WeRead Powered by ReaderPub
Van pool tot pool cover

Van pool tot pool

Chapter 20: 21. VOOR DE OPSTIJGING.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

The author recounts a long voyage that begins in the high North and proceeds toward the equator, blending vivid landscape observation, transport and industrial detail, and accounts of polar exploration. Early sections describe rail travel through endless forests, the midnight sun, massive iron-ore extraction and loading operations, snowy approaches to Lapland and deep mountain lakes, and encounters with local reindeer-herding communities. Interwoven are historical and scientific reflections on Arctic ice and earlier polar expeditions and the practical difficulties of navigation. Later chapters contrast progressively warmer climates, diverse peoples, and natural phenomena encountered on the southward journey.

[Inhoud]

21. VOOR DE OPSTIJGING.

Toen het plan van Andrée’s tocht wereldkundig werd, schoten natuurlijk overal de ongeluksprofeten als paddestoelen uit den [93]grond op. In het buitenland had men niets dan scherpe woorden, en sprak men van onzinnige waaghalzerij. Andrée kon zelf toch wel begrijpen, dat de zeevogels daar in het hooge Noorden het omhulsel van zijn ballon met hun snavels zouden doorboren, dat hij en zijn tochtgenooten, wanneer ze over het bewoonde land heenzweefden door de bewoners met pijlen doorschoten zouden worden, en dat ze, indien ze al de Noordpool bereikten, daar immers toch van koude zouden omkomen! Sneeuw en ijs zouden door hun gewicht het gevaarte omlaag drukken, de sleeptouwen zouden tusschen de ijsschotsen verward raken, vastvriezen en zoodoende den ballon onbeweeglijk vasthouden.

Alleen in Zweden veroorzaakte het plan eerst verbazing, voorts bewondering, en eindelijk geestdrift! Maar—waar zou het geld vandaan komen? Er waren voor de verwezenlijking van het plan 130.000 Kronen noodig. Alfred Nobel bood aan de helft der kosten voor zijn rekening te nemen. Koning Oscar, die alles wat met ontdekkingsreizen in verband stond met milde hand steunde, schonk het vierde gedeelte, en de rest werd door anderen bijeengebracht.

Toen alles in gereedheid was, reisde Andrée naar Spitsbergen. Op het Denen-eiland werd een reusachtige loods gebouwd om den ballon tijdens de vulling te beschutten. Op het einde van Juli 1896 was de vulling afgeloopen, en nu wachtte men slechts op den zuidenwind.

Maar de wind kwam voortdurend uit het Noorden of uit het Westen. Weken verliepen. Mist en sneeuw maakten de vooruitzichten nog ongunstiger. Het wachten was vergeefs—de gunstige wind kwam niet.

Ten Noorden der Denen-eilanden ligt het Amsterdam-eiland, dat naar het Oosten in een vlakke landtong, de Hollanderkaap, uitsteekt. Hier kwam den 14den Augustus een merkwaardig schip voor anker. Andrée en verscheidene andere Zweden voeren er in hun stoomsloep heen. Het was de „Fram”, eerst enkele dagen geleden, uit een driejarige gevangenschap in het poolijs, bevrijd!

„Zou ik Nansen kunnen spreken?” vroeg Andrée, nadat hij Sverdrup en zijn metgezellen begroet had.

„Wat, is Nansen dan nog niet terug?” riepen de Noren. [94]

„Neen, maar waarom is hij niet op de „Fram”?

„Het is nu bijna anderhalf jaar geleden, sedert hij van ons wegging.”

Aan weerskanten heerschten angst en verslagenheid. Sverdrup keerde zoo snel mogelijk naar Noorwegen terug, vast besloten om, na kolen en proviand ingenomen te hebben, zich naar Frans-Josefs-land te begeven en Nansen te zoeken. Toen hij de eerste haven, een klein Noorsch kustplaatsje, bereikt had, liet hij zich, midden in den nacht, aan land roeien, en ging naar een telegraafkantoor. Daar hamerde hij met zulk een geweld op de deur, alsof zijn leven er mee gemoeid was. Alles was in diepe rust. Eindelijk stak een oud man zijn hoofd uit het venster, en schreeuwde hem toe: „Wat heeft dat gruwelijke spektakel in ’t holle van den nacht te beduiden?”

Sverdrup antwoordde: „Doe maar vlug open, ik ben kapitein Sverdrup, van de „Fram”.

Dadelijk werden overal de vensters verlicht, en de telegraafbeambte kwam hals over kop naar beneden hollen.

„Ik heb van Andrée gehoord,” zei Sverdrup op bezorgden toon, „dat er nog geen bericht van Nansen gekomen is.”

„Wel,” riep de man, „Nansen? Die is den 13den Augustus te Bardö aangekomen! Op ’t oogenblik is hij te Hammerfest.”

Sverdrup maakte van blijdschap een luchtsprong, draaide zich, zonder een woord te zeggen om, en snelde weg om zijn makkers de blijde tijding te brengen.

Intusschen wachtte Andrée nog steeds op den zuidenwind. Maar, daar het reeds te ver in het jaar was, moest hij wel terugkeeren. De ballon werd leeggemaakt, alles werd ingepakt, en Andrée reisde naar Stockholm terug.

Men kan zich wel voorstellen hoe terneergeslagen hij was. Nog nooit had het plan van een Noordpooltocht een zoo algemeene en warme sympathie genoten. De geheele wereld wachtte met spanning en ongeduld op het vertrek. Toen hij Stockholm en Gothenburg verliet, had men hem als een held gehuldigd, en nu moest hij onverrichter zake weer terugkeeren! Velen dreven den spot met hem, maar de meesten bewonderden toch zijn zelfbeheersching. Het bedrag dat voor een nieuwe poging noodig was, werd terstond bijeengebracht, en wel uitsluitend in Zweden. In het midden van Mei van het volgend [95]jaar wilde Andrée zich wederom naar het Denen-eiland begeven.

Den 10den Mei 1897, kwam ik uit Azië terug. Den dertienden gaf Andrée een diner te zijner eere. Wij waren slechts met ons zessen aan tafel, en ik zag hem bij deze gelegenheid voor het eerst. Tijdens het maal heette hij mij welkom met een rede, die ik mij niet zonder ontroering herinner. Hij sprak er over welk een verschillende toekomst ons beiden wachtte. Terwijl ik mijn groote reis achter den rug had, en rustige arbeid mij wachtte, had hij zijn tocht nog voor zich, en stond op het punt zich toe te vertrouwen aan een onzeker lot in de groote eenzaamheid. In zijn toon was iets weemoedigs verscholen, dat hij vergeefs trachtte te verbergen. In mijn antwoord huldigde ik hem als de ontwerper van een grootsch plan, en sprak mijn overtuiging uit, dat we elkaar onder gelukkiger omstandigheden zouden weerzien!

Het gezelschap ging spoedig uiteen. Andrée had nog veel te doen; over twee dagen zou hij Stockholm voorgoed verlaten.

Ditmaal vond zijn vertrek in alle stilte plaats. Men had hem zoo weinig met rust gelaten, dat het te voorzien was, dat hij, ook bij niet volkomen gunstigen wind, tóch zou opstijgen. Slechts enkele vrienden waren aan het station om afscheid van hem te nemen. Ik drukte hem hartelijk de hand—voor het laatst! Toen voerde de trein hem weg, den helderen nacht in.

In Juni heerschte op het Denen-eiland weer dezelfde bedrijvigheid. In het begin van Juli was alles voor de opstijging in gereedheid. Wederom was het wachten slechts op een gunstigen zuidenwind. Door een heftigen storm werd de ballon zoo hevig in de loods heen en weer geslingerd, dat hij bijna tegen de wanden stuk geslagen werd, en zelfs bijna geheel losgerukt werd.

Dagelijks schreef Andrée eenige regels in zijn dagboek. Op den 8sten Juli 1897 eindigt het—voor altijd.