WeRead Powered by ReaderPub
Twee Edellieden van Verona cover

Twee Edellieden van Verona

Chapter 3: Eerste Bedrijf.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

Two young noble friends part ways as one seeks advancement while the other stays and falls in love; when circumstances bring them back together, loyalty is tested as one betrays the other by courting his friend’s beloved. The action interweaves schemes, mistaken identities, and a woman’s resourceful ruse to probe constancy, with servants supplying comic wordplay and scenes that shift between courtly bustle and pastoral refuge. The play explores fidelity, the capriciousness of affection, and the strain between friendship and desire, concluding in reconciliations that leave moral tensions and character flaws visible rather than neatly resolved.

Twee Edellieden van Verona.

  • Personen:

  • De Hertog van Milaan, Silvia’s vader.
  • Twee edellieden van Verona.
    • Valentijn,
    • Proteus.
  • Antonio, vader van Proteus.
  • Thurio, een dwaas mededinger van Valentijn.
  • Eglamour, begeleider van Silvia op haar vlucht.
  • Flink, een potsig dienaar van Valentijn.
  • Lans, een dergelijk dienaar van Proteus.
  • Panthino, bediende van Antonio.
  • De Waard, bij wien Julia vertoeft.
  • Bandieten.
  • Julia, bemind door Proteus.
  • Silvia, bemind door Valentijn.
  • Lucetta, Julia’ s kamerjuffer.
  • Bedienden, Muzikanten.

Het tooneel is nu in Verona, dan in Milaan, en ook op de grenzen van Mantua.

Eerste Bedrijf.

Eerste Tooneel.

Een plein in Verona.

Valentijn en Proteus komen op.

Valentijn.

Staak vrij uw overreding, lieve Proteus;

Thuiszitten maakt een jonkman tot een huishen.

Ja, hield de liefde uw lente niet geketend

Aan ’t lieflijk lonken van uw aangebeed’ne,

Dan drong ik u, veeleer te zaam met mij

Der wijde wereld wond’ren te gaan zien,

Dan zóó uw jeugd, in duffe droomerij

En lendenlammen lediggang te slijten,

Doch wijl gij mint,—blijf minnen, groei er in,

Zooals mijn wensch zal zijn, als ik eens min.

Proteus.

Gij wilt dus gaan? Vaarwel mijn Valentijn!

Denk aan uw Proteus, als gij op uw reizen

Iets vreemds en recht opmerkenswaardigs ziet;

Indien ’t u goed gaat, rijze in u de wensch,

Dat ik er bij waar’; zijt gij in gevaar,—

Indien er ooit gevaren om u zweven,—

Beveel uw nood dan aan mijn heil’ge beden,

Want ik wil voor u bidden, Valentijn. 17

Valentijn.

En zeker bidden uit een liefdeboek?

Proteus.

Uit een geliefd boek, ja, zal ’k voor u bidden.

Valentijn.

Ja, uit een grondloos boek van diepe liefde,

Hoe door den Hellespont Leander zwom.

Proteus.

Dat is een diep verhaal van dieper liefde;

Hij stak in liefde meer dan schoenendiep.

Valentijn.

’t Is waar! in liefde steekt gij laarzendiep,

En toch, nooit zwomt gij door den Hellespont.

Proteus.

Wat, laarzen? Pas geen Spaansche laars mij aan.

Valentijn.

Nu, ’k zeg, gij steekt in folterlaarzen.

Proteus.

Nu, ’k zeg, gij steekt in folterlaarzen.Wat?

Valentijn.

Gij steekt in liefde, die voor smachten hoon,

Met hartezuchten schuwe blikken koopt,

Een oogwenk heils met twintig bange nachten,

Bij zoete zege steeds een neêrlaag wint,

Bij neêrlaag zure moeite als overwinst;

Liefde is een dwaasheid, door vernuft gekocht,

Of wel vernuft, door dwaasheid overmocht.

Proteus.

Gij stelt mij waarlijk als een dwaas ten toon.

Valentijn.

Gij stelt uzelven, vrees ik, dus ten toon.

Proteus.

Gij smaadt de liefde; en ik ben niet de Liefde.

Valentijn.

Liefde is uw meester, want die meestert u;

En hij, die zoo het juk draagt van een dwaas,

Zij, dunkt mij, bij de wijzen niet geboekt.

Proteus.

Toch staat geboekt: zooals in de’ eêlsten knop

De worm verterend huist, zoo kiest de liefde

Verterend woning in den eêlsten geest.

Valentijn.

En ’t staat geboekt: zooals de vroegste knop

Verteerd wordt, voor ’t ontluiken, door den worm,

Zoo wordt de jonge en teed’re geest door liefde

Verkeerd in dwaasheid; in den knop verwelkt hij;

Reeds bij het eerst ontluiken valt zijn groen

Met al, wat ooit op vruchten kon doen hopen.

Doch wat spil ik mijn tijd met raad aan u,

Die u verpand hebt aan den minnewaan?

Nog eens, vaarwel! want aan de haven wacht

Mijn vader reeds om mij aan boord te brengen.

Proteus.

’k Ga met u naar de haven, Valentijn.

Valentijn.

Neen, Proteus, laat ons hier nu afscheid nemen; 56

Maar schrijf mij spoedig naar Milaan, hoe ’t u

Met uwe liefde gaat, en wat er verder

Voor nieuws hier is in ’t afzijn van uw vriend;

En wacht van mij gelijk bezoek ten uwent.

Proteus.

Nu, alle heil geworde u in Milaan!

Valentijn.

Zoo u niet minder thuis! En nu, vaarwel!

(Valentijn af.)

Proteus.

Hij jaagt naar eer en ik naar liefde; hij

Verlaat zijn vrienden, om hen te verheffen;

Ik, om de min, mijzelf, mijn vrienden, alles.

Gij, Julia, hebt mij aan mijzelf ontvoerd,

Zoodat ik niets studeer, mijn tijd verdoe,

De wereld niets tel, goeden raad veracht,

En, suf gedroomd, zwaarmoedig zucht en smacht.

(Flink komt op.)

Flink.

Vergun, heer Proteus, was mijn meester hier?

Proteus.

Hij ging juist heen, en naar Milaan aan boord.

Flink.

Nu, twintig tegen een, dan is hij scheep,

En ik, die van hem af geraakte, een schaap.

Proteus.

Ja, ja, niet zelden raakt een schaap verdwaald,

Zoodra de scheper in het hoeden faalt.

Flink.

Gij wilt dus zeggen, dat mijn meester een scheper is en ik een schaap?

Proteus.

Ja juist.

Flink.

Dan zijn mijn horens zijn horens, of ik waak of slaap.

Proteus.

Een recht onnoozel antwoord, passend voor een schaap.

Flink.

Dat maakt mij waarlijk weer tot schaap.

Proteus.

Juist, en uw meester tot scheper.

Flink.

Neen, ik kan het tegenspreken met een sluitrede.

Proteus.

En ik maak mij sterk het met een andere te staven.

Flink.

De scheper zoekt de schapen en niet het schaap den scheper; welnu, ik zoek mijn meester en niet mijn meester mij; derhalve: ik ben geen schaap.

Proteus.

Het schaap volgt om het voêr den scheper, de scheper niet om het eten ’t schaap; gij volgt om loon uw meester, uw meester volgt u niet om loon; derhalve, gij zijt een schaap.

Flink.

Nog eens zulk een sluitrede, en ik roep mè-è! 98

Proteus.

Maar hoor nu, hebt gij mijn brief aan Julia gegeven?

Flink.

Ja, heer; ik, een verloren schaap, gaf uw brief aan haar, een verkoren schaap; en zij, een verkoren schaap, gaf aan mij, een verloren schaap, niets voor mijn moeite.

Proteus.

Voor zooveel schapen is de weide wel wat te klein.

Flink.

Als het veld overvol is, deedt gij het best, haar te kooien.

Proteus.

Neen, daar zijt gij aan ’t dwalen; ik deed het best, u te schutten.

Flink.

Mij beschutten, heer! met minder dan een pond voor het bezorgen van uw brief zal ik wel terecht komen.

Proteus.

Wat onzin! ’k meen, u in de schutkooi steken.

Flink.

Mij in een kooi te steken? die vast op fooien reken!

Die aan uw lief uw liefdebrief zoo schoon wist toe te steken!

Proteus.

Maar wat zeide zij? (Flink knikt.)

Zij heeft geknikt, niet?

Flink.

Niet geknikt? Ja.

Proteus.

Ja bij niet? dat is neen.

Flink.

Gij verstaat mij verkeerd, heer; ik knikte, dat zij knikte; en gij vroegt mij, of zij niet geknikt had, en ik zeide van ja.

Proteus.

En niet-ja is neen.

Flink.

Nu gij de moeite hebt gedaan, dit bijeen te lezen, moogt gij het voor uw moeite houden.

Proteus.

Neen, neen, ik neem het niet aan, en verlang meer van de briefbestelling te vernemen.

Flink.

Nu, en ik verlang meer voor de briefbestelling te ontvangen en heb geen vrede met uw bestel.

Proteus.

Hoe zoo, kerel, geen vrede met mijn bestel?

Flink.

Neen, heer, want ik bestelde den brief goed, en uw bestel zegt neen en telt mij niets toe voor mijn moeite.

Proteus.

Verduiveld, gij zijt bij de hand!

Flink.

En toch kan mijn vlugge hand uw trage beurs niet machtig worden.

Proteus.

Kom, kom, doe mij kort en goed opening van de zaak; wat heeft zij gezegd?

Flink.

Open dan uw beurs, opdat wij geld en nieuws gelijk oversteken. 138

Proteus.

Nu man, daar hebt gij wat voor uw moeite; wat heeft zij gezegd?

Flink.

Waarlijk, heer, ik geloof, dat gij niets van haar te hopen hebt.

Proteus.

Waarom? Hebt gij haar dit weten te ontlokken?

Flink.

Neen, heer, ik heb haar volstrekt niets kunnen ontlokken; neen, zelfs geen onnoozelen dukaat voor het overbrengen van uw brief. En daar zij zoo hard voor mij was, die uwe gezindheid haar schriftelijk overbracht, vrees ik, dat zij even hard zal wezen voor u, als gij haar uwe gezindheid mondeling mededeelt. Geef haar als liefdepanden enkel steenen, want zij is zoo hard als staal.

Proteus.

Wat! heeft zij niets gezegd?

Flink.

Neen, niet zooveel als: “Ziedaar, dat is voor uw moeite”. Ik dank u, de grootte uwer mildheid erken ik aan deze grooten, en uit erkentelijkheid laat ik u in het vervolg uwe brieven zelf bestellen. En nu, heer, ga ik uwe groeten aan mijn meester overbrengen.

Proteus.

Ga, ga! gij zijt de veiligheid van ’t schip!

Zijt gij aan boord, dan kan het niet vergaan;

Gij zijt voor droger dood aan land bestemd.—

(Flink af.)

Ik moet een beet’ren bode tot haar zenden,

Mijn Julia, vrees ik, acht mijn regels niets,

Die haar een knaap, zoo diep onwaardig, brengt.

(Proteus af.)

Tweede Tooneel.

Aldaar. De tuin van Julia’s woning.

Julia en Lucetta komen op.

Julia.

Maar nu, Lucetta, spreek; wij zijn alleen;

Gij geeft mij dus den raad, verliefd te worden?

Lucetta.

Ja, jonkvrouw, mits gij niet onachtzaam struikelt.

Julia.

Wien uit den ganschen schoonen kring van heeren,

Die daag’lijks met gesprekken om mij zwerven;

Acht gij wel allermeest mijn liefde waard?

Lucetta.

Ik bid u, noem hen op, dan geef ik u,

Naar mijn onnoozel inzicht, mijne meening.

Julia.

Wat dunkt u van den schoonen Eglamour?

Lucetta.

Een ridder is hij, welbespraakt en fijn;

Doch, waar’ ik u, hij zou mijn man niet zijn.

Julia.

Wat van dien rijken heer, Mercatio?

Lucetta.

Goed van zijn geld, maar van hemzelf; zoo zoo.

Julia.

En den beleefden Proteus, wat van hem?

Lucetta.

Heer, heer! mijn dwaasheid brengt mij in de klem! 15

Julia.

Komaan, wat schrikt en beeft gij bij zijn naam?

Lucetta.

Vergeef mij, jonkvrouw, ’t is, dat ik mij schaam,

Dat ik, onwaardig schepsel, zoo losweg

Mijn oordeel over hoofsche minnaars zeg.

Julia.

Waarom van Proteus niet als van de rest?

Lucetta.

Ja,—’k vind van vele goeden hem het best.

Julia.

Om welke reden?

Lucetta.

Ik heb geen and’re, dan een meisjesreden:

Ik vind hem zoo, omdat ik hem zoo vind.

Julia.

Gij raadt mij, hem mijn liefde weg te schenken?

Lucetta.

Ja, zoo gij haar niet weggeworpen acht.

Julia.

Van al de rest, heeft hij mij nooit bestormd.

Lucetta.

Van al de rest, mint hij u toch het meest.

Julia.

Zijn zwijgen toont zijn koel en kil gemoed.

Lucetta.

Het heimlijkst vuur brandt met den felsten gloed.

Julia.

Hij mint niet, die door niets zijn min verraadt.

Lucetta.

Hij mint niet, die er altijd door van praat.

Julia.

O, las ik eens zijn hart!

Lucetta.

O, las ik eens zijn hart!Lees, jonkvrouw, dit papier.

Julia.

“Aan Julia”.—Spreek, van wien?

Lucetta.

.—Spreek, van wien?)">Dat vindt gij in den brief.

Julia.

Nu zeg, wie gaf het u?

Lucetta.

’t Was Valentijns trawant, en Proteus, denk ik, zond het.

Hij zocht het u te geven, maar ik kwam juist daar aan,

En nam het van hem over, vergeef mijn stout bestaan.

Julia.

Nu, op mijn eer, een fraaie makelaarster!

Gij waagt het, dart’le briefjes aan te nemen?

Mijn jeugd, met and’ren fluist’rend, te belagen?

Voorwaar, ik zeg u, ’t is een prachtig ambt,

En gij, zoo dunkt mij, voor dien post geknipt.

Hier, neem den brief; bezorg hem fluks terug,

Of, hoort gij, kom mij nooit meer onder de oogen.

Lucetta.

Een minpleidooi verdient eer loon dan haat. 48

Julia.

Kom, gaat gij?

Lucetta.

Kom, gaat gij?Goed; pleeg met uzelve raad.

(Lucetta af.)

Julia.

Had ik dien brief toch even ingezien!

Doch haar terug te roepen, en haar dat,

Waarom ik keef, te vragen, gaat niet aan.

Hoe dwaas! zij weet, dat ik een meisje ben,

En dwingt den brief mij niet ter lezing op!

Zij weet toch, meisjes zeggen zedig “neen”,

Maar wenschen, dat de vrager “ja” versta.

Foei, foei! hoe grillig is die dwaze liefde!

Die als een kregel kind de voedster krabt,

En dan vol deemoed fluks de roede kust.

Hoe vinnig keef ik daar Lucetta weg,

Toen ik haar innig gaarne bij mij hield;

Hoe toornig plooide ik mijn gelaat tot rimpels,

Terwijl de vreugd mijn hart tot lachen dwong!

Mijn boete zij: ik roep Lucetta weer

En vraag haar voor mijn dwazen streek vergiff’nis.

Heidaar! Lucetta!

(Lucetta komt terug.)

Lucetta.

Heidaar! Lucetta!Wat verlangt gij, jonkvrouw?

Julia.

Is ’t nog geen etenstijd?

Lucetta.

Is ’t nog geen etenstijd?Ik wenschte ’t wel.

Opdat ge uw moed mocht koelen op uw maal,

En niet op uwe maagd.

(Lucetta laat den brief vallen en raapt hem weer op.)

Julia.

Wat hebt gij daar behoedzaam opgeraapt?

Lucetta.

Ik? niets.

Julia.

Gij buktet toch, waarom?

Lucetta.

Gij buktet toch, waarom?Om een papier,

Dat mij ontviel.

Julia.

Dat mij ontviel.En dat papier is niets?

Lucetta.

’t Is iets, dat mij niet aangaat.

Julia.

Zoo laat voor hen het liggen, wien het aangaat.

Lucetta.

Het zal, voor wie het aangaat, wis niet liegen,

Tenzij men, wat het meldt, valsch uit wil leggen.

Julia.

Een liefje schreef u wis daar iets op rijm.

Lucetta.

Geef gij, mejonkvrouw, mij de wijs, opdat

Ik ’t zing’; gij zet wel meer iets op muziek.

Julia.

Een niets zet ik geen waarde bij; ik dank;

Dus zing ’t maar op de wijs van “Luchte liefde”.

Lucetta.

’t Is veel te wichtig voor zoo lucht een wijs. 84

Julia.

Zoo wichtig? daarbij hoort een zware stem.

Lucetta.

Toch niet; het klonk wel goed, als gij het zongt.

Julia.

En waarom gij niet?

Lucetta.

En waarom gij niet?’t Is voor mij te hoog.

Julia.

Laat zien uw vers.

(Zij neemt Lucetta den brief af.)

Laat zien uw vers.O, gij ondeugend nest!

(Zij maakt een toornig gebaar.)

Lucetta.

Vat goed den toon, als gij het uit wilt zingen;

Maar toch, die toon is lang niet naar mijn zin.

Julia.

Niet naar uw zin?

Lucetta.

Niet naar uw zin?Neen, jonkvrouw, veel te schril.

Julia.

Vrijpostig nest!

Lucetta.

Vrijpostig nest!O, nu zijt gij te laag;

Gij dempt de hooge stem door dof gebrom;

En bij uw zang ontbreekt nog de tenoor.

Julia.

Die gaat door uw gebas geheel verloren.

Lucetta.

Ja, ’k zong voor Proteus de partij wat laag.

Julia

(leest den brief). Neen, ’k laat door al die praatjes mij niet kwellen.—

O foei, een stapel liefdes-eeden!—Daar!—

(Zij verscheurt den brief.)

Gij, ga nu heen, en laat die stukken liggen;

Zocht gij ze weer bijeen, het zou mij erg’ren.

Lucetta

(onder ’t heengaan). Zij houdt zich boos; maar ’t deed haar innig goed,

Als zulk een brief haar nog eens erg’ren kwam.

(Lucetta af.)

Julia.

Neen, kwam nog maar die zelfde brief mij erg’ren!

Haathanden, gij! die liefdewoorden stukrijt!

Den zoeten honig rooft gij, booze wespen,

En steekt de bijen, die hem leev’ren, dood!

’k Wil boete doen en ieder stukje kussen.

Wat staat daar? “Zoete Julia?”—Bitt’re Julia!

Ik werp tot straf voor uw ondankbaarheid

Uw naam hier op den harden grond en treed

Uw wreeden trots verachtend in het stof.

Hier staat: “de door de Min gewonde Proteus”;

Gij arme, kranke naam! mijn boezem zij

Uw bed, totdat uw wonde gansch geheeld is;

Ik drenk, doordring haar met een balsemkus.

(Zij steekt het stukje in haar borstzak.)

Twee-, driemaal staat hier Proteus’ naam; o wind!

Wees kalm en blaas geen enkel woordje weg,

Totdat ik ieder enkel woord gespeld heb,

Mijn naam slechts niet; dien draag een wervelwind

Naar een afgrijslijk steile, ruwe klip,

En stort’ hem in de gramme baren neer! 122

In éénen regel, zie, zijn naam tweemaal;

“De mijm’raar Proteus, diep onzaal’ge Proteus,

Aan de engel Julia”;—dit scheur ik er af;

Doch neen, dat niet, daar hij mijn naam zoo aardig

Met zijne weeklachtnamen heeft gepaard;

Ik wil ze vouwen, de’ eenen op den and’ren;—

Kust nu, omarmt u, kijft, doet wat gij wilt.

(Lucetta komt weder op.)

Lucetta.

Mejonkvrouw,

Het eten is gereed, uw vader wacht.

Julia.

Goed, gaan wij dan.

Lucetta.

Wat! mogen hier die snippers blijven klappen?

Julia.

Houdt gij ze in eere, goed, neem ze op en meê.

Lucetta.

Zoo goed naamt gij ’t niet op, toen ik ze u meebracht.

Toch raap ik ze op; zij mochten koude vatten.

Julia.

Ik zie recht goed, dat gij ze diep vereert.

Lucetta.

Ja goed, mejonkvrouw, zeg maar, wat gij ziet;

Maar ik zie ook, al denkt ge, dat ik dommel.

Julia.

Kom, vlug wat! wilt gij gaan?

(Beiden af.)

Derde Tooneel.

Aldaar. Een vertrek in Antonio’s huis.

Antonio en Panthino komen op.

Antonio.

Panthino, zeg mij, welk een diep gesprek

Hadt gij daar straks in ’t klooster met mijn broeder?

Panthino.

Hij sprak van Proteus, van zijn neef, uw zoon.

Antonio.

En wat?

Panthino.

En wat?Hij stond verbaasd, dat uw genade

Hem hier zijn jeugd verdroomen laat, terwijl

Zoo menig ander, van gering’ren stand,

Zijn zoon om rang en eer de wereld inzendt,

Hetzij in de’ oorlog om fortuin te zoeken,

Hetzij om verre landen op te sporen,

Hetzij naar scholen, waar geleerdheid huist.

Voor de eene of and’re loopbaan, of voor allen

Was naar zijn oordeel Proteus recht geschikt;

Hij vroeg mij, dat ik bij u aan zou dringen,

Dat hij niet langer thuis zijn tijd verdroom’;

Het zou hem in zijn ouderdom nog rouwen,

Wanneer hij in zijn jeugd niet had gereisd.

Antonio.

Gij hebt geen sterken aandrang noodig, ’t was

De gansche maand reeds niet uit mijn gedachten;

Ik overwoog reeds lang zijn tijdverlies,

En hoe hij nooit een deeg’lijk man wordt, als

De wereld hem niet schudt en mondig maakt;

Ervaring wordt door vlijt en moeite erlangd,

En door den snellen gang des tijds gerijpt.

Doch spreek, waar zou ik best hem henen zenden?

Panthino.

Het is gewis uw edelheid bewust,

Dat thans zijn vriend, de jonge Valentijn,

Zich in Milaan bevindt aan ’s keizers hof?

Antonio.

Ik weet het, ja. 28

Panthino.

Als dan uw edelheid daarheen hem zond.

Daar leert hem ’t steekspel lans en zwaard hanteeren,

Hij hoort er hoofsche taal, gaat om met de’ adel;

Ja, iedere oef’ning heeft hij steeds voor oogen,

Die met zijn jeugd en zijn geboorte strookt.

Antonio.

Uw raad behaagt mij, hij is wel doordacht;

En tot bewijs, hoezeer hij mij behaagt,

Leg ik hem met den meesten spoed ten uitvoer,

En maak van de’ eersten besten weg gebruik,

Om Proteus naar des keizers hof te zenden.

Panthino.

Vergun, op morgen reeds zijn Don Alfonso

En and’re hoogst aanzienlijke edellieden

Reisvaardig om den keizer te begroeten,

En hem hun diensten need’rig aan te bieden.

Antonio.

Voortreff’lijk; Proteus reize met hen mee;—

En, als geroepen—; daadlijk hoor’ hij ’t nieuws.

(Proteus komt op, een brief lezende.)

Proteus.

Zoet leven! zoete reeg’len! zoete liefde!

Dit is haar hand, het werktuig van haar hart,

Dit is haar liefdeseed, haar eerepand.

O, dat nu onze vaders, door hun bijval,

De zaligheid van onze min bezeeg’len!

O engel Julia!

Antonio.

Zoo, gij daar? wat voor brief zijt gij aan ’t lezen?

Proteus.

Vergeef mij, ’t zijn een woord of twee, waarin

Mij Valentijn zijn vriendegroeten zendt;

Een vriend, die bij hem was, bracht dit mij over.

Antonio.

Geef mij den brief en laat mij ’t nieuws eens zien.

Proteus.

Er staat geen nieuws in, heer; hij schrijft alleen,

Dat hij gelukkig leeft, veel vrienden rijk is,

En daag’lijks hooger stijgt in ’s keizers gunst;

Hij wenscht mij bij zich om zijn heil te deelen.

Antonio.

En gij, stemt gij ook met zijn wenschen in?

Proteus.

Ik hang, heer, enkel af van uwen wil,

En geenszins van de wenschen van mijn vriend.

Antonio.

Mijn wil stemt vrij wel in met zijnen wensch.

(Proteus kijkt verwonderd op.)

Sta niet verbaasd, dat ik zoo snel besluit,

Want wat ik wil, dat wil ik; daarmeê uit.

Ik heb besloten, dat gij een’gen tijd

Met Valentijn aan ’s keizers hof zult toeven;

Wat hem wordt toegelegd door zijn verwanten,

Diezelfde som ontvangt ook gij van mij.

Wees gij nu morgen voor de reis gereed;

Geen tegenwerping; ’t is mijn vaste wil.

Proteus.

Zoo snel, heer, kan ik niet reisvaardig zijn;

Ik bid u, overweeg een dag of twee.

Antonio.

Wat mocht ontbreken, wordt u nagezonden;

Dus geen vertraging; morgen moet gij gaan.—

Kom mee, Panthino, ik behoef uw hulp

Om spoed te maken met die reis.

(Antonio en Panthino af.)

Proteus.

Zoo bleef ik, bang voor branden, ver van ’t vuur,

Maar stortte me in de zee, waar ik verdronk.

Mijn vader wilde ik Julia’s brief niet toonen,

Uit vreeze voor belemm’ring in mijn liefde,

Maar, met behulp juist van mijn eigen uitvlucht,

Belemmert hij veel meer dan ooit mijn liefde.

O, hoe gelijkt toch deze liefdelente

Op eens Aprildags onbetrouwb’re pracht;

In volle schoonheid straalt de zon een oogwenk,

Daar komt een wolk en ’t is stikdonk’re nacht!

(Panthino komt weder op.)

Panthino.

Uw vader, heer, verlangt met u te spreken,

En hij is zeer gehaast; ik bid u, ga.

Proteus.

Helaas, zoo is ’t; al wil mijn hart ook breken,

Al klopt het “neen”, ik moet toch zeggen “ja”.

(Beiden af.)