WeRead Powered by ReaderPub
Van Orenburg naar Samarkand / De Aarde en haar Volken, 1873 cover

Van Orenburg naar Samarkand / De Aarde en haar Volken, 1873

Chapter 10: IX.
Open in WeRead

About This Book

A traveling narrator records an overland passage from Orenburg into Central Asia, mixing scene-setting of a frontier town with lively descriptions of bazaars where nomads barter livestock, textiles and koumiss. He observes diverse costumes and customs, recounts encountering a penniless envoy from an emir, and purchases a fragile tarantasse to cross difficult roads. The text alternates vivid market and cultural detail with practical notes on routes, lodgings and supplies, and reflects on the slow political incorporation of these little-known regions into a broader imperial domain.

Overtocht over de Angrene.

VII.

Hodjaguend verlatende, volgden wij de oevers van de Sir, ter wederzijde omzoomd door uitgestrekte rietbosschen, de geliefkoosde verblijfplaatsen van fazanten en wilde ganzen. Het land is vrijgoed bebouwd: fraaie graanvelden, weelderig groene weilanden, en akkers met wilde slaapbollen beplant, trekken overal de blikken tot zich.

Weldra ontdekken wij zeer duidelijk de hooge oevers van de Angrene, eene kleine rivier, die zich hier in de Sir-Darja uitstort. Evenals alle andere rivieren in dit gedeelte van Centraal-Azië, is ook de Angrene, in den zomer en in het algemeen wanneer het niet of bijna niet regent, verdwenen: in die mate zelfs, dat, zooals het spreekwoord zegt, bij het begin van den herfst de kippen droogvoets door de rivier kunnen gaan. Maar in het voorjaar, als het hevig en lang achtereen regent, als de sneeuw op de bergen smelt, dan verandert het tooneel: de rivieren zwellen dan zoo, dat het dikwijls onmogelijk en altijd gevaarlijk is, ze over te steken. Nu moesten wij juist den volgenden dag de hoog opgezette Angrene overvaren.

Op de aanwijzing van onzen gids Bakisj verlieten wij den oever der rivier, en sloegen links af, bijkans onbegaanbare en onkenbare paden door het kreupelhout en de biezen volgende, en door onze verschijning gansche zwermen van eenden opjagende. De biezen werden eindelijk zoo hoog, dat zij tot boven den buik onzer paarden reikten; wij trokken maar altijd door deze wildernis voort; het werd donker, en ik bemerkte aan alles, dat onze gids zelf den weg niet meer wist. Bakisj begon te zingen, hield weder op, en zag rondom zich, voor zoover dat in de duisternis mogelijk was; hij moest nu eindelijk zelf erkennen dat wij verdwaald waren. Eensklaps kwamen wij aan eene kleine rivier, die echter niet de Angrene was. Ondanks de duisternis, stuurden wij onze paarden in het water, om eene waadbare plek te vinden: maar zij werden weldra door het water opgetild en moesten gaan zwemmen; wij vonden geen voorde. Het was onmogelijk de rivier over te steken; wij besloten dus den oever te volgen; maar eensklaps stuitten wij op een nieuwen hinderpaal: een gracht, zoo diep, dat ik huiverde bij de gedachte, in den donkeren nacht in dezen afgrond te moeten afdalen. Er schoot echter niets anders over. Onze paarden waren bang; sommigen gleden en struikelden; maar toch bereikten wij zonder ongeval de overzijde.

Wij sukkelden nu nog een poosje in de duisternis voort, toen wij gelukkig in de verte een licht zagen schemeren. Dit licht kwam uit de eenzame tent van een Kirghise, die ons den weg wees, welken wij te volgen hadden om een groot dorp aan den oever der Angrene te bereiken. Daar aangekomen, vonden wij onze reisgenooten, die van ons af waren geraakt, en nu reeds ons avondmaal hadden gereed gemaakt. Dit dorp was eene kolonie van Tamintzis, een volksstam, die zich voornamelijk in de omstreken van Tasjkend, Tsjinaze en Khodsjend heeft nedergezet, en zich op den landbouw toelegt. Onze komst bracht het gansche dorp in opschudding, en, evenals overal, zagen wij ons ook hier door een drom van nieuwsgierigen omringd. De verbazing kende geen grenzen toen mijne valiezen werden opengemaakt, en daaruit allerlei voorwerpen van dagelijksch gebruik te voorschijn kwamen, maar die deze eenvoudige lieden nimmer gezien hadden. Zij vroegen naar alles; kreten, uitroepen van bewondering, wonderlijke gebaren en sprongen—dit alles scheen nog maar half toereikende om hunne innige verbazing uit te drukken.

De zoolang gezochte Angrene vloeit vlak langs het dorp. Den volgenden morgen zullen wij haar in eene sala oversteken. Een sala is een klein vlot van biezen vervaardigd.—“Wees niet bang,” zeide men mij telkens; “onze sala is in goeden staat, en wij zullen u levend aan den anderen oever brengen.”

Toen ik, den anderen morgen, die zoo hoog geprezen sala zag, liep mij eene rilling door de leden: het ding bestond uit eenige bossen riet, zoo slecht mogelijk saamgebonden. Ik liet nog eenige stevige halmen en rottingen aanbrengen; men bevestigde de sala met alle touwen, die ik beschikbaar kon stellen; eindelijk werd het meer dan broze vaartuig zooveel mogelijk vergroot, verzwaard en sterker gemaakt. De stroom was zeer sterk, de overtocht bepaald gevaarlijk; het gansche dorp was uitgeloopen, om te zien hoe het met den Ourousse en zijn gevolg zou gaan.

Eerst gingen twee Kirghisen, ieder met een paard, in den stroom; de paarden konden zich niet staande houden en werden met duizelingwekkende snelheid door den stroom medegevoerd; maar de Kirghisen, alleen met een korten broek gekleed, konden goed zwemmen en behielden hunne tegenwoordigheid van geest. Met de eene hand de manen, met de andere den teugel vasthoudende, stuurden zij hunne verschrikte rossen, met veel behendigheid, naar den linkeroever van de Angrene, en bereikten den vasten wal op ongeveer zestig el beneden het punt van uitgang. De proef was dus geleverd: de paarden konden de rivier oversteken. Nauwelijks hadden zij den oever bereikt, of de paarden, nog bevende van angst, moesten andermaal te water gaan; zij snoven, hinnikten, sidderden over al hun leden, en wierpen angstige blikken op de rivier; maar men liet hun geen tijd om tot zichzelven te komen; zij werden met den staart aan het vlot vastgebonden, en nu ging het voorwaarts! Twee mannen zwommen voor de paarden, vijf anderen rondom het vlot; de beesten zwoegden en snoven te midden van den stroom; de toeschouwers op den oever hielden den adem in. Ik volgde met angstige blikken mijne bagage, aan het broze vaartuig toevertrouwd. De sala vloog over het water, door den geweldigen stroom medegesleept; zij naderde den anderen oever, en de personen, die er op waren, klampten zich gelukkig aan dien oever vast, toen ik vreesde dat alles reddeloos verloren was. Het vlot keerde ledig terug; en nu werd ik, met het overige van mijn bagage, met behulp van minder vermoeide paarden, naar den overkant gebracht. De arme Kirghisen waren half dood van koude; zij verlangden naar wat brandewijn: het hinderde mij, dat ik hun slechts thee kon aanbieden.

Wij vervolgden nu onzen weg naar Boeka, dat wij vóór den nacht hoopten te bereiken. Het land is vlak en tamelijk wel bebouwd: aan den horizon verheffen zich eenige heuvelen, waarvan de hoogste den naam van Hanka draagt. Deze heuvel had een indrukwekkend voorkomen; ik wilde hem bezoeken. Rondom den heuvel lagen een aantal lagere hoogten verspreid, met gras begroeid, en zonder eenig spoor van gebouwen, behalve de eenzame graftombe van een aouliëh (heilige), die op een dezer hoogten verrees en van verre de aandacht tot zich trok door een veelkleurigen lap, aan een langen stok bevestigd. Ik vermoed, dat hier eenmaal eene groote stad heeft gestaan, waarvan de citadel ongetwijfeld den hoogsten heuvel bekroonde; de top van dien heuvel vertoont nog een eigenaardigen vorm: hij is bijna vierkant en heeft steile, regelmatig afloopende randen. Ik vond niets dan eenige scherven en gebakken steenen.

Het begon reeds donker te worden, toen wij Boeka bereikten; wij gaan eenige smerige en nauwe straten door, tot wij voor een kleinen winkel komen, waar nog licht brandt. Daar de zoon van den aksacale ons had gezegd, dat zijn vader voor eenige dagen afwezig was, begaven wij ons naar de woning van den biï, voor wien ik een brief van aanbeveling had. Deze biï, letterlijk notabelen, vindt men in alle Kirghisen-dorpen; zij zijn belast met de handhaving der openbare orde en zijn tevens zooveel als vrederechters. Deze biï, een man van rijpen leeftijd, had een zeer eerwaardig voorkomen; hij was langen tijd aksacale van Boeka geweest, en was nu tot de waardigheid van biï opgeklommen.

Boeka is een aanzienlijk dorp, waarvan de aarden woningen tegen de helling van een vrij steilen berg zijn gebouwd. De inwoners zijn Kirghisen, die in voorkomen en levenswijze veel overeenkomst met de Sarthen hebben. Rondom het dorp strekken zich, tot op wijden afstand, rijstvelden uit, door kanalen doorsneden, en op dat oogenblik geheel onder water staande, zooals in de lente steeds het geval is. De landlieden, tot aan den gordel in het water staande, arbeiden daarom niet minder ijverig. De velden zijn in vierkante vakken verdeeld, die door kleine aarden wallen van elkander worden gescheiden. Elk dezer vakken staat, door eene kleine opening in den dijk, met een kanaal in gemeenschap. Is de bodem genoeg van water doortrokken, dan wordt dit gat weder met een paar kluiten aarde dichtgestopt. De kanalen, die hun water uit de Angrene ontvangen, zijn zeer vischrijk.

Op marktdag is het te Boeka zeer druk en levendig. De markt is aan alle kanten omringd door kleine winkels of kramen, die gedurende zes dagen gesloten zijn, maar des Maandags worden geopend. Dan stroomen de koopers en nog meer de bezoekers van alle zijden samen, om elkander te ontmoeten, de nieuwtjes te vernemen, hunne bekenden te spreken en ook zaken te doen. Zulk een marktdag levert inderdaad een zeer aardig en schilderachtig tooneel op, dat vooral voor een vreemdeling zeerveel aantrekkelijks heeft; ge vindt hier allerlei zaken bij elkander, die ge niet verwachten zoudt. Buiten den bazar of de eigenlijke markt, wordt de veemarkt gehouden, waar paarden, schapen, runderen, kameelen enz. worden verkocht. Deze markt is vooral merkwaardig, omdat hier koopers en verkoopers, mannen en vrouwen, allen zonder uitzondering te paard zitten.

Te Boeka vernam ik eene geheel onverwachte en gewichtige tijding: men zeide mij, dat de Emir van Bokhara te Samarkand was, en zich gereed maakte om tegen Rusland te oorlogen. Ik geloofde er niets van, en liet mij daarom bewegen om nog eenigen tijd te Boeka te blijven, en bij mijn vriend den aksacale, die van zijne reis was teruggekeerd, mijn intrek te nemen. Ik moest mij daar vergenoegen met een ellendig krot, bestaande uit twee armzalige kamers, waar de regen door het dak stroomde, en waar het wemelde van vleermuizen, duiven, zwaluwen en musschen. Mijn ongeloof werd weldra beschaamd. Toen ik eenigen tijd te Boeka vertoefd had, ontving ik een brief, waarin mij werd medegedeeld dat een veldtocht der Russen naar Bokhara op handen was. De oorlog alzoo, en wel in mijne onmiddellijke nabijheid, in het hart van Centraal-Azië! Ik kon aan de verzoeking om mede van den strijd getuige te zijn, geen weerstand bieden, en haastig verliet ik het dorp, waar ik mij voorgesteld had veel langer te zullen blijven. Na de gewone afscheidsgroeten, gaf ik mijn gastheer de gebruikelijke geschenken van spiegeltjes en andere soortgelijke voorwerpen. Het gerucht van den aanstaanden oorlog was reeds onder het volk doorgedrongen; en toen ik mijne woning te Boeka verliet, bespeurde ik duidelijk aan de houding en de gelaatstrekken der inwoners, dat zij mij als vijand beschouwden, en dat de ingewortelde haat jegens den christen en den overwinnaar weder, in al zijne kracht, bij hen wakker was geworden.

VIII.

Ik ben op weg om de russische voorposten op te zoeken. Voor reismakkers heb ik twee gewichtige personages: de raïs en de biï van Toy-Tioubeh, de voornaamste stad van het district van Koeraminsk, ten zuiden van Tasjkend, op den weg naar Khodsjend. Wat een biï is, weet ge; de raïs is een soort van geestelijk ambtenaar. Beiden zijn mij aanbevolen door het districtshoofd van Koeraminsk, en zijn volkomen bereid mij te vergezellen, in de hoop van daarvoor eene ruime belooning te ontvangen. Bovendien zit de voorliefde voor een zwervend leven dezen lieden in het bloed. De raïs is lang en mager; hij draagt een grijzen baard, en geeft zich een zeker air van vroomheid; de biï is klein en zeer gezet van postuur; zijn breed en plat gezicht wordt door zijne uitstekende wangbeenderen juist niet verfraaid. Moessa-Ben—zoo heet de biï—houdt er twee bedienden op na. Ik vraag hem, hoeveel hij aan die lieden betaalt; uit zijn antwoord bleek mij, dat de betrekking tusschen meester en dienaar, hier in dit land, nog aartsvaderlijk eenvoudig is.

“Gij ziet,” zeide de biï, “dien ouden man, op dat magere paard, met mijn bagage; hij dient mij sedert vijf jaren; ik heb hem iets gegeven bij zijn huwelijk, en van tijd tot tijd help ik hem, naar mij dit gelegen komt.”

Weldra vergisten wij ons in den weg, en het kostte ons niet geringe moeite, om de noodige inlichtingen te bekomen. In het eerste dorp, waar wij naar den rechten weg vroegen, wilde men ons eerst niet te woord staan; maar toen de raïs en Moessa-Ben ten ernstigste verzekerden, dat ik een groot heer was, veranderde de stemming, en had men eindelijk zelfs de beleefdheid mij een kop gatijsh (gestremde melk) en een koek aan te bieden. Het geldstuk, dat ik in ruil gaf, ging van hand tot hand, den ganschen kring rond.

Het smalle pad, dat wij nu volgden, loopt door prachtige weilanden, waar nimmer de maaiers de zeissen doen gaan, want het vee is schaars in dit land. Bloemen, van allerlei kleur en geur, versieren het onmetelijke groene tapeet, dat zich naar alle zijden, zoover wij zien kunnen, uitstrekt, en dat slechts hier en daar door enkele helder gekleurde woningen wordt afgebroken.—Wij waren ver van de steppen; en toch deden enkele tooneelen ons aan de steppen denken: nu eens uitgedroogde rivierbeddingen, hoewel de Aprilmaand nog niet verstreken was; dan weder kameelen of schapen, door de velden rondzwervende, en letterlijk bedekt met raven, die, met groote behendigheid, de insecten vangen, welke zich in het dichte en kroesige haar van den kameel en in de wol van het schaap verschuilen.

Weldra bereiken wij een plek, waar de grond, met steile helling, afloopt naar eene oude bedding van de Sir-Darja, die tegenwoordig op korten afstand vloeit. Beneden gekomen, vinden wij een met kalk vermengden bodem, met zout en salpeter, in den vorm van zeer kleine kristallen, bezaaid; hier en daar verheffen zich in deze uitgedroogde bedding van de groote rivier boschjes van doornstruiken, die ook zoo veelvuldig langs hare oevers voorkomen. Wij trekken maar altijd voort, door het verlaten bed van de Sir-Darja. Hoe verder wij komen, hoe dichter de rietbosschen worden; elk oogenblik vliegen gansche zwermen eenden uit deze biezen op; maar mijne reismakkers beweren dat ook gevaarlijker gasten, tijgers en panthers, in deze jungles schuilen. Onze paarden kunnen niet dan met moeite voortkomen op dien weeken, salpeterachtigen grond, die onder hunne hoeven scheurt en splijt. Van tijd tot tijd jagen wij kleine wilde katten op, die dan met snelle en sierlijke beweging naar hun hol vlieden, waar zij een oogenblik aan den ingang stilhouden om ons aan te zien en dan ijlings te verdwijnen.

Wij gaan dicht langs de schilderachtige ruïnen van Kasj-Teguermen (de Twee-Molens), eene oude vesting, waarvan de wal vrijwel bewaard is gebleven, maar het inwendige geheel in puin ligt. De zon goot hare stralen met verblindenden glans uit over deze leemen vestingwerken, en kleurde van verre aan den horizon, aan gene zijde der breede rivier en der wijde vlakte, een schilderachtig gebergte, dat zich fier en stout in de lucht verhief.—De weg wordt steeds minder eenzaam. Ter wederzijde staan eene menigte torentjes en wachthuizen, zoowel om de vogels als om de dieven op een afstand te houden. Raïs verzekert mij dat deze torens en deze wachthuizen zijn gebouwd op de graven der gevallenen in den krijg; volgens hem, is het in Turkestan de gewoonte om de soldaten, die in den slag sneuvelen, langs den openbaren weg te begraven; dit geschiedt opdat de voorbijgangers voor hunne zielen zouden bidden.

Wij naderen Khodsjend; de weg is ter wederzijde omzoomd door tuinen, waar prachtige oude moerbezieboomen hunne schaduw spreiden; overal vertoonen zich de teekenen van zorgvuldige bebouwing. Khodsjend wordt door eene gracht en door een dubbelen gordel van goed onderhouden muren verdedigd; de binnenste muur is zeer hoog. De stad telt eene bevolking van ongeveer dertig duizend zielen, en is bekend door hare zijde, hare wijngaarden en hare tuinen. Over het algemeen maakt zij op den vreemdeling geen onaangenamen indruk. Van hare huizen, hare moskeeën en de graftomben der heiligen valt niets bijzonders te zeggen. De bazar kan de vergelijking met dien van Tasjkend in geen enkel opzicht doorstaan.

Bala, de zoon van den aksacale van Boeka.

Het paleis van den voormaligen bey is tegenwoordig de woning van mijn vriend, den kolonel Kouchakewitch, den gouverneur van het district. Ongelukkig was hij juist afwezig; hij was op zijn rondreis, waar hij zich niet alleen van zijne administratieve plichten kwijt, maar die hij ook dienstbaar maakt aan de wetenschap: want de kolonel is een groot liefhebber der natuurlijke historie, die eene merkwaardige verzameling van vogels, insecten, slangen en meer andere dieren bezit; zijn tuin is eene ware menagerie in het klein.

Ik ontmoette te Khodsjend een mijner vroegere kennissen, die hier eene betrekking bekleedde. Hij zeide mij dat de tijding van den oorlog der Russen tegen Bokhara ook hier de gemoederen zeer in beweging had gebracht. De inwoners van Khodsjend, dweepzieke muzelmannen, en nog in geenen deele met de christelijke overheersching verzoend, hopen vurig, dat de dertig- of veertig duizend krijgers van den Emir van Bokhara korte metten zullen maken met die handvol vreemde indringers, die zich in het land genesteld hebben.—Mijn vriend deelt mij ook mede, wat aanleiding gegeven heeft tot den thans uitgebroken oorlog. De gouverneur-generaal van Centraal-Azië stond op het punt naar Petersburg te vertrekken, toen hij vernam dat een bende roovers uit Bokhara langs onze grenzen stroopte en alle gemeenschap belemmerde. De gouverneur stelde zijn vertrek uit, begaf zich naar de voorposten, nabij de stad Dsjisak, en gaf last, eene aanvallende beweging uit te voeren. Inmiddels hadden driehonderd Afghanen, die de keurbende van het leger van den Emir uitmaakten, zijne dienst verlaten, en waren, met hun opperhoofd en twee kanonnen, tot de Russen overgeloopen. Onder de leiding van dien aanvoerder, den prins Iskender-Khan, hadden zij de tot hunne vervolging afgezonden troepen verslagen, en waren in het kamp van Dsjisak gekomen, waar zij verklaarden dat zij voortaan niemand anders dan den Ak-Padisjâ, den witten tsaar, wilden dienen.—Ik zou dus ook in de gelegenheid zijn, kennis te maken met de Afghanen, dat merkwaardig en hooghartig volk, dat zoo schitterende bewijzen van zijn onbedwingbaren heldenmoed en zijne vrijheidsliefde gegeven heeft, in den bloedigen worstelstrijd tegen het machtige Engeland. Een reden te meer, om zoo spoedig mogelijk onze troepen te bereiken en met hen naar Bokhara te trekken! Men zeide mij dat ik geen oogenblik meer te verliezen had; ik nam dus haastig afscheid van mijne vrienden te Khodsjend, na hun mede een aandeel te hebben beloofd van de merkwaardigheden, die wij in het paleis van den Emir zouden vinden, indien wij overwinnaars waren. Maar geen enkele Rus twijfelde aan de zegepraal onzer wapenen.

Bij mijn overhaast vertrek van Khodsjend, waar ik gaarne langer had willen blijven, gaf ik mijn raïs zijn afscheid. De kolonel noopte mij, mijns ondanks, het geleide aan te nemen van drie Kozakken.

De drie Kozakken gingen niet verder mede dan tot Naou, een klein versterkt dorp, schilderachtig op een heuvel gelegen, en waar een klein detachement in bezetting lag. Ik beval hun naar Khodsjend terug te keeren, en vervolgde mijn weg tot aan het groote dorp Kazym, waar de aksacale ons een nachtverblijf aanwees in de moskee. Wij sloegen eerst ons kamp op in den voorhof en niet in het bedehuis zelf; maar de regen dwong ons, daarbinnen eene schuilplaats te zoeken. Het gebouw zag er armoedig en vervallen uit, en de bouwstijl was niet van dien aard, dat de bewondering daarvan ons lang uit den slaap behoefde te houden. De vensters waren met geolied papier beplakt; het dak werd gedragen door ruw behouwen balken; de platgetreden aarden vloer was met een vilten kleed bedekt; langs de wanden waren, ter manshoogte, een soort van kapstokken geslagen, waaraan de geloovigen, eer zij hun gebed verrichten, hunne schoenen ophangen.

Een douvana (Bedelende derwisj).

Ik was ten hoogste verwonderd, dat het heiligdom aldus als herberg werd gebruikt. “Hoe,” vroeg ik aan den aksacale, “hebt gij mij, een ongeloovige, zoo zonder bedenken, een verblijf kunnen aanwijzen in uwe moskee?”

“De huizen van Kazym zijn te onzindelijk voor u,” antwoordde hij. “De moskee zal door uwe tegenwoordigheid niet meer ontwijd worden dan door die der doortrekkende kooplieden, die men er nu en dan herbergt. Bij het weggaan geven de gasten van het bedehuis een klein geschenk voor het heiligdom, en de moskee van Kazym vaart er wel bij.”

Die taal, in den mond van een geloovigen muzelman van Centraal-Azië, tegenover een ongeloovige, een Ourousse, verbaasde mij nog meer dan ons logies in de moskee. Ik had echter ook de bedoeling der laatste woorden van den ouden man begrepen, en gaf hem bij mijn vertrek een klein geschenk in geld, dat hij eerst scheen te willen weigeren, maar dat hij toch aannam, toen ik hem zeide dat het slechts saliaou voor saliaou (gave voor gave) was. Hij had mij dan ook als een vorst ontvangen, die brave aksacale. Hij had mij langs een tiental mannen geleid, die, met waskaarsen in de hand, onbewegelijk stonden, en allen iets aanboden, dat mijne excellentie van dienst kon zijn: de een een schotel met brood, een ander gestremde melk, een derde een kop met room, enz.; en mijne excellentie had zich deze buitengewone eerbewijzen zonder tegenspraak laten aanleunen.

Het dorp Oratepeh, waarheen wij ons nu begaven, ligt op omstreeks twintig kilometers van Kazym. Het was heldere maneschijn; men had mij gezegd dat deze landstreek, vooral in de nabijheid van het riviertje Ak-Soe, niet veilig was. Toen wij, langs eene zeer steile helling, naar den oever van dat riviertje waren afgedaald, bevonden wij ons in eene zeer diepe kloof: althans voor zooveel wij dit, bij de twijfelachtige verlichting door het fantastische schijnsel der maan, konden beoordeelen. Als naar gewoonte, had ik mij van mijne reisgezellen afgezonderd, om mij ongestoord aan mijne indrukken te kunnen overgeven.

“Wees voorzichtig, tura (meester),” voegde mij een hunner toe, mij op zijde komende; “er zijn altijd Karaka (roovers) in de kloven en dalen van de Ak-Soe.”

“Wees gerust, vriend,” antwoordde ik; “met hetgeen gij hier ziet—ik toonde hem mijn revolver—zal ik vijf Karaka neerschieten, eer de zesde mij iets kan doen.”

Het bleek dan ook dat er niet veel reden tot ongerustheid bestond, want wij bespeurden hoegenaamd niets van de Karaka.

Wij gingen door verscheidene uitgedroogde beddingen van beken, die de inwoners hadden afgeleid voor de bevloeiing hunner landen, en kregen eindelijk het vlek Oratepeh in het gezicht, aan den voet van eene majestueuze rotsmassa, waarop eene moskee staat, tegenwoordig in eene kerk veranderd, en eene citadel, die de Russen in October 1866 stormenderhand vermeesterd hebben. Het voormalige paleis van den bey is thans eene herberg, waar ik een russisch hoofdofficier aantrof, met wien ik kennis aanknoopte. Natuurlijk was mijne eerste vraag naar zekere tijdingen van onze voorposten, waarnaar ik zoo verlangend uitzag: maar niemand kon mijne nieuwsgierigheid bevredigen. Van de karavanen, die het verkeer tusschen Khodsjend en Bokharije onderhouden, verneem ik in hoofdzaak het volgende. De Emir, eene nederlaag voorziende, had een volslagen breuk met Rusland willen vermijden, en de verstandige en bedaarde lieden in zijn land zijn het met hem eens; maar de massa des volks, door de mollahs opgehitst, eischt met groote onstuimigheid den verdelgingsoorlog tegen de ongeloovigen. Zij dringt aan op de afkondiging van den gavazate (den heiligen krijg), en de vernietiging van alle Russen.

Oratepeh staat bekend als eene vroolijke en aangename plaats; het geniet ongeveer dezelfde reputatie als Sjiraz in Perzië en Karsji in Bokharije. Dans en muziek zijn hier zeer geliefd, zooals mij, tijdens mijn kort verblijf, overvloedig bleek; als ik door de straten wandelde, klonk mij van alle zijden muziek en regelmatig handgeklap in de ooren. Van de citadel heeft men een verrassend gezicht op de stad, hare bazars, hare fraaie tuinen, en de groene velden, die zich, in een wijden halven boog, tot aan den voet der bergen uitstrekken.

Zamine, waar wij nu aankwamen, ligt op een hoogen heuvel, van welks top men ten noorden en ten westen een onmetelijken horizon overziet. Zamine is een versterkt punt, maar als zoodanig van weinig belang; de bezetting bestaat uit dertig Kozakken. In het vlek bevindt zich eene kleine kolonie van Oesbeken.

Weinig dacht ik, toen ik te Zamine kwam, wat mij daar te wachten stond. De plaatskommandant, majoor L., deelde mij mede, dat ik, krachtens bevel van hooger hand, het vlek niet verlaten mocht.

“Het is mij uitdrukkelijk verboden,” zeide hij, “iemand, wie dan ook, zonder behoorlijk geleide, door te laten gaan. Nu heb ik maar over dertig Kozakken te beschikken, en gij zult mij daar niet van willen berooven, niet waar? Ik zou dan geheel alleen mijne vesting moeten verdedigen.”

Daar viel niets tegen te zeggen. Bovendien was ik niet de eenige, die aldus in zijn voornemen gedwarsboomd werd; er waren nog meer lotgenooten, evenals ik, tegen hun wil te Zamine opgehouden. De majoor troostte mij zoogoed mogelijk: ik zou niet lang hoeven te wachten; ik zou weldra kunnen vertrekken met een detachement, dat buskruit moest overbrengen en binnen kort te Zamine moest aankomen, aangezien het gelijk met mij van Oratepeh vertrokken was.

Mijn hospes is zeer voor mijne veiligheid beducht. Hij verzoekt mij ernstig, zeer voorzichtig te zijn, en mij vooral niet te ver buiten de stad te wagen: in den omtrek houden zich roovers op, die zelfs russische soldaten, op weinige schreden afstands van de citadel, hebben vermoord; het is dus zaak, zoo waakzaam mogelijk te zijn. Hij dringt er zelfs op aan, dat des nachts eene schildwacht voor de deur zal worden geplaatst, en hij bezorgt mij er twee, beiden Oesbeken. Op die wijze is althans zijne verantwoordelijkheid gedekt.

Een dezer schildwachten verhaalt mij de geschiedenis van de inneming der citadel van Zamine door de Russen.

“De soldaten van den blanken tsaar hebben zich des morgens, op het uur des gebeds, van de vesting meester gemaakt,” zoo zegt hij.

“Gij hebt u zeker hardnekkig verdedigd, niet waar, zooals dat dapperen mannen past?”

“Neen zeker niet! Wij sliepen; wij werden eensklaps wakker geroepen; een plotselinge schrik maakte zich van allen meester; wij wisten niet recht wat wij deden, en de verwarring was algemeen.”

“Maar verwachttet gij dan geen aanval van den vijand? De Russen gaan doorgaans recht op hun doel af.”

“Jawel; maar hoewel de Russen reeds vele van onze vestingen genomen hadden, dachten wij toch niet dat zij ook de onze zouden kunnen vermeesteren: zij ligt op den top van een hoogen en steilen heuvel, en de bezetting was zoo talrijk! Zelfs had onze bevelhebber verklaard, dat ieder, die maar van overgave zou durven reppen, onmiddellijk het hoofd voor de voeten zou worden gelegd.

“Zoo? Ja, uw chef schijnt iemand met wien niet valt te gekscheren. Hij heeft zeker zijn leven duur verkocht?”

“Wat blieft? Hij was de eerste om te vluchten!”

Eindelijk, na verloop van eenige dagen, daagde het zoo lang en vurig verwachte konvooi op. Na een kort oponthoud te Zamine, vervolgde het detachement zijn marsch, waarbij wij ons nu aansloten. Het konvooi bestond uit een gewapend escorte, dat de kameelen beschermen moest, die met kruit en beschuit voor het leger beladen waren; verder eenige paarden en eene menigte handelaars en kooplui, voornamelijk Joden, die zien naar het leger begaven, om aan de soldaten brandewijn en allerlei andere zaken te verkoopen. De officier, met het kommando over dit detachement belast, beval mij dringend aan, mij niet van het escorte te verwijderen; naar men zeide was het land zeer onveilig door stroopende rooverbenden, die door sommigen wel op duizend man werden geschat. Ik hield mij overtuigd, dat die geruchten, zoo niet geheel valsch, dan toch minstens zeer overdreven waren, maar was verplicht mij aan het consigne te onderwerpen.

Wij gaan uiterst langzaam vooruit. Ik had den afstand tusschen Zamine en Dsjisak niet nauwkeurig berekend, en had de onvoorzichtigheid gehad eenigszins roekeloos met mijn voorraad levensmiddelen om te gaan. Weldra was die dan ook verteerd. Daar ik geen lust had honger te lijden, begaf ik mij, met mijn bediende Mohammed, naar een kamp van nomaden, waar onze verschijning, nog meer dan anders, eene algemeene ontsteltenis teweegbracht; de vrouwen en kinderen maakten zich haastig uit de voeten; men zag ons aan voor sarbaz, dat wil zeggen voor soldaten uit Bokhara, die wegens hunne ruwheid en woestheid in een zeer slechten reuk staan, en vreesde dus dat wij een bloedbad zouden aanrichten, of minstens het kamp plunderen. Gelukkig vonden wij een Oesbeke, een vriend der Russen, die ons van melk en uitmuntende koeken voorzag.

De uiterst langzame voortgang van ons konvooi begon mij te vervelen; ik vroeg een escorte van twee Kozakken; en de kolonne, die halt hield om te rusten, achterlatende, begaf ik mij op weg naar Dsjisak. Ter linkerhand verheffen zich de bergen van Djoelam, die zich aan de hoogten van Oratepeh en Zamine aansluiten. Naarmate wij Dsjisak naderen, vermenigvuldigen zich de aouls (dorpen) langs den weg, en wordt het op den weg steeds drukker en levendiger van lieden, die naar en van de stad gaan en komen.

Voor de poort der stad ontmoeten wij een grijsaard, met lange zilverwitte haren. Daar hier iedereen het hoofd kaal scheert, ben ik zeer nieuwsgierig om van dezen patriarch de reden te vernemen van deze zoo in het oog vallende afwijking van het algemeen gebruik. Hij deelde mij mede dat hij onderscheidene vrouwen heeft getrouwd, en ook veel dochters, maar geen enkelen zoon heeft; in zijne smart over dit gemis, had hij sinds lang de gelofte afgelegd, zijn hoofd niet te zullen scheren voor hem een zoon geboren was. Hij getroost zich, dusdoende, eene groote vernedering: want in dit land geldt het voor eene schande, geen zonen te hebben, en daar zijne lange haren natuurlijk de algemeene aandacht trekken, worden hem telkens vragen gedaan, die hem noodzaken zijne schande te openbaren.

Dsjisak is omgeven door een drievoudigen gordel van hooge en stevige muren, die niet van steen, maar van aarde zijn opgetrokken; bij de bestorming en inneming door de Russen, werd veel bloed vergoten. De verdedigers, soldaten van Bokhara, werden bijna allen tusschen de muren om het leven gebracht; naar het zeggen van ooggetuigen, lagen de lijken en de stervenden bij geheele hoopen op en over elkander. Dsjisak is geen groote stad; het water is er zeldzaam en slecht; en evenals te Bokhara, richt de afschuwelijke ziekte, richta genoemd, ook hier groote verwoestingen aan. Deze ziekte ontstaat door een worm, die zich onder de huid verbergt, en niet dan met groote moeite verwijderd kan worden; die worm heeft dikwerf eene lengte van vijf-en-zeventig duim en meer.

Uit een hygiënisch oogpunt laat Dsjisak dus veel te wenschen over. Dat is dan ook de reden, waarom de Russen de citadel afbreken, en de steenen en verdere bouwmaterialen vervoeren naar de kolonie, die zij, op vier of vijf mijlen afstands van de stad, te Kloetsji, vestigen, in eene fraaie en gezonde streek, waar niet zooveel schorpioenen zijn als te Dsjisak, en waar het water overvloediger en beter is.

IX.

De weg van Dsjisak naar Jane-Koergane was niet veilig, en wij hadden geen geleide: maar toch werd het ons vergund, onze reis te vervolgen, op het gevaar af in vijandelijke handen te vallen.

Mijne woning te Hodjaguend.

Weldra bereikten wij de beroemde Poorten van Tamerlan: een pas tusschen twee reusachtige rotsmassa’s, ter wederzijde van een bochtigen, kronkelenden bergstroom, dien wij meer dan twintig malen moesten oversteken. Op een der rotswanden zagen wij een zeer regelmatig gebeiteld opschrift, in zeer fraaie en duidelijke letters: maar niemand onzer was bij machte dit opschrift te ontcijferen. Men verhaalde mij, dat deze inscriptie de plaats aanwees, waar de Oesbeken aan de Kiptsjaks slag leverden, waarbij het zoo heftig toeging, dat de beek rood werd van bloed.

Toen wij te Jane-Koergane kwamen, was het russische detachement, dat wij gehoopt hadden te zullen aantreffen, reeds vertrokken om naar Samarkand te marcheeren. Jane-Koergane is een open vlek, dat zijn naam, die een vesting aanduidt (koergane beteekent in het turksch eene versterkte plaats) te danken heeft aan de vroegere muren, waarvan nu geen spoor is overgebleven. Het vlek ligt aan den uitgang van den pas der Poorten van Tamerlan. Wij zagen er een aantal ledige tenten; andere tenten waren opgevuld met koortslijders en andere zieke soldaten, die hier waren achtergebleven.

Ik brandde van verlangen om mij bij den troep te voegen, die zeker nog niet ver weg kon zijn. Maar wat zou ik doen? Ik kon alleen op mijn Kozak rekenen; was het geen onverantwoordelijke roekeloosheid, mij aldus, zonder behoorlijk geleide, midden in het vijandelijke land te wagen? Zou het niet beter zijn, althans vier of vijf moedige reismakkers op te zoeken, om gezamenlijk de kans te beproeven?

Na de overwinning.

Deze gedachten vervulden mij, terwijl ik te paard de eenzame straten van Jane-Koergane doorreed. Eensklaps staat een bekende voor mij: de bediende van den koopman Gloudoff, een flink jonkman, die, evenals ik, naar eene gelegenheid zocht om het russische leger te bereiken, half uit liefhebberij half om zaken: drie zijner reizigers waren te Samarkand gevangen genomen en in den kerker geworpen; er was alle kans dat zij er het leven bij zouden inschieten. Gloudoff vreesde bovendien, dat, tegelijk met zijne bedienden, ook de niet onaanzienlijke sommen, die zij bij zich hadden, verloren zouden zijn.

“Wel, dat treft uitnemend, riep ik den bediende toe, zoodra ik hem gewaar werd. Uw meester is zeker ook hier?”

“Ja, hij is in den bazar, waar hij mij wacht. Hij wil niet te Jane-Koergane blijven.”

“Uitnemend, mijn vriend!” riep ik, en spoedde mij naar den bazar, waar ik Gloudoff vond.

“Ik hoor daar van uw bediende,” zeide ik tot hem, “dat gij in dit vervelende nest van een Jane-Koergane niet langer wilt blijven. Gij wilt zeker, evenals ik, naar Samarkand gaan?”

“Ongetwijfeld.”

“Zeergoed! Maar hoe zullen wij daar komen?”

“O, dat is zeer gemakkelijk. Wij zullen het konvooi volgen, dat kruit naar het leger brengt.”

“Wat ik u bidden mag, reken niet op het konvooi, dat voor Jane-Koergane bestemd is en niet verder zal gaan. Zijt gij alleen?”

“Alleen? Ik heb een geheel leger bij mij: vier man, om u te dienen!”

“Ik heb drie man, dat maakt alzoo zeven: wij met ons beiden daarbij, dat is negen. Die macht is voldoende om een ganschen troep Bokhareezen in bedwang te houden! Laat ons dadelijk vertrekken!”

Wij spraken af dat wij over een uur vertrekken zouden. Ik deed haastig eenige inkoopen, en was prompt op mijn tijd ter plaatse, waar wij elkander zouden ontmoeten.

Zal ik het maar zeggen? Mijn voortreffelijke vriend Gloudoff had zijn tijd niet met heen en weer loopen verbeuzeld. Ik vond hem voor eenige ledige flesschen, meer dan half beschonken en haast niet meer in staat om naast zijn bediende in het rijtuig te blijven zitten. Inderdaad mijn vriend Gloudoff was een echte Rus!

Eindelijk zijn wij op weg. De officier, die mij tot Jane-Koergane begeleid heeft, beveelt mij de uiterste behoedzaamheid aan. De weg, zegt hij, is zeer onveilig door allerlei snood gespuis, dat zich hier in menigte ophoudt en tegen geen sluipmoord opziet. Overigens vernemen wij niet dan goede tijdingen; het detachement der voorhoede is de steenen brug, op ongeveer zeven-en-dertig kilometers afstand van Jane-Koergane, overgetrokken, en vervolgt zijn marsch naar Samarkand. Alles gaat naar wensch: de beslissing nadert; de ontmoeting der vijandelijke legers is aanstaande, en alles voorspelt ons de overwinning.

“Als dat zoo is, moeten wij ons haasten! Spoedig voorwaarts!” Wij zetten onze paarden in draf; niemand twijfelt er aan, of wij zullen nog vóór den nacht het detachement hebben ingehaald.

“Weet gij den weg?” vraag ik aan Gloudoff, die nog gansch niet op zijn dreef is.

“Den weg? Wel, dit is de weg.”

“Ja wel. Maar ik bedoel de zijpaden, de hinderpalen van allerlei aard, die ons in de war kunnen brengen, de bochten, de duisternis; hebt ge daarop wel gedacht? Zullen wij het spoor der soldaten niet verliezen? Daar moeten wij op bedacht zijn. Wij hebben niet voortdurend de zon tot onze dienst.”

“Wat praat ge toch van de zon en de duisternis? Het zal wel terecht komen.”

“Maar als wij ons nu eens in den weg vergissen?”

“Wij zullen ons niet vergissen; en al gebeurde dat, wat dan nog? Wij zullen altijd ergens terecht komen, al was het maar te Samarkand. Ge hebt immers gezegd, dat wij met ons negenen zijn? Wij zullen de stad bestormen, en daarmede is het uit. Zoo zie ik de zaak in.”

“Ja, gij begrijpt dat zeer goed. Audaces fortuna juvat, zegt het spreekwoord; en als dat waar is, zullen wij ongetwijfeld Samarkand veroveren; of liever gij zult dat doen, gij alleen, dappere Gloudoff!”

Onze kleine karavaan was nog niet ver buiten Jane-Koergane, en Gloudoff had nog altijd den mond vol van de aanstaande verovering van Samarkand, toen een Kozak ons in vollen galop achterop kwam.

“Uwe Edelheid, zeide hij tot mij, de kommandant der vesting gelast u, onmiddellijk terugtekeeren. De gouverneur-generaal heeft ten stelligste verboden, iemand, wie ook, door te laten.”

Tegenpruttelen hielp niet: wij moesten gehoorzamen. Gloudoff begreep niets van hetgeen er gebeurde; hij zweert dat honderd duizend man hem niet zullen tegenhouden, legt de zweep op zijne paarden, en rent in vliegende vaart door, achtervolgd door tien Kozakken. Weldra hadden zij hem ingehaald; zij grepen zijn paarden bij de teugels, en voerden hem naar de vesting terug.

“Alweer een oponthoud!” sprak ik bij mijzelf: men zal Samarkand zonder u innemen. Gij zult geen veldslag zien, hoezeer ge er naar moogt verlangen!” Wij putten al onze welsprekendheid uit, om den kommandant te bewegen op zijn besluit terug te komen: maar er was geen vermurwen aan.

Wij wachtten een ganschen dag, zonder dat het konvooi, waarmede wij zouden mogen vertrekken, kwam opdagen; dat konvooi, hetwelk ammunitie moest overbrengen voor de troepen, die tegen Samarkand moesten ageeren, was, onder escorte van een bataillon infanterie, sinds lang van Tasjkend vertrokken.

Het konvooi verscheen niet; maar gaandeweg werd Jane-Koergane opgevuld met lieden, die, evenals wij, van ongeduld brandden om het russische leger te bereiken. Dit waren voornamelijk Joden, die brandewijn verkochten, en kirghisische en tartaarsche dsjiguiten; al te gader lieden van meer dan verdachte reputatie, vlammende op winst en voordeel, echte jakhalzen en hyena’s, aangetrokken door de lijklucht. Zij wisten zeergoed, dat in oorlogstijd de niet al te onvoorzichtige schelmen gemakkelijk fortuin maken.

Wij hadden onze wagens en paarden vlak aan den weg naar Dsjisak geplaatst, zoodat allen, die van die zijde naar Jane-Koergane kwamen, ons kamp voorbij moesten. Ik hield alle voorbijgangers aan, en onderwierp hen aan een zoo scherp mogelijk verhoor.

Zoo werd mijne aandacht getrokken door een troep van vijf-en-twintig dsjiguiten, onder aanvoering van een zekeren Gassane, dien ik van vroeger kende. Dadelijk viel het mij in, dat deze ontmoeting ons gunstig zijn kon. Zoo wij ons bij deze vijf-en-twintig manschappen aansloten, zouden wij sterk genoeg zijn om, zonder groot gevaar, den tocht te kunnen ondernemen. Het gelukte mij, ook den kommandant hiervan te overtuigen, die ons bovendien nog een geleide van vijf-en-twintig soldaten medegaf.

Onze dsjiguiten waren slecht gewapend; de een had een half onbruikbaren sabel, een ander een pistool, een derde een geweer, dat voor den drager of voor zijn nevenman wel zoo gevaarlijk was als voor den vijand; maar daarentegen bezaten wij eenige uitnemende geweren en revolvers. Met inbegrip van eenige officieren, die naar hun regiment gingen, waren wij te zamen zestig man sterk: toch geen al te talrijke macht om zich te verdedigen tegen de tweeduizend en zooveel honderd bandieten, die, volgens de laatste berichten, door den omtrek zwierven.

Wij kwamen overeen, dat wij des nachts ten drie uur zouden vertrekken, en dat wij geen enkelen Sarthe zouden medenemen, omdat zij, als het er op aan mocht komen, niet te vertrouwen waren. Wij vertrokken inderdaad, zeer vroeg in den morgen, na een zeer onrustigen nacht, want nauwelijks waren wij ingeslapen of een geweerschot deed ons allen wakker schrikken. Vlak bij ons stonden eenige schildwachten op post: een daarvan had, naar hij zeide, geschoten op een man, die zich in de struiken wilde verbergen. Een Kozak kwam in galop aanrennen: hij kwam uit naam van den kommandant, om te vernemen wat er gaande was; daarop werden door een patrouille de aangewezen struiken en de gansche omtrek van het kamp zorgvuldig onderzocht; maar het was onmogelijk, den man te ontdekken, dien de schildwacht beweerde gezien te hebben. Al deze beweging maakte dat ik den slaap niet vatten kon; ik werd telkens wakker, en zag dan steeds mijn trouwen Mohammed, die, met het geweer in de hand, de wacht bij ons hield.

Gloudoff, aan onze afspraak indachtig, wilde geen Sarthen in ons gezelschap dulden; hij ontdekte er verscheidenen, die zich achter bij onze kolonne hadden aangesloten, en zond ze onbarmhartig weg. Maar zoodra hij, wel voldaan over zijn heldenstuk, weer in zijn rijtuig had plaats genomen om te gaan slapen, kwamen al de verdreven Sarthen weer zoetjes aan terug, en vervolgden kalmpjes hun weg achter onze karavaan. Zij waren niet de eenigen; langzamerhand zagen wij, als kwamen ze uit den grond, allerlei soort van lieden opdagen, op ezels gezeten, en koeien en schapen voor zich uit drijvende. Die nieuwe reismakkers, die zich geheel uit eigen beweging en zonder vergunning te vragen bij ons aansloten, vormden een langen trein, vertraagden onzen marsch en vervulden de lucht met wolken stof.

De weg was breed en effen. Ter linkerhand zag men lage bergen, waar zich geheele benden struikroovers ophielden, en daarachter een hooge bergketen, hier en daar met sneeuw bedekt. Van tijd tot tijd doet onze nadering arenden opvliegen, die zich met langzame, statige vlucht verwijderen.

De aouls (dorpen), waarlangs wij trekken, zijn ledig; de inwoners hebben de vlucht genomen: gewoon door hunne eigene soldaten uitgeplunderd en mishandeld te worden, meenen zij dat ook de russische troepen alles wegnemen, wat zij machtig kunnen worden. De eenzaamheid, die ons aan alle kanten omgeeft, boezemt ons van tijd tot tijd eenige ongerustheid in: zoo ontdekken wij, bij voorbeeld, plotseling, in de verte een troep ruiters. Is dat eene vijandelijke voorhoede? Zijn het spionnen? Onze lieden, blijkbaar niet op hun gemak, wijzen elkander die vreemde ruiters aan, en trachten ze te tellen.

Eindelijk bereikte onze karavaan de steenen brug, waarvan ik reeds gesproken heb, en die zeven-en-dertig mijlen van Jane-Koergane verwijderd is. Men had mij met zekeren ophef van die brug gesproken, als van een opmerkelijk kunstwerk, door een zeer goede fortificatie verdedigd. Het bleek eene ellendige brug te zijn, met geen andere verdedigingswerken dan een paar lage, gekanteelde aarden muren.

Aan den tegenoverliggenden oever, bespeurden wij, op eenigen afstand, wederom een tiental ruiters, die nu eens naderbij kwamen, en dan weer plotseling verdwenen. Waren zij vreedzame nomaden of dorpelingen, wier aandacht gewekt was door de stofwolken, die onze karavaan deed opgaan? Of behoorden zij tot eene bende bandieten?

In ieder geval was het wenschelijk, op onze hoede te zijn; wij zenden dus een onzer dsjiguiten op verkenning uit, terwijl wij bij de brug halt houden, op dezelfde plek, waar waarschijnlijk voor ons het russische detachement heeft vertoefd, want het gras is in het ronde geheel platgetreden.

Intusschen was onze dsjiguite in een boom geklommen, om van die hoogte te beter de bewegingen der verdachte ruiters te kunnen gadeslaan. Weldra begon hij te roepen, en ons met de hand twee zwarte stippen te wijzen; wij zagen toen twee mannen te paard, slecht gekleed en van een alles behalve gunstig voorkomen, die naar ons toekwamen. Zij gaven zich uit voor eenvoudige boeren uit het naburige dorp; maar er was niet veel scherpzinnigheid toe noodig om te begrijpen dat wij te doen hadden met twee makkers der onbekende ruiters, die wij reeds vroeger bespeurd hadden. Terwijl de een op onze vragen antwoordde, nam de ander ons zorgvuldig op: hij telde de soldaten van ons escorte, en onderzocht met scherpen blik onze wapenen en uitrusting.

Wij ondervroegen hen omtrent het russische detachement, omtrent de troepen van den Emir, omtrent Samarkand; maar wij kregen geen ander antwoord, dan: “De russische troepen zijn over de steenen brug getrokken; verder weten wij niets.”—Wij besloten, gedurende het overige van onze reis, deze lieden bij ons te houden, ten einde zeker te zijn dat zij ons niet konden verraden, en hun metgezellen inlichten omtrent de zwakheid onzer karavaan. De voorzichtigheid gebood ons, hen niet los te laten, voor wij het detachement zouden hebben bereikt, of althans zeker zouden weten, waar het zich bevond, en in hoever wij, in geval van nood, op hulp konden rekenen.

Wij waren inderdaad in een moeilijken toestand. Wat moesten wij doen? Wat zou er van ons worden, indien de russische troepen Samarkand waren omgetrokken om naar Bokhara te marcheeren; of indien zij, bij den aanval op Samarkand, zich aan de andere zijde der stad gelegerd hadden? Hoe zouden wij, in beide gevallen, onze landgenooten kunnen bereiken? En indien, bij geval, de troepen van den Emir niet voorgoed verslagen zijn, loopen wij dan geen gevaar, omsingeld en neergeschoten te worden, nog eer wij een hand kunnen uitsteken tot tegenweer?

Wij hielden een soort van krijgsraad. Ik was bijna de eenige, die voor het voortzetten der reis stemde; ik beweerde dat de drieduizend soldaten van den generaal Kaufmann—denzelfden die Samarkand veroverd heeft—het geheele land met den schrik voor den russischen naam hadden vervuld; dat niemand ons zou durven aanvallen, uit vrees voor eene spoedige en geduchte wraak; dat wij eindelijk, indien wij aangevallen werden, talrijk genoeg waren om weerstand te bieden aan de nomadische ruiters, en wagens en paarden genoeg bij ons hadden om voor de gekwetsten te kunnen zorgen.—Daarentegen scheen ons escorte niet gerust te zijn; een der officieren had hooren zeggen: “Dat gaat niet goed. Wij zullen er allen aan moeten gelooven!”