WeRead Powered by ReaderPub
Van pool tot pool cover

Van pool tot pool

Chapter 12: 13. DOOR DE IJSWOESTIJN.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

The author recounts a long voyage that begins in the high North and proceeds toward the equator, blending vivid landscape observation, transport and industrial detail, and accounts of polar exploration. Early sections describe rail travel through endless forests, the midnight sun, massive iron-ore extraction and loading operations, snowy approaches to Lapland and deep mountain lakes, and encounters with local reindeer-herding communities. Interwoven are historical and scientific reflections on Arctic ice and earlier polar expeditions and the practical difficulties of navigation. Later chapters contrast progressively warmer climates, diverse peoples, and natural phenomena encountered on the southward journey.

[Inhoud]

13. DOOR DE IJSWOESTIJN.

Onder aanvoering van den ijsloods, die vooruitging om den besten weg met zwarte vaantjes af te steken, begon de tocht door de ijswoestijn nu. Er werd gedurende de nachtelijke uren geloopen, te middernacht werd halt gehouden om te eten; de zon stond dag en nacht aan den hemel. De sleden waren zwaar en de onderstukken raakten vast in de diepe sneeuw. Men moest daarom elk eind verscheiden keeren afleggen om al de bagage gaandeweg verder te krijgen. Ontelbaar waren de oponthouden en de onderbrekingen van den marsch, daar maar al te dikwijls breede spleten en open watersleuven hun weg kruisten. Elke sleuf moest op ijsvlotten herhaaldelijk worden afgelegd, om de eene slede na de andere er over te brengen. Het gesmolten water op het ijs kwam de mannen tot aan de knie. Daarbij was de gloed der zon om te stikken, allen liepen in hemdsmouwen en het dampte rondom elken man, die hier om het leven streed. De honden trokken de kleine sleden: indien men geen wild vond, dan werden zij met geconserveerd vleesch gevoerd. Nadat de mannen tot bezwijkens toe een week lang hadden gewerkt, bleek het, dat het ijsveld waarop ze liepen, driemaal zoo veel zuid-waarts was gedreven, dan zij meenden naar het Zuiden te zijn gedrongen! Inplaats dichter bij te komen, verwijderden zij zich steeds meer van het doel! Daar dit ontzettend feit vernietigend op al de mannen zou hebben gewerkt, vertrouwde De Long het slechts aan de officieren toe. [60]

Voortgezet moest de marsch in elk geval worden en weer zocht men wat gemist kon worden uit de bagage. Nu gold het voor alle dingen open water te bereiken.

Midden Juli klaarde de droeve positie der reizigers op. Twee robben, een walrus en een ijsbeer werden geveld; dus voor eenigen tijd versch vleesch genoeg en ook de honden smulden aan de beenderen. Maar nog hoopvoller was, dat zich eindelijk in het Zuid-Westen land vertoonde. Na oneindige moeilijkheden bereikte men door een nevel, die elk uitzicht benam, een eiland, dat den naam Gordon Bennett kreeg. Een vlag werd geheschen, en een driewerf hoera weerklonk.

Op het Bennett-eiland werd eenige dagen gerust. Daar men nu per boot verder zou gaan, had er een nieuw onderzoek van al de bagage plaats. Ook de sleden werden vernietigd en daar de honden dientengevolge onnutte ballast waren, werden zij die het minst waard waren, dood geschoten. Twaalf werden mede in de booten genomen, zij verzetten zich echter tegen de zeevaart en verkozen op de ijsschollen te springen, op welke de een na den ander weggedreven werd! Maar twee volgden hun meester—tot het einde.

Bij het verlaten van het eiland verdeelden zich de officieren en manschappen, levensmiddelen en uitrusting in drie booten. Die van den kapitein was zes meter lang, had mast, zeil en roer en nam veertien man op, onder wie Dr. Ambler, de physicus Collins, de matrozen Nindermann, Noros en Erikson, een Indiaan en een Chinees.

Het opperbevel der tweede boot, die elf man bevatte, voerde Melville. Gelukkig allen, wie het lot trof, bij hem ingedeeld te worden! De derde en kleinste boot, waarin maar acht mannen plaats vonden, stond onder commando van luitenant Chipp, een bijzonder bekwaam zeeman.

Voor de afvaart werd streng bevel gegeven bij elkaar te blijven. Melville en Chipp mochten de boot van De Long nooit uit het oog verliezen.

Spoedig greep de wind de drie booten en dreef ze in snelle vaart over de zee. Allen was de zeetocht welkom, daar men tenminste kon uitrusten in de booten. Het was daarom een des te hardere slag voor hen, toen het ijs hen weer tien dagen insloot. Maar zij kwamen weer los en landden op het eiland [61]Fadschejew, dat tot de groep der Nieuw-Siberische eilanden behoort. De oever was bedekt met veel bruikbaar drijfhout en eenige hutten en gereedschap bewees dat het eiland nu en dan door menschen werd bezocht.

Daarna ging het verder, nu eens zeilend, dan roeiend, langs de zuidelijke kust van de Kesseleilanden. Het weer was stormachtig en op zekeren dag had men Chipp uit het oog verloren. De twee andere booten wachtten daarom bij een ijsschol, totdat de vermisten weer opdaagden en al de manschappen landden op de Kesseleilanden, om hier een kamp op te slaan.

Na twee rustdagen ging het onder de rotsen van den oever door, vanwaar nu en dan een steenuiltje op de zeelieden neerzag, verder. Den 10den September kwamen zij aan het eiland Semenorn, dat twee jaar te voren door de bemanning van de „Vega” was gezien; hier schoten zij een rendierkoe, die hen weer van versch vleesch voorzag.

De Long besloot hier verscheidene dagen te blijven, opdat allen hun krachten konden verzamelen, voordat zij de ruime zee zouden trotseeren. Helaas gaf hij toe aan den aandrang van Melville om snel verder te gaan, ofschoon hemel en wind een orkaan voorspelden. De Lenadelta het meest nabij liggend deel der kust van het Siberisch vasteland, die men moest trachten te bereiken, lag op een afstand van tweehonderd kilometer.

De boot met kapitein De Long zeilde vooruit. Ze was echter nog niet ver gekomen, of ze werd met zulk een kracht tegen een blok drijfijs gedreven, dat ze lek werd. Weer moest men bij een ijsveld landen, om het lek te stoppen, de beide andere booten wachtten hier ook een poos. Dit was de laatste keer dat de mannen der expeditie bij elkander waren. Daarna zeilden zij bij gunstigen wind zuid-westwaarts.

De zee ging hoog. Tegen den avond verhief zich een storm en de golven rolden met schuim bedekte kammen langs de open booten. Melville gaf het bevel zijner boot over aan een zeevaardig officier, die met het vaartuig voortreffelijk manoeuvreerde. Wie niet bezig was aan zeil of stuur moest water scheppen, want de eene golf na de andere sloeg over de reeling. In de schemering waren de booten van De Long en Chipp nog in zicht. Maar daarna werd het donker: tot op de huid nat, [62]verstijfd van koude worstelden de mannen in de boot van Melville met verstijfde handen om hun leven. De storm dreef hen in het donker voor zich uit naar de kust. Niets was te zien, men hoorde slechts het geloei van den storm en het ruischen der golven, welker kammen in kokend schuim omlaag sloegen. Toch hielden allen dapper stand. Maar toen de dag over de woeste zee aanbrak, was van de beide andere booten niets meer te zien!

Den ganschen dag en den daarop volgenden nacht ging de strijd met wind en golven verder. Toen de boot van Melville tenslotte gelukkig in het oostelijk deel der Lenadelta landde, hadden de manschappen honderd acht uren achter elkaar ineengehurkt aan de riemen gezeten. Eenigen waren zoo stijf bevroren, dat ze zich aan land ternauwernood naar het vuur konden sleepen, dat hun makkers aanmaakten en waaromheen nu allen zich neerwierpen in een vasten slaap. Maar het geluk diende hen; twee dagen later ontmoetten zij visschers, die hen den weg naar Boeloen, het eerste dorp aan den Lena-oever, wezen. Waar was kapitein De Long gebleven?