WeRead Powered by ReaderPub
Tom Jones cover

Tom Jones

Chapter 87: Hoofdstuk VI. Bevattende allerlei.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

The novel traces the life of a foundling raised in a gentleman's household, following his romantic attachment, a sequence of comic misadventures and misunderstandings, and eventual reconciliation and social advancement. Told episodically in a picaresque style, it mixes lively set pieces and pastoral episodes with sharp satire of manners and institutions, guided by an ironic, conversational narrator. Recurring themes include virtue opposed to hypocrisy, tensions of class and authority, and the contrast between natural goodness and affected refinement, with moral reflection woven through the humour and social critique.

TOM JONES,
DE GESCHIEDENIS VAN EEN VONDELING.

Boek VII.

Drie dagen.

[Inhoud]

Hoofdstuk I.

Eene vergelijking tusschen de wereld en een schouwtooneel.

Men heeft dikwerf deze wereld bij een schouwtooneel vergeleken, en vele ernstige schrijvers, zoowel als vele dichters, hebben het menschelijke leven als een groot drama beschouwd, bijna in alle bijzonderheden gelijkende op die tooneelvoorstellingen welke, naar men zegt, Thespis het eerst uitvond, en die sedert zoo veel goedkeuring en toejuiching verworven hebben in alle beschaafde landen.

Dit denkbeeld wordt zoo ver gedreven en is zoo algemeen geworden, dat eenige uitdrukkingen aan het tooneel eigen, en die eerst slechts in beeldspraak op de wereld toegepast werden, uit gewoonte, zonder onderscheid van beide gebezigd worden;—dus wordt, bij voorbeeld, „het tooneel” evenveel gebruikt van het leven in het algemeen, als van dramatische voorstellingen in het bijzonder, en als men van „achter de schermen” spreekt, denkt men eerder aan het ministerie, dan aan den schouwburg.

Het moge gemakkelijk genoeg schijnen om dit alles te verklaren door de beschouwing dat het drama niets anders is dan eene voorstelling, of gelijk Aristoteles het noemt, eene navolging van hetgeen werkelijk bestaat, en daarom [2]moesten wij welligt een welverdiend compliment maken aan diegenen, die door hunne geschriften of handelingen het leven zoo hebben weten na te doen, dat hunne schilderijen, als het ware, met de oorspronkelijken daarvan verward,—of zelfs daarvoor gehouden worden.

Maar, om de waarheid te zeggen, houden wij er niet van om die menschen,—die wij dikwijls behandelen als de kinderen hun speelgoed,—complimenten te maken; en scheppen er veel meer behagen in om hen uit te fluiten en voor de borst te stooten, dan om hunne talenten te bewonderen. Er zijn vele andere redenen, die ons er toe gebragt hebben om deze overeenkomst in te zien tusschen de wereld en het tooneel.

Sommigen hebben het grootste gedeelte der menschheid beschouwd als tooneelspelers, die rollen spelen, welke hun evenmin wezenlijk toekomen, als den acteur, die er niet ernstig om denkt door te gaan voor den Koning of den Keizer, dien hij voorstelt. Zoo kan men zeggen dat de huichelaar een acteur is,—en inderdaad, de Grieken gaven beiden dezelfde benaming.

De kortheid van dit leven heeft ook tot deze vergelijking aanleiding gegeven. De onsterfelijke Shakespeare zegt:

„Het leven is een arm acteur—niets meer!

Hij treedt met trotschheid op, hij stampvoet, raast en brult,

En is zijn rol, ’t zij goed of slecht, vervuld,

Dan treedt hij af en keert niet weer.”

Welke overbekende aanhaling ik den lezer vergoeden zal door eene zeer schoone, welke, naar ik meen, slechts weinigen kennen. Het is uit een gedicht, de Godheid genoemd, omstreeks negen jaren geleden uitgegeven, en sedert lang vergeten; wat een bewijs oplevert dat goede boeken, evenmin als goede menschen, altijd de slechten overleven.

„De bron van ’s menschen daden is bij God,

De bloei der rijken en de val der vorsten.

Sla uwen blik op ’s werelds schouwtooneel

En op de helden, die zich daar bewegen,

En op de groepen, die elkander volgen.

Hier zegepraal, dáár kerker en schavot!

Elk speelt de rol, die Gij, o Heer, hem geeft;

Gij leidt der menschen daden naar Uw doel: [3]

Zij schitteren één oogenblik in ’t licht,

En als gij wenkt, verdwijnen zij als nevels,

En van hun aanzijn blijft geen ander spoor,

Dan één herinnringswoord: „’t Is al voorbij!””

In al deze, en in alle overige vergelijkingen van het leven met het tooneel, heeft men echter de overeenkomst altijd op het tooneel zelf gezocht. Niemand, voor zoover ik me herinner, heeft ooit acht geslagen op de toeschouwers van het groote drama.

Daar echter de natuur dikwerf sommige harer schoonste voorstellingen aan een heel groot gehoor geeft, zoo laat het gedrag der toeschouwers bovengemelde vergelijking toe, even goed als dat der tooneelspelers.

In den grooten schouwburg des Tijds zitten de vriend en de recensent; daar hoort men in de handen klappen en applaudisseren, fluiten en uitjouwen, in een woord, al wat men ooit in den grooten schouwburg beleefd heeft.

Laat ons één voorbeeld daarvan nagaan: bij voorbeeld het gedrag der talrijke toehoorders bij het tooneel, dat de natuur goedvond te vertoonen in het twaalfde hoofdstuk van het vorige boek, waar zij den Zwarten George voorstelde, die met de vijfhonderd pond sterling van zijn vriend en weldoener op den loop ging.

Diegenen, die in de bovenste galerij der wereld zaten, behandelden die gebeurtenis, daar ben ik van overtuigd, met hunne gewone luidruchtigheid, en men hoorde stellig bij die gelegenheid allerlei leelijke scheldwoorden uitbraken. Indien wij nederdaalden tot de toeschouwers onmiddellijk onder dezen, zouden wij evenveel afschuw onder hen gevonden hebben, met minder luidruchtigheid en scheldwoorden:—maar de vrouwen hier zullen den Zwarten George naar den drommel gewenscht hebben en sommige harer wachtten ieder oogenblik dat de Satan hem zoude halen.

In het parterre was men, zonder twijfel, als gewoonlijk verdeeld. Diegenen, die zich verheugen over de heldhaftige deugd en een volmaakt karakter, waren er tegen, dat men zulke staaltjes van schurkerij zou geven, zonder ze zeer streng te straffen, tot voorbeeld voor anderen.—Eenige vrienden van den schrijver riepen uit: „’t Is waar, mijne [4]heeren, dat die vent een schurk is;—maar desniettemin is hij naar de natuur geteekend.” En alle jonge recensenten van deze eeuw, de klerken, leerjongens enz., noemden het gemeen en begonnen te fluiten.

Wat de loges aangaat, die gedroegen zich met de gewone beleefdheid. De meesten daar letten op iets anders. Eenige weinigen, die naar het tooneel keken, verklaarden dat de Zwarte George zeker een slecht soort van mensch was, terwijl anderen weigerden eene meening te uiten, tot zij die van de meest bevoegde beoordeelaren gehoord hadden.

Wij echter, die achter de schermen komen van dit groote tooneel der natuur,—en een schrijver die daar niet toegelaten wordt, moest nooit iets anders dan woordenboeken en leesboekjes schrijven,—kunnen de handeling berispen, zonder bepaaldelijk den bedrijver te verfoeijen, dien de natuur welligt niet bestemde om eene slechte rol in al hare drama’s te spelen; want, in dit geval, lijkt het leven nog meer op het tooneel, daar men er dikwerf denzelfden persoon de rol van held en van schelm ziet vervullen, en hij, die heden uwe bewondering opwekt, welligt morgen het voorwerp wordt uwer minachting. Even als Garrick, dien ik in het treurspel voor het grootste genie houd dat ooit geschapen werd, zich soms verwaardigt als nar op te treden,—zoo deden ook, volgens Horatius, Scipio de Groote, en Laelius de Wijze, vele eeuwen geleden;—Cicero zegt zelfs, dat zij „oneindig kinderachtig waren.” ’t Is waar dat dezen voor gek speelden, even als mijn vriend Garrick, alleen om de aardigheid; maar vele groote mannen hebben in talrijke gevallen, in goeden ernst zich heel gek aangesteld,—zoodat het eene twijfelachtige zaak was, of hunne wijsheid of hunne dwaasheid de overhand had; of dat zij meer regt hadden op de goedkeuring of op de berisping, op de bewondering of op de verachting, op de liefde of op den haat der menschheid.

Diegenen inderdaad, die eenigen langen tijd gesleten hebben achter de schermen van dit groote tooneel, en die goed op de hoogte zijn, niet slechts van de verschillende vermommingen daar in gebruik, maar ook van de fantastische en grillige handelingen der hartstogten, die de regisseurs en directeurs zijn van dit tooneel (want wat de rede [5]aangaat, de ondernemer, die is, zoo als ieder weet, zeer lui en spant zich zelden in), zullen zeer waarschijnlijk geleerd hebben het bekende nil admirari van Horatius te verstaan,—en over niets meer verbaasd staan.

Eene enkele slechte daad maakt evenmin tot een schurk in dit leven, als eene enkele slechte rol op het tooneel. De driften, even als de tooneeldirecteuren, dwingen dikwerf de menschen rollen op zich te nemen, zonder hun verstand te raadplegen en soms zonder aanzien voor hunne talenten.

Dus kan de mensch soms, even als de tooneelspeler, de rol afkeuren waarin hij optreedt;—ja, het is niets ongewoons om de ondeugd sommige menschen even lastig te zien vallen, als het karakter van Jago een grappenmaker misstaan zou.

Over het geheel dan is de eerlijke en verstandige man nooit overhaast in het veroordeelen. Hij kan eene onvolmaaktheid afkeuren, of zelfs eene ondeugd, zonder woedend te worden op den schuldige. Met één woord, het zijn dezelfde dwaasheid, dezelfde lompheid, dezelfde kwaadwilligheid, die al de klagten en onlusten in het leven veroorzaken als op het tooneel. De slechtste menschen hebben gewoonlijk de woorden „schelm en schurk” op de lippen en het zijn ook de gemeenste ellendelingen, die in het parterre over het gemeen uitvaren.

[Inhoud]

Hoofdstuk II.

Bevattende een geschil van den heer Jones met zich zelven.

Jones ontving bij tijds den volgenden morgen zijne zaken van den heer Allworthy, met onderstaand antwoord op zijn brief:

Mijnheer,

Het is op bevel van mijn oom dat ik u moet mededeelen, dat, daar hij eerst na rijp overleg en na de overtuigendste blijken uwer onwaardigheid, tot die maatregelen overgegaan is, welke hij ten uwen opzigte genomen heeft, het steeds buiten uwe magt zal zijn hem in het minst van zijn [6]besluit af te brengen. Hij drukt de meeste verbazing uit over uwe vermetelheid, als gij het waagt te zeggen, dat gij alle aanspraken opgeeft op eene jonge dame, op wie het onmogelijk is dat gij ooit eenige aanspraak kondt maken, daar zij, wat geboorte en vermogen betreft, zoo oneindig ver boven u verheven is.

Eindelijk, beveelt mij mijn oom u te melden, dat het eenige blijk van uwe gehoorzaamheid aan zijne wenschen, dat hij eischt, is, dat gij hoe eerder hoe liever deze omstreken verlaat.

Ik kan dezen brief niet sluiten, zonder de Christelijke raadgeving, dat gij er ernstig op bedacht moogt wezen om uw levenswandel te verbeteren, en dat de Goddelijke Genade u hierin moge bijstaan, zal steeds bidden

Uw gehoorzame dienaar,

W. Blifil.”

Vele tegenstrijdige gevoelens werden door dezen brief in het hart van onzen held opgewekt; maar eindelijk kreeg de teederheid de bovenhand boven zijne verontwaardiging en toorn, en een stortvloed van tranen kwam tijdig ter zijner verligting en belette welligt dat zijne rampen hem tot waanzin bragten, of hem het hart braken.

Hij begon zich echter weldra te schamen over zijne zwakheid, en opspringende, riep hij uit:

„Goed dan! Ik zal den heer Allworthy het eenige blijk van mijne gehoorzaamheid geven, dat hij eischt. Ik zal op dit oogenblik heengaan;—maar waarheen? Dat moge het lot beslissen! Daar er niemand is, die er om geeft wat er van mijn ellendige persoon wordt, zal ik zelf even onverschillig zijn. Zou ik alleen iets over hebben voor iemand, dien niemand anders,——maar, heb ik geene reden te denken dat er iemand anders is? Iemand, die mij meer waard is dan de geheele wereld! Ik mag, ik moet gelooven, dat mijne Sophia niet onverschillig is omtrent mijn lot. Zal ik dan die eenige vriendin verlaten? En zulk eene vriendin! Moet ik niet bij haar blijven? Maar waar? Hoe kan ik bij haar blijven? Heb ik eenige hoop om haar ooit weer te zien,—al verlangde zij dat zelve evenzeer als ik,—zonder haar aan de woede van haren vader bloot te stellen? En waartoe? Zou ik er aan denken kunnen [7]haar tot haar eigen ongeluk over te halen? Zou ik tot zulk een prijs aan mijne hartstogten botvieren? Zal ik als een dief hier rondsluipen, met dergelijke voornemens bezield? Neen, ik versmaad, ik veracht die gedachte! Vaarwel, Sophia, vaarwel, gij schoone, gij beminde—”

Hier smoorde de aandoening zijne woorden en gaf zich lucht in tranen.

En thans, na besloten te hebben die streken te verlaten, begon hij te overleggen waarheen hij zich begeven zoude. „De wereld,” gelijk Milton zegt, „lag voor hem open,” en Jones, evenmin als Adam, had iemand tot wien hij zich om raad of ondersteuning kon wenden. Al zijne kennissen waren vrienden van den heer Allworthy en hij had geene reden om eenige hulp van hen te verwachten, nu die heer hem van zijne gunst beroofd had. Mannen van een groot en goed karakter moeten zeer voorzigtig zijn in het wegjagen hunner afhangelingen;—want het gevolg daarvan is, dat zij ook door anderen weggejaagd worden.

Het was een tweede punt van overweging, welke levenswijze hij leiden moest, of op welk beroep hij zich toeleggen zou,—en ten dien opzigte was het vooruitzigt allertreurigst. Elk beroep en elk handwerk eischt veel tijd eer men het uitoefenen kan, en wat nog erger is, ook geld; want de zaken zijn zoo ingerigt, dat het even waar is in de staathuishoudkunde als in de natuurkunde, dat, „uit niets, niets komt,”—en iedereen die geheel en al van geld ontbloot is, is ook, om die reden, geheel uitgesloten van alle middelen om het te verkrijgen.

Eindelijk opende de oneindige zee, die gastvrije vriendin der ongelukkigen, de ruime armen om hem te ontvangen, en hij verklaarde zich dadelijk gereed hare uitnoodiging aan te nemen. Zonder beeldspraak: hij besloot om zeeman te worden.

Naauwelijks, inderdaad, kwam die gedachte bij hem op, of hij omhelsde ze driftig en spoedig paarden gehuurd hebbende, vertrok hij naar Bristol, om ze ten uitvoer te brengen.

Eer wij hem echter op dezen togt vergezellen, moeten wij weder het huis van den heer Western bezoeken, om te zien wat er verder gebeurde met de bekoorlijke Sophia. [8]

[Inhoud]

Hoofdstuk III.

Bevattende verscheidene gesprekken.

Den morgen van het vertrek van den heer Jones, riep mejufvrouw Western Sophia op hare kamer, en na haar eerst gemeld te hebben, dat zij haar vader overgehaald had haar weder in vrijheid te stellen, begon zij met haar eene lange les te lezen over het huwelijk, hetwelk zij volstrekt niet beschouwde als eene romantische liefde-zaak, gelijk de dichters het beschrijven; zij sprak ook niet van eenige van die doeleinden van het huwelijk, volgens welke de godgeleerden het ons leeren aanzien als eene goddelijke instelling; maar zij behandelde het veeleer als eene geldbelegging, waarin voorzigtige vrouwen haar vermogen met het meeste voordeel uitzetten, om zoodoende grootere renten te trekken dan anders het geval zou wezen.

Zoodra jufvrouw Western gedaan had, hernam Sophia, „dat zij buiten staat was te redeneren tegen eene dame die zoo veel kennis en ondervinding bezat als hare tante, vooral over een onderwerp als het huwelijk, waarover zij zoo weinig nagedacht had.”

„Tegen mij redeneren, kind!” hernam de andere; „neen, dat had ik niet verwacht! Ik zou waarlijk weinig nut van mijne wereldkennis hebben, als ik niet tegen iemand van uw leeftijd bestand was. Ik heb me al die moeite gegeven, alleen om u te believen. De oude wijsgeeren, zoo als Socrates, Alcibiades en anderen, plagten niet met hunne leerlingen te redeneren. Gij moet mij beschouwen, kind, als een Socrates, die niet naar uw gevoelen vraagt, maar u alleen het mijne mededeelt.”

Uit welke woorden de lezer welligt opmaken zal, dat de dame niet meer van de wijsbegeerte van Socrates dan van Alcibiades wist,—en inderdaad, wij kunnen hem op dit punt moeijelijk tegenspreken.

„Tante,” riep Sophia, „ik heb nooit gewaagd uw gevoelen tegen te spreken, en over dit onderwerp, gelijk ik straks zeide, heb ik nooit nagedacht, en zal dit welligt ook nooit doen.” [9]

„Wezenlijk, Sophia,” hernam hare tante, „het is zeer dwaas aldus tegenover mij te veinzen. De Franschen zullen me even gemakkelijk overtuigen, dat zij er op uit zijn in den vreemde steden te veroveren, alleen uit zelfverdediging, als gij me kunt wijs maken, dat gij nooit ernstig over het huwelijk nagedacht hebt. Hoe kunt gij, kind, volhouden met te loochenen dat gij ooit aan eene dergelijke verbindtenis gedacht hebt, terwijl ge zeer goed weet, dat mij de persoon best bekend is, met wien ge u hebt willen vereenigen? Dat zou echter eene verbindtenis zijn, die even onnatuurlijk en in strijd met uwe belangen ware, als een afzonderlijk verbond van de Hollanders met de Franschen in hun nadeel zou wezen! Als gij echter nog niet rijpelijk over deze zaak nagedacht hebt, dan zeg ik u, dat het hoog tijd wordt dat gij dat doet; want mijn broeder heeft vast besloten de zaak met den heer Blifil zijn beslag te geven,—en ik zelve heb me eenigzins verantwoordelijk gesteld en uwe toestemming beloofd.”

„Wezenlijk, tante,” riep Sophia, „dit is het eenige geval waarin ik u en mijn vader niet gehoorzamen kan. Want het eischt slechts weinig overleg van mijn kant om dit huwelijk af te slaan.”

„Als ik niet even wijsgeerig was als Socrates zelf,” hernam hare tante, „zoudt ge mijn geduld uitputten. Wat ter wereld, kunt gij tegen den heer Blifil inbrengen?”

„Naar mijn gevoelen, een zeer degelijk iets,” antwoordde Sophia,—„ik haat hem!”

„Zult ge nooit leeren eene gepaste keuze van woorden te doen?” riep hare tante. „Wezenlijk, kind, ge moet Bailey’s woordenboek gebruiken. Het is onmogelijk dat ge iemand haten zoudt, die u nooit iets kwaads gedaan heeft. Met „haat” bedoelt ge dus niets dan afkeer, wat hoegenaamd geen bezwaar oplevert om te trouwen. Ik heb menig paar menschen gekend, die een grooten afkeer van elkaar hadden, en die toch een zeer gemakkelijk, fatsoenlijk leven leidden. Geloof me, kind, die dingen ken ik beter dan gij. Ge zult toch, denk ik, wel willen bekennen, dat ik de wereld van nabij gezien heb, en ik heb er geen eene kennis, die niet liever had, dat men dacht dat zij een afkeer van haar echtgenoot had dan andersom. [10]Het tegendeel van dit is zulk ouderwetsche, romantische onzin, dat het akelig is zelfs er aan te denken.”

„Maar wezenlijk, tante,” hernam Sophia, „ik zal nooit een man huwen, voor wien ik afkeer gevoel. Als ik mijn vader beloof nooit zonder zijne toestemming een huwelijk aan te gaan, dan, dunkt me, dat ik het regt heb te hopen dat hij mij ook nooit dwingen zal tegen mijn zin te huwen.”

„Tegen uw zin!” riep de tante met eenige drift. „Tegen uw zin! Uwe onbeschaamdheid verbaast mij! Een jong meisje van uw leeftijd en ongehuwd, praat er van om „tegen haar zin” te huwen! Maar wat ook uw zin zij, mijn broeder heeft zijn besluit genomen, en daar gij van „uw zin” praat, zal ik hem raden de zaak hoe eerder hoe liever ten einde te brengen! Uw zin, waarlijk!”

Sophia wierp zich nu op de knieën en de tranen begonnen rijkelijk uit hare schitterende oogen te vloeijen. Zij smeekte hare tante barmhartig te wezen en haar niet zoo wreed te straffen, alleen omdat zij onwillig scheen zich ongelukkig te maken, dikwijls er op aandringende dat de zaak haar zelve alleen betrof, en dat alleen haar geluk op het spel stond.

Even als een deurwaarder, die zijn bevel tot arrestatie in handen heeft, en eenmaal den een of anderen ongelukkigen schuldenaar bemagtigd hebbende, diens tranen zonder aandoening ziet, terwijl de ellendige gevangene te vergeefs zijn medelijden tracht op te wekken, en de teedere echtgenoote, van haar man beroofd, het babbelende jongentje, of het verschrikte dochtertje aanvoert, om zijn verzet te wettigen,—even als in weerwil daarvan, de deurwaarder doof en blind voor alle rampen, zich ver verheft boven alle menschelijkheid en besluit zijn prooi aan den gevangenbewaarder over te leveren;—zoo ook, even blind en doof voor Sophia’s smeekingen, had de wijze tante vast besloten het sidderende meisje in de armen van den stokbewaarder Blifil te voeren. Zij hernam dus met veel drift:

„’t Is verre van daar, mejufvrouw, dat alleen uwe belangen gemoeid zijn,—uwe belangen zijn van geen de minste beteekenis in deze zaak. Het is de eer uwer familie die in deze zaak gemoeid is; gij zijt alleen het werktuig! Verbeeldt ge u, mejufvrouw, dat bij een staatkundig huwelijk [11]tusschen twee vorstelijke persoonaadjes; bij voorbeeld, als eene dochter van Frankrijk in Spanje uitgehuwd wordt, verbeeldt gij u dan dat de prinses zelve alleen in aanmerking komt? Neen, het is eerder een huwelijk tusschen twee rijken dan tusschen twee personen. Hetzelfde is ook het geval in zulke groote familiën als de onze. De verbindtenis tusschen de twee huizen is de hoofdzaak. Ge moet meer zien op de eer van uwe familie dan op uwe eigene persoon, en als het voorbeeld eener vorstin u niet met deze verhevene gevoelens bezielen kan, dan moest ge u ten minste niet beklagen als men u niet slechter behandelt dan eene prinses.”

„Naar ik hoop, tante,” zei Sophia met eenige verheffing, „zal ik nooit iets doen om mijne familie te onteeren; maar wat den heer Blifil aangaat, wat ook de gevolgen zijn mogen, ik heb besloten niet met hem te trouwen en geen magt ter wereld zal mij dwingen ten zijnen gunste te veranderen.”

Western, die het grootste gedeelte van dit gesprek uit de verte gehoord had, geraakte nu buiten zich zelven van drift; hij stoof de kamer in, met de meeste woede en riep:

„Wel verd—! Ge zult hem hebben! Verdraaid! Ge zult hem hebben! Ge zult hem hebben! Ik zeg niets! Verdraaid! Ge zult hem hebben!”

Mejufvrouw Westerns toorn, die door hare nicht opgewekt was, ontlastte zich nu op den landjonker.

„’t Is toch verwonderlijk, broeder,” riep zij, „dat gij u nu mengen wilt in eene zaak, die ge aan mijne leiding hadt overgelaten. Achting voor mijne familie heeft me er toe overgehaald als bemiddelaarster op te treden, ten einde de gevolgen van die verkeerde opvoeding tegen te gaan, welke gij aan uwe dochter gegeven hebt. Want, broeder, gij zijt het,—het is uw bespottelijk gedrag, dat al de goede zaden uitgeroeid heeft, die ik vroeger in haar kinderlijk hart gestrooid had—”

„Wat drommel!” riep de landjonker, letterlijk schuimbekkende, „gij zoudt het geduld van den Satan zelven uitputten! Heb ik niet mijne dochter geleerd gehoorzaam te zijn?—Daar staat zij—spreek maar eerlijk op, meisje, heb ik jou ooit geleerd ongehoorzaam te zijn tegen mij? Heb ik niet alles gedaan om u uw zin te geven en om u genoegen [12]te doen, en om u gehoorzaam te maken? En zij was ook altijd zeer gehoorzaam zoo lang zij een klein kind was,—eer gij haar onder handen naamt en haar bedierft door haar het hoofd op hol te brengen met allerlei malle, hoofsche begrippen! Wel—hm!—ja,—hoorde ik niet zoo op het oogenblik hoe gij haar zeidet, dat zij zich als eene prinses moest houden? Gij hebt een Whig van het meisje gemaakt, en hoe zou nu haar vader, of iemand anders, gehoorzaamheid van haar kunnen verwachten?”

„Broeder,” hernam mejufvrouw Western, met de meeste minachting, „ik kan u niet zeggen hoe zeer ik al uwe staatkunde, van welken aard ook, veracht! maar ik zal me ook beroepen op de jonge dame zelve, en haar vragen of ik haar ooit iets dat op ongehoorzaamheid geleek, geleerd heb? Integendeel! Heb ik niet getracht, nicht, u een juist denkbeeld te geven van de verschillende betrekkingen waarin de mensch tot de zamenleving staat? Heb ik me niet oneindig veel moeite gegeven om u aan te toonen, dat de wet der natuur het den kinderen tot pligt maakt om hunne ouders te gehoorzamen? Heb ik u niet verteld wat Plato over dat onderwerp zegt?—Een onderwerp waaromtrent gij zoo schreeuwend onwetend waart, toen gij eerst onder mijne hoede kwaamt, dat ik waarlijk geloof, dat ge niet eens wist welke betrekking er bestond tusschen een vader en zijne dochter!”

„Dat is gelogen!” brulde Western. „Het meisje is zoo dom niet, dat zij op den leeftijd van elf jaren niet eens geweten zou hebben, dat zij eene bloedverwant van haar vader was!”

„O meer dan Gothische onwetendheid!” hernam de dame.—„En wat uwe manieren aangaat, broeder, moet ik u zeggen, dat men die met een stok verbeteren moest!”

„Nu, geef mij maar een pak slagen, als ge u daartoe in staat gevoelt!” riep de landjonker, „en het zou me niet verwonderen, als uwe nicht u gaarne daarbij helpen zou!”

„Broeder,” hernam mejufvrouw Western, „hoewel ik u onbeschrijfelijk veracht, verkies ik uwe onbeschoftheid niet langer te verdragen; ik verzoek dus mijne koets dadelijk te laten inspannen, daar ik me vast voorgenomen heb heden nog uw huis te verlaten.” [13]

„’t Zal eene gelukkige verlossing wezen!” antwoordde hij. „Als ge daarmede aankomt, moet ik u zeggen, dat ik ook niet langer uwe onbeschoftheid kan verdragen! Wat drommel! ’t Is al haast genoeg om mijne dochter aan mijn gezond verstand te doen twijfelen, als zij ieder oogenblik hoort hoe gij zegt dat ge me veracht!”

„Twijfelen?” riep de tante;—„het is onmogelijk te twijfelen aan het verstand van zoo’n boer—”

„Boer!” gilde de landjonker; „ik ben geen boer en geen ezel en ook geen Hannoversche rot, mejufvrouw! Vergeet dat niet! Ik ben geen rot! Ik ben een echt Engelschman en geen van dat Hannoversch ongedierte, dat het volk opvreet!”

„Gij zijt een van die wijze mannen,” riep zij, „wier waanzinnige begrippen het volk te grond gerigt hebben, door de banden van ons inwendig bestuur te verzwakken, door onze vrienden te ontmoedigen en onze vijanden in het buitenland aan te moedigen.”

„O, ge komt weer op uwe politiek terug!” riep de landjonker; „wat die betreft, ik veracht ze;—ik geef er geen —— om!” En dit laatste woord liet hij met een gebaar vergezeld gaan, dat best daarbij voegde. Of het nu dit woord was, of de minachting, welke hij voor haar politiek uitdrukte, die mejufvrouw Western het meest trof, wil ik niet beslissen; maar ook zij geraakte in hevige drift, braakte woorden uit, die niet geschikt zijn om hier herhaald te worden, en stoof dadelijk het huis uit. Noch haar broeder, noch hare nicht vonden goed haar tegen te houden, of haar na te loopen; de laatste was te zeer door leed ter neder geslagen; de eerste zoodanig door toorn overweldigd, dat beiden zich niet verroeren konden.

Western zond echter zijne zuster hetzelfde geroep achterna, dat de jager doet hooren als een haas pas door de honden opgejaagd is. Hij was, inderdaad, zeer bedreven in al deze geluiden en had een eigenaardige kreet voor bijna elke gebeurtenis van het menschelijk leven.

Vrouwen, die zooals jufvrouw Western de wereld kennen, en die zich op de wijsbegeerte en de politiek toegelegd hebben, zouden gebruik gemaakt hebben van de stemming, waarin de landjonker nu verkeerde, om zijn verstand op eene listige wijze te roemen, ten koste van zijn afwezigen [14]tegenstander. Maar hiertoe was Sophia te eenvoudig. Door dit woord willen wij den lezer volstrekt niet doen gelooven dat zij dom was, wat gewoonlijk als gelijkluidend met eenvoudig beschouwd wordt;—want zij was werkelijk een zeer verstandig meisje, met heerlijke geestvermogens, maar het ontbrak haar aan die nuttige listen, welke de vrouwen tot zoo vele goede doeleinden in dit leven bezigen, en die daar ze veeleer uit het hart dan uit het hoofd voortkomen, dikwijls de domste vrouwen eigen zijn.

[Inhoud]

Hoofdstuk IV.

Portret van een landjonker, naar het leven geteekend.

De heer Western zijn hoera uitgebulderd hebbende, begon, na adem gehaald te hebben, zeer aandoenlijk te klagen over den toestand van mannen, die altijd, volgens hem, gegeesseld worden door de nukken van de eene of andere verwenschte heks.

„Ik meende,” zeide hij, „dat uwe moeder mij, armen drommel, hard genoeg viel, maar nu ik haar kwijt ben, komt er nog zoo’n feeks om mij het leven te verbitteren; maar de drommel zal me halen, als ik me door welke vrouw ook zóó laat kwellen!”

Sophia had vóór deze ongelukkige zaak met Blifil, nooit eenigen twist met haar vader gehad, om welke reden ook, behalve tot verdediging harer moeder, die zij zeer teeder beminde, hoewel zij haar, toen zij pas elf jaren oud was, verloren had.

De landjonker, voor wien de arme vrouw haar leven lang eene soort van getrouwe opperste dienstbode was geweest, had haar dat vergolden door te zijn, wat men in de wereld noemt, een goede echtgenoot. Hij vloekte zelden tegen haar; hij gaf haar geene reden hoegenaamd tot ijverzucht, en liet haar vrij over al haren tijd beschikken; want zij werd nooit gestoord door haar man, die den heelen morgen met zijne landelijke vermaken bezig was, en den geheelen avond met zijne vrienden bij de flesch zat. Zij zag hem, inderdaad, [15]zelden anders dan aan tafel, waar zij het genoegen had die geregten voor te dienen, voor welker toebereiding zij eerst gezorgd had. Van deze maaltijden verwijderde zij zich vijf minuten na de overige dienstboden, daar zij alleen bleef zitten tot men op „den koning, aan genen kant van het Kanaal”1 gedronken had. Naar het schijnt, geschiedde dit op bevel van den heer Western; want het was een stelregel bij hem, dat de vrouwen met den eersten toast weer heengaan moeten. De gehoorzaamheid aan deze bevelen viel welligt niet zwaar; want het gesprek aan tafel, (als het dien naam verdient), was zelden van dien aard, dat eene dame er eenig genoegen bij smaken kon. Het bestond voornamelijk uit gebrul, gezang, jagtverhalen, gemeene taal en schelden op de vrouwen en het gouvernement.

Het was echter alleen bij deze gelegenheden dat de heer Western zijne vrouw zag; want als hij naar bed ging, was hij gewoonlijk zoo dronken, dat hij haar niet zien kon, en in het jagtsaizoen stond hij altijd voor het aanbreken van den dag op.

Zij kon dus vrij over haren tijd beschikken, en had bovendien gewoonlijk eene koets met vier paarden tot hare orders, ofschoon de slechte toestand der wegen en der buurt dit laatste voorregt ongelukkig van zijne meeste waarde beroofde; want niemand, die geen lust had den nek te breken, zou langs die wegen hebben willen rijden, en niemand, die eenigen prijs stelde op zijn tijd, had hem in die buurt aan bezoeken willen verspillen. Om nu den lezer de ronde waarheid te zeggen, was zij niet zoo dankbaar voor al deze goedheid als men wel had mogen verwachten;—want zij was, tegen haar zin, door een dwazen vader uitgehuwd, omdat de verbindtenis, wat haar betrof, eenigzins voordeelig was, daar Western meer dan twee duizend pond sterling ’s jaars te verteren had, terwijl haar kapitaal niet meer dan acht duizend pond bedroeg.

Vandaar was zij eenigzins somber van aard geworden; want zij was eerder eene uitmuntende dienstbode dan eene goede echtgenoote, en niet dankbaar genoeg, om zelfs met een vriendelijken glimlach de brullende vreugde te beantwoorden, [16]waarmede zij door haar man soms ontvangen werd. Bovendien bemoeide zij zich wel eens met dingen, die haar niet aangingen,—zooals het drinken van haar man, wat zij, bij sommige der weinige gelegenheden, die zij daartoe vond, hem op de meest zachtaardige wijze verweet. Eens in haar leven ook, had zij hem ernstig gesmeekt haar een paar maanden in Londen te laten doorbrengen, wat hij kort af weigerde; ja, hij verweet zijne vrouw dat verzoek steeds; daar hij de innige overtuiging had dat alle mannen in Londen door hunne vrouwen bedrogen worden.

Om deze laatste en vele andere dergelijke redenen, eindigde Western er mede zijne vrouw van ganscher harte te haten, en daar hij dezen haat vóór haar dood nooit verborg, vergat hij hem ook nooit later; maar als iets hem uit zijn humeur bragt, zoo als een slechte dag op de jagt, de ziekte zijner honden, of eenige ramp van dien aard, gaf hij zich altijd lucht door de overledene uit te schelden, er bij voegende: „Als mijne vrouw nog leefde, zou haar dat pleizier doen!”

Hij was er bijzonder op uit deze smaadredenen in Sophia’s bijzijn te uiten; want daar hij haar wezenlijk meer dan alles ter wereld lief had was hij ook werkelijk ijverzuchtig en vreesde hij dat zij meer van hare moeder dan van hem gehouden had. En Sophia bleef bij zulke gelegenheden zelden in gebreke om zijne ijverzucht te verhoogen; want hij was niet tevreden met hare ooren te kwetsen met de scheldnamen waarmede hij hare moeder overlaadde; maar hij trachtte haar eene stilzwijgende goedkeuring daarvan af te persen,—een wensch echter, welker vervulling hij noch door beloften, noch door bedreigingen van haar verkrijgen kon.

Sommige mijner lezers zullen zich nu verwonderen, welligt, dat Western Sophia niet evenzeer haatte als hare moeder; maar ik moet in bedenking geven, dat de haat geen gevolg der liefde is,—zelfs waar er ook ijverzucht bestaat. Het is, inderdaad, zeer mogelijk dat een ijverzuchtig mensch het voorwerp zijner ijverzucht zou dooden;—maar niet daarom haten. Daar dit gevoelen nu een tamelijk zware brok is, en eenigzins paradox luidt, zullen wij het den lezer aan het einde van dit hoofdstuk overlaten, om er rijpelijk over na te denken. [17]


1 De Pretendent. 

[Inhoud]

Hoofdstuk V.

Sophia’s edelmoedig gedrag ten opzigte harer tante.

Sophia bewaarde het stilzwijgen gedurende de laatstvermelde redevoering van haar vader, en antwoordde niet anders dan met een zucht; daar hij echter de taal der oogen volstrekt niet begreep, kon hij zich niet tevreden stellen zonder eenige andere goedkeuring zijner gevoelens, welke hij nu van zijne dochter eischte, haar, op zijne gewone wijze, vertellende, „dat hij wel wachtte dat zij gereed zou zijn partij tegen hem te kiezen voor iedereen, zoo als zij altijd gedaan had voor die verwenschte heks, hare moeder.”

Daar Sophia steeds nog bleef zwijgen, riep hij uit:

„Zijt ge sprakeloos? Waarom spreekt ge niet? Was uwe moeder geene vervloekte feeks? Antwoord daarop! He! Ge begint uw vader misschien ook te verachten, en keurt hem niet waardig een woord uit jou mond te vernemen!”

„In ’s Hemels naam, vader,” hernam Sophia, „geef geene zoo onbillijke uitlegging aan mijn stilzwijgen! Ik zou liever sterven dan me schuldig maken aan iets dat oneerbiedig was ten uwen opzigte;—maar hoe zou ik het wagen den mond open te doen, als elk woord dat ik me liet ontvallen, òf mijn besten vader moet beleedigen, òf mij zelve schuldig doen worden aan de zwaarste ondankbaarheid jegens de beste der moeders;—want, dat weet ik, voor mij is mama dat altijd geweest.”

„En jou tante zal ook zeker de beste der zusters zijn!” hernam de landjonker. „Zult ge zoo goed wezen te bekennen dat die eene feeks is? Dat mag ik billijk van u vergen, dunkt me!”

„Wezenlijk, vader,” zei Sophia, „ik heb groote verpligtingen aan tante. Zij is steeds eene tweede moeder voor mij geweest.”

„En een tweede vrouw voor mij ook!” riep Western. „Dus trekt ge ook partij voor haar? Ge wilt niet bekennen dat zij, voor ’n zuster, zoo gemeen mogelijk gehandeld heeft?”

„Op mijn woord, vader,” antwoordde Sophia, „ik zou eene zeer onvergeefelijke onwaarheid zeggen, als ik dat [18]deed. Ik weet dat gij en tante in uwe denkwijze zeer verschillen, maar ik heb duizendmaal gehoord, hoe zij de grootste liefde tot u aan den dag legde, en ik ben overtuigd, dat verre van de slechtste zuster ter wereld te zijn, er weinigen zijn, die haren broeder opregter lief hebben dan zij.”

„Wat met ronde woorden zeggen wil,” hernam de landjonker, „dat ik ongelijk heb! O ja—zeker! Zeker! De vrouw heeft altijd gelijk en de man steeds ongelijk!”

„Met uw verlof, vader,” zei Sophia, „dat beweerde ik volstrekt niet!”

„Hoe! Zegt ge dat niet?” riep haar vader. „Ge hebt de onbeschaamdheid vol te houden dat zij gelijk heeft, en volgt niet daaruit dat ik natuurlijk ongelijk heb? Misschien heb ik ook ongelijk gehad dat ik zulk eene presbyteriaansche, Hannoverschgezinde heks ooit in mijn huis duldde. Zij is er best toe in staat mij van hoog-verraad aan te klagen en al mijne bezittingen in handen van het gouvernement te spelen!”

„Ver van u geldelijk te willen benadeelen, vader,” zei Sophia, „ben ik overtuigd dat als tante gisteren gestorven ware, zij u haar geheel vermogen nagelaten zou hebben.”

Of Sophia dit met bedoeling zeide of niet, zal ik niet wagen te beslissen; maar zeker is het dat haar vader getroffen werd door deze laatste woorden, welke veel meer uitwerkten dan al wat zij te voren gezegd had. Zij raakten hem inderdaad zoo wat op dezelfde wijze als een kogel door het hoofd. Hij schrikte, beefde en verbleekte. Hierop zweeg hij een oogenblik, en hervatte toen aarzelende, als volgt:

„Gisteren? Zij zou me gisteren haar geheel vermogen nagelaten hebben? Zou zij dat gedaan hebben? Waarom juist gisteren? Denkelijk dan, als zij morgen sterft, zal zij het aan iemand anders vermaken en zal het voor de familie verloren gaan!”

„Tante is zeer driftig van aard, vader,” riep Sophia, „en het is onmogelijk te voorzien wat zij onder den invloed van den toorn zou kunnen doen.”

„Zoo! Is dat onmogelijk?” hernam haar vader, „En mag ik weten wie aanleiding gegeven heeft om haar driftig te maken? Neen! Wie heeft haar eigenlijk driftig [19]gemaakt? Waart gij niet met haar al aan den gang eer ik in de kamer kwam? Bovendien, was het niet alleen over u dat wij kibbelden? Al jaren lang heb ik met zuster geen ruzie gehad dan alleen over u,—en nu wildet gij de geheele schuld op mij werpen, en het mij wijten als zij er toe komt haar geld aan vreemden te vermaken! Ik had ook niets beters van jou moeten wachten! Dat is de vergoeding die ge me schenkt voor al mijne liefde!”

„Ik smeek u dan,” riep Sophia, „op de knieën smeek ik u, als ik de ongelukkige aanleiding ben geweest tot dezen twist, om te trachten u met tante te verzoenen, en niet te dulden dat zij in hevigen toorn ontstoken dit huis verlaat;—zij is toch zeer goedig van aard en slechts eenige vriendelijke woorden zijn vereischt om haar te verzoenen! Laat me u smeeken, vader, dat te doen!”

„Zoo! En moet ik nu gaan vergiffenis vragen voor hetgeen gij misdaan hebt? Zoo!” riep Western. „Gij hebt het haas verloren en ik moet het weer gaan opsporen! Maar, als ik zeker was,—”

Hier brak hij af en Sophia, die steeds bleef smeeken, haalde hem eindelijk over, zoodat, na eenige scherpe, satirieke uitdrukkingen tegen zijne dochter gerigt te hebben, hij zoo snel mogelijk vertrok, om zijne zuster, als het kon, te verzoenen eer haar rijtuig ingespannen was.

Sophia keerde nu naar hare treurige kamer terug, waar zij zich overgaf (men vergeve mij die uitdrukking), aan al de weelde harer liefdepijn. Zij las en herlas meer dan eens den brief welken zij van Jones ontvangen had; de mof kwam ook bij deze gelegenheid weer te voorschijn en beide voorwerpen, even als zij zelve, baadden in tranen.

In dezen toestand gaf zich de welwillende juffer Honour de meeste moeite om hare bedroefde meesteresse te troosten. Zij somde de namen van eene menigte jonge heeren op en na hunne gaven en uiterlijk zeer geroemd te hebben, verzekerde zij Sophia dat zij daaronder kiezen kon.

Dergelijke middelen moeten zeker dikwijls met goed gevolg in soortgelijke ongevallen gebruikt zijn, of zulk een kundige praktizijn als juffer Honour zou nooit getracht hebben ze nu toe te passen;—ik heb zelfs wel eens gehoord, dat de fakulteit der kameniers ze onder de onfeilbaarste middelen [20]rekent der geheele vrouwen-apotheek; maar, hetzij dat Sophia’s ziekte inwendig verschilde van die gevallen, welker uiterlijke kenmerken ze vertoonde, of om eenige andere reden,—maar werkelijk deed haar de goede kamenier meer kwaad dan goed, en vertoornde eindelijk hare meesteresse (wat niet gemakkelijk viel), zoo zeer, dat zij haar op verontwaardigden toon beval de kamer te verlaten.

[Inhoud]

Hoofdstuk VI.

Bevattende allerlei.

De landjonker haalde zijne zuster in op het oogenblik, dat zij in het rijtuig wilde klimmen, en gedeeltelijk met geweld, gedeeltelijk door smeekingen, bragt hij haar er toe om de paarden weder te doen afspannen. Dit gelukte hem zonder veel moeite; want, gelijk wij reeds te kennen gegeven hebben, was de dame van zeer vreedzamen aard, en hield zij ook veel van haar broeder, hoewel zij zijne geestvermogens, of liever zijne geringe wereldkennis, verachtte.

De arme Sophia, die deze verzoening eigenlijk bewerkt had, werd er nu het slagtoffer van. Beiden kwamen overeen om haar gedrag te berispen; zij verklaarden haar gezamenlijk den oorlog en belegden dadelijk een raad, om maatregelen van de grootste kracht te beramen. Met dit doel stelde mejufvrouw Western voor, niet slechts om het contract met Allworthy dadelijk te sluiten, maar ook onmiddellijk de bepalingen er van te doen uitvoeren. Zij zeide tevens, „dat men alleen door gewelddadige middelen met hare nicht zou kunnen slagen, aan welke zij overtuigd was dat Sophia te zwak was om wederstand te bieden. Door geweld,” voegde zij er bij, „bedoel ik eigenlijk spoed;—want, wat opsluiting of bepaald dwang betreft, zoo iets moet volstrekt niet beproefd worden. Ons plan moet eene verrassing en geene bestorming zijn.”

Dit was dus alles afgesproken, toen de heer Blifil verscheen om zijne opwachting bij zijne beminde te maken. Zoodra de landjonker zijne komst vernam, verwijderde hij zich, op raad zijner zuster, om zijne dochter te bevelen [21]haren aanstaande op eene betamelijke wijze te ontvangen, wat hij ook deed, met de hevigste bedreigingen en verwenschingen, toen zij dit weigerde.

Deze onstuimigheid van den landjonker maakte echter een einde aan allen tegenstand, en Sophia, zooals hare tante zeer wijsselijk voorzag, was niet in staat hem het hoofd te bieden. Zij stemde er dus in toe om Blifil te ontvangen, hoewel haar naauwelijks kracht of moed genoeg overbleef, om die woorden er uit te brengen. En wezenlijk, het was geene gemakkelijke taak voor haar, om een vader, dien zij zoo teeder beminde, iets te weigeren. Zonder deze bedenking, zou zij zich welligt hebben kunnen redden met veel minder vastberadenheid, dan zij wezenlijk bezat;—maar het is niets ongewoons daden, die grootendeels door liefde ingegeven worden, geheel en al aan vrees te zien toeschrijven.

Ten gevolge dus van de bepaalde bevelen van haar vader, moest Sophia nu den heer Blifil ontvangen. Wij hebben opgemerkt dat tooneelen van dezen aard, als ze zeer uitvoerig beschreven worden, den lezer slechts weinig vermaak opleveren, en wij zullen ons dus bij deze gelegenheid streng houden aan den regel van Horatius, die den schrijver den raad geeft om alles over te slaan, wat hij geene kans ziet in een helder licht te doen uitkomen. Een regel, naar wij ons verbeelden, die uitmuntend is, evenzeer voor den geschiedschrijver als den dichter, en die, als men er nooit van afweek, ten minste één heerlijk gevolg zou hebben, namelijk dat menig groot kwaad (zoo als elk dik boek wel eens heet), tot een klein kwaad teruggebragt zou worden.

Het is mogelijk dat de list, door Blifil bij deze bijeenkomst ten toon gespreid, Sophia overgehaald zou hebben bij een anderen man in zijne omstandigheden, om hem tot haar vertrouweling te maken, en haar hart voor hem open te leggen. Maar zij had zulk een ongunstig denkbeeld omtrent dezen jongeling opgevat, dat zij vast besloten had geen vertrouwen in hem te stellen;—want als de eenvoudigheid eens op hare hoede is, is die dikwerf tegen alle list bestand. Hare houding tegenover hem was dus zeer gedwongen en inderdaad van dien aard, welken men gewoonlijk bij eene jonge dame eischt, bij het tweede deftige bezoek [22]van iemand, die tot haar aanstaanden echtgenoot bestemd is.

Maar ofschoon Blifil tegen haar vader verklaarde dat hij zeer tevreden was over zijne ontvangst,—was echter die heer, die door zijne zuster vergezeld, alles afgeluisterd had wat er voorgevallen was, niet zoo zeer in zijn schik. Hij besloot dan, op raad van die wijze dame, om de zaken zooveel mogelijk te verhaasten, en zich tot zijn aanstaanden schoonzoon wendende, sprak hij hem, na een luid, hola! in zijne jagerstaal, op de volgende wijze aan:

„Ks! ks! mijn jongen! Zit haar achterna! Ks! ks! Pak maar! Ks! ks! Vat maar aan! Wees niet bang! Pak maar aan! Allworthy en ik kunnen heden namiddag alles regelen en morgen zal het huwelijk zijn!”

Blifil riep eene uitdrukking van de meeste voldoening op zijn gelaat en hernam:

„Daar er niets ter wereld is, mijnheer, dat ik meer begeer dan eene verbindtenis met uwe familie, en mijn huwelijk met de beminnelijke en deugdzame Sophia, kunt gij u gemakkelijk verbeelden, hoe ongeduldig ik uitzie naar de verwezenlijking mijner twee dierbaarste wenschen. Zoo ik u dus op dit punt niet lastig gevallen ben, wil dat alleen toeschrijven aan mijne vrees van de dame te beleedigen, door te trachten zulk eene gelukkige gebeurtenis eerder door te drijven dan voegen zou met de strengste voorschriften der betamelijkheid en welvoegelijkheid. Maar, als men door uw invloed, mijnheer, haar overhalen kon eenige formaliteiten te—”

„Formaliteiten. Wat drommel!” riep de landjonker, „allemaal gekheid en onzin! Ik zeg je, dat zij jou morgen trouwen zal. Als ge zoo oud zijt als ik, zult ge de wereld beter kennen. De vrouwen zeggen nooit ja, jongen, als zij het laten kunnen. Dat is zoo de mode. Als ik op hare moeders toestemming had gewacht, was ik heden ten dage nog jonggezel! Toegetast maar! Toegetast maar, mijn jongen! Daar komt het op aan! Ik zeg, dat gij haar morgen hebben zult!”

Blifil liet zich overtuigen door de krachtige redenatiën van den landjonker, en daar men overeen kwam, dat Western dienzelfden namiddag alles met Allworthy regelen zou, [23]ging de minnaar huiswaarts, na zeer ernstig gesmeekt te hebben, dat men de dame met deze overhaasting volstrekt geen geweld zou aandoen,—ongeveer op dezelfde wijze als een Inquisiteur de wereldsche autoriteiten smeekt volstrekt geen geweld te gebruiken tegen den leek, die aan haar overgeleverd wordt, nadat de kerk hem gevonnisd heeft.

En, om de waarheid niet te verbloemen, Blifil had het vonnis over Sophia uitgesproken; want ofschoon hij zich aan Western volmaakt tevreden verklaarde met zijne ontvangst, was hij eigenlijk van niets overtuigd, dan dat hij het voorwerp van den haat en der verachting der dame was, en dit had geen minderen haat en verachting bij hem opgewekt. Men zal welligt vragen, waarom hij dan in dit geval niet onmiddellijk een einde maakte aan hunne vrijaadje, en ik antwoord, dat het juist om die reden was, en om verscheidene anderen, die even deugdelijk waren, en welke ik nu uitleggen zal.

Hoewel mijnheer Blifil niet van hetzelfde gestel was als Jones, gereed om iedere vrouw, die hij zag, aan te vliegen, was hij echter ver van ontbloot te zijn van die driften, welke, naar men zegt, aan alle dieren eigen zijn. Daarbij bezat hij dien geest van onderscheid, welke de menschen in het voorwerp hunner keuze leidt, als zij aan hunne lusten willen voldoen, en deze leerde hem Sophia te beschouwen als een heerlijk brokje, en voor haar bezield te zijn met dezelfde gevoelens waarmede een lekkerbek een ortolaan aanziet. En de kwellingen welke Sophia’s hart ontroerden, verhoogden hare schoonheid eerder dan dat zij ze verminderden; want de tranen maakten hare oogen nog schitterender en haar boezem golfde van hare zuchten. Werkelijk ook, heeft niemand de schoonheid in haren grootsten luister gezien, als hij haar niet in het ongeluk gezien heeft. Blifil bekeek dus nu deze menschelijke ortolaan met meer verlangen dan toen hij haar de laatste keer gezien had; en zijne begeerte werd volstrekt niet verminderd door den afkeer welken zij voor hem aan den dag legde. In tegendeel, dit diende eerder om het genot te verhoogen dat hij zich voorstelde van haar bezit, daar de wellust door de overwinning verhoogd zou worden;—ja, hij had zelfs nog andere oogmerken met zijn wensch om haar te bezitten, die wij [24]te zeer verfoeijen om ze zelfs te noemen, en onder de genoegens, welke hij zich voorspiegelde, nam ook de wraak hare plaats in. Den armen Jones te verdringen en hem uit haar hart te bannen, was nog een spoorslag voor hem, en beloofde zijn genot ten hoogsten top te voeren.

Behalve deze plannen, welke sommige naauwgezette menschen wat al te kwaadaardig zullen vinden, had hij ook iets anders op het oog, dat zeer weinige mijner lezers met groote afkeuring zullen vernemen. En dit was het vermogen van den heer Western, dat op zijne dochter en hare kinderen gevestigd zou zijn; want zoo buitensporig was deze dwaze vader in zijne liefde, dat mits zijn kind slechts daarin toestemde om een ellendig leven te leiden met den echtgenoot zijner keuze, hij er niet om gaf hoe duur die hem te staan kwam.

Om deze redenen verlangde de heer Blifil zoo zeer naar het huwelijk, dat hij zich voornam om Sophia te bedriegen, door haar in den waan te brengen dat hij haar beminde, en om haar vader en zijn eigen oom te misleiden door voor te geven dat hij door haar bemind werd. Tot dit einde maakte hij gebruik van de leer van den heer Thwackum, die het er voor hield, dat als het doel heilig was (wat zeker het geval is met het huwelijk), het er niet op aankwam hoe slecht de middelen waren. Bij andere gelegenheden plagt hij de wijsbegeerte van Square toe te passen, die beweerde dat het doel onverschillig was, mits de middelen slechts eerlijk en bestaanbaar waren met de zedelijke regtschapenheid. Om de waarheid te zeggen, er waren slechts weinige gevallen in dit leven, waarop hij niet met groot voordeel de leerstellingen van een van deze twee groote wijsgeeren toepassen kon.

Het was echter niet noodig om veel bedrog te plegen bij den heer Western, die niet meer gewigt hechtte aan de neigingen zijner dochter dan Blifil zelf; daar de heer Allworthy echter er heel anders over dacht, was het bepaaldelijk noodig om hem te misleiden.

Hierin werd Blifil echter zoo uitmuntend geholpen door Western, dat het hem zonder bezwaar gelukte; want daar de heer Allworthy van haren vader de verzekering ontving, dat Sophia zeer ingenomen was met Blifil, en dat alles wat hij omtrent Jones verondersteld had heel verkeerd was, behoefde [25]Blifil niets anders te doen dan deze beweringen te bekrachtigen,—wat hij met zooveel dubbelzinnigheid deed, dat hij zijn geweten redde, en de voldoening smaakte om zijn oom een leugen te doen gelooven, zonder er bepaaldelijk zelf een verteld te hebben. Toen hij ondervraagd werd aangaande Sophia’s gevoelens door Allworthy, die zeide, „in geen geval er deel aan te willen hebben, dat de jonge dame tegen haar zin tot een huwelijk gedwongen werd,” antwoordde Blifil: „Dat het zeer moeijelijk was achter de ware gevoelens der jonge dames te komen; dat hare houding tegenover hem zoo voorkomend was als hij maar wenschen kon, en dat, als hij haar vader mogt gelooven, zij juist die neiging tot hem koesterde, welke eenige minnaar ooit verlangen kon.”

„Wat Jones aangaat,” vervolgde hij, „dien ik ongaarne een schurk noem, hoewel zijn gedrag ten uwen opzigte, oom, die benaming wel regtvaardigde, zijne ijdelheid, of misschien eenige booze oogmerken, heeft hem welligt doen bogen op iets dat niet bestaat; want als er iets van aan ware, dat mejufvrouw Western wezenlijk van hem hield, zou de grootte van haar vermogen hem nooit overgehaald hebben haar te verlaten, zoo als u bekend is, dat hij nu gedaan heeft. Eindelijk, oom, verklaar ik u, dat ik zelf om geene reden, neen, niet eens om alles ter wereld, er in toestemmen zou om deze jonge dame tot mijne vrouw te nemen, als ik niet overtuigd was, dat zij, wat hare liefde betreft, in alle opzigten aan mijne wenschen voldoet.”

Deze uitmuntende wijze om eene onwaarheid in te kleeden, wat geschiedt door middel van dubbelzinnigheid en bedrog, zonder den mond aan een logen schuldig te maken,—heeft het geweten van menigen grooten schelm gerust gesteld, en toch, als wij bedenken, dat het den Alwetende is, dien men tracht te bedriegen, zal men inzien, dat ze slechts een zeer oppervlakkigen troost kan opleveren, en dit kunstige en fijne onderscheid tusschen het doen gelooven aan eene onwaarheid, en het vertellen van een logen, is naauwelijks de moeite waard, die het kost.

Allworthy was tamelijk voldaan door hetgeen de heer Western en Blifil hem vertelden, en alle afspraken waren nu, na verloop van twee dagen, gemaakt. Niets bleef dan [26]over om de kerkelijke inzegening te doen uitstellen, dan het werk der notarissen, hetwelk zooveel tijd dreigde te kosten, dat Western zich gereed verklaarde zich met de plegtigste eeden tot alles te verbinden, eerder dan het geluk van het jonge paar te vertragen. Inderdaad, hij was zoo vol ijver en zoo dringend in deze zaak, dat een onverschillige toeschouwer hem voor den hoofdpersoon daarbij zou hebben kunnen aanzien; maar deze drift was hem bij alle gelegenheden eigen, en elk plan dat hij beraamde, ondernam hij op eene wijze, die scheen aan te toonen dat het welslagen daarvan het geluk van zijn leven zou verzekeren.

De vereenigde smeekingen van vader en schoonzoon zouden waarschijnlijk den heer Allworthy overgehaald hebben, daar deze er niet aan denken kon het geluk van anderen te vertragen, zoo Sophia zelve dit niet belet had, door maatregelen te beramen, die de geheele verbindtenis verijdelden en kerk en wet beroofden van de belastingen, welke die wijze ligchamen goedgevonden hebben te leggen op de wettige voortplanting van het menschelijke geslacht. Hierover nader in het volgende hoofdstuk.