WeRead Powered by ReaderPub
Uit ou Reisbeskrywinge: Dagverhale en ander letterkundige bronne oor die Kaap cover

Uit ou Reisbeskrywinge: Dagverhale en ander letterkundige bronne oor die Kaap

Chapter 34: INLEIDING.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

A curated anthology of early travel narratives, shipwreck reports, diary fragments and descriptive accounts relating to the Cape region, presented mainly in original Dutch with selected translations into Afrikaans where necessary. The volume gathers eyewitness testimony and literary excerpts that recount coastal encounters, maritime hazards, inland explorations and exchanges between visitors and local peoples, each prefaced by brief introductions that explain the piece’s context and cultural‑historical significance. Aimed at schools and general readers, the editors prioritize readability and pedagogical use, bringing primary source material into the classroom and public view and covering the region’s formative period up to the beginning of the eighteenth century.

[Inhoud]

’n Leeu-awontuur uit Starrenburg se Joernaal.

[193]

[Inhoud]

INLEIDING.

Die plaaslike regering van die O.I.K. het van die begin af sy bes gedoen om met die binnelande van die Kaapse gebied in aanraking te kom en die moontlikhede daarvan op kommersiële, landbou- en mynboukundige gebied te ondersoek. Met daardie doel voor oë het die goewerneurs van die Kaap tal van sogenoemde landtogte uitgestuur—meestal in noordelike, maar ook in oostelike rigting—, wat gelas was vertroubare gegewens te versamel aangaande die aardrykskunde van die land, sy dierlewe, sy plantegroei, sy inwoners, sy natuurlike hulpbronne. Ander togte, weer, was meer spesiaal ingerig met die opdrag om slagvee (skape en beeste) in te ruil van die inboorlinge vir die behoeftes van die amptenare en die garnisoen van die kasteel en die bemanning van die verbygaande skepe. So het ons die ekspediesies van Jan Wintervogel, Willem Muller, Abraham Gabbema, Jan van Herwaerden, Jan Danckaert, Pieter Cruythoff, Pieter Everaert, Pieter van Meerhoff in die tyd van Jan van Riebeeck; van Jonas de la Guerre in die tyd van Zacharias Wagenaar; van Jeronimus Cruse in die tyd van Jacob Borghorst. Ná ’n mislukte tog onder Oloff Bergh het in 1685 goewerneur Simon van der Stel self hom aan die hoof gestel van ’n verkenningsonderneming na Namakwaland en het daarin geslaag tot aan die Buffelsrivier deur te dring en die ryk ertslae van die koperberge sorgvuldig te laat ondersoek. Sy [194]seun Willem Adriaen het in 1705 opdrag gegee aan Johannes Starrenburg, die landdros van Stellenbosch, om ’n nuwe landtog na die noorde te organiseer en daarvan die leier te wees saam met Jan Hartog, baas-tuinier van die Kompanjie. Die voorgegewe doel was om die land te verken en o.a. plantkundige ondersoekinge te doen; die ware doel was om vee in te ruil vir die goewerneur—nie slagbeeste nie trouens, wat tot dan toe op daardie soort togte altyd die gewilde koopwaar gewees is, maar trek- en werkosse, wat Willem Adriaen op sy plaas kon gebruik. Die rapport oor die reis deur Starrenburg is handig opgestel, sodat ’n oningewyde leser moeilik daaruit sal kan aflei dat Beëlzebub, soos Adam Tas die landdros genoem het, nie die tog onderneem het in die belang van die Kompanjie nie. Tog het die goewerneur die bewoordinge van die verslag nog te gevaarlik gevind, want o.a. sou daaruit kan geblyk het hoe sy handlangers soms nie geaarsel het nie om dwang op die inboorlinge uit te oefen en hulle met die toorn van Willem Adriaen te bedreig in geval van onwilligheid om hulle beeste af te staan. Toe hy dan ook die rapport opneem in sy verdediging teen die aanklagte van die koloniste (die „Korte Deductie”), het hy versigtigheidshalwe ’n aantal volsinne daaruit weggelaat1.

Die tog het dieselfde pad gevolg as Simon van der Stel, maar het nie verder as die Olifantsrivier [195]gekom nie en het dus alleen bekende terrein „ontdek.” Aan ’n klein, toe droë riviertjie, wat hom ontlas in die benedeloop van die Olifantsrivier, of die Ruigerivier, is een van die toggangers, Jan Smit van Antwerpen, deur ’n leeu verras en verskeur geword. Dit is hierdie tragiese voorval en die daaropvolgende jag op die leeu wat in ondergaande uittreksel beskrywe word2. [196]

[Inhoud]

’N LEEU-AWONTUUR UIT STARRENBURG SE JOERNAAL.

Maandag den 2 November [1705]. Waaren wij vroeg met pakken inspannen en opzadelen bezig, en togen ontrent 8 uuren verder voort, den cours al langs de overkant van de Olifantsrivier vervolgende, tot ontrent den middag dat wy die verlieten en ter regterhand insloegen, langs het mizerabelste velt dat ’er bedagt kan worden. Het is al te maal rood zand, bosschen en door de mollen t’ eenemaal ondermijnt; had het mij mogelijk geweest, ik zoude mijn paard gaarne gedragen hebben, want die arme beesten konden hun pooten niet verzetten, of zaten bijna tot den boeg3 in de molgaten en daar bij scheen de zon tot brandens toe en nergens was water te krijgen, in somma, noit heb ik verdrietiger agtermiddag gehad.

Eindelyk quamen wy, na 5 mylen vorderens een kraal te ontdekken in een zeer aardig gat, tusschen hooge style klipruggen inleggende. In den regentijd is het een riviertje dat zich in de Olifantsrivier ontlast, maar nu niet meer dan een dor, diep dal, met 3 of 4 zeer kleine brakke waterpoeltjes voorzien.

Wy waren regt boven de kraal eer zy het wisten en daalden langs een zeer stijle klip rugwaarts tot hen te voet na beneden. Op het eerste gezigt wierden ze heel verbaast; een deel ging aan de [197]andere kant den berg op, wyl een ander getal jonge gewapende manschap ons te gemoet trok. Eene der zelve was zoo voorbarig, dat hy bereets een pyl op zyn boog gelegt had, omme die op my, de voorste zijnde, cours te doen nemen, maar door het aanleggen van myn roer en het toeroepen van den Hottentot, die ons den weg had gewezen en verzelde, stak hy die weder op; en quamen toen met groote nieuwsgierigheid rondom ons, vraagende zonder ophouden aan onze Hottentots wie wy waren en tot wat einde wy zoo ver in ’t land quamen, waar op geantwoord zynde, warenze wel in hun schik. Onze wagens, die een tour om moesten nemen, quamen eindelijk mede om laag, en wij sloegen onze tent ontrent een kleine schoot weegs van de kraal ter neder en gingen, na alles wel bezorgt te hebben, rusten; maar wy wierden wel haast weder gestoort, want omtrent middernacht begonden de beesten en paarden die voor de tent, tusschen de wagens stonden, te schrikken en te loopen, en een der wagenrijders die buiten sliep, te schreeuwen, waar op alle man met geweer ter tent uitliep. Ontrent 30 treden voor de tent stont een leeuw, die, op het zien van ons, zeer zagtzinnig ontrent 30 treden verder agter een doorne boschje ging, dragende iets met zich dat ik meende een jong osje te zijn. Wij deden over de 60 schoten op dat boschje en doornagelden het dapper, zonder dat men eenig verder gewag vernam. De Z.O. wind waaide sterk, de lugt was zeer klaar en de maan scheen op ’t helderste, zoo dat wy alles op die distantie zien konden. [198]

Na dat de beesten weder tot stilstant gebragt waren, en ik alles eens overzag, miste ik den schildwagt van voor de tent, zijnde Jan Smit van Antwerpen, in de groene kloof bescheiden. Men riep hem zoo luid als men konde, maar te vergeefs, wyl niemant antwoordde, waar uit ik besloot dat de leeuw hem had weggenomen; 3 of 4 mannen gingen op het voorzigtigste na dat bosje, dat regt tegen over de deur van de tent stont, om te zien ofze niets van dien man vernemen konden, maar quamen hals over kop weder te rug, wyl de leeuw daar nog lag, zich ophefte en begon te brullen. Zij vonden daar des schildwagts geweer, welkers haan gespannen was, en deszelfs muts en schoenen.

Uit Valentijn se Beschryvinge van de Kaap.

Wy deden weder wel hondert schoten op dat bosch, dat 60 treden van de tent en maar 30 treden buiten de wagens stont en waar op men als na een doel konde schieten zonder den leeuw te vernemen; waar uit wy presumeerden dat hy dood of weg moest zijn. Dit deed den wildschut, Jan Hamanszoon4, resolveren te gaan zien, of hij ’er nog in was of niet, nemende een brandent hout inde eene hand. Maar zoo ras naderde hy het bosje niet of de leeuw deed, onder een vreezelyk gebrul, een sprong na hem, dies hy het brandend hout na hem toe gooide; midlerwijl schoot het ander volk wel 10 schoten na hem, maar hy retireerde aanstonts weder op zyn oude plaats, agter [199]dat boschje. Dit brandhout, dat hy na den leeuw gegooit hadde, was in ’t midden van ’t boschje gevallen, en door de sterke Z.O. wind aangeblazen, geraakte het in de lichte vlam, zoo dat men zeer klaar daar in- en dit doorzien konde. Men schoot ’er nog al geduurig in; ondertusschen verliep de nacht en de dag begon aan te breken, dat yder een moed gaf om hem alsdan regt te konnen treffen, wyl hy ’er niet van daan konde of moest zich geheel bloot geven, alzoo het boschje regt tegen een style kloof aanstont. Zeven mannen op de buitenste wagen zittende, pasten op om hem, uitkomende, waar te nemen.

Eindelyk ging hy, eer het nog ter degen licht was, met de man in zijn bek, den berg op kuyeren, krijgende wel 40 schoten na zijn huit, zonder dat hem eene trof, schoon hem veele zeer na quamen, gelyk wy naderhand bevonden hebben. Als hem een kogel wat digt by quam, keerde hy hem al grynzende na de tent en knorrende na ons toe en ik ben van gedagten, had hem yemant getroffen, dat hij met een volle vaart op tent en volk aangekomen zoude hebben.

Wy besloten dan dat hy gequetst en niet verre van daar was; hier op verzogt mij het volk ’t lichaam te mogen gaan opzoeken, om hem te begraven wyl sy geloofden dat de leeuw door het gestaadig schieten, niet veel tijd zoude gehad hebben, om daarvan te eeten. Ik stont eenigen van hen zulks toe, mits een goede party gewaapende Hottentots mede nemende, en onder belofte datze [200]zich niet in gevaar zouden begeven, maar gestaadig wel toezien en voorzichtig zijn.

Daar op volgden zy met hun zevenen, geadsisteert van 43 Hottentots, het spoor, en vonden hem ontrent een halve myl van daar, by het lichaam, agter een klein boschje, leggen. Hy sprong door het geschreeuw van de Hottentots daadelyk op en nam de vlugt, waar op zy hem alle naliepen; ten laatsten keerde het beest zich om en quam vreezelyk brullende onder den hoop; het volk, ’t welk door ’t loopen vermoeit was, schoot mis, op welke hy dadelyk aanquam.

Den Baas, of opperste Capitein van de kraal, deed hier een trouwe daad aan 2 van ’t volk, daar de leeuw het op toezette. Des eenen roer weigerde en de ander schoot mis; daar op sprong hy tusschen den leeuw en ’t volk zoo na by, dat de leeuw hem met de eene klauw in de karos sloeg en met den bek daar in beet, meenende den Hottentot te hebben, maar die was hem te gaauw, liet zyn karos glippen en duuwde hem een assegaai in de ribben. Aanstonts sprongen de andere Hottentots ook toe en verçierden hem met hunne werpspiessen dat het wel een yzerverken geleek; evenwel hield hy nog niet op met springen en brullen, maar beet eenige der assegaaistokken af, tot dat hem de wildschut, Jan Harmanszoon, een schoot in ’t oog gaf, die hem deed kenteren, waar op de anderen hem verder doodschoten.

Het was een vreezelijk groot beest, en hij had kort te vooren nog een Hottentot uit deze kraal gehaalt en opgepeuzelt. Ik ben hier dus langwijlig [201]geweest, om dat my niet voorstaat oit diergelijke assurantie van een beest gehoort te hebben en de kloekmoedigheid van dien Hottentot is mede aanmerkelyk.

Des mans lichaam was door hem van agteren met de linkerpoot aan de linkerzijde van het hoofd geslagen, met den bek in de schouder gevat, en dus voort gedragen; beide de billen en linker schouder waren opgegeten. Wy bragtenze alle beide aan de tent, en begroeven den man daar hy gegrepen was, gelijck wij den leeuw mede onder de aarde staken op dat hem het vee niet ruiken zoude.

Het was dien ganschen dag brandent weer en de Hottentots waarschouwden ons dat ’er nog 2 wijfjes hier ontrent waren, waarom ik des agtermiddags een kraal van doorn liet maaken en op drie plaatzen of passagies volk met geweer stellen, maar vernamen dien nacht geen onraad.

Woensdag den 4 dito.

Maakten wy voortgang met de ruiling, daar wy de voorige 2 dagen over getalmt hadden.… De zonneschijn was hier by na onverdragelyk, en in de tent was het als in een oven.

Des avonts brulde het langs dit riviertje of alle de leeuwen van Africa by malkanderen waren. Ik presumeer dat het de 2 wyfies waren omme het gedoode mannetje te zoeken, dies verwagten wy niet anders dan hun bezoek dien nagt, hier tegens hadden wy ons door ’t verhoogen onzer Doorne-Kraal, en ’t stellen van roers, op de passagien, langs welken zy hunne coers moesten nemen, [202]mitsgaders het stoken van vuuren rondom ons en ’t houden van dubbele wagt, wel voorzien; maar zy quamen niet.

En wyl hier ontrent geen meer kralen leggen, en voor ons niet te doen viel, rezolveerde ik weder te rug te keeren om de Gonnemasche Kraalen op te zoeken.


1 Sien ’n vergelyking van die twee tekste in Leo Fouché se uitgawe van die Dagboek van Adam Tas, blss. 336–340. 

2 Die teks wat ons hier gee, is dié van Valentijn in sy Beschryvinge van de Kaap der Goede Hoope (Oud- en Nieuw Oost-Indiën, 5de deel, 2de stuk). Die origineel berus op die Ryksargief in Den Haag. Soos ons hierbo aangedui het, is daar belangrike verskille tussen die oorspronklike teks en dié van Valentijn, wat sy afskrif seker van Willem Adriaen verkry het; maar die afwykinge en leemtes wat in die lesing van Valentijn voorkom, het alleen betrekking op die veeruil met die Hottentotte. Dit affekteer nie die ander dele nie, waaronder die uittreksel wat ons laat volg, wat trou met die origineel ooreenstem. 

3 bors. 

4 Jan Harmanszoon Potgieter, vryburger en wagmeester van die burgerkawallerie van Stellenbosch.