WeRead Powered by ReaderPub
Van pool tot pool cover

Van pool tot pool

Chapter 14: 15. FRIDTJOF NANSEN.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

The author recounts a long voyage that begins in the high North and proceeds toward the equator, blending vivid landscape observation, transport and industrial detail, and accounts of polar exploration. Early sections describe rail travel through endless forests, the midnight sun, massive iron-ore extraction and loading operations, snowy approaches to Lapland and deep mountain lakes, and encounters with local reindeer-herding communities. Interwoven are historical and scientific reflections on Arctic ice and earlier polar expeditions and the practical difficulties of navigation. Later chapters contrast progressively warmer climates, diverse peoples, and natural phenomena encountered on the southward journey.

[Inhoud]

15. FRIDTJOF NANSEN.

Drie jaren na den ondergang der „Jeannette” vond men in de nabijheid van Kaap Farewell, de zuidelijkste punt van Groenland een menigte voorwerpen, die aan het verongelukte schip moeten hebben behoord. Zij zaten vast gevroren in ijsblokken, maar er kon geen twijfel bestaan omtrent hun herkomst, want er was een proviandlijst bij met de handteekening van De Long, een afzonderlijke opgave der booten van de „Jeannette”, een klep van een pet met den naam Nindermann en eindelijk—een paar oliebroeken, die het merk „Louis Noros” droegen! Zonder twijfel hadden deze voorwerpen met het ijs den geheelen weg afgelegd van de Nieuw Siberische eilanden naar het zuidelijk voorgebergte van Groenland en waren daarbij juist over de Noordpool gedreven! Men wist ook, dat veel drijfhout, dat aan de oevers der Siberische rivieren gegroeid was, aan de kusten van Groenland placht te landen.

Uit deze en andere teekenen, aan het Noordelijk halfrond der aarde maakte een jonge Noor, Fridtjof Nansen genaamd, op, dat zich van de Behringstraat een zeestroom moest bewegen naar de oostkust van Groenland. Nansen besloot deze strooming te benutten. Vele Noordpoolreizigers waren van de zijde der Atlantische Oceaan de IJszee ingegaan en werden door de strooming terug gedreven; hij wilde nu van de tegenovergestelde zijde beginnen en zich door deze strooming laten drijven! [71]

De manschappen der „Jeanette” op den doodenmarsch.

[72]

De ontmoeting van Nansen met Jackson.

[70]

Anderen hadden dat pakijs gevreesd en vermeden; hij wilde het juist opzoeken en er zich vrijwillig aan overgeven. Anderen [73]waren met ondeugdelijke schepen, die als notendoppen door de ijsvelden werden verpletterd, uitgevaren; hij wilde een schip bouwen welks naar binnen gebogen zijden niet door het ijs gepakt zouden kunnen worden. Hoe erger het ijs perste, des te zekerder moest zulk een schip uit het ijs omhoog geheven worden, en dan kon het op het ijs met den stroom verder drijven! Zoo’n reis zou echter lang moeten duren, daar de overblijfselen der „Jeannette” drie jaren onderweg waren geweest. Maar men had daarbij gelegenheid nieuwe streken der aarde, diepten der zee, weer en wind te onderzoeken. Het kleine puntje, dat men de Noordpool noemde, te bereiken, vond Nansen minder gewichtig dan de wetenschappelijke resultaten.

Onder de velen, die zich aanboden hem te vergezellen, koos Nansen de twaalf besten uit; zij waren aldus met hun dertienen; het getal dat bijgeloovige vrees verwekt, werd het gelukscijfer van Nansen!

Het nieuwe schip doopte men „Fram” (Voorwaarts). Sverdrup werd de kapitein. Deze was vroeger reeds een keer de metgezel van Nansen geweest op een avontuurlijke onderneming. Zij hadden te zamen Groenland van de west- tot de oostkust doorkruist.

Alles werd zoo goed het kon ingericht en proviand voor vijf jaar medegenomen. Den 24sten Juni 1893 vertrok de „Fram” naar de Siberische IJszee.

Het eerst moesten de Nieuw-Siberische eilanden bereikt worden. Den weg daarheen had de Zweedsche „Vega” gewezen, de „Fram” behoefde haar weg slechts te volgen. Ten Westen van deze eilanden richtte hij zich dadelijk naar het Noorden, en het duurde ook niet lang of de „Fram” zat in het ijs vast en werd, zooals Nansen had voorzien, door de persingen totaal op de oppervlakte van het pakijs geheven, zonder ook maar de minste schade te ondervinden! Zoover ging alles volgens de berekeningen van Nansen en kundige poolreizigers, die zijn plan voor krankzinnigheid hadden uitgemaakt, moesten daarna toegeven, dat hun wijze voorspellingen onjuist waren geweest. Wel ging de reis nu langzaam verder; het ijs kraakte en kreunde als altijd, maar in den dikken houten romp van de „Fram” was de bemanning voor zijn streken veilig en leidde aan boord een heel gezellig leven. [74]

Toen kwam de poolnacht, lang, somber en zwijgend. IJsberen spookten in ’t rond en moesten er vaak het leven bij laten. Voordat het geheel donker was, richtte Nansen de honden er op af, de sleden te trekken. Zij werden er voorgespannen. Hij nam plaats op de slede en klapte met de tong; daar ging het in dolle vaart vooruit. Zij stormden over blokken en gaten in het ijs. Nansen viel van de zitplaats, hield zich vast aan de slede en de honden ijlden om het schip heen, alsof de booze hen op de hielen zat! De positie van den koetsier was allesbehalve aangenaam; hij werd nu eens op den buik, dan eens op den rug medegesleept. Maar als hij maar eerst weer op de been was, zou hij de uitgelaten dieren de ribben wel breken. Maar toen zij eindelijk zoo goed waren, hijgend stil te staan en vriendelijk met de staarten kwispelden, alsof zij hun zaak werkelijk goed hadden gedaan, was Nansen zoo bont en blauw gestooten, dat hij niet meer van zich verkrijgen kon, ze te slaan.

Maar langzamerhand ging het beter. Wel is waar moesten eenige der trouwe dieren hun sledevaarten op het poolijs boeten; twee werden door ijsberen weggehaald en twee door hun makkers doodgebeten. Maar midden in de ergste duisternis kwamen op zekeren dag, den 13den December, ook jonge honden ter wereld.—Toen deze voor het eerst in hun leven de zon zagen, blaften zij er woedend tegen.

Precies, zooals Nansen voorspeld had, dreef de „Fram” naar het Noorden in de richting van de Pool over zulk een geweldig diepe zee, als hier niet verwacht was, en waar de loodlijn van twee duizend meter den grond nog niet bereikte.

Kerstmis werd op Noorsche wijze gevierd, en toen de 80ste breedtegraad werd gepasseerd, werd zelfs een groot feest aangericht. Maar de grootste vreugde verschafte echter de eerste terugkeer der zon, op den 20sten Februari.

Lente en zomer gingen voorbij zonder eenige opmerkelijke gebeurtenissen. Hondenhokken werden op het ijs gebouwd en nieuwe jonge honden kwamen ter wereld. Deze honden waren later even verbaasd over de winterachtige duisternis als hun neven, toen ze voor het eerst de zon hadden gezien. Door de gesmolten sneeuw ontstonden op het ijs groote vijvers, waarop men kon zeilen, de makkers stonden aan den kant en wierpen de mannen, die in de booten zaten, met sneeuwballen. Op [75]zekeren dag kreeg zulk een vijver echter een gat in den bodem, en was spoedig geheel leeggeloopen.

Intusschen had Nansen op een moedig plan gezonnen. Hij wilde met hondensleden nog verder naar het Noorden dringen en dan in zuidelijke richting naar Frans Jozefs-land terugkeeren! De „Fram” zou intusschen haar drift vervolgen en aan boord moesten de gewone waarnemingen gemaakt worden. Een zou hem slechts vergezellen, luitenant Johansen, met wien hij er pas in November 1894 over sprak. Het was een onderneming op dood en leven, maar Johanson besloot, zonder zich een oogenblik te bedenken, Nansen te vergezellen.

„Dan beginnen wij morgen dadelijk de voorbereidingen te treffen,” zeide Nansen.

Daarmede was de gansche winter gemoeid; zij bouwden twee kajaks, elk voor een man plaats bevattende, iets grooter en steviger dan de Eskimo’s gebruiken, als ze op visch- en robbenvangst gaan. Een stellage, van latten vervaardigd, werd met zeildoek overtrokken; elk dezer booten woog slechts achttien kilogram. Zij waren geheel overdekt, en als de roeier in het midden plaats nam, en de opening om zich heen sloot, konden de golven rustig over het vaartuig rollen zonder de boot of den inzittende te schaden. Hondensleden, tuig daarvoor, een slaapzak voor twee personen, sneeuwschoenen, stokken, proviand en een petroleumstel,—alles werd gepakt.

Bij de wisseling van het jaar moest het werk een korten tijd onderbroken worden, daar vreeselijke persingen van het ijs in het rond kraakten en de „Fram” nu toch bedreigden. Heele bergen van groote ijsblokken en vaste sneeuw verhieven zich rondom het schip, alsof zij het er onder wilden begraven. Het zeewater werd daardoor omhoog gedrongen en overstroomde het ijs zoodanig, dat de honden bijna verdronken in hun hokken en in allerijl gered moesten worden! De muur van ijs drong tot bij het schip, wentelde zich over de reeling, en brak de tent op het dek. Maar toen het zich over het geheele dek verspreidde, waren schip en manschappen als in een muizenval gevangen. En het was zoo donker, dat men niet goed kon beoordeelen, hoe groot het gevaar wel was. Proviand voor twee-honderd dagen had men gelukkig te voren op veilige plaatsen op het ijs ondergebracht. [76]

Maar gaandeweg kwamen de ijsmassa’s weer tot rust. De groote muur werd weggeschoffeld en nu kon de voorgenomen tocht beginnen. Tweemaal braken Nansen en Johansen op, maar moesten beide keeren terugkeeren. Eens was een slede gebroken, den anderen keer was de bagage te zwaar geweest. Den 14den Maart 1895 verlieten zij de „Fram” voor goed. Of zij hun trouw schip en hun dappere kameraden wel ooit zouden terugzien?