12. DE ONDERGANG DER „JEANNETTE”.
Intusschen was de „Jeanette” reeds in het begin van September 1879 in dicht ijs geraakt, en daar zij geen duimbreed meer verder kon, werd het schip aan een veld drijfijs voor anker gelegd en de vuren onder de stoomketels werden uitgedoofd. Den volgenden morgen was ze reeds aan [54]alle kanten ingesloten en gevangen—een en twintig maanden lang! De zeelieden namen het lot kalm op en hoopten, dat het ijs zich spoedig in beweging zou zetten. Op de bevroren zoetwaterplassen, die zich op de ijsschollen vormden, reden de manschappen schaatsen; de een hield zich bezig met lezen, de ander ging op de jacht. Twee walrussen en eenige ijsberen werden neergeschoten. Toen een der Indianen zijn eerste walrus had gedood, stak hij zijn arm in den muil van het nog niet koud geworden dier, trok er hem weer met bloed bedekt uit, en bestreek toen zijn voorhoofd eerst met bloed, daarna met sneeuw; dit, had zijn vader hem verzekerd, bezorgde hem geluk op de jacht.
Spoedig bemerkte men door waarneming van den hemel, dat het schip slechts schijnbaar stil lag in het ijs. Een onregelmatige strooming der zee dreef het geheele ijsveld noord-westelijk. Indien het slechts wat sneller was gegaan, zou men niet gemakkelijker het poolijs door hebben kunnen varen! Maar het ging wanhopig langzaam. Dikwijls dreef het ijsveld in kromme lijnen en cirkels en van het Wrangeleiland naar de slechts ongeveer duizend meter verwijderde groep der Nieuw-Siberische eilanden had men bijna twee jaar noodig!
Zonder gevaar was deze gevangenis der „Jeannette” volstrekt niet. Het ijs perste ontzaglijk. Het roer werd weggenomen maar de schroef liet men nog zitten en de dreigende ijsblokken in de nabijheid er van werden weggeslagen en weggezaagd. De instrumenten werden op een afstand van eenige honderden meters op het ijs ondergebracht, waar een observatorium werd gebouwd, dat met het schip in telefonische verbinding stond. De „Jeannette” lag tusschen twee meter dik ijs, maar daar hier en daar de ijsvelden, door de ontzaglijke persing op elkaar waren geschoven, bedroeg de dikte van het ijs op enkele plaatsen tot zes meter. Bij zulke opschuivingen der ijsmassa’s dreunde het rondom de „Jeannette” als donder en de grootste voorzichtigheid was noodig.
Tot dusverre had men gedacht, dat het eiland Wrangel zich noordelijk naar de Pool als een tweede Groenland uitstrekt. De drift van de „Jeannette” toonde echter, dat het eiland tamelijk klein was en rondom de kusten de zee nog grootendeels open was. [55]
Zeehonden en walrussen kwamen hier in grooten getale voor, maar men ontmoette slechts twee witte walvisschen.
In het begin van November werd het kraken van het ijs, dat onophoudelijk van positie veranderde, hoogst beangstigend. De honden huilden van schrik, noch zij noch hun meesters hadden ooit zulk een geraas gehoord. Soms scheidden de ijsschollen zich en dan dreef de „Jeannette” een korten tijd op het water. Spleten en gleuven openden zich hier en ginds en gedurende eenige dagen verkeerde de bemanning van het schip in zulk een opwinding, dat ze er ternauwernood toe konden komen thee te drinken.
Den 10den November begon de winternacht van drie maanden, een tijd van rust, dien men eenigszins gezellig inrichtte. Te zeven uur ’s morgens klonk de reveille, dan werd het vuur aangemaakt. Te negen uur werd het ontbijt gebruikt en van elf tot een uur moesten allen op de jacht gaan om beweging te nemen. Te drie uur werd er voor het middagmaal geluid, daarna liet men het keukenvuur uitgaan om kolen te sparen. Te acht uur was er thee en koude keuken, daarna ging men slapen. Het menu bracht tamelijk veel afwisseling: tweemaal in de week was er gebraden ijsberen- en robbenvleesch. Wijn werd slechts bij feestelijke gelegenheden gedronken.
Met Kerstmis verschenen de manschappen in groot tenue aan den bak om de officieren geluk te wenschen en werden door hen aan het middageten genoodigd. De avond werd gevierd met de opvoering van een tooneelstuk en verder hield men de manschappen bezig met voordrachten, precies als op de „Vega”.
In Januari 1880 was de „Jeannette” aan zulke ontzettende ijspersingen blootgesteld, dat ze lek werd. Waar het lek was, wist men niet, maar in het voorruim kwam het water zoo hoog, dat de pompen in werking gebracht moesten worden. Van toen af werkten ze volle achttien maanden!
Begin Februari werd een witte vos geschoten. Wat ter wereld had die hier buiten te zoeken? Het eiland Wrangel was nog steeds een groot eind verwijderd. Meester Reintje had misschien de honden gespeurd, en zich naar hier laten lokken. Op een anderen keer beproefde een ijsbeer een bezoek aan boord te brengen; ontvangen door de woedende honden, maakte [56]hij volstrekt niet, dat hij wegkwam, maar joeg zijn tegenstanders op de vlucht. Het dappere dier had wel een beter lot verdiend, dan in kleine porties op de tafel der „Jeannette” te verschijnen.
Toen de zon, door stormachtig gejubel begroet, terugkeerde, waren de gevangenen verbaasd te zien hoe bleek en grauwgeel zij er uitzagen. De koude daalde tot bijna vijftig graden; het was hier dus nog vier graden kouder dan in het winterkwartier van de „Vega”.
In Mei vertoonde zich nu en dan een meeuw, ook soms een verdwaalde eidergans of een wilde eend. Gedurende den zomer was het heerlijk weer. De honden vonden den voortdurenden zonneschijn zelfs hinderlijk warm en lagen hijgend aan de schaduwzijde van het dek.
Zoo dreef de „Jeannette” van maand tot maand in haar ijsveld steeds verder naar het Noorden, en indien zij stand had kunnen houden tegen het ijs, dan was zij zeker de Noordpool voorbij of althans in haar nabijheid gekomen! De waarnemingen der zeelieden schenen aan te toonen, dat de geheele Poolzee met een mantel drijfijs bedekt was, dat, althans in de nabijheid der Siberische kusten, langzaam den tegenovergestelden weg van den wijzer eener klok aflegde, namelijk van het Oosten over het Noorden naar het Westen.
Daarna begon de tweede nacht, die drie maanden duurde. De gezondheid der gevangenen leed meer dan in den eersten winter. Teekenen van scheurbuik, de vernielende ziekte der poolstreken, waaraan reeds zooveel menschenlevens ten offer waren gevallen, vertoonden zich en de scheepsdokter had handen vol werk.
Den 18den Mei zag de loods van zijn uitkijk aan den top van den grootsten mast, in het Zuidwesten, waar tot nu toe nog geen land bekend was, een kust. Het was slechts een klein eiland; het kreeg voor goed den naam van het in het ijs gevangen gehouden schip. Eenige dagen later kwam weer een eiland in het zicht, waar de „Jeannette” langzaam voorbij ging. In het begin van Juni openden zich rondom het schip gapende spleten in het ijs. Den avond van den 10den werden heftige stooten gevoeld en gedurende de uren van den zonhelderen Juni-nacht barstten de ijsvelden overal in het rond, [57]alom vertoonden zich groote watervlakten, en de „Jeannette” was bijna vlot. Het roer werd weer aangezet, onder den stoomketel het vuur gestookt, en men verheugde zich in de hoop eindelijk weer uit het pak-ijs te komen.
Met het vlot worden van de „Jeannette” eindigt het logboek van kapitein De Long, maar in zijn dagboek vervolgt hij het verslag. De „Jeannette” kwam den 11den Juni in den voormiddag geheel vrij van ijs en allen waren vervuld van een gevoel, alsof het schip zoo juist van stapel was geloopen! De geheele bemanning stormde uit de kajuiten naar het dek en jubelde over het kristalheldere, blauwe bekken, waarin de „Jeannette” zwom.
Men ging voor anker liggen in de verwachting van een vaarwater, dat zich zou openen. Maar men wachtte vergeefs! Weer schoof het ijs aan alle kanten te zamen en den 12den Juni zat het schip erger dan ooit in het ijs bekneld. Het weer was prachtig. Toen men weer eenigszins van het persen van het ijs was bekomen, ging een deel der bemanning op jacht en gedurende hun afwezigheid begon het persen van het ijs opnieuw. Het vlaggesignaal van De Long riep allen terug aan boord en toen de laatste jager, een Indiaan, hijgend aankwam met een zeehond op den schouder, dien hij had geveld, perste het ijs reeds zoo, dat het schip overhelde. Allen verkeerden in de grootste opwinding. Zonder eenigen twijfel moest de „Jeannette” als glas tot splinters gaan, als het ijs met al zijn kracht verder perste en het drong stormachtig nader. Het schip streed zijn doodstrijd; het werd zoo samengedrukt, dat het dek zich als een golf verhief en de trap naar de commandobrug instortte. De machinist verliet eveneens zijn post met den kreet van schrik: „Het ijs dringt in het kolenruim”.
Daarna hoorde men nog slechts het water alle lekken binnen stroomen. Officieren en manschappen werkten als galeislaven. De Long deelde zijn bevelen uit vanaf de commandobrug, de matrozen stonden halverwege in het water en reikten elkaar kisten met proviand toe. Maar toen het water onder het dek steeds hooger kwam, moesten zij hun plaats verlaten. Sleden, booten en een voorraad levensmiddelen had men reeds geruimen tijd te voren op een veilige plaats van het schip verwijderd, gereed gehouden. Nu moest nog slechts gered worden, [58]wat op de een of andere wijze geborgen kon worden. Officieren en manschappen hadden hun eigendommen bij elkaar gepakt en het werd hoog tijd, deze te halen, want het water stond reeds in de kajuiten en salons. Op den bezaansmast werd de vlag geheschen—voor den ondergang.
Wat gered was, werd naar het kamp gedragen, waar de tenten opgeslagen waren. Intusschen drong en drong het ijs het schip sterk naar stuurboordzijde; het was reeds tot boven toe vol water en werd nog slechts door den druk van het ijs gehouden.
De laatste manschappen waren van het dek gesprongen, dat langzaam door het water werd overstroomd; nu verliet ook de kapitein, als allerlaatste, de commandobrug van zijn zinkend schip! Den 13den Juni te drie uur in den morgen stond de geheele scheepsromp onder water, de schoorsteenen verdwenen in de golven, de masten staken nog alleen omhoog. Knallend versplinterden de raas tegen de ijskanten en ten slotte gaapte een wak, als een graf; nog slechts enkele boeien en planken dreven rond. De bemanning der „Jeannette” stond zoo stil en zwijgend als bij een begrafenis, de honden huilden klagend. Daarna schoof langzaam een ijsschots over het wak, als een ijzeren deksel van een crematorium!
Zwijgend gingen de mannen naar het kamp, waar alles dooreen lag opgestapeld. Er waren levensmiddelen voorhanden voor twee à drie maanden: vleesch, brood, suiker, thee, chocolade, vleeschextract. Zij hadden verscheiden geweren en twee duizend patronen. Twee sloepen, en een walvischboot, sleden en tenten waren eveneens gered.
Verlaten en woest lag in het rond het ijslandschap. Geen spoor meer van het schip, dat zoolang het tehuis der mannen was geweest. Zij voelden zich als arme sukkels, die door den kwaden huisbaas op straat waren gezet. De ongeluksdag was een Zondag; op den gewonen tijd riep De Long de zijnen bijeen voor de godsdienstoefening.
Daarna werd het kamp in orde gebracht en de tenten geriefelijk en warm ingericht. De Nieuw-Siberische eilanden waren zoo nabij, en over de zee zou men zonder al te groote moeilijkheden de Lenadelta aan de Siberische kust kunnen bereiken. ’s Avonds zongen de matrozen bij de klanken der harmonica. [59]
De Long gaf zijn mannen zes dagen den tijd om zich gereed te maken voor het opbreken. De booten werden op de grootste sleden vastgesnoerd en met tenten, kisten proviand en de overige bagage gevuld. Logboeken, aanteekeningen en kaarten verloor de kapitein niet uit het oog. Niemand mocht overbodige en al te zware zaken medenemen; elk pak mocht niet meer bevatten dan twee vilten dekens, twee paar kousen, ondergoed, wanten, twee mutsen, schoenen om te verwisselen, een sneeuwbril, een pak tabak met een pijp en lucifers en enkele kleinigheden. Toen alles tot den afmarsch gereed was, telde men 28 man en 23 honden.