WeRead Powered by ReaderPub
Uit de dierenwereld van het water / Schetsen in woord en beeld van het lever der lagere diersoorten cover

Uit de dierenwereld van het water / Schetsen in woord en beeld van het lever der lagere diersoorten

Chapter 24: VLAKPOOTIGEN
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

The book presents richly illustrated natural-history sketches of small aquatic animals, progressing from freshwater ponds, ditches and streams to coastal and oceanic habitats. Chapters examine major groups—crustaceans, mollusks, cnidarians, echinoderms, sponges and microscopic forms—outlining anatomy, behavior, feeding and reproductive habits, coloration and ecological roles. Descriptions emphasize the variety of forms and life strategies found in different water bodies and provide accessible, grouped accounts of notable species, supported by an alphabetical index for further reference.

PLAAT XI.
ALLERLEI MERKWAARDIGE ZEESLAKKEN.

Reeds vroeger, bij de dierenwereld uit het zoete water, hebben wij met verschillende soorten van slakken of buikpootige weekdieren kennis gemaakt, die aldus genoemd worden naar den eigenaardigen vorm van het bewegingsorgaan: den voet, die een breede zool onder den buik van het dier vormt, waarop het voortkruipt. Zoo is het althans bij de meeste soorten van slakken, doch er zijn ook andere, waar die vorm geheel gewijzigd is en van welke juist ook eenige merkwaardige soorten op deze plaat afgebeeld zijn. Doch eerst willen wij nog eenige, in de zee levende, verwanten van onze kieuwslakken beschouwen, die, evenals de landslakken, een breede kruipzool onder het lichaam hebben en dus, met deze laatsten, de orde der

VLAKPOOTIGEN

vormen. Deze kieuwslakken zwemmen of roeien dus niet, zij kruipen en zijn meestal voorzien van een schelp. Men verdeelt ze in twee onderorden: vóórkieuwigen en achterkieuwigen, naar gelang de kieuwen vóór aan het lichaam en vóór de hartkamer, of daarachter gelegen zijn. Tot eerstgenoemden behooren, behalve eenige zoetwaterslakken, bijna al de in zee levende huisjesslakken, waarvan wij nu enkele interessante soorten gaan bekijken.

Geheel rechts op de plaat, in fig. 5, zien wij de gewone schaalhoren (Patella vulgata), die ook op onze kusten voorkomt en zoo genoemd wordt naar den schaal- of schotelvorm der schelp, die echter kegelvormig toeloopt. Zij is geel van kleur, met straalvormige ribben; de opening van het huisje is eivormig en de kieuwen bestaan uit een krans van kleine blaadjes. De kop is tot een korten, dikken snuit verlengd en draagt twee lange, spitse voelers, aan wier basis de oogen liggen. De spierindruk binnen op de schelp (zie bladz. 12) is bijna hoefijzervormig. De dieren hechten zich vast aan rotsen en de schelp vergroeit daarmede zoo vast en volkomen, dat zij zich aan alle oneffenheden daarvan aansluit. Men vindt ze in de Noordzee en vele andere zeeën en zij worden door de kustbewoners veel gegeten.

De groote, stekelige baas van fig. 8, stekelhoren of stekel-purperslak (Murex brandaris) genoemd, is één der purperslakken, die aan de bewoners der kusten van de Middellandsche zee, reeds in de oudheid, de beroemde Syrische purperverf leverden, welke uit een klier, tusschen kop en lever gelegen, afgescheiden wordt en waarmede destijds de purperen mantels en gewaden geverfd werden. Sedert de middeleeuwen is echter die kleurstof meer en meer verdrongen, eerst door de cochenille en in den nieuweren tijd door allerlei anilinekleurstoffen. De schelp is langwerpig eivormig en loopt in een zeer lange, holle sleuf of kanaal uit, waar de sipho doorheen loopt en de schelpopening kan door een hoornachtig deksel gesloten worden. De geheele lengte bedraagt 7-9 centim., de kleur is licht bruingrijs, buiten op de schelp bevinden zich op elke winding 2 of 3 dikke uitwassen met stekels. De kruipzool is matig groot en de zeer kleine kop heeft twee lange, draadvormige voelers, op wier buitenzijde, ongeveer halverwege, de oogen staan. De mond heeft een langen, terugtrekbaren slurf met smalle tong, waarop drie rijen haakjes. De dieren voeden zich met schelpdieren en andere slakken, in wier huisje zij een gaatje boren, om den bewoner er uit te eten. Aan onze stranden leeft een verwante soort: de geschubde stekelhoren (Murex erinaceus tenuïspina), aldus genoemd naar de zeer lange stekels.

Zonderlinge slakken zien wij in fig. 6; zij leven in een kokertje en doen denken aan de kalkkokerwormen (bladz. 87). Het is de reusachtige wormslak (Vermetus gigas), wier schelp, in de jeugd, spiraalvormig gedraaid en dan aan andere voorwerpen vastgehecht wordt, doch later sluiten de windingen niet meer aan, doch groeien uit tot een cylindervormig, onregelmatig gewonden kokertje. Daarmede gaat een teruggang in grootte van den voet gepaard, die ten slotte nog slechts als drager van het deksel, boven den kop uitsteekt. Bij den verderen groei trekt het dier zich uit de schelp naar boven terug en sluit het verlaten gedeelte telkens door een kalkwand af, zoodat het kokertje dan, als ’t ware, in kamertjes verdeeld is. Meestal leven talrijke exemplaren gezellig bijeen, vooral in de Middellandsche zee en andere warmere zeeën.

De sierlijke keverslak of tonslak (Chiton elegans) van fig. 11, insgelijks een vóórkieuwige slak, heeft inderdaad wel iets van een kever en wijkt ook overigens zoozeer van alle andere familieleden af, dat de oningewijde niet zou meenen met een slakkenhuis te doen te hebben. De schelp bestaat namelijk uit 8 losse, achter elkaar gelegen en over elkaar grijpende, dwarsplaten, waardoor het dier zich, bij gevaar, evenals sommige pissebedden, met schelp en al, kan oprollen. Verder ontbreken kop, oogen en voelers, terwijl de zeer platte onderzijde zich onbeweeglijk op steenen, schelpen of zeewieren vasthecht. Deze soort leeft in de warme zeeën; bij ons komen een paar kleinere soorten voor, doch alleen in Zeeland.

Wij sluiten de rij der vóórkieuwigen met nog een andere, interessante slak: de knobbelige zeeoor (Haliotis tuberculata), fig. 16, aldus genoemd naar de oorvormige schelp met zeer wijde opening, die van binnen een prachtigen paarlemoerglans heeft, zoodat de ouden haar, niet ten onrechte, met het oor van Aphrodite (Venus) vergeleken, want de spiraalvormige, doch zeer vlakke schelpen munten ook overigens door bijzondere schoonheid uit, zoodat zij aan de kusten der Middellandsche zee, waar het dier in ondiep water op rotsen vastgehecht leeft, zeer gezocht zijn en tot allerlei sieraden verwerkt worden. Evenwijdig aan den linker rand der schelp loopt een rij van gaatjes, waardoor het water naar de kieuwen stroomt. De voetzool is breed en van een dubbele rij van prachtig groene franjes voorzien. De mond is snuitvormig, met een tong, die met tallooze haakjes bezet is; het voedsel bestaat uit zeeplanten. De breede kop draagt twee lange sprieten en daarachter staan, op korte steeltjes, de oogen.

Op de volgende plaat zullen wij nog een groot aantal vóórkieuwigen ontmoeten, want alleen van deze groep telt men niet minder dan 8500 soorten.

Thans zijn echter eerst eenige achterkieuwigen onder de vlakpootigen aan de beurt, bij welke de kieuwen dus achter de hartkamer gelegen zijn. Velen daarvan hebben geen, of slechts een zeer dunne en onvolkomen, schelp en in het laatste geval dient zij alleen tot bedekking der kieuw en van een klein gedeelte der ingewanden en nooit kan het dier er zich in terugtrekken, zoodat men ze ook wel „naakte zeeslakken” noemt. Het zijn wel de minsten der broederen, want velen bezitten noch kieuwen, noch bloedvaten of hart en dan dient eenvoudig de rughuid als ademhalingsorgaan, die dan, door allerlei vertakkingen, een grootere oppervlakte verkrijgt.

De beide volgende soorten bezitten althans nog zeer primitieve kam- of veervormige kieuwen, die in een soort van mantelholte liggen. Zoo is het bij het curieuze dier van fig. 12, dat den, voor een zeebewoner zeer zonderlingen, naam van zeehaas (Aplysia depilans) draagt en dat in de Middellandsche zee in ondiep water zeer algemeen is en verder aan de kusten van Portugal tot Engeland, een zonderling veld voor de hazenjacht, voorkomt. Dien naam heeft het dier dan ook alleen te danken aan den vorm van de twee achterste der vier voelers, die eenigszins op de ooren van een haas gelijken. Het dier is 20-25 centim. lang, zwart met grijze vlekken en het lichaam is naar voren halsvormig verlengd en draagt daar de voelers en de oogen. De kieuwen bevinden zich rechts van den rug, als vertakte blaadjes, onder een dunnen mantel en daarin wordt ook een onvolkomen, dunne en hoornachtige schelp gevormd, die echter van buiten niet te zien is. Het voedsel bestaat uit zeewieren.

Als algemeen voorkomend bewoner der kusten van Zuid-Europa, was dit dier aldaar reeds in de oudheid bekend, of liever berucht, want het stond in een zeer kwaden reuk als vergiftig dier, vooral bij matrozen en visschers, die beweerden, dat alleen reeds de aanraking van het dier door den mensch, bij dezen de haren deed uitvallen (vandaar de soortsnaam: depilans = ontharend). De fantasie van den zeeman ging echter ook hier te ver en de waarheid is eenvoudig, dat door den mantel van het dier, bij vervolging, een donker, violet vocht afgescheiden wordt, dat een onaangenamen reuk heeft en eenigszins vergiftige eigenschappen schijnt te bezitten. Het dient alleen om het dier in een donkere wolk te hullen en onzichtbaar te maken, evenals bij de inktvisschen.

Tot dezelfde groep behoort ook de gespikkelde blaasslak (Bulla ampulla) van fig. 15, die in de warme zeeën, bijv. van Oost-Indië, voorkomt en een zeer dunne schelp bezit, waarin zich het dier geheel kan terugtrekken en naar welke men deze slakken, waarvan een paar andere soorten ook aan onze kusten voorkomen, „obliehorens” noemt. Naar de eivormige, geelachtige, bruin gespikkelde schelp, wordt de soort van fig. 15 ook wel „kievitsei” genoemd. De 4 voelers zijn tot een gelobde voorhoofdsplaat vergroeid, in wier midden de oogen liggen en de mantel heeft groote aanhangsels, die de schelp gedeeltelijk bedekken, doch ook als roeiriemen gebruikt worden, als het dier vrij rondzwemt, terwijl het overigens over zeeplanten op en neer kruipt. Het slikt groote levende schelpdieren en slakken in, wier schelpen het in de maag, met behulp van groote kalkplaten, kraakt.

Wij komen nu tot de zoogenaamde „kieuwloozen” of naaktkieuwigen; zij bezitten echter in den regel wel kieuwen, doch deze zijn onbedekt, naakt en niet in een mantelholte besloten. Een hoogst merkwaardig en fraai voorbeeld daarvan is de sluierslak (Tethys leporina), fig. 3, uit de Middellandsche zee, die 30 centim. lang wordt en alleen in volle zee vrij rondzwemt. Het geheele dier is zeer fijn, teer en doorschijnend en verspreidt, in het donker, licht. Het dankt zijn naam aan een groot, halfcirkelvormig, aan den rand van franjes voorzien, aanhangsel aan den kop, „sluier” genaamd, dat als voortreffelijk roeitoestel dient. Het lichaam is tamelijk plat en aan beide zijden van den rug bevindt zich een overlangsche rij van bundelvormige kieuwen en daartusschen lichtrood en zwart gevlekte, wormvormige aanhangsels, die gemakkelijk afvallen en die men daarom vroeger voor wormen hield, die als parasieten op het dier zouden leven.

Een andere naaktkieuwige slak is de draadslak (Aeolis), fig. 7, die men, op het eerste gezicht, ook door de lange voorste, priemvormige voelers, bijna voor een landslak zou houden. De achterste voelers zijn knotsvormig en daarachter bevinden zich de oogen. Het lichaam is langwerpig, zonder mantel, 4-6 centim. lang en draagt op den rug talrijke roode of bruine draadvormige aanhangsels, waarin uitloopers van de lever dringen en wier uiteinden voorzien zijn van netelorganen voor de verdediging. Men hield ze vroeger voor kieuwen, doch deze ontbreken hier en slechts de huid zorgt voor de ademhaling. Dit dier leeft op zeegras of zeewier in de Noordzee en de Westelijke Oostzee en een drietal andere soorten van het geslacht Aeolis komen op onze kusten voor. Zij voeden zich met andere zeedieren, vooral met bloempoliepen.

Een fraaie en sierlijke naaktkieuwige slak is de knobbelige sterreslak (Doris tuberculata) van fig. 9, die bij Napels voorkomt, terwijl een paar andere soorten ook aan onze kusten gevonden worden. De kieuwaanhangsels zijn hier veervormig en in den vorm van een ster rondom de aarsopening, achter op het midden van den rug, geplaatst. Het lichaam is 5 centim. lang, langwerpig rond, geel van kleur, met donkere vlekken; de bovenzijde is korrelig, de onderkant zwart gestippeld. Het lichaam is door een breeden mantel omgeven. Er zijn 4 voelers en de mond is slurfvormig. Het dier leeft meestal tusschen zeewier en sterft dadelijk, als men het uit het water neemt.

Verder behoort tot de groep der naaktkieuwigen ook nog de groene fluweelslak (Elisia viridis) van fig. 10, een dier van zonderlingen vorm, dat in de Noordzee, de Westelijke Oostzee en de Middellandsche zee op zeegras leeft. Hier ontbreken de kieuwen volkomen, de kop is onduidelijk, met twee lepelvormig opgerolde voelers, en langs de zijden van het lichaam loopen twee groote huidlappen, die zich van achteren vereenigen en waarschijnlijk voor de ademhaling dienen. Het dier is merkwaardig geteekend; de kleur van den kop, de voelers en de voorzijde van den rug en de buitenranden der huidlappen zijn donker fluweelachtig zwart, doch hier en daar overgaande in groenachtig of bruinachtig. De voet is olijfgroen en het geheele lichaam is als bezaaid met kleine sneeuwwitte, deels ook groenachtig blauwe en roodachtig witte puntjes.

Van de tweede orde der slakken: de kielpootigen of zee-zwemslakken zien wij in fig. 1 een hoogst interessant dier: de gekroonde zwemslak (Pterotrachea coronata), die niemand zeker voor een slak zou houden, want het lichaam doet veeleer aan een visch denken, is langwerpig, van achteren van een vischachtigen roeistaart voorzien, bijna geheel geleiachtig helder en zoo doorschijnend, dat men er alle organen doorheen ziet. En om op dit alles de kroon te zetten, zwemt het dier bovendien nog op zijn rug. Deze dieren leven steeds in volle zee, want het zijn echte zwemmers, daartoe vooral in staat gesteld door de eigenaardige vervorming van den „voet”. Deze bestaat hier namelijk uit twee onderdeelen: het voorste deel vormt een vertikale kielvormige vin (vandaar de naam: kielpootigen), een soort van zeil onder aan het lichaam (en dus op de figuur naar boven gekeerd!) en is van een zuigschijf voorzien, waarmede het dier kruipen of zich vasthechten kan, terwijl het achterste en grootste deel van den voet vervormd is tot het uitgebreide en lange staartgedeelte, dat eigenlijk de hoofdmassa van het lichaam vormt en een uitstekend zwem- en roeitoestel is. De mantel zit, als een kleine kegel, achter op den rug, de kop is langwerpig, met een soort spitsen snuit en heeft twee dunne korte voelers en daarnaast de oogen. Een schelp ontbreekt. Het is een uiterst fraai gekleurd, teer en fijn, als ’t ware aetherisch wezen, dat in de Middellandsche zee leeft.

Ten slotte vertoont het tooneel uit den oceaan op onze plaat nog een paar voorbeelden van een geheel anderen groep van slakken: de vinpootigen of roeislakken, dieren van zonderlingen vorm, waarin men nauwelijks meer het type der slakken kan herkennen, zoodat men ze wel tot een geheel afzonderlijke klasse van weekdiedren brengt. In elk geval is dit wel het eenvoudigste, wat de natuur op slakkengebied heeft geleverd.

De kop is bij deze slakken, waarvan de fig. 2, 4 en 13 voorbeelden zijn, slechts onduidelijk begrensd en alleen de mondopening en 2 of 4 onvolkomen voelers geven de plaats aan, waar de kop zich zou bevinden, als hij voorhanden ware. Het hoofdkenmerk der orde—en tevens de aanleiding tot haar naam—zijn de twee groote zijdelingsche vleugel- of vinvormige aanhangsels, die den vervormden voet voorstellen en die tot roeien of zwemmen dienen. Het zijn dunne vliezige lappen, die, op de wijze der vleugels van de vlinders, op en neer fladderen, waarom deze dieren ook wel „zeevlinders” genoemd worden. Zij zijn naakt of hoogstens van een dunne doorschijnende schelp voorzien. Overigens zijn het kleine diertjes, hoogstens 5 centim. lang, die over dag hun siësta op den zeebodem houden, doch ’s avonds naar boven fladderen en aan de oppervlakte rondzwemmen, om zich met kleine weekdieren en kreeften te voeden. Maar op hun beurt vallen deze diertjes zelf weer, in onnoemelijke massa’s, aan visschen, meeuwen en walvisschen ten buit.

Dit laatste treurige lot is vooral beschoren aan de noordsche walvisch-vleugelslak (Clione borealis) van fig. 2, gewoonlijk eenvoudig „walvischaas” genoemd, omdat deze diertjes in zoo dichte drommen bijeenzwermen, dat de walvisch er bij iederen hap duizenden en nog eens duizenden door zijn geweldig keelgat verzwelgt en zij het hoofdvoedsel van dit reuzendier vormen. Het lichaam van deze slak is spilvormig, naakt, doorschijnend, met bruine vlekken, 2-3 centim. lang, met 2 paar voelers en op de tong bevindt zich een wrijfplaat, die uit kleine, haakvormige tandjes bestaat. Zij komen in tallooze menigten in de noordsche zeeën voor, daar, waar ook hun aartsvijand, de walvisch, tehuis is.

Een andere vinpootige slak is die van fig. 4: de drietandige kristalslak (Hyalea tridentata), een curieus diertje, ook weer zulk een „zeevlindertje” van slechts 15 millim. lang, zonder zichtbaren kop en met twee vleugelachtige vinnen, waarmede zeer snelle bewegingen plaats hebben. Het dier kan zich, met de vinnen, geheel en al terugtrekken binnen een dunne, bolvormige, hoornachtige schelp. Het is een bewoner der warmere zeeën.

En thans, tot besluit van ons gesprek over deze plaat, nog een laatste—doch zeker niet de minst interessante—vertegenwoordiger der vinpootigen: de olifantstand of zeetand (Dentalium elephantinum), fig. 13 en 14. Deze is weer van een schelp voorzien en vormt eigenlijk een overgang van de slakken tot de mossels of plaatkieuwige weekdieren. De naam tandslakken—en voor deze soort: olifantstand—heeft betrekking op de overeenkomst in vorm van de buisvormige, aan weerzijden open en zwak gebogen schelp met den tand van een roofdier of een olifant. Men noemt ze ook graafpootigen, omdat zij de schelp, met het breede eind naar onderen, door middel van den voet in het zand van den bodem vastgraven, zooals wij in fig. 13 zien, terwijl fig. 14 een leeg kokertje of huisje voorstelt, dat ongeveer 10 centim. lang is. Deze schelpen vindt men dikwijls in verzamelingen. Kieuwen ontbreken, doch bij het ingraven worden de uitstrekbare, als een krans om den mond geplaatste roode voeldraden, die voor den aanvoer van voedsel en, met den mantel, ook voor de ademhaling dienen, er boven uitgestoken (fig. 13).

Het dier zelf nadert, in sommige opzichten, tot de mossels, ook doordat het geheel ingehuld is in een, aan beide zijden open, mantel. Een kleinere soort: Dentalium entale, 2-3 centim. lang, leeft in de Noordzee en van haar huisjes spoelen dikwijls grootere of kleinere stukken aan onze stranden aan.

XII.