WeRead Powered by ReaderPub
Van Orenburg naar Samarkand / De Aarde en haar Volken, 1873 cover

Van Orenburg naar Samarkand / De Aarde en haar Volken, 1873

Chapter 6: V.
Open in WeRead

About This Book

A traveling narrator records an overland passage from Orenburg into Central Asia, mixing scene-setting of a frontier town with lively descriptions of bazaars where nomads barter livestock, textiles and koumiss. He observes diverse costumes and customs, recounts encountering a penniless envoy from an emir, and purchases a fragile tarantasse to cross difficult roads. The text alternates vivid market and cultural detail with practical notes on routes, lodgings and supplies, and reflects on the slow political incorporation of these little-known regions into a broader imperial domain.

Opium-eters.

Het plan was niet kwaad bedacht, maar de uitvoering had met groote moeilijkheden te kampen: de inboorlingen gevoelen weinig sympathie voor de Russen, en zijn er volstrekt niet op gesteld, hunne huizen voor hen beschikbaar te stellen. Eindelijk wist de kourbach (politie-agent), dien de majoor mij had toegevoegd, toch een geschikte woning met binnenplaats en stal voor mij te vinden. Mijn huisje grensde bijna aan een muur der citadel; het stond in de wijk Kasjgarsky, aldus genaamd omdat zij voornamelijk placht bewoond te worden door lieden, van Kasjgar afkomstig. Ik zeg placht: want dit gedeelte der stad is thans half verwoest en bijna ontvolkt, sedert de Kasjgaren en andere Oosterlingen, na den intocht der russische troepen, meerendeels de stad hebben verlaten. Ge bespeurt hier thans nauwelijks een teeken van leven, uitgenomen eenige gemeene kroegen, door oude afgedankte russische soldaten gehouden, en gelegen langs den weg, die naar het europeesche kwartier voert.

Mijn huisheer is niemand anders dan de aksacale der wijk. Dit saamgestelde turksche woord beteekent letterlijk grijsaard: sacale (baard), ak (wit); in de gewone oneigenlijke beteekenis wil het zooveel zeggen als overheidspersoon, gezaghebber, hoofd der politie. Mijn aksacale, een man van hoogen leeftijd, bezit werkelijk den zilver witten baard, waarop hij, krachtens zijn naam, recht heeft; zijn regelmatig gelaat mag nog aanspraak maken op schoonheid. Hij is uiterst beleefd, en maakt telkenmale, als hij groet, eene zeer diepe buiging; nooit zag ik hem zonder rozenkrans. Blijkbaar wil hij zich zooveel mogelijk een deftig en eerwaardig voorkomen geven.

Daar ik in mijn huis mijn eigen meester wilde zijn, liet ik de deur, die van mijn appartement toegang gaf naar het door den aksacale bewoonde gedeelte der woning, sluiten; ook liet ik den stal door een beschot in tweeën splitsen. Deze maatregel was dubbel noodig, omdat mijn huisheer, tengevolge van zijne betrekking, allerlei soort van lui bij zich moest ontvangen, die dikwijls rumoer genoeg maakten. Daarop liet ik mijne kamer zoogoed mogelijk schoonmaken, ik liet een groot venster in den muur aanbrengen en een kachel zetten, omdat ik niet, op de manier der Sarthen, mij met een bekken vol gloeiende kolen wilde behelpen. Door mijne binnenplaats liep eene tamelijk heldere beek, door een paar boomen overschaduwd; ik hield er een haan en een paar kippen op na; in mijn stal stond een klein kirghisisch paard, sterk en goed in ’t vleesch, met dikken staart en zware manen. Ik was dus nu volkomen geïnstalleerd: het werd tijd, mijne studiën te beginnen.

Evenals in alle steden van Centraal-Azië, zijn ook te Tasjkend de huizen van leem gebouwd, die zich echter tot eene zoo vaste massa samenvoegt, dat de woningen eene groote mate van stevigheid bezitten, en in dit droge klimaat het zeerlang kunnen uithouden. Bij sterken en aanhoudenden regen krijgen zij het evenwel te kwaad: hier verliest er een het dak; ginds bezwijkt een der hoeken; bijna overal dringt het water in de benedenvertrekken door;—maar houdt de regen op, dan is de aangerichte schade ook in weinige uren hersteld. De aardbevingen, die hier vrij dikwijls voorkomen, richten erger verwoestingen aan: somwijlen worden dan gansche straten en wijken vernield.

Het hout is in dit land zoo duur, dat de inboorlingen, zelfs de rijksten onder hen, zich te gronde zouden richten, indien zij voor den bouw hunner huizen zich van steenen, in den oven gebakken, zouden willen bedienen. Wel heeft men steenkolenmijnen ontdekt, maar die steenkool is ook verre van goedkoop; en het is der moeite niet waard, de steenen in de zon te laten drogen, want de gekneede leem doet voor zulke steenen niet veel in stevigheid onder. Daarom is het niet waarschijnlijk dat de inboorlingen zeer spoedig het voorbeeld der Russen zullen volgen, die bij voorkeur gedroogde steenen gebruiken. De openbare gebouwen, zooals de moskeeën, de bazars, de karavanserais, worden doorgaans met in het vuur gebakken steenen gebouwd.

Het bouwen van huizen gaat hier nog gauwer in zijn werk dan bij ons. Men maakt eene soort van pap van aarde en samane of fijngehakt stroo, en laat de daarvan gekneedde kluiten in de zon drogen. Inmiddels wordt het houten geraamte der woning in elkaar getimmerd en opgezet; dan wordt de ruimte tusschen de latten met droge kluiten gevuld, die door middel van slijk, met stroo vermengd, tot een geheel worden verbonden. Het dak bestaat uit een houten zoldering, met een laag aarde bedekt. De woningen der aanzienlijken hebben doorgaans twee verdiepingen, en onderscheiden zich daardoor van de huisjes der armen: nare krotten, zonder licht of lucht, walgelijk onrein, met nissen in den muur, vilten lappen en matten op den grond, een haard van klei in een hoek of in het midden der kamer. Van tafel of bed geen spoor. In den zomer kan men, desgevorderd, nog in deze spelonken leven; maar des winters is het er bijna niet uit te houden: de regen dringt door het dak, de wind fluit door de vermolmde balken en wanden, de koude dringt van alle zijden naar binnen, en de brandstof is zeer duur in Centraal-Azië.

De huizen der meer vermogenden zijn vrij wat beter ingericht. Langs de binnenplaats loopt eene breede, overdekte galerij, door fraaie houten zuilen gedragen. Gedurende drievierden van het jaar is deze galerij de verblijfplaats der familie, waar gegeten en gearbeid, gepraat en gerookt wordt. Onder de galerij komen de deuren uit van de verschillende kamers, die meestal zeer netjes zijn, en dikwijls met smaakvolle teekeningen langs de wanden en aan de zoldering versierd, waarvan het alleen jammer is dat de kleuren zoo schel zijn. In den muur zijn nissen aangebracht, die dikwerf in kleine kompartimenten zijn verdeeld. De houten vloer is met stukken vilt en tapijten bekleed; op sommige plaatsen bevinden zich diepe openingen, bestemd voor de dagelijksche reinigingen. Een groote vierkante opening dient om in het koude jaargetijde het kolenbekken daarin te plaatsen. Des winters plaatst men boven dien bak eene soort van tafel, die met kleeden wordt overdekt, welke tot op den grond afhangen, de kolen, dus eenigermate van de lucht afgesloten, verteeren langzamer, waardoor brandstof bespaard wordt. Is het koud, dan schaart zich de familie rondom deze tafel; ieder wikkelt zich zoo dicht mogelijk in de dikke gewatteerde kamerjapon, en steekt zijne handen onder het kleed, boven het kolenvuur.—In den laatsten tijd hebben eenige aanzienlijke inwoners van Tasjkend, in navolging der Russen, het traliewerk met geolied papier, dat bij wijze van venster diende, vervangen door wezenlijke vensters met glasruiten. Deze vensters zien echter allen op de binnenplaats uit; waarschijnlijk zullen er nog vele jaren moeten verloopen, eer de inboorlingen zich zoover emancipeeren, dat zij ook aan de straatzijde hunner woningen vensters maken.

Ik zal in geene uitvoerige beschrijving treden der moskeeën van Tasjkend, die allen van baksteen zijn gebouwd, enkelen uitgezonderd, die van leem zijn. Geen enkele is van gehouwen steen of uitsluitend van hout. In het algemeen bestaan zij uit eene groote zaal, aan drie zijden door eene breede, open galerij omgeven, die op houten zuilen rust, deels gebeeldhouwd, deels met marmeren ornamenten belegd. De muur en de zoldering der galerij zijn in den regel versierd met schilderwerk in sterk sprekende kleuren, somwijlen ook met beeldhouwwerk. Ik heb reeds gezegd, dat de geloovigen hun schoeisel in deze galerij laten staan, alvorens zij het bedehuis binnentreden.—Terwijl zij bidden, houden de ware geloovigen het gelaat gewend naar eene spits toeloopende nis, in den naar de zijde van Mekka gekeerden muur aangebracht. Alleen in de aanzienlijke moskeeën vindt men een predikstoel, die eenige treden boven den grond is verheven. Hoewel de muren zorgvuldig gewit zijn, is het in deze moskeeën, met hare weinige en zeer kleine vensters, toch tamelijk duister. De grond is bedekt met matten, vilten kleeden en witte katoenen lakens.

Dicht bij den bazar staat eene groote moskee met twee minarets, door een der laatste gouverneurs van Tasjkend gebouwd; een man, die zich aan schandelijke knevelarijen en afpersingen schuldig maakte, maar wiens naam toch in gezegend aandenken bij het volk is gebleven, dank zij de door hem gestichte scholen en moskeeën.

Ik sprak daar van scholen. Te Tasjkend, evenals in de andere steden van Centraal-Azië, vindt men de lagere scholen bij de kleine moskeeën; de scholen van hoogeren rang zijn of aan de groote moskeeën verbonden, of somwijlen in afzonderlijke gebouwen gevestigd. Als ik mij wel herinner, bezit Tasjkend zeven zulke hoogere scholen of médressehs, die door een zeker aantal mollahs, meesters, gehouden worden. Waaraan het deze inrichtingen het meest ontbreekt, dat zijn de leerlingen; zelden zag ik in eene médresseh meer dan tien knapen te gelijk bijeen; de meeste cellen van het ruime gebouw waren doorgaans ledig en gegrendeld.

De mollahs, ook de knapsten onder hen, weten bitter weinig, en dat weinige heeft nog niets te beduiden: het is louter conventioneele kennis, geheugenwerk. Als een mollah den Koran kan lezen en verklaren, en bekend is met de commentariën door eene menigte muzelmansche theologen over dit heilige boek geschreven, dan is hij voor zijn vak bekwaam. Hoe meer hij van den Koran van buiten kent, hoe beter hij de verschillende verklaringen onthouden heeft, des te grooter geleerde is hij. Het komt daarbij louter op geduld en geheugen aan; heeft men den eenen commentaar uitgelezen, dan begint men aan een ander, en zoo gaat het voort, tot in het oneindige, altijd in hetzelfde kringetje rond. Wetenschap, in den waren zin des woords, zelfs van de meest gewone soort, moet ge bij de onderwijzers evenmin zoeken als bij de leerlingen: hetgeen evenwel niet belet dat de mollahs een zeer hoogen dunk van zichzelven hebben, en ook door het publiek met eerbied worden aangestaard.

Ik herinner mij nog zeer goed het kleine manneke, dat ik in de voornaamste moskee ontmoette. Hij was een mollah en reeds tamelijk bejaard.

“Dat is,” zoo werd mij verzekerd, de geleerdste man van de geheele stad; hij heeft al de mollahs van Tasjkend onderwezen.

“Dat is heel knap; maar wie heeft hemzelf onderwezen?”

“Zijn vader, en zijn vader heeft te Bokhara gestudeerd.”

Mijn geleider sprak die laatste woorden op een plechtigen toon uit, tevens eene beweging met de hand naar het zuidwesten makende, alsof hij zeggen wilde: “Daar ginds, daar ligt het groote brandpunt van beschaving en wetenschap.”—In Bokhara gestudeerd te hebben, geldt nog, door geheel Centraal-Azië, voor de hoogste aanbeveling: daar vloeit de onvervalschte bron der wetenschap, daar worden alle geheimenissen der tegenwoordige en toekomende wereld ontsluierd. Treurig overblijfsel van een sinds lang verbeurden roem!

Ik vroeg eens aan een geleerde van Tasjkend, wat hij alzoo onderwees.—“Alles”, kreeg ik ten antwoord.—“Dat is veel. Maar zeker zijn er toch wel enkele vakken, waarin ge meer bepaald onderricht geeft?”—Zoodra ik mijn vraag gedaan had, berouwde het mij. De mollah begon nu op zijne vingers op te tellen, wat hij alzoo onderwees. Er kwam geen einde aan. Inderdaad, hij wist alles en kon alles leeren!

De lagere scholen zijn niets anders dan groote vertrekken, vol kleine kinderen. Reeds van verre herkent gij ze aan het gejoel en gegons. Op den grond geknield of neergehurkt, schommelen de kleine bengels rusteloos heen en weder, en herhalen achter elkander, op luiden, half zingenden toon, eene of andere vanbuiten geleerde zinsnede uit den Koran. Dat woelt en kruipt door elkaar, en schreeuwt en zingt en snatert, dat hooren en zien vergaat. De meester zit mede op den grond, gewapend met een lang dun riet, waarmede hij de ondeugendsten tot de orde roept, en de luiaards tot ijver aanspoort. Telkens daalt die rietstok op de handen of den rug van een of anderen kleinen deugniet neder; dan is het huilen en schreeuwen, tot de meester, met forsche stem, het zwijgen oplegt.

V.

Zelden zag ik eene zoo gemengde bevolking als te Tasjkend en in de andere steden der russische bezittingen in Centraal-Azië. Men vindt in Turkestan, Sarthen, Tadsjiken, Oesbeken, Kirghisen, Koeramas, Turkomannen, Nogaïs, Kasjgaren, Afghanen, Perzen, Arabieren, Joden, Hindoes, Tsiganen of Heidens, en eindelijk Russen. Over al deze volksstammen een enkel woord.

Joden te Tasjkend.

De Sarthen, die de groote meerderheid der gezeten bevolking van Tasjkend uitmaken, zijn, naar het mij voorkomt, geen afzonderlijk ras: ik houd ze voor eene vermenging van de Tadsjiken en de Oesbeken; in hun voorkomen en gelaatstrekken hebben zij iets van beide deze stammen. Steeds trof mij de sterke overeenkomst tusschen de Sarthen en de Joden. Dezelfde gelaatstype, dezelfde neigingen, hetzelfde karakter. Evenals de Jood, is de Sarthe schraapzuchtig en tuk op winst; als de Jood, houdt hij van schacheren en kleinhandel; als de Jood, kent hij, waar het zijn belang geldt, geen gemoeds- of gewetensbezwaren; als de Jood eindelijk, is hij kruipend en lafhartig.—Het woord Sarthe beteekent kramer, schacheraar; en getrouw aan hun naam, hebben de Sarthen zich meester gemaakt van den geheelen handel des lands, zoowel in de steden als bij de nomaden. Zij zijn het, die overal het hoogste woord voeren; onder voorwendsel van de wet des Profeten te verbreiden, laten zij de onwetende zonen der woestijn vier malen den prijs betalen der eerste levensbehoeften, die hij hun slijt. De eenige lichtzijde van het door en door vulgaire hebzuchtige karakter van den Sarthe, is zijne begeerte naar onderwijs, en een zekere geschiktheid om verbeteringen in te voeren. Maar wachten wij ons voor overdrijving: die meerdere leerzaamheid en vatbaarheid kan den Sarthe alleen toegekend worden in vergelijking met de andere muzelmannen van Centraal-Azië.

De Tadsjiken zijn zeer schoon van gelaat en voorkomen; zij danken dit aan hunne afkomst, daar hunne voorouders uit Perzië zijn gekomen. Zij spreken nog een perzisch dialect. Zij vormen als het ware de verstandelijke aristokratie van Turkestan, en ieder, die in Centraal-Azië aanspraak wil maken op beschaving en goede manieren, tracht zooveel mogelijk, in spraak, gewoonten en toon, de Tadsjiken na te bootsen.

Kirghisen-vrouwen.

De Oesbeken, in vroegere tijden waarschijnlijk door eene vermenging van verschillende rassen ontstaan, vormen thans eene eigene, gesloten nationaliteit. Zij hebben uitstekende wangbeenderen en eene groote physieke kracht, maar hun verstand gaat niet boven het middelmatige. Toch zijn zij de meesters en beheerschers van het land: zij zijn als het ware de krijgshaftige adel, en al de emirs en khans van Centraal-Azië zijn Oesbeken. Zij hebben het nomadenleven nog niet geheel vaarwel gezegd; velen hunner hebben zich nimmer in eene stad gevestigd, en zelfs onder de stadbewoners zijn er, die bijna het gansche jaar doorbrengen in tenten, rondom hunne woning opgeslagen. Geheel ongelijk hebben zij niet: ook zonder een Oesbeke te zijn, kan men, gedurende de ondragelijke hitte van den turkestanschen zomer, aan het verblijf in eene frissche tent de voorkeur geven boven dat in eene bedompte woning.

De Kirghisen zijn in een aantal stammen gesplitst. Ge herkent ze op het eerste gezicht aan hun karakteristiek voorkomen: kort ineengedrongen lichaam, breeden platten schedel, uitstekende wangbeenderen, smalle oogen, vooruitstekenden mond, korten platten neus, kleinen dunnen baard, donkerkleurige huid van alle schakeeringen tusschen de bruine tint van een Zuid-Europeër tot bijna koolzwart. Met hunne iourten (tenten) zwerven zij over eene onmetelijke uitgestrektheid, in de Siberische steppen, in russisch Turkestan, in de khanaten van Khiwa en Bokhara. Hun gezamenlijk aantal bedraagt wellicht drie millioen zielen. Hun ware naam is niet Kirghisen, en wanneer men hen daarmede aanspreekt, antwoorden zij: “Wij zijn geen Kirghisen, wij zijn Kazaks.” Zoo heeten zij dan ook inderdaad; doch daar de Russen hen steeds Kirghisen noemen, beginnen zij zich aan dien naam te gewennen, die misschien ontleend is aan een hunner stammen, de Kyrgz. Waarom juist deze kleine stam, verscholen in de reusachtige gebergte van Thian-Sjan, zijn naam heeft gegeven aan de volkerengroep, over het onafzienbare gebied van Siberië tot de Amoe-Darja, en van het Oeralgebergte tot de bergen van Thian-Sjan verspreid:—ziedaar eene vraag, waarop ik niet kan antwoorden.—Zooals men weet, splitsen de Kirghisen zich in drie hoofdgroepen of afdeelingen: de Groote-Horde, ten oosten, nabij de grenzen van Siberië en China; de Kleine-Horde (inderdaad de talrijkste) van het Oeralgebergte tot het meer Aral; en de Middelste Horde, tusschen de beide vorigen gevestigd. Eigenlijk behoort men hier nog eene vierde groep bij te voegen: de Binnen-Horde, die zich in 1812, in de destijds onbewoonde steppen van het gouvernement Astrakhan vestigde.—Alle Kirghisen zijn muzelmannen; maar zij nemen de wet van den Profeet alleen in zoover in acht, als deze strookt met hun ingewortelde vrijheidszucht en hun hartstocht voor roof en plundering, die hun eigenlijk levenselement is. Zij zijn immer op de loer, altijd speurende naar buit, voortdurend van de eene plaats naar de andere trekkende: alle soort van weelde of overdaad is hun dan ook vreemd. De tent van den Kirghise is eenvoudig in den hoogst mogelijken graad; hetzelfde geldt van zijne kleeding, en zijn voedsel is ellendig.

De Koeramas, die men in de stad Tasjkend en in de omstreken aantreft, zijn gesproten uit eene vermenging van arme Kirghisen, tot verschillende stammen behoorende, met de onvermogende inwoners der stad. Zij gaan door voor zeer bekrompen van verstand, indien al niet voor idioot. Het woord Koerama, dat letterlijk vermengd beduidt, wordt te Tasjkend doorgaans in ongunstigen zin gebruikt: het is wel niet rechtstreeks een scheldwoord, maar geldt toch als een spotnaam. Eens liet ik mijn album aan een aanzienlijk ingezetene zien. Het portret van een Koerama, die trouwens een zeer kenbaar gelaat had, trof hem bovenmate: hij lachte overluid en riep, in de handen klappende: “Uitstekend! Dat is een echte Koerama!”—Maar wat vindt gij dan toch zoo bijzonders aan de Koeramas?” vroeg ik hem.—“Eschaki:”—het zijn ezels—antwoordde hij droogweg.

De Turkomannen zijn zeer zeldzaam te Tasjkend, waar men hen bijna niet dan van hooren zeggen kent. De zeer weinigen, die ik hier ontmoette, hadden zoozeer de eigenaardige type van hun stam verloren, dat ik hen gerust met stilzwijgen kan voorbijgaan.

Veel talrijker zijn de Nogaïs, die tot het tartaarsche ras behooren. Zij zijn bijna allen uit het zuidoosten van Rusland of uit Siberië afkomstig: de een verliet het land om aan den kerker te ontkomen; een ander om zich aan de militaire dienst, zoo gehaat bij de muzelmannen, te onttrekken; een derde weer om een andere reden. Van nature met veel gezond verstand begaafd, en bovendien eenigszins ontwikkeld door de onvermijdelijke aanraking met de Europeanen in Rusland, weten de Nogaïs zich in Centraal-Azië uitnemend te vinden: vooral wanneer zij slim genoeg zijn om zich voor martelaars te doen doorgaan, ter wille van hun geloof uit hun vaderland verdreven. Diegenen onder hen, die de muzelmansche scholen van Kazan of eenige andere russisch-tartaarsche stad hebben bezocht, waar het onderwijs buiten kijf op hooger trap staat dan in Turkestan, brengen het gemakkelijk tot moudariss (professor), en worden algemeen als geleerden geëerd. Daar de Nogaïs meestal in Rusland gewoond hebben, zijn zij zeer geschikt om als bemiddelaars en tusschenpersonen te dienen tusschen de veroveraars, wier taal zij spreken, en de inboorlingen, wier godsdienst zij belijden. Men moet hen echter niet te veel vertrouwen, want zij zijn niet bijzonder nauwgezet.

De Kashgaren te Tasjkend zijn, zooals hun naam aanduidt, afkomstig uit Klein-Bokharije of Opper-Turkestan, en vooral uit Kasjgar, de voornaamste stad dezer uitgestrekte landstreek. Meest allen zijn afstammelingen van uitgewekenen, die, hetzij in den loop der vorige eeuw, hetzij in de laatste jaren, Klein-Bokharije verlieten, vandaar verdreven door de gedurige oorlogen, die dat land teisterden. Vroeger waren zij echter hier veel talrijker dan tegenwoordig. Velen hunner hebben een echt chineesche type.

De Afghanen, gering in aantal, wonen bijna allen in een karavanserai, waar geen vreemden worden toegelaten. Zij zijn of kooplieden of smokkelaars, zeer dikwijls het een zoowel als het ander. Zij laten de in Centraal-Azië zoo geliefkoosde groene thee, over Hindostan uit China komen; en ondanks dien kolossalen omweg; leveren zij die gesmokkelde thee voor minder prijs dan de russische thee, die rechtstreeks over Kiachta wordt ingevoerd.

De Perzen munten in verstandelijke ontwikkeling boven alle tot dusver genoemde stammen uit. In de onafhankelijke khanaten bekleeden zij de hoogste en moeilijkste ambten, worden de gewichtigste zendingen aan hen vertrouwd. Vroeger slaven, zijn zij sedert de russische overheersching vrije mannen geworden. Te Tasjkend maken zij een zeer belangrijk bestanddeel der bevolking uit; hun aantal is vrij groot, en blijkbaar gevoelen zij zich in hun nieuw vaderland geheel te huis. Dit is te opmerkelijker, daar zij allen Sjîiten zijn, en dus, in den grond, de natuurlijke vijanden der muzelmannen van Centraal-Azië, die voor verreweg het grootste gedeelte tot de secte der Sonniten behooren. Dit verschil in belijdenis belet de Perzen evenwel niet, trouw de moskeeën te bezoeken. Wie zal zeggen, in hoeverre zij hierin oprecht zijn? Zeker is het, dat de Sarthen hen niet veel vertrouwen, en nog altijd de gezworen vijanden der Sonniten in hen zien. “Die honden van Sjîiten, zeide mij eens een inwoner van Tasjkend, komen in onze moskeeën, maar dat is om ons zand in de oogen te strooien. Tehuis gekomen, doen zij hun gebed nog eens over.”

Arabieren vindt men zeer weinig te Tasjkend; in de andere steden van Centraal-Azië zijn er enkelen gevestigd, en in de omstreken van Samarkand vormen zij kleine koloniën. Voor zoover ik er over kan oordeelen, onderscheiden zij zich hier als elders door een sprekend gelaat, levendige en doordringende oogen, zware wenkbrauwen, en een fraaien baard.

Veel talrijker zijn de joden, die in een afzonderlijke wijk wonen. Hun getal groeit voortdurend aan: want de Joden, die te Bokhara en in de onafhankelijke khanaten worden onderdrukt, komen in russisch Turkestan een veiliger verblijfplaafs zoeken, op het gevaar af van hun hoofd te verliezen, indien zij op hunne vlucht betrapt worden. De joden van Tasjkend en in russisch Turkestan mogen zich dan ook wel gelukkig roemen, als zij hun toestand vergelijken met dien hunner geloofsgenooten in de andere landen van Centraal-Azië. Daar zijn zij, in hunne kleeding en hun openbaar leven, aan allerlei strenge bepalingen onderworpen. In sommige steden mogen zij niet dan op een ezel binnenkomen; in andere mogen zij slechts te voet gaan. Het is hun verboden, zijden of andere kostbare kleederen te dragen: hun gewaad moet van eenvoudig laken en steeds donkerkleurig zijn. Zij mogen geen anderen gordel hebben dan een koord, en geen ander hoofddeksel dan de toppeh, een kleine ronde muts of kapje, waarover zij des noods eene soort van bonten muts mogen dragen. Maar geen jood zou het zonder levensgevaar kunnen wagen, zich te versieren met een tulband, of zelfs zich het hoofd met een doek te omwikkelen. In russisch Turkestan zijn zij natuurlijk van al deze bepalingen ontslagen: daarom zijn zij te Tasjkend zoo trotsch; zij berijden fraai opgetuigde paarden, tooien zich met veelkleurige kleederen, en als zij een tur (russisch heer) ontmoeten, beproeven zij het, hem op militaire wijs te groeten.

Voor de komst der Russen verkeerden de Hindoes te Tasjkend bijna in denzelfden toestand van vernedering als de kinderen Israëls. Zij zijn niet talrijk; maar wat zij in aantal missen, vergoeden zij door ijver en werkzaamheid. Deze Hindoes zijn de gruwelijkste woekeraars der wereld: een rente van twee- en driehonderd percent is voor hen eene kleinigheid. Zij zijn bijna allen zeer rijk, maar leven op een hoogst eenvoudigen voet, zonder vrouwen, in afzonderlijke karavanserais, waar zij ieder hunne eigene kamer, eene kleine donkere, maar zindelijke cel, hebben. Zij zijn uiterst matig, eten geen vleesch, drinken niets dan water, en bereiden zelven hunne spijzen, ook om verontreiniging door anderen dan geloofs- en standgenooten te voorkomen. Het zijn in den regel schoone, welgebouwde mannen, met een zielvol gelaat en eene edele gestalte. Wat hun karakter aangaat, zou ik hen liefst met de joden vergelijken. Echter met dit karakteristieke onderscheid. Zoodra er eenig gevaar dreigt, begraaft de Jood zijn geld en zijne kostbaarheden in den grond, en loopt weg, zonder zelfs een oogenblik om te zien. De Hindoe daarentegen gaat rustig op zijn koffer zitten, en blijft zijn narghileh rooken, al weet hij ook dat de dood hem wacht.

De Tsiganen of Heidens, die echte wereldburgers, zwerven ook, maar in kleinen getale, door russisch Turkestan. Die de Gitanos in Spanje of de Zigeuners in Hongarije en Polen gezien heeft, kent ook de Tsiganen van Centraal-Azië: ook hier leven zij van bedelarij en diefstal; en houden zich tevens met waarzeggerij bezig. Tegen de algemeene gewoonte in muzelmansche landen, gaan hunne vrouwen met onbedekt gelaat.

Ik mag dit overzicht der veelsoortige bevolkingen van Centraal-Azië niet eindigen, zonder met een enkel woord te spreken van de laatstaangekomenen, maar tevens de machtigsten: de Russen. Tot dusver is hun aantal gering; zij ontleenen hun overwicht aan den schrik hunner wapenen en aan de onbetwistbare meerderheid hunner europeesche beschaving boven de halve barbaarschheid der volksstammen van Centraal-Azië. Bijna alle hier gevestigde Russen zijn militairen, ambtenaren of kooplieden: de eigenlijke kolonisten zijn tot dusver in dit land niet verschenen. Toch naderen zij langzaam maar zeker, in de richting van de Sir-Darja, en het oogenblik is waarschijnlijk niet meer verre, waarop de landbouwers van zuidwestelijk Siberië ook de grenzen dezer nieuwe russische provincie zullen overschrijden.

Ongetwijfeld heeft de russische kolonisatie van Centraal-Azië met gewichtige bezwaren te kampen: het komt er vóór alles op aan, grondeigendom te verwerven, en de landen, die thans aan de inboorlingen behooren, in het bezit der Russen te doen overgaan: en dit is niet gemakkelijk. Toch, het koste wat het wil, moet deze kwestie worden opgelost, en wel zoo spoedig mogelijk. Dit is noodig: niet alleen in het belang van Rusland, maar vooral ook in het belang der inboorlingen zelven, die er niet dan bij zouden verliezen, indien zij weder onder het juk hunner vorige tirannen werden teruggebracht, en wanneer op nieuw die oneindige reeks van burgeroorlogen, geweldenarijen en gruweldaden begon, waaruit tot dusver de geschiedenis van Centraal-Azië was saamgeweven. Zonder eene ernstige en op breede schaal aangelegde kolonisatie, zal russisch Turkestan alleen in naam russisch zijn. Indien de regeering zich de zaak niet aantrekt, en niet zorgt de noodige gronden in hare macht te krijgen, waarop zich eene talrijke christelijke en beschaafde bevolking, nevens de barbaarsche muzelmansche stammen, vestigen kan, zullen wij langs de boorden van de Sir-Darja in dezelfde positie blijven verkeeren als de Engelschen in Hindostan: dat wil zeggen, dat wij ieder oogenblik aan het gevaar blootstaan, door een algemeenen opstand der inboorlingen verdreven te worden.

VI.

De bedelende derwisjen wonen meest bij elkander in zoogenaamde kalenterkhanen, bestaande uit een ruimen binnenhof met boomen beplant en door een beek besproeid; voorts uit een kleinen terp, die als bidplaats wordt gebruikt, en uit een armzalig, morsig gebouw. De bedelaars zitten of liggen doorgaans langs de muren of op het platte dak van dat gebouw: zij praten, rooken, drinken thee, of dommelen onder den invloed van den bedwelmenden kouknar. De bedelarij wordt in Centraal-Azië op uitgebreide schaal gedreven en is er zeer goed georganiseerd. De zeer talrijke gemeente der bedelaars vormt eene broederschap, aan welker hoofd een chef staat, die, naar men zegt, afstamt van den heilige, door wien de orde der douvanis of divanis (bedelaars) is ingesteld.

Herhaaldelijk heb ik gepoogd een bezoek af te leggen bij dien tura (meester, heer) der bedelaars, die vrij wat beter is gelogeerd dan zijne onderdanen: maar nooit heb ik het geluk gehad hem tehuis te vinden: nu eens was hij te Tsjemkend, dan te Khodsjend, dan ergens anders. Als opperhoofd van alle douvanas van Turkestan, heeft de tura van Tasjkend weinig vrijen tijd: hij moet telkens zijn wijd uitgestrekt gebied doorreizen, om geschillen tusschen zijne onderhoorigen te beslechten en rekening en verantwoording te vorderen van hunne inkomsten en uitgaven: want iedere douvana is verplicht, hetgeen bij elken dag ontvangt, na aftrek van het volstrekt noodige, aan de kas der broederschap af te staan.

Ieder die wil kan douvana worden: hij heeft daartoe slechts een verzoek in te dienen bij den tura, en zich aan eenige formaliteiten te onderwerpen; hij zet een roode muts op van bijzonder fatsoen, aan den rand met schapenvacht omzoomd; slaat zich een gordel met een zekeren symbolischen steen versierd, om de lendenen, en voorziet zich van een nap, uit een halve kokosnoot vervaardigd, en waarin de douvana alles verzamelt, wat men goedvindt hem te geven. Het hoofdstuk zijner kleeding is de halate of pij, die, volgens het voorschrift, uit lappen en snippers moet bestaan, en die er dikwijls, door de bonte mengeling van kleuren en stoffen, allerschilderachtigst uit kan zien. De douvana heeft twee halaten: een voor dagelijksch gebruik, die niet anders dan eene smerige lappendeken is; en de staatsie-halate, ook wel uit vodden en lappen vervaardigd, maar uit zindelijke, onverkleurde lappen, die hij in de bazars bijeen zoekt.

Reeds vroeg in den morgen verlaten de douvanas hunne kalenterkhane, verspreiden zich door de hun aangewezen wijken, en keeren eerst des avonds terug. Dan wordt de rekening van de ontvangst opgemaakt; men praat, rookt zeer sterke nacha, en drinkt thee of kouknar. Van dien laatsten drank behoeft men niet veel te gebruiken om het verstand te verliezen: men bedrinkt zich dus, en slaapt dan zijn roes uit, om den volgenden morgen weder van nieuws te beginnen. De douvanas kunnen zich soms bespottelijk aanstellen. Ge kunt u niet van lachen onthouden, wanneer ge tien of twintig groote kerels ziet, allen wonderlijk uitgedost, en op een eigenaardig zingenden toon, in koor, eene bede om een aalmoes uitgalmende. Daarbij steken zij hunne vingers in de ooren, buigen zich voorover en blazen zich—ik weet niet hoe—zoo op, dat het schijnt of zij barsten zullen.

Bijna alle douvanas zijn overgegeven dronkaards en opiumeters: drie of viermaal per dag, en dikwijls nog meer, gebruiken zij eenige koppen kouknar of doses opium. Ik ontmoette eens zulk een douvana opiumeter, meer een geraamte dan een levend wezen. Lang en uitgeteerd, met een vaalbleek geel gelaat, zag en hoorde hij ternauwernood wat om hem heen gebeurde. Mijne woorden klonken als een onbestemd geruisch in zijne ooren; zijne lippen bleven stijf op elkander gesloten. Eensklaps zag hij een balletje opium in mijne hand; zijn strak gelaat nam dadelijk eene vreemde uitdrukking aan; hij sperde zijne oogen wijd open, en sprong als een wild dier naar mij toe. “Geef hier, geef hier!” riep hij. Maar ik deed een paar stappen achteruit, en borg mijn opium weg; toen wrong de ongelukkige zich in allerlei bochten en vertrok zijn gelaat op afschuwelijke wijze. “Geef mij den beng (opium), och! geef het mij”, kermde hij op half gesmoorden toon. Eindelijk gaf ik hem een stukje: hij greep het met beide handen, ging tegen den muur zitten, en verslond in stilte en met blijkbaar welgevallen het noodlottige balletje. Het duurde niet lang of een vreemde, akelige glimlach vertrok al de spieren van zijn gelaat; hij sprak binnensmonds eenige onverstaanbare woorden zonder samenhang, en verviel weldra in eene soort van verrukking, nu en dan door stuiptrekkingen afgewisseld.

De vereerders van een Batchà of danser.

De kalenterkhanen zijn niet enkel bedelaarsdoelens, maar tevens eene soort van koffiehuizen en clubs. De opiumrooker, die tehuis aan zijn hartstocht niet kan of durft botvieren, gaat naar de kalenterkhane; de dronkaard komt er zijn kouknar drinken; anderen gaan er heen om er met hunne kennissen te praten, of de nieuwtjes van den dag te vernemen. Eens, op een vrij kouden dag, trad ik te Tasjkend zulk een kalenterkhane binnen. Nooit zal ik het schouwspel vergeten, dat ik daar zag. Al de douvanas opiumeters zaten, dicht tegen elkander gedrongen, op den vloer neergehurkt, tegen den muur, om zooveel mogelijk tegen de koude beschut te zijn. Velen hadden reeds hunne dosis vergif ingenomen: hun gezicht had eene uitdrukking van bestiale stompzinnigheid, hun mond was half geopend, en sommigen bewogen hunne lippen, alsof zij iets zeggen wilden. Anderen zaten met het hoofd tusschen de knieën, en snorkten luid, terwijl hunne spieren zich nu en dan samentrokken en geheel hun lichaam zich krampachtig bewoog.—De opium-eter is dadelijk kenbaar aan zijn slordig voorkomen, zijne onzekere, vreesachtige bewegingen, zijn doffen, starenden blik, zijn vervallen geel gelaat, zijne ziekelijke onaandoenlijkheid. De opium wordt niet alleen gegeten, maar ook gerookt. De rooker ligt op den grond, en zuigt door een lange pijp den damp in van een balletje opium, dat een ander met een tangetje voor den kop der pijp houdt. Naar men zegt, vervalt de rooker nog spoediger dan de opium-eter tot een soort van waanzinnige verdooving.

Geene andere stad in den Levant, die ik gezien heb, bezit een bazar, die in uitgestrektheid met den bazar van Tasjkend kan wedijveren. Wel zijn de winkels klein, maar hun aantal is legio: het schijnt wel of alle inwoners van Tasjkend winkeliers zijn. De bazar bestaat uit eene menigte straten, ter wederzijde omzoomd door houten winkels, kramen zoo ge wilt; die straten zijn nauw en bochtig, maar heerlijk koel, dank zij de matten, die over de geheele lengte, van den eenen winkel tot den anderen zijn uitgespannen en de zonnestralen keeren. Alle winkels gelijken op elkander; zij bevatten over het algemeen zeer weinig voorwerpen van waarde: den ganschen inboedel zou men al heel gauw voor honderd gulden kunnen koopen. De koopman, doorgaans tamelijk gezet van postuur, is voortdurend bezig, zichzelven of zijne koopwaar met een waaier af te koelen; hij zit, met de beenen onder het lijf, te babbelen, aardigheden te verkoopen, thee te drinken, de vliegen te verjagen: in één woord, hij schijnt zich met alles bezig te houden, uitgenomen met zijn handel. De klanten zijn dan ook zeldzaam, uitgezonderd de drie dagen in de week, dat de bazar ook voor de nomaden geopend is: des zondags, des woendags en des vrijdags. Aan de nomaden alleen is het te danken dat de handel zich staande houdt, en dat sommige voorwerpen, die de Europeanen nauwelijks de moeite waard zouden achten om op het vuur te gooien, nog altijd koopers vinden.

Op de koopdagen stroomen de landlieden uit den omtrek, de Kirghisen van de naburige kampementen, reeds in den vroegen morgen, naar den bazar. Ook de stedelingen begeven zich, bijna met het krieken van den dageraad, daarheen: zij komen niet om te koopen of te verkoopen, maar om te zien, om mede te wandelen met de menigte, om ook deel te nemen aan de standjes, en de nieuwtjes op te vangen. Onderweg wipt men even de moskee in om zijn morgengebed te doen; men blijft eenige oogenblikken luisteren naar een mollah, die de gaanden en komenden voor een poosje om zich verzamelt, hun iets uit de levens der heiligen voorleest, of een preek houdt, die bijna altijd tegen de honden van kafirs (ongeloovigen), dat wil zeggen de christenen, gericht is. In den namiddag wordt het gedrang en gewoel, het geschreeuw en geroep en gejoel zoo sterk, dat in weinig europeesche steden iets dergelijks is te zien. Elk oogenblik loopt men gevaar, door een ezel omvergeloopen of door een kameel platgedrukt te worden.

De meeste ruimte wordt ingenomen door handelaars in stoffen: zij verkoopen voornamelijk russische mousselinen, en zijden en katoenen stoffen, te Kokhand of Bokhara vervaardigd. Volgens oostersch gebruik, zijn de kooplieden van hetzelfde gilde ook allen in dezelfde straat gevestigd: hier ziet ge de schoen- en zadelmakers en anderen die in leder en huiden handelen; ginds de tapijtverkoopers en de handelaars in vilt, die hier in voortreffelijke hoedanigheid en bewerking gevonden wordt. Eene andere straat wordt door de zijdeborduurders ingenomen. Het borduren van zijde heeft in dit gedeelte van Centraal-Azië den hoogsten trap van volmaaktheid bereikt, en dit kunstwerk is zeer goedkoop omdat de grondstof weinig kost en het arbeidsloon zeer gering is. De Europeaan, die voor de eerste maal zulk een zijdeborduurder ziet werken, weet niet wat het meest te bewonderen: de fraaie kleuren en de rijke prachtige patronen, of wel den fijnen smaak en de verwonderlijke behendigheid der werklieden.—De handelaars in vaatwerk kondigen zich reeds van verre aan door het voortdurend geklop en gehamer: want—dit vergat ik te zeggen—de meesten dier winkels zijn tevens werkplaatsen, waar de uitgestalde voorwerpen ook vervaardigd worden. Als handelstad heeft Tasjkend in het gansche land geen mededingster. Zij vormt het kruispunt van de voornaamste handelswegen van Centraal-Azië; de karavanen, die van Bokhara en Kokhand naar Rusland trekken of omgekeerd; nemen altijd haar weg over Tasjkend. Dit verkeer zal nog toenemen zoodra er geregelde betrekkingen zullen zijn aangeknoopt tusschen Rusland en Opper-Turkestan of Klein-Bokharije, dat zich aan het gezag van China heeft onttrokken, en dus voortaan zijne benoodigdheden van elders moet halen.

Een vroeger ook te Tasjkend bloeiende tak van handel, de slavenhandel, is sedert de vestiging der russische heerschappij vervallen. Die handel wordt echter nog steeds gedreven in de onafhankelijke khanaten van Turkestan, te Khiwa, te Bokhara, te Kokhand. Voor den noodigen voorraad van slaven zorgen de Turkomannen, door hunne herhaalde invallen in de perzische grensprovinciën: alle gevangenen, die tot de secte der Sjîiten behooren, worden door de roovers verkocht; de Sonniten daarentegen worden door de Turkomannen, hunne geloofsgenooten, ongemoeid gelaten. Is de razzia goed geslaagd, dan zijn de prijzen laag, en kan men een slaaf voor omstreeks vijftig gulden koopen. De slavinnen zijn veel zeldzamer en dus ook veel duurder dan de slaven, omdat de Turkomannen de eersten liefst voor zich zelf houden. Meermalen vernam ik van oude slaven, uit Perzië afkomstig, hoe zij als jeugdige knapen, door de Turkomannen werden geroofd, hetzij terwijl zij met hunne ouders of verwanten aan den veldarbeid waren, hetzij in het dorp zelf, ondanks de woede en smart der weerlooze bevolking. Dan werden zij, dikwijls vele dagreizen ver, onder allerlei ontberingen, naar de markt gevoerd, waar zij in handen vielen van een of anderen meester. Gelukkig nadert het einde van dezen snooden handel; zelfs in het nog niet aan Rusland onderworpen gedeelte van Turkestan wordt men angstvallig slaven te koopen, omdat men weet dat zoodra de Russen komen, alle slaven onmiddellijk in vrijheid worden gesteld.

Ook voor de vrouwen van Turkestan, die nu metterdaad evenzeer slavinnen zijn, al dragen zij niet dien naam, is, naar wij vertrouwen, een betere toekomst aanstaande. Haar tegenwoordige toestand is ellendig, nog beneden die harer zusters in Turkije en Perzië. Zij worden nog strenger bewaakt, nog angstvalliger van aller verkeer met de buitenwereld afgesloten, nog meer in haar werkkring beperkt. Reeds in de wieg worden zij aan een man verkocht, die haar tot vrouw neemt, als hare ontwikkeling, noch uit een moreel, noch uit een physiek oogpunt, voltooid mag heeten. Zoo komen zij nooit tot een eigen zelfstandig leven: want als zij den leeftijd hebben bereikt, waarop het verstand tot rijpheid komt, zijn zij reeds verouderd door de moederzorgen, en gebroken en verwelkt door harden arbeid. Is het wel te verwonderen, dat zij zich met niets anders weten bezig te houden dan met praatjes en intriges? Moge de russische invloed vooral hierin ten goede werken!

Toen ik Tasjkend verliet, was het feest van den beïram in vollen gang. De straten wemelden van Sarthen, voor het meerendeel beschonken, hetzij door het onmatig gebruik van kouknar, hetzij omdat zij zich te buiten waren gegaan aan brandewijn, waarvan de ware geloovigen groote liefhebbers zijn. De menigte richtte hare schreden naar een boschje, op ongeveer een mijl afstands van de stad; de mannen hadden hunne fraaiste veelkleurige tsjapans aangetogen, de vrouwen hare mooiste mousselinen van russisch fabrikaat. Ons gezelschap bestond nu uit vier personen: als tolk had ik een gerussificeerden Tartaar van Kassimow, een edelman, misschien wel een prins: althans hij maakte aanspraak op den titel. Een ander Tartaar vervulde de rol van bediende; eindelijk had de gouverneur van Tasjkend mij nog een Kozak van Orenburg toegevoegd, die mij gedurende de geheele reis moest vergezellen. Wij waren behoorlijk van geweren en revolvers voorzien.

Wij slaan den weg in naar Tsjinaze, ten einde den overtocht over de rivier Tsjirdsjik te vermijden, die in dezen tijd des jaars, vanwege den hoogen stand des waters, niet zonder gevaar is. Het is heerlijk weder; een verrukkelijke lenteavond overstroomt het geheele landschap met een onbeschrijfelijke bekoorlijkheid. Wij brengen den nacht door in het dorp Nogaï-Kourgane, waar wij onze tent, onder den blooten hemel, in de schaduw van prachtige boomen, opslaan. Den volgenden morgen zetten wij onze reis voort. Ik zal mijne lezers niet vermoeien met eene opsomming van alle bijzonderheden van dien tocht, en eene beschrijving van al de plaatsen waar wij halt hielden. De geheele landstreek vertoont overal hetzelfde karakter, en ook de dorpen gelijken allen op elkander. Wij brachten een kort bezoek aan de weinig beteekenende ruïnen van Iski-Tasjkend (Oud-Tasjkend) de voormalige hoofdstad des lands, en bereikten eenige dagen na ons vertrek van Tasjkend, de stad Tsjinaze, die eigenlijk niet veelmeer dan een dorp is.

Voor de komst der Russen was Tsjinaze eene plaats van zekere beteekenis; maar sedert de verovering hebben een aantal inwoners, met name kooplieden, de stad verlaten, om zich in het nieuwe Tsjinaze te gaan vestigen, op eenigen afstand, nabij de plaats waar de Tsjirdsjik in de Sir-Darja vloeit, gesticht. Oud-Tsjinaze heeft weinig aanlokkelijks voor den vreemdeling; maar een hevige orkaan, door geweldige stortregens gevolgd, dwong ons, er te blijven en te overnachten. Den volgenden morgen geleek de weg een modderpoel, waardoor met groote kracht sterke waterbeeken stroomden, die zich in de Tsjirdsjik gingen storten. Gelukkig is de afstand tusschen Oud- en Nieuw-Tsjinaze niet groot anders hadden wij waarschijnlijk onderweg onze paarden verloren. Op onzen weg daarheen zagen wij Kirghisen, met veldarbeid bezig, zich daarbij bedienende van werktuigen, die door hunne eenvoudige samenstelling nog aan de aartsvaderlijke tijden herinneren.

Een Afghaan in russischen dienst.

Nieuw-Tsjinaze ziet er niet veel bekoorlijker uit dan het oude: de citadel is klein, de huizen zijn laag, de boomen zeldzaam, hetgeen vreemd schijnt in de nabijheid van twee rivieren. De stad ligt echter te hoog, om het water, door middel van irrigatiekanalen, over het land te kunnen verspreiden; maar indien daardoor het bezit van tuinen en boomgaarden onmogelijk wordt, zoo tiert hier toch de wilg in grooten overvloed: en in Turkestan is geen enkele boom te versmaden.

Den volgenden morgen staken wij, in een ijzeren boot, de Tsjirdsjik over. Langs de steile oevers dezer smalle rivier zag ik verscheidene diepe gaten, die, zooals ik vernam, des winters den Kozakken tot verblijf dienen. “Maar, zeide ik tot den armen Kozak, die mij dit mededeelde, dat moet wel hard zijn, des winters in zulke holen te wonen!

“Het is hard.”

“En waar woont gij des zomers? In tenten?”

“Neen. In de open lucht.”

“In de open lucht! En hoe maakt ge het dan bij regen en wind?”

“De regen maakt ons nat, maar de zon droogt ons weer.”

Ter wederzijde van de rivier ziet men moerassige velden, dicht met riet bewassen, alsmede uitmuntende klaverweiden. Deze laatste plant levert hier drie en meer oogsten per jaar op. Ook tarwe, gerst, rogge, erwten en vlas groeien hier uitnemend. De rijst zou hier evenzoo slagen: maar zij heeft overvloedige besproeiing noodig; daarom vindt men alleen in de streken, waar veel water is, bij voorbeeld in het dal van de Angrene, te Ilaou en te Khodsjend, belangrijke rijstvelden.

Hodjaguend, waar wij halt houden, is een groot dorp, door Sarthen bewoond. Toen wij onzen intocht hielden, waren de mannen bijna allen in het veld; de vrouwen stonden in de deur harer woning, tegelijk nieuwsgierig en schuw, want de verschijning van een Ourousse (Rus) is geene alledaagsche zaak. Terwijl naar eene woning voor ons werd rondgezien, nam ik voorloopig mijn intrek in een tuin, waar het dorpshoofd mij kwam bezoeken. Hij beschouwde mij blijkbaar met groot wantrouwen, daar hij meende dat ik door de russische regeering gezonden was, om rekenschap te vragen van zekere verkeerde handelingen. Toen hij begreep dat dit niet het geval was, maakte zijn wantrouwen plaats voor verbazing, met zekere minachting gemengd. De Oosterlingen kunnen zich maar niet voorstellen, dat iemand louter voor zijn pleizier, om zich te onderrichten, gaat reizen; is de reiziger geen officiëel persoon, geen handelaar, kan hij geen bepaalde reden opgeven waarom hij reist, dan kunnen zij den indruk niet van zich weren dat eene andere min loffelijke oorzaak, die hij niet durft noemen, hem beweegt, zijn vaderland en familie te verlaten. Ook ik kon mijn aksacale niet aan het verstand brengen, dat ik geen ander doel had dan vreemde landen te leeren kennen: ik ben er zeker van, dat hij mij als een halven dwaas beschouwde.

De broeder van den aksacale verschafte mij eene goede woning met een stal, en eene ruime, met boomen beplantte binnenplaats. Deze woning lag aan een breed, maar niet diep kanaal, dat voornamelijk diende tot besproeiing der velden en om eenige molens in beweging te brengen; ter wederzijde is een rij huizen gebouwd, die door fraaie boomen worden overschaduwd. In deze straat bevindt zich de voornaamste der twee winkels, die in het dorp te vinden zijn; voor dien winkel verzamelen zich iederen avond de nieuwsgierigen van het vlek, om te praten, de nieuwtjes te vernemen en te spelen. Vooral op de dagen, als de bazar te Tsjinaze geopend is, heerscht hier des avonds eene bijzondere drukte. Niet ver van mijne woning staat een moskee, die niets bijzonder merkwaardigs heeft. Des morgens en des avonds is zij meest met landlieden gevuld, die er hunne gebeden komen opzeggen; de stedelingen zijn minder ijverig in het waarnemen hunner godsdienstplichten; de meer bejaarden onder hen bezoeken nog het trouwst het bedehuis.