WeRead Powered by ReaderPub
Van pool tot pool cover

Van pool tot pool

Chapter 16: 17. EEN OVERWINTERING.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

The author recounts a long voyage that begins in the high North and proceeds toward the equator, blending vivid landscape observation, transport and industrial detail, and accounts of polar exploration. Early sections describe rail travel through endless forests, the midnight sun, massive iron-ore extraction and loading operations, snowy approaches to Lapland and deep mountain lakes, and encounters with local reindeer-herding communities. Interwoven are historical and scientific reflections on Arctic ice and earlier polar expeditions and the practical difficulties of navigation. Later chapters contrast progressively warmer climates, diverse peoples, and natural phenomena encountered on the southward journey.

[Inhoud]

17. EEN OVERWINTERING.

De eilanden, die Nansen en zijn tochtgenoot tot nog toe gezien hadden, geleken echter in ’t geheel niet op het bekende gedeelte van het Frans Jozefs-land, zoodat Nansen niet meer precies wist, waar hij zich eigenlijk bevond. Bovendien was ’t onmogelijk zich op de kajaks in het open water te wagen: ’t was dus beter om voor het verzamelen van mondvoorraad te [81]zorgen. Want de poolnacht stond voor de deur, en binnenkort zou al het wild verdwenen zijn.

Het eerste, waarvoor ze moesten zorgen, was een goede, bewoonbare hut. Steenen en mos waren als bouwmateriaal genoeg voorhanden; een aangespoelde balk, die ze aan den oever vonden, zou dienst doen als dakvorst en toen men op een goeden keer weer eens twee walrussen buit maakte, was de bedekking van het dak ook in orde.

Reeds spartelde daarbuiten een groote walrus in het open water. In een ommezien waren de saamgebonden kajaks in het water geschoven en van daaruit werd nu de kolos bestookt. De walrus dook in de diepte, maar kwam onder de eene kajak weer naar boven, en ’t scheelde maar een haar, of de geheele geschiedenis was omgeslagen. Eindelijk kreeg het dier een doodelijke wond, maar juist, toen Nansen hem den harpoen in het lijf wilde stooten, verdween hij in de diepte.

Bij twee andere, die zich op het ijs in slaap brulden, hadden ze meer geluk. Nansen vertelde later, dat hij zich als een moordenaar gevoeld had, toen hij ze moest doodschieten, en dat de smeekende, treurige blik van hunne stervende oogen, toen ze, als zwaar zieke menschen, onder het opgeven van bloed den laatsten adem uitbliezen, hem zijn geheele leven zou bijblijven.

Daarna moesten de dieren gevild, het spek er af gesneden, en de buit naar de hut gebracht worden. Maar welk een geluk, dat Nansen zoo voorzichtig geweest was, om de kajaks mee te nemen. Want terwijl ze als slagers met de dieren bezig waren, stak er een sterke landwind op, zoodat de ijsschots waarop ze zich bevonden, los geraakte, en ze naar de zee afdreven. Reeds waren ze omringd door de donkergroene, witbekuifde golven. Er was geen oogenblik te verliezen, met razende snelheid dreven ze af. Maar, om met leege handen weer naar de hut te moeten terugkeeren, dat zou toch al te jammer zijn. Daarom sneden ze de eene in tweeën en droegen de helft met het spek naar hun kajaks. Doodmoe kwamen ze na een gevaarvollen tocht eindelijk in behouden haven terug.

In den nacht kwam een ijsberen-mama met haar beide groote jongen eens een kijkje nemen in de hut. Ze werd neergeschoten; [82]de beide jongen draafden naar de kust, plompten in het water, en zwommen naar een ijsschol. Daar stonden ze te brommen op de menschen, en verwonderden zich er over, waarom moeder zoo lang aan land bleef. Het eene jong viel over den rand in het water, maar kroop weer naar boven, terwijl het zoute water hem van den pels afdroop. Beiden dreven met de ijsschol door den wind gedreven weg, en waren in korten tijd nog slechts als twee witte stippen op het donkere water zichtbaar. Maar, Nansen en Johansen hadden vleesch noodig, want de drie dieren hadden hun geheelen voorraad walrussen-vleesch opgegeten; dus werden de kajaks weer te water gelaten, en spoedig bereikten ze de schol, waarop zich de jonge beren bevonden; ze dreven hen in ’t water en vervolgden ze tot aan het land, waar eenige schoten een einde aan hun leven maakten.

Er was nu aan vleeschvoorraad geen gebrek. Drie beren tegelijk! En bovendien kwam nog de walrus, die ze het eerst geschoten hadden aan de oppervlakte, en terwijl deze gevild werd, kwam een tweede uit nieuwsgierigheid kijken, en moest daarvoor met zijn leven boeten. Bij dit onsmakelijk werk werden de kleederen der beide mannen zoo met bloed en traan besmeerd, dat het kleverige vuil tot op hun huid doordrong. Van alle kanten kwamen de meeuwen krijschend aangevlogen om gulzig den afval te verslinden, voordat ze naar het Zuiden trokken, en de poolnacht een aanvang nam.

Met het bouwen van het winterverblijf ging een week heen. Het schouderblad van een walrus, aan den stok van een sneeuwschoen gebonden, diende als schop, terwijl een walrussentand, aan de lat van een slede bevestigd, als houweel dienst deed. Zoo verhieven zich binnen korten tijd de muren van de nieuwe hut. Van binnen werd de grond uitgegraven, en van steenen een gemeenschappelijke slaapplaats gebouwd en met berenvellen bedekt. Twee buitgemaakte walrussen leverden het materiaal voor dakbedekking. Wel is waar kwam er een beer die het geheele dak naar beneden haalde, maar hij moest deze euveldaad zwaar boeten, en later werd het dak door een laag steenen tegen dergelijke gebeurtenissen beschermd. Een schoorsteen van ijs diende voor den afvoer van den rook uit den open haard. Nu betrokken de beide mannen de nieuwe hut, die hun [83]gedurende den geheelen langen winter een veilig en behagelijk onderkomen verschafte.

Den 15den October 1895 zagen ze de zon voor ’t laatst, en hun derde poolnacht nam een aanvang. De beren verdwenen, om zich voor het volgende voorjaar niet meer te laten zien. Slechts de vossen bleven, en deze waren even brutaal als roofzuchtig. Ze stalen touw en staaldraad en harpoenen, en vergrepen zich zelfs aan een thermometer, die buiten was blijven liggen. Den geheelen winter liepen ze over het dak, al huilend en knorrend en brommend en onderling vechtend. Deze teekenen van leven vormden echter voor de bewoners een zoo welkome afwisseling, dat ze die wilde bezoekers voor geen geld van de wereld zouden hebben willen missen.

Of de dagen langzaam voorbij gingen? Dat nu juist niet: de geheele winter was immers slechts één enkele nacht! Daarbuiten was ’t stil en verlaten: een plechtige stilte heerschte in de windstille nachten. De maan scheen helder, en de hut lag in de schaduw van een klip, het maanlicht bedekte land en ijs als met een witte lijkwade. Vaak vlamde het noorderlicht als een geheimzinnig vuur aan het inktzwarte uitspansel, en de sterren fonkelden in onbeschrijflijken glans.

Slechts zelden was het stil weer. Gewoonlijk huilde de wind over de kale rotsen, die reeds gedurende onafzienbaren tijd milliarden stormen hadden getrotseerd, en de sneeuwstormen gierden er loeiend omheen en vormden om de hutten der reizigers een geweldigen muur.

Zoo verliep de eindeloos lange nacht. Nansen en Johansen aten en dronken, liepen in het donker rond om wat beweging te nemen, en vierden in hun hut het Kerstfeest. Ze knapten het inwendige van de hut op: verwijderden allen afval, en hielden een feestmaal van de laatste delicatessen van de „Fram”. Naderhand bleef Nansen nog lang liggen luisteren, alsof hij verwachtte in het vaderland de kerkklokken te zullen hooren luiden. Toen kwam Nieuwjaarsdag, met een zoo felle koude dat ze alleen om te eten hun neus buiten den slaapzak staken, en vaak vier en twintig uur aan een stuk bleven voortdommelen, evenals de ijsberen in hun hol.

Den laatsten Februari zagen ze eindelijk weer de zon, die met haar stralen ettelijke kleine vogels aanlokte. Maar de [84]beide mannen schrokken, toen ze elkaar weer bij het daglicht zagen: haren en baard waren ongestoord gegroeid; ze hadden zich al dien tijd niet gewasschen en hun gezicht was roetzwart. De anders zoo blonde Nansen had pikzwart haar; maar aan een bad viel natuurlijk bij een temperatuur van veertig graden vorst niet te denken!

Spoedig verscheen ook de eerste beer. Hij krabbelde tegen de hut, aangelokt door allerlei verlokkelijke geuren; maar hij werd met een kogel ontvangen en ging op den loop; een tweede kogel velde hem neer: van zijn vleesch leefden beide mannen zes weken lang.

Nu werden de dagen besteed voor de toebereidselen tot het voortzetten van de reis. Er werden uit vachten lappen genaaid om de beenen te beschutten, schoenen geflikt, touwen gesneden uit de huiden van walrussen, nieuwe bovenstellen voor de sleden getimmerd, de proviand opgeladen en den 19den Mei 1896 verlieten Nansen en zijn makker hun veilig winterkwartier om in zuid-westelijke richting hun onzekeren tocht voort te zetten.