WeRead Powered by ReaderPub
Uit ou Reisbeskrywinge: Dagverhale en ander letterkundige bronne oor die Kaap cover

Uit ou Reisbeskrywinge: Dagverhale en ander letterkundige bronne oor die Kaap

Chapter 20: INLEIDING.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

A curated anthology of early travel narratives, shipwreck reports, diary fragments and descriptive accounts relating to the Cape region, presented mainly in original Dutch with selected translations into Afrikaans where necessary. The volume gathers eyewitness testimony and literary excerpts that recount coastal encounters, maritime hazards, inland explorations and exchanges between visitors and local peoples, each prefaced by brief introductions that explain the piece’s context and cultural‑historical significance. Aimed at schools and general readers, the editors prioritize readability and pedagogical use, bringing primary source material into the classroom and public view and covering the region’s formative period up to the beginning of the eighteenth century.

[Inhoud]

Uit P. De Neyn se „Lust-Hof der Huwelyken.

[105]

[Inhoud]

INLEIDING.

Heelwat minder bekend as Van Riebeeck se Dagverhaal en heel verskillend van aard is die Lust-Hof der Huwelyken van Meester Pieter de Neyn1. Dit het maar gedeeltelik betrekking op die Kaap; maar die enkele bladsye wat oor Suid-Afrikaanse toestande en gebeurtenisse handel, bevat besonderhede wat ons nòg in ander skrywers nòg in die bestuurlike stukke van sy tyd kan kry. So, b.v., sy uitvoerige beskrywing van die manier waarop die destydse Hottentotte gewoond was om ter dood veroordeeldes met stokke dood te slaan. Pieter de Neyn was die seun van Cornelis de Neyn, pensionaris van Alkmaar en raadsheer in die hof van Holland. Hy het gepromoveer in die regte; maar ná ’n kort praktyk as advokaat het hy, teen die sin van sy vader, besluit om sy vaderland te verlaat en sy geluk in die vreemde te gaan beproef. Op grond van sy regskundige kennis en ondervinding het hy die aanstelling verkry tot advokaat-fiskaal van die O.I.K. aan die Kaap. In [106]Februarie 1672 hier aangekom, het hy maar ’n paar jaar die fiskaalsamp uitgeoefen. In Oktober 1674 verlaat hy die Kaap op reis na Batawië, soos hy self sê ten minste, om aldaar promosie te gaan soek. Ook in Batawië het hy egter nie alte lank vertoef nie; want end 1675 keer hy met ’n gebroke gesondheid na Patria terug, volgens sommige, as ’n gevolg van sy losbandige lewenswyse. Hy self gee in die voorwoord ’n gans ander uitlegging van sy siekte (verhitheid en ’n koue bad in ’n rivier); maar die feit dat hy as fiskaal van die retoervloot afgesit word, „om syn gedeboucheert leven” en „onbequaam geoordeelt wert tselve ampt met fatsoen te becleden,”2 skyn wel die bewys te lewer dat sy beskuldigers nie alte ver van die waarheid was nie. Ook die inhoud en toon van sy gedigte, die Vrolycke Uyren, wat in die uitgawe van 1697 ’n vervolg vorm op sy Lusthof, en waarvan party taamlik grof en onkies is, kom hierdie vermoede nog versterk. Dit was ná sy aankoms in Holland dat hy vir tydkorting „iets geneuchelijks” onderneem het, nl. die saamstelling van ’n beskrywing van die huweliksgebruike van die verskillende volke van die wêreld. Dit is ’n louter kompilasie, getrek uit ’n massa van ander werke, veral reisbeskrywinge, en bevat dus maar min wat nuut en oorspronklik is. Alleen die dertien bladsye wat hy wy aan Kaapse aangeleenthede (nie slegs huweliksgebruike nie) berus op persoonlike kennis en [107]regstreekse informasie. Ongelukkig het hy net op sy geheue moet afgaan, want hy vertel ons dat op sy tuisreis sy joernaal en briewe soek geraak het; vandaar sekere onnoukeurighede, wat egter ruimskoots vergoed word deur sy lewendige manier van vertel en sy plastiese wyse van beskrywing. [108]

[Inhoud]

DIE MOEILIKHEDE MET DIE GONJEMANS.

Wanneer Fiscaal aan de Caap van Goede Hoope was is ’t voorgevallen dat vijf vrij-borgers, met namen Hendrik Tieleman3 (die Burgermeester van het vlekje onder ’s Compagnies kasteel gelegen was geweest), Hans Ras4, de jonge Mostaart (wiens broeder5 doenmaels regeerend Burgermeester was), benevens noch drie anderen, welkers naamen my voor tegenwoordig niet komen in gedagte te schieten; de vyf geseide borgers waren met den anderen in Compagnie met twee wagens ende vier paerden, beneffens mondkost voor twee of drie weken gereden naar de Groote Revier, omme aldaar (gelijk meermalen gedaan werd) zee-koeyen so om te verkoopen, als voor eige provisie te schieten6, wanneer aldaar door een, grote trop [109]Garachouquas, anders Gonjemans7 door de wandelingh by de onse genoemd, met welke doemaels die van de Oost-Indische Compagnie in oorlogh leefden, onverwacht overvallen wierden; dese roovers ontsetteden aldereerst dese vrijluiden haar geweer, paarden en de wagens, haar persoonen daar naar mede besettende; maar de voornoemde Mostaart, die te paard beneffens de wagens was komen rijden, ontvluchte haar moordadige handen; de andere vier so met hasegayen als met kirrien (by haar sogenoemd, dat doorne stokken sijn) op het jammerlijckst om halsraackten, welke droevighe tijdingh aan het Fort of Kasteel door den ontvluchten gebracht wierd8. [110]

Weinig tijd daar na wierden vier van dese moordenaars door Hottentotten, dat haare vijanden ende onse vrienden waren op een Sondaghen morgen9 als gevangenen voor den Heer Ysbrand Goske, die doenmaals goeverneur van het Caapsche Territoir was, gebracht, die my aanstonds daarop liet by sijn Ed. ontbieden, met eenen my aendienende, dat sy Hottentotten die haar gevangen gebracht hadden, versochten in ons by wesen daar selfs op haar manier straf over te doen—of ook yetwes als fiscaal daar tegens hadde, waar op seide van harten blijden te wesen van de moeite van verdere proceduren ontslagen te sijn ende mede seer gaarne wilde aanschouwen, hoedanig die natie met soodanige moordenaars te werk souden gaan10.

Uit Valentijn se Beschrijvinge van de Kaap (1726).

Wy dierhalven met de andere Raeds-Persoonen, op het hoorn-werk11 boven de poort, daar doenmaels [111]de luitenant Koon12 woonde, sagen met gemak beneden op het strand recht voor de poort dese vier quanten om hals brengen, dat op dese manier aangevangen wierd.

Wel twee op drie honderd13 van die Hottentotten die haar gevangen hadden, waren altemael versien met so een doorne stok of kirry, omtrent een duim dik en vier of vijf voet lang, sijnde alle moeder-naakt uit-gesondert een klein velletje een voet omtrent in ’t vierkant dat voor haar schamelheid hingh een Cha-karos by haar genoemd, gelijk ook de geseide vier gevangenen mede toe-gedost waren uit-gesonderd de kirry. Sy dan sprongen en dansten met een groot gefleuit ende geschuifel, musicaalsgewyse, ’t welk een soete ende aangename harmonie maakte, in een ronde kringh rondom dese patienten die tusschen beiden als ter dood verwesen, bitterlyk stonden te weenen.

Weinigh tijd daar naar, om meerder wraak te nemen van de vermoorde borgers, sond de heer Goeverneur vijftigh Compagnies dienaren met snaphanen voorsien onder ’t geleide van den Vaandrager Krose, beneffens eenighe vrywillige borgers [112]te paarde14 onder ’t gheleide van haar hopman en borgemeester Elbert Diemer15 te landewaart in, vergesellschapt met de voornoemde Hottentots kapiteinen met haar volkje, die voor gidsen en naderhand voor vee of roof-aan-drijvers dienden (want tot het vechten dienden sy weinigh) welke gesamentlijk (sijnde maar een vryman op dien veld-tocht gequetst geworden16) meteen roof ende beuit van omtrent acht duisend stuks vee17 naar vier wekens uitblijvens, aan-quamen, vertoonende van verre het aangenaamste gesicht van de wereld, het vee wel twee ueren in ’t ronde sich verspreidende, daar de victorieuse borgers ende soldaten mede aenquamen setten, by naar gelijkende in ’t verschiet een ontmoetingh van Jacob ende Esau met alle haare runderen ende schapen of wel een Turksche Kachel of Caravane, wesende het beestiaal spiegel glat van vettigheid, daar doen een [113]rijkelijke uitdeelingh, soo aan de borgers als Hottentotten gedaan wierd, de rest de Compagnie voor sich behoudende.

Naar eenige tijd als gesecht gedanst ende gefleuit te hebben, sprongen de kapiteinen Klaas18, Kuiper19, Schacher20, Houtebeen21, met een noch een Hottentots kapitein22 in ’t midden van de kring met haar kirryen in de vuist, die aanstonds van de andere meenichte op gelijke wijs gevolghd wierden en tijden23 geen kleintje op de bloote armen, dyen, billen, schouderen, scheenen ende kuiten aan ’t beuken (hoofd en borst wierden onder ’t slaan verschoond,) so dat in ’t korte die miserabile menschen haar lichamen met die harde stokjes so murw en week als pap geslagen wierden en door die onmenschelyke pijnen voor dood onder de voet vielen, wanneer weder op het wenken [114]van de voorgemelte kapiteinen sy gelijker hand aflieten en sy wederom als vooren aan ’t dansen fleuiten, schreeuwen en schuifelen geraakten tot dat die vier half doode patienten wederom over einde resen, naar dat een quartier uirs ongemoeid ende sonder slagen haar adem hadden gehaald, weder ’t eenemaal bekomen waren ende flux op haar kooten24 stonden; keken tusschen beiden haare vyanden ende met eenen beulen al schreyende seer droevig aan, die sonder genade op het gegeve teiken van kapitein Klaas (die wel de wakkerste, verstandigste en dapperste kapitein onder haar was) gelijkelijk op de voorgaande wijse weder aan vielen, soo lange weder op die taaye huiden beukende, tot als vooren voor dood weder in ’t voetsand raakten, sonder dat in al dat slaan het alderminste bloed gestort was, slimmer als yemand die met aals-vellen25 vol heet zand gebeukt werd; dit danssen, fleuiten en slaan tot verscheide reisen omtrent derd’half uer geduerd hebbende, wierd door den Heer Gouverneur (die dat barbarisch en over wreet schouw-spel al moede was) belast wat kort met haar om te gaan en die elendige menschen voort aan een kant te helpen; daarop dan aanstonds gelijkelijk, soo op het hoofd, als borst buik ende mannelijkheid so vehement en buiten gemeen wreet aan vielen, dat in ’t korte niet alleen onder de voet, maar geheel dood raakten. Werdende doemaals de lijken, door ordres ende bevel van den opgemelten Heer goeverneur, by de beenen aan [115]een gebonden en met een sloep in ’t midden van de Tafel-baay geroeid ende gesleept, alwaar met een groot gewicht keyen daar aangebonden van de schuit wierden los gesneden ende also te gronde gedompeld26. [117]


1 Die volledige tietel is: Lust-Hof der Huwelyken, behelsende verscheyde seldsame Ceremonien en plechtigheden, die voor desen bij verscheyde Natien en Volckeren soo in Asia, Europa, Africa als America in gebruik zijn geweest, als wel die voor meerendeel noch hedendaags gebruykt ende onderhouden, naeuwkeurigh, soo uyt oude als nieuwe schrijvers bij een vergadert door P. de Neyn Rechtsgeleerde, voor desen gewesene Fiscael in dienst der E. E. Oost-Indische Compagnie aen Cabo de Boa Esperance, mitsgaders desselfs Vrolycke Uyren, uyt verscheyde soorten van mengel-dichten bestaande. Amsterdam, 1697. 

2 Kopie-Dagregister, 1674–76 (Kaapse argief, No. 270), bls. 56. 

3 Die skrywer bedoel seker Tielman Hendriks, wat in die monsterrolle (Kaapse argief, No. 945) voorkom as meesterkneg en sedert 1661 as „vrijlandbouwer.” 

4 Hans Ras, vroeër soldaat in diens van die Kompanjie en sedert 1658 vryburger aan die Kaap. 

5 Dit was Wouter Cornelisz. Mostaert, uitgekom as Kompanjie-soldaat, en een van die allereerste vryburgers aan die Kaap (1657); as een van die invloedrykste lede van die jong samelewing het hy die ampte van burgerraad, burgerluitenant en ouderling aan die Kaap beklee. 

6 Hierdie jagtog is onderneem deur die burgers „om eenige groff wildt ten behoeve haerer familien te schieten,” en hulle was „met ons (die regering syne) consent int lant vertrocken.” Leibbrandt (Precis of the Archives, Journal, 1671–74 and 1676, bls. 140) vertaal dus verkeerd waar hy spreek van „eight of our burghers, who, without permission, had gone up to shoot some large game for the needs of their families.” 

7 Die skrywer bedoel seker die Goringhaiquas, wat soms ook die naam van Gonjemans gekry het. Die eintlike Gonjemans was ’n tak van die Cochoquas en is deur die Hollanders so genoem na hulle hoof Gonnema, of die Swart Kaptein. Gonnema se krale was toe in die buurt van Riebeekskasteel en Vier-en-twintig-Riviere. 

8 Hierdie verhaal word bevestig deur die Dagregister, Ao. 1672–73, (Kaapse argief, No. 269), onder datum 29 Junie 1673, 10 Julie 1673 en volg. Die Dagregister gee egter geen besonderhede nie, o.a. geen enkele van die name van die burgers wat in die hinderlaag van die Gonjemans geval het nie. Die regering het onmiddellik ’n strafekspediesie teen die Gonjemans uitgestuur onder vaandrig Jer. Cruse en burgerluitenent Elbert Diemer. (Sien Dagregister, 11 Julie 1673). Kort ná hulle vertrek kom die tyding dat die vyandelike Hottentotte ’n nuwe moord gepleeg het en gedurende ’n aanval op die Kompanjiepos aan die Saldanhabaai hulle korporaal Dirk van der Heerengraaf, ’n soldaat en twee koloniste om die lewe gebring het. Versterkinge word nou gestuur, maar die kommando het daar nie in geslaag nie om, soos die opdrag gelui het, die „geweldinaers” met wortel en tak uit te roei, „sonder ijets dat mannelick is te verschoonen.” (Resolutie van die Politieke Raad, Kaapse Argief, 14 Julie 1673). Die vyand het ontsnap in die berge, en Jer. Cruse [110]moes vir hom tevrede stel met die buitmaak van ’n taamlike klomp vee: 800 beeste en 900 skape. (Sien Dagregister, 25 Julie 1673). 

9 Op 20 Augustus 1673. 

10 Die Dagregister, onder datum 20 Augustus 1673, beskryf as volg die blydskap van die Hottentotte oor die toelating om self die strafgereg uit te voer: „Niet so haast was dese permissie uytgesproken, off alle de Hottentots tot een getal van meer als 100 personen bij een gecomen en van verwoedtheijt niet langer haere bittere vijantschap connende beteugelen, begonnen over luyd te schreuwen: Sla doot, die honden, slaa doot, vervolgende dese thoon met sulcken gejuich en vreesselijc getier als off bereits alle haere vijanden in’t voetsant gebragt wesende, daer over quamen zeegepraalen, yeder van hun sig onder des met een braave kneppel versiende en de traditie der gecondemneerdens met ongeduld affwachtende.” 

11 Hoorn-werk, sien voetnoot (1) bls. 93. 

12 Nie korrek nie. Luitenant Jan Coon was aan die hoof van die klein leërmag wat op 12 Januarie 1673 onder opperbevel van kommandeur De Geus Sint-Helena van die Engelse geneem het en met 100 soldate in besit van die eiland agtergelaat is. Theal verhaal dat hy ’n paar weke daarna oorlede is. Hy kon dus in Augustus 1673 nie in die Kasteel aan die Kaap gewoon het nie. 

13 Die Dagregister, 20 Aug. 1673, spreek van „meer als 100 personen.” 

14 Die burgers was ook vyftig in getal. (Kopie-Dagregister, Ao. 1674–76, Kaapse argief, No. 270, bls. 69.) 

15 Die skrywer spreek hier van die twede veldtog „teen die rebellerende Gonnema’s Africanen,” maar hy verwar klaarblyklik sekere besonderhede van die eerste een (Julie 1673) met dié van die twede (end Maart en begin April 1674). Beide ekspediesies het onder die opperbevel van vaandrig Jeronymus Cruse gestaan; maar terwyl in 1673 die burgers aangevoer was deur Elbert Diemer, is dit in 1674 Wouter Mostaert wat as burgerluitenant saamgegaan het. (Sien Dagregister, 14 Julie en 25 Julie 1673 en 26 Maart 1674.) 

16 Volgens die Dagregister is geen enkel vryman gekwes nie; wel ’n Hottentot, wat gesterf het aan die gevolge van ’n asgaaisteek wat ’n neef van hom vir hom per ongeluk toegebring het. (Kopie-Dagregister, 1674–76, No. 270, bls 78.) 

17 ’n Bietjie oordrewe; die rapport van Jer. Cruse spreek van 800 beeste en 4,000 skape. (Kopie-Dagregister, 1674–76, bls. 79.) 

18 Klaas, of Dorha, hoof van die Soeswas, ’n stam van die Chainouqua-Hottentotte. (Sien hierbo, blss. 94 en 96.) Sy aartsvyand was Koopman, die hoof van ’n ander tak van die Soeswas. 

19 Kuiper, of Dack’key, ’n kaptein van die Goringhaiquas, of Kaapmans. Dit is hy wat in Mei 1672 die gebied van Hottentots-Holland aan die Kompanjie verkoop het, en ’n verbond van vriendskap met die goewerneur gesluit het. 

20 Schacher, of Osinghkamma, of Manckhagou, ’n ander kaptein van die Kaapmans en seun van Gogosoa. In April 1672 het hy van sy kant die Kaapse distrik en Saldanhabaai aan die Kompanjie verkoop en ’n soortgelyke verbond as dié van Kuiper met die regering aangegaan. Die krale van Schacher en Kuiper was toe geleë tussen die Tygerberge en die Stink-Rivier. 

21 Houtebeen se kraal was in 1669 naby Schacher syne. (Sien Kopie-Dagregister, 1667–70, Kaapse argief, No. 267, bls. 473.) 

22 Die Dagregister maak alleen melding van Kuiper en Schacher. 

23 Van tijen, tijde, getijd = begin, aan die werk gaan. 

24 Die hakke. 

25 Palingvelle. 

26 Die Dagregister, 20 Aug. 1673, voeg hier nog aan toe: „Dese tragedie, g’eyndigt en middelerwijl de son van d’ aerdkloot verhuijst wesende, wierde aen de Hottentots die dit schouwspel hadden helpen volvoeren een soopje aracq en wat tabacq vereert en daermede gedimitteert.” In die joernaal van kommissaris-generaal Hendrik Adriaan van Rheede (Kaapse argief, No. 703, blss. 58–59) word onder datum 27 April 1685 ’n beskrywing gegee van ’n soortgelyke teregstelling. Vier Hottentotte wat ’n Hollandse kneg van ’n vryburger vermoor het, word, ná veroordeling deur die Raad van Justiesie, aan hul stamgenote oorgelewer om die vonnis te voltrek: „Vrijdach den 27en de gevangene Hottentots door den Raed van Justitie ter plaetse gebragt zijnde daer men gewoon is, de sententie eerst gelesen zijnde, waren aldaer d’ inlandsche opperhoofden en veel volck dewelcken uyt den hoop eenige commandeerden, die met geen ander geweer als die stocken, daer gemenelyck mede gaen, niet dicker als een grooten duym en omtrent drie voet lang, dese misdadigers om hals bragten daer mede slaende in den neck, dat eenige van de eerste slag dood vielen, doch andere wierden meer gemartelt, na welck de lichamen boven op de Sandduynen wierden opgehangen, tot afschrick van anderen; men remarqueerden aen die gansche natie een melancolie buyvten haer gewoonten desen geheelen dagh.”