den waardigen luitenant op het punt van gewetensvragen. |
|
|
XIV. |
Een zeer verschrikkelijk hoofdstuk, dat weinigen lezers geraden is des avonds te lezen,
vooral als zij alleen zitten. |
|
|
XV. |
Slot van het vorige avontuur. |
|
|
Boek VIII. |
|
|
I. |
Een verbazend lang hoofdstuk over het wonderbaarlijke;—verreweg het langste inleidende
hoofdstuk in het geheele werk. |
|
|
II. |
Waarin de waardin een bezoek aflegt bij den heer Jones. |
|
|
III. |
Waarin de heelmeester ten tweedenmale optreedt. |
|
|
IV. |
Waarin een der aardigste barbiers optreedt, die ooit in eenige geschiedenis vermeld
werden,—met inbegrip zelfs van den barbier van Bagdad en van dien in Don Quichot. |
|
|
V. |
Een gesprek tusschen den heer Jones en den barbier. |
|
|
VI. |
Waarin de begaafdheden van den heer Benjamin zigtbaar worden;—alsmede wie deze buitengewone
mensch eigenlijk was. |
|
|
VII. |
Bevattende betere redenen dan tot dusver gebleken zijn voor het gedrag van Partridge;—eene
verontschuldiging voor de zwakheid van Jones, en nog enkele anekdoten omtrent de waardin. |
|
|
VIII. |
Jones komt te Gloucester aan en neemt zijn intrek in „de Klok;” welke soort van logement
dat was, en het karakter van een beunhaas, dien hij daar ontmoet. |
|
|
IX. |
Bevattende verscheidene gesprekken tusschen Jones en Partridge over de liefde, de
koude, den honger en andere dingen, met de gelukkige en wonderbaarlijke redding van
Partridge, toen hij op het punt was van eene noodlottige ontdekking aan zijn vriend
te doen. |
|
|
X. |
Waarin de reizigers een zeer wonderbaarlijk avontuur beleven. |
|
|
XI. |
Waarin de oude man van den Berg zijn verhaal begint. |
|
|
XII. |
De oude man van den Berg gaat voort met zijn verhaal. |
|
|
XIII. |
Vervolg van het voorgaande verhaal. |
|
|
XIV. |
Waarin de oude man van den Berg zijn verhaal besluit. |
|
|
XV. |
Eene korte geschiedenis van Europa; en een merkwaardig gesprek tusschen den heer Jones
en den ouden man van den Berg . |
|
|
Boek IX. |
|
|
I. |
Over diegenen die het regt hebben, en diegenen die het regt niet hebben om eene geschiedenis
als deze te schrijven. |
|
|
II. |
Bevattende een zeer wonderlijk avontuur van den heer Jones, onder de wandeling met
den ouden man van den Berg . |
|
|
III. |
De aankomst van den heer Jones met de dame in het logement; met eene zeer uitvoerige
beschrijving van den slag van Upton. |
|
|
IV. |
Waarin de aankomst van een krijgsman voor goed een einde maakt aan de vijandelijkheden
en een vasten en duurzamen vrede tusschen alle partijen doet sluiten. |
|
|
V. |
Eene verontschuldiging voor alle helden die eene goede maag hebben, en de beschrijving
van een strijd van verliefden aard. |
|
|
VI. |
Een vriendschappelijk gesprek in de keuken, dat op eene zeer gewone, hoewel niet al
te vriendschappelijke wijze afliep. |
|
|
VII. |
Bevattende breedvoerige ophelderingen omtrent mevrouw Waters en de wijze waarop zij
in dien treurigen toestand geraakte, waaruit zij door Jones gered werd. |
|
|
Boek X. |
|
|
I. |
Bevattende zeer noodzakelijke onderrigting voor de hedendaagsche recensenten. |
|
|
II. |
De aankomst van een Ierschen heer, met de zeer verbazende avonturen in het logement,
die daarop volgden. |
|
|
III. |
Een gesprek tusschen de waardin en Suze de werkmeid, dat gelezen moest worden door
alle logementhouders en hunne dienstboden,—alsmede de aankomst en de vriendelijkheid
van zekere schoone jonge dame, waaruit menschen van hoogen stand leeren mogen hoe
zij zich algemeen bemind kunnen maken. |
|
|
IV. |
Bevattende onfeilbare middelen om zich algemeen veracht en gehaat te maken. |
|
|
V. |
Aantoonende wie de beminnelijke dame en hare onbeminnelijke kamenier waren. |
|
|
VI. |
Bevattende, onder anderen, de slimheid van Partridge, de dolzinnigheid van Jones en
de dwaasheid van Fitzpatrick. |
|
|
VII. |
Waarin de avonturen in de herberg te Upton ten einde gebragt worden. |
|
|
VIII. |
Waarin de geschiedenis terug gaat. |
|
|
IX. |
Sophia’s vlugt. |
|
|
Boek XI. |
|
|
I. |
Een hapje voor de recensenten. |
|
|
II. |
Sophia’s avonturen nadat zij Upton verlaten had. |
|
|
III. |
Een zeer kort hoofdstuk, waarin men echter vindt: eene zon, eene maan, eene ster en
een engel. |
|
|
IV. |
De geschiedenis van mevrouw Fitzpatrick. |
|
|
V. |
Vervolg van de geschiedenis van mevrouw Fitzpatrick. |
|
|
VI. |
De vergissing van den waard brengt Sophia in verschrikkelijke verlegenheid. |
|
|
VII. |
Waarin mevrouw Fitzpatrick haar verhaal ten einde brengt. |
|
|
VIII. |
Een verschrikkelijk rumoer in het logement, en de onverwachte aankomst van een vriend
van mevrouw Fitzpatrick. |
|
|
IX. |
Het aanbreken van den dag, beschreven in den verhevenen trant. Een postwagen. De beleefdheid
der meiden. De heldhaftige aard van Sophia. Hare edelmoedigheid. Hoe die vergolden
wordt. Het vertrek van het gezelschap, en de aankomst te Londen, met eenige opmerkingen
ten behoeve van reizigers. |
|
|
X. |
Een paar wenken omtrent de deugd en nog een paar omtrent de verdenkingzucht. |
|
|
Boek XII. |
|
|
I. |
Aantoonende wat men als plagiaat moet beschouwen bij een hedendaagschen schrijver,
en wat men voor wettigen buit mag houden. |
|
|
II. |
Waarin (hoewel de landjonker zijne dochter niet vindt) iets gevonden wordt dat een
einde maakt aan zijne vervolging. |
|
|
III. |
Het vertrek van Jones uit Upton, en hetgeen er tusschen hem en Partridge onderweg
voorviel. |
|
|
IV. |
Een avontuur met een bedelaar. |
|
|
V. |
Bevattende meer avonturen, welke de heer Jones en zijn makker onderweg beleefden. |
|
|
VI. |
Waaruit men opmaken kan dat de beste dingen onderhevig zijn aan verkeerde opvatting
en uitlegging. |
|
|
VII. |
Bevattende een paar opmerkingen van ons en zeer vele van het goede gezelschap in de
keuken. |
|
|
VIII. |
Waarin vrouw Fortuna gunstiger gestemd schijnt dan tot dus ver ten opzigte van Jones. |
|
|
IX. |
Bevattende weinig meer dan eenige losse opmerkingen. |
|
|
X. |
Waarin de heer Jones en de heer Dowling zamen eene flesch ledigen. |
|
|
XI. |
De ongelukken welke den heer Jones troffen op zijne reis naar coventry, met de opmerkingen
van Partridge. |
|
|
XII. |
De heer Jones zet de reis voort, tegen den raad van Partridge in, en hetgeen er bij
deze gelegenheid gebeurde. |
|
|
XIII. |
Een gesprek tusschen Jones en Partridge. |
|
|
XIV. |
Hetgeen den heer Jones overkwam op zijne reis van St. Albans. |
|
| Derde Deel |
|
Boek XIII. |
|
|
I. |
Eene aanroeping. |
|
|
II. |
Hetgeen den heer Jones overkwam bij zijne aankomst te Londen. |
|
|
III. |
Een plan van mevrouw Fitzpatrick en haar bezoek bij Lady Bellaston. |
|
|
IV. |
Bezoeken. |
|
|
V. |
Een avontuur dat de heer Jones beleefde in zijne woning, met het een en ander omtrent
een jongen heer, die ook daar in huis was, en ook omtrent de vrouw des huizes en hare
beide dochters. |
|
|
VI. |
Hetgeen er gebeurde terwijl het gezelschap bij het ontbijt zat, met eenige wenken
omtrent de opvoeding van dochters. |
|
|
VII. |
Al de pret van eene maskerade. |
|
|
VIII. |
Bevattende een tooneel van ellende, dat de meeste lezers zeer vreemd zal toeschijnen. |
|
|
IX. |
Bevattende geheel andere zaken dan waarvan sprake is geweest in het vorige hoofdstuk. |
|
|
X. |
Een hoofdstuk dat, hoe kort ook, welligt tranen ontlokken zal aan menig oog. |
|
|
XI. |
Waarin de lezer verbaasd zal staan! |
|
|
XII. |
Einde van het dertiende boek. |
|
|
Boek XIV. |
|
|
I. |
Een betoog, ten bewijze, dat een schrijver des te beter zal stellen, als hij iets
weet van het onderwerp, dat hij te behandelen heeft. |
|
|
II. |
Bevattende brieven en andere liefde-zaken. |
|
|
III. |
Bevattende allerlei. |
|
|
IV. |
Hetwelk, naar wij hopen, met de meeste oplettendheid gelezen zal worden door jonge
lieden van beider geslacht. |
|
|
V. |
De korte geschiedenis van jufvrouw Miller. |
|
|
VI. |
Een tooneel bevattende, dat, zonder twijfel den lezer zeer treffen zal. |
|
|
VII. |
De ontmoeting tusschen de heeren Jones en Nightingale. |
|
|
VIII. |
Hetgeen er voorviel tusschen de heeren Jones en Nightingale,—en de aankomst van iemand,
die tot dusver niet in deze geschiedenis opgetreden is. |
|
|
IX. |
Vreemde dingen bevattende. |
|
|
X. |
Een kort hoofdstuk, tot besluit van dit boek. |
|
|
Boek XV. |
|
|
I. |
Te kort om een inhoudsopgave te eischen. |
|
|
II. |
Waarin een zeer zwarte aanslag tegen Sophia geopenbaard wordt. |
|
|
III. |
Eene nadere uitlegging van het beraamde plan. |
|
|
IV. |
Waaruit blijkt hoe gevaarlijk eene dame wordt, als zij hare welsprekendheid gebruikt
om eene slechte zaak te bepleiten. |
|
|
V. |
Bevattende sommige dingen welke den lezer aandoen en andere welke hem welligt verrassen
zullen. |
|
|
VI. |
Hoe de landjonker er toe gekomen was om zijne dochter te ontdekken. |
|
|
VII. |
Waarin de arme Tom door verscheidene rampen getroffen wordt. |
|
|
VIII. |
Kort en zoet. |
|
|
IX. |
Bevattende minnebrieven van verschillenden aard. |
|
|
X. |
Bestaande gedeeltelijk uit feiten en gedeeltelijk uit opmerkingen daarover. |
|
|
XI. |
Bevattende eene zeldzame, maar geenszins voorbeeldelooze zaak. |
|
|
XII. |
Eene ontdekking, door Partridge gedaan. |
|
|
Boek XVI. |
|
|
I. |
Over voorredenen. |
|
|
II. |
Een dwaas avontuur van den landjonker,—en de treurige toestand der arme Sophia. |
|
|
III. |
Hetgeen Sophia beleefde in hare gevangenschap. |
|
|
IV. |
Sophia wordt uit de gevangenschap verlost. |
|
|
V. |
Waarin Jones een brief ontvangt van Sophia en met jufvrouw Miller en Partridge naar
de komedie gaat. |
|
|
VI. |
Waarin de geschiedenis iets terug gaat. |
|
|
VII. |
Waarin de heer Western zijne zuster bezoekt in gezelschap van den heer Blifil. |
|
|
VIII. |
De plannen van Lady Bellaston om Jones te gronde te rigten. |
|
|
IX. |
Waarin Jones een bezoek aflegt bij mevrouw Fitzpatrick. |
|
|
X. |
De gevolgen van het pas beschreven bezoek. |
|
|
Boek XVII. |
|
|
I. |
Bevattende iets ter inleiding. |
|
|
II. |
Het edelmoedige en dankbare gedrag van jufvrouw Miller. |
|
|
III. |
Een bezoek van den heer Western,—met het een en ander over vaderlijk gezag. |
|
|
IV. |
Een merkwaardig tooneel tusschen Sophia en hare tante. |
|
|
V. |
Jufvrouw Miller en de heer Nightingale bezoeken den heer Jones in de gevangenis. |
|
|
VI. |
Waarin jufvrouw Miller een bezoek aflegt bij Sophia. |
|
|
VII. |
Een aandoenlijk tooneel tusschen den heer Allworthy en jufvrouw Miller. |
|
|
VIII. |
Bevattende allerlei zaken. |
|
|
IX. |
Hetgeen den heer Jones in de gevangenis overkwam. |
|
|
Boek XVIII. |
|
|
I. |
Een afscheidsgroet aan den lezer. |
|
|
II. |
Eene zeer tragische gebeurtenis bevattende. |
|
|
III. |
Allworthy bezoekt den ouden Nightingale,—en doet bij die gelegenheid eene wonderbaarlijke
ontdekking. |
|
|
IV. |
Bevattende twee brieven in geheel verschillenden schrijftrant. |
|
|
V. |
Waarin de geschiedenis voortgezet wordt. |
|
|
VI. |
Waarin de geschiedenis verder voortgezet wordt. |
|
|
VII. |
Vervolg der geschiedenis. |
|
|
VIII. |
Vervolg. |
|
|
IX. |
Vervolg van de geschiedenis. |
|
|
X. |
De geschiedenis nadert de ontknooping. |
|
|
XI. |
De geschiedenis nadert hoe langer zoo meer de ontknooping. |
|
|
XII. |
Nog digter bij de ontknooping. |
|
|
XIII. |
Einde van de geschiedenis. |
|