Een indische fakir.
En terwijl wij zoo, treurig en in groote onzekerheid, beraadslaagden wat ons te doen stond, bedekte zich de hemel met zwarte wolken; donderslagen knalden, en bliksemstralen schoten door de lucht. Eindelijk behield mijn raad de overhand, en wij richtten ons weder naar Samarkand. Mijne reismakkers hadden begrepen, dat de Russen halt hadden gehouden, of naar Samarkand waren doorgetrokken: in het eerste geval zouden wij hen vóór den volgenden morgen moeten inhalen; in het tweede, zouden wij een dsjiguite afzenden, die zou trachten uit te vinden waar onze landgenooten zich ophielden, en hen, zoo noodig, van onzen toestand zou onderrichten.
Voor die gevaarlijke zending, die evenveel moed als behendigheid vereischte, was de aangewezen man de Tartaar Gassane, dien ik reeds genoemd heb als aanvoerder der vijf-en-twintig dsjiguiten, met wien wij van Jane-Koergane vertrokken waren. Gassane was onverschrokken: met een Kirghise, was hij de eenige geweest, die een zending naar den Emir van Bokhara had durven aannemen, toen het gezantschap van den generaal Tchernaïef in de stad gevangen werd gehouden, na het mislukken der expeditie tegen Dsjisak. Die twee moedige mannen leverden den brief in handen van Zijne Hoogheid. Ongelukkig kwam Gassane op een dwazen inval, om tot den Emir eenige woorden te richten, die als onvoegzaam konden worden beschouwd; het gevolg daarvan was, dat terwijl de Kirghise, zijn medegezant, een prachtig kleed ten geschenke kreeg, en daarna vrijelijk naar zijne steppen mocht terugkeeren, onze vriend Gassane, zooals de Emir zeide, naar de raven ging: dat wil zeggen, dat hij in een kuil geworpen werd, om daar te gaan nadenken over de onaangename gevolgen van een onbedacht woord.
Gassane luisterde naar mijn voorstel, en nam het ook aan; toch bemerkte ik dat hij een bedenkelijk gezicht zette. Gloudoff gaf hem een prachtig amerikaansch geweer ten geschenke, en sprak hem moed in met de vertroostende woorden: “Wees niet bang, vriend; gij hebt toch maar één hoofd te verliezen.”
Helaas! wij hadden geen spion en geen boodschapper meer noodig. Twee ruiters, door onze dsjiguiten ingehaald en tot ons geleid, brachten ons eene tegelijk zeer goede en zeer noodlottige tijding: Samarkand was door de Russen bezet. Ons leger was er dienzelfden dag binnen getrokken, zonder eenigen tegenstand te ontmoeten, en vooraf de troepen van den Emir verslagen te hebben. Zoo had een oponthoud van eenige uren ons de gelegenheid ontnomen, om eene van de beroemdste steden der wereld in handen van de Europeanen te zien vallen!
Uit voorzorg hielden wij ook deze twee gevangenen, evenals de vorigen, bij ons. Wij gaven hun de verzekering dat hun hoegenaamd geen leed zou geschieden; maar blijkbaar hechtten zij niet veel aan onze vriendelijke verzekeringen, en hielden zij zich overtuigd dat hun weldra het hoofd voor de voeten zou worden gelegd, zooals het oude en eerwaardige gebruik in het land van Bokhara dat medebrengt.—Wij hadden moeite, de waarheid van het bericht aan te nemen: eene zoo aanzienlijke en beroemde stad, zonder slag of stoot genomen door een legertje van hoogstens drieduizend man!—Wij vervolgden onzen weg, verdiept in gesprekken over den oorlog met Bokhara.
Toen wij Samarkand naderden, bevonden wij ons in eene heerlijke streek, overvloedig van water voorzien, uitnemend bebouwd en bezaaid met welvarende dorpen; ter wederzijde van den weg was het eene opeenvolging van prachtige tuinen; wij hadden de rijke, schoone vallei bereikt van de rivier Zerafsjane of Zariavsjane.
In het eerste dorp, dat wij doortrokken, stonden de bewoners voor de deur hunner woning; zij heetten ons hartelijk en vriendelijk welkom. Meenden zij dat inderdaad? Ik weet het niet. Misschien wel, want men weet ook in Centraal-Azië dat het bestuur der ongeloovigen, door vastheid en rechtvaardigheid, verre uitmunt boven de regeering der inlandsche vorsten. Ook valt het niet te betwijfelen, of onder de muzelmansche bevolking bevinden zich vele aanhangers van Rusland.
De tijdingen, die wij in dit dorp vernamen, bevestigden ten volle wat onze ruiters ons hadden medegedeeld. Men vertelde ons de bijzonderheden der groote gebeurtenis. De strijd had kort geduurd, en de overwinning, door een handvol Russen, op het leger van Bokhara behaald, was volledig geweest. De soldaten, die ons vergezelden, hadden op dien dag meer dan vijftig mijlen afgelegd; doch de goede tijding der overwinning en de nadering van het einddoel van den tocht, bezielden hen met nieuwe krachten, en al zingende hervatten zij den marsch. Hoe uitgeput zij ook waren, hieven zij een lied aan, en zongen het ten einde; toen werd een tweede aangeheven, en ook ten einde gebracht; maar bij het derde, bleven zij steken: hunne stem bezweek van uitputting en vermoeienis.
Na de nederlaag.
Na mijne komst te Samarkand heb ik deze brave lieden uit het oog verloren; maar het zou mij niet verwonderen, indien velen hunner de doorgestane vermoeienissen met het leven, of althans met het verlies hunner gezondheid hadden moeten boeten.—Zoolang de marsch duurt, wint men zich op; hoe bezwaarlijker de tocht is, hoe meer inspanning de oorlog vordert, hoe meer het gevaar dreigt, des te meer gewent men daaraan en verhardt er zich tegen; maar op die overspanning volgt noodzakelijk ontspanning; dan herneemt de natuur hare, een oogenblik miskende rechten, en de reactie begint. Het is genoeg bekend, dat in den oorlog niet het kanonvuur de grootste verwoestingen in het leger aanricht, maar uitputting en ziekte.
Het had geregend; de weg was in een modderpoel herschapen; de manschappen waadden door het slijk; de paarden hadden de grootste moeite om voort te komen. Het onweder, dat wij hadden zien opkomen, toen wij aan de steenen brug halt hielden, was hier in volle kracht losgebroken. Telkens moesten wij beken oversteken, waarvan de bruggen door de troepen op hun tocht naar Samarkand waren afgebroken; onze wagens en rijtuigen bleven steken of vielen om: het was een eindeloos tobben.
“Zijn wij nog ver van de Ser-afschan?” vroegen wij ongeduldig, nu eens aan Gassane, die er zich op beroemde dat hij de gansche streek nauwkeurig kende; dan aan een Jood, die in het edele Samarkand geboren was, of aan anderen, van wie wij vermoedden dat zij ons konden inlichten.
“Nog twee mijlen,” zeide de een; “nog drie mijlen,” beweerde de ander; “nog vijf of zes mijlen,” riep ons een derde toe.
Ik was zoo vermoeid, dat ik nauwelijks in den zadel kon blijven zitten: ondanks alle pogingen om wakker te blijven, gevoelde ik dat de slaap mij overmeesterde; niet in staat om mij recht overeind te houden, zakte ik nu eens rechts, dan weder links ter zijde, terwijl de teugels mij telkens ontsnapten. Van tijd tot tijd zette ik mijn paard in galop, en wanneer ik mijn makkers een eind vooruit was, stapte ik van mijn paard, en sliep staande, met mijn hoofd rustende op den zadel. Mijn paard, minder slaperig dan ik, maar daarentegen meer door den honger gekweld, ging naar den rand des wegs, nu rechts dan links, om het weinige gras op te zoeken, terwijl ik, altijd tegen den zadel geleund, slaapdronken en onbewust, al zijne bewegingen mede maakte.
Hoe gelukkig waren wij, toen wij, eindelijk de tuinen achter ons latende, aan een tak van de Ser-afschan kwamen en, na dien doorwaad te hebben, halt hielden om te slapen! Wij plaatsten onze wagens in een kring, wij zetten schildwachten uit, en vielen daarop allen, met inbegrip van de schildwachten, in een diepen slaap. Men had ons gemakkelijk tot den laatsten man kunnen vermoorden.
Toen wij den volgenden morgen ontwaakten bevonden wij ons aan den voet van den heuvel Tsjopane, waarachter, naar men ons zeide, Samarkand ligt. Op den top des heuvels zagen wij schildwachten: ter rechterzijde zagen wij hooge ruïnen, die van verre op de bogen eener verwoeste brug geleken, en ons toeschenen zeer oud te zijn. De heuvel was vol gaanden en komenden, allen ongewapend.—Wij waren in vijandelijk land, en moesten voorzichtig zijn; wij trokken dus langzaam voort, en hielden ons dicht bij elkander, om voor alle verrassingen gewaarborgd te zijn. De vlakte was hier en daar zeer moerassig; meer dan eens bleven onze paarden en wagens in den modder steken, en evenals den vorigen dag, moesten wij geduld oefenen. De Ser-afschan verdeelt zich hier in zes of zeven armen; maar, in dit vroege morgenuur, waren die riviertjes niet diep, zoodat wij ze konden doorwaden. Later op den dag wordt dat anders: het smelten der sneeuw op de naburige bergen doet dan de wateren zwellen.
Toen wij den laatsten arm van de Ser-afschan waren overgestoken, zagen wij twee ruiters van den berg af en naar ons toekomen: de een was een grijsaard, de ander een jonkman. Zij heetten ons hartelijk welkom, en verhaalden ons, dat het russische leger inderdaad Samarkand had bezet; dat de opperbevelhebber zijn intrek had genomen in de citadel, en het gros der troepen achter de stad was gelegerd. Zij voegden daarbij, dat het gevecht, hetwelk Samarkand in onze handen had doen vallen, den vorigen dag juist was geleverd op dezelfde plek, waar wij ons nu bevonden.
Inderdaad zagen wij, op eenigen afstand, enkele doode paarden, waarop wij tot dusver geen acht hadden geslagen. Verder op vonden wij eenige lijken van Bokhareezen, die in den slag gesneuveld waren; zij waren allen bijna naakt: ongetwijfeld geplunderd en uitgeschud door hunne eigene landgenooten. Sommigen waren in den rug gewond: dat waren vluchtelingen, plotseling door een kogel achterhaald; een ander was het hoofd verbrijzeld door een granaat. Er lagen niet veelmeer dan tien dooden op dit slagveld; ik vermoed echter dat vele gevallenen reeds den vorigen dag waren begraven.
Boven op den heuvel van Tsjopane zag ik een soort van aarden wallen, waarop, naar ik vermoedde, de vijandelijke batterijen hadden gestaan. Ik wilde ze wat meer van nabij bezien. Op den top gekomen, bleef ik eensklaps staan, zoozeer trof mij het panorama, dat zich voor mijne blikken ontrolde.
Daar lag Samarkand voor mij, in een krans van tuinen en gaarden. Boven hare lusthoven en huizen verhieven zich oude, statige moskeeën. Ik, de vreemdeling uit het noorden, zou de poorten betreden van de eenmaal zoo beroemde stad, de hoofdstad van Timoer den Kreupele!
X.
Zoo was het onzen reiziger, ondanks al zijne moeite, niet gelukt, tegenwoordig te zijn bij den intocht der Russen in Samarkand. Zekerlijk zullen wij onzen lezers geen ondienst doen, indien wij hier het verhaal dezer groote gebeurtenis laten volgen, zooals dit voorkomt in een der laatste werken van den heer Arminius Vambéry, de Geschiedenis van Transoxanië.
Arminius Vambéry, tegenwoordig vice-president van de Aardrijkskundige Maatschappij te Pesth, is niet alleen een der beroemdste reizigers, maar ook een van de uitnemendste taalgeleerden van onzen tijd. Ook voor de lezers der Aarde is hij geen onbekende.
Hetgeen wij hier laten volgen, is bijna letterlijk vertaald uit het werk van den onverschrokken onderzoeker van Centraal-Azië, getiteld: Geschichte Bochara’s oder Transoxaniens, von den frühesten Zeiten bis auf die Gegenwart.
Den 13den Mei 1868 ontving het russische leger bevel, naar Samarkand op te rukken, en stelde het zich aanstonds in beweging. De kolonel Petruschewsky, die de voorhoede kommandeerde, stond op den rechteroever van een der armen van de Ser-afschan, toen zich Nedchm-eddin bij hem aanmeldde, om, uit naam van den Emir van Bokhara, over den vrede te onderhandelen, en zoodoende het voortrukken der russische troepen te stuiten....
De generaal Kaufmann, de bedoelingen des vijands wantrouwende, zette echter zijne beweging voort. Hij had onder zijne bevelen een-en-twintig en eene halve kompagnie infanterie, en vierhonderd-vijftig Kozakken: te zamen ongeveer achtduizend man, met zestien kanonnen.
Een groot deel van het leger van den Emir, dat veertig-duizend man sterk was, hield de steile oevers aan de overzijde van de Zerafsjane bezet. De Russen lieten zich door deze overmacht niet afschrikken; hun rechtervleugel, onder aanvoering van den generaal-Majoor Golowatscheff, daalde zonder aarzelen in de rivier af; en gedurende een groot kwartier zochten de soldaten, wien het water tot aan de borst kwam, eene waadbare plek, terwijl de vijandelijke artillerie een hevig vuur op hen richtte. Het muzelmansche leger, vijf of zes maal sterker dan de soldaten van den majoor Golowatscheff, poogde hun den overtocht over de rivier te betwisten; maar zoodra de Russen den vasten wal hadden bereikt, verlieten de Muzelmannen in allerijl de voordeelige stellingen, die zij op de hoogten hadden ingenomen, in hun overhaaste vlucht zelfs de kanonnen achterlatende.
Deze zoo spoedig en zoo gelukkig afgeloopen ontmoeting had plaats op korten afstand van Samarkand. Toen de inwoners dier stad hunne geloofsgenooten in allerijl zagen vluchten, sloten zij haastig de poorten, want zij vreesden hunne eigene soldaten meer dan het leger der christenen.
Zij zonden daarop eene deputatie naar den overwinnaar, bestaande uit de voornaamste burgers der stad, waaronder eenige mollahs of priesters, aksacalen of regeeringsleden, en anderen: en daags na den slag, trok eene afdeeling van het russische leger, met den generaal Kaufmann aan de spits, zonder slag of stoot Samarkand binnen. Onder den schitterenden staf die den generaal volgde, merkte men ook den prins Iskender-Khan op, zoon van den afghaanschen Sultan van Herat. Deze prins had, naar men zeide, uit ijver voor de zaak van den Islam, zijne diensten aan den Emir aangeboden; maar daar de Emir had verzuimd de beloofde soldij te betalen, had Iskender een gebed opgezegd voor het heil zijner ziel, en daarop dienst genomen bij de christenen!
Zoo viel, op den 14 Mei 1868, de weleer zoo roemrijke hoofdstad van Timoer, de geboorteplaats en de laatste rustplaats van zoovele beroemde heiligen van den Islam, sinds overoude tijden de stralende fakkel der muzelmansche geleerdheid! In een oogwenk was zij christelijk geworden, en uit de handen van de Oesbeken-dynastie der Mangiten overgegaan in die van het huis Romanoff. Een Alexander (de groote Macedoniër) was haar eerste veroveraar; wederom onder een Alexander kwam daar een beslissende omkeer in haar lot. Voor meer dan tweeduizend jaren schatplichtig aan een kleinen staat in het zuiden van Europa, is zij nu onderworpen aan den schepter van den machtigen keizer van het Noorden.
De Grieken, de Arabieren, de Mongolen, de Turken, de Oesbeken.... wat al oorlogen, wat al zegepralen, wat al dynastiën, wat heerlijkheid, welke herinneringen! En welke andere stad van Azië heeft een verleden achter zich, zoo schitterend als dat van Samarkand? Terwijl de landen van het uiterste Oosten ons sedert de vorige eeuw meer of minder goed bekend zijn, en Kathay en Zipangou bijna al het geheimzinnige, dat hen eertijds omgaf, verloren hebben, had tot op onze dagen nog niemand den sluier van Samarkand opgelicht. Dat is, tot verbazing van Europa, nu geschied.
Een nieuw tijdperk is voor Midden-Azië aangebroken. Landen en steden, die tot dusver voor den Westerling volstrekt ontoegankelijk waren, zijn thans voor hem geopend. Daar waar een Europeaan, zelfs onder de zorgvuldigste vermomming, geen stap kon doen, zonder zijn leven op het spel te zetten, beweegt hij zich nu vrijelijk, naar het hem goeddunkt, want een christenleger houdt het land bezet. Te Tadsjkend, te Khodsjend, te Samarkand, vindt men sociëteiten, koffiehuizen en kerken. Tadsjkend heeft een eigen russisch dagblad, de Turkestanskia Wjedomostie (het Nieuws van Turkestan); en aan het weemoedig geroep van den moeëzzin paart zich het klokgelui der grieksche kerken, onverdragelijker voor de ooren van den waren geloovige dan de donder van het geschut. In de straten van datzelfde Bokhara, waar de schrijver dezer regelen, voor eenige jaren, slechts muzelmansche lofliederen hoorde, wandelen nu russische popen, kooplieden en soldaten, met al de fiere gerustheid van den overwinnaar. Een lazaret en magazijnen van levensmiddelen hebben de plaats ingenomen van dat weleer zoo prachtige paleis van Tamerlan, waar alle vorsten van Azië hem hunne hulde kwamen betuigen, waar zelfs de trotsche monarch van Spanje, door zijn gezant, om de vriendschap liet verzoeken van den grooten veroveraar; dat paleis, waar de Toeraniërs met eerbiedige geestdrift zich kwamen nederbuigen om met hunne voorhoofden den “Groenen Steen” aan te raken, het heilige voetstuk van den troon van Timoer!
Deze zegepraal der russische wapenen in Centraal-Azië heeft, naar ik meen, aan den Islam een zoo zwaren slag toegebracht, als hem, in zijn duizendjarige worsteling met het Kruis, wellicht nog nimmer getroffen heeft. In onzen tijd doet zich de machtige invloed der westersche beschaving in geheel het mohammedaansche Azië, van Konstantinopel tot den Indus, gevoelen: Mekka en Medina zelfs konden zich daaraan niet geheel onttrekken. Alleen Centraal-Azië was daarvan bevrijd gebleven, het heiligdom van het islamismus; daar had het ware geloof niet geleden door de goddelooze “nieuwigheden”; en in de schatting der echte Muzelmannen was niet Mekka, maar Bokhara de geestelijke hoofdstad van het islamisme. De asceet, de leden der godsdienstige orden, de godgeleerden, zij hielden allen hunne blikken op deze heilige stad gevestigd, en in hare scholen en moskeeën kwamen de ijverigste Muzelmannen van Turkije, Egypte, Fez en Marokko, nieuw voedsel zoeken voor hun geloof en hunne geestdrift. Het feit, dat deze zoo bij uitnemendheid heilige grond thans door de kafirs, de ongeloovigen, als heeren en meesters betreden wordt, heeft, in geheel de mohammedaansche wereld, de gemoederen ten diepste geschokt. De val van de “voornaamste zuil des geloofs”—zooals Bokhara genoemd werd—heeft een stofwolk doen opgaan, die voor langen tijd den hemel van den Islam verduisteren zal.
Met de inneming van Samarkand was evenwel de oorlog nog niet ten einde. Na de nederlaag van zijn leger, vlood de Emir in aller ijl naar Kermine. Zijn zoon, de vermoedelijke troonopvolger, Abd-Melik-Mirza, had zich reeds gedurende den slag uit de voeten gemaakt, en was in vliegenden ren naar Bokhara geijld; de schrik en ontzetting waren zoo groot en algemeen, dat de vreedzame inwoners van het district Mijankal hunne dorpen en gehuchten verlieten en naar de zijde van Andsjoï en Meimene de wijk namen.
Een Kirghise
De Russen van hun kant haastten zich, de op een heuvel gelegen citadel van Samarkand in weerbaren toestand te brengen; terwijl een deel van het leger den Emir achtervolgde, en eene andere afdeeling de steden op den weg van Samarkand naar Bokkara onderwierp.
Het korps van den generaal-majoor Golowatscheff, bestaande uit veertig kompagnieën infanterie, drie sotnias Kozakken, met acht kanonnen, verscheen eerst voor de versterkte stad Ketto-Koergane. Deze stad, waarvan de naam groote vesting beteekent, ligt aan den oever van de Ser-afschan; tijdens mijne reis had men mij van die stad als van eene onneembare vesting gesproken; en inderdaad waren de buitenwerken niet te verachten. Dat belette evenwel niet, dat de sterke bezetting de poorten voor het russische leger opende, zonder ook maar eene poging tot tegenstand te hebben beproefd.
Bij het vernemen dezer tijding scheen de Emir zijne laatste krachten te willen verzamelen; hij vestigde zijn hoofdkwartier te Mir, halverwege tusschen Kette-Koergane en Kermine, en liet door zijne ruiterij de russische voorposten tot onder de muren van Kette-Koergane verontrusten. Getergd door die speldeprikken, besloot de generaal Kaufmann eindelijk rechtstreeks naar Bokhara te marcheeren, en het oesbeeksche leger met éénen slag te vernietigen. Het schijnt dat de Emir en zijne raadslieden zich nog altijd illusiën maakten omtrent hunne wezenlijke macht, en nog altijd meenden, den ouden hoogen toon te kunnen voeren; tenzij de opgewonden geestdrift der fanatieke bevolking hen zelven noodzaakte te doen, wat zij liever hadden nagelaten. Hoe dit zij: zij waagden nog eens den strijd in het open veld.
De beide legers ontmoetten elkander te Serpoel, op hetzelfde slagveld, waar driehonderd-negen-en-zeventig jaren vroeger het lot van twee inlandsche dynastiën was beslist geworden. Ditmaal moest, zooals zich licht begrijpen laat, het huis der Mangiten onderdoen voor het huis van Romanoff; reeds dadelijk bij den aanvang van den slag, bestormden de Russen, met hunne gewone onverschrokkenheid, de hoogten ter wederzijde van den weg van Samarkand naar Bokhara, waarop het leger der Oesbeken zijne stellingen had ingenomen. De soldaten van den Emir hielden niet lang stand; hun terugtocht ging weldra over in eene wilde vlucht; eenige uren later was de weg van Kermine met hunne weggeworpen wapenen bezaaid.
Inmiddels had het kleine garnizoen, te Samarkand achtergelaten, een geduchten aanval te doorstaan gehad. Terwijl de generaal Kaufmann bezig was met het achtervolgen der troepen van den Emir, vielen de inwoners van Samarkand, die het europeesche leger zoo welwillend ontvangen hadden, met de Oesbeken van Khehri-Sebz, ten getale van omstreeks vijf-en-twintigduizend man, onverhoeds de citadel aan.
Het garnizoen van Samarkand werd gekommandeerd door den baron von Stempel; het was slechts zeshonderd vijf-en-tachtig man sterk, de zieken daaronder begrepen. Wie maar een voet verzetten kon, verliet het ziekbed; en deze handvol dapperen zwoer liever te zullen sterven dan zich over te geven.
Het beleg duurde zes volle dagen, van den 12den tot den 18den Juni; de Russen verloren negen-en-veertig dooden en honderd-twee-en-zeventig gewonden. De belegeraars staken eene poort in brand, en maakten een bres: maar toch was het hun niet mogelijk, de citadel binnen te dringen. Dag en nacht bestormden zij, in dicht opeengedrongen massa’s, de muren der vesting, onder woeste kreten telkens en telkens den aanval hernieuwende; de Russen spoedden zich van het eene bedreigde punt naar het andere, hielden overal den vijand tegen en wierpen hem telkens met groot verlies terug. Toch was de heldhaftige bezetting uitgeput, toen de generaal Kaufmann, onderricht van hetgeen er voorviel, met geforceerde marchen naderde om de citadel te ontzetten.
Zoo liep den ongelukkigen Mozaffar-ed-Din—zoo heette de Emir—alles tegen. Wat zou hij doen? Naar Bokhara terugkeeren? Daar viel niet aan te denken; zijn zoon, die zich nooit zeer gehoorzaam en onderdanig getoond had, zou hem de poort voor den neus gesloten hebben. Hij had zich aan het hoofd gesteld van de partij der ontevredenen en fanatieken, en maakte zich gereed om, des noods met geweld zijn vader den troon te betwisten. Naar Samarkand gaan? Dat was onmogelijk; het zegevierende russische leger sneed hem dien weg af; en vijf-en-twintigduizend zijner onderdanen waren daar met schande teruggedreven door een garnizoen van eenige honderde soldaten!
Er bleef hem slechts ééne keus over, en hij schikte zich daarin: hij trad in onderhandeling met de Russen, betaalde hun eene oorlogsschatting van honderd-vijf-en-twintigduizend tilla, ruim een millioen gulden, stond den russischen handel alle verlangde voorrechten toe, en verklaarde zich verantwoordelijk voor de veiligheid der onderdanen van den tsaar in zijn land. Feitelijk werd hij een vazal van Rusland.
Transoxanië, zegt de beroemde hongaarsche reiziger op eene andere plaats: Transoxanië of het khanaat van Bokhara, is, over het geheel genomen, een laag land, dat ten oosten tegen de laatste hellingen van het gebergte Thian-Sjan leunt. Met uitzondering van eenige hooge vlakten en eenige harde, kleiachtige streken, takir, dat wil zeggen droge en onvruchtbare aarde, genoemd, bestaat de bodem hoofdzakelijk uit zwart of geel zand; bouwland, in den eigenlijken zin van het woord, vindt men alleen op de hellingen der bergen, en langs de rivieren en bevloeiingskanalen, die van de rivieren uitgaan. Overal elders levert de natuur, evenals in geheel Centraal-Azië, waar zij aan zichzelf wordt overgelaten, niets of bijna niets op; en tien jaren van oorlog zijn voldoende om de vruchtbare vlakten te ontvolken en in een zandwoestijn te herscheppen.
Op vele plaatsen schiet ook de volhardende vlijt en onvermoeide inspanning des menschen te kort, om aan de dunne zandlaag een eenigszins dragelijken oogst te ontwoekeren. Zelfs midden door de bebouwde streken, en tot in de onmiddellijke nabijheid van Bokhara en Samarkand, loopen breede strooken van volstrekt onvruchtbaar en onbebouwbaar zand; en tusschen de beide genoemde steden voert de weg door eene steppe van eenige mijlen lengte, de woestijn van Melik geheeten, in wier laagste gedeelte nog voor driehonderd jaar een zoutmeer werd aangetroffen.
Toch is, dank zij de bevloeiingen, de vruchtbaarheid van Bokhara en van de twee andere khanaten, bijna tot een spreekwoord geworden; de aarde brengt er rijkelijk vruchten voort, en wat zij voortbrengt is van uitmuntende hoedanigheid. Het graan van Bokhara, hare vruchten, haar zijde, haar katoen, haar geneeskrachtige kruiden en planten, behoeven de vergelijking met geene andere te schromen. Het vee is wijd en zijd beroemd; de paarden zijn door geheel Azië met lof bekend; de kameelen van Bokhara vinden nergens huns gelijken; de schapen munten uit door den zeer fijnen smaak van hun vleesch.
De minerale rijkdommen, nog zeer weinig bekend en erg verwaarloosd, zijn zeer belangrijk, vooral in de bergachtige streek ten westen en ten zuiden van Samarkand. Reeds de geschiedschrijver Belchi spreekt van ijzer, ammoniak, kwikzilver, koper, lood, goud, naftha, vitriool en van een zekeren steen, dien men aansteekt en verbrandt, dat wil zeggen steenkool, waarvan de Russen ook eenige lagen ontdekt hebben.
De van nature zoo dorre bodem van Bokhara dankt zijne vruchtbaarheid in de eerste plaats aan de weldadige rivier, bij de ouden onder den naam van de Sogd bekend, sedert Kohik genoemd, en die tegenwoordig met volle recht den naam draagt van Ser-afschan (uitdeelster der rijkdommen). Ten noordoosten van Samarkand verdeelt de voornaamste tak van de Ser-afschan zich in eene menigte armen, die naar de steppen vloeien. De aanzienlijkste dezer armen loopt ten noordwesten der stad, voorbij Pendsj-Shembeh en Sjatirdsja, en stort zich in het meer Karakoel. Een andere tak vloeit ten zuidwesten van Samarkand, en neemt langs Kette-Koergane en Bokhara, zijne richting naar de woestijn.
Als men nagaat, welk een groot aantal zijkanalen hun water aan de voornaamste takken van de Ser-afschan ontleenen, dan staat men verbaasd, hoe eene rivier van zoo weinig uitgestrektheid in de behoeften van al deze kanalen kan voorzien: de massa water, die zij afvoert, moet zeer aanzienlijk zijn. Behalve de Ser-afschan, heeft men nog de beek van Khehri-Sebz, die geschikt is voor bevloeiing; hare wateren komen somwijlen tot aan Karsji, en met behoorlijke zorg geleid en verdeeld, konden zij het gansche land van dienst zijn.
Men heeft opgemerkt dat eene voortdurende bevloeiing gedurende eene reeks van jaren, op den bodem eene laag van alluviaal-aarde van genoegzame dikte doet ontstaan. Vooral het water van den Oxus heeft deze vruchtbaarmakende eigenschap; maar ongelukkig genoeg trekt het land bijna geen voordeel van dezen stroom: van Termez tot Tsjehardsjoe is de rechter oever van den Oxus bijkans onbewoond; en het zou ook zeerveel bezwaar in hebben, hier volksplantingen aan te leggen, omdat de oevers zeer hoog zijn, zoodat de besproeiing zeer moeilijk, om niet te zeggen onmogelijk is.
Het klimaat van Transoxanië is niet ruw en over het algemeen niet nadeelig voor den landbouw. In de bergachtige streken tamelijk koud, is de temperatuur in de hoogere vlakten aan den voet der bergen gematigd; maar in de lage streken, nabij de steppen, bij voorbeeld te Bokhara, te Karsji, te Karakoel, is het klimaat zeer afwisselend, nu eens ondragelijk heet, dan vinnig koud. Ongezond is het echter alleen te Bokhara; de ziekten, die in Transoxanië heerschen, moeten meer geweten worden aan de ongezonde levenswijze der inwoners en aan hunne verkeerde manier van zich te kleeden, dan aan de schadelijke invloeden van de temperatuur.
Het gezegde omtrent de vruchtbaarheid en het klimaat van Bokhara is evenzeer van toepassing op de landen, die ten oosten en ten westen aan dat khanaat grenzen. Het is dan ook niet te verwonderen, dat de wonden, door den oorlog geslagen, hier in betrekkelijk korten tijd weder geheeld worden, mits slechts de oorlog niet te lang aanhoude. Reeds Belchi verzekert ons, dat een geslagen leger zich nergens zoo spoedig van zijne nederlaag herstelt, als in Transoxanië. Diezelfde schrijver schat het aantal steden in die landstreek op driehonderd-duizend: blijkbaar eene schromelijke overdrijving. Toch was Transoxanië en met name de stad Bokhara, vroeger veel meer bevolkt dan tegenwoordig. Onder de Samaniden waren de omstreken dezer stad zeer dicht bevolkt; ten noordoosten, ten zuidwesten strekten zich, buiten de eigenlijke stad, groote voorsteden uit; en de driehonderd-zestig moskeeën, waarvan de inwoner van Bokhara nog met trots spreekt, bestonden toen werkelijk. Tegenwoordig telt Bokhara hoogstens vijf-en-dertig duizend zielen.
Dat zelfde geldt voor het gansche land. Transoxanië kan eene vijf- à zesmaal sterkere bevolking onderhouden, dan het tegenwoordig bezit. De ontzaglijke legerscharen, die, sedert de stichting van het khalifaat, voortdurend krijgs- en veroveringstochten ondernamen naar westelijk Azië en tot aan de oevers van den Nijl, waren voor het grootste deel saamgesteld uit zonen der steppen, maar daarnevens ook uit de bewoners der oevers van den Oxus en den Jaxartes.
De meerderheid der inwoners van het oude Transoxanië bestond uit Iraniërs, en het perzisch was de nationale taal te Bokhara, te Fergana, te Khahrezm. Dit bleef zoo onder de heerschappij der Arabieren, der Samaniden, der Seldsjoeken en der vorsten van Khahrezm, ja zelfs nog langen tijd na de invallen der Mongolen; toen maakte het perzisch allengs plaats voor het turksch, dat tegenwoordig de heerschende taal is.
Evenals de taal, heeft ook het karakter der Transoxaniërs eene groote verandering ondergaan. De oude arabische schrijvers kunnen geen woorden genoeg vinden om den adel des gemoeds, de oprechtheid, de rechtvaardigheid en gastvrijheid van dit volk te roemen. Tegenwoordig is van al deze deugden geen spoor meer over: met uitzondering van de gastvrijheid, die wel niet in de steden, maar dan toch op het platteland nog altijd beoefend wordt. Eeuwen lang is Transoxanië ten prooi geweest aan de telkens hernieuwde invallen der Toeraniërs, en daarbij is het land maatschappelijk en zedelijk te gronde gericht. De veroveraars hebben niet alleen de steden verwoest en de oogsten vernield, maar zij hebben ook in het hart der menschen alle hooge en edele gevoelens en aandoeningen weggewischt.
Samarkand, ongetwijfeld het Maracanda der Grieken, de hoofdstad van het oude Sogdiana, is reeds sedert overoude tijden de mededingster van Bokhara. Vóór de regeering der Samaniden was zij de koningin der steden in het stroomgebied van den Oxus; zij begon van haar hoogen rang te dalen, toen Ismaël zijne residentie naar Bokhara verlegde. Onder de kharezmitische vorsten hernam zij, naar men zegt, haar vroeger overwicht; en later, onder de regeering van Timoer den Kreupele, bereikte Samarkand het toppunt van haar bloei en heerlijkheid. Maar na den val der dynastie van Timoer, begon ook voor haar een tijdperk van achteruitgang en verval. Bokhara werd nu allengs de officieele residentie; Samarkand moest zich vergenoegen met de nederiger rol van zomerverblijf der vorsten, die door de schoonheid der waterrijke streek en de frischheid van het klimaat werden aangetrokken.
Samarkand is minstens tweemaal verwoest geworden; eerst door de Mongolen, en later door de wilde horden der Oesbeken. Van hare vroegere heerlijkheid is dan ook geen spoor meer over. De stad telt tegenwoordig eene bevolking van dertig duizend inwoners; zij bezit tachtig moskeeën, drie-en-twintig scholen of collegiën en zeven-en-twintig karavanseraïs.